De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
“Mogen we het hier over hebben?” Die vraag stelt student Brent Hadderingh bij Opiniez. Waarover? Over: “een demografische transformatie van Nederland.” Wat? Over het feit dat de Nederlandse bevolking alleen maar groeit door immigratie. Zonder immigratie zou de bevolking krimpen omdat er te weinig kinderen worden geboren en dat is al lange tijd het geval. Gevolg? “De inheemse bevolking neemt af en de niet-inheemse bevolking neemt toe.” En daarom vraagt Hadderingh zich af of we dit niet moeten: “vaststellen als een feit en een normaal politiek debat over deze ontwikkeling en zijn gevolgen (moeten) voeren?” Een debat zonder: “schrikreacties over dogwhistles, Nazi’s en terroristen? Kunnen we stoppen met elke benoeming van een demografisch feit proberen weg te zetten als een complottheorie?”
Ja meneer Hadderingh, daar kunnen we best over praten. We kunnen overal over praten. Om het gesprek te openen, een paar vragen. Als eerste de vraag wanneer ben je inheems? Ik stel die vraag omdat u het CBS aanhaalt dat voor 2050 een krimp voorspelt van de bevolking met 1 miljoen en een stijging van mensen met een migratieachtergrond van 50%. Waarop u aanvult: “Neem hierin mee dat met de afbakening die CBS gebruikt, ook mensen tot “Nederlandse achtergrond” gerekend worden, zelfs als zij misschien niet tot de inheemse bevolking horen.” Wanneer verwordt een ‘migratieachtergrond’ tot een ‘Nederlandse achtergrond’ en waarin verschilt die van ‘inheems’ zijn? Dit zijn geen “verboten woorden” zoals u ze noemt, ze zijn wel beladen omdat ze mensen verdelen in drie hiërarchisch, door u verschillend, gewaardeerde groepen.
In uw laatste alinea schrijft u: “Is het nu eindelijk mogelijk om over dit feit een gewoon gesprek te hebben met bepaalde kanten van het politiek spectrum?” Deze zin is op meerdere manieren te begrijpen. Zo kan eruit worden begrepen dat dit gesprek alleen met die bepaalde kanten van het politieke spectrum gevoerd moet worden. Dat roept dan de vraag op: welke kanten? En als vervolg daarop: waarom alleen met die kanten? Er kan ook uit worden begrepen dat hierover met ‘bepaalde kanten’ nu geen gewoon gesprek kan worden gevoerd. Dat roept weer de vraag op welke kanten dat zijn en waarom er met die kanten geen gewoon gesprek is te voeren? Door de manier waarop u ze gebruikt, claimt u morele superioriteit: ‘met mij is wel een gewoon gesprek te voeren’. Sterker nog, het suggereert dat uw gesprekken altijd ‘normaal’ zijn en dat u geen politiek bedrijft.
Daarmee kom ik op een volgende punt. Wat is een gewoon gesprek hierover? Uit uw betoog meen ik op te kunnen maken dat dit een politiek debat is en wel een ‘normaal’ politiek debat. Als ik dit combineer met de ‘bepaalde kanten van het politieke spectrum’ dan lijkt u te zeggen dat met die ‘bepaalde kanten’ geen ‘normaal politiek debat’ is te voeren. Hoe ziet een ‘normaal politiek debat’ eruit? Een politiek debat in onze Tweede Kamer verloopt geheel anders dan in het Engelse Lagerhuis. Trouwens een Kamerdebat van vijftig jaar geleden verschilt wezenlijk van de huidige manier van debatteren. Voor mij is een gewoon gesprek iets anders dan een politiek debat.
Als laatste de belangrijkste vraag. Waarom wilt u dat gesprek voeren? Met andere woorden wat is het doel van een dergelijk gesprek? Omdat u het ‘gewone gesprek’ op een lijn lijkt te stellen met een ‘normaal politiek debat’ wordt die vraag nog belangrijker. In een politiek debat, normaal of abnormaal, hebben de deelnemers altijd een politiek doel. Daarom met welk doel moet dit gesprek of debat worden gevoerd? Ik ben benieuwd naar uw antwoorden
In mijn jeugd, ja dat is lang geleden, vierde punk hoogtij. Punks waren in zwart geklede jongelui met allerlei ijzerwerk in en aan het lichaam. Een hanenkam op het hoofd en als aanhangers van het anarchisme wezen zij onze huidige samenleving af. De echte tenminste want voor de meeste van hen was het gewoon een manier om zich tegen hun ouders af te zetten. Zij waren enkele jaren punk, gingen vervolgens naar de kapper, legden het ijzerwerk af en gingen op in de menigte waartegen ze zich zo hadden afgezet. Een anarchist verzet zich tegen opgelegd gezag. Opgelegd gezag door individuen maar ook door de overheid. Een anarchist verwerpt democratie omdat het individu hierdoor gezag boven zich krijgt.
Waarom dit uitstapje via de punk naar het anarchisme? Ik maak dit uitstapje vanwege het meest besproken kledingstuk van de afgelopen periode, de boerka. Die boerka moet worden bestreden. Waarom? Omdat, zoals Martin Sommer het in de Volkskrant schrijft: “de boerkadraagsters een islam aan(hangen) die deze samenleving radicaal afwijst, zo niet daar actief tegen ten strijde trekt.” Daarom is Sommer: “voor een antiboerkawet maar het exemplaar dat we nu hebben, is een misbaksel.” Dit terwijl er nooit iemand vroeg om een verbod op ‘hanenkammen’.
Het is mij een raadsel hoe een beperkt verbod op een kledingstuk bijdraagt aan het bestrijden van een ideologie die onze samenleving radicaal afwijst. Zelfs bij een algeheel verbod kun je die vraag stellen. Die ideologie zit in de hoofden van mensen, de boerka erom. Tenminste bij het vrouwelijke deel van de aanhangers ervan. Als tegenstander van onze samenleving maken ze zich zo bekend en isoleren ze zich van de rest. Zij wijzen de samenleving af en een groot deel van de samenleving hen. Bovendien is het zo makkelijk om hen in de gaten te houden, zou ik denken.
De vrijheid om te denken wat je wilt en je mening te uiten is een belangrijk goed in onze samenleving. Ook het denken dat het allemaal anders moet en het afwijzen van het bestaande hoort onder die vrijheid. Dat wordt anders als het denken wordt omgezet in geweldsdaden of het aanzetten daartoe. Dan wordt een grens overschreden en is het aan de overheid om op te treden en te straffen. De overheid treedt op tegen de daden, zij handhaaft de rechtstaat.
Het is niet aan de overheid om op te treden tegen de woorden, tegen een ideologie. Dat is een taak van de samenleving, van haar inwoners, verenigingen, organisaties, partijen, media enzovoorts. Het is dus ook niet aan de overheid om een ideologie verwerpelijk te vinden. Dat die huidige wet een ‘misbaksel’ is, wordt erdoor veroorzaakt dat een klein deel van politiek Nederland via de wet symboolpolitiek wil bedrijven en een wat groter deel dat kleinere deel de wind uit de zeilen wil nemen. Daarom: “moesten de integraalhelmen en bivakmutsen erbij gesleept worden.”
In een krachtige open democratische rechtstaat strijden ideologieën in een open debat met elkaar. De overheid ziet toe op het eerlijke verloop ervan. Door die strijd houden de uitersten elkaar in evenwicht. Geloven we nog wel in die kracht? Is het per wet verbieden van (symbolen van) een ideologie daarom niet een zwaktebod voor een open democratische rechtstaat? Duidt een ‘boerkawet’ niet op een gebrek aan geloof in de kracht ervan?
‘Een stukje vlees kan ik wel op mij buik schrijven.’ Dat was wat ik dacht toen ik net terug van vakantie las dat we, om het milieu te redden en de planeet leefbaar te houden, toch echt moeten stoppen met het eten van vlees. Kranten en televisie-uitzendingen, neem Jinek van 12 augustus, worden volgeschreven, gepraat en gefilmd over dit onderwerp. Enige redding voor mijn stukje vlees is, zoals Max Pam in de Volkskrant schrijft, de wetenschap: “Er dient een koe te komen die niet meer ruft en nauwelijks nog bruine vlaaien bakt. Een schone, duurzaam gemodificeerde koe, die nog slechts een enkele keutel in landschap achterlaat.” Als we maar geen vlees meer eten dan komt het wel goed. Dus laat die vleestax maar komen! Of… .
Absurditeit ten top indoor ski in Dubai. Bron Flickr
Nu is het ‘morgen’ al 2030 en het vraagt een flinke gedragsverandering om iedereen ‘van het vlees’ af te krijgen. En zoals we uit ervaring weten, is het veranderen van gedrag zeer lastig. Stoppen met roken, nooit meer een wijntje of een lekkere pils of Weizen, dat ligt lastig. Om voor 2030 iedereen van het vlees af te krijgen, dat vraagt een flinke inspanning. Maar stel dat het lukt, wat dan?
Als we de cijfers van het Planbureau voor de Leefomgeving erop naslaan dan zien we dat die uitstoot in 2017 op net geen 200 Mton CO2-equivalent uitkwam. De landbouw neemt daar bijna eenzevende deel, zo’n 28 Mton van voor haar rekening. Hiervan komt 20 Mton voor rekening van methaan, het gas dat de koetjes uitboeren en -poepen. Dat is wat we als land maximaal besparen als we geen vlees meer eten en het ook niet meer ‘produceren’. Produceren is in deze een wat vreemd woord, we hebben het immers niet over auto’s maar over levende wezens. Om tot de in Parijs afgesproken 55% reductie in 2030 te komen, missen we dan nog zo’n 90 Mton. Dan moeten er op andere plekken nog flinke slagen worden geslagen. Dan is er toch nog iets anders nodig.
Even naar die andere uitstoot kijken. “In Nederland komt het grootste deel van de CO2-uitstoot voor rekening van de grotere bedrijven. Maar ook binnen die groep zijn de verschillen erg groot. Ruim 50 procent van die uitstoot wordt veroorzaakt door maar tien bedrijven: energiecentrales, Tata Steel, Chemelot, Yara en de raffinaderij van Shell.” Zo publiceerde de NOS vorig jaar. Maar wacht eens even, waarom beginnen we dan niet bij deze bedrijven? Nee niet door hen het land uit te drijven of het werken onmogelijk te maken. Nee, helpen om hun uitstoot fors te verminderen. Een gerichte inspanning met onze universiteiten en kennisinstituten en zo samen zoeken naar manieren om die uitstoot fors te verminderen, liefst tot nul. Die manieren kunnen we vervolgens ook beschikbaar stellen aan kleinere bedrijven en aan bedrijven in andere landen.
Zou die weg niet veel sneller tot een veel groter succes leiden? Een succes waar ook andere landen nog wat aan hebben? Dat moet toch tot de mogelijkheden behoren. Zeker als je bedenkt dat de elektriciteitssector weer ongeveer de helft van die uitstoot voor haar rekening neemt. Een deel daarvan kan zo worden vervangen door zonnecellen en windmolens. ‘Maar als de zon dan niet schijnt?’ Ja, daarvoor moeten we aan een oplossing werken en waterstof is daarvoor een goede kandidaat, ik schreef er al eerder over. Met een gezamenlijke inspanning van bedrijven en kennisinstellingen en liefst niet per land maar met alle landen samen, moet het mogelijk zijn om deze techniek binnen de tien jaar die ons nu nog resten, tot een succes te maken. De geschiedenis laat zien dat zoiets kan. Zo ontwikkelden Westerse wetenschappers in de Tweede Wereldoorlog, binnen drie jaar een atoombom. Lukte het de Sovjets om vrij snel een satelliet, hond en een mens de ruimte in te schieten en lukte het de Amerikanen als antwoord daarop om binnen een jaar of acht op de maan te lopen.
Zouden onze politici niet leiderschap moeten toen door niet alleen uit te spreken dit te willen bereiken, maar er ook de middelen voor beschikbaar te stellen. En vooral, door die bedrijven aan te spreken op hun verantwoordelijkheid, ook hun financiële verantwoordelijkheid. Maar ja, waar vind je dergelijke politici?
Moeten we dan als individu niets doen? Nee, natuurlijk moeten we verspilling voorkomen, kunnen een onsje minder vlees eten en kunnen we profiteren van de bovenstaande ontwikkeling. Die zorgt er immers ook voor dat we onze auto’s op waterstof kunnen laten rijden. En, als we wat verder in de uitstootcijfers duiken, dan zien we ook iets wat we kunnen laten. Naast CO2 en methaan dragen ook fluorhoudende gassen bij aan het broeikaseffect. En wat zien we daar? Het gebruik daarvan is sinds eind vorige eeuw fors afgenomen van bijna 14 Mton CO2-equivalent tot zo’n 2,5 Mton nu. Een succes, maar met een bijzonder randje. Het spul dat ervoor verantwoordelijk is, HFK of fluorkoolwaterstoffen, wordt gebruikt in de airco’s. Bijna de gehele tegenwoordige uitstoot komt voor rekening van ‘Gebruik koeling’ en de uitstoot hiervan groeit sinds begin deze eeuw fors. Bijzonder om te constateren dat we, om het erg cru te formuleren, ons individueel verkoelen door ons collectief te verhitten
“De overal voelbare uitsluiting brengt de realisten tot het inzicht dat zij het Hobbesiaanse tijdsgewricht moeten verwelkomen, als zij ooit nog inspraak willen hebben in de toekomst van hun land.” De laatste zin van een artikel van Sid Lukkassen bij TPO. Een bijzonder artikel. Bijzonder vanwege het denken van Lukkassen. Op dat ‘Hobbesiaans tijdsgewricht’, en wat we ons daarbij moeten voorstellen, kom ik later terug.
Laat ik vooraan beginnen. Lukkassen stelt: “vroeger was de elite nationaal georiënteerd, met een sterk besef van Leitkultur en patriottisme, terwijl de arbeiders zich oriënteerden op de internationale klassenstrijd. Maar in de jaren negentig sloeg dit om… :” Een analyse, zo zegt hij, van Pim Fortuyn die hij als een feit presenteert niet nader toelicht. Nu zien we tegenwoordig vaker dat beweringen van Fortuyn door zijn navolgers en aanhangers als een feit of ‘waarheid’ worden gepresenteerd. Maar hoe feitelijk is dit feit of is dit een interpretatie?
Neem de arbeiders en die internationale klassenstrijd. Op hét moment dat de arbeiders voor het internationale en tegen het patriotisme konden kiezen, kozen ze massaal voor het patriotisme. Dat moment kwam in de zomer van 1914 na het schot waarmee Gavrillo Princip een einde maakte aan het leven van Frans Ferdinand, de aartshertog van Oostenrijk. Als de arbeiders toen voor elkaar en dus voor internationale samenwerking hadden gekozen, dan was er wellicht geen oorlog uitgebroken die we nu de Eerste Wereldoorlog noemen. Immers zonder arbeiders geen miljoenen soldaten en geen fabrieken die wapens produceren. De arbeiders kozen toen voor patriotisme en dus voor het vaderland.
En aan de andere kant, hoe ‘nationaal georiënteerd, met een sterk besef van Leitkultuur en patriotisme’ was die elite? Een van de verwijten die de ‘elite’ wordt gemaakt is dat ze het land hebben ‘verkwanseld’ aan die vermaledijde internationale en vooral Europese samenwerking. Internationale samenwerking die juist een aanvang nam aan het einde van die Eerste Wereldoorlog: de Volkenbond werd opgericht. Niet meteen een succes maar wel een voorloper van de Verenigde Naties die na de ellende van de Tweede Wereldoorlog ontstond. Een periode waarin ook de Europese samenwerking een aanvang nam. Of was dit, immers ruim voor de jaren negentig, op initiatief van de ‘internationalistische’ arbeiders.
Lukkassen vervolgt: “… bedrijven profiteerden van outsourcing en open grenzen, dus ook de elite werd zeer mobiel. De nieuwe elite was ‘wereldburger’ en identificeerde zich met transnationale instituties zoals de EU. Juist de arbeider bleef aangewezen op de directe leefomgeving – de werkende klasse werd nationalistischer en keerde zich tegen de open grenzen.” Nieuwe elite wil zeggen dat er een wisseling van de wacht heeft plaatsgevonden. Dat de ‘oude’ elite is vervangen. Waarom zou die ‘oude’ elite grenzen openen als dat haar einde zou betekenen? Als zij door een ‘nieuwe’ zou worden vervangen?
Een alinea verder: “politieke correctheid (beknelt) de sociale mobiliteit (…) wat uitmondt in een nieuwe verzuiling met bijbehorende spraakcodes.” Wacht eens. Politieke correctheid leidt tot verzuiling? Maar waren het niet de jaren zeventig tot en met begin deze eeuw die door Lukkassen en anderen worden bestempeld als de hoogtijdagen van de ‘politieke correctheid’? De jaren dat Janmaat en zijn boodschap: “Wij schaffen, zodra we de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af,” verketterd werden. De jaren dat visionair Bolkenstein werd weggehoond. Jaren die culmineerden in de ‘demonisering’ van Pim Fortuyn. Laat dat nu juist de jaren zijn dat de zuilen ten graven werden gedragen. De jaren van grote sociale mobiliteit. De Jaren dat er geen ‘duivel’ meer sliep tussen ‘twee geloven op een kussen’. De jaren dat de kerken massaal leegliepen.
Of is bij Lukkassen de wens de vader van de gedachte? Hij pleit immers geregeld voor het oprichten van een nieuwe zuil en dat doet hij ook weer in dit artikel. De: “Zuil van het nieuwe realisme, ook wel humanistisch realisme genoemd. Hier huist de gewortelde burgerij: soevereiniteit, vrij denken en de harde waarheid durven zeggen staan centraal.” Let op de woorden waarmee Lukkassen deze zuil, waarvan hij de ‘bedenker’ is, beschrijft: ‘realisme’, ‘gewortelde burgerij’ en de ‘harde waarheid zeggen’. Woorden waarmee hij ook iets zegt over degenen die er volgens hem niet bijhoren. Dat zijn namelijk ‘idealisten’ die ‘zweven’ want ongeworteld en die terugschrikken voor de ‘waarheid’ of erger nog, die de waarheid niet kennen. Uit die zuil moet, helaas voor het volk, de nieuwe elite (al weer een) komen: “een generatie onafhankelijke denkers opstaan die met elkaar de degens kruisen en opnieuw in gesprek gaan over de grote thema’s.” Maar hoe onafhankelijk zijn die ‘denkers’ als ze moeten opereren binnen de ‘Zuil van Lukkassen’?
En jawel hoor, dat is de beschrijving van een andere zuil, de grote tegenpool, de: “De linksliberale Zuil: de centrale denkbeelden zijn hier utopistisch denken vanuit ‘one-worldism’ en cultuurrelativisme. Dit is de Zuil van de mainstream media en het partijkartel. Het uitgangspunt is dat de wereld toegroeit naar broederschap en eenheid. Waar er botsingen tussen culturen optreden worden deze botsingen gerelativeerd of uit het nieuws gecensureerd.” Die zuil: “vernietigt de mogelijkheid van een democratie gebaseerd op een inhoudelijke uitwisseling van argumenten.” Een zuil waarbinnen men denkt; “vanuit het slachtofferschap van kwetsbare groepen. Die groepen hebben in hun beleving een gezamenlijk vijandbeeld: dit is de Westerse man als kolonisator en burgerlijke kapitalist. Als je die ‘harde waarheid’ zegt, dan lig je eruit: “Gebruik echter woorden als ‘dobbernegers’ of ‘islamisering’ en je ligt er direct uit.” Als dit naast: “De islam (DENK, Diyanet)” en “Het christendom (Biblebelt, Reformatorisch Dagblad)” de smaken zijn waaruit je kunt kiezen, dan lust ik geen enkele van die ‘maaltijden’.
Die Nieuwe Zuil is: “het best te begrijpenals een reddingsboot.” Een reddingsboot die: “qua economisch verkeer en sociale samenhang sterk genoeg is om op eigen benen te staan.” Probleem voor de Zuil van Lukkassen is dat de vertegenwoordigers van zijn ‘nieuwe zuil’ in niet aanbod komen: “Vandaag moeten we constateren dat er een brede flank is ontstaan van partijen en bewegingen die hoe dan ook worden uitgesloten van tastbare invloed. .… Zo vernietigt men de legitimiteit van verkiezingen en van de democratie.”Daarom adviseert Lukkassen om (…) lak te hebben aan het grote deugen en ook te praten over zaken als immigratie, integratie, islam en identiteit. Nu zal de ironische linksmens zeggen: “Het gaat al jaren nergens anders over”. Maar het probleem is juist dat de klasse die hierover spreekt onder de vierde Zuil valt, en dus is uitgesloten van de beleidsmachine. Die situatie zal veranderen – als dit niet gaat met brieven en debatten, dan moet het maar vanaf de straat.” Nu is het winnen van verkiezingen in Nederland nooit een garantie geweest voor deelname aan een regering. De oude CPN, de Boerenpartij, de SP en ook GroenLinks zijn daar net als de FvD voorbeelden van. Dat wil echter niet zeggen dat degenen die niet tot de regering behoren geen macht hebben. Neem de omgang met vluchtelingen. Daar hoor je nu politici van VVD, CDA en PvdA huizen dingen zeggen en beleid steunen dat hun voorgangers zich doet omdraaien in hun graf. Dit allemaal onder invloed van de ‘Zuil van Lukkassen.
Want het duurt niet lang: “totdat de democratie totaal ontspoort en een totalitair karakter krijgt.” En: “Op dat moment moet de Nieuwe Zuil voldoende ‘hardheid’ bezitten, oftewel standvastigheid, om deze totalitaire besluiten naast zich neer te kunnen leggen en weerbare tegendruk te kunnen bieden.” Wordt, en daarmee kom ik terug op het “Hobbesiaanse tijdsgewricht’ dat de Zuil van Lukkassen moet verwelkomen, de democratie totalitair of zou het kunnen dat Lukkassen moeite heeft met de uitkomst van het democratische debat? Zegt Lukkassen hier niet eigenlijk: ‘als we onze zin niet krijgen, dan beginnen we een burgeroorlog?’
‘Nee, niet wij, jullie zijn begonnen,’ werpt Lukkassen tegen: “Fortuyn en Theo van Gogh zijn uit de weg geruimd; Wilders leeft al jaren onder zware beveiliging en dat zijn we gaan aanvaarden als min of meer normaal. Zijn uitspraken over de islam krijgen meer politieke en morele veroordeling dan het feit dat die beveiliging überhaupt nodig is. Onder de dreiging van geweld is zijn cartoonwedstrijd wel afgelast. Cabaretiers maken geen grappen meer over Mohammed. Edwin Wagensveld werd opgepakt voor het dragen van een varkensmuts, hoewel daar geen wettelijk precedent voor bestaat. Schooldirecties dwingen leraren om zich te verontschuldigen voor het tonen van een spotprent van Charlie Hebdo, al dient de prent om discussie los te maken.” Een indrukwekkende opsomming van gebeurtenissen, maar wat is het verband ertussen? Is dit, zoals Lukkassen lijkt te suggereren, ‘bewust’ beleid van de ‘Links liberale zuil’? Een complot? En wat adviseert Lukkassen ons als je iemand tegenkomt die in complotten gelooft? “(O)p dat moment verlaten we het gesprek en treden we toe tot de natuurtoestand. Dan is het conflict niet meer met woorden, maar wordt het conflict fysiek. In Oud-Nederlands: wie niet horen wil, moet maar voelen.” Een advies dat de Ballonnendoorprikker afraadt. Afraadt omdat hij niet in complotten gelooft maar ook een ander niet zijn recht omdat wel te doen, wil ontzeggen en geweld afwijst. Als deze mens immers gelukkig is met zijn ‘complot’ wie ben ik dan om dat geluk ‘af te nemen’.
“Clarity is the ultimate sophistication,” aldus het motto van Lukkassen. “Ieder maakt zijn eigen regels en dus zijn er geen regels. Iedereen is soeverein over zijn eigen leven – alles is geoorloofd,” beschrijft hij terecht als kenmerken van een Hobbesiaanse tijdsgewricht’. De ‘clarity’, “Helderheid, duidelijkheid” die Lukkassen geeft is niet erg sophisticated, “subtiel, verfijnd of ver ontwikkeld” aldus de eerste vertaling van het woord sophisticated. Het komt gewoon neer op pakken wat je pakken kunt. Hoe “wereldwijs, ontwikkeld”, de tweede betekenis van het woord, is het complotdenken waarvan hij blijk geeft? Een ingewikkeld complot verpakt in ronkend en bombastisch taalgebruik. En laat nu “ingewikkeld” de derde betekenis van sophisticated zijn. Alleen ‘verkoopt’ dat in de Nederlandse vertaling wat minder: ‘helderheid is de ultieme ingewikkeldheid’.
Bedrijven gebruiken marketing om hun producten op een specifieke manier in de markt te zetten. Zo is RedBull sponsor van zeer veel sporten. Ze sponsoren verschillende voetbalclubs, natuurlijk het Formule 1 team van Max Verstappen, zie zijn actief in de motorsport en sponsoren allerlei bijzondere niche-sporten. RedBull profileert zich zo als sportief terwijl het ongezonde drankjes aan de man brengt. Vandaag stootte ik op een wel heel bijzondere manier van marketing van de gemeente Rotterdam.
Park de Twee Heuvels, Rotterdam.
Op LinkedIn kwam het volgende bericht voorbij: “Aan de rand van Park de Twee Heuvels moeten straks tussen de 20 en 32 hoogwaardige koopwoningen komen. De marktselectieprocedure voor de verkoop van de locatie voor de woningen is op 4 juli gepubliceerd. De woningen krijgen een kleinschalig, parkachtig karakter, waarbij de nadruk ligt op natuurinclusief bouwen.” Tot zover niets bijzonders. Nou ja, een park (zie foto) opofferen voor woningbouw is niet niks. Dan klinkt ‘aan de rand van’ toch een stukje minder erg. Zeker als er ‘natuurinclusief’ wordt gebouwd. Wat moet ik me daarbij trouwens voorstellen?
Echt bijzonder wordt het pas met de volgende en laatste zin: “Door de komst van de woningen zijn er straks extra ogen en oren in het park, die de veiligheid moeten vergroten.” Door die woningen zijn er meer ogen en oren en die ‘vergroten de veiligheid’ in het park. Een heel bijzondere onderbouwing van een besluit om een park op te offeren ten faveure van mensen met een flink gevulde beurs. ‘Hoogwaardig’ is immers een eufemisme voor ‘zeer prijzig’.
In een eerste reactie vroeg ik mij af waarom dan niet het hele park vol wordt gebouwd met woningen. Als je de dan ‘nieuwe randen’ ook weer bebouwt dan zijn er immers nog meer ‘ogen en oren’. Logisch gevolg is dat het maximaal veilig is in het park als er geen ‘randen’ meer zijn. Dan is het park er meer en daarmee is de veiligheid maximaal. Dan toch doorgeredeneerd op dit argument. Als de veiligheid toeneemt als er meer ‘ogen en oren’ zijn, hoe kan het dan dat in stedelijk gebied, dus daar waar veel ogen en oren zijn, de onveiligheid zoveel groter en de criminaliteit zoveel hoger is?
Probeert de gemeente Rotterdam niet gewoon een drol te verfraaien door er een mooi strikje om te doen?
In een artikel bij TPO blikt Forum-voor-Democratie-leider Baudet terug en vooruit. Terug op het afgelopen politieke jaar en vooruit op belangrijke zaken. Een bijzondere tekst.
Baudet: “Onvermijdelijk gaat dit alles ook gepaard met groeistuipen, rimpels en plooien. Met onverwachte successen of momenten van tegenslag. Soms is het zoeken naar de juiste toon. Of wordt een tweet, citaat of gedraging tot belachelijke proporties uitvergroot in de media. De framing is enorm. ” De link in dit citaat leidt naar de website van de partij alwaar twintig labels (frames) worden aangekaart en ontkracht. Nou ja frames. Is de opvatting dat de persoonlijke vraag over huilen, die Baudet aan Rutte stelde in hun debat ongepast was, een frame?
Bijzonder is dat Baudet zich in zijn schrijven ook van frames bedient. Zo spreekt hij over: “heethoofdige opwarmingstheorieën en zeespiegelprognoses die de discipelen van Al Gore ons voorhouden.” En iets verder: “onder al het milieuactivisme ligt dus vaak een diepe spirituele leegte.” Mensen die zich op een voor Baudet afwijkende manier zorgen maken om het klimaat zijn heethoofdig zonder veel diepgang. Ook met betrekking tot het onderwijs gebruikt Baudet zijn inmiddels bekende frame. Goed onderwijs begint: “met het stoppen van linkse indoctrinatie.” Een frame op zich die weer verwijst naar het ‘cultuurmarxisme-frame’.
Een eindje verderop in zijn betoog: “Uiteindelijk is ons doel het veranderen van de weg-met-ons mentaliteit die onze politieke, culturele en journalistieke elites doordrenkt. De oikofobie. Want die verklaart de slappe knieën van kartelpolitici, de schaamte voor onze geschiedenis, het weggeven van onze gulden, de sfeerloze, liefdeloze architectuur.” Zo dat zijn aardig wat frames in een passage ‘weg-met-ons-mentaliteit’ en ‘oikofobie’ twee keer hetzelfde frame maar anders verwoord. En wie maakt zich daaraan schuldig? ‘Onze politieke, culturele en journalistieke elite’, alweer een frame bedoeld om mensen buiten de orde te plaatsen. Want wie behoort er tot die groep? Behoort Baudet nu niet ook tot de ‘politieke elite’? Of het woord ‘kartelpolitici’ en dan vooral in combinatie met ‘slappe knieën’. Hoezo is er sprake van ‘schaamte voor onze geschiedenis’ als je de wat minder positieve aspecten ervan voor het voetlicht brengt?
Baudet: “Daarmee zijn we dus tegen elke vorm van identiteitspolitiek: we willen mensen niet inkaderen op grond van ras, geslacht, geloof, seksuele voorkeur, enzovoorts – maar juist als individu tot hun recht laten komen.” Een mooi standpunt. Alleen stelt hij iets eerder in zijn betoog de vraag: “Waarom blijkt het nu eigenlijk zo moeilijk om bij uitstek islamitische immigranten te integreren?” Een bijzondere vraag als je ieder mens als individu wilt zien en niemand wilt ‘inkaderen op grond van ‘ras, geslacht, geloof, seksuele voorkeur enzovoorts’.
Binnen zijn partij is er plek voor discussie en verschil van mening: “Annabel Nanninga (heeft) gelijk als ze zegt dat we de acute noden van de kiezer nooit mogen vergeten; maar (…) Freek Jansen (heeft) óók gelijk als hij jongeren diezelfde middag oproept zich te verdiepen in de politiek-theologische achtergrond van de huidige crisis. Nausicaa Marbe heeft gelijk als ze stelt dat we een open, tolerant en pluriform patriottisme moeten uitdragen; maar Paul Cliteur heeft óók gelijk dat we bepaalde waarden – de Verlichtingswaarden – nooit mogen loslaten.” En enkele alinea’s verder: “Ook op het gebied van persoonlijke stijl kunnen meningen uiteen lopen, en we waarderen het dat daarover óók gesproken kan worden binnen onze partij. Het is een onderdeel van de Nederlandse cultuur die we koesteren en voelen in onze vezels: wars van overdreven formaliteiten, open, eerlijk, het hart op de tong en evenveel meningen als mensen. Met grote ruimte voor andersdenkenden en een stip op de horizon waarheen we varen.” Hoe verhoudt die trots en hoog opgeven van Baudet over die Nederlandse cultuur zich tot zijn uitspraken die ik in de vorige twee alinea’s aanhaalde? De frames die hij gebruikt om zijn tegenstanders om het stevig te zeggen, buiten de orde te plaatsen?
Welk beeld, of meer in stijl frame, roept Baudet op als hij, door zijn opponenten te ‘framen’, zich verzet tegen de manier waarop hij wordt ‘geframed’? Of zou Baudet werkelijk geloven dat zijn frames, geen frames zijn maar de waarheid?
Wat hebben Zwarte Piet, vuurwerk en de ramadan gemeen? Ze liggen alle drie, weliswaar vanuit andere hoeken ‘onder vuur’. Bij alle drie spelen de ‘PVV-kornuiten van Wilders’ een rol. Als we kijken naar de rol in die drie discussies dan valt er iets op: de selectieve verontwaardiging en de selectieve zorgen over de gezondheid en maatschappelijke kosten.
Zo las ik bij TPO dat de partij vragen had gesteld aan minister Koolmees over de ramadan. “Wat zijn de maatschappelijke kosten van ramadan vanwege ziekteverzuim, te laat komen, slecht slapen, ontregelde diabetes, ordeverstoringen en ramadangerelateerde criminaliteit?” vroeg de partij de minister. Even terzijde vraag ik me af wat ik me moet voorstellen bij ‘ramadangerelateerde criminaliteit’? Over welke specifieke vorm of vormen van criminaliteit hebben we het dan? En zou er dan ook ‘kerstmisgerelateerde’ of ‘chanoukagerelateerde’ criminaliteit zijn? behalve een groep in een kwaad daglicht proberen te zetten, kan ik niets voorstellen bij het nut van een dergelijk onderzoek. En als zo’n onderzoek er dan toch moet komen dan moeten ook de maatschappelijke baten zoals levensgeluk, omzet voor de middenstand en dergelijke erin mee worden genomen.
Als we kijken naar de andere twee onder vuur liggende activiteiten dan volgt de partij een geheel andere lijn. Neem Zwarte Piet, die staat boven alle kritiek. Naar maatschappelijke kosten als ziekteverzuim en diabetes door het vele snoep en de spanning bij kinderen en ouders en ook bij mensen die zich door Piet gekrenkt voelen, vraagt de partij niet. Trouwens ook niet naar ‘zwartepietgerelateerde criminaliteit’. Sterker nog om Zwarte Piet te behouden diende de partij zelfs een aparte ‘Zwarte Piet-wet’ in waarin het uiterlijk van Piet bij wet wilde vastleggen: “Een Zwarte Piet heeft een egaal zwart of donkerbruin gezicht, rood geverfde lippen, zwart krulhaar en goudkleurige oorbellen, en is gekleed in een fluweelachtig pak met pofbroek en draagt een hoofddeksel met een gekleurde veer.” Aldus artikel 1 van het voorstel van wet.
Ook aan het ‘traditionele’ afschieten van rotjes en vuurpijlen met de jaarwisseling mag niet worden getornd. de maatschappelijke kosten zijn groot. Neem het leed van en de ziektekosten voor de slachtoffers van het spul. Het ziekteverzuim dat dit oplevert. Het geweld tegen politie, brandweer en ambulancepersoneel en het daarop volgende ziekteverzuim. Of de inzet van gemeenten, politie en justitie bij het van de markt halen van illegaal vuurwerk. Mogen we dat ‘jaarwisselingsgerelateerde criminaliteit’ noemen? Nee, het rotje mag niet worden ‘afgenomen’ en dat mag de maatschappij best nog wat meer kosten:“de PVV steunt een algeheel verbod op consumentenvuurwerk niet, maar ziet wel een deugdelijke, landelijke aanpak graag tegemoet, want alleen dan kan de veiligheid tijdens de jaarwisseling gewaarborgd worden en wordt het weer een feest voor allemaal.”
Bijzonder deze inconsequente manier van denken en redeneren.
“Millennials zijn ‘screwed’: kom in actie!” De titel boven een artikel van Fabian Dekker bijJoop. Dekker over dat ‘screwed’ zijn: “jonge mensen zijn financieel de klos, doen het slechter op de woningmarkt, werken steeds vaker in onzekere banen en zien hun inkomsten dalen. Mede onder invloed van invoering van het sociaal leenstelsel bedraagt de studieschuld in Nederland inmiddels ruim 11 miljard euro. Het eigenwoningbezit daalt door stijgende prijzen en aangescherpte leennormen met name onder 35-minners. En –naast studenten met een flexibele bijbaan – stijgt het aandeel flexibele werknemers met name in de leeftijdsgroep tussen 25 en 45 jaar van circa 10% naar 19% in de periode 2003-2018.” En de gevolgen hiervan? “Voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog is er een generatie dertigers die minder verdient dan hun ouders, zo becijferden onderzoekers van de Universiteit Tilburg en het ministerie van SZW vorig jaar!”
Inderdaad allemaal zaken die niet in het voordeel zijn van de ‘millennial’, mensen geboren tussen grofweg 1985 en 2000. Al denk ik dat het eigenwoningbezit van 35 minners voor andere generaties ook erg laag was. De gehele jaren tachtig lag de hypotheekrente boven de 8% met uitschieters tot 13% en moest je zelf ook een zak geld meenemen om een huis te kunnen kopen. Zelf kocht ik midden jaren negentig als begin dertiger een huis. De tijd waar hypotheekverstrekkers je een ‘beleggingshypotheek-oor’ aan probeerden te naaien en de huizenprijzen, net als nu fors stegen. Maar daar gaat het mij niet om. Ook niet over al die andere zaken die het leven van de millennial bemoeilijken, waartegen protest welkom is en alternatieven mogelijk zijn. Het gaat mij om ‘minder verdienen’ dan hun ouders.
Niet dat ik de conclusie van de onderzoekers van de Universiteit Tilburg bestrijd. Nee, ik ga ervan uit dat hun onderzoek en ook hun conclusies correct zijn. Het gaat mij om iets anders. De ‘millennials’ zijn een keerpunt. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog een generatie die er ten opzichte van hun ouders niet op vooruit gaat en misschien zelfs wel een klein beetje op achteruit. Voor de millennial is dat natuurlijk vervelend en waarschijnlijk ook voor hun ouders. Die willen immers dat het hun kroost goed gaat en goed dat is meestal beter dan dat ze het zelf hadden op die leeftijd. Dan is het erg vervelend als dat niet het geval is.
De manier waarop Dekker het stelt, en dat is waarschijnlijk ingegeven door het Tilburgse onderzoek, is dat de millennials daarmee een uitzondering worden op de regel. De regel dat we het steeds beter krijgen, dat kinderen hun ouders ‘voorbij streven. Ik denk echter dat het eerder andersom is, dat hun ouders en eigenlijk iedere generatie sinds de Tweede Wereldoorlog tot de millennials de uitzondering op de regel waren.
Als we geschiedenis bestuderen dan zien we dat kinderen in de regel hetzelfde lot trof als hun ouders. De zoon van een keuterboer werd keuterboer en zijn zus trouwde met een keuterboer. Soms hadden ze, net als hun ouders en hun latere kinderen een goed jaar en soms een slecht. Ze hadden het in het algemeen niet slechter en ook niet beter dan hun ouders. Zo gold het ook voor de zoon en dochter van de bakker, slager en landloper en edelman. Al kon die laatste door goede ‘huwelijkspolitiek’ van zijn ouders er wel op vooruitgaan. Achteruit trouwens ook als de rijkdom van de wederpartij toch voornamelijk schulden bleken te zijn.
Als we kijken naar de economische groei door de eeuwen heen dan was die in Europa tot ongeveer 1700 gelijk aan 0. En zoals we weten is groei nodig om het beter te krijgen dan je ouders. Natuurlijk waren er plekken waar rijkdom zich ophoopte, dat betekende echter niet dat mensen het beter kregen want daarvoor is groei alleen niet voldoende. Daarvoor moet die groei ook worden verdeeld over iedereen. Als alle groei terecht komt bij de Amsterdamse handelaren dan heeft de Keuterboer in Drenthe daar niets aan. Net zoals de hamburgerflipper bij MacDonalds niets merkt van toenemende rijkdom van bijvoorbeeld Bill Gates.
Tussen 1700 en nu groeide de economie gemiddeld met 1%. Dat betekent dat de Europese economie nu ongeveer 16 maal zo groot is als in 1700. Nu wijkt Nederland iets af van het Europese gemiddelde. Die afwijking betreft vooral de periode voor de twee wereldoorlogen. Nederland (de Republiek) was in 1700 aanzienlijk rijker dan de rest van Europa. Als we ons realiseren dat de bevolking van Europa in die periode ongeveer is vertienvoudigd dan is een groot deel van die groei opgegaan aan de extra monden die gevoed moesten worden.
Duiken we wat dieper in de cijfers dan blijkt dat de Europese economie tot 1820 groeide met 0,1%. Dit betekent dat de economie in 1820 bijna 13% groter was dan in 1700. Die groei was niet eens voldoende om die extra monden te voeden. Hieruit kun je gevoeglijk concluderen dat kinderen het in die periode zeker niet beter, eerder slechter hadden dan hun ouders. Tussen 1820 en 1950 groeide de Europese economie met 0,9%. Dat betekent dat de economie in 1950 ongeveer 3,6 keer zo groot was als in 1700. Als we ons realiseren dat de bevolking tussen de iets kortere periode (1750 en 1950) 3,35 keer zo groot werd, dan zou je, als de groei eerlijk over iedereen werd verdeeld, kunnen concluderen dat een jongere uit 1950 het even goed had als zijn leeftijdsgenoot uit 1700.
Alleen de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot nu kende groeicijfers die langdurig boven de 1% uitkwamen, namelijk gemiddeld 1,9% en van 1950 tot 1970 zo’n 3,8%. De economie van 2012 was 4,28 keer zo groot als die in 1950. De bevolking groeide gedurende die jaren met 1,35%. En, laat die periode, in ieder geval de eerste dertig jaar nu ook de periode zijn dat die toegenomen welvaart eerlijker werd verdeeld. Er werd een sociaal stelsel opgetuigd dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw weer langzaam wordt afgebroken. Dat maakt dat kinderen het beter kregen dan hun ouders. Ouders die hun kinderen langer, meer en hoger lieten studeren waardoor hun uitgangspositie steeds beter werd. Een hogere opleiding die de groei nog wat aanwakkerde.
Alleen kan dat niet oneindig doorgaan. Kinderen van universitair geschoolde ouders kunnen niet nog hoger worden opgeleid waardoor er nog betere banen in het verschiet liggen. Sterker nog, die hogere opleiding is al geruime tijd geen garantie op beter werk. Hoger opgeleiden die ‘onder hun niveau’ werken zijn eerder regel dan uitzondering. Alleen was dat werk voor hun ouders nog altijd een vooruitgang ten opzichte van hun grootouders. Dat is nu in toenemende mate niet meer het geval.
Als we het vanuit dit perspectief bekijken dan is de situatie van de huidige millennials de regel en waren hun ouders en grootouders de uitzonderingen op de regel. De regel dat kinderen het over het algemeen niet beter en ook niet slechter hebben dan hun ouders.
Maar, beste millennia, laat dit je niet weerhouden om in actie te komen. Want een deel van je slechtere positie is het gevolg van de afbraak van het stelsel van sociale voorzieningen. Dat deel is een keuze en er kan ook wat anders worden gekozen. Een sociaal leenstelsel dat tot schulden leidt is zo’n keuze die anders kan. Het invoeren van een basisinkomen voor iedereen is een keuze die we kunnen maken om ‘flexbanen’ minder onzeker te maken. De Woningmarkt kan er anders uitzien, als we andere keuzes maken. En beste millennial als jullie hiervoor willen strijden dan kunnen jullie op de sympathie en steun van de Ballonnendoorprikker rekenen.
De cijfers over de economische groei komen uit Capital in the Twenty-First Century van Thomas Piketty (pagina 94).
Deze week maakte de Technische Universiteit Eindhoven (TUE) bekend dat zij wetenschapsbanen de komende tijd alleen maar openstelt voor vrouwen. “Pas als er na zes maanden nog geen geschikte kandidaat voor de baan is gevonden, wordt verder ook onder mannelijke kandidaten geworven.” Zo las ik in de Volkskrant. Waarom? Omdat er slechts weinig vrouwen een wetenschapsbaan hebben en “De maatregel (…) moet ertoe leiden dat volgend jaar al een op de vijf hoogleraren (20 procent) vrouw is.”
Boudewijn van Dongen werkzaam aan diezelfde Universiteit, werpt in het blad van de TUE een ander licht op de zaak. De mensen die de 150 wetenschapsbanen moeten invullen, zouden in het collegejaar 2005/2006 moeten zijn afgestudeerd en dat jaar was: “Voor de categorie ‘Natuurwetenschappen/Informatica’ (…) slechts zeventien procent,” van de afgestudeerden vrouw. Zou die 17% genoeg zijn om die 150 vacatures te vervullen.
Daar sta je dan als hooggekwalificeerde, in dat jaar, afgestudeerde man die een baan bij de universiteit ambieert. Je wordt gediscrimineerd, buitengesloten en bent kansloos. Brandon Pakker vindt, zo schrijft hij bij Joop, dat dit kan maar de: “Diversiteit moet een nastrevenswaardig doel dienen.” En dat doel is er, volgens Pakker. Immers: “Van jongs af aan wordt ons aangeleerd dat wetenschap vooral een mannending is, en het vergt geen hogere wiskunde om daaruit te concluderen dat dit bijdraagt aan het in stand houden van de status quo.” Dit terwijl: “verschillende studies (…)de voordelen van gendergelijkheid in de werksfeer aantonen.” En: “Laat (…) het aanstellen van vrouwen als hoogleraar (om het) masculiene beeld van de wetenschap” te verminderen, nu zo’n doel zijn. Heeft Pakker een punt?
Laten we aannemen dat hij een punt heeft dat het afnemen van “het masculiene beeld” discriminatie rechtvaardigt. Waarom dan alleen bij functies die nu in ‘hoog aanzien’ staan? Zijn er dan niet nog enkele andere beroepsgroepen waar een dergelijke maatregel moet worden ingevoerd? Denk bijvoorbeeld aan de bouw, de stratenmakerij, de vuilophaaldiensten, defensie, brandweer en de politie. Zullen we ook daar dan alleen maar vrouwen aannemen? Immers ook voor voor die sectoren geldt dat ‘van jongs af wordt aangeleerd dat het mannendingen’ zijn. Ook daar kan men wel wat voordelen van gendergelijkheid gebruiken en kan de aanstelling van alleen maar vrouwen het ‘masculiene beeld verminderen’.
Als Pakker een punt heeft dan is met evenveel recht en rede te betogen dat het afnemen van het ‘feminiene beeld’ ook een reden is om een dergelijke maatregel te nemen en het ‘feminiene beeld’ van die beroepen te verminderen. Dan kunnen ook daar de voordelen van gendergelijkheid worden geplukt. Dus voortaan alleen maar mannen aannemen in de kinderopvang, als leerkracht op een basisschool, als pedi- of manicure, tandartsassistent, thuis- of kraamhulp en als verloskundige.
Pakker mag een punt hebben dat een minder masculien beeld van de technische wetenschappen een nastrevenswaardig doel is. Net zoals het voor de hierboven opgesomde sectoren nastrevenswaardig is. Belangrijker dan het doel is echter de vraag of dat doel dan het middel heiligt? Of heeft Elma Drayer een punt als ze in haar column in de Volkskrant schrijft: “Vrouwen buitensluiten, alleen omdat ze vrouwen zijn – het was een flagrante schande. Mannen buitensluiten, alleen omdat ze mannen zijn is dat evenzogoed”?
“In naam van Allah, de meest barmhartige, de meest genadevolle.” Met die woorden begint de tekst op een verklaring die een Rotterdamse politieagent van een moskeebestuur ontving. Het Rotterdams gemeenteraadslid Tanya Hoogwerf valt bij Opiniez over die zin, over de betreffende agent die erover twittert en vooral over diens korpsleiding. Die zin maakt, volgens Hoogwerf, “meteen duidelijk (…) waarom aanvaarding ervan problematisch is.”
Want: “zeker omdat de vraag gesteld moet worden sinds wanneer het in Nederland gebruikelijk is dat de politie haar werk moet doen in naam van Allah? Sinds wanneer is het opportuun dat politiemensen een stempeltje ‘halal’ verdienen? En sinds wanneer krijgt een wijkagent die dat stempeltje ‘halal’ propageert via sociale media niet genadeloos op zijn flikker van de korpsleiding omdat de gedragscode wordt overtreden die nog steeds stelt dat de politie ten alle tijde neutraliteit dient uit te stralen?”
Wel beste mevrouw Hoogwerf. De politie moet haar werk niet doen in naam van allah. En nee, politieagenten hoeven geen stempel ‘halal’ te hebben. Dat iemand een politieagent bedankt en zijn dankwoord begint met die zin, zegt niets over de politie, het zegt alleen iets over degene die dankbaar is. Het zegt namelijk dat die dankbare overtuigd moslim is.
Bij dit soort berichten moet ik altijd denken aan de mop over de boer en de pastoor. Die laatste kwam bij de boer op bezoek en wilde de velden van de boer wel eens zien. Als eerste liepen ze langs het prachtig geschoffelde bietenveld. De pastoor sprak zijn complimenten uit waarop de boer zei: “dat was hard werken.” De pastoor voegde eraan toe: “met gods hulp.” Iets verder een veld met graan dat er al even schitterend bij lag. Weer kreeg de boer de complimenten en antwoordde hij dat het veel werk was en weer vulde de pastoor aan: “met gods hulp.” Dit herhaalde zich nog een keer bij het aardappelen veld. Als laatste liepen ze langs een braak liggende akker waarop het onkruid welig tierde. Toen hij dit zag, vroeg de pastoor: “wat is dit voor rommel?” Daarop antwoord de boer: “hier heb ik god zijn gang laten gaan.” Dit even terzijde, terug naar Hoogwerf en haar betoog.
Ja, de politie moet neutraal zijn in haar handelen. Dat houdt in dat iedereen op eenzelfde manier moet worden behandeld. Dat zegt niet dat: “iftarren door de politie” niet mag. Met mensen gaan eten of een religieus feest bezoeken en neutraal handelen zijn twee verschillende zaken. Een Iftar kun je wat dat betreft gewoon vergelijken met een kerstdiner en die bezoekt of organiseert de politie ook geregeld.
Hoogwerf: “Het is de agenda van de politieke islam die hiermee uitgedragen wordt en bij iedere stap, iedere knieval in die richting zal de lat verder opgeschoven worden, zoals we de afgelopen jaren hebben gezien. Wat we daar effectief mee realiseren is ondermijning van het gezag.” Die ‘tevredenheidsverklaring’ ondermijnt het gezag van de politie en doet het vlak weer verder overhellen naar, om even te overdrijven, ‘sharia-wetgeving.’
Ik weet niet of mevrouw Hoogwerf goed heeft opgelet tijdens haar beëdiging als raadslid. Als zij dat heeft gedaan dan heeft ze gehoord dat er raadsleden waren die daarbij uitspraken: ‘zo waarlijk helpe mij god almachtig.’ Een tekst die vergelijkbaar is met de zin waarmee de ‘tevredenheidsverklaring’ en deze Prikker opende. Enige verschil is dat de hulp van god wordt ingeroepen door een volksvertegenwoordiger. Daar blijft het niet bij. Als ze goed naar de laatste troonrede heeft geluisterd dan hoorde ze de koning afsluiten met de zin: “U mag zich in uw werk gesteund weten door het besef dat velen u wijsheid toewensen en met mij om kracht en Gods zegen voor u bidden.” Beatrix had altijd een ander einde, dat luidde: “Moge gods zegen op uw werk rusten.” Als ze een willekeurige wet erop naslaat dan kan ze lezen dat iedere wet opent met de zin: “Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.”
Weer even een zijsprong. Wat we moeten lezen op de plaats van de drie keer enz. is mij een raadsel en als iemand het antwoord weet dan hoor ik het graag.
Beste mevrouw Hoogwerf en velen met u. Uw betoog heeft een zeer hoog splinter en balk gehalte. Als die neutraliteit van de overheid u werkelijk zo na aan het hart ligt wanneer komt u dan met een voorstel om god uit de Nederlandse overheid te kieperen? Bij een dergelijk voorstel kunt u op mijn steun rekenen.