Welvaartsstaat en/of verzorgingsstaat?

“Ik kies, mede op basis van de bijdragen van Lex Hoogduin en Rutger van den Noort, voor het opgeven van de verzorgingsstaat om de welvaartsstaat te herstellen! De terugtredende overheid (die beiden bepleiten) zal de eigen verantwoordelijkheid van de burgers vergroten en hen aanzetten tot méér initiatief, méér keuzes en méér ondernemerschap. Dat zal tot meer welvaart leiden.” Deze conclusie trekt Henk Strating bij Opiniez uit een debat over de verzorgingsstaat. Strating is duidelijk. Hij kiest de welvaartsstaat boven de verzorgingsstaat. Maar wat als er niet gekozen hoeft te worden? Zou het niet én kunnen zijn in plaats van of? 

Een prent ter gelegenheid van het Kinderwetje van Van Houten uit 1874. De eerste maatregelen ter verbetering van de levensomstandigheden van mensen. Bron: Wikipedia.

Laten we eens in de geschiedenis duiken. Als we dat doen dan zien we vooral schrijnende armoede en ellende aan de ene kant en flinke rijkdom aan de andere kant. Die ene, arme kant omvatte het overgrote deel van de mensheid. Die rijke kant bestond uit enkele families. Daartussen een klein clubje mensen die het redelijk had. Veel van die armen werkten. Als ze geen werk hadden of niet konden werken, dan waren ze afhankelijk van de goedertierenheid van vooral de kerken. Je succes of falen hing vooral af van de plek en de situatie waarin je werd geboren. Was je van adel dan was je kostje gekocht. Waren je ouders keuterboer, dan was dat je lot. Hoe hard je ook werkte, hoe goed je ook je best deed en hoe je je ‘eigen verantwoordelijkheid’ invulde, wat je ook ondernam, het deed er zeer weinig tot niets toe. Je lot lag al bij je geboorte vast. Geen welvaartsstaat en zeker geen verzorgingsstaat.

Met de industriële revolutie gingen we een nieuw tijdperk in. Werken op het land werd werken in de fabriek. Wat er slechts marginaal tot bijna niet veranderde, was de invloed van je geboorteplek en situatie. Als zoon van een arbeider werd je arbeider. Tenminste, als er werk was. Was dat er niet, dan was je afhankelijk van de nog steeds vooral kerkelijke armenzorg. Had je het geluk dat je ouders ondernemer waren, dan had je wat meer keus. Voor sommigen een tijd van grote welvaart, voor de meesten was het sappelen tot schrale armoede. Zeker geen welvaartsstaat en al helemaal geen verzorgingsstaat.

Aan het einde van de negentiende eeuw begon er wat te veranderen. De staat begon zich de ellende aan te trekken en vaardigde wetten uit om de ergste uitwassen te voorkomen. Zo werd kinderarbeid verboden en werd de arbeidstijd begrensd. Het begin van wat uitgroeide tot de verzorgingsstaat. Een begin dat een vervolg kreeg met bijvoorbeeld de sociale woningbouw. Dit om de leefomstandigheden te verbeteren. Wetgeving om te voorkomen dat ouderen, die niet meer konden werken, afhankelijk werden van hun familie of de kerk voor hun eten. Wetten om armoede bij ziekte of ongeval te voorkomen. Wetgeving ter verzekering van inkomen bij arbeidsverlies. 

Dit werd wat we achteraf de verzorgingsstaat zijn gaan noemen. Een ontwikkeling die niet is ingezet om, zoals Strating schrijft: “dat de overheid voor de burgers moet zorgen en hun risico’s zo veel mogelijk moet afwenden.” Nee, wet- en regelgeving en maatregelen om schrijnende armoede en ziekte en sterfte als gevolg van armoede te bestrijden. Maatregelen om mensen een wat menswaardiger bestaan te bezorgen. En wat schetste de verbazing? Het menswaardigere bestaan zorgde ervoor dat de zoon van de arbeider de kans kreeg om meer te worden dan een arbeider. En dat gebeurde dan ook. Verzekerd van een basis namen steeds meer mensen initiatief, ze kozen, ze ondernamen en dat leidde tot een toename van de welvaart. Met het invoeren van die maatregelen, die verzorgingsstaat, nam de welvaart van iedereen toe. De verzorgingsstaat en de welvaartsstaat gingen hand in hand.

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt er gemorreld aan die verzorgingsstaat. De voorzieningen worden kariger of verdwijnen. Allemaal met als ideologisch sausje dat die regelingen betuttelend zijn en dat mensen pas initiatief nemen als ze er zelf voor staan. Dit geheel volgens Stratings manier van denken. Wat we sinds die tijd zien is dat de welvaart stagneert. Dat er steeds meer mensen in armoede leven. En er is niets zo dodelijk voor eigen initiatief als armoede. 

Natuurlijk is het goed om te kijken of alle regelingen nog wel bij de tijd passen. Natuurlijk moeten we kijken en zoeken naar alternatieve manieren die beter bij het huidige tijdsgewricht passen. Een basisinkomen kan dan een interessante optie zijn. Maar als de geschiedenis ons iets leert dan is dat dan niet dat het én is in plaats van of? Dat welvaartsstaat en verzorgingsstaat hand in hand gaan?

Déjà Vu

U hebt het vast ook wel eens. Dan gebeurt er iets en denkt u: ‘maar dat heb ik toch al eens gezien.’Een déjà vu om het in goed Nederlands te zeggen. “In de jeugdzorg moeten we bijsturen. Een sterke basis ontwikkelen, met stevige scholen en wijken met zorg dichtbij. Maar ook gewoon nuchter kijken naar verantwoordelijkheid van ouders zelf. En voor grote problemen snel de juiste hulp. Dán heb je maatwerk en werken we vanuit de bedoeling.”  De laatste alinea van een artikel van Lian Smits en Rene Peters in Trouw. Ik dacht, of ik heb een déjà vu of ik ben tien jaar jonger. Toen ik vervolgens mijn sokken aantrok wist ik het: een déjà vu.

Bron: Pixabay

“Ouders/opvoeders zijn er natuurlijk in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor dat hun kinderen kunnen opgroeien in een gezonde, veilige en stimulerende omgeving met uitzicht op maatschappelijke participatie. …. De school wordt gezien als een plek waar professionals zicht hebben op de ontwikkeling van kinderen. Daarmee zijn scholen vindplaatsen van kinderen die zorg nodig hebben..” Dit constateerde de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg in 2010. 

We zijn nu bijna tien jaar verder en Smits en Peters concluderen hetzelfde. Tien jaar verder en niets opgeschoten? Nou ja niets. Inmiddels is de gemeente verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Dat was ‘logisch’ want de gemeente staat toch het dichts bij de burger. Daarom kan zij het beste die zorg organiseren. Een aanname die ik al eerder ter discussie stelde.

Nou ja niets? Marktwerking is ver doorgedrongen in de jeugdzorg. Heel veel zorg of ondersteuning wordt ‘aanbesteed’, er wordt een markt van gemaakt. Waarom? Niet omdat de wet hen ertoe verplicht. Doorzoek de wet op het woord inkoop en je krijgt nul resultaten. Idem voor het woord ‘aanbesteden’. Nee de wet verplicht de gemeenteraad (artikel 2.2 eerste lid) “een plan vast (te stellen) dat richting geeft aan de door de gemeenteraad en het college te nemen beslissingen betreffende preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.” De wet verplicht het college (2.4 eerste lid) om: “Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.” Het staat gemeenten vrij om te bepalen hoe zij die wettelijke opdracht invullen. 

Nou ja niets? Door er een markt van te maken, krijg je ook de normale verschijnselen van een markt. Verschijnselen zoals concurrentie op prijs en als de ‘opdracht’ eenmaal binnen is op allerlei manier ‘meerkosten’ opvoeren. Via de markt wordt er gestuurd op concurrentie en dan vooral op concurrentie op prijs. Iets wat je via de markt niet krijgt, is samen werken aan die ‘sterke basis’ waar de beide auteurs het over hebben. Als je samenwerking wil dan moet je op samenwerking sturen. Dan moet je zoeken naar andere manieren dan ‘aanbesteden’ en ‘marktwerking’.

Nou ja niets? Sinds die tijd hebben veel goede en ervaren medewerkers de zorg voor de jeugd verlaten. Moe van de hoge werk-, en vooral administratieve druk. Moe van de immer durende onzekerheid, ‘hebben we nog een contract volgend jaar’. Moe van de inhoudelijke bemoeienis door gemeenten met hun werk, dit terwijl de wet onder andere werd ‘verkocht’ met de kreet ‘ruimte voor de professional’. De plekken die ze achterlieten zijn niet ingevuld of worden bezet door, zoals iemand het mij laatst vertelde, ‘jonge möpkes’ nauwelijks ouder maar vaak veel minder streetwise dan de jongeren die ze moeten begeleiden.

Nou ja niets? Van de twaalf verantwoordelijke provincies met daarnaast nog twee ministeries en de zorgverzekeraars die vroeger verantwoordelijk waren, zijn we gegaan naar één verantwoordelijke overheid: de gemeente. Een klein dingetje. Daarvan zijn er zo’n 380 in Nederland. Omdat de wetgever dit ook wel wist nam hij in artikel 2.8 op dat de colleges met elkaar moeten samenwerken: “Indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is.” En dat doen die colleges dan ook. Alleen lijkt die samenwerking het meest op zo dicht mogelijk naast elkaar heen werken.

Vanuit het dominante ‘marktdenken’ logische en rationele stappen maar met een weinig logisch en rationeel resultaat. Een mooi voorbeeld van rationele irrationaliteit?

De morele toren

Als ik ze al had geambieerd, dan zou ik een politieke carrière wel op mijn borst kunnen schrijven. Niet omdat ik er niet over de juiste kwaliteiten beschik of er niet slim genoeg voor zou zijn. Of ik de juiste kwaliteiten heb of er slim genoeg voor ben,  doet er niet toe. Waarom dan toch geen politieke carrière?

Bron: Wikimedia Commons

Omdat er foto’s van mij zouden kunnen gaan opduiken. Foto’s waarop ik als kind van zeven of acht verkleed ga als indiaan of cowboy. Van iets latere leeftijd kunnen er foto’s opduiken van mij als janitsaar. Voor degenen die niet weten wat janitsaren waren, het was het elitecorps in het Ottomaanse Rijk. Ook zullen er foto’s opduiken van mij als Schot en afhankelijk van het camera standpunt compleet met zonder onderbroek. Want ja, je verkleed je en dan doe je het goed. Ook zal ‘Jabbar el Goojegabber’, de Arabische sjeik, op kunnen duiken. Mijn alter ego tijdens de Vasteloavend van 1994. Want ja, als ‘Vasteloavesvierder’ verkleed je je als iemand anders. 

En als dergelijke foto’s opduiken dan ben je ongeschikt. Dan heb je andere culturen belachelijk gemaakt of je misschien wel schuldig gemaakt aan ‘culturele toe-eigening’. En in het ergste geval ben je hypocriet. Hoe kun je immers pleiten voor gelijkwaardigheid van mensen als je als zevenjarige met een indianentooi op je hoofd liep? Dat gebeurde de Canadese premier Trudeau deze week. Eerst dook er een foto op van een themafeest in 2001 waar hij met een zwart geschminkt gezicht rondliep en er schijnt ook een video uit het begin van de jaren negentig te zijn. Dan deug je niet meer en moet je diep door het stof. 

Of zoals Trudeau het zei, zo lees ik in de Volkskrant: “Ik had toen beter moeten weten, maar ik deed het toch. Het spijt me ten zeerste.” Maar ja, ook dat is niet genoeg want er zijn altijd mensen die je niet geloven: “Zijn politieke uitdager, Andrew Scheer, trekt de oprechtheid van de premier in twijfel. Het feit dat er nu een nieuwe video van hem is opgedoken, verspreid door de Conservatieven, is voor hem koren op de molen. Die bewijst volgens Scheer dat Trudeau een ‘leugenaar’ is.” Zo die kan Trudeau zich in zijn zak steken. Wanneer zou het dan wel ‘genoeg’ zijn? Voor zijn tegenstanders waarschijnlijk nooit.

Deze affaire kent twee bijzonder invalshoeken. De eerste is een tegenwoordig heel populaire, leg het verleden langs de maatlat van het heden. Acties, gebeurtenissen en daden uit het verleden worden langs de huidige morele maatlat gelegd en beoordeeld. Dit terwijl ze stammen uit een tijd met een andere morele maatlat. Dat maakt deze handelingen al heel snel ‘fout’ of nog erger ‘moreel verwerpelijk’. Het heden wordt zo gepresenteerd als dé absolute norm waaraan alles wordt afgemeten. Als de hoogste ‘morele toren’ Maar hoe kon iemand toen weten wat die huidige ‘hoogste morele standaard’ is waar de criticasters nu van blazen?

De tweede invalshoek haakt aan bij waarmee ik begon. Er blijft niemand over als geschikt politicus. Iedere daad of actie van jou uit het verleden kan immers in de toekomst ‘moreel verwerpelijk’ zijn. Iedereen heeft een verleden en heeft in dat verleden gehandeld. Handelen dat naar de toekomstige morele standaarden niet kan deugen maar op het moment van handelen wel deugde. Zouden die ‘blazers’ zich realiseren dat hun geblaas wel eens van een te lage toekomstige toren kan zijn?

NEE is JA?

Kan NEE ook JA betekenen? In het kader van #MeToo duidelijk niet. NEE is NEE en geen versluierd JA. In mijn dagelijkse werk stootte ik vandaag op iets bijzonders. Iets waarbij NEE ineens JA lijkt te zijn. Dat bijzondere heeft te maken met beschermd wonen. Omdat ‘decentraliseren’ naar gemeenten omdat die het ‘dichtst bij de burger’ staan tegenwoordig mode is, moet ook zorg voor mensen die beschermd moeten wonen een verantwoordelijkheid worden van de gemeente. Hierbij stuitte ik op het woord ‘vermaatschappelijken’. 

Bron: Pixabay

Eerst even wat achtergrond bij dat ‘beschermd wonen’. Nu is deze zorg georganiseerd op grotere schaal. In het land zijn er zo’n 43 centrumgemeenten belast met deze opdracht. Wat meer regio’s in druk bevolkte gebieden en wat grotere regio’s in dun bevolkte gebieden. Daarvoor is ooit gekozen omdat enige omvang nodig is om hiervoor iets te regelen. Dat was vroeger zo en als daarin niets is gewijzigd, waarom dan veranderen?  

Ja, waarom? Omdat: “Er is in de samenleving een brede consensus over de wenselijkheid en noodzaak van een vermaatschappelijking van ondersteuning en zorg voor kwetsbare mensen. Deze trend is ook buiten de grenzen van Nederland duidelijk zichtbaar. In diverse sectoren (geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg, maatschappelijke opvang, ouderenzorg, etc.) zijn de opvattingen de kant op gegaan van inbedding van zorg in de samenleving, versterking van zelfregie en eigen kracht.” Zo schrijft de Advies Commissie Toekomst Beschermd Wonen op pagina 12 van haar rapport met als titel Van beschermd wonen naar een beschermd thuis. Het streven is om de mensen die nu beschermd wonen in een huis bij u of mij in de buurt een ‘beschermd thuis’ te bieden. En daarmee ben ik aanbeland bij het woord ‘vermaatschappelijken’. Daaruit kun je opmaken dat ‘vermaatschappelijken’ betekent ‘de-instiututionaliseren’. 

Alleen raakte ik verward toen ik Wikipedia raadpleegde voor het begrip maatschappelijk: “Het begrip maatschappij valt grotendeels samen met de notie samenleving, maar legt meer de nadruk op de institutionele, ordenende aspecten van de samenleving: de staat en de staatsapparaten. Daarmee is het ook een meer territorium gebonden begrip dan samenleving.” We gaan ‘de-institutionaliseren’ en noemen dat ‘vermaatschappelijken’ terwijl ‘vermaatschappelijken’ eigenlijk ‘institutionaliseren’ is.

Het begrip ‘vermaatschappelijken’ lijkt qua betekenis een draai van honderdtachtig graden te hebben gemaakt. Het wordt nu gebruikt om iets af te breken dat met hetzelfde woord is opgebouwd. NEE is op wonderbaarlijke wijze JA geworden.

Europese spoken

Volgens Jelte Wiersma is wat er met de Britten gebeurt van groot belang voor de toekomst van Nederland: “Stel dat het Verenigd Koninkrijk wel in de Europese Unie blijft. Dan heeft het als niet-euroland per definitie een tweederangs status. Lid van de eurozone zal het niet worden. Aangezien de eurozone dé motor is waarmee macht naar Frankrijk wordt overgeheveld, wint Nederland weinig met dit scenario. Of stel dat het Verenigd Koninkrijk een Theresa May-achtig akkoord met de EU sluit en zo een EU-kolonie wordt – ook dat lost het probleem niet op van een verdergaande machtsoverdracht naar Frankrijk.” Zo schrijft hij in Elsevier. “Leedvermaak en schamper doen over premier Boris Johnson en de in veler ogen clowneske politiek in het Lagerhuis (…) vanuit Nederlands perspectief geen enkele zin.” Aldus Wiersma, die vervolgt: “Langzaam laat Nederland zich zo tot provincie van Frankrijk (en Duitsland) vormen.” Volgens Wiersma is Frankrijk de ‘baas’ in de Europese Unie. Nog niet zo lang geleden zeiden we hetzelfde over de Duitsers. Of de angst van Wiersma terecht is, zal de toekomst uitwijzen. 

Bron: Wikipedia

Bijzonder in het betoog van Wiersma is dat hij de werkelijkheid om lijkt te draaien. Wiersma: “Macron wil voorkomen dat het Verenigd Koninkrijk lid van de EU blijft en in de Unie de hoeder van de belangen van kleinere landen en vrijhandel is. Macron wil ook dat het Verenigd Koninkrijk geen prettig handelsverdrag met de EU kan sluiten, waardoor ook andere lidstaten zouden kunnen besluiten onder het Franse EU-gezag uit te willen, of in elk geval EU-integratie ten bate van de Franse macht te voorkomen.” Pardon? De Britten, met de ‘clowneske’ Johnson als boegbeeld, willen toch de Unie verlaten? Als de Britten willen blijven dan hebben de Fransen geen poot om op te staan.  Ze zijn immers lid van de Unie en niemand kan hen eruit gooien. Dat kunnen ze alleen zelf doen. Als de Britten als nog kiezen voor blijven dan zijn er alleen drie jaar verspeeld met niets. 

Ook het beeld van de Britten als hoeder van de kleine landen geeft hen erg veel krediet. Als we terugkijken dan zien we dat de Britten vooral opkwamen voor hun eigen belang. Denk maar aan het ‘I want my money back’  van Tatcher. Ze kreeg haar geld terug ten koste van, ja van de andere landen zoals het kleine Nederland. 

Als ik het betoog van Wiersma goed lees, dan is Nederland ontstaan als een soort provincie van de Britten: “Het Koninkrijk der Nederlanden met een Oranje op de troon – waarop zoveel Nederlanders zo dol zijn – is zelfs een Britse uitvinding.” Daar heeft Wiersma een punt. Zonder het ‘Concert van Europa’ in 1814 had ons land niet bestaan. In Wenen beslisten de toenmalige grootmachten dat de ‘Franse ambities’ ingetoomd moesten worden. Oostenrijk, Pruisen, Rusland en de Britten tekenden daar de nieuwe kaart van Europa. Een kaart waarop ten Noorden van Frankrijk ineens het ‘Koninkrijk der Nederlanden’ verscheen met een ‘Oranje’ op de troon.

Inderdaad paste dit in het Britse Europa-beleid dat Wiersma goed omschrijft: “we moeten voorkomen dat één macht het Europees continent domineert. Waarom? Omdat het Verenigd Koninkrijk zelf Europa niet kan domineren en geconfronteerd met één continentale grootmacht daarvan een kolonie dreigt te worden.” Het paste echter ook naadloos in dat van de andere winnaars. Die waren beducht voor elkaar en daarom moest Frankrijk als een ‘macht’ blijven bestaan daarin paste een nieuw ‘koninkrijk der Nederlanden’. Al eerder schreef ik een Prikker over dit sollen en het daaruit ‘ontstaan’ van het ‘koninkrijk der Nederlanden’. Maakt dit de Britten tot ‘hoeder’ van de kleine landen? Nee, die kleine landen waren nodig om te voorkomen dat zij hun machtspositie in Europa en in het verlengde daarvan in de wereld verloren.

Een provincie van zowel Frankrijk als Duitsland. Dat roept ‘spoken’ uit het verleden op. Zeker in een jaar dat we herdenken dat we vijfenzeventig jaar geleden werden bevrijd van het zijn van een ‘Duitsche’ provincie. Wat verder terug, ten tijde van Napoleon, waren we een Franse provincie. Met de ‘kennis’ van nu, moeten we daar niets van hebben. Nu was het gebied waar wij wonen wel vaker een ‘provincie van’. Bijvoorbeeld van de Romeinen, de Franken, de Bourgondiërs, de Spanjaarden en delen van ons land ook nog van de Oostenrijkers en de Pruisen. Met het zijn van provincie hebben we genoeg ervaring.        

Als de geschiedenis iets leert dan is het dat de machtigen sollen met de minder machtigen. En ja, daar heeft Wiersma een punt, dat gebeurt ook binnen de Europese Unie. Sterker nog dat gebeurt ook binnen Nederland. Zo gebruiken de vier grote steden hun ‘macht’ om extra voordelen binnen te halen. Dat even ter zijde. Als er in 1814 wat anders was gesold, dan was het gebied waar ik woon al een Duitse ‘provincie’. Was er na 1830 wat anders gesold dan was ik Belg geweest. Maar ja, dat was dan wellicht ook een Duitse, Franse of eigenlijk Britse provincie. Want Die Britten garandeerden de Belgische neutraliteit. Als Nederland haar zin had gekregen na afloop van de Tweede Wereldoorlog dan voetbalde Borusia Mochengladbach is de eredivisie. Dan had de grens een kilometer of veertig oostelijke gelegen. Maar ja, Nederland was machteloos er werd mee gesold.

Als het verleden iets laat zien dan is dat machthebbers sollen en dat grenzen tijdelijk zijn. Ook de huidige. Trouwens het verleden laat nog iets zien. Namelijk dat Nederland ook zonder de Britten in de Europese samenwerking kon. De Britten werden immers pas in 1973 lid. Nederland was er al vanaf het begin bij. 

Professor Cliteur en de wetenschap

  Van vraag via een insinuatie naar een stellige uitspraak in een paar zinnen. Dat gaat wel erg snel. Zeker voor iemand die zich tooit met de titel professor. Maar ja, als je vervolgens politicus wordt, zou het dan kunnen dat je het wetenschappelijke deel van je brein ‘uitschakelt’? Een vraag waarop ik geen antwoord geef en op basis waarvan ik zeker geen beschuldiging ga uiten. Wat is er aan de hand?

Bron: Wikipedia

Bij ThePostOnline een artikel van professor en Eerste Kamerlid namens het Forum voor Democratie, Paul Cliteur. Een artikel naar aanleiding van het bericht dat salafistische weekendscholen er wel een heel bijzonder lesprogramma op na houden. Daarop reageren politici als VVD-er Dijkhoff en CU-er Gert-Jan Segers geschokt. “En dan realiseer je je ineens dat we al twintig jaar dit soort onthullingen horen. Al twintig jaar brengt de AIVD rapporten uit met min of meer dezelfde strekking.. … Al twintig jaar zijn politici daarover ‘geschokt’ en ‘geschrokken’, maar die schrik leidt nooit tot maatregelen die een verandering brengen in de situatie.,” zo schrijft Cliteur.  Tot zover niets bijzonders.

“Intussen proberen de topambtenaren van het ministerie van Justitie hun collega’s van het OM te bewerken om toch vooral Geert Wilders te vervolgen.” En dat mag niet. Justitie mag het OM niet beïnvloeden als de minister van niets weet en: “De voormalige minister van Justitie (Opstelten) blijkt dat niet te weten.” Dus hebben die ambtenaren dat op eigen houtje gedaan. Als dat zo is dan is dat verkeerd en dan heeft Cliteur een punt en dan: “kan (de minister president) toch aangeven dat ambtenaren geen mailtjes mogen schrijven naar het OM zonder hun goedkeuring?”  Nog steeds niets bijzonder behalve dan dat ministers wel vaker iets niet weten, zich iets niet meer kunnen herinneren of iets cruciaals ‘kwijtraken’.  

Dan stelt Cliteur de vraag: “Zou het kunnen dat het ‘racismegedram’ van onze ‘topambtenaren’ toch een onvoorzien effect heeft? En dat de overgrote meerderheid van onze politici denkt: laat ik me maar stil houden. Laat die salafisten hun gang maar gaan. Wie er iets van zegt, wordt voor racist uitgemaakt en als je pech hebt krijg je nog een procedure aan je broek.” Een vraag met daarin een insinuatie: topambtenaren vertonen ‘racismegedram’ wat dat ook zijn mag.

En meteen erachteraan de beschuldiging: “Als dat zo is dan betekent het dat we een ambtenarenprobleem hebben. Een probleem van De Vierde Macht. De ambtenaren hebben politiek correcte rommel tussen hun oren en dat maakt een consistent integratiebeleid onmogelijk. Al twintig jaar lang. Minstens.” 

Beste professor Cliteur, als wetenschapper bent u er toch mee bekend dat u begrippen moet definiëren, begrippen als ‘racismegedram’ en ‘politiek correcte rommel’? Als wetenschapper bent u er vast ook mee bekend dat u bewijzen moet aandragen voordat u  topambtenaren verwijt zich schuldig te maken aan ‘racismegedram’ en dat ambtenaren ‘politiek correcte rommel’ tussen de oren hebben? Ook zult u als wetenschapper weten dat u daarbij moet verklaren hoe u vanuit specifieke gevallen tot dergelijke algemene uitspraken komt. Ook zult u weten dat u moet kunnen aantonen dat het aan die ‘politiek correcte rommel’ tussen hun oren ligt dat ‘consistent integratiebeleid onmogelijk is.’ Daarbij zult u ook aannemelijk moeten maken dat dit geen andere oorzaken kan hebben. Beste professor, ik wacht op uw onderbouwing.

Generatie geleuter!

Ik, en met mij mijn leeftijdsgenoten, hebben het gedaan. Tenminste, als we Rutger Koopmans moeten geloven. Koopmans wordt door de Volkskrant geïnterviewd. Het interview is er een in een serie. Waar gaat die serie over: “De tegenstellingen in Nederland openbaren zich in tal van geledingen. Waar ligt de oorsprong en waartoe zal het leiden? “  Koopmans was: “ooit ING-topman maar tegenwoordig actief als ondernemer bij ‘carrièretransformaties.” Wat hebben ‘we’, mijn leeftijdsgenoten en ik, gedaan?

Bron: Kinderkleurplaat.nl

Nou ‘we’ zijn schuld aan zo ongeveer alle ellende in de wereld. “Wij hebben als geen andere generatie ooit een ongelofelijke aanslag op het milieu gedaan. Pas nu schetsen we oplossingen voor 2030-2040. Zo van: ‘Na ons pensioen doen we die energietransitie wel.’ Maar de inspanningen die moeten worden geleverd, komen bij jullie terecht. Dat is nogal makkelijk. Je ziet hetzelfde bij sociale kwesties als het lerarentekort en het gebrek aan personeel in de zorg.” Zo, daar moet ik het mee doen! Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa dan maar? Nou, er is nogal wat af te dingen op de redenering van Koopmans.

Koopmans spreekt over generaties en zet daarbij de ‘millennials’ geboren tussen 1980 en 1994 af tegen de ‘verloren generatie X’ geboren tussen 1955 en 1970. Geboren in 1966 behoor ik dan tot die laatste generatie. De Millenials: “groeide op in welvaart tijdens de digitale revolutie, mocht zich vrijelijk ontplooien en werd als ‘schaarstegoed’ in kleine gezinnen gepamperd.”  En Generatie X: “groeide op in de naoorlogse verzorgingsstaat, maar ervoer economische terugval ten tijde van de tweede oliecrisis.” Voor de ‘millenials’ en nog jongeren onder ons, die crisis brak uit na de Iraanse revolutie in 1979. Door die revolutie, die Ayatollah Khomeini aan de macht bracht en van Iran een islamitische republiek maakte, werd de olieaanvoer vanuit dat land onzeker waardoor de prijs ervan steeg. Dit leidde tot een diepe economische crisis. 

Koopmans werpt zich, zo lees ik, op als: “onorthodox vertegenwoordiger van generatie X.” Nu begrijp ik dat Koopmans, als ondernemer, schrijver en onderzoeker van de ‘generatiekloof’, erbij is gebaat om zaken scherp weg te zetten en de waarheid of werkelijkheid soms wat aan te dikken. Dat doet het immers goed in de ‘verkoop’. En dat blijkt want hij wordt als ‘deskundige’ door de Volkskrant geïnterviewd. Nu kan ik mij van mijn jeugd ‘ten tijde van de tweede oliecrisis’ goed herinneren dat de leden van die generatie  X, onderling erg verdeeld waren over waar het met de samenleving naartoe moest. Daarin weken we trouwens niet af van de generaties voor en en na ons. Een deel van ons nam deel aan de grote demonstraties tegen ‘kernraketten’, een ander deel had liever ‘een raket in de tuin, dan een Rus in de keuken’. Door nu over ‘generaties’ te spreken als een eenheid, verhult Koopmans de verschillen tussen mensen die niets met elkaar gemeen hebben behalve hun leeftijd.

Een ander voorbeeld. Koopmans over toen hij afstudeerde op de toekomst van de verzorgingsstaat: “Terugkijkend uitte ik destijds terechte zorgen over de onbetaalbaarheid ervan (de verzorgingsstaat), maar dat gold toen als verderfelijk neoliberale taal.” Dat moet dan begin jaren tachtig zijn geweest. Die kritiek was regeringsbeleid. Het waren de jaren van Lubbers en Ruding met het ‘no nonsense’ beleid van flinke bezuinigingen op de overheidsuitgaven en de sociale zekerheid.

Echt bizar wordt het als Koopmans de volgende vraag krijgt voorgelegd: “Uw generatie verzette zich tegen oude structuren in de jaren zestig en zeventig. Maar ondertussen is niet gewerkt aan nieuwe structuren, voor ons als millennials. Voelt u zich daar schuldig over?” Hij antwoordt: “Ja, we braken vermolmde structuren af, zorgden voor democratisering en betere sociale verhoudingen. Maar toen we het goed hadden geregeld voor onszelf, met een bloem in ons haar, kozen we een nieuw mantra: ‘En nu regeert de marktwerking en is het ieder voor zich.’ We hebben als generatie die aan zet was niet het fundament gelegd voor een verzorgingsstaat nieuwe stijl, waarin het individu minder op zichzelf hoeft terug te vallen dan nu gaat gebeuren.” Tegenwoordig hebben we milieuactiviste Greta Thunberg die zich als puber inzet voor een betere wereld. Volgens Koopmans waren ik en mijn leeftijdsgenoten nog veel eerder politiek actief. Wij waren met de luiers aan en velen zelfs nog niet eens geboren laat staan verwekt, al bezig waren met het afbreken van ‘vermolmde structuren’. Nu weet ik eindelijk waarom ik, als ik kwaad was, de met de ‘Treseblokken’ gebouwde bouwwerkjes van mij broers, sloopte. Die waren vermolmd en dat had ik in mijn kwaadheid natuurlijk goed beoordeeld. Even voor de lezer, ‘Treseblokken, was een soort Lego maar dan anders en die hadden we van onze tante Trees gekregen. Alleen jammer dat ik toen nog niet wist welke ‘structuren’ ervoor in de plaats moesten komen.

Generatie geleuter!

Scheuren en besturen

Ik heb pech lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Ja echt waar! Het staat er echt: “Automobilisten hebben pech! Maximum snelheid snelwegen naar beneden voor stikstof.” Wat is er aan de hand? De eerste alinea van het artikel licht het toe: “De invoering van de maximumsnelheid naar 130 km/u overdag op de A2 tussen Maarssen en Holendrecht is de komende tijd van de baan. Op vier andere snelwegen gaat de maximumsnelheid ook naar beneden.” 

Bron: Wikipedia

Nu zijn dat plekken waar ik als automobilist zelden tot nooit kom. Dus met mijn ‘pech’ zal het wel meevallen. Bovendien scheur ik zelden 120 laat staan 130 km/u. Ervaring heeft mij geleerd dat op de snelweg rijden het meest soepel en ontspannen gaat als je tussen de 100 en 110 km/u rijdt. Trouwens, niet alleen het meest soepel en ontspannen, maar ook veel zuiniger. Dit allemaal zonder dat het me bijzonder veel meer tijd kost. De meeste tijdwinst die je behaalt door 130 km/u te rijden, verlies je weer als je de snelweg verlaat en de verkeerslichten, rotondes en drempels treft.

Tot zover mijn pech. Nu even naar iets anders in dit bericht. Naar de oorzaak van de snelheidsverlaging. Volgens de auteur van het artikel, Bart Reijmerink, is ‘stikstof’ de oorzaak. Volgens mij is ‘de stikstof’, net als bij al die bouwprojecten die nu moeten worden stopgezet, niet de oorzaak maar de aanleiding. Het lijkt mij sterk dat ‘de stikstof’ iets verbiedt. Daartoe is de stof niet in staat, die kan ons geen verboden opleggen. De stof kan zich niet eens uiten. Daarom moet de oorzaak elders liggen. Stikstof is daarmee hooguit de aanleiding.

Wat zou dan wel de oorzaak kunnen zijn? Het artikel meldt dat: “de overheid niet zomaar iets kan beslissen wat tot een verhoging van de stikstofuitlaat,” leidt. Dat heeft de hoogste bestuursrechter uitgesproken. Dan is die de oorzaak! Ho, ho dat gaat iets te snel. De hoogste bestuursrechter toetst besluiten aan de wetten, die maakt ze niet. Dus de wet is de schuld! Wie heeft die wet vastgesteld? Dat heeft de volksvertegenwoordiging, de Tweede en Eerste Kamer, gedaan. Dan zijn die de oorzaak!

Ja, de volksvertegenwoordiging is de oorzaak. Maar er is een mede oorzaak: de regering. Want de regering stelt wetten voor die de volksvertegenwoordiging vast kan stellen. Dezelfde regering die besluiten neemt om de snelheid te verhogen. En als iemand zich aan de wet moet houden dan zijn het de bestuurders van overheden, het Rijk, de provincies, gemeenten en de waterschappen. De bestuurders van een gemeente heten niet voor niets wethouders. 

Meervoudige persoonlijkheidsstoornis

Ik weet het even niet meer. Ik ben in de war en vraag me af of het aan mij ligt? Waar het over gaat? Over het gebruik van verdovende middelen of met een andere term stimulerende middelen want de een gebruikt ze om zijn ellende te verdoven en de ander om in een ‘ vrolijke’ bui te komen. Ze zijn er in soorten en maten maar wat ze allemaal gemeen hebben, is dat je eraan verslaafd kunt geraken. En nu ik dit schrijf en denk over wat er nog komen gaat, weet ik dat ik niet in de war ben, maar ‘iemand’ anders. ‘Wie’ dat volgt later. 

Bron: Wikipedia

De meest gebruikte verdovende of stimulerende middelen zijn alcohol en tabak. Dan heb je wiet (cannabis), heroïne, cocaïne, qat en nu vergeet ik vast nog wel wat middelen die zijn gemaakt van natuurlijke producten`. De laatste twee decennia zijn ‘chemische’ middelen in opkomst. Middelen zoals XTC die in een laboratorium in elkaar worden geknutseld en in pilletjes worden gestanst. Als laatste heb je ‘doe-het-zelf-drugs zoals GHB. Middelen die je zelf in elkaar kunt knutselen met spullen, zoals gootsteenontstopper, die je in de winkel kunt kopen. Allemaal hebben ze in meer of mindere mate een stimulerend en/of verdovend effect, afhankelijk van wat de gebruiker ermee wil. Allemaal zijn ze verslavend en kunnen ze een mens ten gronde richten.

Tabak en alcohol zijn gewoon in supermarkt en speciaalzaak te koop. Zo kocht ik vandaag een fles Ouzo bij de plaatselijke slijter. Even ‘for the record’, alcohol is het enige van al die middelen die ik soms nuttig. Alcohol heb je, net als tabak, in verschillende soorten zwaarte. Je hebt lichte, milde en zware tabak, sigaren, sigaretten, pijp- en pruimtabak. In een pilsje zit 5% alcohol, maar je hebt ook bieren met 8 en zelfs 15%. Wijn zit ook rond die 15% en in rum en andere sterke dranken zit 40% of meer alcohol.

Wiet heb je ook in verschillende soorten en maten. Het is illegaal maar het gebruik en bezit van een kleine hoeveelheid wordt gedoogd. Het spul produceren is verboden. Dit leidt tot de bizarre situatie dat een ‘slijter van wiet’ wel een kleine hoeveelheid in bezit mag hebben en verkopen, maar  het niet mag inkopen. Het wordt dus in de illegaliteit (criminaliteit) geproduceerd en verhandeld. Het geld dat ermee wordt verdiend moet door de ‘witwasser’. Nu start onze regering een experiment om aan deze bizarre situatie iets te veranderen. In 10 gemeenten start een proef met het legaal telen van wiet (hennep) voor inwoners van die stad die er behoefte aan hebben.  

Komen we bij de harddrugs. Daaronder vallen alle chemische drugs en ook heroïne en cocaïne. Het gebruik ervan is niet strafbaar. Bezitten, verhandelen of het maken ervan wel. Je mag iets dat je niet mag hebben wel gebruiken. De handel en productie gebeurt ook hier in de illegaliteit en is dus in handen van criminelen die er sloten met geld mee verdienen. Sloten die, zoals een Amsterdams rapport duidelijk maakt, weer een weg zoeken naar de bovenwereld. Sloten die bovendien tot openbare geweldpleging leiden en een devaluatie van de prijs van een moord. Of zoals RTL Nieuws het formuleert: “Achter de schermen zouden de criminele handelaren aan de top van de piramide zich ongehinderd kunnen verrijken. In de onderlinge strijd tussen de ‘bazen’ in de drugscriminaliteit worden concurrerende zaken beschoten of handgranaten achtergelaten.” Om daar wat aan te doen wordt de drugsgebruiker aangesproken: zijn gebruik maakt die criminele activiteiten mogelijk. De gebruiker van het spul kan dat pareren door te zeggen: ‘mijn gebruik is niet het probleem, het probleem is dat jullie het illegaal hebben gemaakt.’

Toch vreemd dat verschillende soorten verdovende/stimulerende middelen zo verschillend worden benaderd terwijl hun schadelijk effect op de gezondheid overeenkomt. Alcohol en tabak zijn legaal, harddrugs illegaal en softdrugs hangt er tussenin en lijken steeds legaler te worden. Vanwaar dit verschil?  Waarom is het ene toegestaan en het andere verboden? Is de overheid in de war of is het erger en lijdt zij aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis?


Overheidstaak

Voor degenen die het nog niet wisten in Venlo ligt de Brightlands Campus Greenport. Op de campus zitten start-ups, ondernemers, kennisinstellingen en onderzoeksinstituten die zich richten op de voedselsector. Ze werken samen aan, zoals het op de site van de campus staat beschreven: “innovaties op het gebied van gezonde voeding, future farming en bio-circular economy.” De campus is gevestigd in de twee blikvangers van het voormalige Floriade-terrein: de Innovatoren en Villa Flora. En het is een succes.

Innovatoren. Bron Wikipedia

Ja, want die gebouwen zitten vol. Daarom wordt er op de campus een Brighthouse gebouwd. “Op dit moment zijn er op de Venlose campus zestig organisaties en zestien R&D-faciliteiten gevestigd. Er werken ruim 650 mensen,” zo lees ik op de site van Omroep Venlo. Dat is: “een kopie van de twee Bright Houses die in het voorjaar in gebruik zijn genomen op de  Brightlands Chemelot Campus in Geleen. Door die gebouwen te kopiëren zijn de kosten lager, is er minder kans op fouten en kan de bouw sneller plaatsvinden.” Met dat Brighthouse: “moet er ruim 8.600 vierkante meter vloeroppervlakte worden toegevoegd .” Dat allemaal voor € 22 miljoen en daar kunnen dan weer nieuwe bedrijven en start-ups in. Tot zover niets bijzonders.

“De Provincie Limburg levert de grootste bijdrage: 17,6 miljoen euro. De gemeente Venlo draagt 4,4 miljoen bij aan de ontwikkeling.” Wat? Gaan we dat bedrijfsverzamelgebouw, want dat is het, met overheidsgeld bekostigen? Is het een taak van de overheid om bedrijfsgebouwen te betalen en ‘huurbaas’ te worden voor bedrijven? Als er werkelijk vraag is voor meer bedrijfsterrein op die plek, dan moet er toch vast wel een projectontwikkelaar zijn die er brood in ziet. Dan moet het toch niet zo moeilijk zijn om een investeerder te vinden die het zaakje wil betalen? Is dit een gat waar de overheid in moet springen? Zeker een overheid die zo slecht bij kas zit als de gemeente Venlo. Een gemeente met forse tekorten oude zorg van jeugdigen en ouderen die ondersteuning nodig hebben.

A propos zorg en jeugdigen. Een groot probleem voor veel jeugdigen is het vinden van een woning. Vooral voor jeugdigen die hierbij extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben, is er geen woonruimte te vinden. Jeugdigen die zonder die woning of in te dure zorgvoorzieningen blijven hangen of op straat wonen en leven. Behalve ellende voor de jeugdigen kost dit de samenleving in het algemeen en de gemeenten in het bijzonder veel geld. De ‘woningmarkt’ voor jeugdigen wordt vooral overgelaten aan huisjesmelkers zoals onze race-prins-van-Oranje, die woningen opsplitsen en er kamers van maken. Kamers die ze duur verhuren.

Zouden de twee overheden en vooral de gemeente Venlo hun geld niet beter kunnen investeren in het bouwen van goede betaalbare woningen voor jeugdigen in het algemeen en voor jeugdigen die extra ondersteuning nodig hebben?