Terroristisch oogmerk?

Soms lees ik iets en dan denk ik: wat staat daar nu? Zoiets overkwam mij vandaag. Als jullie dit lezen is dat in ieder geval gisteren. Wat las ik? Bij TPO las ik een artikel over een man die in augustus vorig jaar in Naaldwijk politieagenten met een mes zou hebben belaagd. De man was, zo bleek, ontoerekeningsvatbaar en heeft meerdere psychische stoornissen. Tot zover is er niets bijzonders. Behalve dan voor de betreffen man. Maar dan: “Aanvankelijk werd gedacht dat Al S. mensen belaagde met een terroristisch oogmerk, onder meer omdat hij ‘Allahu akbar’ zou hebben geroepen.” 

bron: Pixabay

Dat was het moment dat ik dacht: wat staat daar nu? Mensen belagen met een terroristisch oogmerk? Van Dale omschrijft terrorisme als: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Terreur is, volgens dezelfde Van Dale “georganiseerd politiek geweld.” Door met een mes te zwaaien wordt de regering of de bevolking van een land onder druk gezet? En datzelfde zwaaien is georganiseerd politiek geweld? Hoe panisch ben je als je in dergelijke woorden spreekt over iemand die met een mes zwaait?

Maar wat belangrijker is, is dat de man met dat mes zwaaide met een terroristisch oogmerk. Was terrorisme zijn doel? Laten we er voor dit betoog eens van uitgaan dat de man niet verward was maar echt geloofde in de heilige oorlog van zijn geloof tegen anderen. Zou hij werkelijk met terrorisme en terreur als doel met dat mes zwaaien? Nu kun je van IS en vroeger ook van de ETA en de IRA veel zeggen, maar niet dat zij streden met terrorisme en terreur als doel.  Hun doel was wat anders. Hun doel lag op het politieke vlak. Na een aanslag volgt steevast een verklaring waarin de dader of de groep die hij vertegenwoordigd uitspreekt dat de aanslag is gepleegd in de strijd tegen de ongelovigen, de bezetters van het land of voor  het dichterbij brengen van ‘gods paradijs op aarde’ of de onafhankelijkheid van het eigen volk of land. Geen enkele strijder zal roepen: ik heb de daad gepleegd voor terreur of terrorisme. 

Terreur is een middel dat kan worden ingezet om iets te bereiken. Een middel dat haar, zoals ik in Terrorisme schreef, te danken heeft aan een korte periode tijdens de Franse revolutie. Een middel dat door zowel de overheid als allerlei strijdgroepen kan worden gebruikt. In de strijd tegen de ‘paniek en angst’ zou het geen kwaad kunnen om zorgvuldig na te denken voordat we woorden als terreur, terrorisme en terrorist gebruiken

Hedendaags imperialisme

“Ik kijk uit naar de excuus/flauwekulverhalen van de pc-crowd. Want ze zullen iets moeten verzinnen nu Turkije doet waar verstandige mensen als ik al jaren om roepen — de creatie van een veilige zone in Syrië, waar Syriërs veilig kunnen leven.”Met deze passage beëindigt Michael van der Galien bij De dagelijkse Standaard een artikel over de Turkse president Erdogan die met Amerika een veilige zone van dertig kilometer in Syrië overeen schiet te zijn gekomen. En omdat die afspraak er is kunnen alle Syriers weg uit Turkije en volgens Van der Galien ook uit Europa en Nederland. Ondanks dat ik niet tot die ‘pc-crowd’, behoor, zie ik wel wat haken en ogen.

Bron: Wikipedia

Als eerste kunnen de Verenigde Staten en Turkije wel iets afspreken met betrekking tot het grondgebied van Syrië? Zijn zij bevoegd om besluiten te nemen over het grondgebied van een ander land? Waarin verschilt het creëren en garanderen van een ‘veilige zone’ op het grondgebied van een ander land, van een bezetting? Met een beetje creativiteit kan Poetin de bezetting van de Krim dan ook wel verkopen als het ‘creëren van een veilige zone’. En wie belet Assad, als hij daartoe in staat zou zijn, om een veilige zone voor Koerden in Turkije te creëren. Of Mexico om een ‘veilige zone’ voor migranten in de Verenigde Staten te creëren? Zijn landsgrenzen en soevereiniteit alleen heilig als het in ons voordeel is? 

Vervolgens het gemak waarmee ervan wordt uitgegaan dat we dat gebied vervolgens vol kunnen plempen met vluchtelingen. Hoe zit het met de bewoners van die zone? In die dertig kilometer wonen vooral Koerden en laat dat, volgens Erdogan, nu net terroristen zijn die moeten worden bestreden. Hoe goed zou die Turkse ‘veiligheidsgarantie’ voor hen uitpakken? Nee we ‘garanderen’ dat de vluchtelingen niets overkomt. Als Koerd die in die zone woont, zou ik er niet gerust op zijn als Erdogan met zijn leger mijn veiligheid kwam garanderen. Sterker nog, menig Turk voelt zich niet veilig in het Turkije van Erdogan.

Moeten die bewoners van dat gebied het maar gewoon slikken dat anderen vinden dat er meer dan vier miljoen mensen in hun leefgebied worden gevestigd? Een gebied dat door het oorlogsgeweld danig is verwoest en waar zij moeten sappelen om rond te komen.

Is ook aan Assad gevraagd of hij die ‘zone’ zal respecteren? Hoe moet ik me het samenspel voorstellen tussen de Syrische politie, het Syrische leger en die ‘garanderende troepen’? Of mogen er geen Syrische troepen in dat gebied komen? Is dat dan niet niet gewoon sprake van annexatie? Van hedendaags imperialisme? 

Ik vraag me af of we blij moeten zijn met zo’n oplossing. Een oplossing die naar alle waarschijnlijkheid weer nieuwe ellende oproept.

Stilstand is voorachteruitgang

Vooruitgang. “Het steeds beter worden van de toestand,” volgens Van Dale. Eeuwenlang speelde vooruitgang geen rol in het leven van mensen. Sterker nog, men dacht dat de zaak er alleen maar slechter op werd.

Voor de Griekse filosoof Plato die leefde in de vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling was verandering slecht en rust goddelijk. Hij stond hierin niet alleen en borduurde voort op zijn vier eeuwen oudere voorganger Hesiodus. In zijn boek Werken en Dagen beschreef hij de geschiedenis van de mensheid in vijf geslachten. Als eerste het Gouden geslacht. Die leefden in luxe zonder al te veel te hoeven werken en waren geliefd bij de Olympische goden. Als laatste het IJzeren geslacht dat hard moest werken en verdriet kende. Ook de bijbel gaat uit van achteruitgang. Adam en Eva woonden immers in het paradijs alwaar het hen aan niets ontbrak. Dat viel allemaal weg na het eten van een appel. Vanaf dat moment moest de mens werken voor zijn levensonderhoud. Dan was je er als Boeddhist iets beter aan toe. Die gelooft in een oneindige keten van schepping en vernietiging waarbij alles zich naar verloop van tijd herhaalt. Een denken dat ook aan de film The Lion King ten grondslag ligt: ‘The cirkel of life’. Pas vanaf de zestiende eeuw, het begin van de moderne tijd, begonnen mensen te denken in termen van vooruitgang. Niet alle mensen, het denken in vooruitgang was typisch iets West Europees en met name voor de meer geletterden en die ook weer niet allemaal.

Stilstand was eeuwenlang vooruitgang. Tenminste als je het voorkomen van achteruitgang, vooruitgang noemt. Voor de conservatieve stromingen in de politiek geldt dat nog steeds. Baudet wil het liefst terug naar de negentiende eeuw, Wilders lijkt de jaren vijftig te idealiseren. Al weet ik niet of hun beeld van het leven in die tijd overeenkomt met het werkelijke leven in die tijd. Nadeel van vooruitgang is immers dat het heden steeds minder op het verleden lijkt.

In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid redeneert  de historicus Yuval Noah Harari ook op z’n Plato’s om het zo te zeggen. Hij beschrijft de uitvinding van de landbouw ook in termen van achteruitgang. Hij noemt het: “De grootste zwendel van de geschiedenis.” Een zwendel omdat de mens, volgens Harari, als landbouwer veel harder moest werken, voor een veel minder gevarieerd voedselpatroon en met grotere risico’s op hongersnood.

Voor mezelf sprekend, ik zou niet willen ruilen met die jager-verzamelaar. Je hele leven rondtrekken. Wonen in hutjes en grotten. Niets voor mij, ik hou niet van kamperen. Geef mij maar de geneugten van de vooruitgang. Een huis, gezondheidszorg, technisch hulpmiddelen, een auto waarmee ik grotere afstanden kan overbruggen, alle kennis over het ontstaan van het leven. We weten nu veel meer. Maar toch. Zou ik bepakt met al die kennis overleven in de prehistorie? Ik denk dat de overlevingskansen van de prehistorische jager-verzamelaar in het heden, groter zijn.

Terrorist en terreur

Terrorisme is een bijzonder onderwerp. Hele volksstammen zijn bang voor een ‘aanslag’ terwijl je meer kans loopt om door een auto omver gereden te worden. Of, bij wijze van spreken want dat is bij mijn weten niet onderzocht, te overlijden door een val van een keukentrap.

Ik heb de afgelopen tijd verschillende Prikkers aan dit onderwerp gewijd. De serie Wat was en IS in vier delen alwaar ik de wereld schetste waarin IS kon opkomen en Terrorisme waarin ik de bijzondere gedaantewisseling van de overheid van dader naar slachtoffer beschreef. Vandaag weer een want je leest soms bijzondere dingen zoals een stukje van Wout Willemsen bij De Dagelijkse Standaard.

Bron: Wikipedia

Willemsen beschrijft het door GeenStijl gelichte ‘doopceel’ van journaliste Ans Boersma die kortgeleden uit Turkije is gezet. Hij verbaast zich over het journalistenwereldje dat Boersma in bescherming lijkt te nemen. In het artikel de volgende passage: “Niet alleen geeft ze op haar blog toe dat ze, vlak voor de aanslagen op Charlie Hebdo, verliefd is geworden op een Arabier en een Syriër uit Saudie-Arabië als lifter meenam, ze schrijft ook nog eens: ‘Dat het lijntje tussen vrijheidsstrijder en terrorist zo dun is, fascineert mij. ‘t Zijn beide mensen namelijk, maar in plaats van dat onder ogen te zien, distantiëren we ons met krachttermen.’”

Over het suggestieve deel, dat het toegeven van verliefd zijn op iemand en het meenemen van een Syriër voor de aanslag op Charlie Hebdo niet hetzelfde is als instemmen met gruweldaden, wil ik het niet hebben. Het gaat mij om de verontwaardiging van Willemsen over Boersma’s uitspraak dat het lijntje tussen vrijheidsstrijder en terrorist dun is. Boersma heeft immers een punt.

Of iets als terrorisme wordt gezien, hangt af van het standpunt dat je inneemt. Neem de Vietcong. Die verzetten zich tegen het door de Verenigde Staten gesteunde dictatoriale bewind van Zuid-Vietnam. In de ogen van dat bewind én de Verenigde Staten, waren het terroristen. De Noord-Vietnamezen en vele anderen, dachten daar anders over. Saddam Hoessein kon de verzet plegende Koerden met recht en rede terrorist noemen, velen in de wereld dachten er anders over. Dat zou Assad nu trouwens ook kunnen doen. 

Zou het niet verstandig zijn om het woord terrorist en terroristische organisatie niet meer te gebruiken? Laten we de mens van de daad scheiden. Daden van terreur kunnen worden begaan door mensen in de hoedanigheid van vrijheidsstrijders, fanatieke aanhangers van een geloof of ideologie, maar ook door, al dan niet gesanctioneerd, door legers, politie-agenten en andere vertegenwoordigers van de overheid. Het zijn en blijven mensen die daden van terreur begaan. De terreurdaad maakt van hen niet ineens een aparte ‘soort’. 

Wie betaalt de rekening?

Op weg van werk naar huis zat ik wat langer in de auto dan normaal. De sneeuwvlokken maakten dat het allemaal wat minder snel ging. In mijn autootje zat ik te luisteren naar een reportage over terugkeer van Syrische vluchtelingen. Aanleiding voor de reportage waren uitspraken van de Libanese president Aoun. Aoun vond de situatie in Syrië veilig genoeg voor de terugkeer van de vluchtelingen. In de reportage werd in twijfel getrokken of het land werkelijk veilig is. Om de eventuele veiligheid van Syrië gaat het mij niet. Het gaat mij om een uitspraak van de migratie- en vluchtelingenwoordvoerder van de VVD, Malik Azmani. Volgens Azmani is het een plicht van vluchtelingen om terug te keren en hun land weer op te bouwen. 

Bron: Wikipedia

Nu is Azmani niet de enige politicus die beweert dat vluchtelingen na een oorlog weer terug moeten om ‘hun land’ op te bouwen. Er zullen vast ook vluchtelingen zijn die graag weer teruggaan en weer aan een nieuwe toekomst in hun moederland gaan bouwen. Of dat een plicht is, waag ik toch zeer te betwijfelen. Een land waar jouw veiligheid en die van je bezittingen niet kon en nog steeds niet kan worden gegarandeerd. Een land waar een deel van de bevolking in opstand kwam tegen de heerser. Een opstand die uitmondde in een burgeroorlog. Een burgeroorlog waarbij alle westerse regeringen de kant van de opstandelingen kozen, dus tegen die heerser, maar geen enkele regering de daad werkelijk bij het woord durfde te voegen. Een keuze die mede heeft geleid tot de vluchtelingenstroom.

Een land waar door de chaos die daardoor ontstond de barbaren van IS konden huishouden. Want zoals al eerder geschreven, leven groepen als IS van chaos en geweld. Die barbaren moesten natuurlijk wel worden bestreden. Daarbij koos iedere ‘macht’ zijn eigen partner. Hierdoor vielen door de regering, rebellen, Amerikaanse, Russische, Iraanse, Israëlische, Nederlandse en vast ook nog van andere landen geworpen bommen op je dak. Een land waar wereld- en regionale machten hun wedstrijdje ver plassen houden en hielden. Het Israëlische bombardement op Iraniërs in dat land is slechts een laatste voorbeeld hiervan. Een voorbeeld uit een rij waarin ook de Turkse operatie ‘Olijftak’ een prominente plek inneemt. Een land waar jij toevallig geboren bent en waar door al die partijen voor miljarden aan kogels en bommen is verschoten, daarvan heb jij de plicht om het weer te gaan opbouwen?

Het is nogal wat om als Nederlandse politicus tegen een Syriër die huis en haard moest verlaten en tegen betaling van veel geld en via al die ‘humane’ kampen in Turkije en Griekenland naar hier is gekomen, te zeggen: ga maar weer terug, wij gooien geen bommen meer dus is het veilig. Als Syrische vluchteling zou ik dan aan Azmani com suis vragen: “kan ik dan op eenzelfde bedrag voor die wederopbouw rekenen als jullie hebben besteed aan het vernietigen van mijn vaderland?”

Westerbork en de vluchteling

  “SCHANDALIG.” Dit woord twitterde Forum voor Democratie opperhoofd Baudet, zo lees ik bij Elsevier. Wat is er zo schandalig? Wel dat kamp Westerbork van 15 op 16 juni de start van de Nacht van de Vluchteling plaatsvindt. Ook Eddo Verdoner, de voorzitter van het Centraal Joods Overleg vindt dat geen goed idee: “Vooropgesteld, ik heb sympathie voor de Stichting Nacht van de Vluchteling, maar de nagedachtenis aan de Holocaust hoort niet te worden ingezet voor andere zaken.” een sponsor vindt hij ongepast omdat: ‘In de jaren veertig zijn Joden vergast, vermoord, terwijl veel vluchtelingen juist met open armen worden binnengehaald.” Elsevier wil graag weten wat wij ervan vinden. Bij deze.

Bron: Flickr

In het artikel komt ook Dirk Mulder aan het woord, de directeur van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Mulder haalt aan dat het kamp in 1939 is geopend als opvangplek voor joodse vluchtelingen die het Deutsches Reich van Hitler ontvluchtten. Sterker nog, de bouw is betaald door joodse Nederlanders. De eerste bewoners waren dus vluchtelingen uit Duitsland en dit jaar is het zeventig jaar geleden. Maakt dat alleen al het gebruiken van het kamp om aandacht te besteden aan vluchtelingen niet een zeer goede te verdedigen keus?

Als we vervolgens de naoorlogse periode bezien dan werd het kamp direct na de oorlog gebruikt om collaborateurs met de Duitse bezetters in op te sluiten. Toen dat besluit werd genomen, zaten de joodse gevangen nog in het kamp. Daarna werd het een kamp voor militairen op doorgang naar en terugkomend uit de koloniale oorlog in Nederlands Indië. Een oorlog die in Nederland eufemistisch met ‘politionele acties’ werd aangeduid. In 1950, werd het kamp gebruikt als repatriëringkamp voor Indische Nederlanders en werd het omgedoopt tot woonoord Schattenberg. Een jaar later moesten die Indische Nederlanders gedwongen het kamp alweer verlaten voor een nieuwe groep bewoners, de Molukkers die in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) hadden gediend. Tijdelijk, zo was de idee van Nederland en de Molukkers, want ze zouden teruggaan naar een vrije Molukse staat. Alleen kwam die er niet en tot begin jaren zeventig hebben er Molukkers in het kamp gewoond. 

Maakt deze hele geschiedenis van het kamp niet het juist de uitgelezen plek om aandacht te besteden aan vluchtelingen? Op de collaborateurs en de militairen na, heeft het kamp de gehele naoorlogse periode tot de sloop gediend als kamp voor vluchtelingen. Maakt zelfs de functie als concentratie en doorgangskamp in de Tweede Wereldoorlog het niet juist de geschikte plek om de Nacht van de Vluchteling te houden? Beste meneer Baudet en andere. Laat die periode immers niet zien welke SCHANDALIGE zaken er kunnen gebeuren als je niet kunt vluchten? Als grenzen ondoordringbaar worden? Als vluchtelingen niet meer welkom worden geheten? 

Homo economicus en belastingen (deel 3)

Met een artikel waarin Johannes Vervloed pleit voor lagere belastingen als aanleiding, schreef ik twee artikelen met als titel de Homo economicus en belastingen. Het laatste artikel eindigde ik met de aankondiging dat in een volgende deel ik op zoek zou gaan naar alternatieven voor de markt.

De economie staat centraal in onze huidige samenleving. Naar mijn mening te centraal. Natuurlijk is de economie belangrijk voor de samenleving maar ze zou meer moeten zijn dan alleen de economie waartoe ze tegenwoordig beperkt lijkt te zijn. Onze samenleving is doordrenkt van de neoliberale kijk op de economie. Dat is niet altijd zo geweest en is ook niet hetzelfde in ieder land of samenleving. 

Foto: Pixabay

Onze verre voorvaderen, de jagers en verzamelaars wisten niets van een vrije markt. Ze leefden in kleine zelfvoorzienende groepen. Groepen die de buit samen verdeelden en soms, als ze een andere groep tegenkwamen, misschien iets ruilde. Toen onze voorouders zich bedreven in de landbouw, bleven ze met name voor eigen gebruik produceren en ruilden ze spullen met anderen. In hun leven speelde de markt hooguit een heel kleine bescheiden rol.

In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi een onderzoek onder traditionele samenlevingen. Uit dit onderzoek blijkt dat voor het overleven van een samenleving het onderhouden van sociale banden cruciaal is. “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the individual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best .” Volgens Polanyi (pagina 48-49) zijn de wederkerigheid en herverdeling cruciaal voor het voortbestaan van een traditionele samenleving en zijn deze principes niet primair verbonden met de economie. Deze zorgen voor tevredenheid in het dorp of binnen de stam. Wederkerigheid werkt in traditionele samenlevingen volgens Polanyi vooral: “… in regards to the sexsual organisation of society, that is family and kinship”. Herverdeling: “… is maily effective in respect to all those who are under a common chief and is, therefore, of a territorial character.” Wederkerigheid, herverdeling zijn volgens Polanyi, en daarin volg ik hem, nodig om een goed functionerende samenleving te hebben en de markt is niet bij voorbaat het meest passende instrument om hierin te voorzien. Pas via de ruil was de gemeenschap of stam verbonden met andere gemeenschappen. Dit is de manier waarop wij mensen eeuwenlang succesvol hebben ge- en overleefd. Niet door ons eigenbelang na te jagen en er het maximale voor onszelf uit te halen, maar door te geven en daardoor ook te krijgen van elkaar. Dit zowel binnen het huishouden, als binnen de stam, dorp of gemeenschap. Met het groter worden van de sociale verbanden en het toenemen van contacten tussen de sociale verbanden, is ruil steeds belangrijker geworden. En bij ruil neemt de markt een steeds belangrijkere rol in. 

Pas aan het einde van de Achttiende eeuw kreeg de markt een steeds grotere rol. Pas toen de gemene gronden, de gronden voor gemeenschappelijk gebruik. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruikmaken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot. 

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren. De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele Enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten deze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets. 

Foto: Geograph

Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang, zoals de populaire theorie van Gareth Hardin. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. De kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven (pagina 37): “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Achterhuis en Koning borduren in hun boek De kunst van het vreedzaam vechten voort op het werk van Polyani. In hoofdstuk zestien van dit boek, getiteld De vrede van de markt beschrijven zij zes vormen van toe-eigening, zoals zij het noemen. Zes manier waarop iemand iets kan verwerven en dat zijn (pagina 406-412):

1. De individuele productie. Dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt. Aangezien de mens van nature een ‘groepsdier’ is, is deze vorm van verwerven niet zo belangrijk als we zouden denken.

2. Toedeling. Met het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakte een aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. Dat is toedeling geworden een vorm waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.

4. Schenking. Met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. De relatie wordt verzwaard.

5. Handel. Kenmerk van ruil is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie. Handel vindt plaats op de markt. 

6. Roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen.

Een bijzondere manier van verwerven. Robin Hood die steelt van de rijken en geeft aan de armen. Bron: Geograph

De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van toe-eigening. Dit heeft gevolgen voor alle vormen van toe-eigening (Achterhuis en Koning pagina 414-415): “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen,” en dat verandert de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften, bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. 

Zes manieren om iets te verwerven waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele ontplooiing is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. In de kleine groepen waarin onze verre voorouders leefden, was er een direct band tussen de gever en ontvanger. De leider van groep deelde toe. Schenker en ontvanger kenden elkaar en het geschenk had als doel om een band te creëren. Een dergelijke persoonlijke band is in onze huidige samenleving niet meer mogelijk. De zeventienmiljoen Nederlanders kennen elkaar niet persoonlijk en de rol van het stamhoofd is door de overheid overgenomen. Belasting kun je zien als een manier om enkele van die oudere vormen van verwerving, denk aan schenking en toedeling, vorm te geven.

Achterhuis en Koning zien de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Op de markt wordt meer geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt. De andere sferen hebben ook wat van de markt overgenomen. De andere sferen zijn, in hun woorden, horizontaler geworden (meer gelijkheid en vrijheid). In mijn ogen is er meer dat de andere sferen en dan vooral de schenking en toedeling (of in de termen van Polanyi de wederkerigheid en herverdeling) van de markt hebben overgenomen. Als we ons sociaal stelsel zien als een vorm van wederkerigheid en herverdeling dan zien we dat hiervoor steeds vaker een tegenprestatie wordt gevraagd, voor wat hoort wat en dat is een kenmerk van ruil en dus de markt. 

De markt vormt volgens Achterhuis en Koning (pagina 413): “… de laatste dam tegen roof, het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld.” De vormen van verwerving vermengen zich en in de eerste vier heeft marktdenken een belangrijke plek verworven. Als we kijken naar de manier waarop een groot deel van de machtige bedrijven opereren, wordt handel, de markt, dan niet steeds meer overgenomen door roof? Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. Dit zijn geen activiteiten uit alleen het verleden. Behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen tot roof? Of zoals de auteur het beschrijven: “In moderne samenlevingen zijn verfijndere vormen van roof ontwikkeld, die dan worden toegepast in relatie tot mensen die er niet toe doen, mensen die als dom, lui of kortzichtig worden beschouwd door de ‘slimmeriken die hen oplichten.” Hoewel Achterhuis en Koning hier niet over reppen, kan ook milieuvervuiling van welke soort worden gezien als een vorm van roof. Hiermee wordt immers iets afgenomen van onze kinderen en kleinkinderen. Wat te denken van allerlei constructies om geen belastingen te geven te betalen? Is dat niet ook verwerven ten kosten van anderen?

Smokkelen

Militaire dienstplicht. De jeugd van tegenwoordig weet niet meer wat het is. Nu hebben we een kabinet dat een soort sociale dienstplicht wil invoeren. Die was er vroeger niet. Of eigenlijk toch wel. Als weigeraar van de normale dienstplicht, kon je vervangende dienstplicht doen en die kon je doen op terreinen waarvoor het kabinet nu de maatschappelijke dienstplicht wil invoeren. Toch bestaat de dienstplicht nog steeds, de opkomstplicht niet meer. Jeugdigen worden niet meer opgeroepen om ‘het land te komen dienen’ en te ‘genieten’ van rats, kuch en bonen. 

Bron: Flickr

Toen ‘we’ nog wel op moesten komen, waren er gelukkigen die in Duitsland werden gestationeerd. In Seedorf of Hohne want het Nederlandse leger had de NAVO taak om dat deel van het Duitse laagland te verdedigen bij een aanval door de Sovjet Unie. Die legering op een NAVO basis had als voordeel dat drank en sigaretten er erg goedkoop waren. Alleen één probleem, meenemen naar Nederland was strafbaar en omdat de grenzen nog werden gecontroleerd was er een reële pakkans. Zeker omdat de douane wist wanneer de soldaten met verlof kwamen. Daarmee kom ik op het onderwerp van deze Prikker: smokkelen.

In iedere grensstreek is smokkelen een lucratieve maar illegale activiteit. Neem de botersmokkel na de Tweede Wereldoorlog. In het naoorlogse Duitsland waren diverse producten waaronder boter veel duurder dan in Nederland. Bij reguliere invoer verdwijnt het prijsverschil want de importeur moet het verschil als belasting betalen. Dus is smokkelen lucratief voor hele en halve criminelen en gelukszoekers. Dat prijsverschil was er ook met de Belgen dus ook aan die grens werd flink gesmokkeld. Op één moment in de geschiedenis werd het de smokkelaars wel heel makkelijk gemaakt, op 31 juli 1963 om precies te zijn. Waarom?

Direct na afloop van de Tweede wereldoorlog wilde de Nederlandse regering een flinke schadevergoeding van Duitsland. Niet in geld, maar in grondgebied. Diverse ideeën en plannen deden hiervoor de ronde. Het meest megalomane idee van onze voorvaderen, het Bakker Schut-plan behelsde het uitbreiden van Nederland vanaf de huidige grens tot aan de Rijn en een strook van ongeveer gelijke breedte boven de Rijn. Liefst wel zonder de bewoners. Gelukkig waren de toenmalige ‘Powers that Be’ daar bijna ongevoelig voor. Bijna, want Nederland werd toch een klein beetje uitgebreid, namelijk met Elten aan de Rijn, de Selfkant met als belangrijkste dorp Tüddern bij Sittard en nog wat weggetjes en stukjes land links en recht. De inwoners van de dorpen wilden Duits bijven, maar werden even Nederlands. Even namelijk van 1949 tot en met … 31 juli 1963. Toen gaf Nederland het weer terug, behalve de N 274 van Roermond naar Brunssum door de Selfkant, die werd pas in 2002 weer Duits en is nu bekend als de L 410.

En op die dag 31 juli 1963, was smokkel ineens heel makkelijk. Daar waar je normaal heimelijk de grens moet oversteken met je product, stak in de nacht van 31 juli op 1 augustus de grens over je product. Slimme smokkelaars en handelaren plaatsen op die dag vrachtwagens vol producten in Elten. Geheel legaal gevuld met goedkope Nederlandse waar. Des morgens den eersten augustus des jaren negentienhonderddrieënzestig  werden zij wakker in Duitsland en konden hun producten voor de dure Duitse prijzen verkopen. Het verschil vloeide in hun eigen zakken. Volgens schattingen werd er in die ene nacht in Elten zo’n 50 tot 60 miljoen gulden verdiend. Deze gebeurtenis staat bekend als de Eltener Butternacht. Zo makkelijk als in die nacht is het zelden voor smokkelaars. Immers, als het makkelijk is dan zijn de winstmarges meestal klein, dan smokkelt iedereen en is de ‘zwarte markt’ verzadigd met het product. Tot zover een stukje smokkel geschiedenis uit ‘Andere tijden, terug naar de onze’. 

Bron: Wikipedia


Bij De Dagelijkse Standaard een berichtje over de Sea Watch 3. Het schip dat drenkelingen oppikte. Mensen die een mislukte poging ondernamen om met een bootje de Middellandse zee over te steken. Het waren er in de veertig en met die drenkelingen aan boord voer het schip een paar weken lang over de zee omdat het nergens mocht aanmeren om de drenkelingen aan land te brengen. Nederland nam er na een paar weken ook een paar op. Een groots staaltje Europese kleinheid, maar daar gaat het mij nu even niet om.

Voor PVV-kamerlid Fritsma ging zelfs dit grootse staaltje kleinheid te ver. Aanzuigende werking! “Het schip Sea-Watch 3 is nu alweer onderweg naar Noord-Afrika,” aldus dappere dodo Fritsma. VVD-kamerlid en ‘uitvinder van opvang in de regio’ Azmani, schijnt Fritsma nog te hebben willen overtroeven: “De ‘NGO-bootjes ondermijnen de afspraken met onze partners…. reddingsacties van migranten’ moeten eindigen waar ze beginnen: ‘In Noord-Afrika.” Een mensenleven lijkt voor de beide heren minder waarde te hebben dan een pakje boter. De boten die drenkelingen redden worden zo ongeveer beschuldigd van mensensmokkel. Door sommigen zelfs helemaal.

Zouden de beide heren weten dat bij smokkel het prijsverschil tussen de landen en de moeilijkheidsgraad om de grens over te steken, bepalen hoe lucratief smokkel is? Voor vele wereldbewoners is er een enorm prijsverschil tussen hun geboorteplek en Europa. Om het cru te zeggen, je kunt beter tot de armen behoren in West Europa dan tot het rijkere deel in je geboorteland. Om van de armen daar maar te zwijgen. En omdat de kans op sociale stijging in eigen land erg lastig is, is naar Europa trekken aantrekkelijk. Als Europa zou beschikken over ademende grenzen. Grenzen die je makkelijk kunt oversteken, dan zouden zij, net als veel Polen en andere Oost-Europeanen, hier een tijdje komen werken in bijvoorbeeld de tuinbouw en dan met het verdiende geld teruggaan naar hun geboorteland. Dat zouden ze een paar keer doen en dan hebben ze in hun eigen land een fortuin waarmee ze daar een goed leven voor zichzelf en hun kinderen kunnen opbouwen. Door het Europese beleid om de grenzen hermetisch af te sluiten, is teruggaan als je eenmaal binnen bent geen optie. Een tweede keer weer binnen komen kost immers een fortuin. Want: moeilijke grens, groot prijsverschil en dus veel winst voor de smokkelaars. En die winst wordt door de vluchteling betaald. Eenmaal binnen, blijf je binnen. Desnoods in de illegaliteit. 

Van arm in eigen land naar arm in Europa, dat is, zoals gezegd, een vooruitgang. De echte winst, via die weg rijk worden in eigen land, is afgesloten. Dat is jammer want die optie kon uiteindelijk nog wel eens veel interessanter zijn. Interessanter voor de migrant want je blijft je in Europa een ‘mislukkeling onder de mislukkelingen’ voelen en dat voelt niet zo lekker. Dit terwijl je bij terugkeer naar eigen land daar succesvol bent.

Rijk zijn in eigen land en dus ademende grenzen, zou ook voor Europa wel eens interessanter kunnen zijn. Door terug te gaan investeert de migrant in eigen land. Daar profiteert hij zelf van maar ook zijn omgeving. Als de migrant daar een huis bouwt, moeten daar stenen en bouwvakkers worden betaald. Vanuit Europa geredeneerd is het een zeer interessante vorm van ontwikkelingshulp. Deze hulp komt immers bij de mensen zelf terecht. Er blijft niets aan de organisatorische en personele strijkstok hangen van ontwikkelingsorganisaties. Er is geen plicht om het ontwikkelingsgeld aan Nederlandse bedrijven te besteden. Ook veel beter dan microkrediet. Microkrediet wordt ook gegeven aan een persoon en die besteedt het aan de eigen plannen in de eigen omgeving. Het blijft echter een krediet dat met rente moet worden terugbetaald waardoor geld terugvloeit. Weg van plekken die het eigenlijk net nodig hebben. De migrant die terugkeert besteedt iedere euro in het land van herkomst en zorgt daar voor maximale spin off. 

‘Ja, maar wie garandeert dat die migranten ook werkelijk teruggaan.’ Die garantie is er inderdaad niet. Wat we daar tegenover kunnen stellen zijn eeuwen aan ervaringen met deze vorm van migratie. Neem de seizoenswerkers uit bijvoorbeeld Zweden en de Duitse landen in de Gouden Eeuw. De Zweden bevolkten vooral de Hollandse schepen. Duitsers waren ook actief als trekarbeiders voor de landbouw. Ze kwamen in het voorjaar en in de herfst gingen ze weer. In de tussentijd zaaiden en maaiden ze en deden ook alle werk tussen zaaien en maaien. Met het verdiende geld konden ze in de armere streken waar ze vandaan kwamen hun gezin voeden en de winter overleven. De meeste van hen kwamen en gingen. Enkelen bleven hangen. Of de al eerder genoemde Polen en andere Oost-Europeanen die hier een tijdje komen werken om flink te verdienen en vervolgens in eigen land de draad weer oppakken met het hier verdiende geld als katalysator of buffer. Ook zij komen en gaan en een klein deel blijft hier. Of neem onze eigen ‘expats’, want die noemen we natuurlijk geen migrant, die een paar jaar in Californië, Londen of Shanghai gaan werken en vervolgens weer naar Nederland komen om hun kinderen op te laten groeien.

Als je waar voor je geld wilt, en dat willen Nederlanders normaal gesproken, dan zorg je voor poreuze grenzen. Die bieden het meeste rendement op je geïnvesteerde euro tegen de minste kosten. Immers het bewaken van poreuze grenzen is goedkoper dan gesloten grenzen. Het meeste rendement hier omdat werk wordt gedaan waarvoor geen Nederlander zich laat porren. Bovendien kunnen we de ontwikkelingshulp herzien. En het meeste rendement daar omdat iedere euro die de migrant mee terug neemt ook werkelijk daar wordt besteed. 

Als ik smokkelaar was, dan zou ik trouwens Fritsma en Azmani steunen, want zij zijn goed voor de beurs van de smokkelaar.

Homo economicus en belastingen (deel 2)

In deel 1 van Homo economicus en belastingen besprak ik het pleidooi van Johannes Vervloed op de site Opiniez om de belastingen te verlagen. In dit deel ga ik verder in op het neoliberale denken waarop deze theorie is gestoeld. In dit deel staat de homo economicus centraal.

De homo economicus

Een belastingtheorie die alleen wordt gebruikt om belastingverlagingen te bepleiten roept de vraag op of die theorie niet een doelredenering is. Een bedacht argument met een wetenschappelijk sausje om je doel, het verlagen van de belastingen, aantrekkelijker te maken. En, een stapje verder. Een doelredenering om te werken aan je ideale samenleving van vrije individuen die zelf op de vrije markt bepalen wat ze willen. Een samenleving met een zeer beperkte overheid. Een soort van pseudo-wetenschap. Laten we de denkwereld achter deze theorie eens nader beschouwen. Daarbij is er geen betere plek dan de belangrijkste veronderstelling in dat denken, en iets waarvan ik heb beloofd erop terug te komen, de mens als homo economicus.

Eigen foto

Een model of theorie is een schematische weergave van de werkelijkheid, een nabootsing op kleine schaal. Modellen zijn volgens Tomás Sedláček in zijn boek De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, en ik onderschrijf dit van harte (pagina 213): “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.” Een weergave of nabootsing die niet overeenkomt met de werkelijkheid. 

Zonder een model kunnen wij als mens de werkelijkheid niet bevatten. De wereld is te complex om te bevatten zonder hulpschema’s dat geldt voor de natuur en de natuurkunde, dat geldt voor onze leefomgeving en dat geldt ook voor onze samenleving en de economie als onderdeel hiervan. Nu zijn er twee manieren om modellen te hanteren, manieren die weer samenhangen met de manier waarop de ontwerper in het leven staat. Een empirist kijkt naar wat hij ziet en probeert de werkelijkheid vanuit de waarneming te beschrijven en maakt zo zijn model. Een rationalist ontwerpt een model en probeert de werkelijkheid daarin te stoppen. Deze manier van kijken maakt nogal een verschil in de sociale wetenschappen, zo beweert Sedláček. En economie is een sociale wetenschap (pagina 344): “Maar de economie in de praktijk wordt wel beïnvloed door de economische wetenschap. De economische theorie beïnvloedt bijvoorbeeld zowel de verwachtingen als het gedrag van mensen. Ook daarom is het relevant welke economische theorie wij kiezen.” De manier waarop wij naar de werkelijkheid kijken en het model of de theorie die wij hierbij gebruiken, beïnvloeden de werkelijkheid. Hierin verschillen sociale wetenschappen van de natuurwetenschappen. Ongeacht welke theorie of model we bedenken, de appel valt naar beneden en niet naar boven. De gekozen theorie heeft hierop geen invloed. In de interactie tussen mensen, heeft een theorie of een model wel invloed op de werkelijkheid.

Modellen doen er in de sociale wetenschappen dus toe. De homo-economicus is een model waarop het neoliberale denken zich baseert. Het neoliberalisme ziet de mens is een homo economicus die via rationele keuzes zijn eigen belang najaagt. Dit doet die mens via de vrije markt waar hij handelt met ander mensen die ook rationeel hun eigen belang najagen. En als we dat maar vrij laten dan wordt in alle wensen voorzien, krijgt ieder zijn deel en hebben we de perfecte samenleving. Dit moet zonder overheidsbemoeienis. 

Kijken we naar de gangbare neoliberale economische modellen dan zien we het rationele terug in de taal waarin deze modellen zijn geschreven, die taal is de wiskunde en die taal besteedt geen aandacht aan psychologische en sociale aspecten. De opmars van de wiskunde in de economie begon met de Engelse klassieke econoom Alfred Marshall. Marshall was de meest invloedrijke econoom aan het einde van de negentiende eeuw. Voor Marshall was economie, in tegenstelling tot de neoliberalen, veel meer dan wiskunde. Voor Marshall was economie een klein maar wel belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen. Van een klein maar belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen, heeft de economische wetenschap zich onder de neoliberale vlag ontwikkeld tot dé sociale wetenschap.

Door gebruik van wiskunde hebben de economische wetenschappen zich een aura aangemeten van een exacte, betrouwbare wetenschap en is wiskunde de dominante taal. Zo moeten verkiezingsprogramma’s door het Centraal Plan Bureau, de grote economische rekenmeesters van ons land, worden doorgerekend zodat we precies weten hoeveel tiende van procent groei een programma extra oplevert of kost en daar gaat de discussie in de campagne vervolgens over. Iets als een ‘Centraal Filosofen Bureau’ om verkiezingsprogramma’s en andere plannen op hun consistentie in denkwijze en maatschappelijke gevolgen te doordenken bestaat niet. Dat geeft aan hoe belangrijk cijfers en wiskunde in de economische wetenschappen en de samenleving gevonden worden. 

Wiskunde is een taal die heel goed past bij het neoliberale denkmodel. Een model dat uitgaat van mensen die rationeel handelend, hun eigen belang najagen, de mens als homo economicus. Dus voorspelbaar menselijk handelen op basis van argumenten omdat rationeel betekent dat mensen in gelijke omstandigheden dezelfde keuze zullen maken. Een mensbeeld dat het emotionele buiten beschouwing laat. Een dergelijke denkwijze past heel goed bij de wiskundige logica waar 1 plus 1 ook altijd 2 is. Wiskunde is rationeel en heeft een belangrijke eigenschap: het bestaat alleen in het denken van de mens. Sedláček vergelijkt de economische wetenschap met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt (pagina 346):“De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” De economische wetenschappen handelen anders. Daar”…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.” De wiskundige economische modellen kunnen het bestaan van de homo economicus niet aantonen, die veronderstelling kan niet worden weggenomen en daarmee staat het gehele model op drijfzand en is het maar zeer de vraag of wiskunde de juiste taal is voor een model.

Neoliberalen zijn, net als Marxisten, rationalisten. Zij proberen de werkelijkheid door die mal te persen en dat persen beïnvloedt datgene wat door de mal wordt geperst. ‘Voor een hamer ziet alles er als snel als een spijker uit’ is een bekende uitspraak. Als beleidsmakers en economen de mens steevast als een egoïstische homo-economicus benaderen en al het handelen van mensen door dat frame gaan beoordelen, dan zullen die mensen uiteindelijk ook dat gedrag gaan vertonen. En na meer dan 30 jaar als homo economicus te zijn behandeld, die alleen zijn eigen belang najaagt, zijn mensen ook veel meer op hun eigen welbevinden gefocust. Dit  heeft mede geleid tot onze huidige situatie. Als we dit, zoals ik het graag zie, anders willen dan biedt dit ook mogelijkheden om te veranderen. Benader mensen anders en ze zullen zich anders gaan gedragen. Dat geeft hoop maar vergt wel een lange adem.



Bron: Flickr

Terug naar Vervloed en vooral naar de theorie van aanbodeconoom Laffer. Die theorie gaat uit van de mens als homo economicus. Die theorie gaat ervan uit dat hogere belastingen de prikkel om te gaan werken verminderen. Hoe verklaar je met een dergelijke theorie dat mensen vrijwilligerswerk doen of mantelzorg verlenen aan een naaste? Ze krijgen er geen geld voor en toch verrichten ze die inspanning en volgens de theorie van de homo economicus zouden ze dan eigenlijk ook niets doen. Er is immers geen geldelijke prikkel. En waarom werkten Amerikanen en Nederlanders die in de tweede helft van de vorige eeuw meer dan 70% belasting moesten betalen, stug door? Volgens de theorie van Laffer zouden ze dan juist, minder moeten gaan werken.

In het volgende deel van Homo economicus en belastingen kijk ik naar alternatieven voor de markt.

Homo economicus en belastingen (deel 1)

‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’, het overbekende motto van de Nederlandse Belastingdienst. Zou het toeval zijn dat de dienst dit motto in 1994 introduceerde? Nee, toeval was het niet. Het was immers precies de periode dat er werd begonnen met de digitalisering van de belastingaangifte. Aangifte doen werd een stuk makkelijker omdat je je niet door die hele stapel papier hoefde te werken. Nee, geef antwoord op de vraag en je gaat automatisch naar de volgende relevante vraag. Alle irrelevante vragen die op de papieren versie tussen deze twee vragen stonden, hoefde je niet meer te lezen. Dat verklaart het tweede deel van het motto. Hoe zit het met het eerste deel?

Allegorie op de invoering van de tiende penning; de Nederlandse maagd geknield voor Alva temidden van verscheurde privileges. Bron: Picryl

Ik moest hieraan denken toen ik op de site Opiniez het pleidooi van Johannes Vervloed voor het overnemen van het economisch beleid van president Trump las. “Aan de vooravond van de verkiezing van Trump kampte de VS met een situatie, die vergelijkbaar is met Nederland nu. Een scheve verdeling van de welvaart, een groot en steeds groter wordend verschil tussen rijk en arm, een tweedeling van de samenleving. De VS kent na twee jaar Trumponomics weer een sterke economische groei, honderduizenden nieuwe banen zijn gecreëerd en vele laagbetaalde werknemers komen uit de armoedeval.” Hoe heeft Trump dat volgens Vervloed gedaan? “Door de belastingverlagingen van Trump zijn de kosten voor de werkgever gedaald en is de koopkracht van de werknemer toegenomen. Dit dubbele effect zwengelt de Amerikaanse economie aan en haalt de laagbetaalde werknemer uit de armoedeval.”  

Als we de geschiedenis erop naslaan, dan zien we dat ‘belastingen’ vaak een rol speelden in conflicten tussen soeverein en onderdanen. Neem de ‘Tiende penning van Alva’, de poging van Phillips II om de belastinginning te centraliseren. Een poging om een zestiende-eeuwse belastingdienst op te zetten.  Die ‘tiende penning’ was eigenlijk een verzameling van verschillende belastingen bestaande uit 10% belasting op roerende goederen (een soort BTW) 5% omzetbelasting bij de verkoop van onroerend goed (een voorloper van de huidige overdrachtsbelasting) en 1% belasting op onroerend goed (een voorloper van de huidige onroerende zaakbelasting). Dit leidde tot groot protest, die belasting was te hoog, maar vooral stak het de Provinciën van de Lage Landen dat het geld werd gebruikt om hen te ‘onderdrukken’. Die ‘tiende penning’ was een van de belangrijke oorzaken voor de opstand van die Provinciën. Een opstand waaruit uiteindelijk de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën groeide. Zo kun je zeggen dat hoge belastingen tot opstanden leiden. Bijzonder is dan wel dat de ‘opstandelingen’ zelf ook belastingen hieven om de strijd mee te betalen. In het geval van Willem van Oranje een belasting van 15% op roerende goederen, een hoger percentage dan Phillips II wilde heffen.

Belastingen speelden ook een belangrijke rol in het ontstaan van de Verenigde Staten. Het Engelse moederland probeerde de handel van de kolonie te reguleren. Dat hield vooral in dat er werd gezocht naar mogelijkheden om de revenuen ervan zoveel mogelijk in Engeland terecht te laten komen. Barbara Tuchman beschrijft dit beeldig in haar boek De mars der dwaasheid. Bestuurlijk onvermogen van Troje tot Vietnam. Dat reguleren gebeurde vooral door het invoeren van allerlei belastingen. De dertien Koloniën verzetten zich hiertegen met als leus: ‘No taxation without representation.’ De huidige Tea Party in de VS dankt haar naam nog een een reactie op een van die belastingen, namelijk de belasting op thee. Met deze Tea Act wilden de Engelsen de smokkel van thee tegengaan en gelijkertijd een monopolie op de theehandel vestigen voor de Engelse East India Company. De kolonisten waren dol op thee. De wet leidde tot een reactie vanuit een deel van de kolonisten die zich de Sons of Liberty noemden. Op 16 december 1772 gingen zij aan boord van de eerste schepen met thee die aangemeerd lagen in de haven van Boston. De actie kreeg daarom de naam de Boston Tea Party.

Een schilderij van de Boston Tea Party waarop te zien is dat de thee in het water wordt gegooid. Bron: Wikimedia Commons

Twee voorbeelden van belastingen die een rol speelden in opstanden. Wat hierbij opvalt is dat de hoogte van de belasting een ondergeschikte rol lijkt te spelen en het meer lijkt de gaan om wat er met de geïnde belasting gebeurt en vooral wie daarover beschikt. De opstandige Provinciën van de Lage Landen betaalden immers grif de hogere belasting van Willem van Oranje omdat die hun belangen beter vertegenwoordigden. De opstandige koloniën waren ook niet tegen het betalen van belastingen. Zij wilden alleen mee bepalen waaraan die werd besteed. Twee voorbeelden die laten zien dat belasting betalen wel leuker kan worden gemaakt. Leuker als je mee mag besluiten wat er met het belastinggeld gebeurd. 

Als we naar het recente verleden kijken, dan valt op dat de belastingtarieven flink zijn gedaald. Neem de VS, in 1943 betaalde de Amerikaan over iedere dollar die hij boven de $ 200.000 verdiende 94% belasting. Dit waren natuurlijk buitengewone omstandigheden. Echter, tot de verkiezing van Reagan als president lag dit percentage steevast boven de 70%. Reagan verlaagde het naar 50% en nu ligt het op 40,8%. In Nederland zien we iets soortgelijks. Van het hoogtepunt van 72% is het vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw gedaald naar 51,95% nu. In die periode van daling, komt de Belastingdienst met het motto ‘leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.’ Precies de periode dat de neoliberale boodschap de boventoon is gaan voeren. Een boodschap die er in het kort op neer komt dat de vrije markt heilig is en dat de overheid zich daar niet mee moet bemoeien. Want dat bemoeien hindert vrije mensen en bedrijven in hun doen en laten. Daarom moet de overheid zo klein mogelijk zijn. Een neoliberale boodschap die belastingen hooguit als een noodzakelijk kwaad ziet, als iets niet leuks. De Amerikaanse president Trump denkt er ook zo over. Hij heeft de belastingen verder verlaagd en Vervloed wil dat Nederland dat ook gaat doen. 

Als het je opvatting is dat de overheid in de weg loopt en dat die zo klein mogelijk moet zijn, dan kan ik me voorstellen dat je voor belastingverlaging pleit. Van minder geld kun je immers minder overheid overeind houden. Toch ontkom je er dan niet aan om te bepalen wat die minimale omvang moet zijn. En bij die minimale omvang hoort een bepaald bedrag. Vervloed ziet dat anders en volgt hierbij de theorie van aanbodeconoom Arthur Laffer. Die theorie gaat niet uit van wat nodig is om die minimale overheid te kunnen betalen, maar dat we moeten bepalen wat de ‘optimale belastingdruk is. Vervloed: “Bij 100% belastingdruk is de motivatie om te werken nul.”  Dan werkt niemand en zijn er geen belastinginkomsten volgens deze theorie. De mens is immers een homo-economicus. Hier kom ik later nog op terug. Ook bij een belastingpercentage van 0% zijn er geen belastinginkomsten. Tussen de 0 en de 100, zit er ergens een percentage waarbij de belastingopbrengst maximaal is en mensen nog steeds maximaal willen werken. 

Volgens Vervloed is dat bij het huidige belastingpercentage niet het geval. De belastingen moeten dus omlaag. Dat betekent wel dat bij gelijkblijvende overheidsuitgaven, de staatsschuld toeneemt. Geen probleem, de tijd lost dat op volgens Vervloed: “In eerste instantie derft de overheid belastinginkomsten. De belastingverlaging kost geld en doet de staatsschuld toenemen. Door de met de belastingverlaging gecreëerde economische groei krijgt de overheid binnen enkele jaren meer belastinginkomsten en kan de staatsschuld daarmee weer worden afgebouwd.”

Laten we de redenering achter die theorie eens volgen. Het begint met het verlagen van de belastingen zonder dat er een verlaging van de overheidsuitgaven tegenover staat. Dat zorgt ervoor dat de belastingbetaler meer geld over heeft. Dat geld wordt vervolgens besteed aan spullen of vakanties. Omdat er meer spullen en diensten worden verkocht, groeit het nationaal inkomen. Aan de andere kant, moet de overheid lenen om het gat dat hierdoor in haar financieel huishouden ontstaat te dichten. Laten we aannemen dat het gat 1.000 is. De overheid moet dan 1.000 lenen om dat gat te dichten. Alleen ‘geld lenen kost geld’ ook voor de overheid. De kosten van de lening (de rente) moeten ook worden betaald. Stel die kosten bedragen 25. Dat betekent dat de overheid 1.025 moet lenen om dat gat te vullen. Als we uitgaan van een gemiddelde belastingdruk in de VS in 2017 van 27,1%, dan moet het nationaal inkomen met bijna 3.800 groeien wil de overheid het gat kunnen dichten. Nu in echt geld: iedere euro of dollar belastingverlichting moet leiden tot 3,7 euro of dollar aan economische groei. Die euro of dollar moet zich dus bijna verviervoudigen.

Alleen heb je als overheid geen garantie dat de belastingbetaler dat geld ook werkelijk uitgeeft. Als het op de bank wordt gezet, er wordt een lening bij de bank van afbetaald of er worden aandelen gekocht, dan heeft het helemaal geen effect. Trouwens, als je ervan op vakantie gaat, dan heeft het alleen effect als die vakantie in eigen land is. Ga je naar een buitenland, dan lekt dat voordeel weg naar je vakantieland. In een open handelseconomie als de Nederlandse is de kans dat een deel weglekt redelijk groot.

Bron: Wikimedia Commons

Een prachtige theorie en een mooi betoog. Alleen is dit al ruim drie decennia staand beleid. Ja, het leverde nieuwe banen op, maar dan wel banen met een minder salaris dan de banen die er verdwenen. Dit beleid heeft er in de Verenigde Staten voor gezorgd, dat Jo Sixpack nu minder te besteden heeft dan zijn grootvader begin jaren zeventig. Om een beetje te kunnen leven heeft Jo nu samen met zijn vrouw meerdere baantjes nodig terwijl zijn grootvader genoeg verdiende om met één baan zijn gezin te verzorgen. Ook heeft dat beleid ervoor gezorgd dat de Amerikaanse staatsschuld alleen maar is opgelopen. Dat de ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving flink is toegenomen. Dat de top 1% van de Amerikanen hun vermogen zag groeien. En zoals we zagen, heeft Nederland dit beleid ook in meer of mindere mate overgenomen en ook hier zien we dat Jan Modaal tegenwoordig minder luxe van zijn modale inkomen kan leven dan vroeger. Vroeger kon een postbode van zijn salaris een gezin onderhouden, tegenwoordig kan hij zichzelf niet eens onderhouden. We zien we de ongelijkheid toenemen en loopt ook de staatsschuld steeds verder op. Bijzonder aan deze theorie is trouwens dat ze nooit wordt gebruikt om belastingverhoging mee te onderbouwen. 

In de volgende Prikker ga ik verder en komt de homo economicus om de hoek kijken.