De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
“Provincies moeten taken van gemeenten kunnen overnemen en sterke gemeenten moeten taken van provincies kunnen overnemen.” Daar kwam een toespraak van minister Ollongren op neer, zo lees ik op binnenlandsbestuur.nl. Zo zou een provincie zorgtaken van gemeenten kunnen overnemen. Dat was tegen het zere been van de Vlissingse wethouder Albert Vader zo is in een ander artikel op binnenlandsbestuur.nl te lezen. Alles is immers pas opgeschud en naar de gemeente gekomen en dat heeft: “tijd, rust en ruimte nodig om tot zijn recht te komen.” Daar heeft de wethouder een punt. Al maar het bed op blijven schudden maakt het lastig om erin te slapen.
Toch maak ik me zorgen. Zorgen om de mechanische aanpak die ik bij veel gemeenten zie ook bij Vader. “Gemeenten krijgen steeds meer zicht en grip op de werkprocessen in de praktijk. Er worden lessen geleerd en verbeterslagen gemaakt om te komen tot een efficiënte aanpak.” Cruciaal bij de zorg voor en ondersteuning van mensen is de relatie met de mens achter de ‘hulpbehoevende’. Laat zo’n relatie zich vangen in een werkproces?
Vorig jaar bracht het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken een jaarboek uit met als titel De verhuizing van de verzorgingsstaat . Het boek is gebaseerd op onderzoek naar de manier waarop gemeenten sinds 2015 invulling geven aan zorg en ondersteuning. Nabijheid wordt zo ongeveer gezien als de oplossing voor alles of zoals de auteurs het schrijven: “nabijheid is in beleidsteksten een wondermiddel voor ongeveer alles wat het beleid in het sociale domein zich heden ten dage ten doel stelt.”
De onderzoekers constateren dat gemeenten ‘nabijheid’ centraal stellen en die nabijheid afzetten tegen de bureaucratische logica. Zij zien negen beloften van nabijheid. Allemaal beloften met haken en ogen. Als eerste de belofte dat nabijheid tot maatwerk leidt. De auteurs: “Maatwerk werd tot voor kort helemaal niet gekoppeld aan nabijheid; een voorwaarde voor maatwerk was discretionaire bevoegdheid.”
Als tweede: nabijheid leidt tot een betere aansluiting op de vraag. De auteurs hierover: “Voor een betere aansluiting op de vraag van burgers was evenmin nabijheid, en eerder kennis van gelijksoortige gevallen nodig. Die kennis werd verkregen via grootschalig onderzoek met abstrahering van individuele gevallen. Dat onderzoek leverde het bewijs voor de beste aansluiting van diensten op de vraag van burgers en maakte de dienstverlening evidence-based. Onderzoek vereiste objectiviteit, en dat vroeg om distantie. Nabijheid zou de blik maar beperken tot specifieke, moeilijk te generaliseren gevallen.”
Als derde leidt nabijheid tot vertrouwdheid en vertrouwen. Ook hier lag het tot voor kort anders: “Het fundament waarop de verzorgingsstaat sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zeventig werd opgebouwd, was vertrouwen in anonieme structuren, die garandeerden dat mensen gelijk behandeld werden. Dat vertrouwen in anonieme structuren werd versterkt door een afkeer van intensieve bemoeienis door paternalistische professionals, die mensen thuis kwamen vertellen hoe zij hun leven moesten leiden. Vooral sinds de jaren zeventig wilde men af van afhankelijkheid van vertrouwensrelaties met professionals bij wie je in goede aarde moest vallen om een prettige behandeling te krijgen.”
Als vierde versterkt nabijheid het preventief werken. Dit: “betekende eerder ook niet de dienstverlening dicht bij individuele gevallen organiseren, maar op afstand collectieve, grootschalige oplossingen bedenken. Openbare gezondheidszorg die sinds de negentiende eeuw ontwikkeld werd bij- voorbeeld, was niet gebouwd op nabije hulp van de dominee of de dokter maar op anonieme, massale maatregelen als riolering, huisvesting, waterleiding en inentingen. Nabijheid associeerde men eerder met besmetting van ziekten. Preventie vereiste afstand houden van besmettingsbronnen zoals armoedige landlopers.”
Ook zorgt nabijheid, zo luidt het huidige adagium, ervoor dat er integraler wordt gewerkt. Die integriteit: “vereiste eerder sturing op afstand,” zo dacht men tot voor kort. Afstand zo was nog geen twintig jaar geleden de gedachte, versterkt de regiefunctie.
Dan vergroot, zo denkt men tegenwoordig, nabijheid de creativiteit. Nog niet zo lang geleden werd creativiteit gezien als: “resultaat van afzondering. Ruimte om na te denken, niet afgeleid door beslommeringen van cliënten en de waan van de dag.”
De laatste ‘belofte’ van het huidige nabijheidsdenken is dat het tot efficiëntie leidt. Dit terwijl efficiëntie vroeger moest komen van: “afstandelijke burelen achter loketten, waar anonieme klerken hulpbehoeften zouden ordenen, stroomlijnen en van aanbod voorzien.”
De auteurs concluderen: “de beloften van nabijheid worden nauwelijks beargumenteerd. Nabijheid wordt gepresenteerd als logisch en evident voor het bereiken van de doelen. In de recente geschiedenis van zorg en welzijn vond men voor dezelfde doelen afstand vaak een goede route.” Een verontrustende conclusie al hoeft die niet te verbazen. Al eerder schreef ik over de redeneringen achter de verschuiving van zorgtaken naar de gemeenten en dan vooral de aannames die erbij werden gedaan. Over de aanname achter de nabijheid. Nabijheid die moet worden bereikt met wijkteams. Wijkteams die de ‘oplossing voor alle ‘kwalen’ aan de ‘keukentafel’ verzinnen.
Als we vervolgens kijken naar de manier waarop gemeenten het werk vormgeven dan vertoont dat zeer veel kenmerken van een bureaucratische logica: “zicht en grip op de werkprocessen.” Het enige wat er is veranderd is dat het loket is verplaatst naar die ‘keukentafel’. In de verhuizing van de verzorgingsstaat laten de auteurs zien tot welke paradoxale situaties die aannames aan die ‘keukentafel’ leiden.
Oud minister-president Drees sloot zijn verdediging van zijn ‘noodwet’ in de jaren vijftig met de hoop dat die zou uitgroeien: “tot een regeling, die vaste rechten geeft, vaste rechten, die een redelijk zelfstandig bestaan kunnen waarborgen.” Soortgelijke woorden sprak de koning uit in 2013 in de troonrede ter verdediging van de nieuwe manier van denken: “In deze tijd willen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten… .” Eenzelfde ‘verdediging’ voor een tegenovergestelde beweging. Dat paradoxale hoeft geen verrassing te zijn. Met eenzelfde logica het precies tegenovergestelde bereiken, moet wel tot een paradox leiden.
“I’ve said that many times.” Het antwoord van Thierry Baudet op de vraag van een Zwitserse journalist of hij “the leading intellectual in the Netherlands,” is. Natuurlijk mag iemand dat van zichzelf vinden en het ook zeggen. Laten we Baudets betoog eens volgen.
Baudet zet zich af tegen alle partijen want die zijn: “all representatives of the “liberal” or “liberalist” philosophy where emancipation of the individual is the ultimate aim. Maximum equality, maximum individual liberty.” Hij staat er anders in: “It’s the philosophy that starts from the understanding that we are paradoxical beings. We want to be free and, at the same time, we want to be embedded. We want to be individuals, but we also want to be members of a group. In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” Baudet maakt hier wel een erg grote karikatuur van het liberalisme en gaat volledig voorbij aan grote liberale denkers die de wel degelijk grenzen stelden aan maximale individuele vrijheid. Mill begrensde die al door eraan toe te voegen dan de vrijheid van de één begrensd wordt door evenveel vrijheid voor alle anderen. De liberaal en denker over rechtvaardigheid John Rawls voegde er zijn twee beginselen van rechtvaardigheid aan toe: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst veroordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.”
Tot zover de karikatuur. In deze zinnen zegt Baudet nog meer. Hij zet zich af tegen maximale gelijkheid van mensen. Beweert hij hier dat, om Orwells Animal Farm te citeren: “some animals are more equal than others”? Hij streeft niet die maximale gelijkheid na, maar een ingebedde mens die ‘zijn eigen vrijheid goed begrijpt’. Een ‘ingebedde mens die een leidende elite nodig heeft want: “society needs an elite that leads the way.” Dat hij zelf vindt dat hij tot die elite behoort, mag al blijken het antwoord op de vraag uit het interview waarmee ik begon.
Maar een elite? Mogen we hieruit afleiden dat hij een nieuwe elite wil met hem als ‘leeuwenkoning’ om een eerdere Prikker aan te halen? Dat ‘het volk’ zich daarna weer moet schikken in ‘volgzaamheid’? ‘Het volk’ is dus alleen maar even nodig om de ‘oude elite’ die er volgens Baudet niets van begrijpt, weg te werken. En daarna ‘le roi est mort, vive le Roi lion’? Op die eerdere Prikker kom ik later nog terug.
Even terug naar dat ‘equilibrium’ die: “delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood’.” Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Daarvoor grijpt hij terug in de geschiedenis: “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century.” Baudet wil terug naar de verhoudingen in die tijd. Want wat er sinds die tijd is afgebroken de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.”
Pardon! de bourgeoisie waren de ‘ordinary people’? De bourgeois manier van leven was voorbehouden aan een heel klein deel van de mensen. Even een korte geschiedenis van het begrip bourgeoisie. Dit begrip ontstond in de Middeleeuwen en bestond uit de middenklasse van handelaren en gildemeesters uit de steden. Bij middenklasse moeten we ons iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig onder verstaan. De middenklasse bestond uit de mensen die minder aanzien hadden dan de adel, maar meer dan het gepeupel waartoe de overgrote meerderheid behoorden. Ze stonden midden tussen die twee standen of klassen in. Qua financiën stonden ze aan de top. In de steden vocht deze klasse voor zeggenschap voor de burgers van een stad tegen de landheer. Nu moeten we ons ook bij het begrip stadsburger iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig bij denken. Niet iedere inwoner van de stad had rechten als burger. Nee deze rechten waren voorbehouden aan … de bourgeoisie. Het gewone volk daar hadden ze geen eieren mee, dat moest zich schikken in haar armetierige lot. De bourgeoisie bestond dus uit de rijke handelaren, bankiers en vanaf de negentiende eeuw de fabriekseigenaren.
Een belangrijk begrip in Baudets denken is oikofobie. Baudet beantwoordt de vraag of oikofobie: “denying or hating your own culture,” is met “yes”. Baudet verwijt dat: “under the influence of cultural Marxism, which started in the 1920s and became dominant in the 60s, intellectuals, politicians, artists, academics, journalists and, as such, the entire elite of our society have been bewitched by that idea.” Cultuurmarxisme een prachtige term waar Baudet en andere aanhangers ervan, alles onderstoppen wat ze niet aanstaat. Als dit oikofobie is dan vraag ik me af waar Baudet tegen vecht. Zouden er werkelijk zoveel mensen zijn die hun eigen cultuur ontkennen en haten?
Het lijkt erop dat iedereen die denkt dat een cultuur fluïde is en in de loop van de tijd verandert in de ogen van Baudet aan oikofobie leidt. En daarmee kom ik bij de eerste prikker met als titel ‘Leeuwenkoning Baudet’ en vooral bij de zin van Popper die erin centraal stond: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Waardoor het, in ieder geval voor mij, duidelijk wordt dat Baudets denken een van de twee vormen van historicisme is. De vorm die het ideaal in het verleden zoekt en ernaar terug verlangt.
En, zoals Popper concludeerde leidt historicisme in extremis tot totalitarisme. Met zijn betoog over de bourgeoisie wordt duidelijk hoe Baudet de wereld ziet. Een kleine leidende elite met hem als Leeuwenkoning aan het hoofd. Een bourgeoisie, die de rest van de mensen, net als in de achttiende en negentiende eeuw, moet leiden naar gelukkiger vroegere tijden. Heeft dat niet een zweem van totalitarisme?
“In-ter-sec-tio-na-li-teit. Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” De eerste zin van een artikel van Seada Nourhussen bij Oneworld. “ Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse).Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken.
Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site.
Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleiding scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft dan de meeste privileges?
Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel; “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”
Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.” Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.
Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af. Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd.
Hoeveel zin heeft het om alle energie te verspillen aan indelen van mensen in categorieën die ze niet kunnen veranderen en daar vervolgens een belangrijk punt van maken. Kleine stukjes die alle energie op hun eigen eigenheid en problemen richten en zich daarbij afzetten tegen andere kleine stukjes.
Zou dat ‘ontmoeten’ niet veel makkelijker worden als er niet wordt verdeeld maar verbonden? Als er niet gezocht wordt naar verschillen, naar die kleine stukje, maar naar het geheel? Dat geheel heet mens en het streven wat al die verschillende groepjes delen is dat ze gelijk willen worden behandeld en gelijke kansen willen hebben in de wereld. Als dat de gemeenschappelijke deler is, waarom dan eerst verdelen en vervolgens elkaar proberen te vinden op kruispunten? Dan kan alle energie worden gericht om dat doel van een betere wereld te bereiken.
“Daarom is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen,” schrijft Nourhussen. Ik denk inderdaad dat het cruciaal is. Cruciaal om ermee te stoppen zodat we niet verdwalen tussen de kruispunten, maar elkaar vinden in het geheel.
Boreale wereld, uilen van Minerva die weer vliegen, masochistische ketterij, het kwam allemaal voorbij in de speech van Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet. Een speech vol beeldspraak en een verlangen naar een verleden. Maar welk verleden? Hierover schreef ik al eens een artikel. Na het lezen van die speech moest ik denken aan de filosoof Karl Popper. In het tiende hoofdstuk van zijn bekende werk De open samenleving en haar vijanden typeert hij dit streven in één pakkende zin. Op die zin moeten jullie nog even wachten. Eerst wat meer over Popper en het boek.
Eigen foto
Popper werd in 1902 in Wenen geboren en studeerde er in de jaren twintig filosofie. In 1937 emigreerde, of vluchtte, hij naar Nieuw Zeeland omdat hij zich zorgen maakte om het nazisme. Popper is vooral bekend om zijn wetenschapsfilosofie. Hij pleit voor kritisch rationalisme en ontwikkelde het ‘falsificatieprincipe’. Dit komt erop neer dat wetenschappers niet steeds nieuw bewijsmateriaal moeten zoeken om hun theorieën te bevestigen, maar juist moeten proberen de eigen veronderstellingen te ontkrachten. Om Poppers bekende voorbeeld aan te halen. Als je wilt bewijzen dat alle zwanen wit zijn, dan helpt het zoeken naar witte zwanen niet. Al die duizenden witte zwanen die je vindt, maken nog niet dat je kunt zeggen dat alle zwanen wit zijn. Wat wel helpt is het zoeken naar zwarte zwanen. Als je er één vindt, dan weet je zeker dat niet alle zwanen wit zijn.
Een tweede bijdrage van Popper aan de wetenschap en die is voor deze Prikker van belang, is zijn strijd tegen historicisme. Historicisme is denken dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk via vaste wetten naar een bepaalde eindsituatie ontwikkelt. Door de geschiedenis te bestuderen zou je die wetten kunnen ontdekken en dus kunnen weten hoe de toekomst eruit gaat zien. Die strijd tegen het historicisme staat centraal in De Open Samenleving en haar vijanden. Het boek is een vurig pleidooi voor de liberale democratie voor de open samenleving.
Even een stukje geschiedenis. De mens heeft millennia lang in kleine groepen geleefd. Popper noemt deze samenlevingsvorm de gesloten tribale samenleving. Het leven in die groepen en ook het denken van onze voorvaderen werd gedomineerd door het steeds terugkeren van het bekende: de jaargetijden die de trek van bepaalde dieren meebrachten. Het leven zoals het wordt weergegeven in het themanummer van de film ‘The Lion King’, een lied met als titel ‘The circle of life’. Toekomst en ontwikkeling zijn in zo’n samenleving niet relevant omdat iedereen een vaste plek en rol heeft en morgen hetzelfde is als vandaag, gisteren en eergisteren. Een plek die aan de kinderen wordt doorgegeven.
Dat werd anders toen onze voorvaderen landbouwer werden en in dorpen en later steden gingen wonen en gingen handelen. Er ontstonden nieuwe manieren om te overleven los van die oude ‘circle of life’ en zo ontwikkelde zich langzaam een lineair tijdsbesef en daarmee een onzekere toekomst. Toevallig of eigenlijk niet toevallig, ontstonden nieuwe verhalen die mensen ‘zekerheid’ over de toekomst bood: godsdiensten die een leven na het leven bood in een hemel, walhalla of reïncarnatie maar ook vormen van historicisme. In bijvoorbeeld het christendom staat de hemel centraal. Als een wat oudere persoon met een katholieke opvoeding de vraag stelt: ‘waartoe zijn wij op aarde?’ Dan is er een redelijke kans dat het antwoord luidt: ‘om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.’ Met de Verlichting werd god eerst ter discussie gesteld en later werd hij afgeschaft. Maar geen nood, historicisme biedt een oplossing in de vorm van een soort religie voor atheïsten. Een manier van denken die zin moet geven aan het leven.
Terug naar het heden. In zijn speech zegt Baudet: “En zo staan we hier, vanavond, te elfder ure, letterlijk, te midden van de brokstukken van wat ooit de grootste en mooiste beschaving was die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken…’ De grootste en mooiste beschaving, dus, die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken van de wereld bestreek.” Als er ooit in de geschiedenis van het Westen een moment was dat deze woorden de werkelijkheid beschreven dan was het op het moment dat Popper het boek schreef. Een tijd dat die liberale democratie er heel slecht voor stond namelijk de beginjaren van Tweede Wereldoorlog. Totalitaire regimes waren aan de winnende hand: Duitsland heerste over bijna het gehele Europese continent en Japan heerste in Azië. Je kunt het boek zien als Poppers bijdrage aan de oorlog.
De liberale democratie werd in die tijd bedreigd door zowel het totalitaire nazisme als het totalitaire communisme. Beide stromingen, aldus Popper, zijn voorbeelden van historicisme, stromingen waarbij het heden geen op zichzelf staande waarde heeft. De enige waarde van het heden is de ‘bijdrage’ die het levert aan het bereiken van die ‘eindtijd’. Omdat het heden op zichzelf geen waarde heeft, heeft een mensenleven ook geen waarde. Als die glorieuze toekomst naderbij komt door het doden of onderdrukken van miljoenen mensen, dan moet dat maar.
Poppers bijdrage in de strijdt voor de liberale democratie richt zich tegen de geestelijke vaders van het totalitarisme. Popper, in de inleiding bij de eerste druk: “Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.”
Het communisme is gebaseerd op het denken van een van die ‘grootste geestelijke leiders’ namelijk Karl Marx. Die op zijn beurt weer sterk was beïnvloed door het werk van een andere ‘grote geestelijke leider’ Hegel. Marx dacht dat hij de wet achter de geschiedenis had ontrafeld. Die geschiedenis moest onherroepelijk leiden tot het ‘arbeidersparadijs’. In het tweede deel van De open samenleving en haar vijanden toont Popper aan dat de ‘wetmatigheid van Marx niets meer is dan ‘orakelfilosofie’ die in extremis leidt tot totalitarisme. Een staatsvorm, die de Van Dale omschrijft als: “dictatuur waarbij alle krachten van één punt uit op één doel worden gericht.”
Voor de interpretatie van de speech van Baudet en het denken erachter, is het eerste deel van De open samenleving en haar vijanden van belang. In dat eerste deel strijdt Popper tegen de oude filosoof Plato en zijn denken. Plato staat mede aan de basis van de westerse filosofie. Daar waar het historicisme van Marx toewerkt naar een ‘hoogtepunt’ in de toekomst, lag voor Plato, net als voor Baudet nu, het hoogte punt in het verleden. Plato leefde juist in een tijd dat die tribale samenleving verloren ging en hij betreurde dat. Popper: “De ineenstorting van het tribalisme van de Griekse gesloten samenleving, kan worden teruggevoerd tot de tijd dat de bevolkingsgroei zich ging doen gevoelen onder de leden van de heersende klasse der landeigenaren. Dat betekende het einde van het ‘organische’ tribalisme, want er ontstonden sociale spanningen in de gesloten samenleving van de heersende klasse.” Die spanningen probeerden de Grieken op te lossen door het stichten van dochtersteden. Maar, zo schrijft Popper: “Het leidde zelfs tot nieuwe gevarenzones overal waar culturele contacten tot stand kwamen. Die contacten leidden op hun beurt tot wat wellicht het grootste gevaar voor de gesloten samenleving vormde – handel en de opkomst van een nieuwe klasse die zich aan handel en zeevaart wijdde.”
De twee machtigste Griekse steden reageerden op een verschillende manier op de sociale spanningen die dit in hun samenleving veroorzaakte. In Athene leidde dit tot een interne strijd tussen het oude en het nieuwe. Een strijd waar meestentijds de aanhangers van het nieuwe, de openere samenleving, de boventoon voerden. Die openere samenleving kreeg de vorm van de democratie. Die openere samenleving bood ruimte aan vrije denkers en stond zo aan de wieg van de filosofie en daarmee ook de wetenschap.
Concurrent Sparta niet, Sparta hield vast aan het oude en probeerde zo de ontwikkeling stop te zetten. Plato’s voorkeur ging uit naar het Spartaanse model en het behouden van de gesloten tribale samenleving. Plato wilde het liefste terug naar vroeger. Naar een strak geordende samenleving waar iedereen een vaste plek inneemt onder leiding van een filosoofkoning. Een ontwikkelingsrichting en rol die Baudet in zijn speech ook lijkt te schetsen: “Want wij zijn de partij van de wedergeboorte. Wij zijn de partij van de Renaissance. En dat is wat wij willen bewerkstelligen. En het is nooit urgenter geweest dan nu om dat te bewerkstelligen. Het is nooit noodzakelijker geweest dan nu dat mensen van goede wil de handen inéén slaan. Om de banden met onze tradities te herstellen. Om onze kracht te hervinden en nieuwe kruisbestuivingen tot stand te brengen. Om al het goede dat we in de wereld kunnen vinden te verbinden met onze oude wortels en zo het land weer te laten bloeien.” Terug naar vroeger, maar welk vroeger?
De overgang van gesloten tribale naar de open samenleving is volgens Popper: “een van de meest verstrekkende revoluties die de mensheid heeft gekend.” Een revolutie die onbehagen met zich meebracht. Onbehagen dat Popper ‘de druk van de beschaving’ noemt. En: “Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld. Vooral in tijden van sociale verandering.” Die druk wordt veroorzaakt door: “de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen.” Die druk moeten we: “aanvaarden als de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.” Plato en in zijn spoor Baudet, lijken die prijs niet te willen betalen. Zij willen terug naar het verleden. Zij willen terug naar een gesloten samenleving.
Bij de Griekse tijdgenoten van Plato, uitte zich dat verlangen om terug te gaan naar vroeger in haat tegen het Atheense imperium, de vloot, de havens en de stadsmuren. Door de koloniën en de handelscontacten druppelde de buitenwereld naar binnen in de vorm van handelswaar en kennis van andere volkeren en andere levenswijzen. Heeft een mens eenmaal de geneugten van producten van elders geproefd dan kan hij bijna niet meer zonder. Voor kennis geldt dat nog in sterkere mate. Zit die eenmaal in hoofden, dan gaat ze er niet meer uit. Bekijken we de ideeën van Baudet dan uit zich dat verlangen naar vroeger in de afkeer van de Europese Unie, migratie en klimaatpolitiek. Allemaal voorbeelden van een ‘boze buitenwereld’ die het ‘maagdelijke Nederland’ hebben besmet.
Terug naar vroeger door Nederland te ‘ontdoen’ van die buitenwereld dat is wat Baudet lijkt te willen. De geschiedenis van Sparta laat zien dat deze weg heilloos is. Het is een onmogelijk streven omdat, zoals ik al schreef, kennis niet weggaat en de geneugten van producten van elders sterker zullen blijken te zijn. In Plato’s tijd was het al vrijwel onmogelijk om contacten met de buitenwereld te beperken en toen waren er nog geen kranten en internet. Terug naar het verleden lukt alleen als we het mobieltje en het internet ‘ontuitvinden’ en als we ieders kennis eraan uit het geheugen kunnen wissen. De enige manier om een beetje in de buurt te komen is de ‘Noord Korea variant’: een land helemaal proberen af te sluiten van de buitenwereld. Dat kan alleen een totalitair regime en daarmee zijn we bij de Poppers belangrijkste conclusie. Historicisme van welk soort ook, leidt in extremis tot totalitarisme.
Popper typeert Baudets manier van denken in de volgende zin, de zin die ik in de eerste alinea aankondig: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Popper vervolgt: “Niet in staat om nieuwe paden in te slaan, konden zij niets anders doen dan zich opwerpen als leiders van de eeuwige revolte tegen de vrijheid.”
Liever dan Plato en Baudets liefde voor de terugkeer naar een ‘Leeuwenkoning samenleving’, stel ik voor om Pericles en zijn beroemde lijkrede centraal te stellen. Woorden van iemand met een open blik, met interesse voor de medemens en vertrouwen in een ongewisse toekomst: “Wij leven als vrije staatsburgers in onze dagelijkse omgang zijn wij zonder argwaan tegen elkander en wij ergeren ons niet aan onze buurman als hij zijn eigen genoegen zoekt. … Wij stellen onze stad open voor iedereen, wij verdrijven nooit een vreemdeling. … Wij zijn vrij om te leven precies zoals we dat willen, en toch zijn we er altijd klaar voor om enig gevaar onder ogen te zien. … Wij hebben de schoonheid lief zonder verkwisting, wij hebben de wijsheid lief zonder weekheid.”
“Het kabinet roept het land en de Tweede Kamer op tot kalmte na de schietpartij van maandag in Utrecht.” Dit is te lezen bij de Volkskrant. Terecht dat minister Grapperhaus om kalmte vraagt. Beschuldigen zoals door Baudet, die de schuld in de schoenen van VVD en CDA schuift en Wilders die de minister verantwoordelijk houdt voor het vrijlaten van de dader en hem oproept om op te stappen, zijn mooi voor de bühne maar weinig behulpzaam.
Dat iemand Allahu Akbar roept wil nog niet zeggen dat er sprake is van terrorisme. Gaan we alle daden van gekken het stikker ‘terrorisme’ opplakken? Dat zou een aardige devaluatie van het begrip terrorisme zijn. Terrorisme is, aldus Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” En terreur is, volgens dezelfde Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Gewelddadig was het, maar waar is bij deze man het ‘georganiseerde’ karakter? Al eerder schreef ik over de veranderende betekenis van terreur waarbij de overheid van dader in slachtoffer veranderde. Nu lijkt het begrip nog verder te devalueren. Ik maak mij grote zorgen.
Nee niet zo zeer over de eventuele daden van een verwarde man. Ook al kan een verward persoon, zoals de moordpartij in Utrecht laat zien, dood en verderf zaaien. Dat kunnen criminelen die elkaar liquideren door een mitrailleur leeg te schieten ook.
Ik maak me zorgen over de reactie van onze media. Media die live verslag doen van, ja van wat? En die hier vervolgens de hele dag mee vullen. Media die gaan duiden als er nog niets te duiden is. Die experts uitnodigen voor die duiding en die experts speculeren er vrolijk op los. Al speculerend worden er een grote hoeveelheden geruchten verspreid, of moet ik dat tegenwoordig ‘nepnieuws’ noemen?
Feit was dat er gisteren een schietpartij plaatsvond in een tram waarbij in eerste instantie een dode en verschillende gewonden vielen. Feit was ook dat de schutter was gevlucht en nog vrij rondliep. Daarom werd terecht het advies gegeven om op te letten en in Utrecht liefst niet de straat op te gaan omdat er een gewapende man rondliep.
Feit is ook dat er nog niets over de motieven van de man duidelijk was en is. Van iemand die een essay van zeventig pagina’s schrijft over wat er allemaal mis is en hoe het zou moeten veranderen, daarvan wil ik wel aannemen dat hij door middel van georganiseerd geweld de bevolking en regering onder druk wil zetten. ’Ja maar, er was een briefje en die uitroep dus…’ Zelfs als er een briefje is en er wordt Allahu Akbar geroepen, dan nog zouden we terughoudend moeten zijn met het een daad van terrorisme noemen. Want waar is de georganiseerdheid van de daad? Wat is het politieke motief?
Nog veel grotere zorgen maak ik me over onze overheid. Volgens premier Rutte moeten we het niet ‘kleiner maken dan het is” en daarin heeft hij gelijk. Wat gezagsdragers zoals hij en anderen echter zeker niet moeten doen, is het groter maken dan het is. Maakten zij het niet groter door zich niet aan de feiten te houden en op de speculatieve toer te gaan? Als een verwarde man er al voor zorgt dat onze premier, de minister van Justitie en Veiligheid, de nationaal Coördinator terrorismebestrijding in de kramp schieten en hun hoofd niet meer koel kunnen houden en gaan speculeren, dan maak ik mij grote zorgen. Dit is tot het tegendeel is bewezen gewoon een misdaad van het heel ernstige soort. Niet minder, maar zeker ook niet meer.
Dan maak ik mij zorgen om de stressbestendigheid van onze gezagsdragers. Zorgen om de gewapende dienders die zij vervolgens in hun stress op straat plaatsen. Zorgen omdat een ongeluk in een klein hoekje zit, zeker als er sprake is van stress aangewakkerd door mensen die het hoofd koel moeten houden in dergelijke situaties.
Is de belangrijkste taak van welke gezagsdrager dan ook niet dat zij of hij het hoofd koel houdt in tijden van crisis? Toch iets om rekening mee te houden bij het rood kleuren van een vakje bij welke verkiezingen dan ook.
Soms lees je iets dat op het eerste gezicht plausibel lijkt. Als je er vervolgens even over nadenkt, dan ligt het toch net allemaal een tikkeltje anders. Bij TPO citeert Bert Brussen passages uit een interview dat hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn Ruud Koopmans gaf aan het Financieel Dagblad.
“Het aantal democratieën in de islamitische wereld nam de laatste jaren alleen maar verder af. De desintegratie van de islamitische wereld is niet te stoppen. Natuurlijk is dat een bedreiging voor de wereldvrede. Daar spelen zich de grootste conflicten af, ontstaan de grootste vluchtelingenstromen. Die hebben enorme politieke repercussies in Europa. Allemaal hebben we hier met de verliezers in de islamitische wereld te maken. We hebben het over het klimaatprobleem, maar dit is het grootste probleem dat op ons afkomt.” Klinkt logisch, want hoeveel democratieën zijn er nu werkelijk in de islamitische wereld?
Maar toch. Het begint natuurlijk al me de definitie van ‘democratie’. Iran zal zichzelf als democratie bestempelen en als het houden van verkiezingen betekent dat je een democratie bent, dan hebben ze nog gelijk ook. Daar kun je ook anders over denken.
Als Koopmans gelijk heeft, dan moeten er landen zijn ‘verschoten’ van regeringsvorm en dan van democratisch naar iets anders. Laten we eens kijken. Het grootste islamitische land, Indonesië, kent nog steeds dezelfde democratische regeringsvorm. Dat er maatregelen worden genomen die nadelig uitvallen voor minderheden, doet daar niet aan af. Dat zie je ook bij Europese democratieën, neem Hongarije en Polen. Pakistan, ook in dat land worden nog steeds verkiezingen gehouden. Afghanistan, was chaos en is chaos. Over Iran hebben we het al gehad.
Dan Turkije. Nog steeds worden er verkiezingen gehouden. Wel past de grote man, de regels steeds verder aan in zijn voordeel. Ook dat is niet specifiek iets voor islamieten. De katholieke Polen en Hongaren doen min of meer hetzelfde. Irak, dat land is ‘verschoten’ van dictatuur naar democratie. Tenminste, als je meegaat in de retoriek van de Amerikanen. Saoedi-Arabië was en is nog steeds een autoritair geregeerd koninkrijk. Net als trouwens de overige Golfstaten. Jemen was al geen democratie en is nu, mede door toedoen van de Saoediërs en met steun van de Amerikanen, een chaos. Syrië was autocratisch en is nu een autocratische chaos. Egypte was na de ‘Arabische lente’ even iets wat op een democratie leek, maar is weer teruggevallen naar een autoritair regime. Iets wat in het Westen niet erg wordt betreurd omdat het democratisch gekozen regime ‘de verkeerde kant’ opging. Libië was autocratisch en is nu chaos. In Algerije en Marokko is niets veranderd. Tunesië is na die Arabische lente veranderd van autocratie in de richting van democratie.
Het gaat erg ver om hieruit, zoals Koopmans doet, te concluderen dat het aantal democratieën in de islamitische wereld afneemt. Sterker nog, het lijkt er zelfs op dat het aantal democratieën in de islamitische wereld is toegenomen. Van twee (Indonesië en Pakistan) naar minimaal drie (Tunesië) en als je de Amerikaanse retoriek gelooft, zelfs vier (Irak).
Waar Koopmans wel een punt heeft is de desintegratie van de islamitische wereld. Die is niet te ontkennen. Mijn opsomming laat zien dat steeds meer landen in chaos zijn vervallen, dat daar grote conflicten spelen en dat dit leidt tot grote vluchtelingenstromen. Wat hierbij niet heeft geholpen zijn de Westerse inmengingen. Begin dit jaar schreef ik een vierluik over die bemoeienis (Wat was en IS 1, 2, 3 en 4.
Inderdaad heeft dit “enorme politieke repercussies in Europa” waarover Koopmans het heeft. Zouden die repercussies niet veeleer een gevolg zijn van de bemoeienissen en het gesol vanuit het Westen met de islamitische wereld? Bemoeienissen en gesol die nu als een boemerang terugkomen? Zou de islam en dan vooral de radicale vorm ervan, niet slechts het ‘cadeaupapier’ zijn waarin de islamitische wereld die boemerang heeft verpakt? Radicale islam als cadeaupapier omdat die stroming veel westerlingen wel schrik aanjaagt? En zou het kunnen dat ‘schrik aanjagen’ de enige manier is waarop de boodschap van die boemerang echt aankomt?
“Het nazisme en het communisme zijn producten van het moderne Westen. En dat geldt ook voor de radicale islam, al wordt dat laatste ontkent door zowel de aanhangers daarvan als de westerse publieke opinie.” De eerste zin op pagina 102 van de paragraaf Terreur en de westerse traditie van het boek Zwarte Mis. Apocalyptische religie en moderne utopieën geschreven door de filosoof John Gray. Aan die zin moest ik denken na de gebeurtenissen in Christchurch in Nieuw Zeeland.
Eigen foto
Aan die zin moest ik denken toen ik de reacties van Elsevier-lezers las op de stelling van de dag“Moskeeën moeten worden beschermd tegen aanslagen”. Reacties zoals van ene Thomas Jolly: “Wie kaatst kan de bal verwachten… nee dus!” Of van Joey France: “De vraag is begrijpelijk gezien de onmenselijke daad en de ermee samengaande emoties. Maar zijn de moslims niet zelf de aanleiding? Overal waar deze “religie” zich aandient is de sociale rust finaal afgelopen en is integratie met de plaatselijke bevolking verboden, tot en met dreiging met de doodstraf. Toch niet zo raar dat de “andere kant” ook zijn gekken heeft lopen. Neen op de stelling.” Of Vero Truth: “Dit soort aanslagen was, hoe verschrikkelijk ook, te verwachten. Wie haat zaait zoals de moslimextremisten krijgt op een gegeven moment een reactie. Nu niet gaan piepen. Extra bescherming voor moskeeën lijkt me niet nodig.” Reacties gebaseerd op ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’. Waarbij het onderscheid is gebaseerd op godsdienst en waar iedere daad van iemand met de godsdienst van ‘ZIJ’ een daad is van de hele groep.
Ik moest denken aan die zin en het betoog van Gray toen ik een artikel van Han van der Horst bij Joop las. Van der Horst concludeert dat: “Branton Tarrant (de schutter van Christchurch) is niet zomaar een monster. Hij is ons monster.” Ons monster want: “Het is de resultante van het populistische vertoog dat het maatschappelijk denken in het Europa van deze eeuw zo verontreinigt. Tarrant is gegrepen door de ideologie die zondebokken aanwijst in plaats van dat zij oplossingen biedt voor de vele maatschappelijke kwalen in onze maatschappijen.” De schutter die ook denkt in ‘WIJ’ en ‘ZIJ’ en die ‘ZIJ’ als een bedreiging ziet. ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’ kenmerkt ook het wereldbeeld van IS en Al Qaida.
Gray onderbouwt die eerste zin door de oorsprong van het denken van de vader van de radicale islam, Sayid Qutb, te bestuderen. Gray: “Qutbs idee van een revolutionaire voorhoede die zich volledig zou wijden aan de omverwerping van corrupte islamitische regimes en het stichten van een samenleving zonder formele machtsstructuren, ontleent niets aan de islamitische theologie en zeer veel aan Lenin. Qutb beeld van revolutionair geweld als een zuiverende kracht heeft meer gemeen met de denkbeelden van de jakobijnen dan met die van de twaalfde-eeuwse Hasjisjin.” Qutb en daarmee de politieke islam als een verre nazaat van de Franse revolutie.
Volgens Gray is het gebruik van geweld om een nieuwe wereld te scheppen geen erfenis uit de zevende eeuw, maar haakt het aan bij het modere Westen. “Het gebruik van de term ‘islamofascisme’ verduistert het zicht op de veel verder rijdende schatplicht van de radicale islam aan het westerse denken. het waren niet alleen de fascisten die geloofden dat geweld een nieuwe samenleving kon voorbrengen. Dat geloofden Lenin en Bakoenin ook, en de radicale islam zou dan ook net zo goed ‘islamoleninisme’ of ‘islamoanarchisme’ genoemd kunnen worden.” De grootste verwantschap ziet Gray echter met: “de non-liberale theorie van de volkssouvereiniteit die werd uitgedragen door Rousseau, en die tijdens de Franse Terreur door Robespierre in praktijk werd gebracht; de radicale islam zou dan ook het best omschreven kunnen worden als ‘islamojakobinisme.”
Het ‘martelaarschap’ door het plegen van zelfmoordaanslagen, kent volgens Gray geen islamitische wortels: “De Hasjisjin richtten zich op het vermoorden van heersers die naar hun mening waren afgeweken van het rechte pad van de islam, maar geloofden niet dat terreur kon worden aangewend ter vervolmaking van de mensheid, en al evenmin beschouwden ze het plegen van zelfmoordaanslagen als teken van persoonlijke zuivering.” Het is, volgens Gray een recente ‘uitvinding’ met westerse wortels. Een ‘uitvinding’ van de voorganger van Ayatolla Khomeini, Ali Shariati die: “beriep zich op een idee van existentiële keuze die is ontleend aan Nietsche.”
Volgens Gray is de radicale islam: “een moderne ideologie, maar ook een millennialistische beweging met islamitische wortels.” Millennialisme, het geloof in de komst van … is een kenmerk van monotheïstische godsdiensten. Bin Laden maakte hier, volgens Gray, gebruik van door zich te profileren als ‘profeet-leider. De leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, ging hierin nog een stap verder en riep het kalifaat uit en zichzelf tot kalief.
Tot zover de radicale islam. Nu het Westen dat zich, zo schrijft Gray en als je de politieke en publieke opinie mag geloven dan heeft hij gelijk, definieert: “in termen van liberale democratie en mensenrechten.” Door deze definitie te gebruiken lijkt het alsof: “de totalitaire bewegingen van de vorige eeuw geen deel uitmaakten van het Westen.” Volgens Gray een misvatting want die vormden: “ in werkelijkheid juist een hernieuwing van enkele van de oudste westerse tradities.” Welke tradities? Gray: “als er ‘iets’ is wat ‘het Westen’ definieert, dan is dat het nastreven van een verlossing in de geschiedenis. Datgene waarin de westerse beschaving zich onderscheidt van alle andere wordt niet zozeer gevormd door haar tradities van democratie en verdraagzaamheid, als wel door haar historisch teleologie, dat wil zeggen: door haar geloof dat de geschiedenis een inherent doel of bestemming heeft.” Dit geloof heeft tot vernietigende oorlogen en verschrikkelijke misdaden in concentratiekampen en goelags geleid.
Nu zijn dergelijke massamoorden niet specifiek westers. In vroeger tijden werden er vaker wreedheden begaan en massa’s mensen vermoord. Dzengis Khan wist wat dat betreft ook van wanten. Wel specifiek voor het moderne Westen is volgens Gray: “de bepalende rol van het geloof dat geweld de wereld kan redden.” Dit specifiek westerse tintje heeft de radicale islam overgenomen. Dat is niet zo vreemd omdat het Westen en de islam elkaar al sinds de zevende eeuw beïnvloeden.
Zou de echte scheiding tussen ‘WIJ’ tegen “ZIJ” niet worden gevormd door het ‘geloof’ dat geweld de wereld kan redden?Schutter Tarrant deelt het geloof dat geweld de wereld kan redden met zijn tegenstrevers de radicale islamieten. Zij hangen de ‘zwarte mis’ aan om de titel van Gray’s boek te gebruiken. Zij hangen apocalyptische religies aan en jagen utopische visioenen na. Ik hoop dat ik met velen het geloof deel dat geweld de wereld niet redt.
Bij toeval stootte ik op uw schrijven op de site Opiniez alwaar u zich druk maakt over een islamitische begraafplaats in Rotterdam. Ik begrijp dat u zich grote zorgen maakt over: “Ongewenste buitenlandse financiering” van deze begraafplaats want: “Wat ermee wordt gekocht is macht en invloed. Dat zal onvermijdelijk zorgen voor een grotere afstand tot de Nederlandse samenleving en de deur verder openen voor een nog sterkere groei van het salafisme in Nederland.” Na het lezen van uw schrijven moet mij toch wat van het hart.
Laten we bij het begin beginnen, uw eerste zin: “Nederland is een land met een joods-christelijke cultuur.” Joods en christelijk, twee woorden die vaak in combinatie worden genoemd met het woord cultuur. Bedoelt u hiermee de afkeer van het joodse die eeuwenlang een belangrijk onderdeel van de christelijke cultuur vormde? Trouwens, onderling wisten die christenen elkaar ook goed uit te moorden. Nee, ik krijg geen positieve gevoelens bij ‘joods-christelijke cultuur’.
Dan uw tweede alinea: “Weinig andere godsdiensten eisen namelijk zoveel – openbare – ruimte op. Waar anderen gebruikmaken van de vrijheid van godsdienst door een plek voor zichzelf achter de voordeur te creëren om hun geloof te belijden, is dat nooit genoeg voor de Dawah-isten van de politieke islam. Zij willen dat de islam zich manifesteert in de buitenruimte, binnen openbare instellingen en in het meest extreme geval binnen de overheid en de rechtspraak.” Pardon? Als ik door Nederland wandel dan zie ik allerlei openbare manifestaties van christelijke aard. Is het ‘achter de voordeur’ zitten van die andere godsdiensten een bewuste keuze? Ook zie ik het christelijk geloof terug bij allerlei officiële zaken. Neem de gelofte die gekozen politici afleggen en de aanhef bij iedere wet.
Over naar die begraafplaats. De: “Joodse begraafplaatsen (die) al honderden jaren oud zijn (de eerste is gesticht in 1612) en (die) dus onderdeel zijn van onze geschiedenis en deel uitmaken van de joods-christelijke cultuur,” zijn geen probleem voor u, voor mij trouwens ook niet. Een islamitische begraafplaats hoort daar, zo begrijp ik u, niet bij. Toch wonen er islamieten met dezelfde rechten en plichten. U weet wel de “scheiding tussen kerk en staat,” die de overheid moet handhaven, die geldt ook voor islamieten. Ik begrijp dat u hen dezelfde rechten als anderen wilt ontzeggen, namelijk een laatste rustplaats vinden op een kerkhof van de eigen religie. Zij moeten maar een plek vinden op: “de eeuwige plaatsen die nu al beschikbaar zijn op diverse begraafplaatsen in de stad.”
Even een vraagje tussendoor. Hoe lang duurt het voordat islamieten wel tot de Nederlandse cultuur behoren en eigen begraafplaatsen mogen hebben?
Geen eigen islamitische begraafplaats want: “Anders dreigt Rotterdam met zijn al ruim 45 islamitische instellingen en moskeeën in de stad, nóg een stuk islamitischer te worden.” Hebt u al eens geteld hoeveel christelijk instellingen en kerken uw stad rijk is? Geen eigen omdat: “dit een project is waarbij weer volstrekt duidelijk is dat het geld gaat kosten en waar volstrekt onduidelijk is waar dat geld vandaan gaat komen.” En met dat geld koopt die ‘buitenlandse partij’ invloed en macht. Immers: “De missie van grote charitatieve instellingen uit Arabische landen is bedoeld om de positie van de islam in westerse landen te verstevigen.”
Kent u de geschiedenis een beetje? Zo’n honderdvijftig jaar geleden waren betogen als de uwe ook al te horen. Alleen dan gericht tegen katholieken. Die gehoorzaamden immers een ‘vreemde macht’ die in het Vaticaan huist. Een vreemde macht die haar invloed probeerde te vergroten en die niet te vertrouwen was. Daarmee waren ook alle katholieken niet te vertrouwen. Bovendien zou het niet lang duren dan zouden de katholieken een meerderheid gaan vormen. Ze fokten immers als konijnen. En over ‘missie’ gesproken, wist u dat ook uw geliefde christelijke kerken de missie bedrijven? Vroeger werden er paters, broeders en zendelingen de wereld ingestuurd. Allemaal gingen ze op pad om het woord van hun god te verkondigen en de positie van hun deel van het christelijke geloof te versterken. Daarin verschillen zij in niets van die islamitische charitatieve instellingen.
Beste mevrouw Hoogwerf, als u werkelijk ‘buitenlandse invloed’ wilt voorkomen, waarom stelt u dan niet voor om die begraafplaats uit de gemeentelijke kas te bekostigen?
“Onzekerheid over een dak boven je hoofd, eten op tafel, betaalbare en toegankelijk zorg, een sluitend ‘huishoudboekje’ en schulden verminderen het welzijn van mensen en beperken de mentale ruimte om een weg uit deze situatie te vinden” De eerste zin uit Gemeenten: een toekomst zonder werkende armen een notitie met het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG). In deze notitie die ik vandaag las, formuleert de VNG acht concrete maatregelen om armoede onder werkenden aan te pakken.
Wat is het probleem? De VNG: “Uit de recente SCP-studie blijkt dat er in 2014 ongeveer 320.000 werkende armen (4,6% van alle werkenden) waren. Daarvan werkten er 175.000 in loondienst, en 145.000 als zelfstandige. In Nederland stijgt het aandeel werkende armen sinds 1990. Er bestaan in Nederland verschillende definities van (het risico op) armoede en werkende armen. Gemeenten zien op basis van hun armoedemonitor dat er meer groepen in de gemeente niet rond kunnen komen van hun besteedbaar inkomen. Ook deze inwoners rekenen gemeenten tot de doelgroep werkende armen.” Mensen met werk die niet rond kunnen komen van hun inkomen.
Zoals gezegd, stelt de VNG acht maatregelen voor. Als eerste, een open deur, een integrale aanpak: “Het is van belang om armoede niet alleen aan te pakken via het klassieke armoedebeleid – door het bieden van inkomen, inkomensondersteunende en participatiebevorderende voorzieningen – maar ook via ambities op andere beleidsterreinen zoals de betaalbaarheid van de energietransitie en voldoende betaalbare woningen of doelstellingen op het terrein van zorg & gezondheid”
Als tweede wil de VNG: “de uitkeringsgerechtigden inkomenszekerheid kunnen bieden.” De VNG wil dit bereiken door: “snelle en juiste verrekening van inkomsten uit (deeltijd)werk van belang, temeer daar deze doelgroep veelal maandelijks wisselende inkomsten heeft.” Om dat mogelijk te maken heeft de VNG een aantal wensen. Als derde wil de VNG een advies van werkgevers en vakbonden over de bestaanszekerheid voor mensen met lage en middeninkomens. Een advies om de ‘structurele oorzaken’ aan te pakken. Dit advies moet met directe betrokkenheid van gemeenten tot stand komen.
Als vierde moet het systeem van toeslagen en voorzieningen eenvoudiger. De vijfde maatregel richt zich op een sociale Rijks incassobeleid. Als zesde vragen de gemeenten hulp om de armen te bereiken. Die hulp moet in de vorm komen van het CBS, het CPB en het SCP. Als zevende moeten belemmeringen rond de privacy en gegevensuitwisseling worden weggenomen.
Als laatste: “Kleine oproepcontracten en banen die meer lijken op zzp-constructies (zonder goede secundaire arbeidsvoorwaarden als vervoer/opleiding/persoonlijke ontwikkeling) vergroten het risico dat huishoudens snel onder de armoedegrens terecht komen.” Dus werkgevers, ook gemeenten.
Een goed streven om armoede onder werkenden te verminderen en liefst te voorkomen. Zou een basisinkomen hierbij kunnen helpen? Dat is de meest integrale aanpak, geeft inkomenszekerheid zonder de noodzaak tot verrekening en de ervoor benodigde bureaucratie. Dat biedt bestaanszekerheid, maakt een onderzoek door werkgevers en vakbonden overbodig en pakt de ‘structurele oorzaken’ aan. Het bereikt alle armen zonder dat CBS, CBP en SCP ook maar iets hoeven te doen. Het kan zonder belemmeringen rond privacy en gegevensuitwisseling worden uitgekeerd. En als laatste, het is een goede sociale verzekering in tijden van flexwerk en ZZP’ers.
In diverse media heeft het KNMI het weer gedaan. Er zijn ‘hittegolven’ weggestreept in de eerste helft van de twintigste eeuw en daardoor lijkt het alsof er de laatste jaren steeds meer hittegolven zijn. De hele discussie gaat over het al dan niet terecht aanpassen van oude temperatuurgegevens voor meetstation De Bilt. Een groep onderzoekers noemt deze aanpassingen onterecht. Nu is kritiek op en discussie over de manier van meten onderdeel van de wetenschap.
Bij Opiniez besteedt Robert Bor hier aandacht aan. Bor gaat een stapje verder. Zijn kritiek richt zich op klimaatmodellen. Natuurlijk mag men kritiek leveren op klimaatmodellen. De Ballonnendoorprikker levert ook geregeld kritiek op modellen van welke soort dan ook. Modellen zijn immers een versimpeling van de werkelijkheid.
Bor ziet opzet. “Het zaakje stinkt aan alle kanten.” Daarmee gaat Bor iets verder dan wetenschapskritiek. Bor suggereert opzet: “De ‘fout’ van het KNMI valt, net als de fouten van het Planbureau voor de Leefomgeving, precies uit ten faveure van het versterken van het beeld van klimaatopwarming door de mens en het nemen van klimaatmaatregelen. De overcorrectie van zeer specifieke gegevens is geen kwestie van slordigheid, daarvoor zijn ze te gericht. Het heeft alle schijn van moedwillige manipulatie van de meetgegevens.” Moedwillige manipulatie met als doel: “om door massage van de waarnemingen de publieke opinie te beïnvloeden en zich op het gladde ijs van politieke natuurkunde te begeven.” Nogal een stevig verwijt. Terecht of niet?
Nu is er naast het gebruik van ‘theoretische modellen, ook een andere manier om wetenschap te bedrijven. Je kunt ook naar de werkelijkheid kijken en proberen te verklaren wat je ziet. Temperatuur meten is er daar een van. Op metingen moet je zuinig zijn. En met het aanpassen van oude gegevens, zoals de de KNMI heeft gedaan, moet je zeer terughoudend zijn. Beter kun je het niet doen.
Gelukkig zijn er ook nog andere manieren om klimaatverandering waar te nemen. Neem foto’s die door de jaren heen van een gletsjer zijn gemaakt en die laten zien dat het ijs zich steeds verder terugtrekt. Of de ijskap op de Noordpool die steeds kleiner wordt. Makkelijk waar te nemen omdat havens en gebieden die vroeger altijd dichtvroren dat nu niet meer doen. Zo bezocht de Belg Tom Waes, voor zijn programma Reizen Waes, Groenland.
De werkelijkheid laat smeltend ijs zien en dat duidt op een stijging van de temperatuur. Als dat over een langere periode gebeurt, dan kunnen we concluderen dat het klimaat verandert. Het klimaat is immers niets meer dan een langjarig gemiddelde. Zo zijn er vele waarnemingen die duiden op een klimaatverandering. Rest alleen de vraag of menselijke activiteit hiervan de oorzaak is. Aangezien koolstofdioxide voor een broeikaseffect zorgt en de menselijke activiteit veel van dat gas uitstoot, ligt het voor de hand dat die activiteit het in ieder geval niet voorkomt.