‘Solidariteit en wederkerigheid’

Overal ter wereld proberen regeringen de ‘economie’ van hun land te redden. De Nederlandse regering heeft er, net als de regeringen van vele andere landen, voor gekozen om bedrijven te redden. De Ballonnendoorprikker zou, zoals hij betoogde in De ezel en de steen, een andere insteek hebben gekozen. De eerste regeling die hiervoor werd opgesteld, loopt bijna op z’n einde en er wordt nagedacht over een nieuwe. Vanuit allerlei hoeken krijgt de regering nu adviezen over wat er wel en niet in de regeling moet. Een van die ‘adviseurs’ is Jacco Vonhof, de voorzitter van MKB-Nederland. Vonhof pleit in een gesprek met de Volkskrant voor ‘solidariteit en wederkerigheid’. Volgens Vonhof past een loonoffer hierin.

Vonhof: “een deel van de kosten van de 100 procent doorbetaling aan de werknemer belandt bij de werkgever en dat kunnen veel ondernemers niet nog maanden volhouden.” Op de vraag of daar ook een (loon)offer van de werknemer bij past antwoordt hij: “In onze ogen wel.” Vonhofs MKB-Nederland heeft één doel: “Nederland uit de crisis helpen. Dat is belangrijk voor werkgevers, werknemers en het kabinet.” Daarvoor is solidariteit belangrijk en: “Als je met mensen praat over solidariteit weten ze heel goed dat anderen solidair met hen moeten zijn, maar dat solidariteit wederkerigheid inhoudt, dat vergeten de meesten al snel.” Een offer van de werknemers is, zo betoogt Vonhof, een manier om die wederkerigheid in te vullen. Dat klinkt logisch. We schikken allemaal wat in en dan komen we er samen uit. Of niet?

Laten we eens meegaan in de redenering van Vonhof. De werknemer levert bijvoorbeeld tijdelijk 10% van zijn salaris in. In plaats van 100 krijgt de werknemer maar 90. Nu heeft deze werknemer bijvoorbeeld 97 nodig om al zijn kosten te betalen. De overige 3 reserveert hij voor onvoorziene uitgaven zoals een kapotte wasmachine. Die 90 is te weinig om alle kosten te betalen. De reservering kan als buffer worden ingezet en zo kan de werknemer het wellicht even een maand of twee drie uitzingen. Behalve natuurlijk als die wasmachine net is vervangen. Na die twee of drie maanden loopt het voor de werknemer spaak. Dan duikt de werknemer in de schulden. Dan kan hij zijn rekeningen niet meer betalen. Hoe lossen we dat op?

Gelukkig is Vonhof en zijn club MKB-Nederland van de solidariteit en  wederkerigheid. Dat biedt mogelijkheden. Vonhof en zijn achterban zijn dan vast bereid om de solidariteit van de werknemer ‘wederkerig’ tegemoet te treden. Tegemoet te treden door de prijzen van hun producten, het brood de groenten, de knipbeurt, het kopje koffie op het anderhalve-meter-terras en zeker ook de bij premier Rutte populaire nagelstudio met bijvoorbeeld diezelfde 10% te verlagen. Dit om te voorkomen dat de werknemer ‘failliet’ gaat.

Maar wacht eens even? “We verhogen de prijzen met drie euro per behandeling. Dat lijkt ons schappelijk,” aldus een kapper in de Volkskrant van 7 mei. Schappelijk omdat: “Normaal gesproken knippen we een klant per halfuur, dat wordt nu een klant per uur. We nemen de tijd om de salon te desinfecteren en gaan terug van drie kappers in de salon naar twee.” In hetzelfde artikel figureert ook een Amsterdamse kroegbaas met twintig kroegen: “Met dertig procent bezetting, zou je voor een biertje meer dan tien euro moeten rekenen. Maar daar zit natuurlijk niemand op te wachten.” Hij sluit prijsverhogingen echter niet uit. Hoe wederkerig is dan de MKB’er die Vonhof vertegenwoordigt? Aan de ene kant moet het personeel een salarisoffer brengen om solidair te zijn met de werkgever en aan de andere kant moet hij de prijsverhoging betalen? 

We zijn er echter nog niet. Theaters en reisbureaus verwachten dat die werknemer geen geld terug vraagt voor afgelaste voorstellingen en geboekte reizen. Dan gaat het die werknemer wel erg smal. Daar komt nog bij dat al die miljarden waarmee het kabinet strooit ooit door iemand betaald moeten worden. Miljarden naar bedrijven zoals booking.com die er een sport van maken om zo min mogelijk belasting te betalen. Want die bedrijven steun weigeren of er aan strikte voorwaarden aan verbinden daar heeft: “Het kabinet (…) naar gekeken, maar de uitvoering blijkt te lastig,” zo is bij nos.nl te lezen. Het blijft bij een: “moreel appèl (…) op bedrijven die belasting ontwijken om geen steun aan te vragen.” Hoeveel vertrouwen moeten we hebben in de moraliteit van bedrijven die belastingen ontwijken? Ook die miljarden zal de ‘werknemer’ via de belastingen moeten betalen. ’Ja maar,’ zo zal Vonhof zeggen, ‘dat zijn niet de bedrijven die ik vertegenwoordig. Het MKB zal ook die kosten via de belasting mee moeten betalen’. En dat zou best wel kunnen kloppen. Alleen zal die extra belasting weer worden doorvertaald in de prijs van de ‘knipbeurt’ voor de werknemer. 

Zo wordt solidariteit en wederkerigheid wel erg eenzijdig ingevuld.

‘Until Death do us part’

“U hoort dat goed, wij dienen actief te eisen dat we als volwaardig Nederlander beschouwd worden en dat derhalve etnische registratie wordt afgeschaft.” Dit betoogt Karim Bettache bij Joop. Hierbij sluit ik mij van harte aan. Iedereen die voor de wet gezien een Nederlander is, is een Nederlander. Geen Nederlander met … afkomst, allochtoon, autochtoon of streepjes Nederlander. Nee, gewoon Nederlander. Het staat iedereen vervolgens erin om zichzelf te betitelen als een … Nederlander, Nederlander met … voorouders , gekleurde, witte of blanke Nederlander, Zeeuwse Nederlander of Venlose Nederlander. Dat is aan de persoon zelf, niet aan een ander en zeker niet aan de wetgever. 

Bettache strijdt tegen ‘systemisch racisme’ en in die strijd adviseert hij: “Gekleurde en multi-etnische Nederlanders (maar ook onze witte broeders en zussen) doen er goed aan financieel en sociaal niet meer bij te dragen aan de eigen onderdrukking.” Wat hij hiermee bedoelt? (G)een abonnementen meer op mainstream kranten/gidsen of andere media die weigeren diversiteit toe te laten boven het glazen plafond en daarnaast in hun berichtgeving een generaliserende (witte) kijk communiceren naar u en andere Nederlanders.” En ook niet meer stemmen op: “linkse partijen die enkel mooie praatjes verkopen maar qua beleid niets voor u doen. … Beter is het om op een pluriforme partij als Bij1 te stemmen.” 

Nu las ik bij dekantekening.nl iets bijzonders. In een artikel bespreekt Ewout Klei het al dan niet ‘wit’ zijn van de Nederlandse corona-aanpak. In het artikel staat de vraag centraal: “Worden Afro-Nederlanders harder getroffen door het coronavirus dan witte Nederlanders?” Vanuit het buitenland, en dan vooral Groot Brittannië en de Verenigde staten blijkt dat gekleurde mensen vaker sterven aan corona. Een voorbeeld: “In de stad Chicago is 30 procent van de bevolking Afro-Amerikaans, maar 70 procent van de coronadoden is zwart.” Voor Nederland kan die vraag niet worden beantwoord: “Nederland houdt niet bij wat de etniciteit van coronapatiënten en -doden is.” En dan komt het bijzondere: “BIJ1, de partij van Sylvana Simons, is om deze reden voor het registreren van etniciteit van coronaslachtoffers.” Dat is volgens woordvoerder Quinsy Gario wel nodig: “Deze gegevens zijn noodzakelijk voor het opstellen van een gemeenschappelijk plan van aanpak. Nu worden gemeenschappen buitengesloten van het plan dat is opgesteld omdat er geen gegevens zijn over de schade dat het virus bij hen aanricht. Als je de mogelijkheid om de schade te bepalen bemoeilijkt voor een bepaalde groep ben je bezig met ongelijkwaardige behandeling. En dat is in strijd met artikel 1 van onze grondwet.” 

Zou het werkelijk zo zijn dat ‘gemeenschappen worden buitengesloten omdat er geen gegevens zijn over de schade die het virus bij hen aanricht’? Ik waag het te betwijfelen. Het ‘plan’ is erop gericht de besmetting met het virus zo te controleren dat onze gezondheidszorg niet overbelast raakt. Belangrijk daarin is het voorkomen van besmetting. En als iemand toch besmet raakt, dan wordt die persoon zo goed mogelijk geholpen op basis van de beschikbare kennis. Dat het virus vooral schadelijk is voor mensen aan de onderkant van het loongebouw, is ondertussen al bekend. Dat is ook de oorzaak van de overmatige sterfte van gekleurde mensen in de VS en Groot Brittannië. Dit zal voor Nederland niet veel anders zijn. Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou wel eens een middel kunnen zijn om dit, ongeacht de huidskleur, te bestrijden. Dit even terzijde. 

Bij1 wil de etniciteit van corona-doden registreren. Een registratie waar Bettache, met recht en reden, voor de levenden van af wil. Bij leven één bij sterven gescheiden: ‘Until death do us part’.  Wellicht toch even overwegen of Bij1 dan wel de juiste keuze is? 

‘Ellende-ladder’

Identiteit, ik schreef er eind vorig jaar een Prikker over met als titel Hans, en de vraag ‘Wie ben ik’?.  In die Prikker sloot ik me aan bij een uitspraak van Kwame Anthony Appiah: “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen….” Omdat: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, (…) hoogst twijfelachtig” is. De afgelopen tijd waren we getuige van prachtige voorbeelden van die twijfelachtigheid. Voorbeelden geleverd door Henk Krol en de Kamerleden van Denk. Over die voorbeelden wil ik het niet hebben. Wel over redeneringen en hun gevolgen.

Correspondent Identiteit Valentijn de Hingh vraagt zich in een artikel bij De Correspondent af: “Hoe los je racisme, seksisme en homofobie op? Allemaal tegelijk.” Daarvoor onderzoekt hij ‘Identiteitspolitiek. “Identiteitspolitiek wil zorgen voor meer gelijkheid voor groepen die op basis van bijvoorbeeld ras, etniciteit, seksuele gerichtheid, sekse of genderidentiteit in een maatschappelijke minderheidspositie zitten, en die daardoor in hun dagelijks leven te maken krijgen met allerlei vormen van onrecht en onderdrukking.” In dit artikel komt hoofddocent Literaire en Culturele Analyse Murat Aydemir aan het woord. Volgens Aydemir is: “identiteitspolitiek oorspronkelijk wél bedoeld als brede systeemkritiek.”  Volgens Aydemir hebben we de term te danken aan: “het Combahee River Collective (CRC), een groep Afro-Amerikaanse lesbische feministen uit Boston.” Deze groep legde een relatie tussen ras, gender en klasse. Hun kritiek: “Het feminisme was in die tijd vooral een project van witte vrouwen, waardoor racisme vrijwel onbesproken bleef. De burgerrechtenbeweging had weinig aandacht voor seksisme en homofobie, terwijl de arbeidersbeweging voorbijging aan de manier waarop al deze vormen van onrecht invloed hadden op de economische positie van zwarte vrouwen.” Daaruit concludeerden ze: “If black women were free, it would mean that everyone else would have to be free since our freedom would necessitate the destruction of all the systems of oppression.” Dus: “Door solidair te zijn met zichzelf als zwarte vrouwen, waren de leden van het CRC dus in feite solidair met een heleboel: met vrouwen, personen van kleur, LHBTQIA’ers én mensen in een economische minderheidspositie – hun identiteit verbond ze aan al deze politieke belangen tegelijkertijd.” De Hingh concludeert hieruit: “Goede identiteitspolitiek richt zijn pijlen dus niet op één vorm van onrecht, maar op alle vormen tegelijkertijd. En gaat dus wel degelijk over breed gedragen maatschappelijke verandering.” Laten we deze hele redenering eens wat beter bestuderen.

Wat het CRC zegt is dat je, als je de wereld wilt verbeteren, moet beginnen met het verbeteren van de positie van de Afro-Amerikaanse lesbische feministen. Die worden immers het meest achtergesteld. Als zij het beter krijgen, krijgt iedereen het beter. Immers om hun positie te verbeteren moet je alle ‘systemen’ en ‘belemmerende’ factoren opruimen. De grote denker over rechtvaardigheid John Rawls zou zich hierin kunnen vinden. Zijn uitgangspunt is immers dat iedere maatregel de positie van hen die het slechtst af zijn, het meeste moet verbeteren. 

Een probleem. De hele redenering staat of valt met de ‘ellende-ladder’. De wat? De ‘ellende-ladder’, een woord dat me net te binnen schoot. De Afro-Amerikaanse lesbische feministen van het CRC vinden dat hun ellende het grootst is, dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’. Zij combineren huidskleur, geslacht en klasse en constateren dat zij overal in het nadeel zijn. Zij bedienden zich van ‘intersectioneel denken’ avant la lettre. Denken dat de mens in stukjes hakt: gender, ras, geaardheid, religie, handicap en nog veel meer. Ik schreef er al eerder over naar aanleiding van een artikel van Seada Nourhussen. Of hun positie werkelijk de meest ellendige is, is maar helemaal de vraag. Hoe bepaal je welke groep in de meest ellendige situatie verkeert? Maar ook wie bepaalt dat? In het CRC-denken is dat van belang. Is er immers een groep die nog hoger op de ellende-ladder staat, bijvoorbeeld de zwarte lesbische moslima, dan moet daar de ‘wereldverbetering’ mee beginnen. Het wordt zo belangrijk om de bovenste positie op de ‘ellende-ladder’ in te nemen. En dat is precies wat er gebeurt. Iedere groep ziet zijn positie al meest ellendige.

“Maar uiteindelijk is het wel zaak dat identiteitspolitiek in de toekomst aanstuurt op een allesomvattende, radicale omwenteling van het systeem, zoals het Combahee River Collective het voor ogen had,” concludeert De Hingh. De energie gaat echter op aan de wedstrijd ‘ladder klimmen’ en niet aan het bereiken van een ‘breed gedragen verandering’. Misschien zou het helpen als  ‘identiteit’ een veel minder belangrijke positie zou innemen. Als we onze ‘identiteit’, om Appiah na te spreken, wat lichter dragen en wat meer zoeken naar gezamenlijkheid, naar overeenkomsten. We zijn allemaal mensen die met respect en gelijkwaardig behandeld willen worden. Zou dat niet een goed beginpunt zijn?

‘350 jaar illegale bezetting’

“De Nederlandse staat geeft geen gehoor aan de Indonesische slachtoffers van de 350 jaar durende illegale bezetting door Nederland.” Woorden van Jeffry Pondaag, voorzitter van de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden. Pondaag spreekt deze woorden uit in een artikel van Fitria Jelyta bij dekkanttekening.nl. Een artikel gewijd aan het geleden leed dat Nederland, volgens het artikel, onder ogen moet zien. Pondaag heeft ook een idee hoe dat kan: “Het is zaak dat Nederland een podium biedt aan de Indonesische slachtoffers in de vertelling van de geschiedenis.”  Dat er evenwichtige aandacht moet zijn voor alle aspecten van het verleden en dat dit nu nog niet altijd het geval is, staat buiten kijf. 

Batavia zo rond 1870. Bron: Wikipedia

Toch wringt er iets aan het betoog van Pondaag en dat begint met de zin waarmee ik deze Prikker opende. Een dergelijke zin wringt behoorlijk met ‘evenwicht’. 350 jaar is een lange tijd. We komen dan uit in het jaar 1670. Als we de staatkundige kaart van die tijd bekijken dan zien we dat die er heel anders uitzag dan tegenwoordig. We zullen Nederland er niet op vinden. Duitsland en Italië trouwens ook niet. We treffen er een landje aan dat de Zeven Verenigde Provinciën heet. Dat landje omvat een flink deel van het huidige Nederland. Een groot deel ook niet. Als ik de gemeente Venlo, waar ik woon bekijk, dan lag het huidige grondgebied in drie verschillende landen. Venlo lag in een gebied waar geregeld legers voorbij trokken om elkaar te bestrijden. Dat landje kende geen ‘centraal bestuur’. Elk van die zeven provinciën dopten hun eigen boontjes en soms deden ze wat samen. Kijken we naar de staatkundige kaart van het huidige Indonesië dan zien we een baaierd aan rijkjes en rijken. Een land Indonesië is er niet op te vinden. Dat er nu wel een land van die naam is te vinden is, en dat klinkt cru, juist het resultaat van het kolonialisme. Dat maakte van de Eilanden van Smaragd een staatkundige eenheid. 

Dan het woord illegaal, “in strijd met de wet”  zoals de Vandale het omschrijft. Welke wet? Internationale wetgeving is iets van de laatste eeuw. Ja, ook al in de zeventiende eeuw werd er over internationaal recht gedacht en geschreven bijvoorbeeld door Hugo de Groot. Relaties tussen Rijken en staten werden geregeld via verdragen. Verdragen die konden worden opgezegd en geschonden en die oorlogen en bezettingen niet konden verhinderen. Pas met de komst van de Volkerenbond in 1919 ontstond er iets wat op internationale wetgeving leek. Al was die poging geen lang leven beschoren. Met de oprichting van de Verenigde Naties werd een nieuwe, betere poging gewaagd. 

Pondaag: “Waar haalt Nederland het recht vandaan om een land dat 18.000 kilometer hiervandaan ligt te beschouwen als zijn eigendom? Als ze zeggen dat kolonialisme toen vanzelfsprekend was, hoe zit het dan met de mensen die in Indonesië woonden? Hebben zij dan geen stem? Zijn zij dan geen mensen?” Natuurlijk leefden er ook toen mensen op de eilanden in de Oost. En, nee, die mensen hadden daarin geen stem. Net zoals de inwoners van de Zeven Verenigde Provinciën niets is gevraagd. Die hadden daarin ook geen stem. Zij kregen pas in de twintigste eeuw een stem. De mannen mochten voor het eerst allemaal stemmen in 1917 en de vrouwen in 1919. Het bezetten gebeurde toen omdat het kon en gebruikelijk was. Dzjengis Khan vroeg zich vier eeuwen eerder ook niet af of hij wel het ‘recht’ had om 8.000 kilometer verderop gebieden te bezetten en mensen te vermoorden. En nu is het nog steeds mogelijk. Immers wie geeft de Verenigde Staten het ‘recht’ om Irak binnen te vallen? 

Pondaags zin waarmee ik begon gaat verder. Na illegale komt het woord bezetting. Als de ‘VOC-methode’ door iets niet werd gekenmerkt, dan is dat wel bezetting van het gebied dat nu Indonesië heet. De VOC stichtte op strategische plekken langs de zeeroute naar en in de Oost forten. Forten waar de schepen veilig konden aanleggen om vers water en voedsel in te slaan. Forten waarmee de handel in belangrijke producten gemonopoliseerd kon worden. Er werden geen gebieden bezet waarvan het bestuur werd overgenomen. Wel kon het gebeuren dat een vorst die de belangen van de Compagnie schaadde werd aangepakt. Voor een bezetting ontbrak het de Compagnie aan mankracht en middelen en Nederland in de negentiende eeuw trouwens ook. Of zoals Kossmann het in  het standaardwerk De Lage Landen 1780/1980 deel I omschrijft: “Al was het Nederlandse bestuur er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan zijn rechten op de meeste eilanden, zoals Borneo, Sumatra, Celebes en Bali ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake.” Dat bevestigen gebeurde niet om de ‘inlanders’ eronder te krijgen. Dat gebeurde om de Engelsen en Fransen buiten de deur te houden. De lokale heersers konden gewoon hun gang gaan zolang ze maar niet dwars lagen. Lagen ze dwars, zoals Atjeh, dan werd hen de oorlog verklaard.

Al dit doet er niets aan af dat er verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. In de jaren ’45-’49 maar ook in het al genoemde Atjeh en op andere momenten zoals het optreden van Jan Pieterszoon Coen. Zaken die verteld moeten worden en waarbij zeker ook het verhaal van de slachtoffers een prominente plek moet krijgen. Dat mag echter geen aanleiding zijn om het verleden geweld aan te doen door het in een 21ste eeuws frame te plaatsen.

Over vrijheid en vrije markten

“Dat daarbij de economie en de vrije samenleving gebukt gaan onder een knoet die bepaalt wat goede en wat foute ondernemers zijn,” en dat: “nemen de cabaretiers, de schrijvers en de rest van de ondertekenaars op de koop toe.” De laatste zinnen van een column van Roderick Veelo bij RTL Z. Een ‘staatsknoet’ die bepaalt wat de goede en foute ondernemers zijn. Dat klinkt ‘communistisch’. Een politbureau dat bepaalt wat goed en fout is. Dat moeten we niet willen. Toch?

Veelo reageert op de oproep van een grote groep mensen in de Volkskrant Een oproep om alleen bedrijven te steunen als ze aan drie eisen voldoen. Ze moeten: “de afgelopen tien jaar (sinds de vorige crisis) in binnen- en buitenland hun aandeel hebben bijgedragen als het gaat om het betalen van belastingen.” Als tweede moeten de bedrijven blijk geven van: “sociale rechtvaardigheid, richten zich op langetermijnduurzame economische groei en begrijpen dat ze daarvoor de belangen van alle stakeholders moeten dienen.” Als laatste: “De producten en diensten van het bedrijf dragen in toenemende mate bij aan een veilige en duurzame toekomst.” Heel sympathieke eisen alleen, zo betoogt Veelo, moeten we dat niet willen. Dat beperkt onze economie en vrije samenleving. Die, en dus de vrije markt, moet bepalen wat goed en fout is. 

Bij uitspraken zoals die van Veelo moet ik altijd denken aan het boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Een boek waarin Chang de economische wetenschap voor een leek begrijpbaar beschrijft. Want economie is, zo schrijft Chang: “…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering , zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” En vervolgens voegt Chang de daad bij het woord en legt aan de hand van 23 populaire opvattingen uit hoe het zit. Zo ook de vrije markt.

Dat is het eerste ‘ding’ dat Chang behandelt in een hoofdstuk met als titel De vrije markt bestaat niet. En met die titel wordt al een heel ander licht geworpen op de brief van de groep en Veelo’s reactie. Chang: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo is slavernij verboden. Dat vinden we nu niet meer dan logisch. Eeuwenlang lag dat echter anders en was slavernij een onderdeel van het leven. Hetzelfde geldt voor kinderarbeid. Ook dat was heel gewoon totdat de overheid er paal en perk aan stelde. De wetgeving rond arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, ook die beperkt de ‘economie en de vrije samenleving’. Net zoals wetgeving rond ruimtelijke ordening en milieu. Net zoals de wetgeving ter bescherming van de consument en het contractrecht.

Allemaal beperkingen van de ‘economie en vrije samenleving’ die we, om met Chang te spreken: “zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Als dat op deze punten kan, waarom dan niet ook op andere punten, zoals de drie ‘eisen’ van de ‘Volkskrant-groep’? 

De ‘vrije samenleving’ beperken, gebeurt niet alleen op het economische vlak. Op vele terreinen wordt onze vrijheid beperkt. Zo beperken de verkeersregels onze vrijheid. Iets wat recentelijk door de VVD groot werd uitgevent toen de maximum snelheid werd verlaagd van 130 naar 100. Nee onze ‘vrije samenleving’ kent veel wettelijke beperkingen om haar leefbaar te houden. Die beperkingen zijn nodig om te voorkomen dat mijn vrijheid jou ellende wordt of andersom. Of zoals John Stuart Mill het in zijn boek Over vrijheid formuleerde: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Zonder die ‘knoet’ die bepaalt wat goed en fout is’, zou het leven ‘eenzaam, arm, onaangenaam, bruut en kort’ zijn om Thomas Hobbes aan te halen.

Economisch belang(eloos)

Het positieve aan het ‘binnenblijven’ is dat er leuke initiatieven ontstaan. Zo is er een ‘rondleider’ van het Rijksmuseum, die het museum in deze corona-tijd naar je toe brengt. Hij richt zich hierbij vooral op kinderen van de basisschool en dan vooral de basisschool die zijn dochter bezoekt. Een van mijn favorieten is zijn uitleg over Zeven werken van barmhartigheid. Misschien komt dat wel omdat het een goede spiegel is voor bedrijven als boeking.com. En met het redden van bedrijven en kunst kom ik bij een brief van Kunstenaarsvereniging Arti et Amici bij Joop.

“Het is een plicht ervoor zorg te dragen dat niet alleen de grote culturele instellingen deze crisis overleven maar juist ook de individuele kunstenaar die onze planeet met zijn creativiteit, ons aller menselijk kapitaal, leefbaar maakt.” De afsluitende woorden in de brief. De vereniging pleit voor meer steun voor de kunstsector in het algemeen en de kunstenaars in het bijzonder. Want, zo stellen zij: “Ook kunstenaars zijn onmisbaar voor economisch herstel.” Toch wringt er iets bij mij.

De kunstenaars zijn niet de enigen die pleiten voor een ‘aparte’ regeling om door de crisis te komen. Vele andere sectoren gingen hen al voor en vonden een gewillig oor bij de regering. Zoals ik in een eerdere Prikker al betoogde, zou ik liever zien dat de overheid zich richt op het redden van mensen in plaats van bedrijven. Immers om de kunst te redden, moet je de kunstenaar in leven houden. Dat redden kan heel goed via een basisinkomen. Maar daar gaat hij mij in deze Prikker niet om. 

Het gaat mij om de link die alle sectoren leggen naar de ‘economie’, en het ‘economisch herstel’. Kunstenaars moeten, net als de KLM, de kalvermesters, de bloementelers, de cafébazen enzovoorts worden gered omdat ze ‘onmisbaar zijn’ voor de economie en het economisch herstel. Kunst wordt vertaald in ‘banen’ en ‘toeristen’ en die worden vervolgens uitgedrukt in percentages van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Hoe hoger het percentage, hoe belangrijker het is. De ‘economie’ is zo de maat der dingen.    

Hiermee zeggen we eigenlijk dat we ‘werken om te leven’. Nu is werk, en dan vooral betaald werk, de afgelopen decennia heilig verklaard. Werk is, of beter gezegd wordt gezien, als de hoogste vorm van maatschappelijke participatie en de beste manier om in te burgeren. Zonder werk neem je niet deel aan de samenleving. Werk zorgt voor structuur in het leven van mensen. En zo kan ik doorgaan met het benoemen van eigenschappen die we verbinden aan het hebben van werk. We stemmen het onderwijs erop af, bereiden kinderen voor op hun plek op de arbeidsmarkt, dus op werk. Volwassenen moeten een leven lang leren om hun ‘employability’ te vergroten.

Door al deze zaken exclusief te verbinden aan betaald werk, lijkt werk onmisbaar te worden voor het goede leven van een mens. Inderdaad werk zorgt voor structuur, kan sociale contacten opleveren, kan je eigenwaarde een boost geven, kan bijdragen aan het veroveren van je plek in de samenleving. Dat kan allemaal. Participeren, inburgeren, deelnemen aan de samenleving, structuur hebben in je leven, het kan allemaal óók zonder werk.

Wat als we het omdraaien? Wat als we gaan werken om te leven? Als we die vraag vertalen naar de crisis van nu en het ‘redden’ van bedrijven: wat dragen die sectoren bij aan het leven? Zou het kunnen dat we dan heel andere keuzes zouden maken? Wat dragen de KLM, booking.com en kunst bij aan het leven? Zouden we dan nog steeds zoveel geld uittrekken om ‘onze blauwe trots’ in de lucht te houden? Wellicht blijkt dan dat wat economisch belangeloos is wel eens van het grootste belang te zijn. Misschien sluiten die keuzes wel aan bij die zeven werken van barmhartigheid?

PS. Fedor bedankt voor je ‘thuismuseum’. Het brengt mij een lach en die vind ik van groot belang!

Pijlstaart tv: het thuismuseum

De ander verwijten wat jezelf nalaat

Het is sport om een schuldige ergens voor te zoeken. Zo pokeren de Verenigde Staten en China nu over de vraag wie er schuldig is aan het coronavirus. Een vraag die heel eenvoudig is te beantwoorden: het virus. Dat veroorzaakt immers ziekte en sterfte bij mensen. Een virus dat waarschijnlijk van een dier op een mens is overgesprongen en die mens heeft, zonder opzet, anderen ermee besmet. Dat antwoord voldoet in dit pokerspel niet. Nee, er moet ‘iets’ of liever ‘iemand’ zijn die de schuld kan krijgen. Voor de Amerikaanse president Trump is dat de Chinese regering. En dat iets, is een laboratorium. Dit terwijl een groep van wetenschappers in maart al concludeerden dat: “It is improbable that SARS-CoV-2 emerged through laboratory manipulation of a related SARS-CoV-like coronavirus.”  

“Horrifying. US intel confirms the Chinese Communist Party knew at the highest levels the #CoronavirusOutbreak would turn into a global pandemic, so much so that they secretly changed their policies to stockpile medical equipment & hide imports/exports.” Aldus een tweet van republikeins senator Ted Cruz. Gevolgd door: “This should be a wake up call for anyone who still defends China. The Chinese Communist Party engaged in a global coverup endangering millions & they have blood on their hands.” Nieuws dat ook de Nederlandse site De Dagelijkse Standaard met veel aplomb brengt. Zie je wel die Chinezen wisten al in januari dat het virus zeer besmettelijk was en ‘hamsterden spullen’, zo zeggen de Amerikanen.

Als we de bekende informatie kort op een rij zetten, dan maakt de Chinese arts Li Wenliang op 30 december 2019 melding van patiënten met een op SARS lijkend virus. Hiervoor wordt hij vier dagen later op het matje geroepen door de ‘autoriteiten’ zo is te lezen op de site van de NOS. Dat is achteraf natuurlijk niet zo handig van die autoriteiten. Echter, niet veel later op, 31 december 2020, maakt, zo is te lezen op de site van de WHO, de Wuhan Municipal Health Commission, melding van een cluster van gevallen van longontstekingen met een onbekende oorzaak. Als we terugrekenen dan moeten die mensen zo half december in aanraking zijn gekomen met het virus. Patiënt één zou dan wellicht een maandje eerder moeten zijn besmet. Op 10 januari 2020 vaardigde de WHO een pakket richtlijnen uit met daarin advies over hoe zieken op te sporen en te testen en over hoe zorgmedewerkers te beschermen. Op 12 januari 2020 is de genetische sequentie van het virus bekend. Ondertussen loopt het aantal patiënten in China snel op en een dag later is het eerste geval buiten China er. De rest is wel bekend. 

Dan is het niet zo vreemd dat de Chinezen: “changed their policies to stockpile medical equipment & hide imports/exports.” Dat de “CoronavirusOutbreak would turn into a global pandemic,” was in China bekend. Die pandemie was in januari in China al een feit. Omdat China het eerst werd getroffen, moest het ook als eerste maatregelen nemen. Andere landen hadden daarvoor meer tijd. Belangrijkste maatregelen die men kon nemen: de ziekenhuiscapaciteit vergroten inclusief ic-bedden met alles erop en eraan dus ook verpleegkundigen en artsen, testmateriaal inkopen, een voorraad medicijnen aanleggen of maken en een flinke voorraad beschermende kleding inclusief het ‘kledingstuk van het jaar’ het, mondkapje. Het ene land ging daarmee wat voortvarender aan de slag dan het andere. Wie herinnert zich nog de beelden met bulldozers en kranen in China die helpen een noodhospitaal uit de grond te stampen? Als je zoiets doet, dan verzamel je natuurlijk ook spullen om het te vullen. Dan verzamel je beademingsapparaten, medicijnen en beschermende materialen. Zoals we het nu kunnen overzien, hebben de Verenigde Staten onder leiding van Trump daar flink wat steken laten vallen. Nogal bijzonder om de ander te verwijten dat die heeft gedaan wat je zelf hebt nagelaten.

Von Schlieffen en corona

Op de site Opiniez wordt veel geschreven over het verlaten van de Europese Unie, het afschaffen van de euro en weer een ‘sterk en onafhankelijk’ land worden. In deze bijzondere herdenkingstijd moest ik bij het lezen van een artikel van Jan Gajentaan bij Opiniez denken aan de Eerste Wereldoorlog. Ik moest denken aan het Schlieffenplan. 

Het plan is genoemd naar de Duitse generaal Alfred von Schlieffen die leefde van 1833 tot 1913. Het was de tijd van de Frans-Duitse rivaliteit. Rivaliteit die een enorme boost had gekregen na de door de Duitsers gewonnen Frans-Duitse oorlog van 1871. Een oorlog die een belangrijke rol speelde in de Duitse eenwording, maar dat is een ander verhaal. Sinds die oorlog van 1871 wilde Frankrijk revanche en vreesde Duitsland voor die revanche. Voor het Duitse Keizerrijk werd de situatie nijpend toen de Fransen in de jaren negentig van de negentiende eeuw een alliantie met het Tsaristische Rusland afsloten. In geval van een oorlog zat Duitsland nu ingesloten tussen Frankrijk en Rusland en zou het op twee fronten een oorlog moeten voeren. Om die dreiging het hoofd te bieden, bedacht Von Schlieffen een plan.

Hij ging ervan uit dat zij niet sterk genoeg waren om op twee fronten tegelijk te strijden. Daarom moest er een plan worden bedacht om dat te voorkomen. Aan de basis van dit plan lag de veronderstelling dat het Russische rijk tenminste zes weken nodig zou hebben om haar leger te mobiliseren en in stelling te brengen. Die zes weken moesten worden gebruikt om Frankrijk te verslaan. Dat kon, zo berekende Von Schlieffen, als de Duitse troepen door het neutrale België zouden trekken. Hierbij hoopten de Duitsers dat de Belgen hen ‘vrije doortocht’ zouden geven. In dat geval zouden de Engelsen zich er niet mee bemoeien. De Engelsen stonden immers garant voor de neutraliteit van België en bij een vrije doortocht werd die niet geschonden. Die tocht door België was nodig om de Franse troepenmacht ‘langszij’ te passeren, in te sluiten en zo vrije doortocht te hebben naar Parijs. De Fransen zouden hun troepen immers concentreren langs de grens tussen de beide landen tussen Belfort en Sedan. Om de Fransen in die illusie te laten zou in dat gebied een schijnaanval worden uitgevoerd. 

Voor die hele operatie inclusief intocht in Parijs stonden zo’n vier weken. Dan restten nog twee weken om het hele leger vanuit Frankrijk te verplaatsten naar de Oostgrens om de dan gemobiliseerde Russen af te stoppen. Via de het spoorwegennet moest dat kunnen. Om dit alles te bereiken werd bijna tot ‘op de minuut’ uitgewerkt hoever welk deel van het leger moest zijn.

Helaas voor de Duitsers liep het in werkelijkheid anders dan op papier. De Belgen gaven geen vrije doortocht en verzetten zich hevig. Daardoor restte de Engelsen niets anders dan deel te nemen aan de oorlog. Bovendien bleken de Russen al veel eerder in staat tot een aanval en moest een deel van het leger al eerder van West naar Oost. Uiteindelijk duurde de oorlog meer dan vier jaar en stierven miljoenen soldaten in de loopgraven. 

Terug naar Gajentaan waarmee ik begon. In zijn artikel stelt hij ons Denemarken ten voorbeeld. Dat land is lid van de EU en kan op drie punten afwijken: de euro, daar hoeft het niet aan mee te doen, aan defensie- en justitie-initiatieven en voor wat betreft de open grenzen binnen de Unie evenmin. Daar gaat het mij nu even niet om. Het gaat mij om de volgende passage: “Ook bij de corona-crisis was dat merkbaar. Waar in Nederland het woord grenscontrole voor iemand als Rutte vloeken in de kerk is, sloot Denemarken op 14 maart de grenzen. En omdat het land ruim een week eerder dan Nederland in lockdown ging en de scholen sloot, lopen ze nu twee weken op ons voor bij het verlaten van de lockdown.” En dan gaat het mij niet om de vraag naar de relatie tussen het sluiten van de grenzen en de strijd tegen corona. Sluiten behalve natuurlijk voor landgenoten in het buitenland, voor de in- en export van goederen en voor mensen die in dat buitenland werken waardoor alleen de vakantieganger thuis moet blijven. Het gaat mij om die twee weken die ze op ons voorlopen bij het verlaten van de lockdown.   

Hoe weet Gajentaan of Denemarken ‘twee weken voorloopt’? Heeft Gajentaan net als Von Schlieffen een plan waarin precies staat welke maatregel op welk moment genomen moet worden? Dat suggereren deze woorden wel. Dat China en Wuhan nu weer ‘open’ zijn, geeft geen enkele garantie dat het virus er niet meer kan oplaaien. Dat Denemarken nu ‘twee weken’ voorligt kon over zes maanden wel eens tot een ‘achterstand’ leiden. Het virus is nog steeds onder ons op deze wereld, in dit land en ook onder de Denen. We hebben nog steeds geen vaccin noch een geneesmiddel. Pas als er een vaccin is en dat voor iedereen beschikbaar is, kunnen we deze pandemie achter ons laten. Tot die tijd zijn uitspraken over ‘voor’ en achter’ evenveel waard als het Plan van Von Schlieffen.

Klus gezocht

Ik ben nog steeds op zoek naar een opdrachtgever waarmee ik de volgende salarisafspraak kan maken voor een klus van dertig dagen. Voor de eerste dag een salaris van € 0,01 en dat verdubbelt iedere dag. Wellicht helpt deze Prikker bij het vinden van die opdrachtgever. Al denk ik dat die er na het lezen van deze Prikker anders over denkt. 

Ik moest hier weer aan denken na het lezen van het Commentaar van Sander van Walsum in de Volkskrant. Van Walsum: “Maar inmiddels kan ook worden vastgesteld dat de afbouw van preventieve maatregelen geen lineair proces is, maar een processie van Echternach: drie stappen vooruit, twee stappen achteruit.”  Zo wordt er de laatste dagen weer een stijging van het aantal ziekenhuisopnamen gemeld in Duitsland maar ook in Brabant. Dit terwijl de druk op de regering om de teugels te laten vieren, toeneemt. Die druk heeft er al toe geleid dat de basisscholen weer opengaan en dat kinderen weer mogen sporten.

“Om te kunnen voorzien in de toenemende behoefte aan meer bewegingsvrijheid heeft de Nederlandse overheid de testcapaciteit voor de vaststelling van corona al drastisch uitgebreid,” schrijft Van Walsum. Wat echt zou helpen: “handhaving of uitbreiding van de ic-capaciteit. Met het oog daarop zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold.” Dat lijkt een goed advies. De curve moest immers worden afgevlakt om de zorg niet te overbelasten en daarbij waren het aantal ic-bedden de beperkende factor. Meer bedden betekent dat er op een hoger niveau afgevlakt kan worden. Dan zou het kabinet zich, zo betoogt Van Walsum, meer rust in de besluitvorming kunnen veroorloven. Leveren meer ic-bedden werkelijk rust?

Meer ic-bedden betekent dat er meer corona-patiënten in een ic-bed kunnen. Op een ic-bed kom je als je er erg slecht aan toe bent, maar er nog wel hoop is dat je de ziekte overleeft. Als we er vanuit gaan dat onze zorg is gebouwd als een piramide met de ic-bedden als top. Dat de top en de basis in evenwicht zijn. Een evenwicht waarbij zelfs is gerekend met enige overcapaciteit. Dan leidt meer ic-bedden tot een veel grotere top die alleen in tijden van nood, zoals nu, gebruikt kan worden. In ‘normale tijden’ staan er dan, net zoals nu in Duitsland, veel ic-bedden onbenut. Wat gebeurt er dan in tijden van crisis, bijvoorbeeld een opleving van de corona-pandemie? 

Er is dan meer ic-capaciteit. De rest van het ziekenhuis ligt dan nog steeds vol met corona-patiënten. Meer corona-patiënten op de ic betekent immers dat er ook meer patiënten in de rest van het ziekenhuis liggen. Net zoals de afgelopen anderhalve maand het geval was, is dan de hele rest van de piramide nodig en ligt alle andere zorg stil. 

Als we even een week of vier, vijf terugkijken in de tijd. De periode dat het erom spande of er snel genoeg ic-bedden konden worden gecreëerd en het uiteindelijk net lukte om er voldoende beschikbaar te hebben. Op dat moment stierven er zo’n 180 mensen per dag. Tenminste volgens de RIVM cijfers. Volgens de berekeningen van het Centraal Bureau voor Statistiek waren dat er ongeveer het dubbele, dus zo’n 360. De ‘rust’ die een verdubbeling oplevert, betekent dat er wekelijks het dubbele aantal mensen sterven, dus ruimt 700 per dag.

Hoe ‘rustig’ zou een kabinet kunnen besluiten met een dubbelde ic-capaciteit? Rust die per dag het dubbel aantal mensen het leven kost. Die de complete Nederlandse zorginfrastructuur lam legt en die roofbouw pleegt op de medewerkers in de zorg. Het enige probleem wat met bijvoorbeeld een verdubbeling van de ic-capaciteit wordt opgelost is het keuzedilemma tussen twee patiënten voor één ic-bed. Alhoewel opgelost, het duurt langer voordat we dat punt bereiken.

Als er geen maatregelen worden genomen dan verspreidt het corona-virus zich exponentieel. Omdat niet iedereen even ziek wordt en het zelfs kan zijn dat je al mensen kunt besmetten voordat je ook maar ziekteverschijnselen hebt, zijn er op het moment van de eerste geconstateerde besmette persoon, waarschijnlijk al meer personen besmet. We zagen bijvoorbeeld een verdubbeling van het aantal besmettingen, ziekenhuisopnamen en doden in ongeveer drie dagen. Dit betekent dat er drie weken na de eerste besmette persoon 32 mensen besmet zijn. Na zes weken zijn dat er al 1.024 en na twaalf weken zo’n 67.000.000. En daarmee kom ik terug bij mijn zoektocht naar een opdrachtgever waarmee ik deze Prikker begon. Die zes weken komen overeen met 28 dagen. Mijn salaris op die 28ste dag bedraagt dan € 671.088,64. Het salaris op de laatste van de dertig werkdagen is dus vier keer zoveel en wel € 2.684.354,56. En mijn totale beloning voor die dertig dagen het dubbele van dit bedrag minus 1 cent. 

We moeten dus verspreiding van het virus voorkomen. Dat kan door de mensen waarmee een besmette persoon in aanraking is gekomen in beeld te brengen, te testen op de ziekte en ze te adviseren (of verplichten) om gedurende een week of twee in quarantaine te verblijven. Die ‘drastische uitbreiding van de testcapaciteit’ is daarom belangrijk. Voor verdubbeling van de ic-bedden: “zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold,” aldus van Walsum. Het lijkt mij slimmer om te werven en om- of bij te scholen in dit ‘opsporingswerk’. Dan zijn die extra bedden niet nodig, voorkomen we dat de zorg-piramide overbelast raakt en als belangrijkste, worden er minder mensen ziek en sterven er minder aan de gevolgen van het virus. En, maar dat is van minder belang, kan het kabinet zich meer rust veroorloven in de besluitvorming.

App en/of enkelband

“Wanneer in een stad de pest uitbrak, moesten volgens een reglement uit het einde van de zeventiende eeuw de volgende maatregelen worden getroffen. Allereerst een rigoreuze parcellering: de stad en haar ‘ommeland’ worden afgegrendeld, het is verboden de stad te verlaten op straffe van de dood, en alle zwerfdieren worden afgemaakt. De stad wordt opgedeeld in verschillende wijken die elk onder gezag van een intendant worden geplaatst. Iedere straat komt onder toezicht te staan van een syndicus die met de dood wordt gestraft als hij straat verlaat. Iedereen krijgt het bevel zich op een vastgestelde dag in zijn huis op te sluiten en het is verboden het te verlaten op straffe van de dood. De syndicus komt eigenhandig de deur van iedere woning van buitenaf vergrendelen; hij overhandigt de sleutel aan de wijkintendant, die hem bewaart tot de opheffing van de quarantaine.” 

Zo begint het hoofdstuk Panoptisme van het boek Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis van de Franse filosoof Michel Foucault. Foucault haalt dit uit een reglement uit de zeventiende eeuw. We zijn nu een kleine vier eeuwen verder en de manier waarop het coronavirus wordt bestreden, lijkt hier niet veel van af te wijken. Opsluiten in huis, contact vermijden en straffen bij overtreding. Geen doodstraf, tenminste niet in dit deel van de wereld. In andere streken, zoals de Filippijnen, ligt dat anders. Ik moest aan dit boek denken toen ik bij De Correspondent een artikel  van Dimitri Tokmetzis en Morgan Meaker las over de inzet van surveillancetechnologie om: “verspreiding van het virus te onderdrukken maar toch lockdowns te versoepelen”. De beide auteurs volgen: “het scala aan bewakingstechnologieën dat wereldwijd wordt ingezet.” En door dat woord ‘bewakingstechnologieën’ moest ik aan Foucault denken. 

Foucault beschrijft de geschiedenis van het omgaan met misdadigers. Het boek begint met het beschrijven van de ten uitvoerlegging van de straf van Damiens. Damiens pleegde een mislukte aanslag op de Franse koning Lodewijk XV. Damiens wordt op een kar naar de plek gereden waar zijn straf, een openbare schuldbelijdenis, wordt voltrokken. “Daarna, “op genoemde kar, en op een schavot dat op de Place de Grèves opgericht, zal met tangen het vlees van zijn borst, zijn armen, dijen en kuiten worden gerukt; zijn rechterhand, met daarin het mes waarmee hij de vadermoord heeft begaan, zal met brandende zwavel worden verschroeid, de plekken die met de tangen zijn bewerkt, zullen met gesmolten lood, kokende olie, gloeiende spiegelhars en een mengsel van gesmolten zwavel en was worden overgoten; zijn lichaam zal vervolgens door vier paarden uiteen getrokken worden en in stukken gereten worden, zijn romp en leden door vuur verteerd en zijn as in de wind verstrooid.” Nu bleek dat vierendelen lastig vanwege het ontbreken van de juiste paarden. Daarom werden het zes paarden en dan nog ging het allemaal maar moeizaam.

Deze brute manier van straffen voor het oog van ‘het volk’, riep in de tweede helft van de Achttiende eeuw steeds meer weerstand en protest op: “de straffen moeten gematigd worden en in verhouding staan tot de delicten, de doodstraf mag slechts worden opgelegd aan schuldig bevonden  moordenaars, en de mensonwaardige lijfstraffen moeten worden afgeschaft,” aldus een samenvatting van een lijst met grieven in 1787 en 1788 ingediend bij de Franse Staten Generaal. Als alternatief kwam dwangarbeid op en in de loop van de negentiende eeuw ontstonden de gevangenissen zoals we ze nu nog steeds kennen. Een correctioneel instituut gericht op het verbeteren van de misdadiger zodat die na het uitzitten van zijn straf niet meer in de fout gaat. Hen moet discipline worden bijgebracht. Discipline ontstaat niet via het vertoon van macht, maar via observatie en kleine interventies.

De Brit Jeremy Bentham over wie ik al vaker schreef maar dan als ‘uitvinder’ van het utilitarisme, speelde hierin een belangrijke rol. Bentham ontwierp het Panopticum. Een gebouw met een centrale hal met daar rond ringen van cellen over verschillende verdiepingen gestapeld. Een cel heeft twee ramen: één naar buiten en één op de centrale hal gericht. Vanuit die centrale hal kan een persoon alles overzien zonder dat de persoon zelf gezien wordt. Bentham voorzag toepassing als gevangenis, school, ziekenhuis maar ook als bedrijfsgebouw. Koepelgevangenissen zijn volgens dit principe gebouwd. De camerabewaking van de openbare ruimte en de enkelband om thuis je straf uit te zitten, zijn eigentijdse varianten hiervan. 

‘Disciplinering’ van gevangenen kwam niet uit de lucht vallen. De opkomende industrie en het leger vroeg ook om disciplinering van mensen. Disciplinering was en is een belangrijk doel van ons onderwijs. En die disciplinering is bijzonder succesvol geweest. De manier waarop de ‘corona-maatregelen’ worden nageleefd, laten dit zien. De apps waarover nu wordt gesproken zijn een volgende stap in deze disciplinering. Als ze een verplichting worden, zijn die apps niet te vergelijken met de enkelband. Trouwens ook al ze niet worden verplicht, maar het niet hebben ervan je beperkt in je beweging?