A modern Christmas Carol

“Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken.” Dit schreef ik in mijn vorige Prikker. En nu ik het toch over geld heb, wil ik jullie meenemen in het denken over geld van Charles Eisenstein. In zijn boek Naar een economie van verbinding staat geld en de bijzondere eigenschappen ervan en wat dat betekent voor een samenleving, centraal.

Gift Economy | London Permaculture | Flickr
Bron: Flickr

Volgens Eisenstein, en daar zal bijna iedereen het mee eens zijn, vervult geld twee functies. Als eerste is het een middel om het ruilen van goederen te vergemakkelijken. Dit sluit aan bij het gebruikelijke verhaal over het ontstaan van geld. Ik heb melk van mijn twee koeien over en heb schoenen nodig. Jij hebt wel wat melk nodig maar niet die vijfhonderd liter die je paar schoenen waard zijn. Hoe krijg ik dan mijn schoenen en jij je vier liter melk? Geld maakt het mogelijk. Ik verkoop mijn melk voor vijftig cent per liter en spaar net zolang totdat ik de tweehonderd euro heb om een paar schoenen van jou te kopen. Jij koopt gewoon voor twee euro die vier liter melk van mij. Dat lijkt logisch maar hij vraagt zich af of het werkelijk zo was: “De geschiedschrijving van geld begint meestal met primitieve vormen van ruilhandel, maar onder jagers en verzamelaars komt ruilhandel juist zelden voor. De belangrijkste vorm van economische uitwisseling was het geschenk.[1]  Dat ‘helpen bij het ruilen’ was van ondergeschikt belang. Geven was het belangrijkste en, zo beweert Eisenstein, er werd gegeven aan mensen die nood aan iets hadden. Als ik schoenen nodig had en ze niet zelf kon maken, dan zou ik ze krijgen van iemand uit de groep die ze wel kon maken. En als die persoon melk nodig had, dan zou hij die gewoon van mij krijgen: “een gifttransactie heeft een open einde en schept (…) een blijvende band tussen de betrokkenen,”  ze versterkten de banden tussen de leden van de groep. Volgens Eisenstein: “ontstond geld om geschenken te kunnen geven, om dingen met elkaar te kunnen delen en om generositeit mogelijk te maken, of althans iets in die geest.[2] Geld maakte het mogelijk om de kringloop van betrokkenheid uit te breiden tot ver boven de eigen groep.

Die rol van het geld raakte door het groter worden van de kringloop van betrokkenheid, buitenbeeld, zo betoogt Eisenstein en werd echter overschaduwd door de tweede functie: “de ‘opslag’ van waarde.[3] Daarvoor werden in de vroege jaren ook andere zaken gebruikt zoals bijvoorbeeld een vaste hoeveelheid graan of andere zaken die aan bederf onderhevig waren. Wat geld voor had op die andere zaken, is dat het niet bedierf. Iets wat kan bederven moet je tijdig kwijtraken dus zorg je dat het circuleert zodat het tijdig bij een bakker of boer terechtkomt. Dat probleem kent geld niet. Het blijft waarde houden dus je kunt het oppotten en dat gebeurt dan ook. Daarmee gebeurde precies het tegenovergestelde als wat met de gift werd beoogd. Dat is dat het zich ophoopt bij mensen die het niet nodig hebben terwijl de gift juist ging naar mensen die het nodig hadden. Dat oppotten zorgt er, zo betoogt Eisenstein, op deze manier voor dat het schaars wordt terwijl er sprake is van overvloed. Of zoals Pink Floyd het zingt: “Money, get away. You get a good job with good pay and you’re okay. Money, it’s a gas. Grab that cash with both hands and make a stash.” Dit als volleerd navolgers van Ebenezer Scrooge uit de Kerstklassieker A Christmas Carol van Charles Dickins.

“Stel je voor dat je naar de bank gaat en zegt: “Ik wil graag geld lenen voor mijn bedrijf. Hier is mijn bedrijfsplan. Als jullie me een lening van geven van € 1.000.000,- kan ik in de loop van vier jaar € 900.000 verdienen. Verstrek mij dus maar die lening van € 1.000.000,- en ik betaal jullie verspreid over vier jaar € 900.000,- terug.” Daar zegt geen bank JA tegen want ze verliezen € 100.000,- dus dat is een slechte deal. Maar wat als dat geld van de bank ieder jaar bijvoorbeeld 7% minder waard wordt. Nee, niet door inflatie maar door er gewoon op af te stempelen. De euro van vandaag is volgend jaar nog maar 93 cent waard en over veertien jaar niets meer. Dit terwijl het brood gewoon ongeveer dezelfde prijs behoudt. Dan wordt oppotten van geld gestraft en zorg je er wel voor dat je er niet te veel van in bezit hebt. En dan het vervolg van Eisensteins voorbeeld “Wij vinden het een prima bedrijfsplan’, antwoordt de bank. ‘Hier heeft u uw geld.’ Waarom ze akkoord gaan? Omdat die € 1.000.000,- in deposito bij de bank nog veel sneller in waarde zou dalen – met bijvoorbeeld 7 procent, zodat er over vier jaar nog maar ongeveer € 740.000,- over zou zijn.[4]

Een interessante gedachte. Zeker omdat er de afgelopen jaren door de centrale banken miljarden in de economie zijn gepompt om die draaiende te houden in ruil voor vrij waardeloze slechte leningen. Het gros van dat geld is niet gebruikt voor consumptie en productie maar werd weer opgepot. Degenen die van hun slechte leningen af waren kochten er aandelen en vastgoed van en bliezen er zo grote bellen lucht in. Bellen die er ooit een keer uit moeten. Wat als de centrale banken die leningen hadden gekocht met ‘afstempelgeld’? Dan hadden die centrale banken die waardeloze onderpanden na, in dit voorbeeld veertien jaar van hun balansen kunnen schrijven. Zou het dan niet interessant worden om geld te lenen aan iemand die zijn eerste huis koopt voor bijvoorbeeld € 300.000, die je ieder jaar € 9.000 terugbetaalt gedurende een periode van 30 jaar? Zou er dan niet een einde komen aan de schaarste aan geld omdat het dan vloeit naar degenen die het nodig hebben en niet naar degenen die erin zwemmen? Een interessante gedachte. Interessant want zou dat ook op andere terreinen andere keuzes mogelijk maken? Andere carrière keuzes bijvoorbeeld omdat de ‘job with good pay’ dan wellicht minder interessant is dan iets voor anderen doen?


[1] Charles, Eisenstein, Naar een economie van verbinding, pagina 25

[2] Idem, pagina 31

[3] Idem, pagina 32

[4] Idem, pagina 243

Crypto’s, geld en ‘het kindje Jezus’

“Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden.” Dat is volgens Madeleine Böhme en haar twee coauteurs wat de Homo sapiens bijzonder maakt. Die: “voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[1]

Mozaïek, Kleurrijk, Kralen, Oud, Ontwerp, Patroon
Bron: Pixabay

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een column van Peter de Waard in de Volkskrant over het beleggen in crypto-munten door jongeren. “Zo’n 1,2 miljoen vooral jonge Nederlanders blijken bitcoins of andere cryptomunten te hebben. En dat baart de toezichthouders zorgen. Het onderpand is iets ongrijpbaars of virtueels, niet een schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert.” Het onderpand van een crypto-munt is iets ongrijpbaars. Daarom zijn ze, zoals De Waard schrijft: “puur voor de speculatie. Het is net als met het kindje Jezus, je gelooft erin of niet. Als betaalmiddel zijn ze totaal nutteloos, zo is na tien jaar wel gebleken.” Nu zijn er steeds minder mensen die nog in het kindje Jezus geloven en toch viert het gros van die mensen binnenkort het feest ter ere van zijn geboorte. Dus in hoeverre moet je in iets geloven om het je handelen te laten bepalen?

Dit even terzijde. Alhoewel terzijde, het raakt aan de kern. Dus nog er nog maar even op voortborduren. “In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand  die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik enkele jaren geleden in een van mijn Prikkers. Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig in zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het Westen soms ook in het Oosten willen zijn ” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon betekenen.

Geldt dat niet ook voor dat: “schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert?” Waarin verschilt een obligatie of een aandeel van het kindje Jezus? Als je erin gelooft dan vertegenwoordigen ze waarde, geloof je er niet in, dan kun je er een vuurtje mee stoken. Maar dan moet je ze wel op papier hebben anders lukt zelfs dat niet. Een stapje verder. De waarde van dat aandeel, die obligatie en ook die crypto worden uitgedrukt in geld, afhankelijk van waar je woont in bijvoorbeeld euro’s of dollars. Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken. Aan de digitale heb je dan helemaal niets. En is ook de waarde die we toekennen aan goud en edelstenen niet ook gewoon een ‘geloof’? Geloof je er niet in dan heb je er niets aan. Dan zijn die edelstenen niet meer dan wat kleurrijke kralen.

Bijzonder dat de toezichthouders waarschuwen voor die ongrijpbare en volgens De Waard als betaalmiddel nutteloze crypto’s en verwijzen naar even zo ongrijpbare zaken als aandelen en obligaties. Is het niet vergelijkbaar met een aanhanger van ‘het kindje Jezus’ die een aanhanger van de islam verwijt dat zijn god niet echt is?


[1] Böhme, Madeleine, Braun, Rüdiger en Breier, Florian, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

Een unieke eenheidsworst

“Ga dat je personal coach en je stijladviseur maar wijsmaken! Meer eenheidsworst dan in deze tijd heb ik de hele 20ste eeuw niet gezien.” Deze woorden legt Olaf Tempelman in zijn wekelijkse humoristische column Op het tweede gezicht in de mond van de Engelse koningin Elisabeth II. Tempelman fingeert een gesprek tussen de koningin en haar schoondochter Kate Middleton die in dat gefingeerde gesprek aangaf dat tegenwoordig: “authenticiteit juist veel belangrijker dan vroeger,” is. Bij het lezen van deze passage moest ik denken aan het boek The Society of Singularities van Andreas Reckwitz. In twee eerdere Prikkers schreef ik al over dit boek. Een boek waarin Reckwitz de laat-moderne tijd waarin we nu leven beschrijft als een streven naar het unieke en bijzondere: unieke en bijzondere producten, gebeurtenissen, plaatsen en mensen. Reckwitz schrijft precies over die  authenticiteit die ‘juist veel belangrijker is dan vroeger’. Hoe is dit te rijmen met de ‘eenheidsworst’?

Bron: Pixabay

Het simpele antwoord. Als iedereen streeft naar authenticiteit dan is dat streven de eenheidsworst. Dat is een te makkelijke verklaring. Volgens Reckwitz streven we, ten minste een deel van ons en daar kom ik later nog op terug, naar uniciteit door die unieke spullen, door deel te nemen aan unieke gebeurtenissen en unieke plekken te bezoeken, door op unieke plekken te gaan wonen, in unieke huizen en die uniek in te richten en door al die unieke zaken met unieke verhalen aan elkaar te praten. Alles wat we doen moet bijzonder zijn en zo proberen we een unieke identiteit op te bouwen. Reckwitz noemt dit de nieuwe middenklasse. Die we is een middenklasse van hoogopgeleide, kosmopolitisch ingestelde mensen.

En daarmee kom ik bij de betekenis die Van Dale geeft aan het woord authentiek en dat is “betrouwbaar, geloofwaardig.” Als anderen je authenticiteit geloofwaardig vinden dan ben je authentiek. En daar komen we bij de ‘eenheidsworst’. Als je authenticiteit niet wordt gezien, dan behoor je met je ‘bijzondere en unieke’ huis, ervaringen, vakanties, verhalen enzovoorts tot de eenheidsworst. Authentiek is echter alleen authentiek als anderen het als uniek waarderen. Of jij een authentieke persoon bent, hangt dus van anderen af. Bovendien kan je authentieke van de ene op de andere dag verdwijnen en dan blijf je achter met de gebakken peren. Dan lig je eruit, dan word je gecanceld om die term maar eens te gebruiken. Hoe dat werkt kan de Amerikaanse komiek David Chapelle je waarschijnlijk wel vertellen. Die nu van gevierd naar gevierendeeld komiek gaat.

Omdat mensen verschillende opvattingen hebben, hangt het van de persoon af hoe het authentieke eruit ziet en hoe de eenheidsworst. Een fervent aanhanger van Forum voor Democratie ziet in Baudet waarschijnlijk een groot intellectueel en een unieke persoonlijkheid. Anderen, zien een over het paard getilde dandy die zichzelf wel erg geweldig en belangrijk lijkt te vinden waarvan er meer zijn. Dat laatste lijkt dan te worden bevestigd door zijn mede-Kamerleden en aanhangers, allemaal in eenzelfde soort pak, eenzelfde manier van spreken, betogen en overdrijven.

Dat streven naar authenticiteit is, zoals Tempelman Middlton laat zeggen, tegenwoordig heel belangrijk. Er is echter alleen één groot probleem. Voor een groot deel van de mensen ligt het buiten bereik en daarmee kom ik terug bij het andere deel van de we. Het deel dat behoort tot de verliezers van de laat-moderne tijd. Zij behoren tot de onderklasse van mensen voor wie werk, als ze dat al hebben, niet bijdraagt aan hun gevoel van eigenwaarde en dus identiteit. Zij werken om te kunnen leven en het salaris voor dat werk is vaak te weinig om van te kunnen leven. Zeker om te kunnen leven op een manier die in de buurt komt van die nieuwe middenklasse. Of ze behoren tot de oude middenklasse. De geschoolde fabrieks- en witte boordenwerkers met een redelijk inkomen. Geschoold maar niet hoogopgeleid en niet kosmopolitisch want gebonden aan een plek door het werk en de familie. Een groep die, volgens Reckwitz uit twee delen bestaat. Het bovenste deel dat hoopt op een of andere manier tot die nieuwe middenklasse te gaan behoren door bijvoorbeeld studie of opklimmen via het werk. Het andere deel probeert te voorkomen dat het tot de onderklasse gaat behoren en dan vooral niet bij de onderkant van die onderklassen.

Zou het laat-moderne streven naar authenticiteit voor die onderklasse en zeker ook voor het onderste deel van de oude middenklasse niet funest zijn omdat zij nooit tot uniciteit en authenticiteit kunnen komen? Nooit, behalve dan wellicht als profsporter of crimineel. Maar dan moeten ze wel tot de absolute top van de sport of het criminele circuit behoren. Hoe zou het voelen als iets wat als cruciaal wordt gezien al bij voorbaat buiten je bereik ligt? Zeker als je te horen krijgt dat het aan jezelf ligt omdat je niet goed genoeg ‘je best hebt gedaan.’ Want in het wereldbeeld van die nieuwe middenklasse kun je alles bereiken als je er maar in geloofd en je uiterste best doet.

Ik werk dus in ben!

“Working 9 to 5, what a way to make a living. Barely gettin’ by, it’s all taking and no giving. They just use your mind and they never give you credit. It’s enough to drive you crazy if you let it.” Het refrein uit 9 to 5, de hit waarmee Dolly Parton in 1980 de hitlijsten bestormde. Een lied over een eenvoudige arbeidster die probeert wat van haar leven te maken maar niet echt vooruit komt. Working 9 to 5, een beperkt deel van dag werken om zo geld te verdienen om te leven. Werken om te kunnen leven. De motivatie om te werken lag in de mogelijkheid die het bood om te leven. Tegenwoordig is dat anders, zo betoogt Andreas Reckwitz in zijn boek The Society of Singularities waarover ik in een recente Prikker ook al schreef. Toen over het enige wat tegenwoordig schaars lijkt, namelijk aandacht. Werken is tegenwoordig veel meer.

coaching text decor, coaching, business, success, coaching business, business coaching, business coach, inspire, motivation, coach
Bron: pxfuel

Werk: “has turned (…) into one of the main sources of a meaningful life.” Het: “not only increases our satisfaction on the job but also tends to encourage self-exploitation in a typically late modern way.” Gevolg hiervan is dat werk kwantitatief en kwalitatief steeds meer plek inneemt in ons leven. Daar waar de werklui in de tijd dat Parton de hitlijsten bestormde hun motivatie haalden uit de financiële beloning, is dat tegenwoordig heel anders. Als werk je doel in het leven is, dan is alleen financiële beloning erg mager. En omgekeerd, dan is alleen die financiële beloning geen goede motivatie om te gaan werken. Die motivatie moet dan uit jezelf komen. Dan moet je intrinsiek gemotiveerd zijn en dat houdt het risico in, zo betoogt Reckwitz: “that the work itself will no longer have any limits and that working subjects will have nowhere to retreat on account of the dissapearing distance between professional self-actualization and personal identity.[1] Om het kort samen te vatten en Descartes te parafraseren: ‘‘ik werk dus ik ben!”

En ik ‘ben’ alleen als ik succesvol optreed, want volgens Reckwitz is werk steeds meer te vergelijken met een toneelvoorstelling: “the praxis of of late-modern working culture has been reorienting itself more and more toward the format of performance and away from objective achievement.[2] Daar waar de arbeider in de oude 9 to 5 tijden werd afgerekend op zijn productie in een bepaalde tijdseenheid, is het succes nu afhankelijk van de waardering van ‘het publiek’ dat de ‘voorstelling’ bijwoont. Dat begint al bij de selectie van medewerkers. Diploma’s en andere redelijk objectieve maatstaven doen er veel minder toe, dit ten faveure van competenties die niet objectief te meten zijn. Aan de hand van de ‘voorstelling’ die je geeft tijdens het sollicitatiegesprek, wordt ingeschat of je de gewenste competenties bezit. Ben je al wat verder in je loopbaan, dan zijn eerdere ervaringen belangrijk.

Kijken met Reckwitz bril dan zijn er twee zaken die goed kunnen worden verklaard. Zo hoeft het grote aantal mensen dat overwerkt met een burn-out thuiszitten niet te verbazen. Als je voor je eigenwaarde afhankelijk bent van de subjectieve beoordeling door anderen, en die beoordeling vooral afhankelijk is van je laatste voorstelling, dan ligt een burn-out op de loer. Als tweede de wildgroei aan ‘personal coaches’. Het lijkt wel alsof er tegenwoordig meer coaches zijn dan gecoachte mensen. Reckwitz over coaching: “This is no langer just a matter of providing general recipes for self-management; rather, it involves analyzing the complex capabilities and desires of individual personalities in order to discover untapped potential, to refine and develop personal visions, and to figure out alternatives, opportunities and risks within the aim of developing career strategies.[3]

Nu is dit niet het hele verhaal. In een wereld waarin je bent wat je werkt, ben je niet veel als je een baan hebt zoals de persoon in Dolly Partons 9 to 5. En dat is wat we ook in onze huidige samenleving zien. Veel werk is nog steeds van het 9 to 5 soort en is onmisbaar om de samenleving goed te laten draaien. Schoonmaken, vuilophalen, het verplegen en verzorgen van mensen, de post en pakketten bezorgen, de winkelschappen vullen, allemaal onmisbaar, maar waar je in een wereld die, zoals Reckwitz het noemt : “Massively desires the uniqueness of working personalities,[4]” niet mee scoort. Dan rest als enige motivatie (en waardering) je salaris en laat het daaraan nu ontbreken. Moet het dan verbazen dat we kampen met een tekort aan personeel in de zorg, het onderwijs, bij de politie enzovoorts?


[1] Adreas Reckwitz, The society of singularities, pagina 157

[2] Idem, pagina 150

[3] Idem, pagina 155

[4] Idem, pagina 160

Schaarste

Een boek dat me altijd bij is gebleven is Het rijk van de schaarste van de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis. Nu heb ik dat met meer boeken van Achterhuis. “Schaarste wordt nog altijd aanwezig geacht in onontwikkelde en onderontwikkelde gebieden, zij wordt in verband gebracht met honger in de Sahel of armoede in India. Met technische middelen zou ze in de toekomst overwonnen kunnen worden,” schreef Achterhuis in 1988. Hij zag het echter anders: “In dit boek zal ik precies het tegenovergestelde trachten aan te tonen. De moderne maatschappij heeft de schaarste niet overwonnen maar juist gecreëerd. Mondiaal gezien zijn we niet op weg naar overvloed of zelfs naar een ‘genoeg’, maar breidt de schaarste zich steeds verder uit. Juist de Westerse ‘overvloedsmaatschappijen’ worden gekenmerkt door een zich tot op alle gebieden uitbreidende schaarste …. Alles is schaars geworden, welzijn, gezondheid, schoon water, schone lucht, ja zelfs tijd.[1] Die beschrijving uit het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw, leek mij nog steeds een adequate beschrijving van het nu.

Leek, omdat een de Duitser Andreas Reckwitz in zijn boek The society of singularities beweert dat er in de laat moderne tijd, zoals hij het noemt, eigenlijk maar aan één ding echt schaarste is. En nee, dat is niet aan frisse lucht, schoon water, welzijn, gezondheidszorg of zelfs tijd. Volgens Reckwitz was de moderne tijd een tijd van gestandaardiseerde producten gemaakt door verschillende fabrikanten en bedoeld voor alle consumenten. Die fabrikanten verdeelden de buit waarbij hun winst afhing van hun productiekosten. De prijs van standaardproducten wordt immers bepaalde door vraag en aanbod waarbij de vraag stabiel is.

In de laat-moderne economie is dat, zo betoogt Reckwitz, anders. Die wordt gedomineerd door het unieke en bijzondere: unieke en bijzondere producten, gebeurtenissen, plaatsen en mensen. Reckwitz noemt dit singulariteit en de markt hiervoor singulariteitsmarkten. Dat bijzondere kan op verschillende gebieden betrekking hebben: op de esthetiek, het verhaal, het ontwerp, het originele en ludieke van iets. Alleen is niet van tevoren bekend wat ‘uniek’ gaat worden. Reckwitz vergelijkt het met de kunst, waar al sinds eind achttiende eeuw het unieke wordt beloond. Dat is nu het ‘model’ voor de hele economie en dat zorgt voor een overvloed aan, zoals Reckwitz ze noemt, ‘culturele goederen’. Goederen die niet worden gekocht om hun gebruikswaarde maar om dat ‘unieke’. Producten die de ‘unieke’ status bereiken, maken hun producent rijk, die heeft op dat gebied het grootste deel van de markt. Tenminste zolang als het product ‘uniek’ blijft. Culturele producten die deze status niet bereiken, rest de vergetelheid en hun makers een fors verlies. Alleen is niet van tevoren bekend welk cultureel product die ‘unieke’ status gaat bereiken. Een voorbeeld uit de kunstwereld maakt het duidelijk. Er worden per jaar honderden films gemaakt, waarvan er slechts een paar de bioscoop halen, nog minder enkele weken worden vertoond en slechts enkele worden kassuccessen. De rest verdwijnt in de vergetelheid. Waaruit ze ooit weer kunnen worden gehaald als ze onverhoopt toch weer iets ‘unieks’ krijgen.

Al die producten maar ook personen, plaatsen, evenementen zijn op zoek naar de status ‘uniek’ en vragen om juist dat ene iets wat volgens Reckwitz in de laat-moderne economie echt schaars is en dat is aandacht: “What caracterizes today’s singularity markets is the historically unprecedented dynamization and dispersion of attention, whose exact distribution is unpredictable on a case-by-case basis. In this case, the attention of the public has become a scarce resource. In general, if there is any sort of scarcety in late modernity, this is no langer a scarcety of goods but rather an scarcety of attention (and appreciation).[2] 

Een heel andere manier om naar de huidige samenleving te kijken. Een manier die een goede verklaring biedt voor de grote afvalstromen die we met z’n allen produceren. Wat niet ‘uniek’ wordt, wordt immers afval. En wat de status ‘uniek’ verliest, maakt ook grote kans om op die hoop terecht te komen. De productie van al dat naar de status ‘uniek’ strevende spul vraagt energie en kostbare grondstoffen die vervolgens op de vuilnisbelt belanden of, met een beetje geluk, gerecycled worden. Zou het helpen als we dit in ons achterhoofd houden als we weer worden verleid om die nieuwe iPhone 14 of 16 (waar zijn we inmiddels) aan te schaffen met die ‘unieke features’?


[1] Hans Achterhuis Het rijk van de schaarste, pagina 13

[2] Andreas Reckwitz, the society of singularities, pagina 113

Problem, government, solution

In de Volkskrant pleiten drie gepensioneerde TU Delft ingenieurs, zoals ze zich noemen, ervoor: “een soort Deltacommissie in het leven te roepen om dit complexe project weg te trekken bij de politiek, want die heeft al laten zien dat ze geen resultaten kunnen boeken.” Het complexe project waar ze het over hebben betreft het klimaatneutraal maken van onze manier van leven. Want alles wat er nu gebeurt is ineffectief en kost veel geld zo betogen de ingenieurs. Niet vreemd want: “Politici zijn geen technici en kunnen derhalve niet beslissen over de optimale keuzes tussen voor- en nadelen van verschillende maatregelen.” Die keuze moet worden overgelaten aan specialisten want: “Dat is echt een technische en economische afweging.” Nu maak ik me ook zorgen om de klimaatverandering en mogen de maatregelen best wat forser en sneller. Toch maak ik me meer zorgen om dergelijke betogen.

File:Deltawerken - Osterschelde - Zeeland.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Flickr

Mijn zorgen richten zich als eerste op hun gebrek aan historische en staatkundige kennis. De ingenieurs verwijzen naar de Deltacommissie die in 1953 werd ingesteld om te bekijken hoe Nederland kon worden beveiligd tegen overstromingen zoals die van de watersnoodramp van een jaar eerder. De commissie bestond uit ingenieurs, logisch want die hebben verstand van die zaken, een landbouwkundige en een econoom. Het was de politiek, de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Jacob Algera, die deze commissie in het leven riep om hem en in het verlengde de regering en het parlement, te adviseren over te nemen maatregelen. Een staatscommissie binnen ons bestuurlijk bestel voor een specifiek onderwerp met een specifiek doel. Een adviescommissie want besluiten namen de regering en het parlement. Het complexe project waterveiligheid werd dus allerminst ‘weggetrokken van de politiek’. Nu is dit het minst belangrijke punt van zorg.

Grotere zorgen maak ik me om hun grote vertrouwen in technische maar vooral economische specialisten. Techneuten, de drie ingenieurs lijken daarop geen uitzondering te zijn, hebben groot vertrouwen in wat techniek vermag. Een terecht vertrouwen want techniek vermag veel. Zo kunnen we door technische vindingen energie opwekken door atomen te splitsen. Dat kan beheerst in een kerncentrale en onbeheerst via een atoombom. En die: “effectiefste oplossing” wordt, zoals de heren aangeven, onbenut gelaten. Maar misschien is de effectiefste manier wel te duur en is het ‘opslaan van koolstofdioxide’ iets minder effectief maar goedkoper. Bij dat uitrekenen van kosten komen economen dan weer van pas. Maar nu we het over economen hebben. Techneuten kunnen verschillende technieken aanbevelen als beste, en dus van opvatting verschillen. Economen hebben dat nog veel meer. Neem de gezondheidszorg, afhankelijk van de kijk op de wereld zal de ene, meer socialistisch georiënteerde, econoom een hartstochtelijk pleidooi voor publieke gezondheidszorg houden en de andere, neoliberale het als de grootste waanzin en economische dwaling afwijzen. Aan welke techneuten en economen laten we de oplossing van dit probleem over?

Nu ik het toch over neoliberaal heb, het denken van de ingenieurs vertoont overeenkomsten met het neoliberale denken. En daarmee kom ik op een volgende en grootste punt van zorg. De overeenkomst tussen de ingenieurs en het neoliberalisme betreft een stuitend gebrek aan vertrouwen in de overheid en ons democratische bestel. Neoliberalen zien de markt als oplossing voor alle problemen en de overheid als oorzaak van alle ellende. Om het met de woorden van wijlen voormalig president van de Verenigde Staten Ronald Reagan te zeggen: “Government is not the solution to our problem, government is the problem.” Met Reagan staan we aan het begin van de triomftocht van dat neoliberalisme. Sinds begin jaren tachtig werden overheidsdiensten zoals de post, de telefoon en het spoor geprivatiseerd want dat zou tot betere en goedkopere producten leiden. Sinds die tijd moest de overheid ‘steeds kleiner’ en werd ‘ambtenaar’ een besmet beroep. Daar waar John F. Kennedy ‘the best en brightest’ naar de overheid lokte, worden ze sinds Reagan verleidt om een algoritme te ontwerpen om snel winst op de beurs te maken of een app te ontwikkelen die zoveel mogelijk gegevens en dus geld uit mensen klopt. Kennedy liet ze bij NASA de eerste mens op de maan zetten. Dat doen ze nu ter meerdere eer, glorie en vooral de portemonnee van Musk en Bezos. Heren die hun rijkdom, om het zo te zeggen, te danken hebben aan Kennedy omdat hun bedrijven draaien op technieken die via overheidsinvesteringen tot stand zijn gekomen. Voor wie er meer over wil weten. Lees Mariana Mazzucato’s boek De ondernemende staat. Of voor wie een boek te lang is, deze Prikker.

Een kleinere overheid die zich met steeds minder zaken ‘moest bemoeien’ en wat ze nog wel deed en doet, moet volgens de New Public Managent. Een manier van denken waarbij de burger een klant is en de overheid een bedrijf en ook op die manier aangestuurd moet worden. Een overheid waar steeds meer op neer werd en wordt gekeken. En dat neerkijken is terecht en niet terecht. Het is terecht omdat de prestaties van die overheid de laatste jaren niet om over naar huis te schrijven zijn. Het is niet terecht omdat dit een gevolg is van die neoliberale manier van kijken naar de overheid. Als je de overheid als een bedrijf ziet, moet je niet verbaasd opkijken als Kamerlidmaatschap en het ministerschap een carrièrestap wordt. Een opstapje om uiteindelijk te cashen bij een bank, zoals Zalm en Kok, of bij een lobbyfirma zoals recentelijk VVD-minister Van Nieuwenhuizen en Kamerlid van dezelfde partij Lodders. Dan hoeft het ook niet te verbazen dat we een premier hebben die ‘visie een olifant in de kamer’ vindt en die op z’n best opereert als manager. Dan moet je niet verbaasd kijken als ‘the best and brigthest’ niet voor de overheid kiezen, want wie wil er nu voor een ‘probleem’ werken. Als je iets als ‘probleem’ bestempelt en het op de manier behandelt zoals de overheid sinds Reagan is behandeld, dan moet je niet verbaast opkijken als het uiteindelijk een probleem wordt.

Het is echter wel ‘het probleem’ dat namens ons besluiten moet nemen welke technische oplossing de voorkeur krijgt en welke economische argumenten de doorslag geven. Die bevoegdheid uit handen geven aan ‘een Deltacommissie’ los van de politiek komt op hetzelfde neer als Facebook het privacy-beleid laten ontwerpen. Dit betekent namelijk het verder verzwakken van onze overheid en vooral onze democratie. Als we iets niet moeten doen dan is het dat wel. We moeten de overheid juist versterken van de afbraak van de afgelopen veertig jaar. Om Reagans woorden in een wat andere volgorde te zetten: government is not the problem, government is the solution to our problem!

De kwal en de olifant

“De hele landbouw opdoeken, daar kijkt geen Volkskrant-lezer van op.” Zo schrijft Martin Sommer in zijn column in de Volkskrant. Sommer schrijft dit naar aanleiding van een ‘alarmerend’ rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL concludeert, zo vat Sommer het samen: “wij lopen hopeloos achter bij het onder de duim houden van de CO2-productie. CO2 en stikstof zijn grote, hete aardappelen op het bord van de formatie. Als oorzaken van de slechte CO2-prestaties noemde het Planbureau ‘de snelle economische groei én de snelle bevolkingsgroei’.” Over alles wordt gepraat en overlegd: “Maar bevolkingsgroei, daar loopt iedereen als om de spreekwoordelijke kwal omheen.” Hoe ziet die ‘kwal’ eruit waar iedereen omheen loopt?

Afrikaanse Olifant, Bull, Wandelen, De Weg, Dikke Huid
Bron: Pixabay

Sommer gaat te leen bij demograaf Jan van de Beek van wie in april een rapport over de gevolgen van immigratie voor de verzorgingsstaat en de overheidsfinanciën verscheen. Van de Beeks conclusie: “Als de immigratie doorgaat zoals nu, is de verzorgingsstaat op termijn onhoudbaar. De bevolking is nooit zo snel gegroeid als onder premier Rutte: anderhalf miljoen erbij in tien jaar. En allemaal door migratie.”  En dat is niet gratis: “Volgens Van de Beek kosten asielzoekers, nareizigers en arbeidsmigranten samen de schatkist nu al jaarlijks 19 miljard, aan uitkeringen, toeslagen en voorzieningen. Op de lange duur wordt dat 50 miljard per jaar. Van de Beek zegt dat je de verschraling van de verzorgingsstaat al kunt zien: verkorting van de WW-duur, afschaffing van de studiefinanciering, slechtere ouderenzorg.” Zo, dat is ernstig. De discussie spitst zich vervolgens toe op ‘vluchtelingen’ en dat is, zo betoogt Sommer: “Ten onrechte, want de overgrote meerderheid bestaat uit arbeidsmigranten. Juist daar zijn politieke keuzes te maken zonder direct tegen VN-verdragen aan te lopen.”

Gelukkig ziet Sommer ook een oplossing: “Nidi en CBS rekenden voor dat als vrouwen, allochtonen en ouderen meer gaan werken, de vraag naar buitenlandse arbeid spectaculair daalt. Minder huishoudens betekent minder vraag naar woningen, betekent niet elke vijf jaar een stad als Den Haag erbij zoals nu.” Als de genoemde groepen meer en langer werken is migratie niet nodig. Alleen wil niemand het over migratie hebben want: “Rechts wil de ondernemers niet beteugelen in hun behoefte aan goedkope arbeid; links haalt vluchtelingenbeleid en arbeidsmigratie door elkaar. Markt en moraal leiden zo allebei naar open grenzen; de maatschappelijke gevolgen komen pas later.” Conclusie van Sommer: stop de bevolkingsgroei en het CO2-probleem is op te lossen.

Een bijzondere conclusie. Het PBL concludeert dat de bevolkingsgroei én de snelle economische groei de slechte CO2-prestaties veroorzaken. Sommers oplossing pakt alleen de bevolkingsgroei aan, niet de economische. Wat als ouderen tevreden zijn met eerder stoppen met werken en het inkomen dat ze dan hebben? Wat als vrouwen en ook mannen tevreden zijn met het inkomen en hun leven als parttimer? Als dat het geval is, waarom zouden we dan streven naar meer ‘banen creërende’ economische groei? Waarom zouden we dan bijvoorbeeld het gebied rond Venlo nog verder volbouwen met ‘logistieke loodsen’ als er geen mensen zijn die erin kunnen en willen werken? Als er vervolgens weer arbeidsmigranten nodig zijn om het werk te doen. Arbeidsmigranten die weer gehuisvest moeten worden. Waarom dan beleid ontwikkelen dat gericht is op economische groei?

Als de bevolkingsgroei de kwal is waar iedereen omheen loopt, is de economische groei dan niet de olifant in de kamer? Zou het aanpakken van die olifant er niet ook voor zorgen dat het leefklimaat voor de ‘kwal’ verslechtert? Zou dat er samen niet voor zorgen dat de CO2-prestaties verbeteren?

Filantropisch kolonialisme

Bij de Correspondent houdt Rutger Bregman een pleidooi voor effectief altruïsme. De titel van het artikel luidt: Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk? Een bijzonder artikel. Effectief altruïsme wil zoveel mogelijk goed doen in een mensenleven en zoveel mogelijk goed doen voor een euro of dollar. Ik schreef er eerder al eens over toen ik het boek Doing good Better van William Macaskill besprak. Aanleiding voor die bespreking was trouwens ook een uitspraak van Bregman en op die uitspraak kom ik later terug.                

‘Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk?’ Een interessante vraag die je meteen met een moreel oordeel opzadelt of beter gezegd moreel veroordeelt. Ja, ik ben voor gelijkheid en ja, qua inkomen behoor ik tot de rijkste 3,5% van de wereld. Nu is dat voor een Nederlander niet zo bijzonder. Met een modaal inkomen van € 36.500 per jaar, behoor je tot de 3,5% van de wereldbevolking met het hoogste inkomen. Dus ik moet mij schamen, ik ben voor gelijkheid en ik ben ‘zo rijk’. Moet de modale Nederlander zich schamen? Schamen vooral omdat hij hier is geboren en niet bijvoorbeeld in Pakistan?

Een vraag waarbij rijkdom en gelijkheid als samenhangende begrippen worden gezien. Aan de ene kant rijkdom en aan de andere kant gelijkheid. In feite zegt Bregman dat er pas sprake is van gelijkheid als iedereen even rijk is. Rijkdom is volgens Van Dale, en die omschrijving volgt Bregman: “het rijk zijn, rijk bezit, geld, goederen, schatten.” Geestelijke rijkdom en rijkdom aan liefhebbenden om je heen vallen buiten deze definitie. Gelijkheid definieert dezelfde Van Dale als: “volkomen overeenkomst in een bepaald opzicht.” Voor Bregman dus ‘volkomen overeenkomst in rijkdom’. In de politieke geschiedenis wordt gelijkheid anders gedefinieerd. “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness,” aldus de tweede alinea van de verklaring waarmee dertien Staten in Amerika zich onafhankelijk verklaarden. Nu hoeft die ‘Creator’ er van mij niet in, dit terzijde. Gelijkheid gedefinieerd als gelijke rechten voor iedereen. Gelijke rechten betekenen dan niet per definitie ‘iedereen evenveel rijkdom’. Ook met verschillen in rijkdom is politieke en maatschappelijke gelijkheid voor iedereen mogelijk. Dat rijkdom mogelijkheden biedt en tot ‘onvolkomen overeenkomst in bepaalde andere opzichten’, leidt is evident. Dat er aan de grote inkomens en vooral vermogensongelijkheid in de wereld iets moet gebeuren, staat buiten kijf.

Het wordt bijzonder als Henk Broekhuizen in een discussie onder het artikel aangeeft dat het boek De tirannie van verdienste van Michael J. Sandel hem op dit punt de ogen heeft geopend: “Hoezo heb ik meer recht op het door mij verdiende geld. Als je bent geboren op de goede plek, bent gezegend met goede collegae die je activiteit in het bedrijfsleven hebben doen resulteren in een goede financiële positie,” schrijft Broekhuizen. Bregman reageert hierop door een link te sturen naar een Twitterdraadje waarin Sandel wordt verweten dat kaartjes voor een workshop van hem schreeuwend duur waren en voegt eraan toe: “Een boek schrijven over de ‘grenzen van de markt’ om vervolgens jezelf te commodificeren. Ook hier geldt weer: makkelijk om naar anderen te wijzen, maar verdraaid lastig om je eigen idealen in de praktijk te brengen.”

Een bijzondere reactie van iemand die voor effectief altruïsme pleit. Bijzonder omdat effectief altruïsme erom gaat om zoveel mogelijk goed te doen in je leven. Wie Macaskill, een van de oprichters van die beweging zo is te lezen op de kaft van het boek, leest, zal zien dat zoveel mogelijk geld verdienen een van de strategieën is die een altruïst kan toepassen. Als je veel verdiend kun je immers ook veel weggegeven en dus veel goed doen. Volgens Macaskill kun je beter ‘flitshandelaar’ worden dan tropenarts want met je verdiensten als ‘flitshandelaar’ kun je meer voor armen doen dan een tropenarts.

Nu weten we, ik en Bregman ook niet, wat Sandel met dat vele geld doet dat die workshops opleveren. Wellicht geeft hij een flink deel ervan aan goede doelen of betaalt hij er studiebeurzen van voor kinderen waarvan de ouders de studie niet kunnen betalen. Dan doet hij precies wat het effectief altruïsme aanbeveelt: veel verdienen zodat je veel weg kunt geven. Of misschien pot hij het wel op of koopt hij er allerlei ‘bling’ van. We weten het niet. Het gaat mij ook niet om Sandel.

Het gaat mij erom dat Bregman met die opmerking zonder dat hij het zich realiseert, de Achilleshiel van de effectief altruïsme beweging bloot legt. Alle altruïsten, groot en klein, kunnen alleen maar ‘altruïst’ zijn door precies dat te doen wat Bregman Sandel verwijt en dat is door te commodificeren. Neem de grote altruïsten van deze tijd Bill Gates en zijn ex Melissa. Zij haalden en halen hun vermogen en geld uit de bijna monopoliepositie van Microsoft. Vervolgens stoppen ze dat vermogen in een eigen stichting om ‘goed te doen’. Dat ‘goed doen’ doen ze van de rendementen van de beleggingen van dat vermogen en het vermogen van de anderen die zich bij hun ‘Giving Pledge’ hebben aangesloten. Niet door dat vermogen op te souperen. Ook Bregman zelf ontkomt er niet aan. Hij kan alleen de ‘altruïst’ uithangen door deel te nemen aan het systeem. Door artikelen te schrijven en podcasts te maken waar mensen als ik voor betalen. Door boeken te schrijven die mensen als ik lezen en door lezingen te houden. Dus door te commodificeren. Is zijn kritiek op Sandel niet van een hoog ‘pot verwijt de ketel’ gehalte? Altruïst kun je alleen maar binnen het systeem zijn.

En daarmee kom ik terug op de uitspraak die voor mij aanleiding was om een Prikker te wijden aan het boek van Macaskill. Op een activiteit van het World Economic Forum in Davos, werd Bregman geïnterviewd en sprak hij zich juist uit tegen filantropie met de woorden: “Taxes, taxes, taxes! The rest is bullshit.” Als we werkelijk naar een betere verdeling van de rijkdom en kansen in de wereld willen, dan komen we er niet met filantropie. Dan hebben we echt ‘taxes, taxes, taxes’ nodig en geen filantropische bullshit. Filantropie houdt, ondanks dat er mensenlevens worden gered en er goeds gebeurt, de bestaande verhoudingen in stand en vergroot die zelfs nog. Erger nog, om een tegenwoordig veel en vaak niet op de goede manier gebruikt woord te gebruiken, het zorgt voor ‘koloniale verhoudingen’.  

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.

Money, money, money

Als jongetje van twaalf jaar droomde ik van een carrière als voetballer. Ik droomde ervan omdat ik heel graag voetbalde, niet omdat er zoveel geld mee te verdienen was. In die tijd, in de jaren zeventig, bestond het ‘gilde van profvoetballers’ vooral uit semiprofs die eerst de post bezorgden of een huis schilderden en daarna gingen trainen. Tegenwoordig is dat wel anders. Neem Messi, die verdient in één maand meer dan het totale budget van mijn clubje VVV. Sterker nog, voor de ongeveer € 5 miljoen in de maand die hij dan nog overhoudt, moet iemand met een modaal salaris ongeveer 135 jaar werken.

File:VVV Venlo (1956), ANEFO Rousel, Bestanddeelnr 157-0521.jpg - Wikimedia  Commons
Uit de oude doos: VVV in 1956. Bron: WikimediaCommons

Toch schijnt dat niet genoeg te zijn. Het betaald voetbal stevent op haar ondergang af, er moet meer geld bij anders gaat het absoluut fout. “Met de inkomsten uit de Champions League gaan we er allemaal aan: de grote clubs, de middelgrote en de kleine.’ Wat het voetbal nodig heeft, zegt de Super League-preses, is Federer tegen Nadal. ‘Elke dinsdag en woensdag.” Zo lees ik in de Volkskrant. Daarom ging Perez met zijn collega’s van elf andere Europese top- en sommige wat meer dure flopclubs op zoek naar nog meer geld en wilden ze de Superleague beginnen.

De Champions League is nu het mekka waar het grote geld is te verdienen, de hele grote kers met slagroom op de landelijk taart. Alleen moet je je daarvoor kwalificeren via de landelijke taart en dat kan wel eens mislukken en dan is Leiden in last. Nou, Leiden niet want daar wordt niet professioneel gevoetbald, maar Madrid, Barcelona, Londen, Turijn en Manchester. Om dat te voorkomen mogen er uit bijvoorbeeld Engeland en Spanje al vier clubs deelnemen. Bij die Spaanse vier zit steevast het Real van Perez. Toch is dit nog ‘te onzeker’ en daarom willen Perez c.s. een Super League waaraan zij gegarandeerd deelnemen en minimaal € 300 miljoen per jaar krijgen. Een bedrag waar mijn VVV 35 jaar op kan draaien.

Maar beste meneer Perez, als het heel vele geld van de Champions League niet genoeg is om het voetbal ‘te redden’, zou nog meer geld dan de oplossing zijn? Zou nog meer geld dan tot iedere dinsdag en woensdag ‘Nadal tegen Federer’ leiden? En dan moet ik u teleurstellen, de grote voorspelbaarheid van de Champions League maakt dat ik er steeds minder naar kijk. Steeds weer ‘Nadal tegen Federer’ gaat behoorlijk vervelen. Het wordt pas interessant als het spannend is, als mijn VVV bijvoorbeeld van PSV wint. Of op ‘uw niveau’, als Ajax uw Real in de achtste finale uit de Champions League knikkert door met 1 – 4 te winnen in Bernabeu zoals in 2019. Iets waar u wellicht nog buikpijn van krijgt omdat u in uw begroting had geteld op minstens een halve finale. Spanning, dat is wat voetbal mooi en interessant maakt en dat is waar het in toenemende mate aan ontbreekt. En daar ontbreekt het aan omdat u en die elf vrienden van u de beste spelers elders wegkopen en bij u op de bank of tribune zetten. Neem Manchester City dat, zoals René van der Gijp het gekscherend maar met een kern van waarheid zegt, met drie vliegtuigen naar een uitwedstrijd moeten vliegen om alle spelers mee te nemen.

Beste meneer Perez, blijft u vooral zoeken naar nog meer geld zodat u de Messi’s van deze wereld € 135 miljoen per jaar kunt betalen. Ik blijf me inzetten voor een andere wereld. Een wereld waarin de Messi’s goed worden beloond maar niet exorbitant zoals nu het geval is. Een wereld waarin we op Europees niveau, zo schreef ik een jaar geleden ook al in relatie tot het voetbal: “komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000,” En naar ik nu denk, zou zelfs 99% bij een inkomen boven € 1 miljoen nog beter zijn. Dan zorgen we er op die manier voor dat bijna € 133,5 miljoen van het salaris van Messi kan worden besteed aan het betalen van de Spaanse verpleegsters en politieagenten. Messi houdt dan nog iets meer dan € 1,5 miljoen, 40 keer een modaal Nederlands salaris, over en daar kun je best riant van leven.