The winner takes it all

De nieuwe ‘beeldenstorm’ waarover ik in mijn vorige Prikker schreef, krijgt bijzondere trekjes. Bij Joop lees ik dat in Bristol, waar eerder het standbeeld van slavenhandelaar en weldoener Edward Colston in de haven werd gekieperd, een standbeeld van de in Jamaica geboren zwarte dichter Alfred Fagon is besmeurd. Er is nog niet duidelijk wie het heeft gedaan: is het een ‘vergissing’ of een ‘vergeldingsactie’ voor wat Colston overkwam? Daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de reactie van lezer Mark Huysman: “Even dom als mensen die zeggen oorlog = oorlog. Maakt niet uit of het gaat om bevrijding (geallieerden) of bezetting (nazi’s), in beide gevallen wordt er geweld toegepast en destructie veroorzaakt.”

Standbeeld van Hugo de Groot in Delft. Foto: Rijksdienst voor Cultureel erfgoed

Huysmans is van mening dat Colton van zijn sokkel trekken van een andere orde is dan het besmeuren van Fagon. Waarop Jorah reageert: “vandalisme = vandalisme. Dat jij het ene wel accepteert en het andere afwijst zegt meer over jou.”  Dat beiden een punt hebben, doet er even niet toe. Op die laatste opmerking reageert Huysman met de quote uit de vorige alinea.

Daarmee komen we bij het begrip ‘rechtvaardige oorlog’. Op de site Geschiedenis.nl staat hierover een interessant artikel. Daarin is te lezen dat de eerste keer dat we dit begrip tegenkomen bij de Griekse filosoof Aristoteles is: “Een oorlog was rechtvaardig wanneer deze werd uitgeroepen ter zelfverdediging, om land te verwerven of om barbaren tot slaaf te maken.” En dat land was het land van de Hellenen. Voor de Hellenen een duidelijke definitie: iedere oorlog die ze voerden was rechtvaardig omdat zij zichzelf verdedigen en als ze winnen, maakten ze barbaren tot slaven. Bij onderlinge oorlogen ligt dat dan wat lastiger en ze voerden onderling wel eens ‘oorlogje’. De beroemdste is de Peloponnesische Oorlog tussen de Helleense stadstaten Athene en Sparta. De Romeinen kende het begrip al: ‘Bellum iustum.’  Alleen vulden zij dit anders in. Het ging niet om de inhoud, maar om de procedure. In een artikel in het Historisch Nieuwsblad wordt dit goed uitgelegd: “De eerste stap was om een gezant te sturen naar de vijandige stad. Die gezant moest tegen de eerste die hij tegenkwam op het centrale forum bij Jupiter zweren dat als hij niet de waarheid zou vertellen, hij nooit meer terug mocht keren naar zijn vaderland. Daarna legde hij de vijand het Romeinse ultimatum voor. Als de eisen na 33 dagen niet waren ingewilligd, keerde de gezant terug naar Rome. Vervolgens mocht de Senaat besluiten tot oorlog en werd een speciale priester, een van de fetiales, met een bloedrode speer naar de grens gestuurd. Deze priester sprak een formule uit en wierp de speer in vijandig gebied. Nu was de oorlog wettig.”  Een manier van denken die ook tegenwoordig nog navolging vindt. De pogingen van de Verenigde Staten om de inval in Irak in 2003 door de Verenigde Naties gesanctioneerd te krijgen, moeten we in dit licht bezien.

Maar alleen met ‘procedure’ kom je er tegenwoordig niet. Ook dat laat de casus ‘Irak 2003’ zien. Toenmalig minister van buitenlandse zaken Colin Powell voerde allerlei, naar later bleek gemanipuleerd, bewijs aan, dat Irak massavernietigingswapens had en het ‘wereldwijd terrorisme’ ondersteunde. Dit terwijl de wapeninspecteurs niets konden vinden en de ‘banden met Bin Laden’ er niet waren. Daarom werden er nog wat zaken aan toegevoegd.  Zoals de onderdrukking van de bevolking door het regime van Saddam Hoessein. Iets waaraan meer heersers zich schuldig maken en wat ruim twintig jaar eerder geen reden was om Saddam te ondersteunen in zijn oorlog tegen Iran. Ook werd eraan toegevoegd dat Saddam het ‘zelfmoordterrorisme’ tegen Israël steunde en allerlei resoluties van de VN Veiligheidsraad negeerde. Iets waar ook Israël zich schuldig aan maakt. Trouwens, ook de VS maken zich daar, net als Rusland en China, schuldig aan. Zij hebben, als permanente leden van die raad, namelijk een vetorecht en kunnen alle voorstellen die hen niet welgevallig zijn, torpederen. Eventuele resoluties tegen hun handelen en belangen, worden dus nooit aangenomen.  

Ik dwaal af: rechtvaardige oorlog vanuit de inhoud. Als we het daarover hebben, moeten we ook de opvatting van de Romein Cicero aanhalen. Voor Cicero was een oorlog rechtvaardig als die diende: “ tot het terugkrijgen van verloren zaken (rebus repetilis), eigenlijk een streven naar status quo ante bellum (voor de oorlog) dus, waarbij bellum verwijst naar een eerder conflict.” Zou hij zich ooit hebben afgevraagd hoe ‘rechtvaardig’ dan het Romeinse Rijk was ontstaan? Of zouden de Galliërs en al die andere volkeren iets van de Romeinen hebben ontvreemd? De ‘status quo ante bellum’ was echter steevast anders dan die na de oorlog. Het denken van Cicero gaat bijna naadloos over in dat van kerkvader Augustinus. Voor Augustinus was een oorlog rechtvaardig als deze defensief was. Offensief was die rechtvaardig als de tegenstand aanwijsbaar iets had gedaan. De oorlog moest er dan, en daar horen we de echo van Cicero, de ‘natuurlijke orde’ herstellen.

We slaan een kleine duizend jaar over en komen uit bij een volgende denker over wat een rechtvaardige oorlog is, de dertiende-eeuwse theoloog Thomas van Aquino. Om voor Aquino rechtvaardig te zijn, moest een oorlog worden uitgeroepen door een autoriteit en moest de oorlog een rechtvaardige aanleiding hebben en gericht zijn op het dienen van het algemeen belang van de bevolking. Zijn navolgers verklaarden al snel dat een oorlog rechtvaardig was als die werd gevoerd tegen ongelovigen. Eigenlijk precies zoals nu sommige radicale stromingen in de islam erover denken. In dit kader moeten we ook het ‘inzegenen’ van kanonnen voor een oorlog zien. Waarbij god voor het dilemma wordt gesteld te bepalen wie de ‘rechtvaardigheid’ aan de zijde heeft.

Als laatste in deze opsomming iemand van ‘Hollandsche’ bodem: Hugo de Groot. De Groot formuleerde zes voorwaarden. Als eerste moest er een rechtvaardige reden zijn op morele gronden, Dus niet puur voor het eigenbelang. Als tweede moet de situatie zo ernstig zijn dat zij een oorlog rechtvaardigt. Ten derde moet er een redelijke kans op succes zijn. Met deze voorwaarde in het achterhoofd kun je twijfelen over de rechtvaardigheid van de ‘War on Terror’. Immers, zoals ik eerder betoogde, is terreur een strijdmiddel gebruikt door de zwakkeren. Met zijn vierde voorwaarde gaat De Groot in navolging van de Romeinen naar de procedurele kant, er moet een oorlogsverklaring zijn en de tegenpartij moet nog de kans krijgen de oorlog af te wenden. Als vijfde moet de oorlog worden uitgeroepen door een legitieme partij en als laatste moeten alle vreedzame alternatieven zijn uitgeput. In zijn betoog voor de VN-Veiligheidsraad ging Powell in op al deze voorwaarden. En omdat hij dit voor de VN-Veiligheidsraad deed, gaf hij aan dit orgaan te zien als de legitieme partij.

Tot zover de legitimiteit van een oorlog vóórdat die wordt uitgevochten. Nadat de wapens hebben gesproken, de strijd is gestreden en de winnaar bekend is, is het een heel ander verhaal. Voor de winnende inzegenaars van de kanonnen is het dan duidelijk: god heeft hen gelijk gegeven en dus stonden zij aan de rechtvaardige kant van de oorlog. Maar ook als we god weglaten komt het op hetzelfde neer. Of, zoals ik het in reactie op Huysman schreef: “Inderdaad oorlog = oorlog waarbij de winnaar de geschiedenis schrijft en dus bepaalt wat de ‘rechtvaardige zaak’ was waarvoor de oorlog werd gevoerd.” Of, zoals ABBA het zong: “The winner takes it all.” Dus als nazi-Duitsland de Tweede Wereldoorlog had gewonnen en we nu nog steeds in het ‘duizendjarige rijk’ zouden wonen, dan beoordeelden we de Duitse inval in Polen heel anders. De oorlogsverklaring van Hitler: “Polen heeft vannacht, voor de eerste keer, op ons eigen territorium, reguliere soldaten laten schieten. Sinds vijf uur vijfenveertig wordt nu teruggeschoten.” was dan de algemeen aanvaarde aanleiding voor de Tweede Wereldoorlog.

Alleen, zo vervolgde ik: “Het jammere voor de winnaar is dat die op termijn ook weer ‘verliest’, geen ‘rijk’ is immers voor de eeuwigheid. En na het verlies van de vroegere winnaar herschrijft de nieuwe winnaar de geschiedenis in zijn voordeel.” 

Bondgenoten

Werken aan een samenleving waarin alle mensen gelijkwaardig zijn en gelijk worden behandeld, is nog niet zo eenvoudig. “Demonstreren of een zwart beeld op Instagram is niet voldoende als je je écht tegen racisme wil verzetten,” aldus Sophie Duvekot  bij OneWorld. Zeker niet als je ‘wit’ bent. Tenminste als we Duvekot mogen geloven. Gelukkig helpt ze je een eind op weg met haar artikel Do’s en Don’ts voor witte bondgenoten. Nieuwsgierig als ik ben, ben ik eens in de ‘tips’ gedoken. En wat blijkt. ‘bondgenoot’ worden blijkt een hele studie.

Bron: publicdomainvectors.org

Als eerste kun je naar de site Wit Huiswerk. “Om je effectief in te zetten voor de strijd tegen racisme is het belangrijk om te weten wie je bent, wat je zelf doet en kan doen en waar je het over hebt.” Toch knap van de site dat ze je helpt te ontdekken wie je bent. Ik dacht dat ik dat al wist, maar om ‘bondgenoot’ te zijn is dat klaarblijkelijk niet voldoende. Dus maar eens even kijken wat de site te bieden heeft zodat ik mezelf kan ontdekken. Onder andere thema’s. Dat zijn er verschillende zoals Wit zijn, Privileges,  Zwarte Piet, Intersectionaliteit, en ook Witte redder complex. Daaronder  een lijst met boeken, artikelen, TED-talks. Wat opvalt is dat het meeste Engelstalig en van Amerikaanse bodem is. Dit aangevuld met vooral werk van Gloria Wekker en het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume en de documentaire Wit is ook een kleur van Sunny Bergman. De potentiële ‘bondgenoot’ die het Engels niet of minder machtig is, komt bedrogen uit. Die moet eerst op cursus Engels.

Om er een start mee te maken, adviseert Duvekot om de Anti-Racism checklist for Whites in te vullen. Die: “geeft je een idee van wat het inhoudt om een bondgenoot te zijn en waar jij je antiracisme wel of niet al in de praktijk brengt.” Laat ik dat advies dan maar opvolgen. Helaas weer in het Engels. Anderhalf A-viertje met vragen. Als ik de vragen zo lees kan ik de eerste pagina allemaal met JA beantwoorden. Zou ik dan een goede bondgenoot zijn? Ik vraag me alleen af hoe die vragen me en vooral de zaak verder helpen. Op de volgende pagina: “problem areas where individuals sometimes get stuck”. Ze zijn, zo lees ik: “specifically for white individuals.”  De eerste vraag is een bijzondere: “I am not clear on the labels people of color prefer to use to identify themselves.” Dat is mij inderdaad niet altijd even duidelijk. Wat mij wel duidelijk is, is hoe ik wil dat men mij labelt. Alleen begrijp ik dat de ‘activisten’ dat anders zien. In Duvekots artikel lees ik namelijk het volgende: “Zo kun je de volgende keer als iemand in je omgeving het woord ‘blank’ gebruikt vragen of diegene zich bewust is van de koloniale betekenis van het woord.” Als ‘bondgenoot’ moet ik de ‘activisten’ dus aanspreken met het label dat zij kiezen en zij spreken mij aan met een label dat zij ook kiezen. Dat voelt wat minder.

Met dat ‘mindere’ kom ik bij mijn punt. Als je wat dieper in de materie duikt, dan kom je erachter dat een goede ‘bondgenoot’ zich bewust is/moet worden van zijn ‘witte privilege’ en zich moet laten indoctrineren in het intersectioneel denken. Waarom moet een blanke die racisme wil bestrijden op les om zich het denken van Gloria Wekker en de ‘intersectionaliteit’ eigen te maken? Dit zijn voor mij heel grote belemmeringen. Zoals ik al vaker heb aangegeven rammelt er veel aan deze theorie, het denken en de historische onderbouwing ervan. Of eigenlijk is het niet de historische onderbouwing, maar de manier waarop het verleden wordt ‘herschreven’ om het eigen gelijk te onderbouwen. Waarom moet überhaupt een blanke die tegen racisme is op cursus? Zijn het dan alleen blanken die zich schuldig maken aan racisme? Ik meen me toch te herinneren dat de Hutu’s die tijdens de racistische Rwandese genocide van 1994 de Tutsi’s te lijf gingen, allebei dezelfde kleur hadden? Ook bij de racistische vervolging van de Rohingya door de boeddhistische Birmezen waren er geen blanken te bekennen. Hoe zit het trouwens met het denken dat je alleen weet wat racisme is als je ‘van kleur’ bent?

Gelukkig is een cursus, opleiding, checklist niet nodig om je te kunnen inzetten voor een samenleving waarin alle mensen gelijkwaardig zijn en gelijk worden behandeld. Daarvoor is het nodig dat je je realiseert dat ieder mens over een ander oordeelt alvorens te denken, zoals ik in Toonpolitie schreef. Je dat realiseren en dan vervolgens dat oordeel ‘zonder te denken’ gaan overdenken door echt na te denken. Mensen die in de positie zitten of er soms in komen om anderen aan een baan of stage te helpen, zijn daarbij van groot belang. Op dat niveau wordt het verschil gemaakt. Dat levert meer op dan de ‘staatscommissie’ die, zo is bij Joop te lezen, Lodewijk Asscher bepleit. Een staatscommissie die: die onderzoek doet naar en adviseert over (onbewust) aanwezige uitsluitingsmechanismes en institutioneel racisme. Bij de schooladviezen en mogelijkheden tot stapelen in het onderwijs. Het onder de loep nemen van sociale en fraudewetgeving. En wat er kan verbeteren bij de politie, jeugdzorg en andere instanties.

Slavernijwetgeving

In de Volkskrant las ik een ingezonden brief waarin Annelies de Vries het volgende schrijft: “Het kolonialisme behoort ook tot de ­Nederlandse geschiedenis, waar racisme en discriminatie vaste onderdelen van waren. De wet- en regelgeving daarvoor werd gewoon door de Nederlandse regering en het parlement in Den Haag vastgesteld, nog niet eens zo lang geleden.” Ik dacht: niet lang geleden vastgestelde slavernij bij wet? Hoe komt ze daarbij? Daarop las ik een, naar blijkt, artikel van vorig jaar van Seada Nourhussen met als titel Met deze koloniale taal stoppen we. En dacht zou het daardoor komen?

Bron: Flickr

Misschien heb ik het vorig jaar gemist en nu stond het ineens weer prominent op de site. “Ook OneWorld heeft een verantwoordelijkheid om ons eigen taalgebruik tegen het licht te houden. Taal kan beeldvorming bepalen en machtsverhoudingen ontkrachten of bevestigen. De volgende termen zijn al uit ons woordenboek geschrapt – ‘Gouden Eeuw’ stond daar niet bij, en zo zijn er vast nog meer blinde vlekken. Denk je mee?” Eronder woorden en termen die volgens OneWorld niet meer kunnen. En ja, ik denk graag mee. In dit geval over het begrip moderne slavernij. OneWorld biedt “Extreme uitbuiting en/of gedwongen arbeid als alternatief. Nu lijkt mij ‘gedwongen arbeid’ toch echt hetzelfde als slavernij. De arbeider is immers niet vrij om te kiezen de arbeid wel of niet te verrichten. De rechten van de arbeider worden ernstig beknot en laat “iemand wiens vrijheden sterk beknot zijn” nu een van de twee omschrijvingen zijn die de Van Dale geeft voor het woord slaaf. De andere is “lijfeigene die geen persoonlijke rechten heeft.” Hierop kom ik straks nog terug.

Nu eerst de reden die OneWorld geeft om het begrip moderne slavernij niet te gebruiken. We lezen: “Het kenmerk van de trans-Atlantische slavernij was dat mensen in gevangenschap onbetaald werk verrichtten, geregeld bij wet. Wat tegenwoordig moderne slavernij wordt genoemd, is wel betaalde arbeid, maar dan extreem laag gehonoreerd. Vaak zijn er ook andere omstandigheden in het spel: de arbeid is doorgaans illegaal en dus strafbaar. Dat maakt het voor nazaten van tot slaaf gemaakten een oneerlijke vergelijking met het eeuwenlange, legale systeem waaronder hun voorouders leefden.” Nu is het ‘onbetaald’ zijn niet helemaal correct. Een slaaf kreeg onderdak en te eten in ruil voor zijn arbeid. Daarin verschilt hij niet zoveel van de extreem uitgebuite negentiende-eeuwse arbeider zoals is te lezen in Kapitaal van Karl Marx. Die kreeg een karig loon dat maar net en soms niet  voldoende was om onderdak en eten te betalen. Maar, hij kon na werktijd gaan en staan waar hij wilde en kon ook een andere baas kiezen. “Maar,” om Over de muur van het Klein Orkest aan te halen: “wat is nou die vrijheid zonder huis zonder baan. Zoveel Turken in Kreuzberg die amper kunnen bestaan. Goed, je mag demonstreren maar met je rug tegen de muur. En alleen als je geld hebt, dan is de vrijheid niet duur.” Geld had hij amper genoeg om te overleven en ook de vrije tijd was zeer beperkt. Want bij werkdagen van tussen de twaalf en soms wel achttien uur per dag was er niet zoveel tijd na het werk. De tijd was amper voldoende om te slapen en weer op krachten te komen voor de volgende dag. En bij een eventueel andere werkgever was het niet zoveel beter. Ik dwaal af. Of toch niet. Het antwoord komt straks.

Oneworld heeft wel een erg beperkt beeld van slavernij: de trans-Atlantische slavernij.  Slavernij kent een lange en ‘veelkleurige’ geschiedenis. Slavernij is geen zeventiende-eeuwse uitvinding. De trans-Atlantische slavernij was een nieuwe loot aan de slavernij-stam. Voor degenen die er meer over willen weten, lees bijvoorbeeld de Prikker Romeinen, Arabieren en Hollanders. Nu was ook een van de kenmerken van die andere vormen van slavernij dat er, uitzonderingen daargelaten, gewerkt moest worden. Slaaf werd je als je aan de verliezende kant in een oorlog had gevochten. Als je dorp was geplunderd en je gevangen was genomen. Dan kon je worden verhandeld net als een koe, geit of een aardewerken pot. Of je werd als kind van slaven geboren. En dan zijn we weer bij het begrip lijfeigene, de tweede betekenis van het woord slaaf. Dat is de naam die in het feodale stelsel in Europa voor slaaf werd gebruikt. Daarnaast had je nog horigen, die hadden hun eigen huis en stukje grond maar moesten verplicht een deel van hun tijd werken voor de landheer. Werk waarvoor ze niet betaald, nog te eten kregen. Die zijn bij OneWorld helemaal buitenbeeld.

Heel bijzonder is de bewering dat slavernij bij wet geregeld was. Er is in Nederland nooit een wet geweest die regelde wie slaaf kon zijn en wie niet. Een slaaf was eigendom en eigendom was heilig. Kinderen en vrouwen waren, om dezelfde redenen, trouwens ook ‘eigendom’ van de pater familas. De enige wetten die over slavernij zijn aangenomen, zijn wetten die het absolute eigendomsrecht beperkten. Zo werd er eind achttiende eeuw een wet van kracht die de verstrekking van voedsel, kleding en rusttijden voor slaven op Curaçao regelden. De wet van 1814 die de trans- Atlantische slavenhandel verbood en de wetten waarmee in de koloniën de slavernij werd verboden en dus afgeschaft. Het is dus precies andersom. Het was niet wetgeving die slavernij mogelijk maakte, het was wetgeving die slavernij onmogelijk maakte.

In  diezelfde periode, de jaren zeventig van de negentiende eeuw en daarmee zijn we weer bij Marx, werden ook de rechten van de ‘kapitalist’ op het lijf en vooral de tijd van de arbeider beperkt. Als eerste via het zogenaamde Kinderwetje van Van Houten waarmee in 1874 de arbeid van kinderen onder twaalf jaar werd verboden. Een wet die werd gevolgd door een hele serie wetten die de ‘rechten’ van de werkgever beperkten en het leven van de arbeider verbeterden. Wetten die de arbeidstijden regelden, de lengte van de werkdag en de werkweek, de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden en uiteindelijk zelfs medezeggenschap. Net als de slavernijwetgeving is ook de wetgeving met betrekking tot arbeid wetgeving die de rechten van ‘kapitalisten’ en dus machtigen beperkt.

Ook tegenwoordig zijn er nog voldoende mensen wiens ‘vrijheden ernstig beknot’ zijn en die dus onder de categorie ‘slaaf’ vallen. Neem de arbeiders die in Qatar de voetbalstadions voor de WK bouwen. Ze krijgen wat betaald waarvan ze kunnen leven, maar hebben verdomd weinig vrijheden. Hun paspoorten zijn ingenomen en of ze hun loon krijgen is maar zeer de vraag. Of de vrouwen die met mooie verhalen worden verleid om naar hier te komen en waarvan het paspoort wordt afgenomen waarna ze in de prostitutie te werk worden gesteld. Dit om maar twee voorbeelden te noemen van wat ik toch echt gewoon bij de naam noem: moderne slavernij. Of beter nog, laat het woord modern weg: slavernij!

Toonpolitie

“‘White silence is violence’ scanderen wit en zwart op dit moment tijdens de protesten in Amerika. En ik ben het met ze eens. De structurele oppressie van onze identiteit en onze mensheid kan enkel gebeuren omdat het gros van onze medelanders zich stilhoudt en zich vaak opwerpt als verdedigers van het systeem door te fungeren als toonpolitie tegen hen die zich uitspreken tegen structurele discriminatie.” De op één na laatste alinea van een artikel van Karim Bettache bij Joop waarop ik straks terug kom. Eerst even het betoog van Bettache.

Bron: WikipediaCommons

Bij het lezen van zijn artikel ontstaat een beeld van Nederland als een in en in racistisch land dat andere culturen onderdrukt: “Je gaat de onderdrukking pas zien wanneer je de ogen daadwerkelijk opent, daar ons cultureel systeem bijzonder effectief is om de eigen onderdrukking in de geesten van ons allen te indoctrineren.” En iets verder op: “Bijna twee miljoen mensen in Nederland leven in een dergelijke identiteit en hebben elke dag te maken met een cultuur die vijandig staat ten opzichte van hun menszijn, hun ‘ik’. En ik bedoel dan niet de bewuste vijandigheid van een rechtsextremistische politicus of een neonazi, maar de heimelijke, geniepige vijandigheid die als een altijd aanwezige auto-immuun ziekte langzaam de integriteit van je lichaam van binnenuit aanvreet.” En: “we hebben er in Nederland een handje van naar anderen te wijzen waar het racisme betreft maar, op een paar vreselijke landen na, is er bijna geen ander land in het Westen waar zo ongegeneerd minderwaardig gesproken wordt over etnische minderheden in de publieke ruimte, gevolgd door een pijnlijke stilte van de witte meerderheid.” En de oorzaak hiervan:  “Zo’n vierhonderd jaar geleden hebben onze voorouders besloten de hele buiten-Europese wereld leeg te roven, te misbruiken en hun mensheid tot irrelevant te verklaren om daar vervolgens een heel systeem van waardige versus onwaardige mensen op te stoelen.”  

Over het historische gehalte van deze laatste passage schreef ik al eerder een Prikker met als titel Europese ‘Risk opdracht’. Nu naar de passage waarmee ik begon. Met zo’n beschrijving van Nederland vraag je je af waarom mensen überhaupt naar Nederland zouden willen vluchten, zoals er zovelen doen. Waarom zou je je immers blootstellen aan ‘indoctrinatie van je geest met de eigen onderdrukking’? Waarom je blootstellen aan een cultuur die ‘vijandig staat ten opzichte van hun mens zijn? Of zou er iets niet kloppen aan Bettache’s beschrijving van ‘het culturele systeem’ in Nederland?

Dat in Nederland niet alles ‘perfect’ is en soms zelfs verre van dat, staat buiten kijf. Dat het voor mensen met een minder lange geschiedenis in dit land, lastiger is om een plek te verwerven, staat ook buiten kijf. Betacche: “Op het VWO behoorden mijn resultaten tot de top, toch werd mijn kunnen altijd in twijfel getrokken door de leraren.” Wellicht tot verbazing van de heer Bettache, maar tot nog niet zolang geleden werden de schoolprestaties van arbeiderskinderen steevast in twijfel getrokken: ‘de mavo of lts lijkt mij passend voor uw kind’ kreeg menigeen van hen te horen aan het einde van de lagere school, zoals de basisschool toen heette. Dit terwijl een kind van de notaris met eenzelfde cijferlijst een vwo-advies kreeg. Arbeiderskinderen waren toen de ‘nieuwkomers’. En zo ervaren alle ‘nieuwkomers’ problemen met het zich, om de term van premier Rutte te gebruiken, invechten in de samenleving.

Dat Nederlanders, net als trouwens iedere andere menselijke bewoner van deze planeet, oordelen over anderen staat buiten kijf. Maar dat dit een gevolg is van het door Bettache beschreven ‘cultureel systeem’?  Zou het niet veeleer een nu hinderlijk gevolg zijn van onze geschiedenis als mens? Zou dat oordelen niet een hele lange geschiedenis hebben? Was het millennia lang niet onontbeerlijk voor het overleven van onze voorvaderen? Het was voor de jager- verzamelaars nodig om gevaar te detecteren: ‘is deze persoon of groep een gevaar voor mij en mijn groep?’ Dat moest heel snel gebeuren omdat treuzelen je dood kon betekenen. En bij dat snel beoordelen keken we, en dat doen we nu nog steeds, onbewust naar overeenkomsten maar vooral naar verschillen. Hoe meer verschillen, hoe meer gevaar. Millennia lang zo denken heeft gezorgd voor keuzes op basis van ‘vooroordelen’. Heel menselijk gedrag dat ons al die tijd heeft laten overleven maar dat in ons huidig tijdsgewricht, waarin er in een land als Nederland mensen wonen, leven en willen werken afkomstig uit alle landen en delen van de wereld, hindert en tot ongewenste gevolgen leidt. Dan moeten ze samen toch iets en dan wordt dat oude ‘overlevingsgedrag’ hinderlijk. Dat leidt ertoe dat: “wanneer je witte ruimtes binnenstapt zoals bepaalde cafés en restaurants en je de blikken op je rug voelt branden,” om een voorbeeld dat Bettache noemt, aan te halen. Een gevoel dat ook ik heb wel eens heb als ik ‘ruimtes’ binnenstap waarin ik weinig van mezelf herken.

Dan moeten we, zoals Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman het in zijn boek Ons feilbare denken noemt, van systeem 1 naar systeem 2 denken. “Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle.” Het systeem dat het overgrote deel van het werk voor ons mensen doet. Zonder deze manier van denken zouden we niets gedaan krijgen. Het systeem dat gevaar detecteert en dat onbewust onze houding jegens anderen bepaalt: vriend of vijand! Als we ons realiseren dat we volgens dit patroon mensen beoordelen dan kunnen we het veranderen en voor dat veranderen, hebben we systeem 2 nodig. “Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen. De werking van systeem 2 wordt vaak gekoppeld aan de subjectieve ervaring van handelingsvermogen, keuze en concentratie.”  Systeem 2 kost tijd en moeite en dat is wat er nodig is om die eerste, onbewuste indruk over iemand op basis van systeem 1, ter discussie te stellen.  

Dit ‘jager- verzamelaargedrag’ om het zo te noemen wordt tegenwoordig door sommigen ook ‘institutioneel racisme’ genoemd. Ik vraag me af of die benaming helpt bij het aanpakken van dit gedrag. Door die naam eraan te geven, krijgt degene die het gedrag vertoont het gevoel van racisme te worden beschuldigd en daarin zal hij of zij zich niet herkennen. En dat gaat weer belemmeren in het voeren van het gesprek over de gevolgen van dat gedrag. Het wordt dan een gesprek met als thema ‘ik ben geen racist’ terwijl het eigenlijk moet gaan over de ongewenste gevolgen van dit ‘jager- verzamelaargedrag’.

Als dit mij de kwalificatie ‘toonpolitie’ en daarmee verdediger van ‘het systeem’ oplevert, het zij zo. Maar op de toon en vooral de inhoud van Bettache’s betoog is, zoals ik hierboven schreef, nogal wat aan te merken. Die toon en inhoud richten de aandacht op het verkeerde en dat is jammer.

‘Intersectionele blik’

Onze lezers wezen ons erop dat een intersectionele blik in dit stuk ontbreekt.”  De eerste zin in een ‘noot van de redactie’ bij een artikel van Amanda Govers op de site OneWorld. Govers, zelf veganist, pleit in haar artikel voor een meer plantaardig dieet. Zij ziet: “verontrustende dieetadviezen voorbijkomen. In de strijd tegen het virus leggen sommige diëtisten sterk de nadruk op het eten van dierlijke producten.” In haar pleidooi ontbreekt dus de ‘intersectionele blik’.  

Bron: WikimediaCommons

Intersectionaliteit, ik schreef er al eerder over, is: “a theoretical framework for understanding how aspects of one’s social and political identities (gender, race, class, sexuality, ability, height etc.) might combine to create unique modes of discrimination.” Zo is te lezen op Wikipedia. Dus om discriminatie van iemand of een groep goed te kunnen beoordelen, moet je kijken naar verschillende aspecten van iemands identiteit. Iemands identiteit wordt zo bepaald door de persoon eerst in stukken te hakken in verschillende aspecten en hem vervolgens vanuit een beoordeling van die aspecten weer op te bouwen. Nu vraag ik mij af wat een ‘intersectionele blik’ is op het dieetadvies dat Govers geeft.

Op zoek naar een antwoord, stuitte ik op een vlog van Govers waarin zij haar verbazing over deze passage uit. Oneworld beschuldigt haar van validisme. Validisme staat niet in de digitale Van Dale en op Wikipedia is te lezen dat het een term is die wordt: “gebruikt voor de discriminatie, marginalisering en stigmatisering van mensen met een functiebeperking op grond van hun lichamelijke en/of verstandelijke gesteldheid.” Govers, om het cru te zeggen, discrimineert mensen omdat, zo betoogt Oneworld: “een (volledig) plantaardig eetpatroon niet voor iedereen is weggelegd (om welke reden dan ook), voor het feit dat je geen volledige controle kunt hebben over je eigen gezondheid en voor het feit dat dik-zijn en gezondheid niet onlosmakelijk verbonden zijn.”  Of dat zo is en of hoe goed veganisme is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de ‘intersectionele blik’

Laten we de intersectionele blik’ eens tot in haar uiterste consequenties doordenken’. Een van de aspecten waar, volgens het intersectionalisme naar moet worden gekeken is een functiebeperking. In ieder artikel moet worden gekeken door de bril van mensen met een functiebeperking.  Nu zijn er nogal wat functies die beperkt kunnen zijn. Bovendien kunnen ze ook op verschillende manieren beperkt zijn. Zo is een laag IQ een beperking en kan een hoog IQ dat ook zijn. Maar beperking van een functie is niet het enige ‘aspect’ waarnaar moet worden gekeken. We hebben ook nog sekse, gender, huidskleur. En die huidskleur heb je in heel veel verschillende tinten. Maar ook daar houdt het niet op, want er is ook nog religie of het ontbreken daarvan, nationaliteit en cultuur. En natuurlijk zijn we er met nationaliteit en cultuur ook nog niet. Een Fries is immers ‘heel anders’ dan een Limburger en de Friese cultuur is heel anders dan de Limburgse. En nu we het over de Limburgse cultuur hebben, is die in Venlo niet ook anders dan in Maastricht en Heerlen? En ook wat religie betreft zijn de oorlogen tussen verschillende sektes van eenzelfde geloof het meest dodelijk gebleken. Neem sjiieten en de soennieten en in onze contreien de katholieken en protestanten.

Als we doorgaan met het zoeken naar kruispunten (intersecties) van aspecten komen we uiteindelijk bij het individu uit. Govers stuk over een  plantaardig dieet en het veganisme voldoet dan pas aan de intersectionele blik als iedere individuele potentiële lezer op de persoonlijke maat toegesneden, wordt aangesproken. Dat lijkt met erg lastig schrijven.

Doodlopende weg

De Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) staat de laatste tijd flink in het nieuws. Van hen wordt verwacht dat ze de nogal onduidelijke corona-regels in de openbare ruimte handhaven. Daarbij worden ze weleens agressief en met geweld benaderd en daarom pleiten ze voor betere ‘bewapening’. Volgens Ozair Hamid bij De Dagelijkse Standaard is het een ‘multi-cultureel probleem’: “aan de veronderstelling dat elke cultuur gelijkwaardig is – en daarmee dat er geen moreel inferieure cultuur bestaat.” Of dat zo is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de volgende passage: “Er is immers een duidelijke correlatie tussen afkomst en gedrag, maar het blijven individuen binnen een collectief die de misdaden plegen.” 

Bron: Wikipedia

Hamid baseert zich hierbij op een rapport van het CBS: “met daarin de gegevens van allochtonen in de strafrechtketen. De gegevens spreken helaas voor zich: de kans dat een Marokkaanse Nederlander wordt vervolgd door het OM is 5,5x zo groot ten opzichte van een vervolging van een autochtoon door het OM.” Vandaar die correlatie. Een correlatie is, volgens de Vandale een: “wederzijdse relatie, onderlinge afhankelijkheid.” Een statisticus, en dat is het CBS, zal aanvullen dat er een statistische samenhang is tussen de twee zaken maar dat dit niet hoeft te betekenen dat er sprake is van causaliteit, een: “oorzakelijk verband.”

Voordat ik verder ga met Hamids correlatie even een voorbeeld ter verduidelijking van causaliteit en correlatie. We zitten weer in de warme periode van het jaar. In die periode zien we dat de consumptie van ijsjes toeneemt. Tegelijkertijd zul je ook zien dat het aantal doden door verdrinking stijgt, in een normaal jaar tenminste. Of dit in dit corona-jaar ook zo is, weten we pas aan het eind van het jaar. Er is een correlatie tussen de consumptie van ijsjes en dood door verdrinking. ‘Verbied het eten van ijsjes, dan verdrinken er minder mensen’ is dan een eerste snelle reactie. Helaas zal dat geen effect hebben omdat er geen causaal verband is tussen de consumptie van ijsjes en de sterfte door verdrinking. IJs eten en zwemmen zijn gewoon twee activiteiten die je doet als het warm is en met het verbieden van ijsjes gaan we niet minder zwemmen. Het wordt er niet kouder door.

Hamid zegt het goed, er is sprake van correlatie maar in zijn betoog gaat hij uit van causaliteit. Hamid: “Te constateren valt wel dat gedrag inherent is aan cultuur.” Het criminele gedrag van Marokkanen is ‘cultureel bepaald: “De Arabische cultuur, die overheerst in deze kringen, is verre van Westers. Van huis uit wordt geweld niet geschuwd, en wordt de minderwaardige positie van vrouwen, homo’s e.d. vaak in praktijk gebracht door middel van de rolverdeling in het huishouden.” Die cultuur is, als we Hamid mogen geloven, inferieur en omdat ‘we’ dat niet inzien, ontstaan de problemen.

Nu is het CBS een goede gegevensbron. Je kunt er bijvoorbeeld ook vinden dat mensen met, zoals ze dat daar zeggen, een niet-westerse achtergrond een drie keer zo grote kans hebben op werkloosheid. Dat hun huishoudinkomen 28% lager is dan dat van Nederlanders. Ook kun je er vinden dat uitkeringsgerechtigden en mensen zonder inkomen goed zijn voor bijna 40% van alle ingeschreven rechtbankstrafzaken. Dat mensen onder de 25 jaar goed zijn voor 35% van dat aantal zaken. Ook kun je er vinden dat in die leeftijdscategorie het percentage mensen met een bijvoorbeeld Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond veel hoger is dan hun aandeel in de totale bevolking. Als je verder zoekt, vind je ook dat het schooladvies dat kinderen van deze groep aan het einde van de basisschool krijgen, lager is. Dat ze oververtegenwoordigd zijn in de lagere vmbo-niveaus en ondervertegenwoordigd op vooral het vwo-niveau. 

Als je verder zoekt dan kun je vast ook vinden dat ze meer in achterstandswijken wonen, dat mensen uit achterstandswijken oververtegenwoordigd zijn in strafrechtszaken. Allemaal cijfers waartussen je correlaties kunt leggen. Vervolgens kun je je de vraag stellen wat is de oorzaak en wat het gevolg? Is die hogere werkloosheid een gevolg van het niet-westers zijn en vervolgens van de ‘… cultuur’ die inferieur is? Dat het wel goed komt als we die ‘… cultuur’ maar ‘uit de mensen slaan’ en hen verplichten om de ‘Nederlandse cultuur’ aan te nemen? Al vraag ik me dan af wat die Nederlandse cultuur is. Ik vrees dat dit een letterlijk en figuurlijk doodlopende weg is.

‘Ellende-ladder’

Identiteit, ik schreef er eind vorig jaar een Prikker over met als titel Hans, en de vraag ‘Wie ben ik’?.  In die Prikker sloot ik me aan bij een uitspraak van Kwame Anthony Appiah: “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen….” Omdat: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, (…) hoogst twijfelachtig” is. De afgelopen tijd waren we getuige van prachtige voorbeelden van die twijfelachtigheid. Voorbeelden geleverd door Henk Krol en de Kamerleden van Denk. Over die voorbeelden wil ik het niet hebben. Wel over redeneringen en hun gevolgen.

Correspondent Identiteit Valentijn de Hingh vraagt zich in een artikel bij De Correspondent af: “Hoe los je racisme, seksisme en homofobie op? Allemaal tegelijk.” Daarvoor onderzoekt hij ‘Identiteitspolitiek. “Identiteitspolitiek wil zorgen voor meer gelijkheid voor groepen die op basis van bijvoorbeeld ras, etniciteit, seksuele gerichtheid, sekse of genderidentiteit in een maatschappelijke minderheidspositie zitten, en die daardoor in hun dagelijks leven te maken krijgen met allerlei vormen van onrecht en onderdrukking.” In dit artikel komt hoofddocent Literaire en Culturele Analyse Murat Aydemir aan het woord. Volgens Aydemir is: “identiteitspolitiek oorspronkelijk wél bedoeld als brede systeemkritiek.”  Volgens Aydemir hebben we de term te danken aan: “het Combahee River Collective (CRC), een groep Afro-Amerikaanse lesbische feministen uit Boston.” Deze groep legde een relatie tussen ras, gender en klasse. Hun kritiek: “Het feminisme was in die tijd vooral een project van witte vrouwen, waardoor racisme vrijwel onbesproken bleef. De burgerrechtenbeweging had weinig aandacht voor seksisme en homofobie, terwijl de arbeidersbeweging voorbijging aan de manier waarop al deze vormen van onrecht invloed hadden op de economische positie van zwarte vrouwen.” Daaruit concludeerden ze: “If black women were free, it would mean that everyone else would have to be free since our freedom would necessitate the destruction of all the systems of oppression.” Dus: “Door solidair te zijn met zichzelf als zwarte vrouwen, waren de leden van het CRC dus in feite solidair met een heleboel: met vrouwen, personen van kleur, LHBTQIA’ers én mensen in een economische minderheidspositie – hun identiteit verbond ze aan al deze politieke belangen tegelijkertijd.” De Hingh concludeert hieruit: “Goede identiteitspolitiek richt zijn pijlen dus niet op één vorm van onrecht, maar op alle vormen tegelijkertijd. En gaat dus wel degelijk over breed gedragen maatschappelijke verandering.” Laten we deze hele redenering eens wat beter bestuderen.

Wat het CRC zegt is dat je, als je de wereld wilt verbeteren, moet beginnen met het verbeteren van de positie van de Afro-Amerikaanse lesbische feministen. Die worden immers het meest achtergesteld. Als zij het beter krijgen, krijgt iedereen het beter. Immers om hun positie te verbeteren moet je alle ‘systemen’ en ‘belemmerende’ factoren opruimen. De grote denker over rechtvaardigheid John Rawls zou zich hierin kunnen vinden. Zijn uitgangspunt is immers dat iedere maatregel de positie van hen die het slechtst af zijn, het meeste moet verbeteren. 

Een probleem. De hele redenering staat of valt met de ‘ellende-ladder’. De wat? De ‘ellende-ladder’, een woord dat me net te binnen schoot. De Afro-Amerikaanse lesbische feministen van het CRC vinden dat hun ellende het grootst is, dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’. Zij combineren huidskleur, geslacht en klasse en constateren dat zij overal in het nadeel zijn. Zij bedienden zich van ‘intersectioneel denken’ avant la lettre. Denken dat de mens in stukjes hakt: gender, ras, geaardheid, religie, handicap en nog veel meer. Ik schreef er al eerder over naar aanleiding van een artikel van Seada Nourhussen. Of hun positie werkelijk de meest ellendige is, is maar helemaal de vraag. Hoe bepaal je welke groep in de meest ellendige situatie verkeert? Maar ook wie bepaalt dat? In het CRC-denken is dat van belang. Is er immers een groep die nog hoger op de ellende-ladder staat, bijvoorbeeld de zwarte lesbische moslima, dan moet daar de ‘wereldverbetering’ mee beginnen. Het wordt zo belangrijk om de bovenste positie op de ‘ellende-ladder’ in te nemen. En dat is precies wat er gebeurt. Iedere groep ziet zijn positie al meest ellendige.

“Maar uiteindelijk is het wel zaak dat identiteitspolitiek in de toekomst aanstuurt op een allesomvattende, radicale omwenteling van het systeem, zoals het Combahee River Collective het voor ogen had,” concludeert De Hingh. De energie gaat echter op aan de wedstrijd ‘ladder klimmen’ en niet aan het bereiken van een ‘breed gedragen verandering’. Misschien zou het helpen als  ‘identiteit’ een veel minder belangrijke positie zou innemen. Als we onze ‘identiteit’, om Appiah na te spreken, wat lichter dragen en wat meer zoeken naar gezamenlijkheid, naar overeenkomsten. We zijn allemaal mensen die met respect en gelijkwaardig behandeld willen worden. Zou dat niet een goed beginpunt zijn?

Mens natuur(lijk) dier

“Door de bevolkingsgroei dringen mensen steeds verder door in leefgebieden van dieren.” Een uitspraak van viroloog Wim van der Poel in een interview in de Volkskrant. Een bijzondere zin. Bijzonder omdat deze zin de aarde verdeelt in twee werelden: aan de ene kant hebben we de leefwereld van de dieren, de ‘natuur’. Aan de andere kant de leefwereld van de mens, de ‘mensenwereld’. Dat zijn twee verschillende werelden die ‘toevallig’ eenzelfde planeet bewonen. En omdat ‘de mens’ zich steeds meer in ‘de natuur’ begeeft, kunnen nare ziektes van mens op dier worden overgedragen. Dat wordt zoönose genoemd. Zou het omgekeerde ‘mensonose’ ook kunnen? In deze wat langere Prikker bestudeer ik die ‘twee werelden’.

Als een van die twee ‘werelden’ al buitenaards zou zijn en we nemen de ondertitel van het boek Oorsprong. Hoe de aarde de mens heeft gevormd  van Lewis Dartnell als leidraad, dan is de natuur ‘buitenaards’. De Aarde vormde dan immers de mens. Het vreemde is dan wel dat de huidige en nu enige mens op deze aardbol, de Homo sapiens de ‘wijze, verstandige’ mens, volgens Duitse paleontoloog Madeleine Böhme, pas zo’n 300.000 jaar op deze aardbol rondloopt. De ‘natuur’ is al veel ouder. Bovendien: “was hij bij lange na niet de enige mensensoort. Hij deelde de wereld van Eurazië en Afrika volgens de huidige stand van de wetenschap met zeven andere mensensoorten” aldus Böhme in haar boek Hoe we mensen werden. Andere soorten zoals de Neanderthaler en de Denisovamens.

Dat leven, alle leven, een buitenaardse oorsprong heeft, kan kloppen. Want, zoals Lewis Dartnell schrijft, zonder water was het leven zoals we dat op aarde kennen, onmogelijk. En dat water: “is dus na de geboorte van de aarde op onze planeet terecht gekomen. Dat gebeurde door een bombardement van met ijs bedekte kometen en asteroïden uit de koudere, verder gelegen delen van het zonnestelsel, als een sneeuwballenregen uit de ruimte.”  Want: “toen uit een wervelende om de protonen draaiende schijf van stof en gas de aarde werd gevormd, was het er juist erg droog. De aarde stond zo dicht bij de zon dat de samenklontering van rotsachtig materiaal waaruit zij is ontstaan sowieso maar weinig water kan hebben bevat, en bij dat ontstaan werd het zo heet dat al het water en alle vluchtige stoffen moeten zijn verdampt.” Leven zonder water kan niet en het water heeft een buitenaardse oorsprong. 

Böhme gaat in haar boek op zoek naar de voorouders van ons, de Homo sapiens. En die: “speurtocht naar onze wortels leidt daarom ver terug in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Hominoidae,” de mensachtigen. Een groep waartoe op dit moment naast de mens ook de gibbon, de orang-oetan, de gorilla, de bonobo en de chimpansee behoren. Die laatsten plaatsen we graag in ‘de natuur’ maar daarmee hebben we tussen de 95 en bijna 99% van ons DNA gemeen. De mens deelt echter nog veel meer met de natuur. Die Hominoidae zijn weer afstammelingen van de eerste ‘primaten’, zoogdieren die zo’n 56 miljoen jaar geleden ontstonden. Nee, de mens maakt onderdeel uit van de natuur. Een bijzonder onderdeel omdat hij die natuur deels naar zijn hand leerde zetten. Böhme vertelt, net als Dartnell, de geschiedenis van de mens als onderdeel van de natuur.

Een geschiedenis waarin drie zaken centraal staan: herseninhoud, rechtop, en dus op twee benen, lopen en communicatie. Drie zaken die elkaar versterken. Laat ik beginnen met herseninhoud. Van alle energie die een mens op een dag verbruikt gaat een kwart naar zijn hersenen. Dit terwijl die, als je niet bovenmatig dik bent, maar 2% van het lichaamsgewicht uitmaken. Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen?

“Als pure rauwkosteters zouden onze menselijke voorouders zulke uiterst productieve hersenen die in de loop van de evolutie zijn uitgegroeid tot een volume van 1300 kubieke centimeter, met meer dan 80 miljard zenuwcellen, niet eens hebben kunnen voeden. Als onze voorouders alleen maar van rauw vlees en rauwe planten hadden geleefd, waren onze hersenen nooit ontstaan.” Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen? Die hersenen hebben zo kunnen groeien omdat onze voorouders vuur leerden gebruiken waarmee ze kookten. Want door groenten te koken verliest het zetmeel in de planten: “zijn kristalstructuur en wordt het bijna volledig verteerbaar.” Door vlees te bakken komen de erin opgeslagen voedingsstoffen vrij. Toen onze verre voorgangers vuur leerden te gebruiken, creëerden zij de kans om meer energie te halen uit eenzelfde hoeveelheid voedsel. Dat schiep de randvoorwaarde voor het laten groeien van onze hersenen.

Op het punt van de herseninhoud legde de Homo sapiens het echter af tegen de Neanderthaler. Trouwens ook op het punt van lichaamskracht. Toch heeft dat de Neanderthaler niet gered. Dat heeft met de andere twee aspecten te maken. En daarmee kom ik bij het lopen. “Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem (Pheidippides) in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelooflijke prestatie. Waarom werd er geen bode te paard gestuurd?” vraagt Böhme zich af. Het antwoord geeft ze er meteen achteraan: “omdat geen enkel paard tot die prestatie in staat zou zijn geweest.” Böhme geeft dit voorbeeld om een van de sterke punten van de mens te laten zien: zijn uithoudingsvermogen zonder oververhit te geraken. Dit stelde ons Homo sapiens in staat om op veel snellere, grotere en sterkere dieren te jagen. Jagen door ze, net als wolven, op te jagen en uit te putten totdat ze niet meer verder kunnen. Omdat mens en wolf die eigenschap deelden, was de wolf waarschijnlijk ook het eerste dier dat de mens domesticeerde. 

De Homo sapiens was in dat lopen nog beter dan die andere zeven mensensoorten en dus ook dan de Neanderthaler. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de sapiens als enigen zijn overgebleven. Dat en het derde aspect, de communicatie. Böhme: “Door de samenwerking van spraak en bewustzijn ontwikkelde zich nog een ander aspect van de menswording, die Homo sapiens definitief boven het dierenrijk uittilde: de mogelijkheid tot culturele evolutie. Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in een biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie uiterst snel.”  Dit vermogen had zonder die grote herseninhoud nooit ontwikkeld kunnen worden want : “Om duidelijk gearticuleerde, goed van elkaar te onderscheiden klanken te kunnen vormen is een fijn gereguleerd samenspel van middenrif, tong, tanden, gehemelte, neus, strottenhoofd, stembanden, lippen en meer dan honderd spieren nodig.”  En daarvoor heb je een flinke herseninhoud nodig. Die inhoud werd mogelijk gemaakt door gebruik van vuur.

Een culturele evolutie met volgens Dartnell de Aarde als belangrijkste vormgever. Een culturele evolutie, tenminste als je het bekijkt op een mensenleven. Als je het op evolutionaire schaal bekijkt, dan was het een revolutie. Een revolutie die het de Homo Sapiens mogelijk maakt om zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden. In eerste instantie door zich als jager-verzamelaars over een steeds groter gebied te verspreiden en door zich de planten en dierenwereld van die nieuwe gebieden eigen te maken. Die tocht begon zo’n 60.000 jaar geleden toen de Homo sapiens hun woongebied begonnen uit te breiden. Waarschijnlijk omdat het in het oorspronkelijke ‘thuis’ te druk werd. In die tijd, de laatste ijstijd, was het op Aarde een stuk kouder dan nu. De zeespiegel stond fors lager dan nu en de nu ondiepe zeeën stonden voor een groot deel droog. De Britse eilanden waren verbonden met Europa, net zoals Siberië en Alaska en de Indonesische eilanden met Azië. Om in Australië te komen hoefde je maar een klein stukje zee over te steken. Als eerste vestigden onze voorouders zich in gebieden waar het qua klimaat en landschap te vergelijken was met Oost Afrika, zoals het Zuiden van Azië en Australië. Zo’n 25.000 jaar geleden bereikten ze Alaska en 11.000 jaar geleden uiteindelijk het zuidelijkste deel van Zuid-Amerika. Inmiddels was de ijstijd voorbij. Op de evolutionaire schaal is dit heel snel en bewust, maar zoals Dartnell schrijft: “Het was eerder een soort verstrooiing. Kleine groepjes jagers-verzamelaars bestreken een groot gebied (de bevolkingsdichtheid was erg laag), en met de seizoenen en met de jaren schoven ze geleidelijk op. Als het klimaat ter plaatse veranderde zochten ze het verderop om kou en droogte te ontlopen en warmer en natter leefgebied te vinden waar meer voedsel was. Elke generatie trok daarbij weer een stukje verder. De gemiddelde snelheid waarmee de eerste mens van het Arabische schiereiland langs de zuidkust van Eurazië naar China zijn getrokken, lag op ongeveer een halve kilometer per jaar.”

In tweede instantie pasten onze voorvaderen de natuur in hun voordeel aan. Die wolf die werd gedomesticeerd omdat het beest goed van pas kwam bij de drijfjacht, was de eerste in een lange rij die binnenkort hopelijk ook een vaccin tegen COVID-19 bevat. Een rij die zich niet alleen tot de dieren beperkt. Nee, een enorm belangrijke stap in die evolutie was het ‘domesticeren’ van planten, dat wat we nu de landbouw noemen. Onze voorvaderen kregen in de gaten dat de zaden van verschillende grassoorten erg voedzaam waren. Door zaden te malen nam het lichaam ze beter op. Door ze te mengen met wat water en ze vervolgens te verhitten kon je er brood van maken. Zo’n 10.000 jaar geleden ontdekten onze voorouders dat een stuk vruchtbaar land: “Zelfs met primitieve landbouwtechnieken (…) tien keer meer voedsel (kan) opleveren dan als het wordt gebruikt voor jagen of verzamelen,” Ze gingen zich permanent vestigen. “Maar,” aldus Dartnell: “landbouw is ook een valkuil. Als een samenleving eenmaal op landbouw is overgestapt en de bevolking is gegroeid, is het onmogelijk om terug te keren naar een eenvoudigere levensstijl: de bevolking is te talrijk en volledig afhankelijk van landbouw om genoeg voedsel voor iedereen te kunnen  produceren.”  

Vanaf de eerste landbouwers tot nu ging het snel en ontstonden er steden. Zo’n 5000 jaar geleden begon de mens met metaalbewerking: de bronstijd was aangebroken en 2000 jaar later gevolgd door ijzer en nu? Dartnell: “Het zal je verbazen dat alleen al in een smartphone ruim zestig verschillende metalen zijn verwerkt.” Of zoals hij het ook beschrijft: “ tussen het moment waarop de eerste homininen stenen werktuigen begonnen te hakken en het moment waarop Homo sapiens koper begon te smelten, verstreken drie miljoen jaar; tussen de ijzertijd en de eerste ruimtereizen maar drie millennia.”

Die grotere hersenen en het communicatieve vermogen heeft de mens veel gebracht. Het is op dit moment de meest dominante diersoort. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens de natuur voor een deel naar zijn handen kan zetten. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens bewustzijn en zelfbewustzijn heeft. Zelfbewustzijn dat het de mens mogelijk maakt om, zoals ik in een eerdere Prikker schreef, ‘imaginaire constructen’ te verzinnen. Constructen zoals bedrijven en landen met grenzen die voor de mens betekenis hebben maar voor een vlieg onbekend zijn. Een van die ‘constructen’ is het zichzelf niet zien als dier en als ‘apart van de natuur’.

‘De Wet van Volkert’

“Wanneer een onlinediscussie enige tijd duurt, nadert de waarschijnlijkheid van een vergelijking met Hitler of de ­nazi’s de waarde één.” De Wet van Godwin zoals is te lezen in de Volkskrant in een interview met de ‘bedenker’ van de wet, Mike Godwin. Wat Godwin met zijn Wet wilde: “Ik wilde daarmee aangeven hoe het peil van onlinediscussies na verloop van tijd daalt, en dat ons oordeel over hoe monsterachtig de nazi’s echt waren door de tijd kan worden aangetast.” Godwins doel was niet om vergelijkingen met het nazi-regime taboe te verklaren. Zo wordt de wet tegenwoordig wel geïnterpreteerd. Ik moest hieraan denken na het lezen van een Briefje van Jan bij TPO aan Natalie Righton, de nieuwe presentatrice van Buitenhof.

Europa in 1850. Bron: WikimediaCommons

Volgens Jan (Dijkgraaf) gaf Righton een slechte samenvatting van woorden uitgesproken door Thierry Baudet. Of het een slechte samenvatting was van het weinig verheffende wereldbeeld achter de  woorden van Baudet, dat mag iedereen voor zichzelf uitmaken. Het gaat mij om de volgende woorden van Dijkgraaf: “Nu moet jij maar hopen dat de nieuwe Volkert nog even wacht. Want je moet er toch niet aan denken dat die straks een briefje achterlaat op het levenloze lichaam van Thierry Baudet waarin hij verwijst naar het ‘gerenommeerde programma Buitenhof’ en jou de rol van inspirator toebedeelt.”

En ja hoor we zijn er weer: de vergelijking met Pim Fortuyn. Iedere keer als politici als Baudet, Wilders com suis worden aangesproken op hun uitspraken, dan ligt er een ‘Volkert’ op de loer. Dan maakt degene die hen aanspreekt, in dit geval Righton, op woorden die ze uitspreken, in dit geval Baudet, zich schuldig aan ‘demonisering’. Of om, zoals Godwin het zelf zegt, pseudowetenschappelijk te formuleren: ‘Wanneer een discussie met aanhangers van Baudet en Wilders com suis, enige tijd duurt, nader de waarschijnlijkheid dat Volkert zijn intrede doet de waarde één’. 

Dijkgraaf vervolgt zijn briefje met de woorden: “Of mag ik dat niet zeggen? Ben ik dan de schoft?” Beste meneer Dijkgraaf, u mag dat best zeggen. Het maakt uw betoog er echter niet sterker op. Nou ja betoog. U betoogt niets. U maakt bijvoorbeeld niet duidelijk wat het verschil is tussen Baudets “Europese, traditionele identiteiten” en Rightons woorden “blanke Europese ras”. Welke anders gekleurde ‘Europese traditionele identiteiten’ kent u? Dat u niets betoogt, is precies mijn punt en mijn bezwaar tegen deze, zoals ik hem maar noem, ‘Wet van Volkert’. Door die vergelijking te maken ‘stellt’ u, om er een Germanisme in te gooien, Righton ‘kalt’. U speelt het op de persoon, die ‘deugt niet’. En als een persoon ‘niet deugt’, dan hoef je er niet inhoudelijk op te reageren. Dat is een zwaktebod meneer Dijkgraaf. 

Toe-eigening

“Als je gelooft dat de uitspraak van Ron Jans op zichzelf staat, dan snap je niet dat dit om veel meer gaat dan Jans, maar om hoe heel Nederland omgaat met racisme, binnen en buiten de sport.” Zo begint de laatste alinea van een artikel van Marvin Hokstam bij OneWorld. Een artikel over de gevoeligheid van het n-woord. Naar het schijnt rapte Jans mee met de tekst van een lied waarin dat woord werd gebruikt. Bijzonder.

Bron: WikimediaCommons

Wat er bijzonder is? Wel er zijn verschillende zaken bijzonder. Zoals meezingen met een lied. Iets waar ik me, met zeer veel andere Venlonaere, in deze dagen van de vastelaovend, ook ‘schuldig’ aan maak. “Doezend stumme klinke as ein”  om het lied Same Zinge te citeren. Voor mij is dat de essentie van muziek, dat je meedoet en meezingt.  Bijvoorbeeld het mooie Veur altied eine Venlonaer van Chris Thenu, recentelijk nog geïnterviewd door de Volkskrant, met de prachtige passage: “Au revoir, adieu Chérie. Ik gaon noow nao hoes. Veur genne franc blief ik in Periés, want Venlo is mien thoes”  Dan is het vreemd dat er liedjes zijn waarbij meezingen verboden is. Nou ja verboden. Niet voor iedereen. Alleen mensen met een bepaalde huidskleur mogen meezingen. De rest niet. Als die meezingen dan maken ze zich schuldig aan racisme ten opzichte van degenen die wel mogen meezingen. Dat lijkt mij de omgekeerde wereld. Racisme is, zo is in de Van Dale te lezen: “discriminatie op grond van iemands ras,  en een “theorie die de superioriteit van een bepaald ras verkondigt.” Dat één groep wel mag meezingen en andere groepen niet, voldoet aan de definitie. Ik kan me niet voorstellen dat ik het prachtige lied van Thenu niet zou mogen meezingen. Dat ik dan een racist zou zijn omdat mijn wieg niet in Venlo stond. Dat kan er bij mij niet in. 

Wat “de uitspraak van Jans” zoals Hokstam het omschrijft, zo bijzonder maakt, is dat Jans meezingt met de tekst van een ander. De tekst en dus de uitspraak, is niet van hem. Die is van de maker van het lied. Wat Jans deed, door mee te zingen, is het citeren van de tekst van een ander. Nu kun je ook door teksten van een ander te citeren of mee te zingen mensen discrimineren en je schuldig maken aan racisme. Bijzonder is dan wel dat degene die het nummer afspeelde niet wordt beschuldigd van racisme en misschien ook nog het ‘aanzetten tot’. En de maker van het lied dan? Is het kopen van het lied dan misschien ook racisme?

Echt bijzonder wordt het als Hokstam schrijft: “Maar als ik Nijkamps redenering goed snap, is racisme in de VS racisme en in Nederland een grapje. Daar moeten we het niet accepteren, maar hier moeten we vooral niet zo gevoelig en complex doen.”  Nee, racisme is, wat mij betreft, in Nederland geen grap. Ook niet met de vastelaovend. We moeten het nergens accepteren en dat is niet complex. Hokstam maakt het echter complex. Daarmee kom ik bij een artikel van Tamara Hartman dat momenteel bij OneWorld is te lezen. Een artikel over, zoals zij het noemt, carnaval met als ondertitel: “Een verkleedpartij is geen vrijbrief voor racisme.”  Hartman: “Ironisch dat carnaval in de Middeleeuwen draaide om het bespotten van machtshebbers, terwijl tegenwoordig juist gemarginaliseerde groepen bespot worden.” Bespotten door je te verkleden als: “ronduit racistische karikaturen (‘Indiaan’, ‘Eskimo’ of ‘Afrikaan’).”  Nu zie ik in Venlo zeer weinig mensen verkleed als ‘Indianen, Eskimo’s en Afrikanen’. Het ‘omdraaien’ van de maatschappelijke verhoudingen is inderdaad de kern van de vastelaovend. Omdraaien om zo te laten zien dat alle mensen gelijk zijn. Die cruciale toevoeging stelt het ‘verkleden’ in een heel ander perspectief.

Om dat ‘verkleden als’ gaat het mij nu niet. Het gaat mij om het woord culturele toe-eigening dat Hartman gebruikt. Ik schreef al eerder over dit begrip. Het ‘je toe-eigenen van zaken uit een andere cultuur, die je niet toekomen’. En daarmee ben ik weer bij de passage van Hokstam waarmee ik de vorige alinea begon. Maakt Hokstam zich niet schuldig aan ‘culturele toe-eigening’? Eigent hij zich niet het slavernij- en meer recentere apartheidsverleden en de hedendaags omgang ermee van de Verenigde Staten toe? Dat alleen mensen van een kleur het n-woord in een lied mee mogen zingen, is een Amerikaanse ‘uitvinding’ binnen de Amerikaanse cultuur en haar omgang met dat verleden. In  mijn ogen een bizarre uitvinding omdat het een vorm van racisme is. Hokstam verplaatst dit naar de Nederlandse situatie en dat lijkt mij een vorm van ‘culturele toe-eigening’. Zo maakt hij het racismedebat complex.