Uitgelicht

Zijn ze er nog?

Er zijn mensen die niet geloven dat Neil Armstrong op de maan heeft gelopen. Dat zou een hoax zijn, een complot. Dat kan, ik geloof het echter niet. Want de kans dat geen van al die betrokkenen bij NASA zich ooit een keer verspreekt, is erg klein. De natuurkundige David Robert Grimes maakte er een berekening van en kwam tot de conclusie dat dit complot maar 3,7 jaar geheim zou zijn gebleven. Dat zou betekenen dat al in februari 1973 bekend zou moeten zijn dat Armstrong niet op de maan heeft gelopen. En waarschijnlijk al eerder omdat dan ook al eerder bekend zou zijn dat de raket die  juli 1969 opsteeg, niet naar de maan zou gaan. Toch zijn er geheimen die het veel langer uithouden. Eén geheim zelfs al een jaar of 40.000. Als de debuutroman Ze zijn er nog van Venlonaar Fons Wijers op waarheid berust.

Eigen foto

“In een bos bij München ligt een corpulente man wiens schedel met een scherpe steen is gespleten. Vijftien maanden eerder raken twee Nederlandse toeristen verzeild in een afgelegen dorp in de Karpaten. De mensen daar zien er wat vreemd uit. Een jaar later keren zij terug naar het dorp met een Duitse amateurarcheoloog. Ze vinden aanwijzingen dat de inwoners nazaten zijn van neanderthalers, die zich gelijkwaardig aan de Homo sapiens hebben ontwikkeld. Door list en bedrog loopt het uit de hand.” Aldus de tekst op de achterkant van Wijers’ roman. Zou het echt zo kunnen zijn?

 Ik ben onvoldoende onderlegd in de wiskunde om de formule die Grimes hanteert, goed uit te kunnen leggen. Daarom maar de simpele verklarende versie van de formule die Sanne Blauw bij De Correspondent geeft. Blauw noemt het een ‘vrij simpel statistisch model’ en beschrijft de drie belangrijkste ingrediënten voor de formule. “Allereerst, de jaarlijkse kans dat een persoon het geheim onthult, ofwel per ongeluk.”  Volgens Grimes is de kans dat er iemand uit de school klapt 4 op één miljoen.

En daarmee wordt het tweede element belangrijk: “het aantal mensen dat van de samenzwering weet.” Nu wordt uit Wijers’ roman niet duidelijk hoeveel Neanderthalers er nog rondlopen. In de roman wordt gesproken over nog twee groepen, een in Roemenië en één in de Kaukasus. Daarnaast worden twee andere groepen genoemd die inmiddels niet meer bestaan. Eentje bij Gibraltar en een andere in de Ardennen. In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid slaat Yuval Noah Harari er een onderbouwde slag naar. Hij haakt aan bij het onderzoek naar groepsgrootte bij chimpansees en komt uit op een groepsgrootte van tussen de twintig en vijftig. Als het er meer worden dan “raakt de sociale orde uit balans, wat uiteindelijk leidt tot een breuk en de vorming van een nieuwe troep door een deel van de dieren. Het is maar een paar keer voorgekomen dat zoölogen groepen van meer dan honderd chimps hebben kunnen observeren.[1] Als we rekenen met vijftig per groep, vier groepen en vier generaties per eeuw, dan zijn dat 80.000 individuen per groep. Voor vier groepen komt dat neer op 320.000 neanderthalers.

Met Grimes 4 op de miljoen, betekent dat er in die 40.000 jaar ongeveer 1,3 individuen zijn die uit de school klappen. Dat is niet veel. Zeker niet als je je realiseert dat die kletskous de eerste pakweg 35.000 jaar weinig kans had om te kletsen. De kans om een homo sapiens tegen het lijf te lopen was klein want zoveel waren er niet. In enig jaar is de kans 0,0008 dat het geheim uitkomt en in het heden nog maar 0,0004 omdat er nog maar twee groepen zijn. Een kans wordt uitgedrukt in een getal tussen de 0 en 1. Daarbij is 0 kansloos en bij 1 dan gebeurt het zeker. Die 0,0008 valt in de categorie behoorlijk kansloos en 0,0004 eveneens. En daarmee hebben we het laatste element uit Grimes kansberekening: “de groei dan wel krimp van die betrokken groep mensen.” In het geval van de neanderthalers is het dus krimp. Het aantal groepen is gekrompen van vier naar twee en het verhaal lezend moet je concluderen dat het die twee groepen zeer veel moeite kost om zich in stand te houden. Dus als er ‘er nog zijn’ en ze willen dat geheim houden, dan wordt dat steeds makkelijker. Maar met het makkelijker worden, wordt de kans ook groter dat ze er opeens niet meer zijn.

Echter onwaarschijnlijke dingen gebeuren. In Wijers’ roman zijn ‘ze’ er dus nog en worden ze per ongeluk ‘ontdekt’. In die ontdekking spelen twee Nederlanders en dus die Duitse amateurarcheoloog een belangrijke rol. Op meeslepende wijze neemt Wijers de lezer mee door het verhaal van de ontdekking of toch niet? Een verhaal waarin het liep zoals beschreven maar het had net zo goed anders kunnen lopen. Had het niet zo hard geregend of was het plaatsnaambord wat groter, dan was er geen verhaal geweest. Was de vriend van de Duitser meegegaan, dan was het een heel ander verhaal. Was die onbekende jonge vrouw niet verkracht en vermoord, dan ….


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid,  pagina 35

De oorsprong van onze politiek: tribalisme

Mijn kinderen en vrouw worden er gek van. Waarvan? Van het antwoord op de vraag: ‘waarmee kunnen we je blij maken voor je verjaardag of met sinterklaas.’ Het is altijd hetzelfde antwoord: ‘een boek’. Nu houden ze zich er niet aan want ik krijg ook ander zaken. Dus toen de vraag weer kwam voor de afgelopen sinterklaas, had ik een lijstje met boeken klaar. Op die lijst De oorsprong van onze politiek deel 1 en 2 van Francis Fukuyama.

Eigen foto

De afgelopen tijd heb ik me gegooid op de twee delen. Dat is een hele kluif want bij elkaar zijn het zo’n 1.100 bladzijden. Fukuyama neemt je mee door de geschiedenis en over de wereld en beschrijft de overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende bestuursvormen en politieke instellingen en probeert die te verklaren. En alhoewel hij een voorkeur heeft voor de liberale democratie, bevat het boek geen ‘routekaart’ ernaar toe. In de komende Prikkers neem ik jullie mee in Fukuyama’s denken en hoe het kan helpen om zaken in het heden te verklaren. Vandaag behandel ik het tribalisme. ‘Tribalisme’ is een manier om grotere groepen mensen te binden.

Zoals ik al eerder schreef, zijn wij, de homo sapiens, het meest succesvolle dier geworden door onze taal. Die zorgde ervoor dat we in grotere groepen konden leven: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1] De ‘gift van de taal’ ontstond zo’n 70.000 jaar geleden en maakte het mogelijk dat onze voorouders zich over de hele wereld konden verspreiden. Volgens Yuval Noah Harari bestond de meeste informatie die werd overgedragen echter uit ‘roddel’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet , wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.[2] Door de ‘roddel’ kon de groep echter veel groter worden tot wel 150 individuen. Niet meer dan een klein dorp, maar toch. Een groep die veelal bestond uit familie en door taal kon die familie nu wat groter worden. Dat wij nog steeds een heel sterke neiging hebben om op te komen voor en terug te vallen op familie is niet vreemd. Dat is de manier waarop we zo’n 200.000 jaar hebben geleefd en overleefd. Als alle andere vormen van gezag en verbinding wegvallen, dan is dit waarop de mens terugvalt.

Een volgende stap die de mens zette was die van groep of familie naar stam: de tribale samenleving. Hierin ‘verenigen’ zich de groepen en families door te verwijzen naar een gezamenlijke voorvader en iemand uit de hele groep te ‘benoemen’ tot opvolger van die voorvader. Tribale samenlevingen kwamen overal in de wereld op. Dat duidt erop dat het stamverband flinke voordelen bood boven  het groepsverband alleen. Fukuyama over dat voordeel: “Tribale samenlevingen hebben een veel grotere militaire macht dan samenlevingen op groepsniveau omdat ze op stel en sprong honderden of duizenden verwanten kunnen mobiliseren.[3]  De ‘uitvinder’ van het tribalisme had een ‘concurrentievoordeel’ op de groepssamenlevingen. Een voordeel dat goed van pas komt in een tijd dat je rijkdom alleen maar kon groeien ten kosten van anderen. Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen. De nadruk werd daarmee gelegd op ‘verwantschap’. Die gezamenlijke voorvader hoefde niet werkelijk te hebben bestaan. Dat de groepen tot ‘dezelfde stam’ behoorden, betekent niet dat ze niet onderling ruzie konden hebben. Het betekent wel dat ze elkaar steunen als de stam wordt bedreigd door buitenstaanders. In ons deel van de wereld leidde dit uiteindelijk tot het feodalisme en het uiteindelijke erfelijk worden van het leiderschap, in andere delen van de wereld niet.

Het feodalisme is gelukkig geschiedenis, het tribalisme echter nog niet. In verschillende gebieden op de wereld is tribalisme nog steeds dominant ondanks dat wij in het westen denken in staten en de wereld ook uit staten bestaat. Staten die lid zijn van de Verenigde Naties. Veel landen, zoals Afghanistan, maar ook verschillende Afrikaanse landen, zijn echter geen natie, het zijn stammen die binnen een tijdens de koloniale periode getrokken grens wonen. En als je vanuit die stammen kijkt, kan het zomaar gebeuren dat de stam in verschillende ‘naties’ woont. Trouwens ook in verschillende ‘moderne democratieën’ zie je nog steeds tribalisme in de vorm van cliëntelisme: het bevoordelen van je eigen groep. Maar daar kom ik in een later deel in deze reeks op terug.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 81

Eenoog of vijftien pakken koekjes

“Je hoeft voorlopig geen koekjes meer mee te nemen. Er liggen nog vijftien pakken in de kast.” Dit krijg ik soms te horen. Nee, niet altijd over koekjes, het onderwerp kan variëren. Ik krijg dat te horen omdat ik in ons huishouden meestal de wekelijkse boodschappen doe. Hiervoor maak ik nooit lijstjes, ik neem iedere week ongeveer hetzelfde mee. Alleen bijzondere zaken staan op een lijstje. Nou ja lijstje, een foto van ons memobord waarop we die zaken, zoals afwasmiddel of koffie, schrijven. Ik moest hieraan denken toen ik de kop van een advertentie las die in de Volkskrant voorbij kwam: ‘Kinderen zullen niet eens weten dat Internet of Things bestaat’. Met een op het internet aangesloten voorraadkast, zou dat nooit gebeuren.

Eigen foto

‘Internet of Things’ met hoofdletters geschreven om het nog belangrijker te maken. Wikipedia geeft de volgende omschrijving: “Het internet der dingen (Engels: Internet of Things (IoT)) refereert aan de situatie dat door mensen bediende computers (desktops, laptops, tablets, smartphones) in de minderheid zullen zijn op het internet. De meerderheid van de internetgebruikers zal in deze visie bestaan uit semi-intelligente apparaten, zogenaamde embedded systems. Alledaagse voorwerpen worden hierdoor een entiteit op het internet, die kunnen communiceren met personen en met andere objecten, en die op grond hiervan autonome beslissingen kunnen nemen.”  De promotors van het Internet of Things laten het woord semi voor intelligent weg en verengelsen het tot ‘smart’. Een ‘smart’ voorraad- en koelkast die samen het boodschappenlijstje maken en het naar mij zenden, dat zou handig zijn. Of nog een stap verder. Die het lijstje naar de supermarkt, slager en bakker stuurt die de boodschappen dan thuis komen bezorgen. Of niet?

Dat ‘thuisbezorgen’ zou me tijd schelen. Tijd waarin ik een Prikker kan schrijven. Nu is tijd vinden om een Prikker te schrijven niet zo’n probleem. Als het idee er is, volgt de tijd vanzelf. Bij dat thuisbezorgen zou ik het contact en de gesprekken met winkelmedewerkers missen. De leuke gesprekken met de medewerkers bij Scharrelslagerij Hamans of met de medewerkers van Bakkerij Rutten. En ook de gesprekjes met de andere klanten. Gesprekjes die ervoor zorgen dat ik ‘weet wat er binnen de ‘stam’ leeft’ om een citaat van Yuval Noah Harari dat ik in een recente Prikker gebruikte, te parafraseren. Gesprekjes die trouwens ook soms stof leveren om over te schrijven. Als ik de plus van de tijdwinst afzet tegen deze sociale winst, dan kies ik voor de sociale winst. Wat dat betreft ben ik het met ‘oma Muriel’ uit de serie Years and Years eens, waarover ik in de vorige Prikker schreef, dat ‘wij verantwoordelijk zijn voor de wereld die we bouwen.’

Dan het lijstje maar naar mezelf sturen zodat alles er is en er geen ‘vijftien pakken koekjes’ meer in de kast liggen? Dat zou enige meerwaarde kunnen hebben. Al vraag ik me wel af of die ‘vijftien pakken koekjes’ opwegen tegen een apparaat dat gegevens over ons huishouden verzamelt en waarvan ik niet weet met wie die gegevens allemaal gedeeld worden. Ik weet niet of ik erop zit te wachten dat de fabrikant van de koelkast en de maker van de erin verwerkte hard- en software te weten komt welke zaken ik eet en drink en deze vervolgens doorverkopen aan anderen. Nee, dan liever eens per maand een boodschap dat er nog ‘vijftien ….’ liggen en dat ik die voorlopig niet meer mee hoef te nemen.

Zo zit ik ook niet te wachten op andere ‘smart’ apparaten die mij ‘adviseren’ en ondertussen mijn leven volgen en delen met bedrijven en overheden. Een ‘smart’ wc-pot die je grote en kleine boodschap analyseert en je in een vroegtijdig stadium meldt dat je iets mankeert, klinkt geweldig en kan levens redden. Toch zie ik ervan af omdat ik niet weet wie die gegevens nog meer krijgt. En al wist ik het, dan weet ik nog niet of ik alles wil weten. Ik weet niet of ik nog rustig op het toilet zou zitten als er een kans is dat je kleine of grote boodschap wordt gevolgd door een minder prettige boodschap. Nee, een ‘smart home’, ja ook de woorden achter ‘smart’ worden bij voorkeur verengelst, waarin allerlei apparaten verbonden zijn met internet en ik van afstand kan inloggen op het beveiligingssysteem, de temperatuur kan regelen en alvast de wasmachine kan aanzetten, is niets voor mij. Of sterker nog, een huis dat dit allemaal al zelf doet, is aan mij niet besteed. Liever een slim mens in een dom huis dan een dom mens in een slim huis.

Nu zijn het niet alleen dingen en huizen die ‘smart’ moeten worden. Ook hele steden willen ‘smart cities’ worden. Weer verengelst al kan ik me voorstellen dat het Nederlands hier, zeker als het wordt afgekort, verkeerde beelden oproept. ‘Smart cities’ die technologie gebruiken om het verkeer goed te laten doorstromen, aan ‘crowd control’ doen, de afvalinzameling verbeteren om zomaar een paar voorbeelden te noemen. Om, het in beleidstermen te formuleren ‘de stad en de dienstverlening duurzamer en efficiënter’ in te richten. De technologie die hiervoor wordt gebruikt is dezelfde die in China wordt gebruikt: camera’s, data, locatiegegevens van mobiele telefoons. De Chinese versie wordt vaak aangeduid met de Orwell term Big Brother. Nu laat de corona-pandemie zien dat efficiënt in crisistijd niet even efficiënt is. Als burger van Nederland en inwoner van Venlo zit ik niet te wachten op ‘smart Venlo’, veel liever zie ik dat ‘smarte’ Venlonaren hun ding doen.

Nu word je op school bij het vak economie geleerd dat vraag van de consument aanbod creëert. Als we dit op het Internet of Things toepassen: welke consument heeft om dit aanbod gevraagd? Wie heeft er om het ‘Internet of Things’ gevraagd? Als die er niet zijn, waarom wordt het ‘aanbod’ dan toch uitgerold? Misschien ben ik de enige die niet om dat ‘Internet of Things’ vraagt. Al lijkt me dat sterk. Om terug te grijpen op de kop van de advertentie, het is geen pré dat ‘onze kinderen niet zullen weten dat het bestaat’. En het zijn niet alleen ‘onze kinderen’ die het niet zullen weten, het gros van ‘ons’ weet ook niet dat het bestaat en wat het inhoudt en betekent.

‘In het land der blinden is eenoog koning’ aldus een bekend spreekwoord. Al die ‘smart’ zaken, dat hele ‘Internet of Things’ maakt enkelen (de bedrijven en op andere plekken de overheid) eenoog. Eenoog omdat ze ook niet weten hoe het werkelijk uit gaat pakken. Wij, de eenvoudige inwoner/consument zijn de ‘blinden’ omdat we helemaal niet weten hoe het werkt en wie er wat mee kan. Dat is precies wat de advertentietekst zegt. Kiezend tussen ‘eenoog’ en ‘vijftien pakken koekjes’, kies ik voor het laatste. Het laatste en een flinke investering in kennis om te voorkomen dat het ‘huis’ slimmer wordt dan haar ‘bewoners’.

Fictionele feitelijkheid

“Via het proces van uitstoting lukt het vooral onze soort zich te verspreiden over grote delen van de aarde, slimmer als homo sapiens werd.” Zo schrijft Mechtild Rietveld in een column met als titel Discriminatie op de site Binnenlandsbestuur. Dit: “proces van uitstoting,” is eigen aan primaten, en de homo sapiens is een primaat, zo zegt zij primatoloog Marc van Roosmalen na. Discriminerend gedrag dat soortgenoten uitstoot: “vanwege een iets afwijkend uiterlijk.” Die uitgestotenen beginnen vervolgens een eigen groep op een andere plek. Resultaat van dit gedrag: “Wij zijn zo een plaag voor de aarde aan het worden, of we nu zwart, bruin, geel of wit zijn. Steeds meer komen we elkaar in de weg te zitten. Moord en doodslag! Tot op de dag van vandaag slaan wij elkaar groepsgewijs nog steeds de koppen in.” Zou het werkelijk?

Gratis Afbeeldingen : wildlife, dierentuin, zoogdier, dichtbij ...
Bron: Pixhere

Ik ken het boek van Van Roosmalen niet en het proces van uitstoting dat Rietveld van hem heeft overgenomen, kan en wil ik niet ter discussie stellen. Kan ik niet omdat ik geen primatoloog ben en wil ik niet omdat het mij daar niet om gaat. Waar het mij om gaat is dat Rietveld beweert dat dit ‘proces van uitstoting’ ervoor heeft gezorgd dat de homo sapiens zich over de wereld hebben verspreid en nu een plaag voor de aarde vormen. De homo sapiens waren niet de enige ‘mensensoort’ die zich over de aarde verspreidde. Onze soort loopt al zo’n 300.000 jaar op deze aardbol rond en heeft de aarde zo’n 275.000 jaar gedeeld met verschillende andere mensensoorten. Sterker nog, een van die soorten, de neanderthaler, belemmerde onze voorvaderen zo’n 100.000 jaar gelden de doortocht vanuit Afrika, via wat wij nu het Midden-Oosten noemen, naar de rest van de wereld.

Niet de enige mensensoort en zeker ook niet de enige ‘primatensoort’? Nu niet en vroeger ook niet. Als dat ‘proces van uitstoting’ werkelijk de oorzaak is van de ‘mensenplaag’ op deze aarde, waarom leven er dan geen gorilla’s in Zuid-Amerika of in Noord-Europa? Daar moet nog een andere verklaring voor zijn dan het ‘proces van uitstoting’. 

In hun boek Hoe we mensen werden komen de Duitsers Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier met een andere verklaring. Een verklaring: “Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden. De voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.” Dus niet ‘verstoting’ maar ‘aantrekking’ als drijfveer om iets te ondernemen. Om een van hun voorbeelden te parafraseren: ‘waarom willen we naar Mars?’ Niet omdat er hier een groep is die wordt ‘uitgestoten’, maar omdat we ons er een voorstelling van kunnen maken. En zoals Einstein zei: “Logic will get you from A to B. Imagination will take you everywhere.”

Nu is ‘aantrekking’ of anders geformuleerd ‘verbeelding’ alleen niet voldoende. Want met alleen verbeelding was het onze voorvaderen zo’n 70.000 jaar geleden niet gelukt om wel voorbij de neanderthalers in het Midden-Oosten te komen. Daarvoor was meer nodig. Als eerste groepsgrootte. Ik weet niet veel van primaten, maar wat ik wel weet is dat ze in groepen leven. Groepen die, zoals Yuval Noah Harari in zijn boek Sapiens schrijft: “Onder natuurlijke omstandigheden bestaat een typische troep chimpansees uit zo’n twintig tot vijftig individuen.” Bij hoge uitzondering is een groep wel eens groter. Grotere groepen raken uit balans. De homo sapiens is de enige soort die in veel grotere groepen kan opereren. De andere mensensoorten konden dat niet en wij, de sapiens, konden dat eerst ook niet. Dat kan verklaren waarom onze eerste ‘ontsnapping’ uit Afrika mislukte. In een directe confrontatie, maar ook in de jacht op wild, legt een sapiens het af tegen de fysiek veel sterkere neanderthaler.

Ergens tussen die eerste mislukte poging en de tweede geslaagde poging 70.000 jaar gelden, moet er wat zijn veranderd. En omdat het niet op fysiek gebied was en ook niet op het gebied van werktuigen en het gebruik van vuur, want daarin verschilden de neanderthaler en de sapiens niet, moet het iets anders zijn geweest. Maar wat?

Volgens Harari heeft dat te maken met taal. Door die taal konden onze voorvaderen elkaar laten: “weten waar leeuwen en bizons uithangen.”’ Belangrijker echter dan deze praktische informatie uitwisseling is, volgens Harari, de sociale functie van taal, de ‘roddelfunctie’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.” Hierdoor kon een groep, zo betoogt Harari, groeien tot wel 150 individuen. En dan is het drie sapiens tegen één neanderthaler. Bovendien drie sapiens die sneller en makkelijker kunnen communiceren, ook tijdens de jacht.

En als we kijken waarover wij, de gemiddelde mens in de eenentwintigste eeuw, het meeste spreken dan is dat roddelend over anderen. Henk van der Meijden is er groot mee geworden en was jarenlang de ‘koning’ van het ‘prominentenroddelcircuit’. Een positie die nu is overgenomen door Albert Verlinden of loop ik wat dat betreft al weer achter. Op basis van roddel, maar dan vooral door jezelf te promoten, kun je een van de grootste bedrijven ter wereld bouwen, zo laat Mark Zuckerberg met Facebook zien. Hoe ons talig vermogen dat zo’n 70.000 jaar geleden ontstond, is niet bekend. Het biedt ons wel gigantische mogelijkheden.

“In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik in een van mijn laatste Prikkers van 2018. Roddelen vergrootte grofweg de groep van 50 naar maximaal 150 individuen. In de slag om voedsel en veiligheid is dit een bijzonder grote stap. De passage over Van Basten raakt, in mijn ogen, de cruciale stap in het succes van ons homo sapiens. Nee, dat is niet het veroveren van het Europees kampioenschap door het Nederlands elftal.

Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig met zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Maar zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het westen soms ook in het oosten willen zijn.” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon beteken. Daarmee komen we op de grootste kracht van de mens en dat is zijn vermogen om verhalen te verzinnen die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Of zoals Harari het beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.”  

Verhalen bedoeld om individuen te binden. Ook Böhme en haar medeauteurs komen tot een soortgelijke conclusie: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.” Verhalen waardoor grote culturen ontstaan en mensen in grote groepen aan hetzelfde kunnen werken zonder elkaar persoonlijk te kennen. Zo creëren wij onze eigen fictionele feitelijkheid.

Maar zoals bijna alles, om de grote helaas te vroeg overleden ‘filosoof’ Johan Cruijff te verhaspelen: ‘ieder voordeel hep z’n nadeel.’ Verhalen die ‘binden’, scheiden ook. De verhalen zijn bedoeld om een groep te binden, maar door het binden van die groep, scheiden ze die groep ook meteen van anderen. En zoals Böhme c.s. het schrijven: “Binnen onze relevante, vertrouwde groepen concurreren wij om sympathie, strijden we om erkenning en reputatie, naar buiten toe sluiten we ons af. Dat is een erfenis uit ons grijze verleden, toen de concurrentie om voedsel, seksuele partners en andere bestaansbronnen nog veel belangrijker was om te overleven dan tegenwoordig.” En daarmee zijn we bij de reden achter ons succes als diersoort maar ook de reden waarom we ‘elkaar groepsgewijs de koppen in slaan’.

Dat nadeel is, zoals Böhme c.s. schrijven: “de schaduwzijde van een nog niet volledig ontwikkelde sociale competentie.” Gelukkig heeft dat nadeel ook een voordeel: “door ons vermogen tot zelfreflectie en de mogelijkheid om met elkaar te praten beschikken we in principe over de middelen om kloven te dichten.”

Imaginair construct gezocht

“Nu al drukt deze pandemie haar stempel op onze economie: de beurzen staan zwaar in de min, winkels en horecagelegenheden moeten noodgedwongen hun deuren sluiten en zelfstandigen komen zonder opdrachten te zitten. Het is duidelijk dat de economische gevolgen langdurig zullen zijn.” Dat is de inleiding van Jesse Frederik voor een serie artikelen te vinden bij De Correspondent waar: “de belangrijkste inzichten over deze economische gevolgen van het coronavirus” worden beschreven. Een verzameling met als titel: Wat deze pandemie de economie kost. Laten we, in het kader van het nadenken over de ‘na-coronese periode’, deze laatste zin eens wat uitdiepen.

De pandemie ‘kost’ de economie iets. Maar wat is ‘de economie’? ‘Economie’ heeft, aldus Van Dale, drie betekenissen. Als eerste “zuinigheid”. Als tweede: “de wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft.” En als laatste: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Frederik heeft de derde betekenis voor ogen. Een betekenis die we te danken hebben aan de oude Grieken. Het is een samentrekking van de woorden ‘oikos’ en ‘nomos’ samen te vertalen als huishoudkunde. Voor de oude Grieken was dit het besturen van hun huishouden. Dat huishouden is niet te vergelijken met een huidig gezinshuishouden. Het bestond uit een pater familias met zijn vrouw, broers, ongehuwde zussen en al hun kinderen en kleinkinderen. Dit nog aangevuld met slaven voor in huis en op het land. ‘Huishouden’ is een metafoor voor een ‘staat of land’, een:  “beeldspraak die berust op een vergelijking”, zoals de Van Dale het omschrijft om het vervolgens met een voorbeeld te verduidelijken: “het schip van de woestijn is een metafoor voor kameel”.

Het gebruik van imaginaire beelden en die zien als een werkelijkheid, is een van de unieke eigenschappen van de mens. Die eigenschap maakt de mens, zo betoogt de Israëlische historicus Yuval Noah Harari, uiterst succesvol. Het grootste deel van ons leven speelt zich af in imaginaire constructies die ons binden, of scheiden. Neem eigenaarschap van een stukje grond. Ergens op een stukje papier staat dat iemand een stuk grond bezit. Dat heeft voor ons waarde. Dat zorgt ervoor dat anderen er niet over lopen. Een konijn laat zich er echter niet door hinderen. De Fransman Jean Jacques Rousseau heeft dit in 1754 treffend beschreven: “De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen ‘Dit is van mij’, en onnozelaars trof die hem geloofden.” Landen, gemeenten, provincies maar ook bedrijven, verenigingen, geld en religies zijn net zo’n imaginaire constructen. Ze bestaan omdat wij vinden dat ze bestaan.

En nu we het toch over beeldspraak en metaforen hebben en daarmee terug naar het onderwerp, ook Frederik maakt gebruik van een metafoor. Hij lijkt de economie te zien als een ‘persoon’. Een persoon die kosten maakt, die schade oploopt, die kan afvallen (krimpen) maar ook kan aankomen (groeien). Een persoon die kosten kan maken en ook baten kan hebben. Alleen kun je de persoon ‘economie’, in tegenstelling tot een echte persoon niet beetpakken. Je kunt er ook geen ‘anderhalve meter afstand’ van houden. Om die imaginaire persoon ‘economie’ maken zeer veel mensen zich flinke zorgen. Met die persoon gaat het nu slecht. Zij lijdt aan corona en daardoor maakt zij kosten. Kun je haar ‘pijn’ al voelen?

Maar wat als we die imaginaire constructie ‘economie’ laten voor wat ze is? Wat zien we dan? Dan zien we dat de corona-pandemie mensen iets kost. De pandemie kost mensenlevens, ze kost mensen hun gezondheid, ze kost sommigen hun levenswerk en anderen verliezen hun baan. Als we vervolgens kijken wat een mens echt nodig heeft en wat ‘luxe’ is, is er dan, behalve het leed van de zieken en het verdriet van de nabestaanden van overledenen, een probleem? Er is voldoende te eten en te drinken voor iedereen. Er zijn voldoende ‘daken’ om iedereen onderdak te bieden. Even goed verdelen en links en rechts wat herverdelen en we kunnen verder. Ja, wellicht verliezen we een beetje luxe omdat we niet op vakantie kunnen. Maar is dat werkelijk een probleem? Onze voorvaderen hebben eeuwen overleefd zonder ‘vakantie’. Het enige wat er nog ontbreekt is een nieuw bindend  ‘imaginair construct’.

Tijd voor andere verhalen

‘Reageer niet op die man. Hij is de aandacht niet waard.’ Dat advies krijg ik steevast als ik weer eens reageer op iets wat Jan Roos schrijft. Roos de man die ‘bekend’ werd als ‘etterbal met de roze microfoon’ van Powned. En die definitief doorbrak als ‘Peppi’ in zijn strijd tegen het associatieverdrag met de Oekraïne. Of was het ‘Kokki’? Toch reageer ik steeds als Roos iets schrijft wat daartoe aanleiding geeft. Zo ook deze keer weer. “Links is ook erg pro-Palestijnen, maar weten van de ontstaansgeschiedenis van dit verzonnen volk en hun verzonnen land niets af.” Aldus Roos bij De Dagelijkse Standaard.

Aurora Borealis. Bron: WikipediaCommons

Ik reageer hierop niet omdat wat Roos hier beweert onzin is. Ik weet niet of links erg ‘pro Palestijnen is’ en of het niets afweet van de geschiedenis van de Palestijnen en hun land. Daar gaat het mij ook niet om. Het gaat mij om ‘verzonnen volk en verzonnen land’. Niet dat Roos hier iets schrijft wat aperte apekool is. Waarom dan toch in de pen geklommen? Omdat Roos de Palestijnen afzet tegen andere landen en volken en het doet voorkomen of die landen en hun volken niet zijn ‘verzonnen’. En dat is wel aperte apekool. Alle landen, alle volken en ook alle religies zijn verzonnen. Het ene wat eerder dan het andere, maar verzonnen zijn ze allemaal.

Nederland? In eerste aanleg verzonnen tijdens het Weens congres in 1814 en daarna, in 1831, nog wat gedecimeerd. Ik schreef er al eerder over. Het ‘volk’ bestond niet, dat is verzonnen. Gecreëerd door selectief in het verleden te winkelen en daaruit die gebeurtenissen te pakken waarop je ‘trots’ kunt zijn. Israel? In 1948 ontstaan. De Joodse claim op dat gebied als het hen ‘beloofde land’? Een verhaal gelardeerd met her en der een historische gebeurtenis die er een ‘logisch geheel’ van moeten maken. Een verhaal om een groep mensen te binden. Religie? Verhalen die een deel van de mensen nodig hebben om te kunnen omgaan met het zelf-bewustzijn. Met dat je realiseert dat het leven, ook het jouwe, eindig is. Maar ook als verhalen dat groepen mensen met elkaar verbindt. Verhalen die maken dat mensen zeggen: ‘wij horen bij elkaar’. Iets wat wordt beaamd door anderen die er niet bijhoren.

Verhalen in welke vorm (volk, land, religie) dan ook, spelen een belangrijke rol in het leven van de mens. Verhalen die mensen binden en ze deel uit laten maken van een groter geheel. De andere kant van de medaille is dat dezelfde verhalen ook mensen uitsluiten. Die horen niet bij dat grotere geheel.

Bij verhalen moet ik denken aan 21 Lessen voor de 21ste eeuw. Een boek van Yuval Noah Harari. In hoofdstuk 20 bespreekt hij de plek die verhalen innemen in het leven van de mensen. Dat hoofdstuk heeft als titel Het leven is geen verhaal.  Aan het einde van dat hoofdstuk (pagina 374) schrijft Harari: “Pas op als politici in mythische bewoordingen gaan spreken. Dat kan namelijk een poging zijn om het echte leed te gaan verhullen en rechtvaardigen door het te verpakken in moeilijke, onbegrijpelijke termen. Wees vooral op je hoede voor de volgende vier woorden: opoffering, eeuwigheid, zuiverheid en verlossing. Als je een van die woorden hoort, sla dan meteen alarm. En als je toevallig in een land woont waarvan de leider regelmatig dingen zegt als: ‘Hun offer zal de zuiverheid van onze eeuwige natie waarborgen en ons naar de verlossing leiden’, besef dan dat je een groot probleem hebt.”

De laatste jaren spreken steeds meer politici in mythische bewoordingen. Horen we de woorden ’opoffering, eeuwigheid, zuiverheid en verlossing’ en hun synoniemen steeds vaker. Neem de ‘VOC mentaliteit’ van Balkenende, de ‘boreale toespraak’ van Baudet in Nederland. Een Amerikaanse president die ‘America’ weer ‘Great’ wil maken en zichzelf in superlatieven veren in zijn reet steekt. Alles wat hij doet is ‘greatest ever’ en wat anderen doen is ‘worst ever’. Een manier van denken die ook aanwezig is bij Khamenei, Poetin, Erdogan en Xi Jinping. Harari adviseert: “Als je een beetje bij je verstand wilt blijven, moet je altijd proberen zulke lulkoek te vertalen naar de werkelijkheid: een soldaat die het uitschreeuwt van pijn, een vrouw die geslagen en aangerand wordt, een kind dat beeft van angst.”  

Tijd voor andere verhalen!

Stilstand is voorachteruitgang

Vooruitgang. “Het steeds beter worden van de toestand,” volgens Van Dale. Eeuwenlang speelde vooruitgang geen rol in het leven van mensen. Sterker nog, men dacht dat de zaak er alleen maar slechter op werd.

Voor de Griekse filosoof Plato die leefde in de vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling was verandering slecht en rust goddelijk. Hij stond hierin niet alleen en borduurde voort op zijn vier eeuwen oudere voorganger Hesiodus. In zijn boek Werken en Dagen beschreef hij de geschiedenis van de mensheid in vijf geslachten. Als eerste het Gouden geslacht. Die leefden in luxe zonder al te veel te hoeven werken en waren geliefd bij de Olympische goden. Als laatste het IJzeren geslacht dat hard moest werken en verdriet kende. Ook de bijbel gaat uit van achteruitgang. Adam en Eva woonden immers in het paradijs alwaar het hen aan niets ontbrak. Dat viel allemaal weg na het eten van een appel. Vanaf dat moment moest de mens werken voor zijn levensonderhoud. Dan was je er als Boeddhist iets beter aan toe. Die gelooft in een oneindige keten van schepping en vernietiging waarbij alles zich naar verloop van tijd herhaalt. Een denken dat ook aan de film The Lion King ten grondslag ligt: ‘The cirkel of life’. Pas vanaf de zestiende eeuw, het begin van de moderne tijd, begonnen mensen te denken in termen van vooruitgang. Niet alle mensen, het denken in vooruitgang was typisch iets West Europees en met name voor de meer geletterden en die ook weer niet allemaal.

Stilstand was eeuwenlang vooruitgang. Tenminste als je het voorkomen van achteruitgang, vooruitgang noemt. Voor de conservatieve stromingen in de politiek geldt dat nog steeds. Baudet wil het liefst terug naar de negentiende eeuw, Wilders lijkt de jaren vijftig te idealiseren. Al weet ik niet of hun beeld van het leven in die tijd overeenkomt met het werkelijke leven in die tijd. Nadeel van vooruitgang is immers dat het heden steeds minder op het verleden lijkt.

In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid redeneert  de historicus Yuval Noah Harari ook op z’n Plato’s om het zo te zeggen. Hij beschrijft de uitvinding van de landbouw ook in termen van achteruitgang. Hij noemt het: “De grootste zwendel van de geschiedenis.” Een zwendel omdat de mens, volgens Harari, als landbouwer veel harder moest werken, voor een veel minder gevarieerd voedselpatroon en met grotere risico’s op hongersnood.

Voor mezelf sprekend, ik zou niet willen ruilen met die jager-verzamelaar. Je hele leven rondtrekken. Wonen in hutjes en grotten. Niets voor mij, ik hou niet van kamperen. Geef mij maar de geneugten van de vooruitgang. Een huis, gezondheidszorg, technisch hulpmiddelen, een auto waarmee ik grotere afstanden kan overbruggen, alle kennis over het ontstaan van het leven. We weten nu veel meer. Maar toch. Zou ik bepakt met al die kennis overleven in de prehistorie? Ik denk dat de overlevingskansen van de prehistorische jager-verzamelaar in het heden, groter zijn.

Beloven en geloven

Het leven. De enige zekerheid die het biedt, is dat het eindigt met de dood. Je hoopt natuurlijk dat het moment dat ‘Magere Hein’ je komt halen nog ver weg is. Dat de tijd tussen geboorte en dood zo groot mogelijk is. Tenminste, dat is nu nog het geval.“ In de eenentwintigste eeuw zal de mens waarschijnlijk serieus gaan streven naar onsterfelijkheid,” schrijft Yuval Noah Harari in zijn boek Homo Deus. een kleine geschiedenis van de toekomst op pagina 33 in een paragraaf met als titel Het einde van de dood. 

Eigen foto

Een streven dat al snel resultaat zou kunnen hebben. Hariri (pagina 37): “De razend snelle ontwikkelingen in onderzoeksgebieden als genetische modificatie, regeneratieve geneeskunde en nanotechnologie brengen almaar optimistischer voorspellingen met zich mee. Sommige deskundigen geloven dat de mens de dood zal overwinnen in 2200, volgens anderen is het in 2100 zover. Kurzweil en De Gray zien het nog positiever. Zij beweren dat iedereen met een gezond lichaam en een gezond banksaldo in 2050 een serieuze kans op onsterfelijkheid zal maken door de dood decennium na decennium te slim af te zijn.” Onsterfelijk, tenminste als je over voldoende geld beschikt. Sterven wordt dan alleen iets van en voor de armen. De armen sterven door gebrek de rijken leven eeuwig in luxe door.

Nou ja onsterfelijk. Zelfs de onsterfelijken kunnen ‘Magere Hein’ op bezoek krijgen: “ In tegenstelling tot God kunnen toekomstige supermensen nog steeds wel sterven door een oorlog of ongeluk, en dan kan niets ze meer terughalen uit het hiernamaals,” schrijft Harari iets verderop. Maar, ook daarvoor is een oplossing afkomstig van de al genoemde Kurzweil. Tenminste als we Jos de Mul mogen geloven in zijn boek Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo Sapiens 3.0. Die oplossing heet singulariteit: “dankzij de exponentiele ontwikkelingen in de informatietechnologie, genetica, nanotechnologie en kunstmatige intelligentie (zal) de mensheid reeds in 2045 (…) zijn opgegaan in één globale intelligentie, die vanaf dat moment in korte tijd met een snelheid groter dan het licht het hele universum zal doordringen,” aldus De Muls weergave van het denken van Kurzweil (pagina 189-190). Ik kan me niets voorstellen bij die singulariteit van Kurzweil. Bovendien vraag ik me af of het wel zo leuk is om onderdeel uit te maken van die ene globale intelligentie. Dat doet me toch een beetje denken aan de Borg uit Star Trek. De Borg, een soort bij-achtig volkje met een ‘koningin’. Een beschaving die alles in zich opnamen en integreerden en je benaderden met de onheilspellende woorden: “We are the Borg. Lower your shields an surrender your ship. We will add your biological en technological distinctiveness to our own. Your culture will adapt to service us. Resistance is futile.” Dit lijkt mij geen prettig vooruitzicht. En dan hebben de Borg nog voor op Kurzweils singulariteit dat ze ook mijn ‘biological distincteveness’ overnemen. Daar rept Kurzweil niet over. 

Bron: Wikimedia Commons

De Mul plaats wat kanttekeningen bij die singulariteit in 2045. “ Een cruciale rol in Kurzweils redenering wordt gevormd door de ‘Wet van Moore’, die stelt dat de rekenkracht van computers iedere achttien maanden verdubbelt. de afgelopen 45 jaar is dat inderdaad het geval geweest, maar Kurzweil lijkt in zijn enthousiasme te vergeten dat exponentiële ontwikkelingen vroeg of laat vastlopen op een gebrek aan natuurlijke hulpbronnen. En het voorbijgaan aan de snelheid van het licht is ook een aanname die eerder past in een spannend siencefictionverhaal dan in een serieuze natuurwetenschappelijke theorie.” Zo zeker is die onsterfelijkheid, zelfs zonder lichaam, nog niet. Dus blijven we voorlopig zitten met die ene zekerheid dat iedereen vroeg of laat sterft.

Een gelovig katholiek of moslim zal denken, waarom willen die mensen hun leven rekken? Het leven is voor hen immers slechts een voorfase voor de opname in de hemel, al dan niet met een aantal maagden. Nu kun je je afvragen hoe hemels die hemel is voor maagden als ze aan een goede gelovige worden toebedeeld. Dat lijkt immers verdacht veel op slavernij. Dit even terzijde. Doel van het leven is voor die gelovigen toch om in die hemel bij god of allah te komen? Waarom al die moeite doen om het leven te rekken en zelfs te vereeuwigen als het doel ervan is om naar die hemel te gaan? Immers als je het eeuwige leven hebt, kom je nooit in die hemel. Iemand die in reïncarnatie gelooft, zal iets soortgelijks denken. Waarom immers dit leven vereeuwigen als er na dit leven wellicht nog een veel beter leven in het verschiet ligt. 

Geloven is denken, of beter hopen het zeker te weten. Het geeft geen zekerheid. Maar gelukkig wordt echte zekerheid wel geboden. Tenminste, als we als kiezer ervoor zorgen dat de PvdA het voor het zeggen krijgt. Als de PvdA het voor het zeggen krijgt dan krijgen we er wat zekerheden bij. Om de titel van het artikel hierover in de Volkskrant aan te halen: “Hoe een marketingman van de PvdA de Partij van de Zekerheid maakt.” Dan zijn we zeker van een eerlijke toekomst. Nu leert de geschiedenis ons dat er tot nu toe een toekomst is. Als die toekomst ook maar een beetje op het verleden lijkt dan is eerlijkheid daarin ver te zoeken. De geschiedenis leert ons dat wij mensen dol zijn op macht en die macht het liefst gebruiken om andere mensen iets te laten doen wat ze uit zichzelf niet zouden doen. Onze soort is dol op sollen, zoals ik in eerdere prikkers al schreef. Sollen dat ervoor zorgt dat eerlijkheid buiten beeld raakt. Het zou knap zijn van de PvdA als de partij een middel heeft gevonden om die menselijke eigenschap uit te schakelen.

bron: Flickr

De PvdA zorgt er ook voor dat we zeker zijn van een vaste baan. De afgelopen jaren werd werk steeds flexibeler. Uitzendkrachten, oproepkrachten, pay roll constructies, echte en schijn zelfstandigen, ze komen in steeds meer varianten voor. Zelfs vast werk wordt steeds minder vast omdat het voor werkgevers steeds makkelijker wordt om mensen te ontslaan. Ook zien we dat door nieuwe technologie en techniek hele beroepsgroepen en zelfs bedrijfstakken verdwijnen. Dat is trouwens al jaren aan de gang. Groente-, kolen- en schillenboeren, ze zijn met de scharensliep uit het straatbeeld verdwenen. En zo zal het ook in de toekomst zijn. Dus hoe zeker is je vaste werk als je complete bedrijfstak wordt weggevaagd. Zou de partij zich niet beter in kunnen zetten voor (zoveel mogelijk) zekerheid van voldoende middelen om te overleven? Voor een soort basisinkomen? 

Zo zijn er nog wat zekerheden die de partij ons zegt te bieden waarvan de zekerheid van jezelf de meest opmerkelijke is. Het lijkt mij knap als de partij de onzekerheid van iemand die van nature nogal onzeker is van zichzelf, kan wegnemen. Zouden ze een pilletje of een of ander oplossing op het gebied van ‘informatietechnologie, genetica, nanotechnologie en kunstmatige intelligentie’ hebben gevonden die de menselijke natuur verandert?

Al schrijvend vallen me nog twee mogelijke zekerheden binnen. De zekerheid dat politieke partijen meer beloven dan dat ze kunnen waarmaken. Maar of dit echt een zekerheid is, kan ik niet hard maken. Er hoeft immers maar één politieke partij te zijn geweest die al haar belofte nakwam en dan is ook dit geen zekerheid.

De tweede mogelijke zekerheid is dat mensen teleurgesteld raken in de politiek omdat er zaken worden beloofd die niet waargemaakt worden. Dan verliezen mensen het vertrouwen in die belovende politici dan krijg je ‘de kloof’ tussen politiek en volk. De geschiedenis wijst echter ook uit dat er vervolgens weer een nieuwe politicus komt die zegt dat hij het allemaal beter weet en beter gaat doen. Die wekt dan weer het vertrouwen van mensen die er weer achteraan hollen en weer teleurgesteld raken. Teleurstelling in een politicus, niet in de belovende politiek.

Zowel politici als kiezers lijken niet veel te leren van ervaringen uit het verleden. Politici blijven ‘beloven’ en kiezers ‘geloven’. De kiezer zou inmiddels moeten weten dat de ‘oogst’ van de bij de verkiezingen gedane beloften altijd tegenvalt. Een lerende kiezer concludeert hieruit dat hij op een andere manier moet gaan bepalen aan wie hij zijn stem geeft. 

Aan de andere kant zou de politicus inmiddels toch moeten weten dat belofte schuld maakt, dat hij die schuld meestal niet na kan komen en vervolgens wordt gestraft door de kiezer. Zelfs als hij zijn schuld wel nakomt, kan afstraffing volgen. Nakomen van die schuld kan immers anders uitpakken dan vooraf werd beoogd. Bovendien komen er veel zaken voorbij die niet ‘gepland’ waren maar waarover toch een keuze gemaakt moest worden en de hierbij gemaakte keuze kan negatief worden beoordeeld door de kiezer. De politicus zou hieruit moeten opmaken dat een andere manier van profilering nodig is. 

In Fraternité schreef ik over rechtvaardigheid en de twee beginselen van rechtvaardigheid van van de filosoof John Rawls: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst veroordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.” (Uit Een theorie van rechtvaardigheid pagina 321). Vervolgens over de ‘capability approach’ van Martha Nussbaum en Amartya Sen. Nussbaum onderscheidt tien vermogens waarover een mens minimaal dient te beschikken. Deze twee beginselen en die tien vermogens bieden een politicus goede aanknopingspunten voor een andere aanpak. Een andere aanpak dan het opstellen van een wensenlijstje.

Ze bieden een politicus de mogelijkheid om een afwegingskader te maken. Een afwegingskader dat de politicus gebruikt bij het maken van een keuze. In plaats van beloften te doen die niet nagekomen kunnen worden, zoals de PvdA doet, of een ‘actielijstje’ als verkiezingsprogramma, kan de politicus de boer op met zijn afwegingskader. Met de boodschap: ‘ik beloof jullie maar één ding en dat is dat ik alles waarover ik moet besluiten, langs dit afwegingskader leg en dan besluit. Vervolgens leg ik aan de hand van dit afwegingskader uit waarom ik heb besloten zoals ik heb besloten’. 

Als we de tien vermogens van Nussbaum erbij nemen dan kan een politicus aangeven welke van die vermogens hij of zij het belangrijkste vindt. Dat hij een voorstel beoordeelt op de bijdrage die het levert aan die vermogens. Levert het een bijdrage, dan krijgt het voorstel de steun van deze politicus. Levert het geen bijdrage dan niet. Ook kan de politicus aangeven wat het minimumniveau is van een vermogen dat nog acceptabel is.  

Welke politicus heeft lef en durft het aan om een dergelijke ‘keuzematrix’ te maken en die toe te passen op alle te maken keuzes? 

Wass sich liebt das neckt sich

Identiteit staat in het brandpunt van de belangstelling, in het regeerakkoord lees je het als volgt: “De Nederlandse identiteit blijft herkenbaar in een sterke internationale inbedding.” Die identiteit is ‘onlosmakelijk’ verbonden met de Nederlandse cultuur en geschiedenis. Waarheden als een koe zeggen velen en erachteraan dat bijvoorbeeld de ‘moslimcultuur’ niet is te verenigen met de Nederlandse.

Chocolademelk

Foto: Pixabay

In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid schetst Yuval Noah Harari een ander beeld. Volgens Harari zijn menselijke culturen continu in beweging en in beweging in een bepaalde richting. Op microniveau en op de korte termijn zou je kunnen concluderen dat ‘culturen’ uiteenvallen. Neem bijvoorbeeld het streven van de Catalanen naar autonomie, dit zou je kunnen zien als versnippering van een (de Spaanse) cultuur. Kijk je over hele lange tijd dan is: “het glashelder dat de geschiedenis genadeloos op eenheid afstevent,” zo schrijft Harari. 

Volgens Harari zijn we al een heel eind op streek: “We hebben het nog steeds vaak over ‘authentieke’ culturen, maar als we met ‘authentiek bedoelen wat zich zelfstandig heeft ontwikkeld en bestaat uit oeroude plaatselijke tradities die nooit zijn aangetast door invloeden van buitenaf, dan zijn er op de aarde geen authentieke culturen meer over.” De ‘global village’ is een feit, we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Die verfoeide ‘moslimcultuur’ is niet zo veel anders dan andere culturen. Er wordt gehandeld, geld vervult een belangrijke rol en ook qua religie zijn er op hoofdlijnen veel meer overeenkomsten dan verschillen. Zelfs IS en Al Qaida, die terug willen naar de tijd van de profeet, maken gebruik van moderne technieken, van moderne psychologie en bespelen de massamedia. Zelfs het meest afgesloten land, Noord-Korea, maakt deel uit van die gezamenlijke cultuur. Het kan niet zonder geld, gebruikt de technologie en zelfs de ideologie is niet specifiek Noord-Koreaans.

Harari haalt mooie voorbeelden aan van culturele vermenging die maar door blijft gaan: “Een van de interessante voorbeelden van de globalisering is het fenomeen ‘nationale keuken’. In een Italiaans restaurant verwachten we spaghetti met tomatensaus, in Poolse en Ierse restaurants vooral veel aardappelen, in een Argentijns restaurant kunnen we kiezen uit tientallen biefstukken, in een Indiaas restaurant zit in bijna alles Spaanse peper en de grootste delicatesse in een Zwitsers koffiehuis is dikke, warme chocolademelk met een Alp slagroom erop. Maar die gerechten zijn helemaal niet inheems in die landen. Tomaten, Spaanse pepers en chocolade zijn Mexicaans van oorsprong … . De aardappel is pas vierhonderd jaar bekend in Polen en Ierland. De enige biefstuk die je in 1492 kon krijgen in Argentinië was lamabiefstuk.”

“Wass sich liebt das neckt sich,” volgens een bekend Duits gezegde. Zou dat ook voor ‘nationale culturen’ gelden? Wordt er met het benadrukking van die ‘eigen identiteit’ niet de nadruk gelegd op een paar verschillen in een zee van overeenkomsten?