Homo economicus en belastingen (deel 2)

In deel 1 van Homo economicus en belastingen besprak ik het pleidooi van Johannes Vervloed op de site Opiniez om de belastingen te verlagen. In dit deel ga ik verder in op het neoliberale denken waarop deze theorie is gestoeld. In dit deel staat de homo economicus centraal.

De homo economicus

Een belastingtheorie die alleen wordt gebruikt om belastingverlagingen te bepleiten roept de vraag op of die theorie niet een doelredenering is. Een bedacht argument met een wetenschappelijk sausje om je doel, het verlagen van de belastingen, aantrekkelijker te maken. En, een stapje verder. Een doelredenering om te werken aan je ideale samenleving van vrije individuen die zelf op de vrije markt bepalen wat ze willen. Een samenleving met een zeer beperkte overheid. Een soort van pseudo-wetenschap. Laten we de denkwereld achter deze theorie eens nader beschouwen. Daarbij is er geen betere plek dan de belangrijkste veronderstelling in dat denken, en iets waarvan ik heb beloofd erop terug te komen, de mens als homo economicus.

Eigen foto

Een model of theorie is een schematische weergave van de werkelijkheid, een nabootsing op kleine schaal. Modellen zijn volgens Tomás Sedláček in zijn boek De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, en ik onderschrijf dit van harte (pagina 213): “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.” Een weergave of nabootsing die niet overeenkomt met de werkelijkheid. 

Zonder een model kunnen wij als mens de werkelijkheid niet bevatten. De wereld is te complex om te bevatten zonder hulpschema’s dat geldt voor de natuur en de natuurkunde, dat geldt voor onze leefomgeving en dat geldt ook voor onze samenleving en de economie als onderdeel hiervan. Nu zijn er twee manieren om modellen te hanteren, manieren die weer samenhangen met de manier waarop de ontwerper in het leven staat. Een empirist kijkt naar wat hij ziet en probeert de werkelijkheid vanuit de waarneming te beschrijven en maakt zo zijn model. Een rationalist ontwerpt een model en probeert de werkelijkheid daarin te stoppen. Deze manier van kijken maakt nogal een verschil in de sociale wetenschappen, zo beweert Sedláček. En economie is een sociale wetenschap (pagina 344): “Maar de economie in de praktijk wordt wel beïnvloed door de economische wetenschap. De economische theorie beïnvloedt bijvoorbeeld zowel de verwachtingen als het gedrag van mensen. Ook daarom is het relevant welke economische theorie wij kiezen.” De manier waarop wij naar de werkelijkheid kijken en het model of de theorie die wij hierbij gebruiken, beïnvloeden de werkelijkheid. Hierin verschillen sociale wetenschappen van de natuurwetenschappen. Ongeacht welke theorie of model we bedenken, de appel valt naar beneden en niet naar boven. De gekozen theorie heeft hierop geen invloed. In de interactie tussen mensen, heeft een theorie of een model wel invloed op de werkelijkheid.

Modellen doen er in de sociale wetenschappen dus toe. De homo-economicus is een model waarop het neoliberale denken zich baseert. Het neoliberalisme ziet de mens is een homo economicus die via rationele keuzes zijn eigen belang najaagt. Dit doet die mens via de vrije markt waar hij handelt met ander mensen die ook rationeel hun eigen belang najagen. En als we dat maar vrij laten dan wordt in alle wensen voorzien, krijgt ieder zijn deel en hebben we de perfecte samenleving. Dit moet zonder overheidsbemoeienis. 

Kijken we naar de gangbare neoliberale economische modellen dan zien we het rationele terug in de taal waarin deze modellen zijn geschreven, die taal is de wiskunde en die taal besteedt geen aandacht aan psychologische en sociale aspecten. De opmars van de wiskunde in de economie begon met de Engelse klassieke econoom Alfred Marshall. Marshall was de meest invloedrijke econoom aan het einde van de negentiende eeuw. Voor Marshall was economie, in tegenstelling tot de neoliberalen, veel meer dan wiskunde. Voor Marshall was economie een klein maar wel belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen. Van een klein maar belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen, heeft de economische wetenschap zich onder de neoliberale vlag ontwikkeld tot dé sociale wetenschap.

Door gebruik van wiskunde hebben de economische wetenschappen zich een aura aangemeten van een exacte, betrouwbare wetenschap en is wiskunde de dominante taal. Zo moeten verkiezingsprogramma’s door het Centraal Plan Bureau, de grote economische rekenmeesters van ons land, worden doorgerekend zodat we precies weten hoeveel tiende van procent groei een programma extra oplevert of kost en daar gaat de discussie in de campagne vervolgens over. Iets als een ‘Centraal Filosofen Bureau’ om verkiezingsprogramma’s en andere plannen op hun consistentie in denkwijze en maatschappelijke gevolgen te doordenken bestaat niet. Dat geeft aan hoe belangrijk cijfers en wiskunde in de economische wetenschappen en de samenleving gevonden worden. 

Wiskunde is een taal die heel goed past bij het neoliberale denkmodel. Een model dat uitgaat van mensen die rationeel handelend, hun eigen belang najagen, de mens als homo economicus. Dus voorspelbaar menselijk handelen op basis van argumenten omdat rationeel betekent dat mensen in gelijke omstandigheden dezelfde keuze zullen maken. Een mensbeeld dat het emotionele buiten beschouwing laat. Een dergelijke denkwijze past heel goed bij de wiskundige logica waar 1 plus 1 ook altijd 2 is. Wiskunde is rationeel en heeft een belangrijke eigenschap: het bestaat alleen in het denken van de mens. Sedláček vergelijkt de economische wetenschap met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt (pagina 346):“De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” De economische wetenschappen handelen anders. Daar”…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.” De wiskundige economische modellen kunnen het bestaan van de homo economicus niet aantonen, die veronderstelling kan niet worden weggenomen en daarmee staat het gehele model op drijfzand en is het maar zeer de vraag of wiskunde de juiste taal is voor een model.

Neoliberalen zijn, net als Marxisten, rationalisten. Zij proberen de werkelijkheid door die mal te persen en dat persen beïnvloedt datgene wat door de mal wordt geperst. ‘Voor een hamer ziet alles er als snel als een spijker uit’ is een bekende uitspraak. Als beleidsmakers en economen de mens steevast als een egoïstische homo-economicus benaderen en al het handelen van mensen door dat frame gaan beoordelen, dan zullen die mensen uiteindelijk ook dat gedrag gaan vertonen. En na meer dan 30 jaar als homo economicus te zijn behandeld, die alleen zijn eigen belang najaagt, zijn mensen ook veel meer op hun eigen welbevinden gefocust. Dit  heeft mede geleid tot onze huidige situatie. Als we dit, zoals ik het graag zie, anders willen dan biedt dit ook mogelijkheden om te veranderen. Benader mensen anders en ze zullen zich anders gaan gedragen. Dat geeft hoop maar vergt wel een lange adem.



Bron: Flickr

Terug naar Vervloed en vooral naar de theorie van aanbodeconoom Laffer. Die theorie gaat uit van de mens als homo economicus. Die theorie gaat ervan uit dat hogere belastingen de prikkel om te gaan werken verminderen. Hoe verklaar je met een dergelijke theorie dat mensen vrijwilligerswerk doen of mantelzorg verlenen aan een naaste? Ze krijgen er geen geld voor en toch verrichten ze die inspanning en volgens de theorie van de homo economicus zouden ze dan eigenlijk ook niets doen. Er is immers geen geldelijke prikkel. En waarom werkten Amerikanen en Nederlanders die in de tweede helft van de vorige eeuw meer dan 70% belasting moesten betalen, stug door? Volgens de theorie van Laffer zouden ze dan juist, minder moeten gaan werken.

In het volgende deel van Homo economicus en belastingen kijk ik naar alternatieven voor de markt.

Moslims, knikkers, wetenschap en profetie

Migranten, islam, antisemitisme, woorden die vaak in combinatie voorkomen. Zo ook in een artikel van Robert Bor bij Opiniez. Bor: “Als je weet hoe mensen in moslimlanden over Joden denken, dan heb je een goed beeld welke overtuigingen men meeneemt van het thuisland naar het gastland.” Wat Bor zegt lijkt op het eerste gezicht logisch. Als je een pot met 1.000 knikkers hebt waarvan er 40% zwart en 60% wit zijn en ze zijn goed gemengd, dan zal een willekeurige greep uit de pot ongeveer 40% zwarte knikkers bevatten. Zou dat ook opgaan voor mensen?

marbles-3275438_960_720

Illustratie: Pixabay

Is het per definitie zo dat een deelverzameling (de vluchtelingen) dezelfde overtuigingen meenemen dan de totale verzameling (het thuisland) waaruit ze wordt gehaald? Wat als er regionale of culturele verschillen in opvattingen zijn en vluchtelingen vooral uit een specifieke regio of cultuur komen? Wat als met name de mensen die gruwen van antisemitisme vluchten? Een land met mensen en opvattingen is niet te vergelijken met een pot levenloze knikkers. 

Bor reageert op een rapport waaraan onder andere de Leidse hoogleraar migratiegeschiedenis Leo Lucassen heeft meegewerkt. Lucassen ziet dat anders  en concludeert dat de huidige islamitische vluchtelingen niet de oorzaak zijn van de vermeende toename van antisemitisme. Bor hierover: “Voor degenen die gehoopt hadden dat de sociale wetenschappen op klip en klare wijze nu eindelijk hebben aangetoond hoe het echt zit, zal dit rapport een teleurstelling zijn.” Wetenschap die ‘klip en klaar’ aantoont hoe het echt zit en dan vooral sociale wetenschappen? Wetenschap als een soort god, die zekerheid geeft?

Wetenschap levert kennis, laat licht schijnen op zaken, maar zekerheid? Kan de wetenschapper en vooral een sociale wetenschapper, die bieden? Als wetenschap ‘klip en klaar’ zou aantonen hoe iets zit, als ze zekerheid zou geven, dan zou ze zich niet ontwikkelen. Dan zou de uitdrukking ‘voortschrijdend inzicht’ niet bestaan. Vooral in de sociale wetenschappen beïnvloedt het beweerde het onderzochte, heb je te maken met zichzelf bevestigende en ontkennende beweringen en uitspraken.

De enige zekerheid die een wetenschapper, zeker een sociale wetenschapper, kan geven is dat niets zeker is. Beweert de wetenschapper andere zekerheid te geven, dan is het een ‘profeet’ en moet je met ‘profeten’ niet uitkijken? 

Less is More

Soms lees je iets waardoor je van verbazing van de stoel valt. Vandaag was het weer zover na het lezen van een kort artikel in Trouw: ” Een persoon met een dergelijke autoriteit zou geen ideologische uitspraken mogen doen zonder enige wetenschappelijke grond, aldus de partij.”  Frissen is hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen en de partij is Wilders’ PVV. Frissen  heeft in een interview met de Limburgse zender L1 gezegd dat alle partijen Wilders moeten aanvallen, omdat hij bevolkingsgroepen apart zet en: “Het demoniseren van minderheden, het wij/zij denken, is het klassieke fascistische verhaal door de geschiedenis heen.” Vanwege deze uitspraken zou Frissen zijn professoraat als ook zijn decanaat van de Nederlandse  School voor Openbaar Bestuur moeten opgeven aldus de PVV.

zappaIllustratie: www.maxximize.nl

Is het niet bijzonder dat een partij die zegt te strijden voor de vrijheid en dat woord in haar naam voert, anderen in hun vrijheid wil beperken? Zeker als het de vrijheid van meningsuiting betreft, een vrijheid waar de partij pal voor zegt te staan? Een eerste, makkelijke verbazing.

Een slag dieper. Van een goed wetenschapper mag je verwachten dat hij zijn standpunten weet te onderbouwen en Frissen zal daarop geen uitzondering zijn. Maar dat je dat verwacht, wil nog niet zeggen dat het verplicht is voordat een wetenschapper een uitspraak mag doen. Want heeft een wetenschapper niet hetzelfde recht om een ‘wetenschappelijk ongefundeerde’ mening te uiten als ieder ander mens of politicus?

Weer iets dieper. Vormen ideologieën niet de basis van de sociale wetenschappen en is elke uitspraak van een sociale wetenschapper daarmee niet ideologisch getint? Is sociale wetenschap niet per definitie discussie tussen de verschillende ideologische invalshoeken? Is het daarom niet vreemd om van wetenschappers te verwacht geen ideologische uitspraken te doen? Dat zou betekenen dat alle economen zich niet meer in het openbaar over de economie mogen uitlaten. Dat zou betekenen dat sociologen zich niet meer mogen uitlaten over zaken die zij waarnemen en vanuit hun ídeologisch’ frame verklaren. Zou het dan niet oorverdovend stil zijn in de academische wereld?

En nu iets breder. Natuurlijk zou het goed zijn als mensen hun opvattingen en meningen goed onderbouwen en doordenken. Doordenken door er vanuit alle invalshoeken naar te kijken. Dat je het recht hebt om je mening te uiten, wil echter nog niet zeggen dat je die moet uiten. Zeker niet zonder eerst goed na te denken. Het zou goed zijn als ‘gewone mensen’, wetenschappers maar vooral politiek dit zich dit realiseren. Dat zou het publiek gesprek ten goede komen. Want geldt hier niet Less is More?