Uitgelicht

De grammofoon en Spotify

Lezers die de Ballonnendoorprikker al lange tijd volgen, zullen soms denken: ‘maar dat heeft hij toch al eens geschreven.’ En dat klopt dan meestal ook wel. Er zijn onderwerpen die geregeld terugkomen. Vandaag ook weer zo’n onderwerp. Toen ik het las, dacht ik: ‘laat maar voorbij gaan anders word je zo’n oude grammofoonplaat die steeds op eenzelfde plek overslaat.’ Het onderwerp: de rol van slaven, slavernij en slavernij producten in de Nederlandse geschiedenis.

Bron: Pixabay

Deze week berichtte de Volkskrant over een onderzoek van twee historici, Pepijn Brandon en Ulbe Bosma van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis, naar het ‘slaaf aandeel’ in de economie van de Republiek. Het Volkskrantartikel opent met: “Economisch gewicht slavernij veel groter dan gedacht; ‘verdiensten in 1770 ongeveer vergelijkbaar met haven Rotterdam nu.” In de erop volgende alinea wordt het toegelicht: “Slavernij leverde het gewest Holland op zijn toppunt zo’n 10 procent van het bbp op, en heel Nederland 5 procent, hebben historici berekend. Van scheepsbouwers tot notarissen en koffieverkopers: allemaal profiteerden ze van de handel in mensen en hun werk op plantages.” 

Vaste deelnemer in het debat, historicus Piet Emmer, reageerde snel: “Ze moesten wellicht stevige conclusies trekken om de NWO-financiering van hun onderzoek te rechtvaardigen, maar wetenschappelijk gezien vind ik dit te ver gaan. Ik heb ooit berekend dat de slavernij gedurende het tijdvak 1650-1850 gemiddeld zo’n 3 procent van het bbp heeft opgeleverd – en dat is waarschijnlijk nog te hoog. Ik zie geen reden om die conclusie bij te stellen naar aanleiding van dit onderzoek. De auteurs beweren dat het jaar 1770 representatief is voor een langere periode, maar ik betwijfel dat. Ze hebben een piekjaar gekozen en zijn van daaruit gaan extrapoleren.” 

Ongeveer op hetzelfde moment wil de meerderheid van de gemeenteraad van Amsterdam excuses aanbieden voor het slavernijverleden van de stad. Op de NOS-site is te lezen dat: “er volgend jaar op 1 juli, bij de herdenking van het slavernijverleden, excuses worden aangeboden namens de hoofdstad.” Of excuses iets toevoegen weet ik niet, wat ik wel weet is dat als je excuses aanbiedt dat je dan wel moet weten waarvoor en bij wie je excuses aanbiedt. 

Als we dan toch bezig zijn dan denk ik dat die 5% volgens de één en 3% volgens de ander veel te laag is. Als we toch breed van “scheepsbouwers tot notarissen en koffieverkopers” kijken, dan missen we in de discussie zoals die in Nederland wordt gevoerd nog het een en ander.

Om maar meteen met de deur in huis te vallen. Ik denk, zonder dat ik er specifiek onderzoek naar heb gedaan, dat het percentage van de economie van de Republiek dat ‘slaafgerelateerd’ was, veel hoger is. Dat denk ik niet omdat de onderzoekers naar de transatlantische ‘slavenbijdrage’ slecht werk hebben geleverd en ze iets vergeten zijn. 

Waarom ik dat denk? De hele discussie over slavernij spitst zich toe op het transatlantische deel. Het deel waarbij vanuit Afrika getransporteerde slaven een rol speelt. En of het nu 5% was of 3% zoals Emmer beweert, het concentreert zich op slechts een aspect van de handel. De bulk van de handel betrof de handel in onder andere granen en hout met het Baltisch gebied (Polen, Lijfland, Pruisen en Rusland). En waardoor kenmerkten die gebieden zich? Door het feodale stelsel. En wie verzorgde de bulk van het werk? De lijfeigenen en horigen. En wat was dat? Dat was een vorm van slavernij. Alleen lijkt het maar niet tot de huidige discussie te willen doordringen dat er ook héééél veel slaven waren die niet uit Afrika kwamen.

Het lijkt mij goed dat ook deze vorm van slavernij aandacht krijgt in een nog op te richten slavernij-museum. Immers om haar naam eer aan te doen zal dat museum de rol van slaven en het denken over slavernij door de gehele geschiedenis van de mensheid heen moeten laten zien. Dus ook de slavenhandel van de Noormannen, de rol van slaven in het oude Romeinse rijk om maar iets te noemen. In zijn boek de Zijderoutes wijdt Peter Frankonpan een hoofdstuk aan de slavenhandel. De Noormannen vervullen een hoofdrol in dat hoofdstuk en over het Romeinse rijk schrijft hij: “Recent onderzoek lijkt erop te wijzen dat het Romeinse rijk op het hoogtepunt van zijn macht elk jaar zo’n 250.000 à 400.000 nieuwe slaven nodig had om het slavenbestand op pijl te houden.” Maar ook de oude Grieken, China, India, Afrika, de Inca’s en Maya’s mogen er niet in ontbreken. 

Het museum zou ook aandacht moeten besteden aan hedendaagse slavernij. Zoals Qatar waar de voetbalstadions voor de WK van 2022 worden gebouwd onder omstandigheden die erg veel weg hebben van slavernij. Of de Noord-Koreanen die in Rusland werken onder dubieuze omstandigheden. Of de werkwijze in sommige fabrieken in Zuid-Oost Azië. Maar ook loonslavernij en schuldenslavernij zouden een plek moeten krijgen. De slavernij-discussie mag dan een oude haperende grammofoonplaat lijken. Het thema is verre van weg. Sterker nog, het is net zo actueel als een Spotify-playlist.

Imperialistische privileges

Op de opiniesite JOOP een artikel van student Marc van Waarden. Van Waarden pleit voor het erkennen van de omvang en de gruwelijkheid van de Nederlandse koloniale geschiedenis. Van Waarden: “350 jaar onderdrukking en vernietiging verdwijnen niet als sneeuw voor de zon en hoewel witte Nederlanders zich niet schuldig hoeven te voelen om het koloniaal verleden, moeten (we) de invloed van dat verleden en de onderdrukkingen en privileges die onze erfenis zijn erkennen en bestrijden.” Als historicus doet het mij deugd dat u zich interesseert voor de geschiedenis. Daarom een aanvulling op uw betoog.

De moderne zijderoute. Bron: Wikipedia

Koloniaal en imperialistisch gedrag is van alle tijden. Daaraan maakten en maken alle landen die op enig moment tot de machtigsten behoorden en behoren, zich schuldig. In mijn artikel Wat was en IS besteedde ik er al aandacht aan. Trouwens ook de minder machtigen. De Verenigde Staten doen het nu nog steeds, lees de brief van hun ambassadeur in Nederland Hoekstra er maar eens op na. Of neem de Chinese ‘plannen’ met de nieuwe zijderoute. De plannen van Erdogan om hier weekendscholen op te zetten. Het Nederlandse ontwikkelingshulpgeld waarvoor ‘Nederlandsche waar’ moet worden gekocht. Allemaal voorbeelden van imperiaal en koloniaal gedrag. En ja, dat leverde en levert voordelen op, in uw termen ‘privileges’. Een eventuele toekomstige Afrikaanse wereldmacht zal dat ook doen. 

Trouwens, die Republiek die in 1815 koninkrijk werd, zoals u schrijft,  kende ook ‘Europese koloniën’. Die noemden ze ‘ Generaliteitslanden’ Limburg en grote delen van Noord-Brabant behoorden hiertoe. Ja, imperialisme werd ook binnen Europa bedreven. 

En ja, de transatlantische slavernij was erg. Net als trouwens slavernij in Europa, alleen werd die lijfeigenschap en horigheid genoemd. In het grootste deel van Europa werd die ook pas aan het eind van de negentiende eeuw afgeschaft. Die Transatlantische slavernij past in een triest rijtje met een variëteit in daders en slachtoffers

Nu kunnen we ons heel druk maken over wat er 300 jaar geleden gebeurde. Dat kunnen we echter niet meer veranderen. Waar we wel wat aan kunnen doen, is het imperialisme, kolonialisme en de slavernij van tegenwoordig. Als we dit vergeten dan zitten onze kleinkinderen in hetzelfde parket als wij nu. Dan zullen ‘uw kleinkinderen’ zeggen dat we ‘privileges’ hebben gebaseerd op het imperialistische verleden dat ons heden is. Dan kunnen ‘mijn kleinkinderen’ reageren zoals ik nu reageer. 

Wat we nu wel kunnen doen is het verleden bestuderen. Dan ontdekken we patronen zoals het imperialistische gedrag van machtigen. Bestuderen maar niet misbruiken voor onze ‘politieke doelen’ in het heden. Iets waar uw betoog naar neigt. Het Forum voor Democratie en hun leider Baudet geven daar op de website van de partij een ‘mooi’ voorbeeld van. Een voorbeeld dat vroeg om een reactie.  

De schaduw van Baudet

Het Forum voor Democratie vertelt een ‘prachtige versie’ van de geschiedenis van Nederland. Je moet het Baudet nageven, op een bombastische wijze weet hij dat verhaal te vertellen. Een verhaal van ‘grootsheid’ dat bedoeld lijkt om mensen ‘trots’ te laten zijn op Nederland. Omdat verhalen mensen binden en het leven zin geven zoals ik in mijn vorige Prikker schreef, is het goed om dat verhaal eens te bestuderen. Zeker omdat de vertellers van verhalen over een verleden van ‘grootsheid’ en ‘trots’ vaak een bedoeling in het heden hebben. 

Baudet vertelt een prachtig verhaal waaraan toch enkele paragrafen en zelfs complete hoofdstukken ontbreken. Slavenhandel bijvoorbeeld en de moordpartijen van Coen in de Oost. Die zouden toch zeker een plekje mogen krijgen. Want als je de VOC en Coen noemt, dan moet je het complete verhaal vertellen. Niet dat Nederland hierin afweek van de mores in die tijd. Neem de Mongolen van Dzjengis, die stonden erom bekend dat zij hen die verzet boden uitmoordden. Werkte je mee dan kon je op hun welwillendheid rekenen. Nee, het uitmoorden van mensen die zich tegen je verzetten, was redelijk gebruikelijk in die tijd. Oorlogen waren voor de overwonnenen geen pretje. Plunderen, roven en het ondertussen verkrachten en vermoorden leverde het soldij voor de soldaten. Die leefden van het veroverde land. Dat iets gebruikelijk was, wil echter niet zeggen dat we het bij de beschrijving van de geschiedenis niet hoeven te vermelden. Wat hij er ook bij vergeet te vertellen is dat die ‘grootse geschiedenis van die Gouden Eeuw’ het resultaat is van immigratie vanuit het huidige België, vanuit Frankrijk en Spanje en op ‘seizoensarbeiders’ voor de landbouw en scheepvaart vanuit de Duitse landen.

Foto: Pixabay

Wat Baudet voor het gemak vergeet, is dat het ‘trotse’ Nederland na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig alleen op de kaart verscheen omdat de toenmalige ‘Powers that Be’ Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen zochten naar een machtsevenwicht dat Frankrijk in toom moest houden. In de ‘herschikking’ die daarop volgende, werden de grenzen in Europa flink veranderd. Zo ontstond er een compleet nieuw land: het koninkrijk der Nederlanden. De oude Republiek uitgebreid met de Oostenrijkse Nederlanden. Oostenrijk kreeg als ‘compensatie’ wat gebieden in Italië. Weg waren ongeveer 200 jaar republikeins bewind omdat die ‘Powers that Be’ alleen vertrouwden in de oude adel. 

Die hertekening van ‘grenzen’ was niet de eerste en zeker ook niet de laatste wijziging van grenzen. In kaart en animatie is te zien hoe grenzen in Europa door de tijd veranderden. Voor Baudet en andere ‘trotse’ Nederlanders er is zelfs een animatie die zo’n vierduizend jaar teruggaat. Dit is trouwens niet iets wat specifiek Europees is, ook in Azië, en zelfs in Afrika en Amerika schoven grenzen. 

Als we het over schuivende grenzen hebben dan is Baudets nationale geschiedenis van Coen en de VOC, maar één van de verhalen die je kunt vertellen. Een verhaal met een sterk Hollandse inslag. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’ de Pruisen moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 2,5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Illustratie: Wikipedia

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden.  

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort generaliteitsland, een soort kolonie.  

Dat Baudet dit er niet bij vertelt is logisch. Het past niet in het verhaal dat hij wil vertellen. Het verhaal van die trotse koppige Nederlander die zijn mannetje staat in de wereld en die niet met zich laat sollen. Want met die trotse Nederlander werd wel degelijk gesold. Ook de laatste keren dat er werd gesold, komt in het trotste verhaal van Baudet niet naar voren. Aan de Duitse bezetting na een oorlog van vijf dagen, de jodenvervolging en de dekolonisatie besteedt hij geen aandacht.

Sollen dat is wat de ‘Powers that Be’ doen met degenen die niet bij die Powers horen. Dat is een constante in de geschiedenis. Alleen wie die ‘Powers’ zijn, verandert door de jaren heen. In 1815 waren dat Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen. Dat laatste land hoorde er voor het eerst bij. Terwijl ze toen op het toppunt van hun macht stonden, zouden de Oostenrijkers nu willen dat ze erbij hoorden. In één eeuw schopten de Oostenrijkers het van hero naar zero. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd het land opgedeeld, gedecimeerd en gedegradeerd tot niet eens een B-land. Die status had het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden al in 1815.

Illustratie: Pixabay

Sollen daar helpt het vertellen van verhalen over je trotse verleden niet tegen. Die ‘rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst’ om de waarschuwing bij beleggingsproducten aan te halen. Dat ‘trotse’ verleden is hooguit een schaduw en een schaduw wordt groter als de zon ondergaat. Tegenwoordig lijken we anders te denken over het verschuiven van grenzen. Voor onze huidige politici zijn landsgrenzen heilig. Die mogen niet ter discussie worden gesteld en het ene land mag zeker geen stukje van het andere inpikken. Zie bijvoorbeeld de Russische annexatie van de Krim. Die wordt niet getolereerd. Alhoewel heilige grenzen? Zijn die niet alleen heilig als het de huidige ‘Powers that Be’ uitkomt? Want hoe heilig waren de Servische landsgrenzen of een paar jaar eerder de Joegoslavische en de grenzen van de Sovjet Unie? Die landen mochten zomaar uit elkaar vallen en er mochten nieuwe landen ontstaan. De oude grenzen waren niet zo heilig. Je zou kunnen tegenwerpen dat er hier geen sprake is van het ene land, dat grondgebied van een andere land bezet omdat er ‘nieuwe’ landen ontstonden. De Rus kan dan weer tegenwerpen dat die inwoners van de Krim per referendum kozen voor aansluiting bij Rusland. Een keuze die de Venlonaren in 1839 niet kregen. 

Wat nu is zegt niets over de toekomst. Dat is ook wat de verschuivende grenzen uit het verleden laten zien. Is het nu ‘voor eeuwig’ vaststellen van grenzen niet een poging om ons ‘heden’ voor de toekomst vast te leggen? Een manier om het heden te vereeuwigen? Erger nog, zijn trotste verhalen, zoals dat van Baudet, niet pogingen om het verleden ook de toekomst te laten zijn? Een verleden dat bij nadere bestudering helemaal niet zo ‘groots en geweldig’ was als Baudet het laat klinken. Is ‘terug naar het verleden’  geen motie van wantrouwen aan de broek van onze kinderen en kleinkinderen? Ontzeggen wij hen daarmee niet het recht op hun eigen ‘verhalen’?

Wij geven de wereld door aan onze kinderen en kleinkinderen. Dat doorgeven doen we met ons verhaal. Zou dat verhaal er niet een van mogelijkheden moeten zijn? Een verhaal waarin het verleden een belangrijke maar duidelijk andere rol moet spelen dan het verhaal van Baudet. Geen verhaal van ‘trots op’ of ‘grootsheid’ van het verleden, maar een verhaal waarin we leren van het verleden door er patronen in het menselijk gedrag in te herkennen. Patronen zoals het sollen door de ‘Powers that Be’, het misbruiken van het verleden voor politiek gewin. 

Of over de rol van migratie in de geschiedenis. Immers zonder migratie had Baudet zijn trotse verhaal niet kunnen vertellen. Sterker nog, dan hadden we nog steeds rondgelopen op de vlakten van het huidige Oost-Afrika. Nou ja we, hooguit een heel klein deel van de huidige mensheid want veel plek was er niet naast alle andere dieren. Heeft juist die migratie de mens gemaakt tot wat hij is? Een wezen dat grenzen verlegt? 

Illustratie: Wikipedia

Wat zeker niet mag ontbreken zijn verhalen over de rol die macht speelt en wat macht met mensen doet. Verhalen over mensen die macht moeten ondergaan. Mensen waarmee wordt gesold. Verhalen over economische macht van het ene land over het andere. Dus verhalen over de rol van imperialisme en kolonialisme van de oude Egyptenaren tot nu. Want imperialisme en kolonialisme zijn er zo ongeveer sinds de mens zich voor het eerst vestigde in steden. 

Maar vooral ook verhalen over de economische macht van de ene mens over anderen. Dus verhalen over de rol van slavernij en feodalisme vroeger en nu en de manieren waarop onze voorvaderen zich hiertegen teweer stelden. Welke manieren succes hadden en welke niet. manieren zoals de meent. Commons in het Engels en vooral bekend door het artikel The Tragedy of the Commons van Gareth Hardin. Gronden, bos of wateren nabij een dorp waarvan iedereen gebruik mocht maken. Een ouderwets systeem dat ervoor zorgde dat de keuterboeren konden overleven. Een systeem waarbij ieder zijn deel kreeg en dat onderhevig was aan regels die ook door de eigenaar van de grond, de landheer, werden gerespecteerd. 

Een interessante casus over wat mensen samen kunnen bereiken en ook hoe dat teloor kan gaan. Hardin redeneerde als volgt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Hardin zag onze voorvaderen met een huidige economische bril. Een bril van concurrentie en streven naar winst en die winst kan al zijn dat je iets meer hebt dan je buurman. In werkelijkheid heeft het systeem van de meent eeuwenlang zeer goed gefunctioneerd zonder dat het tot uitputting van die gronden leidde. De keuterboeren, onze voorvaderen dachten helemaal niet aan winst en groei. Zij dachten aan samen overleven. 

Hardin heeft gelijk dat hebzucht de meent vernietigde, alleen niet de hebzucht van de keuterboertjes, maar de hebzucht van de landheren. Het systeem van de meent functioneerde eeuwenlang omdat niemand het kon veranderen, de keuterboeren niet en ook de landheer niet. Dat veranderde met het steeds democratischer worden van het landsbestuur. Het parlement kreeg wetgevende macht en kon het gewoonterecht van de meent wel wijzigen. En wie zaten er in het parlement? De landheren en die grepen in de 18e en begin 19e eeuw hun kans. Vooral de Engelse situatie is zeer goed gedocumenteerd. In Engeland nam het parlement ‘Acts of Enclosure’ aan. Wetten die de landheer het recht gaven om zijn land te omheinen en zo af te schermen voor gebruik door anderen. Zo’n omheinde meent betekende het einde voor de keuterboeren. Die konden niet meer overleven.

Illustratie: Flickr

Met het verhaal van de meent kunnen we nu en in de toekomst naar de wereld kijken. Je zou de meent kunnen zien als een ‘basisinkomen’ avant la lettre. Als een manier om naar patenten te kijken of naar (belasting)wetgeving voor het bedrijfsleven. Maar ook een manier om naar de rol van belangengroepen en parlementen te kijken en vooral als waarschuwing dat niet alle belangen een ‘groep’ hebben die gehoord en vertegenwoordigd is. 

Hardin met zijn Tragedy of the Commons, maar ook Baudet met zijn verhaal over het ‘grootse en trotse Nederland’ zien, geven een voorbeeld van de rol die verhalen spelen in het denken van mensen. Verhalen die mensen binden. Maar laten ze niet ook zien dat het goed is om die verhalen te onderzoeken, ter discussie te stellen en er andere verhalen tegenover te stellen? Verhalen die ook weer onderzocht en bediscussieerd moeten worden? Dat het voor de huidige mens, net als zijn Afrikaanse voorvaderen, goed is om zijn grenzen te verleggen, nieuwsgierig tet zijn en ‘migrant’ in denken te zijn?


K(any)en (West) uw geschiedenis

RTLZ columnist Roderick Veelo beklaagt zich over zwakke ruggen van mensen aan de top van de samenleving. Een van de topmensen die een standje krijgt, is Kasper Rørsted de topman van Adidas omdat hij het sponsorcontract met Kanye West verbrak vanwege diens uitlatingen over slavernij. Die zwakke rug laat ik even links liggen, het gaat mij om de uitspraak van West: “Als je hoort dat de slavernij 400 jaar duurde, 400 jaar! Dat klinkt als een keuze.” Een om twee redenen bizarre uitspraak.

Boulanger_Gustave_Clarence_Rudolphe_The_Slave_Market

Illustratie: Der Sklavenmarkt – Wikipedia

Natuurlijk is slavernij geen vrijwillige keuze, de eerste reden waarom deze uitspraak bizar is. West deed deze uitspraak, zo lees ik in het AD, in een interview en de interviewer Van Lathan reageerde als volgt op deze opmerking: “Jij leidt misschien het luxeleven van een zanger, maar wij, de rest van de samenleving, worden nog steeds gemarginaliseerd door de gevolgen van 400 jaar slavernij.” Een, om de tweede reden, eveneens een bizarre uitspraak. Bizar omdat het denken en het historisch besef van beiden erg beperkt lijkt, zowel in tijd als in schaal. 

Zowel West als Lathan doelen op de slavernij van Afrikanen die naar Amerika werden vervoerd om daar te werk te worden gesteld op vooral plantages, de Atlantische slavenroute. Die slavernij besloeg een periode van bijna vierhonderd jaar, grofweg van 1500 tot de afschaffing van de slavernij in het derde kwart van de negentiende eeuw. Bizar is dat beide heren, en in het kielzog daarvan de vele reageerders op de uitspraken, niet op het idee lijken te komen dat slavernij een veel langere geschiedenis kent en dat het niet alleen Afrikanen waren die slaaf waren of het risico liepen het te worden. 

Iedereen met een beetje kennis van de geschiedenis weet dat slavernij niet beperkt was in kleur en tijd. Heel veel van onze Europese voorouders leidden een leven als horige (mensen die aan de grond waren gebonden) of nog erger lijfeigene. Het Romeinse rijk, net als alle andere oude rijken, steunde op slavernij. Slavernij die in aantallen de Atlantische route vaak overtroffen. 

Iedereen met een beetje kennis van het heden weet dat met de afschaffing van de slavernij, de slavernij niet tot het verleden behoort. Ook nu leven er nog vele mensen in slavernij of in een moderne vorm van ‘horigheid’. 

De domheid van de uitspraak van West is stuitend. Hoe zit het met de kennis van de geschiedenis van West en zijn vele criticasters? Is het gebrek daaraan niet nog veel stuitender? Want zou zo’n uitspraak niet voort kunnen komen uit een gebrek aan kennis?

Leren is (niet gelijk aan) oordelen

Bij de Correspondent een bijzonder lezenswaardig stuk van Karin Amatmoekrim. Amatmoekrim beschrijft een stukje geschiedenis van de Hollandse invloed op Nieuw Amsterdam en later New York. De rol van slavernij heeft hierbij haar bijzondere aandacht. Enige minpunt in haar artikel is dat zij het verleden interpreteert vanuit dat wat erna komt. In een (schrijf)gesprek dat ik hierover met haar voerde geeft zij aan waarom: “In die zin denk ik ook dat het argument om de geschiedenis niet af te meten aan onze huidige normen, niet volstaat. Dat impliceert immers ook dat we nooit zouden kunnen leren van het verleden. Terwijl het erkennen van het gemak waarmee wij in wrede systemen verglijden ons zou kunnen leren hoe we aan moeten sturen op de best mogelijke toekomst.”  

Nieuw AmsterdamIllustratie: Wikipedia

Een bijzonder argument. Amatmoekrim zegt dat je alleen kunt leren van de geschiedenis als je er een oordeel over velt want dat is wat je doet als je er vanuit ons heden en met onze huidige normen naar kijkt. Dan leg je het verleden langs de maatlat van het heden en geeft aan waar het verleden tekortschiet. Wat moeten we dan doen als we tot de conclusie komen dat het heden tekortschiet? Moeten we dan terug naar het verleden? Dat even terzijde.

Is het werkelijk zo dat je alleen leert als je ergens een oordeel over hebt en dat je niet kunnen leren van iets waar je geen oordeel over hebt? Om bij Amatmoekrims aandachtsgebied te blijven, kan ik alleen leren van de geschiedenis van de slavernij als ik er een oordeel over heb, als ik het verleden en vooral de mensen die toen leefden veroordeel?

Zouden we niet het meeste van het verleden leren als we proberen te begrijpen hoe iets is gebeurd? Door te onderzoeken welke patronen er werkzaam waren en door vervolgens te kijken of we de patronen ook in het heden kunnen herkennen? Als  die patronen ook nu werkzaam zijn, zouden we dan niet kunnen zoeken naar mogelijkheden om die patronen te veranderen? Leren we niet van het verleden door te door- en overdenken wat de gevolgen van een huidige daad zouden kunnen zijn, rekening houdend met de ontdekte patronen? Leren we niet door ons te realiseren dat iedere ontwikkeling positieve en negatieve gevolgen heeft? Door niet te vallen voor ‘juichverhalen’ van ‘uitvinders’ van nieuwe zaken want die bagatelliseren de negatieve aspecten.

Hedendaags kolonialisme

Op de site OneWorld kaart Sander Philipse de omgang met het koloniale verleden aan. Volgens Philipse gaat de: “hele discussie (…) dan ook niet echt over het verleden, maar over wat wij nu met dat verleden doen. Straatnamen en standbeelden zijn geen geschiedenislessen, maar eerbetonen die in het heden bestaan. Zij zijn een reflectie van onze prioriteiten, van onze huidige waarden en normen.” Het gaat, volgens Philipse, dus over onze huidige normen en waarden. Daar heeft Philipse een punt, de discussie gaat over onze hedendaagse normen en waarden en hoe die worden geprojecteerd op het verleden. Iets waar ik moeite mee heb zoals ik al eerder schreef.

fabriek

Foto: Pixabay

Philipse wil de discussie over het koloniale systeem voeren. Philipse: “Een koloniaal systeem is niet slechts handel, maar gebouwd op overheersing en uitbuiting, en valt niet te rehabiliteren. De ‘goede delen’ (lees: kapitaalaccumulatie in de Nederlanden) zijn niet te scheiden van de slechte, maar een gevolg ervan. En een echte confrontatie met dat feit zou veel ingrijpender gevolgen hebben voor onze nationale musea: hun collecties zijn bezaaid met objecten van koloniale origine.” Nu is de wereldgeschiedenis bezaaid met ‘kolonialisme’, dat is echt geen Nederlandse en zelfs geen West-Europese uitvinding. Het is iets van alle grote rijken uit de wereldgeschiedenis. Allen bouwden ze een systeem dat niet slechts op handel maar ook op overheersing en uitbuiting was gebaseerd.

Sterker nog, ‘kolonialisme’ is nog steeds zeer actueel. Is de strijd tegen IS werkelijk een strijd tegen terrorisme? Zouden er werkelijk Amerikaanse, Russische en Nederlandse soldaten zijn gestuurd, als er geen olie in de grond zat? Waarom heeft China een groot deel van de haven van Piraeus gekocht? Waarom reageren de Amerikanen en ook onze Nederlandse regering zo mak op de Turkse inval in Noord- Syrië? Zijn de ‘vluchtelingendeals’ die het huidige kabinet wil sluiten met landen, niet ook een vorm van kolonialisme? Zouden de Amerikanen Afghanistan alleen maar zijn binnengevallen om de Taliban te verdrijven en Bin Laden te vangen? Of zou de strategische ligging van het land er iets mee te maken kunnen hebben? Een ligging die eerder de Britten en de Sovjet Unie verleidde tot een inval. Allemaal met pijnlijke afloop.

Als de discussie over straatnamen, standbeelden en het koloniale verleden een reflectie zijn van onze prioriteiten, liggen die prioriteiten dan niet verkeerd? Zou de discussie niet moeten gaan over hedendaags kolonialisme, hedendaagse vormen van slavernij, uitbuiting en overheersing? Lopen we, als we dat niet doen, het risico dat onze kinderen of kleinkinderen ons gaan verwijten dat we, door onze fixatie op het verleden, onze ogen sloten voor de misstanden in onze huidige tijd?

Schaamte en excuses?

Volgens Hans Broek heeft Nederland : “zich met de slavenhandel eeuwenlang schuldig gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid.” Daarom zou het goed zijn als: “de Nederlandse regering haar koloniale geschiedenis zou (er)kennen, en excuses zou maken aan de nakomelingen van de slachtoffers van zulk diep menselijk leed.”  Want: “Misschien hoeven we ons dan ooit wat minder te schamen – als natie en als burger.” Zo schrijft hij in een bijdrage in de Volkskrant.

Steuben_-_Bataille_de_Poitiers

Illustratie:Wikimedia Commons

Ik schaam me niet voor activiteiten van de VOC, de WIC of wie dan ook een paar honderd jaar geleden. Ik schaam me ook niet voor de moordpartij van JP Coen of de acties van Generaal Van Heutz in Atjeh. Ik schaam me ook niet voor het slavenfort Elmina. Ik bied er ook geen excuses voor aan. Schamen doe ik me als ik zelf verkeerd handel en dan bied ik mijn excuses aan. Ik verwacht ook niet dat de huidige Nederlandse regering excuses aan gaat bieden voor de acties van Coen of het gebeuren in Elmina. Dan is het einde zoek.

Moeten de Italianen zich dan verexcuseren voor daden begaan ten tijde van het Romeinse rijk? Of moeten juist de nakomelingen van de Visigoten hun excuses aanbieden voor de plundering van Rome die het einde van het West-Romeinse rijk betekende? Want wellicht stonden we er dan nu veel beter voor. Moeten de islamieten hun excuses aanbieden voor de verovering van Spanje? Of moeten de nakomelingen van Karel Martel zich verexcuseren? Moeten de Mongolen dan wellicht hun excuses aanbieden voor de vernietiging van wat steden die zich tegen hun opmars verzetten? Of moeten ze zich verontschuldigen dat ze niet heel Europa hebben veroverd?

Wat dichter bij huis. Ik ben geboren in een dorp dat ten tijde van Elmina niet bij de Zeven Provinciën hoorde. Een gebied dat de ‘generaliteitslanden’ werd genoemd en dat betekende vooral dat er geregeld oorlogen werden uitgevochten. Wie moet zich daar dan voor verexcuseren?

Broek, en met hem vele anderen, kijken met de ogen van het heden naar het verleden. Hij beoordeelt daden uit het verleden met de waarden van het heden. Hoe kan er sprake zijn van misdaden tegen de menselijkheid in een tijd dat dit concept niet bestond? Waarom zouden we ons nu moeten schamen voor normen, waarden en opvattingen uit het verleden?Als we met de opvattingen, normen en waarden van nu het verleden beoordelen, dan zou het best wel eens kunnen dat we uiteindelijk allemaal aan elkaar excuses moeten aanbieden en we ons allemaal lopen te schamen.