Markt, overheid en/of samenleving deel II

‘’Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.” Met die zin eindigde mijn vorige Prikker. In deze Prikker ga ik wat dieper in op manieren om te verdelen. Of als je het van de andere kant bekijkt, manieren om dat te verwerven wat je nodig hebt om te kunnen leven.

Eigen foto

Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen (over)leven, moet hij op een of andere manier verwerven. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten onderscheiden Hans Achterhuis en Nico de Koning zes verschillende vormen van verwerving. Als eerste dat wat een mens zelf produceert, de zaken die iemand maakt, verzamelt of bij elkaar jaagt. Daarover kan die persoon vrijelijk beschikken. Deze vorm is tegenwoordig een zeldzaamheid.

Een tweede vorm van verwerving is de huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Alles wat het huishouden produceerde, verzamelde of bij elkaar joeg, konden de leden ervan gebruiken. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden.

Toedeling is de derde vorm van verwerving die de beide auteurs onderscheiden. Het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakten aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. De hoogst geplaatste deelt toe aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping.

Met het nog groter worden van hun wereld kwamen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kon leiden tot geweld en oorlog. De vierde manier van verwerving is een vreedzame manier om een relatie met andere sociale verbanden aan te gaan en dat is de schenking of gift. Een gift is nooit vrijblijvend. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen, de relatie wordt verzwaard zonder dat de een zich aan de ander onderwerpt. Het huwelijk was in vroeger tijden een bijzondere vorm van ‘schenken’.

Dan de vijfde manier van verwerven: de handel of met een ander woord, de markt. Of het nu de ouderwetse ruilhandel betreft of het tegenwoordige kopen van een pak koffie bij de Appie, beiden leiden niet tot een verplichting of een verzwaring van de relatie. Als koper hoef je je niet te onderwerpen aan de verkoper, omgekeerd trouwens ook niet en de koop van dat ene pak verplicht jou niet om ook die bloemkool bij de Appie te kopen.

De laatste vorm van verwerving die de beide auteurs geven is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van verwerven voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van verwerving horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof.

Zes vormen van verwerving waarbij, vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele productie is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van verwerving en dit heeft volgens de beide auteurs ook gevolgen voor de andere vormen van verwerving: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen.” Een huishouden waarbij de leden naast een gezamenlijke ook een eigen bankrekening hebben, is hier een voorbeeld van.

En dat verandert ook de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften nu bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien Achterhuis en Koning de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt.

Waar is dan die ‘overheid’, dat tweede instrument om verdelingsvraagstukken te beantwoorden? Of beter gezegd, waar zou die overheid zich dan mee bezig moeten houden? Volgens de auteurs is handel en dus de markt tegenwoordig dominant. In onze verbonden globale wereld is dat een logische keuze. Logisch omdat de markt volgens de auteurs: “… de laatste dam tegen roof (is), het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld,” vormt. Zo’n schaal van samenwerking vormgeven met alleen giften of toedeling, is lastig omdat de afstand tot elkaar zo groot is. Probleem is dat handel en dus de markt, op roof na, de verwervingsvorm is die het minste sociale (ver)banden tussen mensen creëert. En laat die sociale (ver)banden nu cruciaal zijn voor een samenleving. In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi het belang van sociale (ver)banden in een samenleving. Volgens Polanyi is het onderhouden van sociale banden cruciaal voor een samenleving: “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the indiviual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.”  Met alleen de markt wordt het ‘samen’ in samenleving minder en zonder ‘samen’ is een samenleving los zand omdat het ontbreekt aan ‘wederkerige sociale verplichtingen’. En daar komt de overheid op twee manieren om de hoek kijken.

De eerste manier raakt aan de traditionele rol van de overheid als beschermer van de openbare orde en veiligheid. Zoals Achterhuis en De Koning betogen rest na de markt alleen nog roof als manier van verwerving. De overheid heeft een rol om te voorkomen dat de vrije markt uitdraait op roof. De overheid reguleert de markt. Maar dan kunnen we toch niet meer spreken van een vrije markt? Nee, niet als je de vrije markt ziet als een plek waar eenieder absoluut vrij is om naar goeddunken te handelen. Maar om de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang uit zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme te citeren: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo zijn kinderarbeid en slavernij voor ons zo wezensvreemd dat we het als normaal beschouwen dat het er niet meer is. Eeuwen lang was het echter zeer normaal dat het er wel was. Maar ook op het gebied van arbeidstijden en -omstandigheden, het milieu en productveiligheid beperkt de overheid de vrijheid op de markt. Dat doet zij om te voorkomen dat er via de markt ‘geroofd’ wordt.

De tweede manier betreft het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken. Verplichtingen zoals het betalen van belastingen. Dat maakt belasting ontwijking en -ontduiking zo schadelijk. Het ondergraaft het ‘samen’. Dat maakt de uitspraak”: “I don’t wanna pay taxes. Before I came here I was a private developer, I was a business people. Like every private person unless they are stupid , they go through the law and that’s what it is,” van president Trump in het eerste presidentiële debat zo schadelijk. Het is precies die houding, dat gedrag dat het ‘samen’ ondermijnt. Maar ook sociale verplichtingen zoals uitkeringen die voorkomen dat mensen van de honger omkomen. Uitkeringen die hen beschermen als ze meer of minder tijdelijk niet in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Voorzieningen zoals een basisverzekering die de ziektekosten vergoeden.

Op welke manier de overheid dat doet, maakt nogal wat uit voor het ‘samen’, voor die sociale (ver)banden. Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn. Dan hoeven redeneringen als die van Trump niet te verbazen en dan hoeft gedrag zoals vertoond door Booking.com waarover ik aan het begin van de coronacrisis schreef, niet te verbazen. Dan krijg je precies de verbazing van de boekhouder waar Tim Fransen in een artikel in de Volkskrant over spreekt. Fransens boekhouder gaf hem te kennen dat hij in aanmerking kwam voor vierduizend euro ondersteuning als tegemoetkoming in de schade door corona. Fransen gaf aan dat hij daar geen gebruik van wilde maken omdat hij voldoende reserves had en schrijft vervolgens: “‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’” Fransens gedrag wijst op een sterke sociale binding: hij wil alleen een beroep doen op het ‘samen’ als de nood er is. Hij ziet de tijdelijke ondersteuning niet als een recht, maar als een laatste resort als hij het zelf niet meer kan trekken. Het maakt uit of je een bijstandsuitkering ziet als een ‘toedeling’ zoals nu het geval is, of als een ‘gift’. Beide vormen verzwaren de relatie. Bij een toedeling plaatst degene die toedeelt zich echter boven de ontvanger, hij brengt hiërarchie aan. Bij een gift wordt de relatie verzwaard zonder dat er sprake is van hiërarchie. Hiërarchie past slecht bij onze huidige liberale samenleving omdat het mensen verdeeld. Dit lag in vroeger eeuwen anders. Een overheid die nu het ‘samen’ wil vormgeven, moet dat in het achterhoofd houden bij alles wat zij doet.

Markt, overheid en/of samenleving

 “Daarmee laten de partijen zich vangen door het achterhaalde concept van de vorige eeuw: markt versus overheid. Terwijl ‘méér samenleving’ het echte antwoord biedt.” Aldus Richard de Mos en Bert Blase van de politieke partij Code Oranje in een artikel bij Joop. Meer samenleving, dat is hun antwoord, niet ‘meer overheid’ tegenover ‘de markt’. Een bijzonder betoog. Zo pleiten ze voor: “het organiseren van burgertoppen en burgerjury’s.” Naar aanleiding van een oproep een ‘klimaatburgerberaad’ te houden, heb ik recentelijk drie Prikker gewijd aan het ‘burgerberaad’, de democratie en het belang voor de democratie van, naar de woorden van Pierre Rosanvallon, de tegendemocratie dus dat ga ik nu niet meer doen. Nee, bijzonder om een andere reden.

File:Seacon Stadion - De Koel.jpg
Bron: WikimediaCommons

De auteurs schetsen een soort driehoek met in de punten de markt, de overheid en de samenleving. Punten die met elkaar concurreren. Volgens de auteurs moet de punt ‘samenleving’ worden versterkt: “Voorbij de hokjesgeest van links en rechts Omdat de samenleving dit wil én het voor het zeggen heeft.” Nu vraag ik me af hoe de auteurs weten wat ‘de samenleving wil’. De samenleving is net zo diffuus als het begrip volk. De samenleving is overal en nergens. Het is: “het geheel van de met elkaar verkerende mensen,” aldus de Van Dale. En mensen verkeren op zeer veel verschillende manieren met elkaar. Zo verkeer ik, in coronatijden helaas onmogelijk, geregeld met andere aanhangers van VVV in stadion De Koel, maar ook met mijn softbalvrienden van De Mustangs. Voor mijn werk verkeer ik als zzp-ende beleidsadviseur in wisselend gezelschap. Ik verkeer in Venlo, Limburg, Nederland, de Europese Unie en de wereld. Dit even terzijde.

Terug naar de driehoek van de auteurs waarvan de punt ‘samenleving’ moet worden versterkt via de ‘burgertoppen’ die: “eigenaar van concrete vraagstukken,” moeten worden gemaakt. Hier begint het bijzondere. De inwoners moeten eigenaar worden van concrete vraagstukken. Maar beste auteurs, de inwoners van dit land zijn al eigenaar van alle maatschappelijke vraagstukken. Vraagstukken zoals de klimaatverandering, de zorg, de aanpak van het coronavirus zijn ‘onze’ vraagstukken. Vraagstukken die we op twee manieren kunnen aanpakken: samen of als individu en daarmee zijn we aanbeland bij de twee andere hoekpunten van de driehoek: de overheid en de markt.

Laat ik met de overheid beginnen. De overheid is van ons, de inwoners van dit land. Ze is niet van zichzelf, van de koning of wie dan ook. Ja, in vroeger tijden was dat anders, toen was de overheid slechts van een klein deel van ons en zelfs van slechts één persoon. Nu is de overheid van ons. Het is ons, om het zo te zeggen, instrument om vraagstukken samen aan te pakken. Vraagstukken die we samen willen of moeten aanpakken. Een van de eerste ‘vraagstukken’ die, in het gebied dat nu Nederland heet, samen werd aangepakt, was de bescherming tegen het water. Via de overheid kunnen we ervoor zorgen dat: “het prijsmechanisme ten gunste gaat werken voor onze maatschappelijke doelen, in plaats van haaks erop,” iets wat de beide auteurs graag willen. Immers alleen de overheid kan wetten vaststellen en belasting heffen.  

Dan de markt, is die niet ook van ‘ons’ de inwoners van dit land? Is de markt niet het middel waarmee we vraagstukken aanpakken die we niet samen willen oppakken? Niet samen omdat we de eigen keuze bij dit vraagstuk belangrijk vinden. Zo belangrijk dat we niet willen dat anderen die keuze mede voor ons maken.

Creëren de auteurs hier tegenstellingen die er niet zijn? ‘Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.

NEE is JA?

Kan NEE ook JA betekenen? In het kader van #MeToo duidelijk niet. NEE is NEE en geen versluierd JA. In mijn dagelijkse werk stootte ik vandaag op iets bijzonders. Iets waarbij NEE ineens JA lijkt te zijn. Dat bijzondere heeft te maken met beschermd wonen. Omdat ‘decentraliseren’ naar gemeenten omdat die het ‘dichtst bij de burger’ staan tegenwoordig mode is, moet ook zorg voor mensen die beschermd moeten wonen een verantwoordelijkheid worden van de gemeente. Hierbij stuitte ik op het woord ‘vermaatschappelijken’. 

Bron: Pixabay

Eerst even wat achtergrond bij dat ‘beschermd wonen’. Nu is deze zorg georganiseerd op grotere schaal. In het land zijn er zo’n 43 centrumgemeenten belast met deze opdracht. Wat meer regio’s in druk bevolkte gebieden en wat grotere regio’s in dun bevolkte gebieden. Daarvoor is ooit gekozen omdat enige omvang nodig is om hiervoor iets te regelen. Dat was vroeger zo en als daarin niets is gewijzigd, waarom dan veranderen?  

Ja, waarom? Omdat: “Er is in de samenleving een brede consensus over de wenselijkheid en noodzaak van een vermaatschappelijking van ondersteuning en zorg voor kwetsbare mensen. Deze trend is ook buiten de grenzen van Nederland duidelijk zichtbaar. In diverse sectoren (geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg, maatschappelijke opvang, ouderenzorg, etc.) zijn de opvattingen de kant op gegaan van inbedding van zorg in de samenleving, versterking van zelfregie en eigen kracht.” Zo schrijft de Advies Commissie Toekomst Beschermd Wonen op pagina 12 van haar rapport met als titel Van beschermd wonen naar een beschermd thuis. Het streven is om de mensen die nu beschermd wonen in een huis bij u of mij in de buurt een ‘beschermd thuis’ te bieden. En daarmee ben ik aanbeland bij het woord ‘vermaatschappelijken’. Daaruit kun je opmaken dat ‘vermaatschappelijken’ betekent ‘de-instiututionaliseren’. 

Alleen raakte ik verward toen ik Wikipedia raadpleegde voor het begrip maatschappelijk: “Het begrip maatschappij valt grotendeels samen met de notie samenleving, maar legt meer de nadruk op de institutionele, ordenende aspecten van de samenleving: de staat en de staatsapparaten. Daarmee is het ook een meer territorium gebonden begrip dan samenleving.” We gaan ‘de-institutionaliseren’ en noemen dat ‘vermaatschappelijken’ terwijl ‘vermaatschappelijken’ eigenlijk ‘institutionaliseren’ is.

Het begrip ‘vermaatschappelijken’ lijkt qua betekenis een draai van honderdtachtig graden te hebben gemaakt. Het wordt nu gebruikt om iets af te breken dat met hetzelfde woord is opgebouwd. NEE is op wonderbaarlijke wijze JA geworden.

Samen

 Wie het nieuws een beetje heeft gevolgd, weet dat staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid vorige week zijn ‘finest hour’ beleefde. Het Nationaal Preventieakkoord werd namelijk ondertekend. Patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportbonden, bedrijven, fondsen onderwijs, maatschappelijke organisaties en Blokhuis als vertegenwoordiger van het Rijk, zetten een handtekening onder het akkoord. Doel van het akkoord: “het terugdringen van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik.”  Natuurlijk is het goed om mensen te wijzen op de gevolgen van drank, drugs en suiker. Toch is er iets in het akkoord wat vragen oproept.

Foto: wikipedia

Die vragen ontstonden na het lezen van de volgende passage in de inleiding van de publieksversie. “Alle kinderen hebben recht op een goede start. Een start waar zij een leven lang profijt van hebben. Volwassenen willen lang actief zijn en fit hun pensioen halen. Langer in goede gezondheid leven. Dan kunnen mensen blijven meedoen aan de samenleving. Wie wil dat nou niet?” Inderdaad, wie wil er niet gezond blijven? Wie wil er niet dat kinderen een goede start krijgen waarvan zij een leven lang profijt hebben? Wie wil er niet fit zijn pensioen halen? Dit wordt natuurlijk wel steeds lastiger als de de pensioendatum steeds verder weg schuift.

Alleen is het niet iedereen gegeven om fit het pensioen te halen en gezond te blijven. Soms helpt veel sporten, gezond eten niet en word je toch ziek, zwak of misselijk. Als je dat overkomt, doe je dan niet meer mee aan de samenleving? Doe je alleen mee aan de samenleving als je fit en gezond bent en zo je pensioen haalt? Want dat is wat er wordt gezegd met de zin: “Dan kunnen mensen blijven meedoen aan de samenleving.”

Ik hoop maar dat de staatssecretaris en de andere ondertekenaars van het Preventieakkoord het zo niet bedoelen. Als dat zo is, dan zou ik hen willen adviseren om toch eens wat zorgvuldiger na te denken over wat ze schrijven. Het zijn maar woorden, maar woorden kunnen net zo hard of nog harder zijn dan een stenen muur. Woorden zoals deze sluiten uit.

Bouwen aan de samenleving?

Volgens historicus Willem Melching in de Volkskrant, wil ‘de kiezer’ weten waaraan hij toe is. En als ze dat weten dan zijn: “Mensen (…) in staat tot grote opofferingen om een bepaald doel te bereiken.”  Melching geeft enkele voorbeelden: “het Britse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog, de krachttoer van de Delta-werken of de boycot van Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. Maar in al deze gevallen ging het om projecten met een duidelijk en concreet einddoel: de ondergang van Hitler, de aanleg van dijken en de afschaffing van een verfoeilijk politiek systeem.” Ontbreekt dat einde dan vervalt de ‘opofferingsbereidheid’: “In de gevallen ‘Europa’ en ‘multi-kulti’ bestaat er een groot psychologisch probleem. Deze projecten hebben namelijk geen concreet einddoel en zo blijft volstrekt onduidelijk wanneer ze af zijn. Daarom zijn veel kiezers zo ontevreden.” 

bouwen aanFoto: Pixabay

Klinkt logisch: schets een helder doel en ga aan de slag! Net zoals je een huis bouwt. Een goede bouwtekening en dan kunnen de bouwvakkers aan de slag. Er zijn ‘ideologieën’ die een ideale samenleving voor ogen hebben. Ideologieën die het heden en alle mensen die er nu leven, zien als middel om die ‘ideale samenleving’ te bereiken.

Werkt dat wel zo met een samenleving? Is een samenleving ooit af? Als dat zo is, wat moeten de mensen die deze samenleving vormen dan doen nadat die samenleving af is? Hebben we dan het Walhalla bereikt en slaat dan het grote niets doen toe? Met welk doel moet je dan ’s morgens opstaan?

Werk of bouw je echt aan de samenleving net zoals je aan een huis bouwt? Verandert de samenleving omdat mensen eraan werken? Of is een samenleving dynamisch en verandert zij constant? Ligt het net wat anders en verandert een samenleving omdat de mensen die samen een samenleving vormen, samen leven, samen dingen doen?

Moeten we niet oppassen voor mensen die een ‘ideale samenleving’ voor ogen hebben en daaraan willen bouwen? Samenlevingen die naar zo’n ideaal toewerken, zijn niet de meest prettige om in te wonen. Die zien mensen als een middel dat kan worden ingezet om een doel te bereiken.

Moeten we niet kiezen voor ‘leven in’ in plaats van ‘bouwen aan’ de samenleving?

‘onnodige armoede’

Even over taal en woorden. In Amsterdam is het Flying Squad actief, een team dat voor de gemeente minima bezoekt om ze te wijzen op sociale voorzieningen die ze onbenut laten, zo lees ik bij Binnenlandsbestuur. Je zou verwachten dat het ‘de’ squad zou zijn en niet ‘het’ squad, Ook taal en woorden, maar daarover wil ik het nu niet hebben. Ik wil het hebben over bijvoeglijke naamwoorden die voor een zelfstandig naamwoord worden gebruikt om het zelfstandig naamwoord kracht bij te zetten.

onnodige armoedeFoto: Pixabay

Het artikel over ‘de’ of ‘het’ Flying Squad draagt de titel “Op zoek naar onnodige armoede.” De toevoeging van ‘onnodige’ voor armoede suggereert dat er naast die ‘onnodige’, ook ‘nodige’ armoede is. Kan iemand mij uitleggen wanneer armoede nodig is en wanneer niet? Dat lijkt mij ook voor het (de) Flying Squad van belang. De ‘onnodige’ arme die moet immers worden geholpen, de ‘nodige’ kan aan zijn of haar lot worden overgelaten, maar hoe bepaal je de ‘onnodigheid’ van armoede? Het lijkt me trouwens geen prettige boodschap om iemand te vertellen dat hij of zij arm is en dat er diverse regelingen zijn waarvan gebruik gemaakt kan worden, maar dat die persoon er niet voor in aanmerking komt omdat hij niet ‘onnodig’ maar ‘nodig’ arm is.

In een ander artikel bij Joop kwam ik een andere bijzonder combinatie van een bijvoeglijk- en zelfstandig naamwoord tegen: objectieve feiten. Nu is een feit een: “gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat.” Dat maakt een feit per definitie objectief. Alleen door het woord ‘objectieve’ voor feiten te plaatsen, ontstaan er ineens ook ‘subjectieve’ feiten en wordt alles ineens een feit. Een andere combinatie met het woord feit werd gebezigd door de regering Trump, de ‘alternatieve’ feiten. Deze combinatie suggereert dat feiten een tegenhanger hebben, de ‘alternatieve’ feiten. Zo zou een kubusvormige aarde het alternatieve feit kunnen zijn voor de bolvormige.

Een bijzondere is de participatiesamenleving. Het bijvoeglijk naamwoord participatieve samengesmolten met samenleving. Een samenleving is ”het geheel van de met elkaar verkerende mensen.” Alle mensen die in een bepaald gebied met elkaar verkeren behoren tot en nemen deel aan de samenleving van dat gebied. Door er participatie, “het hebben van aandeel in iets; = deelname” voor te zetten, ontstaat een vreemde constructie omdat iemand nu iets extra’s moet doen om bij de samenleving te horen. Als je dat extra’s niet levert, hoor je ineens niet meer bij de samenleving. Door het woord deelname voor samenleving te zetten ontstaat ook het spiegelbeeld, het niet deelnemen.

Waldorf and Statler

De samenleving zélf is een opstandige puber geworden. De jeugd regeert. Voor je het weet beland je als bakvis bij Zomergasten of krijg je als blaag het predicaat “een van de spraakmakendste denkers van onze tijd” opgeplakt.”

De kern van het bijzondere  leesbaar artikel van Joris van Os bij TPO. De samenleving als een opstandige puber. Ook vroeger waren er opstandige pubers, net als nu, maar die van tegenwoordig worden op een voetstuk geplaatst en krijgen aandacht, zo betoogt Van Os. Hij haalt hierbij Anne Fleur Dekker en ‘tuigvlogger’ Ismail Ilgun als voorbeelden aan die te pas en te onpas in tv-shows verschijnen. Nostalgisch naar een voorbeeld uit zijn jeugd verzucht hij: “Soms verlang ik opeens heel erg naar meneer Stuifkens. We zitten met z’n allen in zijn rozentuin te pielen en het wordt hoog tijd dat hij tevoorschijn springt om ons een knalharde corrigerende schop voor ons hol te verkopen.”

waldorf and statler

Illustratie: Flickr

De samenleving als puber, een mooie metafoor. Ik zet er een andere tegenover. Zou je de samenleving niet ook een beetje als een lichtelijk dementerende oudere kunnen zien? Een dementerende oudere die knorrend merkt dat hem steeds meer ontglipt met soms nog heldere momenten. In die eerste staat reageert hij boos en verongelijkt als hij niet meer begrijpt wat er om hem heen gebeurt. Dan deugd er niets van de samenleving en zet hij zich af tegen alles wat hem in zijn dementerende staat, niet bekend voorkomt.

Als hij iets meer meekrijgt, dan kijkt hij met jaloezie maar ook een klein beetje plezier naar die vrolijke en bezige jongeren die hem herinneren aan zijn eigen jeugd toen hij, om Van Os te parafraseren, ‘met zijn crossfiets door de rozentuin van de buurman ploegde’. Met jaloezie omdat de jeugd hem is ontglipt en met plezier als hij aan zijn eigen kattenkwaad denkt.

Is hij volkomen helder, dan begrijpt hij dat de tijden zijn veranderd, dat er plek moet zijn voor nieuwe mensen en nieuwe ideeën, dat hij langzaam plek moet maken en dat die ideeën niet van meer van hem zullen komen. Dan realiseert hij zich dat die verandering goed is. Dat de wereld constant verandert en dat je niet in het verleden, zijn verleden, kunt blijven hangen.

Een beetje zoals Waldorf en Statler?

Binnenstebuiten samenleving

“Is de multiculturele samenleving nou mislukt of geslaagd?” Die vraag werd gisteren gesteld bij Pauw. Nee, zei de een. Ik zie toch geslaagde integratie, zei de ander. Het is niet geworden zoals het ons is voorgespiegeld, zei de gastheer alsof er iemand ooit een plan had dat eraan ten grondslag lag. Het is het nog niet, zei weer een andere gast. De Turken en Marokkanen trouwen nog binnen hun groep, riep iemand. Nu is die multiculturele samenleving in het recente verleden al vaker onderwerp van discussie geweest. Discussie waarin werd geroepen dat ze is mislukt of dat ze moet worden afgeschaft.

SamenlevingIllustratie: www.kennislink.nl

Een bijzondere gesprek tussen mensen met meningen en opvattingen. Bijzonder omdat lukken of mislukken suggereert dat er een norm is waaraan een samenleving moet voldoen, om van succes te spreken. Alleen wat is die norm en wie bepaalt hem? Wat gebeurt er als een samenleving niet aan die norm voldoet? Is er dan geen sprake van een samenleving? Als er dan geen samenleving is, wat is er dan wel? De positieve kant is trouwens ook interessant. Want wat moet er dan gebeuren als een samenleving wel aan de norm voldoet? Mag er dan niets meer veranderen? Zou die samenleving dan eeuwig zo moeten blijven? Dit laatste roept de vraag op of die norm niet ook aan verandering onderhevig is. Het zou immers kunnen dat toekomstige generaties er anders over denken.

In het boek Denken in een tijd van sociale hypochondrie, beschrijft de socioloog Willem Schinkel de worsteling in het gesprek en Nederland. Mensen en groepen worden al naar gelang het doel van de spreker, gezien als probleem binnen de samenleving en toch gezien als staand buiten de samenleving. Dit is, volgens Schinkel: “… paradoxaal omdat enerzijds ‘de Nederlandse maatschappij’ een [integratie]probleem cq. -vraagstuk heeft, terwijl dat anderzijds juist bestaat uit het ‘buiten de maatschappij staan’ en het ‘niet meedoen’ van diegenen die binnen de maatschappij voor het [integratieprobleem] zorgen.”

Een samenleving is “het geheel van de met elkaar verkerende mensen.” Hoe vaststaand is dat geheel? Verandert een samenleving niet permanent omdat er mensen bij komen door geboorte en emigratie en en er vallen mensen weg door sterfte en immigratie? En ook door kennisontwikkeling? Dit verandert immers mensen. Is een samenleving daarmee niet een fluïde iets en iets wat nooit ‘af’ of ‘compleet’ is?

Best and Brightest

In Lijdende’ cultuur’ schreef ik over het CDA-Kamerlid Pieter Heerma. Heerma wil de leidende cultuur en dat is er bij hem een die gebaseerd is op de joods-christelijke traditie, actief uitdragen. Anders mislukt volgens hem de integratie. In het artikel van Heerma vallen nog twee zinnen op: “Om aan alle individuele behoeften te voldoen is een grote, onpersoonlijke en bureaucratische overheid gebouwd. In plaats van die grote overheid moet weer een sterke samenleving ontstaan.” Twee zinnen waaraan toch wel wat knelt.

best and brightestIllustratie: www.baudville-bnb.com

De overheid is, volgens Heerma, ‘groot, onpersoonlijk en bureaucratisch’ gebouwd om aan individuele behoeften te voldoen. De overheid was er toch voor maatschappelijke behoeften en de markt voor individuele? En een van die maatschappelijke behoeften is toch dat we een fatsoenlijke en rechtvaardige samenleving willen zijn?  Een samenleving die ervoor zorgt dat niemand hoeft te creperen. Wordt dat niet ingevuld door een basisvoorzieningenniveau te garanderen?  Ja, deze basisvoorzieningen worden aan individuen verstrekt. Maar wordt via het voorzien in de individuele behoeften niet een maatschappelijk doel nagestreefd?

En inderdaad is het gebouwde apparaat bureaucratisch, groot en onpersoonlijk. Maar, is dat niet een keuze? Een keuze waarbij we uitgaan van wantrouwen in mensen? En zou een keuze die uitgaat van vertrouwen, bijvoorbeeld een basisinkomen, niet tot een veel persoonlijkere, kleinere en minder bureaucratische overheid leiden?

In de tweede zin suggereert Heerma dat een grote overheid tot een zwakke samenleving leidt en hij suggereert dat een kleine daarmee tot een sterke samenleving leidt. Waarop baseert hij deze uitspraak? Is dit wel de juiste vergelijking? Vergelijkt hij geen appels met peren? Zou het niet kunnen zijn dat er om een sterke samenleving  te kunnen zijn, een samenleving met een sterke vrije markt er juist ook een sterke overheid nodig nodig is? Sterk om als markt- en samenlevingsmeester’ op te treden? Sterk om daar op te treden waar de sterken de belangen van de zwakkeren met voeten treden? En dat groot of klein niets zegt over de sterkte van een overheid? Zouden we niet moeten streven naar een sterke overheid waar de ‘best en brightest’ werken?