De daad en de dader

 “Hij is de favoriete vijand van iedere machthebber: de terrorist. Maak van een tegenstander een terrorist en hij kan geen goed meer doen.”  Dit schreef ik in 2016 in een prikker met als titel Terrorisme, rationele irrationaliteit en dwaasheid. Een terrorist moet worden bestreden en oorlog en geweld zijn de middelen waarmee dat gebeurt. Noem iemand een terrorist en de persoon wordt bijkans rechteloos. De reactie op terrorisme, met als meest recente en extreme voorbeeld het optreden van Israël, is in mijn ogen een grotere bedreiging dan het terrorisme.

Mandela reikt na het winnen van de finale van het wereldkampioenschap rugby in 1995 de Web Ellis cup uit aan zijn landgenoot en aanvoerder van de Springboks Francois Pienaar.

Terrorisme is, volgens de Van Dale“het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Een ‘daad van terreur’ is, volgens dezelfde Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Terrorisme is dus het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van georganiseerd politiek geweld. Onze overheid, de Nationaal coördinator terrorismebestrijding (Nctv), omschrijft terrorisme als volgt: “Terrorisme is het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappijontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.” 

Terrorisme is een gewelddadige en daarmee verkeerde manier van aandacht vragen voor iets wat je verandert wilt hebben. Kern van de huidige omgang met terrorisme is het gelijk stellen van het middel aan de persoon. De dader wordt de daad. Iemand die een terreurdaad pleegt, wordt de daad en wordt ontmenselijkt. De pleger wordt niet meer als ‘mens’ gezien. Een mens die een misdaad pleegt wordt door de politie opgepakt en voor het gerecht gebracht. Een terrorist krijgt een bom op het dag of een hellfire door de brievenbus en als de persoon gevreesd genoeg is wordt zijn of haar dood trots in een persconferentie gemeld. Voor het gerecht komen ze zelden of nooit. “Als Israël een slachtoffer als terrorist bestempelt, krijgt de familie het lichaam niet terug,” aldus een artikel in de Volkskrant. Zelfs als lijk is de ‘terrorist’ nog een gevaar zoals het Israëlische voorbeeld laat zien en trouwens ook de behandeling die Osama bin Laden ten deel viel. Zelfs als ze levend worden opgepakt, zien ze zelden een rechtszaal zoals Guantánamo laat zien en lopen ze in gevangenschap het risico ernstig te worden mishandeld.

Deze behandelingen die plegers van een daad van terreur krijgen, ondermijnt ons op de rechten van de mens gebaseerde rechtssysteem. Een ‘terrorist’ heeft kennelijk niet: “in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging,”  aldus artikel 10 van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Voor een terrorist geldt niet het recht op: “voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn verdediging, zijn toegekend”  verwoord in artikel 11 eerste lid. Een verklaring die is opgesteld overwegende: “dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,” en: “dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan.”  

Het meest pregnante voorbeeld hiervan is het recent laten ontploffen van semafoons. De man die bij de groenten in de supermarkt stond, in de meest getoonde video hierover, was al bij voorbaat schuldig en werd zonder aanklacht, zonder proces gestraft. “You must be guilty. Guilty. Guilty. Guilty ‘till you’re proven innocent, ” om het refrein van het nummer Lie Detector van mijn favoriete Punkband Dead Kennedys aan te halen. Deze manier van handelen is zeer gevaarlijk voor landen die zichzelf een democratische rechtsstaat noemen. Deze manier zet de bijl aan de wortels van de rechtsstaat.

In haar boek Het koninkrijk van de angst schrijft de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum over de rol van angst in het handelen van mensen in het algemeen en de gevolgen ervan voor een samenleving en in het bijzonder een democratische samenleving. Nussbaum schreef haar boek naar aanleiding van de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Aan het einde beschrijft zij iemand die ondanks het kwaad dat hij in zijn leven zag, bleef geloven in het goede van de mens. Deze persoon maakte: voortdurend onderscheid tussen de dader en de daad, en (liet) duidelijk (…) zien dat hij geloofde in de goede mogelijkheden die diepgeworteld zijn in ieder mens.” Menigeen zal nu denken ‘wat een naïeveling! Ddaad en dader scheiden na 7 oktober, of na al die onschuldige doden in Gaza.’ Nussbaum gaat verder: “Toen zijn begrafenisstoet door de straten reed, vertelde een blanke politieman, terwijl de tranen hem over de wangen liepen, hoe Mandela in 1994 na zijn inauguratie als president dezelfde route had gevolgd. Zijn auto kwam daarbij langs een groepje jonge politierekruten, onder wie de spreker zelf, die zei dat hij niets dan minachting had verwacht. Mandela stapte uit en gaf al deze jongemannen een hand, lachte hen innemend toe en zei: ‘We stellen vertrouwen in jullie.’[1] 

De daad scheiden van de dader, is dat niet wat nodig is? Dat kan iedereen, daarvoor hoef je geen Mandela te zijn. Iedereen kan, om Nussbaum te citeren: “de gewoonte aannemen om mensen die ons dwarszitten niet als monsters te beschouwen maar als mensen met gedachten en gevoelens, echte mensen dus, die niet door en door slecht zijn.[2] De man die groenten kocht. Misschien was hij lid van Hezbollah, misschien ook niet. Dat zullen we nooit weten. Maar zelfs als hij lid was van Hezbollah dan nog was hij een mens net als jij en ik. Een mens die wellicht groenten kocht om zijn kinderen te eten te geven. Een mens met gedachten en gevoelens. Wellicht ander gedachten en gevoelens dan de mijne. We zullen het nooit weten, want we kunnen er niet meer met hem over in gesprek.

En daarmee kom ik bij mijn punt. Moeten we niet ophouden mensen terrorist te noemen en organisaties terroristisch te noemen? Daarmee helpen we niemand. Hamas en Hezbollah zijn organisaties, om een stuk van de NCTV definitie aan te halen: “met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen.” De Israëlische regering heeft ook het doel om maatschappelijk iets te bewerkstelligen. Zou de aandacht niet uit moeten gaan naar de doelen van de partijen? Zouden ze daar niet een gesprek over kunnen voeren van mens tot mens? Het zou wel eens kunnen dat ze in de kern min of meer hetzelfde nastreven namelijk een plek om een goed leven te kunnen leiden. En als iemand een terreurdaad pleegt, met welk doel dan ook, dan wordt de persoon gearresteerd, voor het gerecht gebracht en is onschuldig totdat de rechter anders beslist.


[1] Martha C. Nussbaum, Het koninkrijk van de angst. Een filosofische blik op angst als politieke emotie, pagina 108-109

[2] Idem, pagina 109

Foei!

Mensen die naar Nederland zijn geëmigreerd, sturen geld terug naar hun familie en dat loopt flink in de papieren. In 2018, toen ik er een prikker over schreef,  was het officieel  € 8 miljard en waarschijnlijk nog veel meer omdat geld dat via informele kanalen werd overgemaakt, buiten beeld bleef. Dit was toen veel meer dan Nederland aan ontwikkelingshulp overmaakte want dat was maar €2,5 miljard. Het leek mij een positief iets omdat, zoals ik me toen bedacht: “Die 8 miljard gaan rechtstreeks naar mensen. Die 2,5 miljard kennen een strijkstok.” Volgens Calvin Schukkink in een artikel bij Wynia’s Week zie ik dat verkeerd: “Het zou juist in ons belang zijn als geld dat in Nederland is verdiend vaker dan nu het geval is ook in Nederland blijft – en hier wordt uitgegeven of geïnvesteerd.”

Het blijkt, zo lees ik, nu om nog veel meer geld te gaan: “Vanuit ons land maakten migranten in 2022 maar liefst 15 miljard euro over naar hun thuislanden.” En ook nu, net als in 2018, is het naar verwachting in werkelijkheid nog veel meer omdat: “Veel migranten (…) namelijk informele kanalen, zoals online-aanbieders of banken die geen vergunning bezitten voor remittances,” zoals deze betalingen met een duur woord heten, gebruiken. En: “Dat laatste is uiteraard vooral van belang bij criminele geldstromen. Volgens een recente schatting van het CBS werd in 2021 binnen de Nederlandse grenzen 17 miljard euro verdiend met illegale activiteiten. De meeste verdiensten stroomden naar het buitenland; bij de opbrengsten van cocaïnehandel – waarbij relatief veel migranten zijn betrokken – zelfs bijna 90 procent.” En in twee zinnen wordt migratie aan criminaliteit gelinkt en migranten in een verdacht daglicht geplaatst.

Dat geld overmaken zou ons in de toekomst nog wel eens geld kunnen gaan kosten, zo betoogt Schukkink en dat komt door de Verenigde Naties: Eén van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen – de zogeheten Sustainable Development Goals – van de VN is namelijk het terugbrengen van ‘ongelijkheid binnen landen en tússen landen’, zodat ‘sociale, economische en politieke inclusie van alle mensen op aarde’ de maat worden. Onder deze noemer valt ook een doelstelling die betrekking heeft op de transactiekosten voor overboekingen door migranten: die moeten voor 2030 worden teruggedrongen tot minder dan 3 procent.”  En dat zou wel eens pijn kunnen gaan doen: “Wat als daar straks inkomsten tegenover staan die niet meer kostendekkend zijn? Dan zijn voor Nederland aan remittances nóg grotere nadelen verbonden.”  

Foei migrant! Zo betoogt Schukkink. Foei migrant omdat er geld naar familie wordt gestuurd terwijl dat geld beter in Nederland uitgegeven kan worden. Foei migrant omdat je Nederland op kosten gaat jagen als ‘we’ de het verschil tussen de werkelijke transactiekosten en 3% die in rekening mogen worden gebracht, mogen gaan betalen. Nu hoeven ‘we’ als Nederland die niet te betalen. Die 3% moet de migrant die geld overmaakt of de ontvanger ervan betalen. Als de bank daarvoor meer kosten maakt, dan zijn die voor rekening van de bank.  Niet voor ‘Nederland’. Het lijkt me niet dat we medelijden moeten hebben met de banken. Dat hebben ze ook niet met ons. Als een bank hierop verlies draait, dan zal ze stoppen met het aanbieden van deze dienst.

Als dat foei, op z’n plek is, moet dat foei dan niet ook naar de Nederlander. Die bracht in 2023 € 18,5 miljard naar het buitenland. Dat deed die Nederlander door in het buitenland op vakantie te gaan. Is het foei dan ook niet op z’n plaats voor het Nederlandse bedrijfsleven? Op z’n plaats omdat, zo blijkt uit een artikel bij Business Insider Nederland: “winsten van bedrijven in Nederland (…) voor een groter deel dan gedacht weg (stromen) naar het buitenland. … Het gaat om miljarden euro’s.” En ook foei voor al die Nederlanders die aandelen in buitenlandse bedrijven kopen? En foei voor al die Nederlanders die in het buitenland tanken of er drank en sigaretten kopen? Dus ook aan mezelf omdat ik ook in het buitenland tank. Foei voor al die Nederlanders die buitenlandse producten kopen want ook daardoor verdwijnt geld naar het buitenland en kan dat niet beter in Nederland worden uitgegeven?

Of foei Schukkink voor dit artikel waarin migranten op een suggestieve manier in een kwaad daglicht worden geplaatst?

De bok van Van Bokhoven

‘De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’ een spreekwoord dat betekent dat iemand een ander iets verwijt waaraan de verwijter zichzelf ook schuldig maakt.. Daar moest ik aan denken bij een artikel van Ines van Bokhoven bij Opiniez. Daaraan en aan de splinter die je in het oog van de ander ziet terwijl je de balk in je eigen ogen niet opmerkt.

Bron: Wikipedia

Van Bokhoven gebruikt een tweet van een uitspraak van terrorisme-expert Beatrice de Graaf om haar punt te maken. In een reeks twitterberichten schreef Van der Graaf het volgende: “maandag heb ik blijkbaar bij @JinekLive geheel radicaalrechts in Nederland diep gekwetst. Ze voelen zich massaal geraakt over een item over de dreiging van extreemrechts in Duitsland, waar AfD geradicaliseerd is (volgens veiligheidsdiensten daar), en mee doet met neonazi’s.” In een tweede bericht gaat Van der Graaf verder: “Alle bekende en onbekende trollen, guurrrechtse “journalisten”, @DDStandaard, @wierduk, @NiniForNews hebben onthuld waarmee ze zich identificeren: met de extreem rechtse Duitse onderbuik.”

Van Bokhoven vindt het gebruik van radicaal rechts onnodig generaliserend en het wordt vooral gebruikt om: “zich achter te verschuilen.” Ook het gebruik van de woorden diep gekwetst bevallen haar niet: “Nou denk ik dat dat wel meevalt, maar stel dat het wel zo was: waarom daar dan zo laatdunkend over doen? Waarom daar de spot mee drijven? … Waarom zo stampen op de emoties van mensen waar je een samenleving mee deelt? Welk nut dient dat, naast jezelf het gevoel geven dat je zo ont-zet-tend veel beter bent – een volslagen misplaatst gevoel, want onderbouw het maar eens overtuigend na dat soort woorden.”   Van Bokhoven gaat verder: “De Graafs onderbuik: die van haar is prima, haar scheldpartijen en generalisaties en verwijten zijn de redelijkheid en rationaliteit zelve, en de rest van ons is een soort primaat als wij eens eerlijk zeggen, net als zij, op wie we zo kwaad zijn en waarom.”

Hiermee wordt, zo betoogt Van Bokhoven, onnodige verdeeldheid gezaaid in de samenleving. Daarom stelt ze de vraag: “wat verwachten ze toch? Wat denken ze dat er gebeurt als ze elke dag duidelijk maken zich niet verbonden te voelen met een steeds groter deel van de samenleving waar ook zij deel van uitmaken, net als wij? Waar hopen ze op? Dat we weggaan? Want we zijn hier, we delen die samenleving nu eenmaal met de De Graafjes van deze wereld, hoe onvoorstelbaar ze dat ook vinden – en we gaan nergens heen. We blijven gewoon hier en erger nog: we hebben exact dezelfde rechten en maken er gebruik van.”

Van Bokhoven heeft een punt. Het uitschelden van mensen is niet bevorderlijk voor het gesprek en dus ook niet voor het samen met elkaar leven van mensen die verschillend over zaken denken. Als ik jullie uitscheld dan zal dat jullie bereidheid om verder te lezen niet ten goede komen en is de kans dat mijn boodschap jullie bereikt klein.

Van Bokhoven heeft dus een punt. Alleen helpt ze dat punt vervolgens vakkundig om zeep door precies dat te doen waar ze De Graaf terecht van beschuldigd: “Willen mensen als Beatrice nog wel deel zijn van onze samenleving? Want terwijl zij het recht claimen onze wereld te mogen duiden, deze wereld als eigendom te behandelen, wordt de groep die zich van deze deugpronkers afkeert met de dag groter. Deze deugers moeten uitkijken: straks staan ze zelf buitenspel en het is nog maar de vraag of wij een samenleving willen delen met mensen die niet verder komen dan hun eigen bevooroordeelde, misplaatst verheven onderbuik waarmee ze deze samenleving zo ongelofelijk veel schade toebrachten en zo ontzettend veel kloven groeven.”

Nu, aan het einde van deze Prikker viel me, na de pot en de ketel en de splinter en de balk nog een spreekwoord in: heeft van Bokhoven met dit artikel niet een bok geschoten?

Cliteurs kletskoek

“Vervolgen is een politieke daad en voor de vervolging van het Kamerlid is uiteindelijk de minister van justitie verantwoordelijk. Dat maakt het al vreemd: de regering moet worden gecontroleerd door de Tweede Kamer (art. 42, lid 2 Gw). Wanneer de leden van de regering dan de bewoordingen die Kamerleden gebruiken bij de rechter kunnen laten beoordelen, ontstaat een onwenselijke situatie: een democratisch gelegitimeerd Kamerlid wordt belemmerd in zijn werk. Belemmerd door de instantie die hij moet controleren (de regering). Bovendien wordt de rechter gedwongen in een rol die de rechter niet past. De rechter moet zich gaan mengen in de politiek.” Aldus Paul Cliteur in een artikel bij De Dagelijkse Standaard. Dat is nogal een beschuldiging. Wat is er aan de hand? Waar gaat het fout?

De Sustainable Development Goals . Bron: devpolicy.org

Even voor de context. Cliteur doet deze uitspraak omdat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten FvD-Kamerlid Pepijn van Houwelingen te vervolgen voor smaad en laster. De voormalige ministers Kuipers en Van Gennip hadden aangifte gedaan omdat Van Houwelingen in gemanipuleerde beelden beide ministers nazivlaggen liet hijsen. Volgens Cliteur is het: “zeer kinderachtig dat de ministers Kuipers en Van Gennip hebben lopen jeremiëren over de behandeling die hen (…) ten deel (is) gevallen door het Kamerlid. Waarom? Omdat zij zelf het initiatief hebben genomen tot het hijsen van een vlag met daarop de zogenaamde SDG doelen (Sustainable Development Goals) van de Verenigde Naties. Dit hoort een minister natuurlijk helemaal niet te doen. Voor het ministerie een vlag gaan hijsen met omstreden politieke doelstellingen en daarvan een filmpje laten maken om dat op social media te openbaren, is een ontduiking van het proces van politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer, zoals de Grondwet dat in art. 42, lid 2 voorschrijft. Verantwoording geschiedt tegenover de Tweede Kamer. Bijvoorbeeld in een debat.”

Nu even de feiten. Met het hijsen van die vlag vroegen de ministers aandacht voor Sustainable Development Goals, zoals Cliteur constateert. Omstreden zijn die doelen niet. Ze worden onderschreven door 193 landen van de Verenigde Naties. Nederland is een van die 193 landen die met deze, volgens Cliteur, omstreden doelen heeft ingestemd. Het proces van ‘politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer wordt hiermee in het geheel niet ontdoken. Als Van Houwelingen daarover met de minister in debat wil of er vragen over wil stellen, dan staat niets hem in de weg dat te doen. Sterker nog. Ieder jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang met betrekking tot de doelen. Dat deze ministers “kennelijk  …  te zwak, te hooghartig, te weinig ingevoerd in de materie (zijn) om zich in een kamerdebat staande te kunnen houden.”  En daarom kiezen voor: “de gemakkelijke weg: een filmpje,” zoals Cliteur beweert, raakt kant nog wal.

Het staat iedere Nederlander, ook een minister, vrij om aangifte te doen tegen iemand als die zich, in de ogen van de aangever schuldig maakt aan smaad en laster. Het staat je vrij, je hoeft het niet te doen. Als er aangifte is gedaan dan moet het OM de aangifte onderzoeken en als dat onderzoek oplevert dat er een mogelijk strafbaar feit is gepleegd, dan moet het OM tot vervolging overgaan. En ja, de minister van Justitie is politiek verantwoordelijk voor politie en justitie en dus ook voor het OM. Dat het OM overgaat tot vervolging gebeurt daarmee onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Dat is het enige politieke aan het besluit en dat is voor de zaak tegen Van Houwelingen niet anders dan bij een vervolging van de eerste de beste crimineel of voetbal hooligan. Dat wordt anders als de minister van Justitie zich hier actief mee bemoeit.

Dat een minister aangifte doet tegen Van Houwelingen, wil niet zeggen dat de regering een Kamerlid belemmert te werken en dus belemmert om de regering te controleren. Sterker. Het gemaakte filmpje heeft niets te maken met het werk van een Kamerlid. Van Houwelingen had zijn werk gedaan als hij Kamervragen had gesteld of een debat had aangevraagd. Dat is zijn werk. Bij het stellen van die vragen en in dat debat had hij, als hij daar werkelijk de behoefte toe voelde, straffeloos zijn nazi-vergelijking kunnen maken. In de Kamer is hij onschendbaar voor rechtsvervolging. In de Kamer wel. In een filmpje dat vervolgens op het web wordt geplaatst niet. Dan heeft hij even veel rechten en plichten als een gewone burger.

De rechter hoeft zich niet in ‘te mengen in de politiek’. Hij hoeft zich niet uit te spreken over het al dan niet omstreden zijn van de Sustainable Development Goals en of die, zoals Cliteur beweert: “alleen te verwerkelijken zijn in een totalitaire (communistische of nazistische) samenleving.” De rechter moet een uitspraak doen in de voorliggende zaak en daarmee antwoord geven op de vraag of Van Houwelingen zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en laster. Smaad en laster aan het adres van de twee aangevers.

“Nu kan het zijn dat de ministers Kuipers en Van Gennip niet Hannah Arendt’s The Origins of Totalitarianism (1951) onder hun hoofdkussen hebben liggen. Zij zullen ook niet bekend zijn met Friedrich Hayek’s The Road to Serfdom (1944). Naar alle waarschijnlijkheid ontgaat hun de intelligentie achter Van Houwelingen’s vergelijking helemaal. En wat doe je dan? Dan doe je wat alle domme mensen doen, dan ben je beledigd.” Nu heb ik beide boeken gelezen en ook mij ontgaat de ‘intelligentie’ die er kennelijk in Van Houwelingens actie zit. Wellicht ben ik dan ook wel dom. Als ‘dom’ mens moet me dan wel van het hart dat een jurist, zeker iemand die hoogleraar encyclopedie van het recht is geweest, zo’n rammelend betoog houdt. Zo’n kletskoek.

Blaten voor de bühne

De PVV is, aldus Michael van der Galien in een artikel bij De Dagelijkse Standaard furieus omdat: “Oekraïense ‘vluchtelingen’ in ons land (ik zie trouwens dat veel ‘vluchtelingen’ man zijn, van ergens tussen de 20 en 40 jaar, en fit) geen eigen bijdrage betalen aan hun opvang. Dat is raar. Want dat moeten ze wél doen.”  Dat gebeurt niet omdat: “gemeenten te lui zijn de bijdrage te innen. Dat vinden ze maar lastig. En dus moeten gewone Nederlanders de héle rekening van de opvang van Oekraïners zelf bekostigen.” Oei dat klinkt ernstig. Daarom heeft  PVV-Kamerlid Marina Vondeling een reeks vragen ingediend.

Bron: Wikipedia

“”Hoe is het mogelijk dat vrijwel geen enkele gemeente de eigen bijdrage die Oekraïners moeten betalen voor hun opvang int?” Zo vraagt Vondeling. En: “Bent u het ermee eens dat het niet meer dan logisch is dat Oekraïners meebetalen aan hun opvang temeer omdat Nederlanders wel voor alles zelf moeten betalen?”  Ze vervolg met: “Gaat u ervoor zorgen dat alle gemeenten voor 1 januari 2025 de eigen bijdrage die Oekraïners moeten betalen voor de opvang gaan innen?” Als laatste: “wil Vondeling ook weten wanneer minister Faber “deze eigen bijdrage voor opvang, zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord, [gaat] verhogen?” Want ja, dat is immers ook met elkaar afgesproken. Bizar, eigenlijk, dat dit een afspraak is maar dat gemeenten het weigeren te innen – ook de lagere bijdrage.

Zo en nu even de lucht uit de ballon. Je bent Ballonnendoorprikker of niet. Voor degenen die het snelle antwoord willen: Vondeling en in haar spoor Van der Galien blaten voor de bühne. De gemeenten zijn niet te lui. Ze hebben zelf gevraagd om kosten in rekening te mogen brengen. Dit omdat het nogal scheef is dat een werkende Oekraïner gratis woont. De minister hoeft niets te doen om ervoor te zorgen dat per 1 januari alle Oekraïners met voldoende eigen inkomsten die vergoeding betalen. De wetgever heeft gemeenten namelijk de tijd gegeven om dit te regelen. Die tijd is gegeven omdat het besluit om die inning mogelijk te maken pas medio juni 2024 is genomen. Voor degenen die wat meer achtergrond willen, lees verder want de ballon bevat nog meer lucht. Die lucht is al oud. Al van voor de komst van de Oekraïners in maart 2022.

Gevluchte Oekraïners, in politiek bestuurlijke kringen ‘ontheemden’ genoemd, moeten worden opgevangen. Daar moet, aldus artikel 2 eerste lid van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne, de burgemeester zorgdragen. Bijzonder omdat de opvang van vluchtelingen een Rijks verantwoordelijkheid is. Deze bijzonderheid is een gevolg jarenlange politieke onwil op Rijks niveau. Politieke onwil om de opvang van vluchtelingen goed te regelen. Politieke onwil die zich kenmerkt door hard schreeuwen dat het allemaal te veel is en niet investeren in oplossingen. Ik schreef er al eerder over. Dus toen er een oorlog in de regio uitbrak en de schreeuwers niet meer konden roepen dat de opvang toch echt in ‘de regio’ moest omdat we tot ‘de regio’ behoren, ontbrak het aan menskracht en locaties om de toestroom van Oekraïense vluchtelingen op te pakken.

Daarop speelde het Rijk de bal snel door naar de gemeenten. Die bal ging vergezeld van een zak geld waar je u tegen zegt en de boodschap: zoek het verder maar uit! Zoek het maar uit werd netjes in de regeling verwoord met de woorden ‘de burgemeester draagt zorg’, ‘-verstrekt’ of ‘zorgt voor’ dit al naar gelang het beste paste in de zin. Dus daarmee gingen de gemeenten aan de slag. Gevolg hiervan is dat de opvangplekken variëren van kamers in een klein kasteeltje via een woonhuis, een kamertje met een of meerdere personen in een hotel, met vier tot zes personen in een lokaal van een school die op de nominatie om gesloopt te worden staat tot een cel in een voormalige gevangenis.

Maar met een dak alleen waren de gemeenten er niet. Die vluchtelingen moesten ook ergens van leven. Het meest eenvoudige zou zijn om daarvoor aan te sluiten bij al bestaande regelingen, de regelingen rond asielzoekers of de bijstand. Die laatste lag het meeste voor de hand omdat iemand met een verblijfstatus mag werken en bij gebrek aan werk recht heeft op bijstand. Aangezien een vluchteling uit Oekraïne, in tegenstelling tot vluchtelingen uit andere landen die asiel aanvragen, meteen aan het werk mag. Meest eenvoudig omdat alles hiervoor is geregeld en georganiseerd. Hiervoor werd echter niet gekozen. Er werd een aparte leefgeldregeling opgetuigd. Extra werk en dus extra moeilijkheden want er kon geen gebruik worden gemaakt van bestaande systemen, procedures en afspraken. Daar werd niet voor gekozen want er zouden weleens ‘rechten’ aan ontleend kunnen worden. De hoogte van het leefgeld is trouwens afhankelijk van de gezinssituatie.

Gratis onderdak en wat geld om te leven was daarmee geregeld. Dat geld komt trouwens te vervallen als de vluchteling werkt en zelf voldoende geld verdient. Wat niet geregeld was, was het betalen van een eigen bijdrage aan dat onderdak als men voldoende verdiende. Huur in rekening brengen, daar wilde de regering niet aan. Dan zou immers het huurrecht gelden. Bovendien hoe hoog zou die huur dan moeten zijn? Is die voor die kamers in dat kasteeltje even hoog als voor die zes man in een schoollokaal?

Na lang wikken en wegen nam het kabinet in juni 2024 het besluit dat gemeenten vanaf 1 juli 2024 een vergoeding in rekening kunnen brengen voor gas, water en elektra: “De vergoeding bedraagt € 105,00 per maand per meerderjarige ontheemde en diens meerderjarige gezinslid tot een maximum van € 210,00,”  aldus artikel 8 tweede lid van de genoemde regeling. Gemeenten kunnen dus vanaf 1 juli een vergoeding in rekening brengen en dat gebeurt nog niet. Dat is echter geen onwil. Gemeenten hebben tot 31 december van dit jaar de tijd om de inning van de vergoeding te organiseren. Op Vondelings vraag wat de minister eraan gaat doen om ervoor te zorgen dat per 1 januari 2025 een vergoeding wordt betaald, kan de minister makkelijk antwoorden met NIETS want gemeenten hebben tot eind 2024 tijd om het te regelen.

Dat vervolg kan dan weer worden vervolgd met: en dat het nu nog niet gebeurd niet is, is niet omdat: “gemeenten te lui zijn de bijdrage te innen.” Lastig is het wel, en daarom krijgen gemeenten er ook een half jaar de tijd voor. Het moest eenvoudig worden maar eenvoudig is in dit geval niet zo eenvoudig als het lijkt. De ins en outs van de regeling en hoe ermee om te gaan werden op 28 juni 2024 door het Rijk gepubliceerd. Dat had de regering toch maar mooi net voor het zomerreces geregeld.

Het Rijk wel. Voor de gemeenten begon toen het werk. De vergoeding mag in rekening worden gebracht maar het mag niet gebeuren dat de persoon na betaling minder overhoudt dan er aan leefgeld zou zijn ontvangen. Dat lijkt vrij duidelijk. Verdient iemand afhankelijk van zijn gezinssituatie €105 of €210 meer dan aan leefgeld zou worden ontvangen, dan wordt de vergoeding in rekening gebracht. Simpel, tenminste op het eerste oog. Dan komt de vraag: moet werken lonen? Als je na betaling van die vergoeding net zoveeloverhoudt als iemand zonder werk, waarom zou je dan gaan werken? Dat is niet het enige. Voordat je een vergoeding in rekening brengt, moet eerst worden aangekondigd dat dit gaat gebeuren. Dit moet via een persoonlijke brief. Met die brief wordt de vluchteling gevraagd om informatie over zijn werkstatus aan te leveren. Op basis van die informatie moet een besluit worden genomen over het al dan niet in rekening brengen van een vergoeding. Als de vluchteling het niet eens is met het besluit, dan kan bezwaar worden aangetekend. Daarvoor moet een proces worden ingericht  en daar werken gemeenten aan. Gemeenten hebben tot en met 31 december de tijd om dit te organiseren en daar werken ze nu aan.

Vondeling blaat zoals gezegd voor de bühne. Wat ze vergeet te doen, is haar werk. Zoals gezegd stond het Rijk met haar handen omhoog en wentelde het probleem af op de gemeenten. Dit omdat ze na heeft gelaten haar verantwoordelijkheid voor de goede opvang van vluchtelingen te organiseren. Resultaat hiervan zoals gezegd dat de vluchtelingen uit Oekraïne ongelijk worden behandeld voor wat betreft hun huisvesting. Ze worden echter ook ongelijk behandeld in vergelijking met andere vluchtelingen. Daar doet Vondeling niets aan.

Waar ze ook niets aan doet is nadenken over de lange termijn en daar de regering op bevragen. Die blijft de opvang als tijdelijk zien en denkt niet na over de lange termijn. De oorlog waarvoor de Oekraïners zijn gevlucht duurt nu al, afhankelijk van wat je als beginpunt ziet tweeëneenhalf of ruim veertien jaar en is nog lang niet voorbij. De geschiedenis kent de Honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Die duurde trouwens nog wat langer dan honderd jaar. De Atheners en Spartanen vochten tussen 460 en 404 BCE twee Peloponnesische oorlogen die je ook al één kunt zien. Ook kennen we de ons bekende Tachtigjarige oorlog. En in het Midden-Oosten woedt al meer dan honderd jaar een strijd/oorlog tussen Israël en de Palestijnen. Die tijdelijkheid kon wel eens heel lang duren. Nadenken over die lange termijn gebeurt nog steeds niet. Hoe lang kun je kinderen in een hotelkamer of met de hele familie in een klaslokaal opvangen of in een cel van een voormalige gevangenis? Wat doet dit met die kinderen? Kinderen waarvoor de gemeente de plicht heeft om ze, als dat nodig is jeugdhulp te verlenen. Kinderen die hier naar school gaan en vrienden maken en zelfs kinderen die hier geboren worden. Kinderen die hier hun leven gaan opbouwen. Worden die straks, wanneer dat straks ook is, allemaal teruggestuurd? En niet alleen kinderen? Helaas rijkt de blik van het nu regerende deel van politiek Nederland niet veel verder dan de eigen neus. PVV-Kamerlid Vondeling is daarvan een sprekend voorbeeld.

Zorg(en) door criminelen

“Wij zouden graag zien dat gemeenten en verzekeraars nadenken hoe ze de instroom van malafide zorgbedrijven kunnen verlagen.” Het antwoord van officier van justitie Marjolein Verwiel en beleidsmedewerker bij het Openbaar Ministerie Timon van de Kraats op de vraag wat er gedaan kan worden om de zorgfraude te verminderen. Beiden staan: “bekend als de zorgfraudejagers van het OM”,  zo lees ik in een artikel van Judith Spanjers en Klaas den Tek bij Follow the Money. Ik moest weer denken aan een passage uit het boek De steden de Mensen. Nederland 1850-1900 van Auke van der Woud.

Bron: picpedia

Wat is er aan de hand? “Een berg geld, een versnipperde structuur, gebrekkig toezicht en onervaren bestuurders. Het is een ideale cocktail voor kwaadwillenden om hun slag in de zorg te slaan,” zo lees ik. En dat zien ze ook bij het Openbaar Ministerie. “We gaan ervan uit dat er met 10 procent van de 100 miljard euro die jaarlijks in de zorg omgaat, wordt gefraudeerd. Tien miljard euro op jaarbasis dus,” zo betoogt Van de Kraats. Hoe die fraude werkt? “De hoofddaders maken gebruik van stromannen om zelf buiten beeld te blijven. Crimineel A – die wij kennen – schakelt persoon B, C en D in, die wij nog niet in beeld hebben. Die gaan naar de Kamer van Koophandel en starten zonder probleem een nieuw zorgbedrijf, dat vervolgens gaat declareren. Pas als de fraude aan het licht komt en we onderzoek gaan doen, merken we dat B, C en D door crimineel A worden aangestuurd.”  Daarbij worden geregeld: “criminelen op de loonlijst (…)  gezet (die) vervolgens krijgen uitbetaald, terwijl ze niet werken. Het contante geld van een criminele activiteit wordt daarmee legaal gemaakt.

De oorzaak van het probleem: “te veel partijen gaan over een klein stukje van de geldstroom. Verzekeraars, gemeenten, de rijksoverheid: ze weten van elkaar niet precies wie wat wanneer doet. .. Daarbinnen kan een crimineel opereren zonder snel tegen de lamp te lopen.” Hoe datkan? “We hebben met meer dan driehonderd gemeenten te maken. Als je in de ene gemeente wordt betrapt op fraude, ga je gewoon naar een andere toe. Gemeenten kunnen elkaar niet massaal waarschuwen. Daarbij is het nog maar de vraag of ze voldoende capaciteit en kennis hebben om fraude te bestrijden. Sommige gemeenten hebben niet eens een toezichthouder; anderen moeten soms in hun eentje honderden aanbieders controleren.”

‘De instroom van malafide zorgbedrijven verlagen’ dat zou het probleem verkleinen. Daar is geen speld tussen te krijgen. Maar hoe doe je dat? Dat begint, zo betoogt Verwiel met het checken van essentiële zaken: “googlen met wie je zaken doet. Zoek uit met wie je te maken hebt, ga kijken bij het pand waar het zorgbedrijf zit. Als je gaat trouwen, weet je ook met wie je in zee gaat; als je een huis koopt, wil je weten wie de verkoper is.” Dat lijkt eenvoudig maar biedt geen garantie. Zo eindigt, ondanks de controle met wie je gaat trouwen, 40% van de huwelijken in een echtscheiding. En ook een bedrijfspand zegt niet alles over het erin gevestigde bedrijf.

 Zoals in de eerste alinea gezegd, moest ik denken aan een passage uit het boek De steden, de Mensen, Nederland 1850-1900 van Auke van der Woud. In het boek beschrijft hij de ontwikkeling van Nederland tussen 1850 en 1900. De periode dat de basis werd gelegd voor het Nederland zoals we het nu kennen. In 1850 was er, net zoals de afgelopen jaren, een bijna onbegrensd vertrouwen in de werking van de vrije markt. In navolging van Adam Smith was de algemene opvatting en overtuiging dat de markt er automatisch ervoor zorgde dat de bakker ons goed brood bezorgd en het meel niet deels vervangt door zaagsel. Een halve eeuw later dacht men er toch iets anders over. En dat beschrijft Van der Woud treffend: “De staathuishoudkundige handboeken van 1850, 1860 leerde dat de economie zich logisch, systematisch, ordelijk ontplooit, omdat ontwikkeling het karakter van een natuur wet heeft. Het natuurbeeld dat daar impliciet bij hoorde was dat van de Ark van Noach, waarin alle dieren van de schepping vreedzaam bij elkaar waren. Aan het eind van de negentiende eeuw was echter in de hele westerse wereld zichtbaar wat bij de staatshuishoudkundigen van 1850 niet veel aandacht had gekregen: in de natuur leven ook roofdieren, parasieten en bloedzuigers.[1] In die vijftig jaar had de markt vaak voor inferieure producten gezorgd en voor ondernemers die trusts en kartels vormden en zo de prijzen van producten opdreven. Onze voorouders leerden dat Smith ernaast zat. Dat de markt met mensen die hun eigen belang najagen, niet automatisch tot een ideale wereld leidde. Dat een markt ook tot ‘parasieten’ kon leiden, tot misbruik van macht. Eigenlijk precies dat gedrag dat in het Follow the Money artikel wordt beschreven.

Ja, dan kun je maatregelen gaan bedenken om ‘de instroom van malafide bedrijven’ te beperken. Dat kan en leidt tot bureaucratie, tot een flink controleapparaat om toe te zien op de naleving van de regels en tot bemensing van het Openbaar Ministerie om misbruik en fraude te vervolgen. Dat zal allemaal leiden tot minder fraude. Maar ook tot geklaag over de Bureaucratie, controle en inspectie. Want ja, daar leiden ook de goeden onder.

Een andere mogelijkheid is een einde maken aan het verdienmodel van de fraudeurs door de instroom van malafide bedrijven te voorkomen. Een einde maken door de zorg te ‘nationaliseren’. Dan is er geen mogelijkheid meer voor malafide zorgbedrijven om in te stromen Geen markt meer met bedrijven met andere belangen dan de zorg voor mensen. Belangen zoals het maken van winst en uitkering ervan aan de eigenaren of aandeelhouders. Geen mogelijkheid meer om crimineel geld wit te wassen door criminele vriendjes op de loonlijst te zetten. Maar geen controleapparaat om ‘instroom van malafide bedrijven’ te voorkomen. Sterker nog, inkoop en alle ermee gepaard gaande bureaucratie is in één klap overbodig. Dan hoeft er geen winst meer te worden gemaakt en uitgekeerd aan eigenaren en aandeelhouders. Dan moeten Verwiel en Van de Kraats zich op andere misdaden richten. 


[1] Auke van der Woud, De steden de mensen. Nederland 1850-1900, pagina 382-383

Van Meijeren bakt lucht

Als kind en jeugdige jongeman kon ik ieder jaar schaatsen op natuurijs. Niet dat de winters zo streng waren, na dat niet. Nee mijn vader had een boerderij, een ouderwets gemengd bedrijf en een van zijn weides lag langs een sloot die iedere winter overstroomde. Als het twee nachten redelijk vroor dan kon erop geschaatst worden. In diezelfde wei nestte ieder jaar wel een kievitenpaar. In het laatste deel van de jaren tachtig was het afgelopen met schaatsen en ook met de kievit. In het kader van de ruilverkaveling werd de beek omgelegd en het land opgehoogd. Ik moest hieraan denken toen ik in de Volkskrant las dat de Europese Commissie een zogenaamde inbreukprocedure is begonnen tegen Nederland.

Bron: Flickr

 Een sanctiemaatregel tegen lidstaten die zich niet aan de Europese wetten houden. “Nederland houdt zich volgens Sinkevicius niet aan de Vogelrichtlijn, de EU-wet ter bescherming van bedreigde vogels in de Europese Unie.”  In Nederland vooral de weidevogels. Volgens de Vogelbescherming wordt dit vooral veroorzaakt door de intensieve melkveehouderij. Forum voor Democratie Kamerlid Gideon van Meijeren noemt het in een tweet: “Echt schofterig om hier de boeren de schuld van te geven.”  Is de Vogelbescherming schofterig?

Wat is er aan de hand? Het aantal boerenlandvogels is in dertig jaar bijna gehalveerd. In een ander artikel in de Volkskrant wat staatjes. Uit die staatjes blijkt dat het aantal Grutto’s nog maar een-derde is van 1990. Kemphanen zijn met 98% afgenomen. Het aantal Watersnippen is nog maar 75% van wat het in 1990 was en scholeksters nog maar 26%. Volgens de Vogelbescherming ligt dit vooral aan de intensieve veehouderij: “Op veel weiden staat alleen nog snelgroeiend eiwitrijk gras dat dient als veevoedsel. Hierdoor zijn er minder insecten, het voedsel voor jonge vogels. ‘Het gras wordt al gemaaid voordat de kuikens kunnen vliegen’, aldus de Vogelbescherming.” Vooral maar niet alleen: “Ook roofdieren zoals vossen, kraaien, reigers en katten spelen een rol: zij eten eieren en jonge kuikens.”

Bijzonder hierbij is dat er: “tussen 2001 en 2020 circa 400 miljoen euro (is) uitgegeven om de leefomstandigheden van weidevogels te verbeteren.”  Waarbij: “Het gros van dat bedrag is opgegaan aan subsidies voor boeren, die in ruil daarvoor hun weilanden later maaien of kruidenrijk grasland inzaaien.” Een verkeerde keuze volgens de Algemene Rekenkamer omdat: “het geld verkeerd (wordt) besteed, namelijk aan ‘lichte’ beheersmaatregelen die geen zoden aan de dijk zetten, zoals het plaatsen van stokjes bij nesten (opdat de boer eromheen kan maaien) en het uitstellen van het maaien tot het eind van het broedseizoen. Dat lost het probleem van het eentonig, voedselarme grasland niet op. De kuikens gaan dood van de honger omdat hun ouders in die groene woestijnen geen insecten kunnen vinden.” Volgens de Algemene Rekenkamer is het: “effectiever om het waterpeil te verhogen en meer kruiden in te zaaien, maar dat is arbeidsintensiever en vanuit kostenoogpunt minder aantrekkelijk voor boeren dan ‘gewoon’ later maaien.” Daarom kiezen boeren daar niet voor. Bovendien worden: “de beschermingsmaatregelen niet altijd op de beste broedlocaties (…) genomen.” De subsidie bedoeld om vogels te beschermen verwordt: “op die manier tot een extra inkomstenbron voor boeren waar geen baten voor de natuur tegenover staan.”

Onzin aldus Van Meijeren. De boeren kunnen, volgens hem,  onmogelijk de oorzaak zijn. “De afgelopen 50 jaar is het aantal boerenbedrijven afgenomen van ong. 150.000 naar 50.000.” Hij ziet een andere oorzaak: “Weidegrond moet plaats maken voor woningen, zonnepaneelvelden en megawindturbines. Logisch dus dat het aantal weidevogels afneemt.” Aldus het Kamerlid in een tweet. Van Meijeren begint met een feitelijke bewering dat het aantal boeren in 50 jaar is gekrompen van 150.000 naar 5.0.000. Helaas voor hem klopt die niet helemaal. De werkelijkheid is nog veel drastischer. In 1950 telde Nederland zo’n 410.000 en dat halveerde sinds dien zo ongeveer iedere 25 jaar boerenbedrijven. Tussen 2000 en nu halveerde het aantal landbouwbedrijven tot het aantal dat Van Meijeren noemt Maar doet niet ter zaken. Het draait om weidegrond. Als we naar de weidegronden kijken dan zien we dat de krimp van het aantal hectares weidegrond sinds 2000 geen gelijke tred heeft gehouden met de afname van de bedrijven. Het areaal grasland voor agrarische doeleinden kromp met 6,3%, van 1.249.480 hectares naar 1.169.610 hectares. Het gemiddelde bedrijf groeide van 17,33 hectares naar 28,28 hectares.

Dan die velden met ‘zonnepanelen en windturbines’. De hierboven genoemde staatjes in de Volkskrant laten zien dat de daling van het aantal weidevogels iets is wat al meer dan dertig jaar aan de gang is. En inderdaad is in die dertig jaar de totale oppervlakte zonnepanelen gegroeid. Net als het aantal windturbines. Dat is echter iets van de laatste tien jaar In 1990 bedroeg het opgesteld vermogen van zonnestroom één megawatt. Genoeg om ongeveer 1.000 huishoudens van elektriciteit te voorzien. In 2010 was dat 90 megawatt. Pas daarna begon de grote groei naar 10.717 megawatt in 2020. Kijken we naar het aantal windturbines dan waren dat er in 1990 323 die stonden voornamelijk in de kustprovincies. In 2010 waren dat er 1.973 en het aantal groeide door tot 2.606 in 2020 waarvan er 462 op zee stonden. Dus het aantal windturbines op land bedroeg 2.144. Als ik voor mijn omgeving spreek, dan kwamen de eerste turbines op land aan de horizon in het begin van deze eeuw. Aan de oostelijke horizon welteverstaan, in Duitsland. Daar verschenen in die tijd ook de eerste zonnepanelen op daken van vooral de stallen van boeren. In Nederland volgenden de eerste zonnepanelen zo’n tien jaar later vooral op daken en de eerste windturbines staan er nu zo’n vijf jaar.

Zo rond 2010, het moment dat de groei van zonnepanelen begon en de windturbines hun opmars maakten in de ‘binnenlanden’ van Nederland was het aantal weidevogels al met 40% teruggelopen ten opzichte van 1990.  Dat maakt het zeer onwaarschijnlijk dat ‘zonnepaneelvelden en megawindturbines’ de oorzaak zijn van de teruggang in weidevogels. Van Meijeren mag het dan wel ‘schofterig’ vinden dat de boeren hiervan de schuld krijgen, zijn verklaring berust op gebakken lucht.

Palantir

“Hoewel er ogenschijnlijk een groot gat zit tussen de zich op hypermoderne vergaderlocaties afspelende high tech-werkelijkheid van Peter Thiel en het ongenoegen van de gemiddelde Amerikaan, vinden ze elkaar op een essentieel punt: afkeer van de bestaande orde.” Aldus Hans van Wilgenburg in een artikel bij Wynia’s Week. En die afkeer leidt bij zowel Van Wilgenburg ‘gemiddelde Amerikaan’ als bij multimiljardair Thiel tot een keuze voor Trump. ‘Als rijk en arm zich ergens in kunnen vinden, dan moet het wel goed voor iedereen zijn’ is de impliciete conclusie die Van Wilgenburg hieruit lijkt te trekken. Een gevaarlijke conclusie.

De naar de heer van het duister overgelopen tovenaar Saruman communiceert via een palentiri met zijn meester Sauron. Bron: dvdsofaepipoca.blogspot.com

Even voor degenen die nog nooit van hem hebben gehoord iets meer over Peter Thiel. Thiel vormde samen met Elon Musk het duo achter PayPal. De verkoop van dat bedrijf leverde hem zijn eerste miljoenen op. Geld dat hij vervolgens voor een groot deel weer investeerde in nieuwe bedrijven. Zo was hij een van de eerste en misschien we de eerste externe investeerder in Facebook. Een investering waarmee hij echt binnenliep. Ook richtte hij nieuwe bedrijven op. Thiel doneert grote sommen geld aan Republikeinse politici. Zo was hij een van de belangrijkste financiers van de J.D. Vance en is de persoon die Trump  en Vance bijeen heeft gebracht. Thiels ideale samenleving is die van het klassiek liberalisme. Hij wil een zo klein mogelijke overheid en het liefst zou hij de samenleving willen inrichten zoals ze was direct na de Amerikaanse onafhankelijkheid. Klassiek liberalisme interpreteert de Amerikaanse grondwet letterlijk en wil zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst blijven. Een manier van denken die vergelijkbaar is maat het islamitisch, joods of christelijk fundamentalisme.

Palantir Technologies is een van de bedrijven die Thiel oprichtte. “Wij maken producten voor mensgestuurde analyse van echte gegevens,” zo is te lezen op de site van het bedrijf. Hoe ze dat doen? Zo: “Om dit te bereiken, bouwen we platforms voor het integreren, beheren en beveiligen van gegevens, waarop we applicaties plaatsen voor volledig interactieve, mensgestuurde, machineondersteunde analyse.[1]  Dat klinkt mooi. De naam van het bedrijf doet me echter het ergste vrezen. Palantiri komen voor in Tolkiens Lord of the Rings. Het zijn zogenaamde kijkstenen waarmee de gebruiker contact kon zoeken met ander gebruikers van de stenen. Een gebruiker met een sterke wilskracht kon via zo’n steen bijna elke plek in Midden-aarde bekijken. Voor degenen die de drie films hebben gezien. De steen komt voor in het laatste deel van de trilogie: The Return of the King. Via die steen probeert de kwade heer Sauron informatie te achterhalen via de hobbit Pippin. Door tijdig ingrijpen van tovenaar Gandalf mislukt het. ‘Interactieve mensgestuurde machineondersteunde analyse’ of een kijkje in je ziel om te achterhalen wat je wilt of beter nog, om je aan te praten wat je moet willen.

Als rijke ondernemers pleiten voor een zo klein mogelijke overheid en zo min mogelijk regels, dan maak ik me als ‘gemiddelde burger’ zorgen. Zorgen omdat de geschiedenis laat zien dat vooral die ‘gemiddelde burger’ daar de dupe van wordt. De grotere overheid is er namelijk om de machtsongelijkheid tussen die ‘gemiddelde burger’ en rijke, machtige individuen zoals Thiel te verminderen. Zeker rijke machtige ondernemers die hun bedrijf naar een spionagesteen noemen en politici, ‘met veel geld ondersteunen.

De geschiedenis van de negentiende eeuw laat duidelijk zien wat er gebeurt zonder een sterke overheid. Voor wie erin is geïnteresseerd, lees het boek De steden de mensen. Nederland 1850-1900 van Auke van der Woud. Hij laat zien dat noch de goedertierenheid van bakker, noch Adam Smiths ‘onzichtbare hand’ van  concurrentie op de vrije markt ervoor zorgen dat de bakker ons geen slecht brood met zaagsel erin verkoopt maar dat het de overheid is die dit afdwingt. Of zoals hij het zelf verwoordt: “De staathuishoudkundige handboeken van 1850, 1860 leerde dat de economie zich logisch, systematisch, ordelijk ontplooit, omdat ontwikkeling het karakter van een natuur wet heeft. Het natuurbeeld dat daar impliciet bij hoorde was dat van de Ark van Noach, waarin alle dieren van de schepping vreedzaam bij elkaar waren. Aan het eind van de negentiende eeuw was echter in de hele westerse wereld zichtbaar wat bij de staatshuishoudkundigen van 1850 niet veel aandacht had gekregen: in de natuur leven ook roofdieren, parasieten en bloedzuigers.[2] In de negentiende eeuw waren dat de kartels en trust die de concurrentie smoorden en het ‘meel in het brood vervingen door zaagsel’ en hun prijzen kunstmatig hoog hielden.

Hopelijk realiseert zich het grootste deel van de ‘gemiddelde burgers’ zich dat het de overheid is die hun vrijheid beschermt tegen Thiels Palantir. Dat gedeelde afkeer iets anders is dan een gedeeld probleem en zeker iets anders dan een gedeelde oplossing.


[1] Vertaald met behulp van DeepL

[2] Auke van der Woud, De steden de mensen. Nederland 1850-1900, pagina 382-383

In defence of democratic politics

“Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Aldus Winston Churchill. Ik moest aan deze uitspraak denken toen ik las dat verzet bieden binnen ons huidige politieke systeem niet genoeg is. Waaraan moet ik denken bij verzet ‘buiten het systeem’? Ik krijg er in ieder geval geen prettig gevoel bij.

“In elk geval is het niet genoeg om binnen het systeem verzet te bieden. Ik schreef hier eerder al dat een politiek systeem met vierjarige verkiezingen en partijen die vastomlijnde belangen en het grote geld vertegenwoordigen niet bestendig is, in een tijd van ecologische crisis en extreemrechtse macht. We hebben alternatieven nodig, zoals burgerberaden, luisterpraktijken en nieuwe publieke ruimtes. De taal kan ons hierin helpen, in gesprekken met elkaar en omdat we andere verhalen kunnen vertellen. Waarschijnlijk gaan we evengoed ten onder. Maar wel met opgeheven hoofd.” Woorden van Eva Meijer die ik las in een post op LinkedIn. Woorden die, zo las ik, afkomstig zijn uit een column van Eva Meijer bij de NRC. Weet Meijer wel waar ze over spreekt?

Ik kan de column niet lezen. Die is alleen voor abonnees toegankelijk. Dus het zou kunnen dat ik daardoor iets mis. ‘Het politieke systeem’ is volgens Meijer iedere vier jaar verkiezingen en partijen die vastomlijnde belangen en het grote geld vertegenwoordigen. In het kort staat hier democratie = verkiezingen. En dan ook nog verkiezingen waarbij het grote geld de uitkomst bepaalt. En ja, als er is gekozen dan staan we vier jaar aan de kant. Dit is wel een erg magere definitie van ons ‘democratische politiek systeem’.  Daarom deze verdediging van democratische politiek aan de hand van de Franse denker Pierre Rosanvallon

Democratie is een bijzonder politiek systeem. Een systeem dat, zoals Pierre Rosanvallon constateert, zich doet kennen als zowel een belofte als een probleem: “De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Democratie is te vergelijken met de tiende symfonie van Beethoven, ze is om het op z’n Duits te zeggen ‘ein unvollendetes Werk’. “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.[1]

In 2012 gaf Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.[2] Rosanvallon onderscheidt er vijf spanningen.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.”  Het pleidooi van Pieter Omtzigt om een deel van de Kamerleden ‘regionaal’ te laten verkiezen kan worden gezien als een manier om invulling te geven aan ‘nabijheid’. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.” En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.[3]Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.[4] Tegenwoordig spelen politici als Wilders met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. 

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen[5] De coronapandemie bracht deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.[6] De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.[7] Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren.

Volgens Rosanvallon is het: “verkeerd begrijpen van de structuur van die onbepaaldheden (…) de motor van de democratische ontgoocheling. … Van die onbepaaldheden kan men zich op twee manieren rekenschap geven: ze reduceren door simplificerende definities van de politiek en de democratie, of juist door de democratie te compliceren.” Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.[8] Misschien is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij de uitspraak deed waarmee deze prikker begon.

 Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpeling die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie. [9]

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies. … Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk.

De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Hongarije en Polen onder de PiS regering, zijn hiervan voorbeelden.

Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” 

De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” 

De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.

Daarmee is de vraag naar het te boven komen van de structurele verantwoording nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. [10] ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezichtde evaluatie en het oordeel.[11] Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ omschrijft hij als volgt: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.[12] De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip wantrouwen.” Diecomplexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houdt ons scherp en zorgt ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Soevereiniteit moet nog op een andere dimensie complexer worden gemaakt. Er moet, zo betoogt Rosanvallon, “een steeds groter onderscheid gemaakt (…) worden tussen verkiezing en stemming. In het gewone taalgebruik verwart men deze woorden vaak. Terwijl het heel verschillende zaken zijn. de verkiezing heeft tot doel personen te benoemen, de stemming heeft tot doel een positie tegenover een te nemen beslissing uit te drukken.” Volgens Rosanvallon staat: “de moderne democratie steeds minder aan de kant van de verkiezing (…), enschuift ze steeds meer: “naar de kant van de stemming, het referendum.” Dit levert problemen op: “de democratie kan niet alleen een stelsel van beslissingen zijn. Zij moet tegelijkertijd een stelsel van de wil zijn, van het toezicht en het oordeel.[13]  Democratie gaat over veel meer dan het nemen van beslissingen. Ze bestaat vooral uit het opbouwen van een gemeenschappelijke ruimte.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die Kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’.

Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Hij concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.[14]

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit.” Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.[15]” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag. Het ‘politieke stelsel’ van Meijer is maar één onderdeel van onze democratie.

Een laatste complexiteit betreft de democratie in de tijd. De democratie moet: “plaats bieden aan de verschillende ritmes van het sociale leven, de banden tussen het evenement en de geschiedenis, de herinnering en het bouwen aan een toekomst.” We moeten: het democratische gemeenschappelijke steeds onderscheiden van simpele homogeniteit. Identiteit is nooit alleen een erfenis, een natuurlijk gegeven, maar tekent zich af in de vele ervaringen van het probleem een gemeenschappelijke wereld in te richten.[16]

Het lijkt mij dat er ‘binnen het systeem’, ook al is het ‘ein unvollendetes Werk’ meer dan voldoende mogelijkheden zij om ‘in verzet’ te komen. Verzetten kan door een gang naar de rechter, door onderzoek te doen naar en te schrijven of filmen over wat er in jouw ogen anders moet. Je kunt een actiegroep oprichten en jezelf vastlijmen aan de weg en zelfs, zoals de agro-industrie recentelijk deed, een politieke partij op te richten. Niemand let Meijer om een burgerberaad, luisterruimtes of nieuwe publieke ruimtes te beginnen. Ons politieke systeem biedt daar alle ruimte voor. Ik ken geen ander politiek systeem dat al deze mogelijkheden biedt. “All those other forms that have been tried from time to time,” waarover Churchill sprak boden minder mogelijkheden om invloed uit te oefenen.


[1] Pierre Raosanvallon, Counter-Democracy. Politics in an age of distrust, pagina 2 (eigen vertaling)

[2] Pierre Rosanvallon, Democratie en tegendemocratie, pagina 70-71

[3] Idem, pagina 71-72

[4] Idem, pagina 72

[5] Idem, pagina 73

[6] Idem, pagina 74-75

[7] Idem, pagina 76

[8] Idem, pagina 77

[9] Idem pagina 77-78

[10] Idem, pagina 79-82

[11] Idem, pagina 82

[12] Idem, pagina 99

[13] Idem, pagina 83-84

[14] Idem, pagina 84-87

[15] Idem, pagina 87-88

[16] Idem pagina 88

Hellend vlak

Mijn mond viel open van verbazing na het lezen van een bericht in de Volkskrant dat Mona Keijzer niet wordt vervolgd voor haar uitspraken die ze deed in een uitzending van Sophie & Jeroen Keijer in de uitzending: “Wat je ziet is dat veel asielmigranten komen uit landen met een islamitisch geloof. We weten dat daar jodenhaat onderdeel is bijna van de cultuur.” Niet het bericht dat het Openbaar Ministerie afziet van vervolging van Keijzer deed mijn mond openvallen, maar de onderbouwing van het besluit.

Bron: Flickr

Even voor de achtergrond. In de genoemde uitzending hield Keijzer een pleidooi voor het opnemen van kennis over de Holocaust in de inburgering. Ik schreef er eerder over en eindigde met de suggestie dat: “Als er dan toch ergens ‘nadrukkelijk kennis van de Holocaust’ bijgebracht moet worden, dan zijn de onderhandelaars van het coalitieakkoord een goede plek om te beginnen.” Dit even terzijde. Terug naar de onderbouwing van het Openbaar Ministerie.

In het bericht lees ik het volgende: “Het OM concludeert nu dat Keijzer inderdaad over de schreef is gegaan en ‘in beginsel’ strafbaar is vanwege groepsbelediging. Het toenmalig Kamerlid nam in de talkshow ‘onvoldoende verantwoordelijkheid om te voorkomen dat zij uitingen verspreidt die aanzetten tot onverdraagzaamheid’, oordeelt het OM. ‘Een politicus heeft een bijzondere verantwoordelijkheid om uitingen te vermijden die een voedingsbodem kunnen vormen voor intolerantie.’ Keijzer is hierin ‘onvoldoende zorgvuldig’ geweest, vindt het OM, ook omdat zij haar uitspraken bij Sophie & Jeroen niet onderbouwde.” Een bijzondere verantwoordelijkheid dus. Maar: “Tegelijkertijd stelt het OM vast dat het Europees mensenrechtenverdrag de lat bijzonder hoog legt voor de vervolging van politieke ambtsdragers die uitspraken doen in de context van het maatschappelijke debat. Als politici vervolgd kunnen worden voor hun politieke uitspraken, kan dat anderen afschrikken om publiekelijk hun mening te geven. Zulke afgedwongen zelfcensuur ondermijnt de vrijheid van meningsuiting die essentieel is voor een gezonde democratie, schrijft het OM. ‘Keijzer deed de uitingen in de hoedanigheid van volksvertegenwoordiger. Zij moet voldoende ruimte krijgen de plannen voor de integratie van asielmigranten uit te leggen, zonder strafrechtelijke gevolgen te vrezen.’”

Een wel heel bijzondere redenering. Aan de ene kant hebben politici een ‘bijzondere verantwoordelijkheid om uitingen te vermijden die een voedingsbodem kunnen vormen voor intolerantie. En aan de andere kant moeten ze meer ruimte hebben om uitspraken te doen omdat ‘zelfcensuur de vrijheid van meningsuiting ondermijnt die essentieel is voor een democratie’. En vervolging vanwege uitspraken kan leiden tot zelfcensuur. Want als ‘politici kunnen worden vervolgd voor hun uitspraken, dan kan dat anderen afschrikken om hun mening te uiten’.

Als ik het goed begrijp houdt die bijzondere verantwoordelijkheid van politici en ambtsdragers in de context van het maatschappelijk debat om intolerantie te voorkomen in dat ze intolerantie mogen verspreiden. Dat ze zich intoleranter mogen gedragen dan een ambteloos burger. Dat ze zich mogen bedienen van bijvoorbeeld antisemitische uitingen. Dat ze zich racistisch mogen uitlaten. Hiermee wordt een vrijkaart gegeven aan iedereen om maar te roepen wat in de persoon op komt. Om naar hartenlust te discrimineren en te stereotyperen. Om de meest ranzige drek te uiten. Het OM geeft politici een vrijbrief en geeft daarmee iedereen een vrijbrief. Iedereen is namelijk een politicus. Iedereen doet ‘aan politiek’ zoals Van Dale politicus definieert. Iedereen probeert namelijk op een of andere manier zijn doel te bereiken, een van de betekenissen politiek. Een burger die roept dat ‘alle … smerig zijn en het land uitgezet moeten worden’ doet aan politiek. Met zijn uitspraak probeert deze burger een doel te bereiken, Een doel dat te maken heeft met ‘het besturen van een land.’ Ook een van de betekenissen van politiek. Een wel heel bijzondere invulling van een voorbeeldfunctie. Een invulling die de vrijheid van meningsuiting absoluut maakt.

Ik hoop dat het Openbaar Ministerie zich nog eens bezint op deze argumentatie, want dit is een hellend vlak waar we niet op moeten willen gaan.