Benoemen

Afgelopen week vlogen, naast straatstenen en bouwmaterialen, grote woorden door de lucht. Pogrom, antisemitisme, terrorisme. De stenen waren nog niet geland of de Israëlische premier stuurde twee vliegtuigen. De inkt van zijn bericht was nog niet droog of de Amerikaanse president deed nog een duit in het zakje. Binnenlandse politici zoals Wilders, Yesilgoz en premier Schoof lieten zich ook niet onbetuigd. Na een genuanceerd betoog en een pleidooi bij Buitenhof van Jaïr Stranders filosoof en bestuursvoorzitter van de Liberaal Joodse Gemeenschap Amsterdam om zeer voorzichtig te zijn met het gebruiken van dergelijk zwaarbeladen termen, sprak minister Sophie Hermans de woorden: “Hier staan mensen met de rug naar onze samenleving”

Hermans zat bij Buitenhof om te spreken over wat haar en de Nederlandse inzet zou zijn voor de klimaattop die de komende twee weken plaatsvindt. Mijn zoon vatte het gesprek kort samen met de woorden: “ze praat veel maar zegt niets.” Aan het begin van haar interview werd ze gevraagd om te reageren op de uitspraak Van Raoul du Pré in de Volkskrant dat: “Een land waarvan de politieke leiders bij een uitslaande brand niet toesnellen met water maar met benzine, (…) zich grote zorgen (mag) maken over de nabije toekomst.” Hermans gebruikte ook hier veel woorden maar paste ervoor om zich uit te spreken over die pyromane politieke leiders. Sterker nog, met de woorden dat ‘er mensen met de rug naar onze samenleving staan’, legt ze oorzaken van de zorgen van Du Pré bij anderen neer. Premier Schoof en in zijn kielzog of hij in het kielzog van andere, spreekt over een probleem met integratie. Wat ze allemaal gemeen, hebben is dat ze allemaal spreken over ‘benoemen’ wat er is gebeurd.

Benoemen’: “een naam geven: een probleem benoemen officieel tot probleem verklaren door het een naam te geven,” aldus een van de twee betekenissen die de digitale Van Dale geeft van het woord. De tweede betekenis, “aanstellen: iemand tot voorzitter noemen,” is hier niet aan de orde. Hermans, Schoof en al die anderen ‘benoemden’ de gebeurtenissen in Amsterdam van de afgelopen week. Bij dat benoemen valt mij iets op en geheel in hun stijl en in tegenstelling tot mijn eigen stijl, ga ik dat nu eens niet bevragen maar benoemen.

Ik zie politieke partijen die verdeeldheid zaaien. Die mensen stigmatiseren en bijna criminaliseren op basis van hun geloof en waar de wieg van hun ouders of nog verdere voorouders stonden. Die deze mensen tot zondebok maken voor alles wat er in hun ogen niet goed gaat. Politici die van moslims verwachten en zo ongeveer eisen dat ze zich uitspreken over het gebeuren en ‘hun mensen’  aanspreken en in het gareel houden. Dat ze ziende blind en horende doof zijn kan daaraan debet zijn want de afschuw over het  gebeurde kwam uit alle hoeken en gaten van onze samenleving. Wat bijzonder is aan een dergelijke oproep is dat zij nooit van autochtone Nederlanders vragen en zeker niet eisen dat ze zich moeten uitspreken tegen geweld en bedreigingen door andere autochtone Nederlanders. Politici die het gebeurde framen als een ‘integratieprobleem’ en daarmee grote groepen mensen stigmatiseren. Daarbij vergeten ze dat integreren iets is waaraan iedereen, ook zij, een bijdrage moet leveren. Dit is racisme, de “opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen.”  En zoals artikel 1 van onze grondwet stelt, is: “Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, (…) niet toegestaan.” Drie van de meest uitgesproken partijen, de PVV de BBB en de VVD maken deel uit van de regeringscoalitie.

Daarbij blijft het niet. De regering, daartoe aangezet door dezelfde partijen wil de Nederlandse nationaliteit afpakken van mensen die zich schuldig maken aan antisemitisme. Dit vloekt op twee manieren met een van de hoekstenen van onze rechtsstaat: het gelijkheidsbeginsel. Als eerste is antisemitisme niets meer en niets minder dan een vorm van racisme. De ene vorm van racisme, antisemitisme, zwaarder bestraffen dan de andere vorm, zoals het kabinet ook wil, is niet alleen een vorm van discriminatie het vloekt ook nog eens met het gelijkheidsbeginsel. Als tweede kan het afnemen van een nationaliteit alleen van iemand die meerdere nationaliteiten heeft. Iemand met alleen de Nederlandse nationaliteit die nationaliteit afnemen, mag niet. Iemand stateloos maken mag immers niet. Als dit werkelijkheid wordt, kan de ene persoon zwaarder worden gestraft dan de andere. Dat vloekt met het gelijkheidsbeginsel. Dat dit bij een veroordeling voor terrorisme kan, doet daar niets aan af. Ook daar vloekt het met het gelijkheidsbeginsel. De regering en deze partijen zetten hiermee aan het eerste deel van Artikel 1 van onze Grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.” En daarmee aan de belangrijkste pijler onder onze rechtsstaat.

Het kabinet en de partijen waarop het steunt, willen het demonstratierecht aanscherpen. Zo zou er niet overal meer gedemonstreerd mogen worden en mag het gezicht niet meer worden bedekt. Bijzonder dat deze maatregelen worden voorgesteld naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam van afgelopen week. Bijzonder omdat er geen sprake was van een demonstratie die uit de hand liep. Hoe gaat het verbod op het dragen van maskers voorkomen dat relschoppers rellen schoppen. Het lijkt me niet dat relschoppers tevoren een vergunning aanvragen om rellen te gaan schoppen. Deze maatregelen zijn geen oplossing ter voorkoming van de problemen van vorige week. Hier wordt de gelegenheid gebruikt om maatregelen door te drukken.

Een dubieuze manier van handelen. En niet alleen dubieus, ook kwalijk. Kwalijk aan de denk- en handelswijze van het kabinet en deze partijen is dat zij impliciet suggereren dat demonstreren en rellenschoppen hetzelfde is. Kwalijk omdat hiermee grondrechten worden uitgehold. Het recht op betoging is vastgelegd in artikel 9 van onze Grondwet en kan alleen worden beperkt via bij de wet vastgestelde regels: “ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”  Niet meer overal demonstreren is een hellend vlak dat leidt naar nergens meer demonstreren. Saillant detail is dat twee van de betrokken partijen, de BBB en de PVV een heel andere toon aansloegen tijdens de boerenprotesten van een paar jaar geleden.

Met die boerenprotesten kom ik bij het wijzen van het Openbaar Ministerie op de mogelijkheid om de daders van de rellen van vorige week te vervolgen  voor terrorisme en daarmee de mogelijkheid om hen het Nederlanderschap te ontnemen. Ik kwam hier via de boerenprotesten omdat er een goed beargumenteerd betoog is op te zetten dat er bij die protsten sprake was van terrorisme. Rotzooi zoals asbest op snelwegen gooien en het in brand steken. Met trekkers wegen blokkeren en naar huizen van bewindslieden optrekken. Maar het is niet aan de Kamer noch aan de regering om het Openbaar Ministerie (OM) adviseren. Het OM behoort tot de rechterlijke macht. In Nederland kennen we de scheiding van machten en is het aan de rechterlijke macht om te bepalen wie waarvoor wordt vervolgd, dat doet het OM en aan de rechters om vervolgens te bepalen of iemand schuldig is en vervolgens een straf op te leggen. Daar moeten politici zich niet mee bemoeien.

Ook wil de regering, gestimuleerd door de drie partijen en vooral door de BBB de Instagrampagina Cestmocro verbieden omdat die “onze jeugd vergiftigt met haat en antisemitisme,” aldus BBB-Kamerlid Henk Vermeer en het wordt niet gemodereerd. Haat prediken en antisemitisme is niet mijn stiel, maar alleen haat tegen joden en antisemitisme als reden zien om een medium het zwijgen op te leggen is in strijd met onze grondrechten. Onze Grondwet bepaalt in artikel 7 namelijk dat: “Niemand (…) voorafgaand verlof nodig (heeft) om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”  

Als haat prediken een reden is om Cestmocro te verbieden dan komen er nog veel meer kanalen in aanmerking voor een verbod. Het Twitteraccount van Geert Wilders bijvoorbeeld en ook menig bericht van de BBB dat ik op LinkedIn lees is vergiftigd met afkeer van migranten en van Nederlanders die een andere dan een christelijk geloof aanhangen. Zo betoogde Van der Plas recentelijk nog dat: Syrië, Eritrea Jemen (…) wel echt landen (zijn) die een joden haat hebben die tot diep in hun ziel zitten.”  Alleen kiest de regering in het kielzog van de drie de partijen daar niet voor. Door alleen media die Jodenhaat verspreiden te verbieden, wordt er gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Verder wil de regering een leerstraf voor daders van antisemitisch geweld door bijvoorbeeld een verplicht bezoek aan het voormalige kamp Westerbork. Bijzonder omdat de regering juist heeft besloten de subsidie aan dit en andere herinneringsplekken te beëindigen. Met zo’n bezoek is niets mis mee. Alleen zou dat niet alleen beperkt moeten blijven tot daders van antisemitisch geweld. Ook daders van ander op haat vanwege afkomst en uiterlijk gebaseerd geweld zouden zo’n bezoek moeten brengen. Dat kamp is, net als alle voormalige concentratiekampen, namelijk een voorbeeld van wat er kan gebeuren als groepen mensen om hun afkomst, geloof of welke reden dan ook, worden ontmenselijkt. Dat het in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw joden waren, wil niet zeggen dat dit alleen met joden kan gebeuren. Het is immers ook in Rwanda en voormalig Joegoslavië gebeurd en lijkt er verdacht veel op dat het nu met de Palestijnen gebeurt. Een dergelijke straf alleen bij antisemitisme is weer in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Net zoals het idee om straffen voor antisemitisme te verhogen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Antisemitisme is gewoon een vorm van racisme en voor iedere vorm van racisme moet dezelfde straf gelden.

De partijen willen de politie meer bevoegdheden geven. Zo moet de politie toegang krijgen tot WhatsApp-groepen bij vrees voor ongeregeldheden. Dit is een hellend vlak dat eindigt bij Orwells Big Brother. Die kant moeten we niet op willen. Dit betekent dat het grondrecht: “op eerbiediging van zijn brief- en telecommunicatiegeheim,” verwoord in artikel 13 op de helling gaat.

De plannen die de regering in het kielzog en op aandringen van de drie partijen gaat uitwerken zijn racistisch en  discriminatoir. Ze stigmatiseren mensen op grond van hun afkomst of religie. En ze gaan in tegen de letter en de geest van onze grondwet en zetten de bijl aan onze rechtsstaat. Het bijzondere is dat de vierde coalitiepartij, NSC, zich hier niet tegen uitspreekt. De borging, verwoordt in het verslag van informateur Plasterk, van de grondrechten die NSC als voorwaarde voor haar deelname aan het kabinet: “dat ze zich in hun plannen en activiteiten zullen bewegen binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat. Dat betekent dat men zich houdt aan de Grondwet (inclusief algemene bepaling), wetten, verdragen, Europees en internationaal recht en rechtsbeginselen.  … dat voor hen vaststaat dat de democratische grondrechten, die in de Grondwet zijn vastgelegd in hoofdstuk 1  (artikelen 1-23), een essentiële waarborg vormen voor de democratische rechtsstaat, waarbinnen grondrechten kunnen botsen,” is daarmee van nul en generlei waarde is.

Als dit onze samenleving vertegenwoordigt, dan sta ik met de rug naar de samenleving.

Dweilen met de kraan open

“Kijk eens. Weer wat te factchecken.” Die boodschap kreeg ik via LinkedIn van de Venlose bierbrouwer Louis Klaassens. Een boodschap die niet los is te zien van mijn vorige prikker Appels, knollen en statistiek die ik schreef naar aanleiding van het optreden van Jan van de Beek naar aanleiding van diens boek Migratiemagneet Nederland. Mythen. Feiten. Oplossingen. Die vraag aan mij stond onder een bericht van Mienke de Wilde dat eindigde met de zin: “Met geen woord wordt gerept over het accurate onderzoek van Van Beek naar hoe traagheid en culturele afstand integratie belemmeren, maar ook hoe verschillende factoren integratie snel bevorderen. Het is bijna satire: Lucassen en De Haas maken zelf alle fouten die ze Van de Beek onterecht verwijten.” Ik pak de handschoen die Louis mij toewerpt graag op.

Maar voordat ik naar de inhoud overga, eerst even ‘reclame maken’ voor het bier dat Louis brouwt in zijn brouwerij De Klep. Voor degenen die het niet weten een ‘klep’ is de Venlose benaming van een glas bier. Die benaming is, als ik Louis mag geloven en als ik hem verkeerd heb begrepen, dan zal hij mij wel corrigeren, afkomstig van de deksel, de klep, die vroeger, en nu soms nog, op een bierpul zat. Louis heeft zijn droom eigen bier brouwen eerst tot hobby en nu tot beroep gemaakt. Zijn brouwerij is gevestigd in het Venlose Julianapark in het pand waar vroeger museum Van Bommel Van Dam zat. Tot zover de reclame. Terug naar de uitdaging.

Of eigenlijk de drie uitdagingen die deze oproep bevat. De eerste betreft de feitelijke beweringen en het gebruik van cijfers. Het bijzondere in het huidige politieke debat is dat het gesprek op dit eerste ‘feitelijke’ niveau blijft hangen terwijl die feiten niet het probleem zijn maar de ‘interpretatie’ van de feiten. En daarmee kom ik bij de tweede uitdaging. Die is van een andere orde en betreft de wetenschappelijke methode. De laatste uitgading is eigenlijk de belangrijkste en dat is een filosofische en die heeft betrekking op hoe wij de mens en de mensheid zien.

Als eerste kort de feitelijkheden. Die bestaat uit twee delen. Als eerste de volgende passage in het bericht van De Wilde: “Het duo beweert dat criminaliteit weinig met cultuurverschillen te maken heeft en beroept zich op percentages die ze vervolgens wiskundig fout berekenen en aan de verkeerde groep toewijzen. Ook stellen ze dat er rond criminaliteit geen onderzoek is naar herkomstlanden van vluchtelingen.” Voor wat betreft dat laatste, die zijn er wel en dat schrijft De Wilde ook waarbij ze Volkskrantcolumnist Kustaw Bessems aanhaalt die dergelijke cijfers vrij snel vond. Deel twee van de feitelijkheden is de volgende passage: “Ook de cijfers over de arbeidsmarkt worden door het duo verkeerd geciteerd: ze beweren dat 45% van wie een verblijfsvergunning krijgt een fulltimebaan heeft, terwijl het om 45% gaat van diegenen die zeven jaar later een baan hebben; dat schetst een ander beeld dan ’de meesten hebben werk gevonden’ – de nattevingerconclusie van het duo. ’Integratie werkt wel degelijk, al neemt dat tijd in beslag’ lezen we. Met geen woord wordt gerept over het accurate onderzoek van Van Beek naar hoe traagheid en culturele afstand integratie belemmeren, maar ook hoe verschillende factoren integratie snel bevorderen.” De Wilde citeert hier een column van Nausicaa Marbe in de Telegraaf

Nu kan ik, net als Bessems deed voor de gegevens criminaliteit en afkomst, op zoek gaan naar de precieze cijfers. Hij ontkracht daarmee de bewering van De Haas en Lucassen dat die cijfers er niet zijn. En voor wat betreft die 45%, over dat cijfer is geen discussie mogelijk. 45% van de asielzoekers dat leest De Wilde verkeerd. De Haas en Lucassen schrijven in hun artikel in de Volkskrant dat: “van de asielzoekers die in 2014 een verblijfsvergunning kregen zo’n 45 procent een fulltime baan heeft.” Daarbij verwijzen ze naar cijfers van het CBS. Dit is geen ‘nattevingerconclusie’ maar gebaseerd op cijfers.

Waar het fout gaat bij Van de Beek maar ook bij Lucassen en De Haas in hun reactie en bij De Wilde in haar korte bijdrage, is dat correlatie met causaliteit wordt verward. Om dat uit te leggen een voorbeeld dat Ionica Smeets enkele jaren geleden gaf. Als je naar de cijfers van de ijsconsumptie kijkt en je legt daar het aantal doden door verdrinking langs, dan zal je zien dat als er veel ijs gegeten wordt, er meer mensen verdrinken. Dan zal er geroepen worden dat de ijsverkoop aan banden gelegd moeten worden. Immers minder ijsconsumptie leidt tot minder doden door verdrinking. Een onterecht conclusie. Dat de cijfers een gelijk patroon vertonen noemen we correlatie. Er is echter geen directe link tussen die twee rijen cijfers, geen causaal verband: met de een als oorzaak voor de andere. De verklaring voor beide rijen cijfers is de temperatuur. Die verklaart zowel de hogere ijsconsumptie als de verdrinkingsdoden.

Van de Beek en in zijn kielzog De Wilde noemen ‘culturele afstand’ en dan vooral het islamitisch zijn, als reden voor mindere prestaties. Want van alle migranten scoren de vluchtelingen die vooral uit de islamitische landen Afghanistan, Syrië en Eritrea komen het minst. Er is correlatie. Dat wil echter niet zeggen dat de ‘cultuur’ de oorzaak is. In de hierboven genoemde prikker met  mijn reactie op Van de Beek gaf ik al een mogelijke andere verklaring. Hij vergelijkt onvergelijkbare groepen. Iemand die hier komt omdat een werkgever hem vraagt of die hier komt studeren, heeft aan heel andere uitgangspositie. Die uitgangspositie is een veel realistische verklaring dan ‘culturele’ afstand’. In hun antwoord doen Lucassen en De Haas hetzelfde. Ook zij zoeken in de cijfers en halen iets eruit wat in hun kraam te pas komt. Wat ze daarbij voor hebben op Van de Beek, is dat zij groepen aanwijzen die het ondanks dezelfde culturele achterstand, wel ‘goed doen’. Dat is een signaal dat ‘cultuur’ wellicht niet zo’n goede verklaring is.

Rijen gegevens naast elkaar leggen en daar dan verbanden in zien, is geen wetenschap. Een wetenschapper denkt na over een probleem en formuleert dan een theorie. Vervolgens gaat de wetenschapper bekijken of de theorie standhoudt. In het geval Van de Beek: ik zie dat groep x minder geïntegreerd is. Mijn theorie is dat dit een gevolg is van ‘culturele afstand’ want …. en dan de redenen waarom. Met die theorie en de verklarende redenen zou hij dan in bijvoorbeeld de cijfers kunnen duiken. Dan zouden de groepen die Lucassen en De Haas noemen, aanleiding moeten zijn om de theorie aan te passen want wellicht is er iets waardoor deze groepen afwijken van de cultuur. Als een dergelijke verklaring er niet is, dan is de theorie weerlegd en moet hij op zoek naar een andere verklaring. Ook de gegevens over criminaliteit en herkomst die er niet zouden zijn maar die Bessems heeft gevonden, zeggen niets over het ‘crimineler’ zijn van bepaalde en ook niets over hun afstand tot ‘onze cultuur’. Zo is er ook correlatie tussen leeftijd en het plegen van een criminele daad: jeugdigen maken zich meer schuldig aan criminaliteit. De meeste migranten zijn jong dat kan de hogere cijfers bij migratiegroepen verklaren. Maar ook dat is een theorie die nader onderzocht moet worden.

Volgens wetenschapsfilosoof Karl Popper zou je bij dat onderzoeken van je theorie juist moeten zoeken naar de ontkrachting van je theorie. Want alleen door een theorie te ontkrachten sluit je zaken uit en kom je dichter bij de echte verklaring. Dit maakte hij duidelijk met zijn zwanen voorbeeld: als je wilt bewijzen dat alle zwanen wit zijn, dan moet je juist zoeken naar zwanen met een andere kleur. Witte zwanen vind je immers in overvloed. Echter alleen de vondst van een anders gekleurde zwarte zwaan, leidt tot meer kennis: niet alle zwanen zijn wit. Voor Popper is wetenschap niet het zoeken naar zekerheid, maar het wegnemen van onzekerheid.

Wat zowel Van de Beek, als De Haas, Lucassen en De Wilde gemeen hebben, en daarmee kom ik bij de filosofische uitdaging, is dat ze een wereldbeeld hebben, een bepaalde manier van kijken naar de wereld en de mens. Ze hebben allemaal een beeld van wat goed is. Ze hebben allemaal een beeld van hoe een goede samenleving eruit moet zien? Dat hebben onze politieke partijen ook.  Alleen gaat het gesprek hier niet over. Neem de BBB, een van de partijen die deze week akkoord ging met ‘het strengste asielbeleid ooit’. Recentelijk schreef ik een prikker over een van de kernwaarden van de partij: “Behandel de ander zoals je zelf behandeld wilt worden. Wat u niet wil wat u geschiedt, doe dat een ander niet. Wees betrouwbaar, eerlijk, oprecht en respectvol. Iedereen is gelijk. Transparant, helder en open.” Neem de VVD: “Mensen zijn niet gelijk. We zijn allemaal uniek, en dus verschillend. Mensen zijn wel gelijkwaardig. Iedereen heeft dus evenveel recht op vrijheid en kansen, wat je geestelijke overtuiging, huidskleur, nationaliteit, seksuele geaardheid, geslacht of maatschappelijke positie ook is. Discriminatie is onaanvaardbaar.” Zo omschrijft de VVD haar liberale waarde Gelijkwaardigheid. Over deze zaken zou het gesprek over asiel moeten gaan. De BBB zou moeten uitleggen dat zij zelf ook zo behandeld zou willen worden als nu voor asielzoekers wordt voorgesteld. Hoe de aanpak waarvoor is gekozen eerlijk, oprecht en respectvol is. Als zij immers niet wil dat dit ook haar geschiedt, dan moeten ze het anderen ook niet willen aandoen. De VVD zou moeten uitleggen waarom asielzoekers niet bij ‘iedereen’ horen en waarom niet? Dit is het gesprek, de filosofische discussie die gevoerd moet worden.

Door die niet te voeren maar door te blijven hangen bij cijfers, waarbij iedereen de cijfers kan vinden die net in de eigen kraam te pas komen, raken we verder van elkaar verwijderd en stagneert alles. Door dit gesprek niet te voeren, raakt het grotere geheel buiten beeld. Zo wil Van de Beek het VN Vluchtelingenverdrag, het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Kinderrechtenverdrag opzeggen. Wellicht helpt dat om asielmigratie te verminderen. Asiel is een onderdeel van deze verdragen, deze verdragen zijn echter meer dan asiel. Zo regelt artikel 19 van het Verdrag inzake de rechten van het kind dat staten: “alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen (neemt) en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.” Nu is dit ook in de Jeugdwet geregeld en is de Grondwet ook op die manier te interpreteren maar die Jeugdwet kan worden gewijzigd. Als dit gebeurt, dan is er geen rechterlijke mogelijkheid meer om de overheid te dwingen kinderen te beschermen. Een Nederlandse rechter kan  immers niet toetsen aan de Grondwet.

De drie verdragen die Van de Beek wil afschaffen vormen de hoekstenen van de op rechten gebaseerde wereldorde. Een rechtsorde waarvan de Nederlandse regering, zo is in artikel 90 van de Nederlandse Grondwet bepaald, de ontwikkeling bevordert. ‘Dan wijzigen we de Grondwet toch op dit punt’, kun je tegenwerpen. Ja, dat kan. De vraag die je je vervolgens moet stellen, is hoe ziet de wereld er zonder die orde uit? Is een wereld zonder universele mensenrechten, zonder internationale rechtsorde een betere wereld?’ ‘Maar’, kun je weer tegenwerpen ‘wat maakt mij die wereld uit, als het goed is voor Nederland dan moeten we dat toch gewoon doen?’ Daarvoor een wedervraag: is een Nederland als paria die deze verdragen verwerpt beter af? Of om het wat toe te spitsen een vraag aan de VVD: hoe past dit in het gelijkwaardig zijn van ieder mens? Heeft iedereen dan nog evenveel rechten op vrijheid en kansen? Of aan de BBB is dit eerlijk, oprecht en betrouwbaar? Is dit, om de mantra van het NSC aan te halen, ‘goed bestuur’?

Nu maakt het opzeggen van deze verdragen geen deel uit van het akkoord van de coalitiepartijen. Maar ook bij dat akkoord kun je je de vraag stellen tot welke wereld dit leidt? Wat zeg je als je een land veilig verklaard waar nog steeds de machthebber die op de eigen bevolking schiet en ze bombardeert? Een land bovendien waar buurlanden Turkije en Israël te pas en te onpas bombarderen. Hoe ‘vanzelfsprekend ben je er voor elkaar’, om een van de vier kernwaarden van de BBB te benoemen als je het verblijf van mensen permanent tijdelijk maakt, want dat is wat je doet met het afschaffen van permanente verblijfsvergunningen? Of voor de VVD, hoe verdraagzaam (een van de liberale waarden, is een dergelijke maatregel? Of hoe verhoudt zich dit tot de liberale waarde vrijheid: “dat je je leven mag leiden zoals je dat zelf wilt,” zoals de VVD vrijheid omschrijft.

Dit gesprek moet in de volle breedte worden gevoerd. Want door pragmatisme, dat door dit kabinet ‘daadkracht’ wordt genoemd, zijn we in de problemen gekomen. Dit pragmatisme richtte en richt zich op het bestrijden van symptomen. Er wordt gedweild met de kraan open en soms lijkt het erop dat men niet eens weet dat er een kraan open staat. En nee, de asielzoekers zijn niet die openstaande kraan.

Appels, knollen en statistiek

“Wat betreft asielmigratie: bij de vaak gehoorde opmerking dat asiel slechts 10 tot 12 procent van de totale immigratie betreft, geeft Van de Beek een bijsluiter. Van de arbeidsmigranten is na tien jaar nog maar 21 procent in Nederland, van de studiemigranten 18 procent. Bij asielmigranten is dit 55 procent, bij gezinsmigranten 59 procent. Met andere woorden: ‘De bijdrage van asiel aan de bevolkingsgroei is veel groter dan op het eerste gezicht lijkt.’ En dat is van belang om te weten, ‘want geen andere vorm van immigratie belast de samenleving en verzorgingsstaat zozeer als asiel’.” zo lees ik in een interview met de Volkskrant Jan van de Beek in de Volkskrant.  Ik dacht: ‘Je hebt leugens, verdomde leugens en statistieken.’ En toen ik er wat verder indook dacht ik aan appels en peren waarmee knollen voor citroenen worden verkocht.

Van wie deze uitspraak over statistiek is, is onbekend. De Amerikaanse auteur Mark Twain schreef hem toe aan de Britse premier Benjamin Disraeli, maar, als je Wikipedia mag geloven, dan is de uitdrukking: “in geen enkel werk van Disraeli te vinden en de vroegste bekende verschijningen waren jaren na zijn dood. Er zijn verschillende andere mensen genoemd als bedenkers van het citaat, en het wordt vaak toegeschreven aan Twain zelf.” Ik moest denken aan deze uitspraak bij het lezen van het interview. Een interview over zijn nieuwe boek Migratiemagneet Nederland. Mythen. Feiten. Oplossingen. Even vooraf. Ik heb het boek nog niet gelezen en baseer me alleen op zijn uitspraken de Volkskrant en gedaan bij Bar Laat van 22 oktober 2024.

“Als je onderzoek doet, moet je proberen niet links en niet rechts te zijn maar zo zuiver mogelijk je onderzoek te doen en in de spiegel te kijken wat zijn mijn vooroordelen? Waar zou je kunnen struikelen?”  Aldus van de Beek bij Bar Laat. Hij wil ‘niet politiseren’. Nu is dat al een eerste spiegel waarin hij zichzelf wat vertekend waarneemt. De uitspraak over het belasten van de samenleving en de verzorgingsstaat door asielzoekers, is een politieke uitspraak. ‘Belasten’ is een waardeoordeel en waardeoordelen zijn politiserend. “We zitten op een omslagmoment. Het moet mogelijk zijn om een coalitie te smeden van flink wat EU-landen die af willen van het asielrecht in zijn huidige vorm,” in de Volkskrant, is politiseren. ‘Af willen’ van rechten is politiseren. “Je kunt wel zeggen: er wordt te weinig gebouwd, maar er is niet tegenop te bouwen. De kosten voor zorg lopen op, de onderwijskwaliteit daalt. Dat mag je best een crisis noemen.” Iets een crisis noemen is politiseren. Sterker nog, door te zeggen dat je niet wilt politiseren, politiseer je. Je politiseert omdat je als ‘neutraal en feitelijk’ bestempeld en daarmee iedereen die het anders ziet labelt als ‘bevooroordeeld en niet feitelijk’. Op dit punt is Van de Beek al ‘gestruikeld’ om zijn eigen woorden te gebruiken.

Hij noemt iedereen die naar een ander land gaat, migrant. En zo heb je dan arbeidsmigranten, studiemigranten en asielmigranten. Het verbaast me daarom dat hij de ‘vakantiemigranten’ niet heeft meegenomen. Die groepen gaat hij vervolgens met elkaar vergelijken op ‘bijdragen aan de samenleving’ en daarop scoren de asielmigranten het slechtst.  Ja, dank je de koekoek. Natuurlijk doen asielzoekers het slechter op de arbeidsmarkt dan mensen die hier naar toe worden gehaald door een werkgever en maken ze meer aanspraak op sociale voorzieningen dan mensen die hier komen studeren. Als je naar hier wordt gehaald om te werken heb je werk en als je naar hier komt om te studeren dan heb je geld om te overleven. Als vluchteling heb je dat niet. Dan begin je echt bij nul en omdat het gemiddeld bijna twee jaar duurt voordat je als statushouder ergens woont en dan pas mag beginnen met je inburgering, begin je eigenlijk diep in de min. En dus is het niet vreemd dat een veel groter deel van hen een beroep doet on sociale voorzieningen.

Natuurlijk is het percentage van de groep die asiel heeft verkregen dat na tien jaar nog hier woont, groter dan dat van degenen die hier komen voor arbeid of studie. Een studie duurt ongeveer vier jaar. Degenen die blijven hebben hier werk, een partner en waarschijnlijk allebei gevonden. Iets soortgelijks gaat ook op voor mensen die hier voor werk naartoe komen. De tijden dat je na veertig jaar trouwe dienst bij een werkgever met pensioen gaat, zijn allang voorbij. Na een jaar of vier ben je weer toe aan ‘een nieuwe uitdaging’ en die kan overal liggen. Iemand die asiel zoekt, komt hier omdat de persoon een veilig heenkomen zoekt, omdat het land van herkomst door oorlog of de politieke situatie voor de persoon te gevaarlijk is. In de landen waar het gros van de huidige vluchtelingen vandaan komen, landen als Afghanistan, Syrië en Eritrea, is nog steeds in oorlog of is de politieke situatie van dien aard dat velen hun leven er niet zeker zijn.

“‘Dan is er de factor culturele afstand tot het herkomstland. Als die te groot is, is dat nadelig voor integratie. Dat pakt slecht uit voor participatie op de arbeidsmarkt en leidt tot oververtegenwoordiging in criminaliteit. Wat helpt, zijn gemengde relaties.” En “ juist asielmigranten uit andere delen van Afrika en het Midden-Oosten, veelal moslims, hebben weerstand tegen gemengde relaties. Daar hapert de integratiemotor.” Aldus Van de Beek in de Volkskrant. Om te integreren moet de club waarin je verwacht wordt te integreren wel open staan voor je integratie. Het narratief waarvan Van de Beek hier de milde variant geeft, ze zijn ‘te verschillend’, en dat ook in steeds extremere mate door partijen als de BBB en de PVV wordt gehanteerd, draagt niet bij  aan het ‘open staan’ en het zal de belangstelling voor een gemengd huwelijk onder de kant van de geboortige Nederlanders, niet echt doen toenemen. Dat narratief is een self-fulfilling prophecy. 

Wat al deze groepen met elkaar gemeen hebben, is dat het mensen zijn die naar een ander land trekken. De reden voor vertrek naar dat andere land is echter zeer verschillend. Door ze op één hoop te gooien en te spreken over arbeidsmigratie, studiemigratie, asielmigratie worden onvergelijkbare groepen op één hoop gegooid en daarvan wordt de kwetsbaarste groep, de asielzoekers, het slachtoffer. Het wegpoetsen van deze verschillen is politiseren. Daar een bruinkleurig cultureel sausje over gieten is politiseren. Van de Beek vergelijkt appels met peren, verkoopt knollen voor citroenen en onderbouwt dit met statistiek.

Invictus

Bij het lezen van een artikel van Margriet Oostveen in gesprek met Hein de Haas in de Volkskrant, moest ik denken aan de film Invictus . In haar artikel met als titel: Waar immigranten méér gelijke rechten krijgen, blijkt de angst voor asielzoekers en migratie een stuk lager bespreekt Oostveen zeven inzichten voor asiel- en migratiebeleid. Inzichten gebaseerd op onderzoek. Als eerste dat er geen crisis is maar aan managementprobleem. Een probleem dat ik in Pleisters plakken op een botbreuk ook aankaartte. Als tweede dat asiel niet de opgave is maar: “duidelijke keuzen maken in de arbeidsmigranten die je wilt toelaten en die dan een fatsoenlijk loon bieden.” En nog vijf andere inzichten. Inzichten waar leiders bij het bepalen van keuzes zich door zouden moeten laten leiden. Alleen is dat niet het geval.

Bij het lezen moest ik, zoals gezegd, denken aan de film Invictus. Een film over een bijzondere gebeurtenis in de Zuid-Afrikaanse geschiedenis geproduceerd door Clint Eastwood. De film handelt over de Zuid-Afrikaanse rugbyers in de aanloop naar het wereldkampioenschap van 1995 in eigen land en de rol die president Nelson Mandela daarin speelde. Voor degenen die het niet weten, de Springboks, zoals het team wordt genoemd, mochten na de afschaffing van de Apartheid voor het eerst meedoen en in de aanloop naar het toernooi presteerde het team slecht. Toch won het team de wereldtitel. In de finale versloegen ze de onverslaanbaar geachte All Blacks van Nieuw-Zeeland. Dit zorgde ervoor dat een van de meest markante rugbyers ooit, de Nieuw-Zeelander Jona Lomu, geen wereldkampioen werd. Lomu was de eerste letterlijk grote wingers. Wingers waren tot zijn komst kleine, redelijk lichte en vooral snelle spelers die opereren op de flanken van het veld. Lomu viel op. Hij was de eerste winger van meer dan twee meter, woog zo’n 120 kilogram en was desondanks razend snel. Na hem volgenden er meer. Zoek op zijn naam en je vindt voldoende filmpjes van de reus Lomu die dwars door zijn kleinere tegenstanders heen loopt. Maar ik dwaal af.

Iedere gelegenheid om de in in 2015 op veel te jonge leeftijd overleden Jonah Lomu te herdenken, moet worden aangegrepen. Daarom deze foto. Bron: ilmortodelmese.comi

Terug naar de rol van Mandela. Rugby was de sport van vooral de blanke Zuid-Afrikanen. Mandela was net president en voorzag dat het wereldkampioenschap rugby en de rol van de Springboks wel eens een belangrijke rol konden spelen in het verenigen van het sterk verdeelde land. Daarom zoekt hij contact met de aanvoerder van de Springboks, François Pienaar en via Pienaar met de rest van het vooral blanke team. Hij zorgt ervoor dat het team op toer gaat door het land en daarbij vooral de zwarte townships aandoet om daar de kinderen en volwassenen enthousiast te maken voor het rugby.

De film bevat een mooi staaltje van echt leiderschap. Leiderschap door dat te doen wat nodig is en niet wat populair is. In de film is te zien dat het Mandela ter oren kwam dat de leiders van de sportraad de kleur van het shirt en vooral de springbok als symbool van het team wilden veranderen. Die kleur en de springbok erop waren tijdens de Apartheid uitgegroeid tot belangrijke symbolen van de blanke Zuid-Afrikanen. Mandela aarzelde niet en ging naar de zaal waar de bonden vergaderden. Die hadden net unaniem en met groot applaus besloten om de kleur te veranderen en de springbok te verwijderen en meldden dit met trots aan Mandela. Mandela stond op zei dat hij er niet over ging maar gaf vervolgens aan dat de bonden zojuist een grote fout hadden gemaakt en legde uit waarom. Hij legde hen uit dat het een slecht idee was om de symbolen van trots van een deel van het land bij het grofvuil te zetten omdat daarmee die groep verder van het land zou vervreemden. Dat dit precies is wat tijdens de Apartheid ook gebeurde. Dit terwijl dat deel van het land juist nodig was. Of het werkelijk zo is gegaan, weet ik niet. De film is immers een geromantiseerde weergave van de werkelijkheid en hoe de verhouding tussen ‘werkelijkheid’ en ‘roman’ in deze scene was, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat het in de film een sterk staaltje van leiderschap was. Een pas verkozen zwarte president die voor een volledig zwart gekleurde zaal een lans brak voor wat door de zwarte bevolking en ook door hem als symbolen van blanke dominantie werden gezien. Een lans brak voor de juiste keuze boven de populaire.

Een president die deed wat nodig was, niet dat wat populair was. “We have adopted these young men as our boys, as our own children, as our own stars. The country is fully behind them. I have never been so proud of our boys as I am now and I hope that that pride we all share,” zei hij toen hij een trainingskamp van het team bezocht. Of het op dat moment zo was, is niet te achterhalen. Op 24 juni 1995 was het wel werkelijkheid nadat het land in met 62.000 mensen volgepakt Ellispark de finale had gewonnen. Woorden die werden bevestigd door aanvoerder Pienaar die aangaf dat het zich niet alleen gesteund voelde door de 62.000 mensen in het stadion maar voor alle 43 miljoen inwoners van het land. Die ook allemaal in feesten uitbarstten. Vorig jaar werden de Springboks voor de vierde keer wereldkampioen door weer van Nieuw-Zeeland te winnen. Dit keer met bont gekleurd gezelschap dat trots het groene shirt met springbok erop droeg en met Siya Kolisi als eerste zwarte  aanvoerder. Symbolen kunnen van betekenis veranderen als mensen dat kunnen.

In Nederland ontbreken leiders die voor hun aanhangers gaan staat en hen vertellen dat wat ze willen en voor hen goed voelt, niet het juiste is om te doen. Het asiel- en migratiedossier waar beleid wordt gemaakt op wat een deel van de bevolking ‘beleeft’ is daar het meest pregnante voorbeeld van maar er zijn er veel meer. Neem 130 kilometer per uur willen rijden. Wellicht ook leuk voor de ‘beleving’ van een groep mensen maar een maatregel die geen probleem oplost maar er enkele bij creëert. Maar voor wat betreft de mestproblematiek en waterkwaliteit ontbreekt het de verantwoordelijke bestuurders en politici aan leiderschap en regeert de angst voor ‘het volk’ en dit geval ‘de boer’. Feiten en wetenschap doen er niet toe, belevingen, al dan niet aangepraat, vormen de basis voor beleid.

De film Invictus, Latijns voor onoverwonnen, is genoemd naar een gedicht met dezelfde naam van de Britse dichter William Ernest Henley. Een gedicht dat Mandela, zo vertelde hij in de film aan  Pienaar, overeind hield gedurende de jaren dat hij zat opgesloten op Robbeneiland. Een gedicht over volharding en wilskracht in tijden van tegenspoed. Een gedicht dat kracht kan bieden in bange tijden. Een gedicht waaruit iedereen ook politici die zich afvragen in welke situatie ze beland zijn, kracht kunnen putten om uit die situatie te komen. Leiderschap is de beleving serieus nemen maar handelen op basis van feiten en wetenschap. Dat en niet het omgekeerde. Dus het gedicht kan niet genoeg worden gelezen:

“Out of the night that covers me, black as the pit from pole to pole,

I thank whatever gods may be for my unconquerable soul.

In the fell clutch of circumstance I have not winced nor cried aloud,

Under the bludgeonings of chance my head is bloody, but unbowed.

Beyond this place of wrath and tears looms but the Horror of the shade,

And yet the menace of the years finds and shall find me unafraid.

It matters not how strait the gate, how charged with punishments the scroll,

I am the master of my fate, I am the captain of my soul.” 

Rousseau: Fransoos of Zwitser?

Iedereen lijkt vooral iets te willen worden, maar niemand nog iets te willen zijn,”  aldus de titel van een interessante column van Mark van Ostaijen in de Volkskrant. Aanleiding voor de column waren proeflessen die Van Ostaijen gaf in het kader van een open dag.   Ostaijen beschrijft zijn belevenissen. Bij een terloopse zin tussen haakjes in de column bleef ik hangen: “u weet wel, die Geneefse burger en dus Zwitser die recentelijk in deze krant feitenvrij werd opgevoerd als ‘die ouwe Fransoos’.” De ‘ouwe Fransoos die volgens Van Ostaijen een Zwitser was, waar het over ging, was Jean Jacques Rousseau.

Een interessant omdat er een goede schets wordt gegeven van onze huidige maatschappij: “als iedereen constant in beweging en onderweg is, en niemand ergens meer aan wil komen, creëert dat een volatiele cultuur van rusteloosheid. Het creëert een samenleving waarin overgave, berusting en acceptatie lastig gedijen. Niet voor niets lopen jaar in jaar uit de cijfers van overmatige stress, burn-out en depressie op. Er zijn te veel mensen die heel druk zijn met druk zijn.” Van Ostaijen kwam tot deze column omdat bezoekers van de open dag hem, nadat hij iets had verteld over bestuurkunde, sociologie en politieke filosofie vroegen: “’wat kan ik ermee worden.”  Een interessante filosofische discussie maar wellicht voor een andere keer. Nu terug naar die ‘ouwe Fransoos’ of Zwitser.

Een impressie van AAn de stadsmuur in Venlo. Bron: schermfoto van de site: https://aandestadsmuur.nl/

Want was Rousseau nu een Fransoos of een Zwitser? Hij sprak Frans, dus een Fransoos? Nee, dat gaat te snel want er wordt ook Frans gesproken in gebieden die niet bij Frankrijk horen. In België bijvoorbeeld en ook in Zwitserland. Rousseau werd geboren in Genève en dat ligt in Zwitserland, dus een Zwitser? Ook dat gaat te snel. Rousseau kwam in 1712 ter wereld en stierf in 1778 in Ermenonville terwijl Genève pas vanaf 1815 onderdeel uitmaakt van wat Zwitserland is geworden. Tijdens het Congres van Wenen van 1815 voegden de overwinnaars van Napoleon de stad samen met de Franse gebieden van het hertogdom Savoie samen tot het kanton Genève en deelden het toe aan de Zwitserse statenbond. Ten tijden van Rousseau was het een zichzelf besturende stad, stadstaat zoals er vroeger wel meer waren. Dus het Rousseau Zwitser noemen is net zo feitenvrij als hem Fransoos noemen. Het is net zo feitenvrij als het bestempelen van de filosoof Immanuel Kant tot Rus. Kant heeft zijn hele leven gewoond in Königsberg. Een stad in Oost-Pruissen die sinds 1870 deel uitmaakte van het Duitse rijk en die sinds 1945 Kaliningrad heet en in Rusland ligt. Van Ostaijen volgend, is Kant geboren in 1724, een Rus. We kunnen Rousseau en Kant niet meer vragen hoe zij zich, om dat moderne woord te gebruiken, identificeren.

Met dat moderne woord identiteit, komen we wel bij de oorzaak van die twee feitenvrije opvoeringen van Rousseau. Een onderdeel van iemands moderne identiteit is de nationaliteit van de persoon. En met nationaliteit komen we bij de nationalistische valkuil waar Van Ostaijen in valt. In tegenstelling van wat tegenwoordig wordt gedacht, zijn landen en natiestaten van zeer recente datum. Je Fransoos, Zwitser, Duitser of Nederlander noemen, voelen en daar trots op zijn, is iets wat de laatste 150 jaar is gegroeid. In zijn boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek vertelt Francis Fukuyama aan de hand van de persoon Hans, het ontstaan van nationalisme. “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.[1]  Hans was boer in het begin van de negentiende eeuw en sprak de taal ‘van hier’.

In de negentiende eeuw maakte de Europese samenleving ingrijpende wijzigingen door. Fukuyama: Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.[2]”  In het midden van de negentiende eeuw komt Hans in het Ruhrgebied in deze nieuwe wereld terecht en komt daar  mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[3] uiteindelijk krijgt Hans een antwoord op de vraag wie hij is: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[4]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. 

Het bijzondere aan nationalisme is dat het zichzelf bevestigd. Bij dat zichzelf bevestigen wordt het verleden herschreven, en het heden aangepast aan het gewenste ideaalbeeld zodat er in de toekomst geen twijfel meer is over het bestaan van de natie. Die is er immers altijd geweest. Het verleden wordt herschreven door bijzondere gebeurtenissen, personen, volkeren en culturele uitingen worden met de eigen natie te verbinden. De Bataven als proto-Nederlanders. Het Romeinse Rijk als voorloper van en voorbeeld voor Italië. De slag op het Merelveld voor de Serviërs. De verovering van de Zilvervloot door Piet Heijn. Is Caesar een van de grootste Italianen en keizer Frederik I van het Heilige Roomse Rijk, beter bekend als Barbarossa een van de grote Duitse helden en in die hoedanigheid naamgever van de grootste veldslag ooit geleverd. De aanval van nazi-Duitsland op de Sovjet Unie. Wordt Rembrandt een ‘Hollandse meester’, Rousseau een Fransoos en Kant een Duitser. Alles wordt gedaan om de grootsheid en de eeuwigheid van de natie aan te tonen. De natie, het nationalisme, wordt de mal waarmee naar verleden, heden en toekomst wordt gekeken. Voorbeelden van de cultuur worden ‘heilig’ verklaard en moeten worden behouden. Gebouwen, alleen of in een groep worden monument en beschermd stadsgezicht en bij herstel of renovatie worden in het verleden verdwenen zaken weer toegevoegd waardoor dit typische voorbeeld van de eigen cultuur typischer wordt dan het ooit is geweest. Zo is tussen de Venlose binnenstad en de Maas een prachtige nieuwe wijk gebouwd: Aan de stadsmuur. Huizen vormgegeven pakhuizen die de stad authentieker maken dan ze ooit is geweest. Dit om ervoor te zorgen dat onze nazaten zich nooit hoeven af te vragen wie zij zijn. De grootsheid van het verleden komt ook terug in bijvoorbeeld standbeelden. Standbeelden waarover jaren later weer gesteggeld kan worden omdat ze ineens minder stroken met dat waar ‘we’ trots op moeten zijn. En standbeelden kun je naar gelieven vervangen door schrijvers, componisten, beelden kunstenaars, architecten en hun werken. De natie is en wordt zo vanzelfsprekend dat een wereld zonder niet is voor te stellen.

Maar, we dienen: “de natie, de natiestaat en het nationalisme niet als vanzelfsprekend (…) te beschouwen,” zo schrijft Eric Storm in zijn boek Nationalisme. Een wereldgeschiedenis. Niet vanzelfsprekend want:  “termen als ‘het volk’ of ‘de natie’ zijn – behalve misschien in bepaalde juridische contexten – al even grove versimpelingen, los van het veelvoorkomende maar incorrecte gebruik van ‘natie’ als synoniem voor staat of land. Door de inwoners van een land te omschrijven als ‘het volk’, ‘de Fransen’ of ‘de Mexicanen, impliceren we dat ze een homogene gemeenschap vormen, met één cultuur en één taal. Daarmee wissen we echter de complexe lappendeken van inheemse bevolkingen, etnische minderheden, immigrantengroepen en nakomelingen uit ‘gemengde huwelijken’ , terwijl we er vaak onterecht van uit lijken te gaan dat er fundamentele verschillen zijn met naburige gebieden over de grens.[5] Er is binnen een natie net zoveel verdeeldheid als tussen naties. Alleen blijft die verborgen als we niet voorbij de versimpeling kijken

Zeg tegen Hans dat hij een trotste Duitser is met een ‘groots verleden’ die houdt van Bier und Bratwurst en hij wordt een trotste Duitser en gaat die Bratwurst liefst met Sauerkraut met trots eten en ontleend grootheid en trots aan mensen met eenzelfde paspoort die iets groots doen. Premier Schoof die Sifan Hassan aanhaalt. En wat waren ‘we’ deze week graag trotst geweest op ‘onze jongens’ van het Nederlands elftal. Helaas bakten ‘ze’ er niets van. Gelukkig is ‘hun’ falen ‘ons’ dan weer niet aan te rekenen is. En kon Hans stoltz zijn op die Mannschaft want zo zou hij kunnen zeggen: ‘dat hebben ‘wij’ toch maar mooi geschafft’. Maar als Hans om zich heen had gekeken in de Alianz Arena in München, dan had hij onder die ‘eenheid uitstralende shirtjes van de Mannschaft die de mensen aan hadden, de lappendeken gezien waarover Storm spreekt. En als hij in het vak met die mensen in oranje had gekeken, dan zag hij onder dat oranje naast een lappendeken waarschijnlijk ook een hele groep mensen waarin hij zich zou herkennen.


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 89.

[2] Idem, pagina 57

[3] Idem, pagina 89

[4] Idem , pagina 92

[5] Eric Storm, Nationalisme. Een wereldgeschiedenis,  pagina 520

Wat de BBB niet wil dat ons geschiedt

“Tijd voor actie op het migratiedossier.” Zo las ik in een bericht van de BBB. Met de  daadkracht uit mijn vorige prikker nog in het achterhoofd, las ik verder. Volgens de BBB moeten de: “Asielprocedures en opvang buiten de EU,” plaatsvinden,  moeten we: “Inzetten op migratiedeals, versterking van EU-buitengrenzen” en als laatst: “Frontex met meer personeel en meer bevoegdheden,” versterken.  Bij de tekst een filmpje met een betoog van de leider van de BBB in het Europees parlement Sander Smit. Een bijzonder betoog.

Screenshot site BBB.

Een bijzonder betoog en daarom hier de integrale tekst: “We hebben geen grip op de huidige migratiestroom. In 2023 werden meer dan 1 miljoen asielaanvragen in de Europese Unie ingediend. Open grenzen, zachte procedures en falend terugkeerbeleid hebben gemaakt dat Europa te aantrekkelijk is geworden. Daardoor hebben zovelen die gevaarlijke oversteek gemaakt en zijn velen omgekomen. De chaos aan onze binnengrenzen in de Schengenzone is het directe gevolg van lekke Europese buitengrenzen. Frontex moet versterken, niet alleen in het uitbreiden van manschappen maar vooral in bevoegdheden. Frontex moet een coördinerende rol gaan spelen in de uitzetting en terugkeer, in externe grensbarrières maar dat alleen zal de migratiecrisis niet oplossen. BBB pleit voor verder aanscherping van het asielbeleid. Verplaats de asielprocedure en opvang naar veilige derde landen buiten de Europese Unie. Alleen zo verminderen we de instroom en slachtoffers van de gevaarlijke overtocht naar Europa. Voorzitter, streng bewaakte buitengrenzen, duidelijkheid en migratiedeals die redden levens. Geen woorden maar meer en snellere actie.”

Als eerste open grenzen. Zou het werkelijk zo zijn dat ‘velen’ een fortuin betalen aan een louche persoon die je op een gammel bootje de zee op stuurt omdat de Europese grenzen zo open zijn? Als die grenzen werkelijk ‘open’ waren dan zou je toch beter gewoon via Turkije naar Griekenland of Bulgarije kunnen gaan? Of dan kocht je toch gewoon een vliegticket van bijvoorbeeld Addis Abeba in Ethiopië naar Amsterdam. Dan ben je minder dan € 1.000 kwijt en is de kans zeer groot dat je na een paar uur vliegen, waarbij je in een stoel zit en wat te eten en te drinken kunt nemen, aankomt.   

Beste meneer Smit en beste BBB-ers die dit bericht van een duimpje naar boven voorzien, dat die veilige en goedkope manier niet wordt benut, komt omdat die er niet is. Dat komt omdat de EU de buitengrenzen hermetisch afsluit. Afschermt met hekken en scherpe beveiliging tussen Turkije en de twee EU buurlanden. En entree via luchthavens door de controle ‘uit te besteden’ aan de luchtvaartmaatschappijen. Die zijn namelijk verplicht om iedere passagier die het land van aankomst niet in mag, terug te vervoeren. Om te voorkomen dat ze die kosten moeten maken, laten ze alleen mensen met een ‘entreekaartje’ voor het land van aankomst toe. Zo’n kaartje heeft een asielzoeker niet. En omdat de asielzoekers daarom, zelfs als de persoon een geldig ticket voor het vliegtuig heeft, niet het vliegtuig in komt, kan hij ook geen asiel aanvragen. Dan blijft zo’n duurbetaald gammel bootje met risico op de dood over. Zo ‘open’ zijn de Europese grenzen niet.

Dan de chaos aan de binnengrenzen. Die chaos is een resultaat van keuzes die lidstaten van de EU maken. Lidstaten die willen voorkomen dat asielzoekers naar hun land komen. Door de Duitse controles weten we nu weer dat controles leiden tot files en langere reistijden. Hoelang? Dat hangt af van je kenteken en persoonskenmerken. Ook dat is een gevolg van die gesloten buitengrenzen. Bij open Europese grenzen zou het Dublinprotocol goed werken. Dan zouden asielzoekers een vliegticket boeken naar het land waar ze naar toe willen vluchten. Maar omdat dit niet kan, resten alleen die ‘bootjes’ en tja, die komen aan in drie Europese landen en volgens het Dublinprotocol zouden die dan alle asielzoekers moeten opvangen. Omdat het deze landen boven het hoofd groeit en omdat de asielzoekers ook en vooral naar andere landen willen, trekken ze verder. En om dat te voorkomen ontstaat die ‘chaos aan de binnengrens.’

Migratiedeals redden levens. Dat is nogal een bewering. Turkije duwt vluchtelingen uit Syrië steeds meer terug naar Syrië. De Syrische vluchtelingen in Libanon moeten nu vluchten voor Israëlische bommen. Tunesië duwt vluchtelingen de woestijn in en laat ze daar aan hun lot over

En daarmee kom ik bij het ‘Verplaatsen van de asielprocedure en opvang naar veilige derde landen buiten de Europese Unie’ en de ‘migratiedeals. Procedures en opvang buiten de EU? Beste meneer Smit en BBB-ers, hoe stellen jullie je dat voor? Waar moet een toekomstige minder dappere Navalny zich dan melden? Opvang buiten de EU? Zijn jullie bereid in Nederland opvangcentra voor bijvoorbeeld de Britten of Russen toe te laten compleet met Britse en Russische ambtenaren voor de af te nemen procedures? Dit met het risico dat de afgewezen asielzoekers hier blijven rondhangen en voor overlast zorgen. Dat is namelijk wat jullie van andere landen vragen. Zijn jullie bereid om een migratiedeal met andere landen te sluiten om voor hen de asielzoekers op te vangen? Zijn de landen Turkije, Tunesië en Libanon waarmee al zo’n deal is gesloten zo veilig dat u er zelf wilt gaan wonen?

Nu is het antwoord op deze laatste vraag anders voor iemand met een Nederlands paspoort dan voor iemand zonder paspoort uit Afghanistan. Maar volgens jullie kernwaarden, kan het antwoord op al die vragen alleen maar JA zijn. Neem jullie kernwaarde Gulden Regel, omschreven als: “Behandel de ander zoals je zelf behandeld wilt worden. Wat u niet wil wat u geschiedt, doe dat een ander niet. Wees betrouwbaar, eerlijk, oprecht en respectvol. Iedereen is gelijk. Transparant, helder en open.”  Of gelden die kernwaarden alleen voor Tukkers en Achterhoekers? Want het lijkt erop dat deze kernwaarde wat is verbasterd naar: wat wij niet willen dat ons geschied, dat exporteren we naar anderen!

Daadkrachtige illusionisten

Daadkracht, naast asielcrisis is dit het woord dat het kabinet Schoof en de partijen die dat kabinet vormen, het meest gebruiken. Daarbij wordt daadkracht vaak gekoppeld aan dat andere woord, aan asielcrisis. Men wil uitstralen dat er ‘gas op de lolly’ moet, dus  ‘geen woorden maar daden’, actie, doen, doen, doen! Dat klinkt positief.

Daadkracht: ‘werkkracht, energie” volgens de Van Dale. Een wel heel korte omschrijving. Gelukkig geeft de site cvster, bedoeld om mensen te helpen met het schrijven van hun curriculum vitae 15 voorbeelden waaruit blijkt dat je daadkrachtig bent. Zaken als: “Je houdt van aanpakken en hebt een duidelijke visie, je gaat doelgericht te werk en weet hoe je een taak zo snel en goed mogelijk kan uitvoeren, je hebt een hekel aan treuzelen. Zo zul je zelf niet snel een taak tot de volgende dag laten liggen. Maar ook bij anderen kun je traagheid niet goed uitstaan,” en zo nog 12 andere voorbeelden. De site geeft ook wat valkuilen: “Je neemt altijd het voortouw en laat daardoor soms te weinig ruimte voor anderen, je wilt snel resultaat en schuwt niet om dat te laten blijken,  je kunt wat drammerig overkomen en pusht anderen soms te veel.” Als je naar de woorden van het huidige kabinet kijkt, dan lijken die bij de voorbeelden te passen. Je hoeft het er niet mee eens te zijn, maar het heeft een visie. Het gaat doelgericht te werk.  Het dramt en pusht elkaar en anderen. Dus daadkrachtig en daadkracht is wat we nodig hebben om de vraagstukken aan te pakken.

Belangrijker dan hard werken, is werken aan de goede dingen. Hard trekken aan de verkeerde kant van een touw is wellicht daadkracht maar niet erg effectief. Waar ga je mee aan de slag en wat laat je nog even liggen? Bij het plannen van mijn werk gebruik ik de volgende vraag: ‘moet ik dit nu doen?’  Die ene vraag kun je op verschillende manieren  lezen, afhankelijk van waar je de klemtoon legt. Als eerste de vraag moet ik dit nu DOEN waarbij de klemtoon ligt op het in hoofdletters getypte woord. In dit geval dus DOEN. Moet er überhaupt iets gedaan worden of is het een probleem wat zich vanzelf oplost of wellicht geen probleem is. Dan de vraag MOET ik dit nu doen? Is er een noodzaak om ermee aan de slag te gaan of is die er niet, is het ‘nice to do’. Dan de vraag moet IK dit nu doen. Ben ik de persoon die hiermee aan de slag moet of is iemand anders meer geschikt? Dan de vraag moet ik DIT nu doen. De vraag naar de manier waarop je iets oppakt. Moet het op de manier zoals ik het wil of is er ook een andere wellicht betere manier. Als laatste de vraag moet ik dit NU doen?  Moet het echt nu of kan het ook nog later.

Minister Madlener gaat vol energie aan de slag met het daar waar het kan mogelijk maken van 130 kilometer per uur rijden. Dit blijkt wellicht op vier kleine stukjes snelweg te kunnen. Alleen kun je je afvragen welk maatschappelijk probleem hiermee wordt opgelost? Want als de overheid ergens voor is, dan is het voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Een relevante vraag omdat de verlaging van de maximum snelheid in 2020 werd ingevoerd als bijdrage aan het oplossen van het stikstofprobleem. Bovendien zorgt een lagere snelheid voor minder ongelukken, levert het voor de autorijder lagere kosten op en minder files. Ook was en is 130 rijden vaak niet mogelijk vanwege de drukte op de weg. Is hier sprake van een maatschappelijk probleem of is dit symboolpolitiek en dus ‘nice’ voor een enkeling? Ook relevant is de vraag of dit werkelijk het eerste is waar een minister met als taken de weginfrastructuur, water, scheepvaart, luchtvaart en Rijkswaterstaat zich mee bezig moet houden. En in het verlengde van de minister het ambtelijk apparaat.

Dan de asielnoodwet. Laten we die ook eens langs die vragen leggen. Ja er moet iets gedaan worden want er gaat iets niet goed in de asielketen en wat er niet goed gaat lost zich niet vanzelf op. Daarover schreef ik al eerder een prikker. En ja, minister Faber is de persoon die hiermee aan de slag moet en liefst nu. Maar is DIT, een asielnoodwet, de beste manier om er iets aan te doen? Alhoewel de beeldvorming anders doet vermoeden is, zoals ik in die eerdere prikker al aangaf, is de instroom van mensen die asiel aan komen vragen niet het grote probleem. Als we de periode sinds 2014 bekijken dan was er in die hele periode één jaar (2015) dat er meer dan vijftigduizend asielaanvragen en nareisaanvraag samen werden ingediend. Let wel ingediende aanvragen. Het aantal dat asiel kreeg, was lager. Een asielnoodwet lost het tekort aan woningen niet op. Dat tekort is er de oorzaak van dat kinderen langer dan ze wensen bij hun ouders blijven wonen maar ook dat statushouders niet uit de asielopvang kunnen stromen. En om het andere probleem, te weinig ‘besliscapaciteit’ bij de IND waardoor procedures standaard veel te lang duren op te lossen, is de wet niet nodig. Dat kan makkelijk zonder een asielnoodwet’.  Een verkeerde oplossing voor een imaginair probleem terwijl het echte probleem blijft bestaan.

Daadkrachtig werken aan iets wat geen probleem is of op een manier die niets bijdraagt aan een snelle oplossing van een probleem, is verspilde daadkracht. Het is verspilde energie die ook besteed had kunnen worden aan echte maatschappelijke problemen en uitdagingen. Het kabinet is een illusionist die de daadkracht rich top problemen die er niet zijn. Dan zou het wel eens een goed idee zijn om een idee van minister Faber wat aan te passen en bordjes te plaatsen rond de Haagse kaasstolp met daarop de tekst: ‘hier wordt aan uw illusie gewerkt’

Bezint eer ge begint!

In een artikel bij Wynia’s Week gaat Feike Reitsma te raden bij de Duitse filosoof en socioloog Max Weber. De titel van het artikel geeft de portee van zijn betoog: Max Weber zag in dat in een noodsituatie het parlement gepasseerd mag worden. De achtergrond van het artikel zijn de plannen van de huidige Nederlandse regering, of in ieder geval de partijen die deze regering vormen, om af te wijken van de Vreemdelingenwet door een asielnoodwet in te voeren. Een bijzonder betoog.

Even Reitsma’s betoog. “Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 18 en 19 september komt de asielnoodwet ter sprake. Van Vroonhoven, plaatsvervangend fractievoorzitter van NSC, verdedigt een plan dat het mogelijk maakt om een deel van de Vreemdelingenwet tijdelijk buiten werking te stellen.”  En dat zorgt ervoor dat: “In de huidige situatie, zoals geschetst in de persconferentie van koning Willem-Alexander en het antwoord van Marjolein Faber op een Kamervraag (…) duidelijk (wordt) dat ambtenaren onder druk staan om zich aan te passen aan politieke veranderingen. Volgens Weber moeten ambtenaren loyaal zijn aan de politiek, ongeacht hun persoonlijke opvattingen.” Het lijkt hier alsof Reitsma betoogt dat ambtenaren moeten doen wat is besloten. Zoals ik in mijn vorige prikker al liet zien, is dat de basis maar ligt het toch iets genuanceerder en het gevolg van die nuancering vatte ik samen in de titel van die prikker: Befehl ist niet altijd Befehl.” Het beeld dat Reitsma schetst is dat ambtenaren zich verzetten. Zoals ik in die Prikker betoogde doen die ambtenaren slechts hun werk. Dat werk is het schetsen van de (on)mogelijkheden van het idee voor een asielnoodwet.

Volgens Weber, zo betoogt hij en daar heeft hij een punt, moeten: “Politici (…)een zekere ethische verantwoordelijkheid hebben, vooral als het gaat om geweld en macht. Politici dienen te balanceren tussen ‘de ethiek van overtuiging’ en ‘de ethiek van verantwoordelijkheid’. De ethiek van overtuiging is gericht op principes en idealen, terwijl de ethiek van verantwoordelijkheid zich richt op de gevolgen van politieke acties.” Dan maakt hij de stap naar het heden: “De politieke discussie over de inzet van noodwetgeving in het kader van de asielcrisis benadrukt de spanningen tussen juridische verplichtingen en de noodzaak van politiek leiderschap. Terwijl ambtenaren wijzen op de juridische onmogelijkheid van de inzet van noodwetgeving, stelt het kabinet dat zich wel degelijk een asielcrisis voordoet. Weber wijst op de noodzaak voor politici om controversiële besluiten te nemen, zelfs als dit juridisch ingewikkeld kan zijn.” En ook dat klopt. Het is, alles afwegende, aan de politiek om in deze te besluiten, om verantwoordelijkheid te nemen.

Iets verder in zijn betoog: “Weber stelde dat politiek leiderschap, vooral in tijden van crisis, moet worden geleid door de noodzaak om maatschappelijke stabiliteit en rechtvaardigheid te waarborgen.” En vervolgt dan met een bijzondere passage: “In 1918 was Weber betrokken bij de totstandkoming van de grondwet van de Weimar-republiek. Artikel 48 bood de mogelijkheid voor de president om in dringende gevallen noodmaatregelen te nemen zonder voorafgaande goedkeuring van de Reichstag.” En hier wordt het bijzonder.

Ja, Weber speelde een rol in de Duitse politiek na de Eerste Wereldoorlog. Hij was echter niet de grote man achter de grondwet van de Weimarrepubliek. Dat was de rechtsgeleerde Hugo Preuss. En die grondwet was, zo betoogt Patrick Dassen in zijn De Weimarrepubliek: éen compromis tussen progressief liberaal-democratisch denken en een meer traditionele en conservatieve politieke cultuur waarin gevestigde belangen werden beschermd.[1]Weber zien als degeestelijk vader van die Grondwet gaat enkele stappen te ver. Het toeschrijven van het ‘noodrecht artikel’ zien als onderdeel van Webers denken, gaat nog veel verder. Dassen: “De rijkspresident kreeg in de grondwet grote bevoegdheden, niet voor niets werd hij wel de ‘Ersatzkaiser genoemd: hij was staatshoofd, hoofd van het leger, hij benoemde de leden van de regeringen hij kon, net als vroeger de keizer, de Rijksdag ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven.” De bijnaam van de rijkspresident laat zien welke zijde van het compromis hier aan het woord is: de traditioneel conservatieve zijde. Weber behoorde niet tot die zijde. Hij behoorde, net als trouwens Preuss, tot de liberale Duitse Democratische Partij

Dassen gaat verder: “Het meest controversiële punt van de macht van de rijkspresident was ongetwijfeld artikel 48: in tijden ‘dat de openbare veiligheid en orde in gevaar’ waren, kon hij buiten het parlement om noodverordeningen uitvaardigen en desgewenst het leger inzetten om de orde te handhaven; bepaalde grondrechten, zoals vrijheid van meningsuiting en vereniging, kon hij tijdelijk buiten werking stellen.” Grote probleem van dit artikel was: “dat er geen ingebouwde garanties waren tegen misbruikvan artikel 48. Immers, als de Rijksdag een presidentieel decreet verwierp, kon de president volgens artikel 25 de Rijksdag alsnog ontbinden. Bovendien bleef onduidelijk wat er precies verstaan moest worden onder een ‘uitzonderingstoestand’.[2]

Met die laatste zin zijn we bij de cruciale vraag aangekomen. De cruciale vraag die in de Weimarrepubliek niet vooraf werd beantwoord. In Nederland bepaalt artikel 103 van de Grondwet: “in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd.” De wet die dit regelt is de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Die wet, of beter gezegd, de toelichting erop, geeft antwoord: “ingeval buitengewone omstandigheden zulks noodzakelijk maken ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid, bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President, de beperkte of de algemene noodtoestand worden afgekondigd. Met de term «buitengewone omstandigheden» wordt aangegeven dat, voordat een noodtoestand kan worden afgekondigd zich feitelijke gebeurtenissen moeten voordoen die tot toepassing van noodwettelijke bevoegdheden nopen omdat de normale wettelijke bevoegdheden te kort schieten.” Van een buitengewone omstandigheid is sprake als de normale wettelijke bevoegdheden tekort schieten. Een antwoord, maar geen echt duidelijk antwoord.

Schieten de normale wettelijke bevoegdheden rond asiel tekort? Dat is de vraag die moet worden beantwoord. De ambtenaren gaven in hun notitie aan dat dit niet het geval is. Als het kabinet het anders ziet dan staat het hen vrij de minister-president een beroep te laten doen op de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en vervolgens een asielnoodwet aan de Kamer voor te leggen. De vier partijen moeten zich hierbij wel realiseren dat toekomstige kabinetten ook op andere terreinen de ‘noodtoestand’ kunnen uitroepen. Bijvoorbeeld een ‘klimaatnoodtoestand’ of een ‘mestnoodtoestand’. Voor een van de vier partijen, de BBB, zou  een ‘mestnoodtoestand’ een middel kunnen zijn om meer mest uit te kunnen rijden. Maar de ‘mestnoodtoestand’ zou ook gebruikt kunnen worden om de veestapel te halveren.

De vraag is of we deze kant op willen met onze democratie? Bij het nadenken is de Weimarrepubliek een te bestuderen waardig voorbeeld. De diverse Rijkspresidenten zagen namelijk zeer vaak ‘noodsituaties’: “Artikel 48 zou in de Weimarrepubliek in totaal 254 keer gebruikt worden: door Ebert (1919-1925) niet minder dan 136 keer, gedurende de stabiele fase 1925-1929 slechts 9 keer, maar in de periode 1930-1932, toen de Weimarrepubliek steeds meer autoritair werd geregeerd weer veel meer en per jaar snel oplopend naar 109 keer in totaal in deze drie jaren.[3]  Per jaar gemiddeld 18 noodtoestanden. Dit lijkt mij een hellend vlak waar we niet op moeten willen. Bezint eer ge begint!


[1] Patrick Dassen, De Weimarrepubliek 1818-1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie, pagina 87

[2] Idem. Pagina 88

[3] Idem, pagina 89

Befehl ist niet altijd Befehl

“Als de wethouder wil dat we de bomen op de kop planten, dan adviseren we dat.”  Aan die uitspraak van een collega-ambtenaar moest ik denken bij het lezen van de ingezonden brief van Peter Simon in de Volkskrant. Simon: “Zou Thomas Hogeling dit een goed idee vinden? Of vindt hij het alleen een goed idee als de ambtenaren linkser zijn dan de ministers?” Het idee waar Simon het over heeft zijn ambtenaren die niet uitvoeren wat er is besloten. Volgens Simon is het niet de bedoeling dat: “de ambtenaren (dan wel) kijken (…) of ze deze besluiten wel of niet uitvoeren.” Dat is inderdaad niet de bedoeling. Dus moeten die ambtenaren dan alles maar gewoon uitvoeren?

Cylons uit de tvserie Battlestar Galactica uit 1978-1979. Bron: Flickr

Even terug naar de uitspraak van de collega waaraan ik moest denken. Op dat moment werkte ik voor een kleine gemeente die ging fuseren met twee andere gemeenten. Onderdeel van het fusietraject was ook dat we nadachten over het adviseren van het college. Hoe doe je dat? Hoe geef je zo’n proces vorm? Daarover ontstond een gesprek en discussie tussen mij en die collega’-ambtenaar van een van de gemeenten waarmee werd gefuseerd. De gemeenten bleken daar namelijk een andere kijk op te hebben. Centraal daarbij stond de vraag: aan wie adviseer je als ambtenaar? In die andere gemeente adviseerde de ambtenaar de wethouder, in onze gemeente adviseerden we het college van burgemeester en wethouders. Dat lijkt een futiliteit maar is het niet. Adviseer je de bestuurder, dan bepaalt de bestuurder wat er ter besluitvorming aan het college wordt voorgelegd. Als die wil dat ‘de bomen op de kop worden geplant’ dan is dat wat je als ambtenaar in het voorstel aan het college schrijft. Daarbij kun je de kanttekening plaatsen dat ze dan wellicht niet gaan groeien. Adviseer je het college, dan beslis je dat als ambtenaar op basis van je professionaliteit. Onderdeel van die professionaliteit is dat je het voorstel bespreekt met de verantwoordelijke wethouder en diens opvatting verwerkt in het voorstel. Dus in het voorstel aangeeft dat de wethouder ‘de bomen op de kop wil planten’, waarom en dan geef je daarbij aan waarom het volgens jou geen goed idee is.

Mijn grote bezwaar tegen de eerste werkwijze was en is nog steeds dat je dan als ambtenaar een advies voorlegt waar je niet achter staat maar waar wel je naam op staat en aan verbonden is. Jij bent het die voorstelt om ‘de bomen op de kop te planten’ terwijl je weet dat ze niet gaan groeien. Want, zoals Hogeling in zijn column terecht schrijft: “dat politici democratisch gekozen zijn, wil niet meteen zeggen dat ze weten hoe ze het algemeen belang moeten dienen.” Uiteindelijk beslist in beide gevallen het college hoe de bomen worden geplant. Maar Simon terecht schrijft: “Wij burgers kiezen de Tweede kamer, de Kamerleden stellen een regering aan, de regering neemt besluiten.”  

Laten we de bomen vervangen door asielzoekers. We zien een bestuursorgaan, de regering, die van de vier partijen die haar vormen, de opdracht heeft gekregen om de ‘asielcrisis’ uit te roepen en daarmee een deel van de Vreemdelingenwet buiten spel te zetten. Die opdracht staat in het Hoofdlijnenakkoord: “Ten eerste wordt de uitzonderingsbepaling van de Vreemdelingenwet 2000 (op grond van de artikelen 110 en 111) zo spoedig mogelijk geactiveerd. In de daartoe benodigde algemene maatregel van bestuur, dragend gemotiveerd, worden die bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 buiten werking gesteld die in de weg staan om de acute noodsituatie, voor de asielinstroom in het algemeen en de asielopvang in Ter Apel en de overige asielcentra in het bijzonder, direct aan te pakken, dan wel die bepalingen te vervangen met het oog op het bereiken van dit doel.”

Nu zijn de partijen die dit hebben opgeschreven, niet het bevoegde bestuursorgaan. Sterker, ze zijn in het geheel geen bestuursorgaan. Ze willen iets en dat moet de regering gaan uitvoeren. Of in dit geval de minister-president want op basis van artikel 110 eerste lid van de Vreemdelingenwet: “ ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, artikel 111,” in werking stellen. En dat artikel regelt dat: “Bij algemene maatregel van bestuur (…) regels voor het geval van buitengewone omstandigheden (kunnen) worden gesteld, die afwijken van de hoofdstukken 1 tot en met 7,” van de wet. En dat zijn de inhoudelijke hoofdstukken van de wet. Tegelijk met dat besluit moet er een wetsvoorstel naar de Kamer worden gestuurd over het voortduren van de afwijking van de wet. Dat voorstel dient door de regering te worden ingediend. Een beroep doen op buitengewone omstandigheden betekent het uitroepen van de algemene of gedeeltelijke noodtoestand. Daarvan kan alleen sprake zijn : “ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid,”  aldus artikel 1 eerste lid van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Het is gebruik dat besluiten gemotiveerd en dus met argumenten gebaseerd op feiten worden genomen. Dit om te voorkomen dat ‘bomen op de kop’ worden geplant’. Gebeurt dat niet dan worden ze door de rechter terecht nietig verklaard. Dit is het motiveringsbeginsel en dat is vastgelegd in Afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij dat motiveren ontstaan problemen. De ambtelijke organisatie wees op die problemen getuige de bij de Algemene Beschouwingen openbaar geworden ambtelijke notitie. Er moet worden gemotiveerd waarom de komst van asielzoekers de ‘inwendige veiligheid’ van Nederland aantast. En niet alleen dat, de aantasting moet dan ook alleen aan de instroom van asielzoekers te wijten zijn. Tot zover doen de ambtenaren hun werk. Als dit: zoals Hogeling schrijft: “In kringen die dit kabinet een warm hart toe dragen, is (tot)nogal wat chagrijn om kritische ambtenaren,” leidt en dat: “Ze (niet) moeten (…) dwarsliggen, maar gewoon uitvoeren wat ze wordt opgedragen.” Dan moeten ‘die kringen’ toch echt bij zichzelf te raden gaan. Die ambtenaren doen namelijk wat ze is opgedragen. Dat werk is namelijk de (on)mogelijkheden van ideeën en voorstellen aangeven en niet klakkeloos opschrijven wat een bestuurder hen opdraagt. Als de ambtenaren negatief adviseren over dit plan uit het Hoofdlijnenakkoord dan nog staat het de regering en de minister-president vrij om anders te besluiten. Dan moet de regering expliciet aangeven waarom zij van dat advies afwijken en die afwijking motiveren (artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht).

Dan naar de uitvoering. Besluiten moeten door de ambtenaren worden uitgevoerd. Want het zou wat zijn als: “de minister besluit tot het ­gedwongen uitkopen van boeren,” en: “De ambtenaren … doen (…)het gewoon niet.”   Moeten besluiten altijd door ambtenaren worden uitgevoerd? Ambtenaren moeten uitvoeren: Befehl ist Befehl. Moeten ambtenaren doen wat ze is opgedragen? Is Befehl altijd Befehl?

Jein, of beter gezegd ja en nee. Als het college, op advies van of tegen het advies in, heeft besloten de ‘bomen op de kop te planten’, dan worden ze op de kop geplant. Dan wordt dat dwaze besluit door de ambtenaren uitgevoerd. Als de minister besluit om boeren uit te kopen, dan moeten ambtenaren dat uitvoeren. Tenminste, als de minister bevoegd is dat besluit te nemen. Is de minister dat niet, dan hoeft het besluit niet te worden uitgevoerd. Want er is dan geen sprake van een besluit. Als een bevoegd bestuursorgaan een besluit neemt, dan voeren ambtenaren dat in de regel uit. Wellicht is er een ambtenaar die dit weigert te doen vanwege gewetensbezwaren. Voorbeeld hiervan waren ambtenaren van burgerlijke stand die weigerden een homohuwelijk te sluiten. De werkgever dient zorgvuldig om te gaan met die bezwaren en moet een afweging maken of de betreffende ambtenaar zonder teveel bezwaren kan vrijstellen van dit werk. Dat wordt lastig als het de kern van het werk van de ambtenaar is. In dat geval moet de ambtenaar zijn bezwaar inslikken of kiezen voor ontslag.

Het wordt nog anders als het bestuursorgaan een besluit neemt dat indruist tegen wet- en regelgeving. Een besluit om bijvoorbeeld alle mannen uit de asielopvang te zetten omdat er plaatsgebrek is en er alleen plaats is voor vrouwen en kinderen onder de 18 mag een ambtenaar weigeren uit te voeren. In zo’n geval is er sprake van discriminatie op oneigenlijke gronden. Een bestuursorgaan kan en mag niet van ambtenaren vragen om tegen de wet te handelen. Ook al is het besluit hiertoe volgens de juiste procedure, door het juiste bestuursorgaan genomen en gemotiveerd. Een ambtenaar die tegen de wet handelt en zich daarbij beroept op een bestuurlijke opdracht, kan persoonlijk worden vervolgd. Befehl ist Befehl.

Sterker nog, een ambtenaar zou zo’n opdracht moeten weigeren. Een ambtenaar zweert of beloofd immers: “de Koning en de Grondwet trouw te zijn en Nederland als goed ambtenaar te dienen,” zo is te lezen in de ambtseed. En dat betekent onder andere je gedragen: “volgens onze wetten, het recht en de gedragsregels die verder voor mij gelden.” Als het bestuursorgaan een loopje met de Grondwet en de wetgeving neemt, dan moet een ambtenaar weigeren uitvoering aan te geven de betreffende besluiten. Befehl ist dus niet altijd Befehl.

De Palestijnse kwestie

“Even een vraag. Hoe ziet voor u de toekomst van het vroegere mandaatgebied Palestina eruit?” Die vraag stelde ik onder een bijdrage van de directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) Naomi Mestrum op LinkedIn. In een artikel in de Volkskrant waarin hij verslag deed van de toespraak van de Israëlische premier Netanyahu duidde Peter Giesen op die vraag: “Netanyahu zei niets over de Palestijnse kwestie.” De cruciale zin in Giesens artikel.

bron: Wikipedia

Netanyahu en in zijn kielzog Mestrum betogen dat Israël geen keus heeft dan  door te vechten en Hezbollah en Hamas te vernietigen; “Israël moet Hezbollah in Libanon verslaan,” aldus Netanyahu. Dat is nodig: “om te voorkomen dat de organisatie een 7 oktober-achtige terreuraanval uitvoert.”  Volgens Netanyahu is het simpel: “De oorlog in Gaza kan snel beëindigd worden als Hamas de wapens neerlegt en de gijzelaars vrij laat. Als ze dat niet doen, zullen wij vechten tot de totale overwinning.” Mestrum zegt het hem na: “Wanneer iemand zweert dat hij uit is op jouw vernietiging, kan je dat maar beter geloven. Om die reden heeft Israël geen andere keuze dan Hezbollah uit te schakelen.”

Ik heb geen glazen bol, ben geen helderziende die net als Nostradamus in kwatrijnen de toekomst voorspelt. Dat hoef je ook niet te zijn om te kunnen voorzien dat de vernietiging van Hezbollah en Hamas de oorlog niet zal beëindigen. Ja, het zal een einde maken aan de huidige gevechten in Gaza en Libanon en als je dat als ‘de oorlog’ definieert, en dat is wat Israël en in haar kielzog het gros van de westerse regeringsleiders doet, dan kan het de oorlog beëindigen. Voor het grootste deel van de rest van de wereld in de islamitische landen in het algemeen, de Arabische in het bijzonder en zeer in het bijzonder de Palestijnen zijn de huidige gevechten niet dé oorlog maar een zoveelste slag in een oorlog die al meer dan honderd jaar woedt. De precieze begindatum is moeilijk te geven. Oorlogen beginnen meestal niet met een verklaring en vaak wordt pas achteraf naar een beginpunt gezocht. Zo wordt de Slag bij Heiligerlee van 23 mei 1568 als beginpunt van de Tachtigjarige oorlog gezien terwijl de onrust al van veel eerder datum is en er ook al eerder slagen werden uitgevochten zoals die bij Oosterweel van 13 maart 1567.  Wel duidelijk is dat de twee zijden die elkaar in Gaza bestrijden toen nog niet bestonden. Hamas is van 1987 en Israël van 1948.

Bij het zoeken naar een begindatum van deze oorlog is 2 november 1917, in mijn ogen, een goed te verdedigen beginpunt. Op die dag schreef de Britse minister van Buitenlandse zaken Arthur Balfour een brief aan lord Rothschild, een van de leiders van de Britse joodse gemeenschap met het verzoek die door te geven aan de zionistische federatie van Groot-Brittannië. Een briefje dat bekend werd als de Balfour Declaration en dat een week later werd gepubliceerd in diverse kranten. Een brief waarmee de Britten de steun van de joodse zionisten hoopten te verwerven in hun strijd tegen het Duitse keizerrijk. Een briefje waarmee de Britten de zionisten een thuisland in Palestina in het vooruitzicht stelden. Bijzonder hierbij is dat de Britten hier land aanboden dat niet van hen was. Palestina maakte al sinds het sultanaat van Selim I in het begin van de zestiende eeuw deel uit van het Ottomaanse Rijk.

Daar ligt de oorsprong van het probleem dat uitliep in een nu al meer dan honderd jaar durende oorlog. En hoewel antisemitisme aan de basis ligt van het conflict is het in de basis geen religieuze oorlog tussen joden aan de ene zijde en moslims aan de andere. Het antisemitisme dat aan de basis van het conflict ligt, is christelijk antisemitisme. Christelijk antisemitisme vermengd met zionisme.  Zionisme is: “het streven van een bep. Joodse groepering om een eigen staat te stichten en te behouden.” Zionisme is een nationalistische stroming die ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw. De eeuw van het ontluikend nationalisme. Een stroming waar Theodor Herzl min of meer de ideologische vader van is. Herzl verwoordde zijn ideeën in zijn boek Der Judenstaat uit 1896. Herzl zag ‘een eigen staat’ als enige oplossing voor de in de negentiende eeuw weer oplaaiende haat tegen joden. Het oplaaien van de haat tegen joden werd mede veroorzaakt door het ontluikende nationalisme in Europa. Velen beantwoordden de vraag of joden tot het Franse, Engelse, Nederlandse Hongaarse, Duits enzovoorts volk behoorden met nee. Nee omdat ze geen christen waren en dat betekende dat joden gevaar liepen.

De Balfour Decleration werd zo ongeveer integraal opgenomen in het mandaatverdrag van de Volkenbond aan de Britten. Dat verdrag gaf de Britten de opdracht om: “Het land onder zodanige politieke, bestuurlijke en economische omstandigheden te brengen dat de vestiging van het joodse nationale tehuis, zoals vastgelegd in de preambule, en de ontwikkeling van zelfbesturende instellingen verzekerd zijn, en tevens de burgerlijke en religieuze rechten van alle inwoners van Palestina, ongeacht ras of godsdienst, te waarborgen.[1]  In deze woorden ligt de basis voor de aparte behandeling, of beter gezegd de voorkeursbehandeling van de naar het gebied migrerende joden. De historicus Kahalidi verwoordt dit treffend:Veelzeggend was dat de overgrote Arabische meerderheid van de bevolking (rond de 94% in die tijd) door Balfour niet werd genoemd, behalve op een indirecte manier als de ‘bestaande niet joodse gemeenschappen in Palestina’. Ze werden omschreven als wat ze niet waren, en zeker niet als een natie of een volk – de woorden ‘Palestijn’ of ‘Arabier’ komen in de zevenenzestig woorden tellende verklaring niet voor. De overgrote meerderheid van de bevolking werd alleen ‘burgerlijke en religieuze rechten’ beloofd, geen politieke of nationale rechten. Bij wijze van contrast kende Balfour nationale rechten toe aan ‘het joodse volk, zoals hij het noemde, dat in 1917 een kleine minderheid – 6 procent van de inwoners van het land vormde.[2]”   

In 1920 woonden er ongeveer 720.000 mensen in Palestina waarvan ongeveer 40.000 de joodse religie aanhing. De migratie van zionisten leidde al snel, in 1920, tot botsingen en de eerste doden en gewonden. Niet vreemd want die frictie zien we ook in Europa met de komst van migranten. Zeker als die migranten jouw land zien als het hunne en dus jou als een lastige bijkomstigheid. En dat was de manier waarop de nieuwkomers, zionisten, naar de wereld keken. De huidige gevechten zijn de zoveelste in een zeer lange rij. Een zeer lange rij waarbij de joodse zijde tot nu toe op de steun en sympathie van de westerse regeringen in het algemeen en de militaire grootmacht in het bijzonder kon rekenen. Die militaire grootmacht waren eerst de Britten en nu de Verenigde Staten. Nu moeten Hamas en Hezbollah worden vernietigd. Daarvoor was het de PLO. Daar weer voor waren het de Arabische buurlanden. En ligt de volgend ‘belemmering voor vrede’, Iran, al weer op de loer. Steeds zijn er nieuwe ‘vijanden’ die eerst moeten worden verslagen zodat, om Natanyahu speech aan te halen: “onze burgers naar huis kunnen terugkeren.”

Nu wonen er zo’n 14 miljoen mensen waarvan ongeveer de helft de joodse religie aanhangt. Die helft heeft volledige burgerrechten. De andere helft iets tussen geen rechten en tweederangs burgers. De basis van die ongelijkwaardigheid heb ik hierboven beschreven. Daarnaast leven er in de buurlanden nog zo’n 3,5 miljoenen Palestijnen van wie de ouders in 1948 wegvluchtten in de buurlanden. Het grootste deel in Jordanië, de rest in Libanon, Syrië en Egypte. Mensen die stateloos zijn en vallen onder de verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties. Zij hebben een unieke status gebaseerd op VN resolutie 302 van december 1949. Uniek omdat de status met goede redenen anders is dan andere vluchtelingen. Ook deze mensen willen liefst naar huis terugkeren.

Wat er sinds 1917 allemaal is gebeurd, is niet terug te draaien. Maar, zou lijfsbehoud niet beginnen met het opheffen van die ongelijkwaardigheid? Is er niet pas echt vrijheid in het vroegere mandaatgebied Palestina als alle er wonende mensen dezelfde volwaardige burgerrechten en plichten hebben? Zou dat niet de meest effectieve manier zijn om Hamas en Hezbollah te bestrijden? Als die al meer dan honderd jaar durende oorlog ons iets leert, dan is het dat vechten niet tot een oplossing leidt. Vechten leidt, behalve tot dood en verderf, alleen maar tot meer haat. Dus met een antwoord op de vraag naar de toekomst van het vroegere mandaatgebied Palestin. Met een oplossing voor de Palestijnse kwestie. Zonder oplossing van die kwestie komt er geen einde aan de nu al meer dan honderd jaar durende oorlog.


[1] The British Mandate For Palestine

[2] Rashid Khalidi, De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet, pagina 39-40