De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
“Het kabinet roept het land en de Tweede Kamer op tot kalmte na de schietpartij van maandag in Utrecht.” Dit is te lezen bij de Volkskrant. Terecht dat minister Grapperhaus om kalmte vraagt. Beschuldigen zoals door Baudet, die de schuld in de schoenen van VVD en CDA schuift en Wilders die de minister verantwoordelijk houdt voor het vrijlaten van de dader en hem oproept om op te stappen, zijn mooi voor de bühne maar weinig behulpzaam.
Dat iemand Allahu Akbar roept wil nog niet zeggen dat er sprake is van terrorisme. Gaan we alle daden van gekken het stikker ‘terrorisme’ opplakken? Dat zou een aardige devaluatie van het begrip terrorisme zijn. Terrorisme is, aldus Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” En terreur is, volgens dezelfde Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Gewelddadig was het, maar waar is bij deze man het ‘georganiseerde’ karakter? Al eerder schreef ik over de veranderende betekenis van terreur waarbij de overheid van dader in slachtoffer veranderde. Nu lijkt het begrip nog verder te devalueren. Ik maak mij grote zorgen.
Nee niet zo zeer over de eventuele daden van een verwarde man. Ook al kan een verward persoon, zoals de moordpartij in Utrecht laat zien, dood en verderf zaaien. Dat kunnen criminelen die elkaar liquideren door een mitrailleur leeg te schieten ook.
Ik maak me zorgen over de reactie van onze media. Media die live verslag doen van, ja van wat? En die hier vervolgens de hele dag mee vullen. Media die gaan duiden als er nog niets te duiden is. Die experts uitnodigen voor die duiding en die experts speculeren er vrolijk op los. Al speculerend worden er een grote hoeveelheden geruchten verspreid, of moet ik dat tegenwoordig ‘nepnieuws’ noemen?
Feit was dat er gisteren een schietpartij plaatsvond in een tram waarbij in eerste instantie een dode en verschillende gewonden vielen. Feit was ook dat de schutter was gevlucht en nog vrij rondliep. Daarom werd terecht het advies gegeven om op te letten en in Utrecht liefst niet de straat op te gaan omdat er een gewapende man rondliep.
Feit is ook dat er nog niets over de motieven van de man duidelijk was en is. Van iemand die een essay van zeventig pagina’s schrijft over wat er allemaal mis is en hoe het zou moeten veranderen, daarvan wil ik wel aannemen dat hij door middel van georganiseerd geweld de bevolking en regering onder druk wil zetten. ’Ja maar, er was een briefje en die uitroep dus…’ Zelfs als er een briefje is en er wordt Allahu Akbar geroepen, dan nog zouden we terughoudend moeten zijn met het een daad van terrorisme noemen. Want waar is de georganiseerdheid van de daad? Wat is het politieke motief?
Nog veel grotere zorgen maak ik me over onze overheid. Volgens premier Rutte moeten we het niet ‘kleiner maken dan het is” en daarin heeft hij gelijk. Wat gezagsdragers zoals hij en anderen echter zeker niet moeten doen, is het groter maken dan het is. Maakten zij het niet groter door zich niet aan de feiten te houden en op de speculatieve toer te gaan? Als een verwarde man er al voor zorgt dat onze premier, de minister van Justitie en Veiligheid, de nationaal Coördinator terrorismebestrijding in de kramp schieten en hun hoofd niet meer koel kunnen houden en gaan speculeren, dan maak ik mij grote zorgen. Dit is tot het tegendeel is bewezen gewoon een misdaad van het heel ernstige soort. Niet minder, maar zeker ook niet meer.
Dan maak ik mij zorgen om de stressbestendigheid van onze gezagsdragers. Zorgen om de gewapende dienders die zij vervolgens in hun stress op straat plaatsen. Zorgen omdat een ongeluk in een klein hoekje zit, zeker als er sprake is van stress aangewakkerd door mensen die het hoofd koel moeten houden in dergelijke situaties.
Is de belangrijkste taak van welke gezagsdrager dan ook niet dat zij of hij het hoofd koel houdt in tijden van crisis? Toch iets om rekening mee te houden bij het rood kleuren van een vakje bij welke verkiezingen dan ook.
“Het nazisme en het communisme zijn producten van het moderne Westen. En dat geldt ook voor de radicale islam, al wordt dat laatste ontkent door zowel de aanhangers daarvan als de westerse publieke opinie.” De eerste zin op pagina 102 van de paragraaf Terreur en de westerse traditie van het boek Zwarte Mis. Apocalyptische religie en moderne utopieën geschreven door de filosoof John Gray. Aan die zin moest ik denken na de gebeurtenissen in Christchurch in Nieuw Zeeland.
Eigen foto
Aan die zin moest ik denken toen ik de reacties van Elsevier-lezers las op de stelling van de dag“Moskeeën moeten worden beschermd tegen aanslagen”. Reacties zoals van ene Thomas Jolly: “Wie kaatst kan de bal verwachten… nee dus!” Of van Joey France: “De vraag is begrijpelijk gezien de onmenselijke daad en de ermee samengaande emoties. Maar zijn de moslims niet zelf de aanleiding? Overal waar deze “religie” zich aandient is de sociale rust finaal afgelopen en is integratie met de plaatselijke bevolking verboden, tot en met dreiging met de doodstraf. Toch niet zo raar dat de “andere kant” ook zijn gekken heeft lopen. Neen op de stelling.” Of Vero Truth: “Dit soort aanslagen was, hoe verschrikkelijk ook, te verwachten. Wie haat zaait zoals de moslimextremisten krijgt op een gegeven moment een reactie. Nu niet gaan piepen. Extra bescherming voor moskeeën lijkt me niet nodig.” Reacties gebaseerd op ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’. Waarbij het onderscheid is gebaseerd op godsdienst en waar iedere daad van iemand met de godsdienst van ‘ZIJ’ een daad is van de hele groep.
Ik moest denken aan die zin en het betoog van Gray toen ik een artikel van Han van der Horst bij Joop las. Van der Horst concludeert dat: “Branton Tarrant (de schutter van Christchurch) is niet zomaar een monster. Hij is ons monster.” Ons monster want: “Het is de resultante van het populistische vertoog dat het maatschappelijk denken in het Europa van deze eeuw zo verontreinigt. Tarrant is gegrepen door de ideologie die zondebokken aanwijst in plaats van dat zij oplossingen biedt voor de vele maatschappelijke kwalen in onze maatschappijen.” De schutter die ook denkt in ‘WIJ’ en ‘ZIJ’ en die ‘ZIJ’ als een bedreiging ziet. ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’ kenmerkt ook het wereldbeeld van IS en Al Qaida.
Gray onderbouwt die eerste zin door de oorsprong van het denken van de vader van de radicale islam, Sayid Qutb, te bestuderen. Gray: “Qutbs idee van een revolutionaire voorhoede die zich volledig zou wijden aan de omverwerping van corrupte islamitische regimes en het stichten van een samenleving zonder formele machtsstructuren, ontleent niets aan de islamitische theologie en zeer veel aan Lenin. Qutb beeld van revolutionair geweld als een zuiverende kracht heeft meer gemeen met de denkbeelden van de jakobijnen dan met die van de twaalfde-eeuwse Hasjisjin.” Qutb en daarmee de politieke islam als een verre nazaat van de Franse revolutie.
Volgens Gray is het gebruik van geweld om een nieuwe wereld te scheppen geen erfenis uit de zevende eeuw, maar haakt het aan bij het modere Westen. “Het gebruik van de term ‘islamofascisme’ verduistert het zicht op de veel verder rijdende schatplicht van de radicale islam aan het westerse denken. het waren niet alleen de fascisten die geloofden dat geweld een nieuwe samenleving kon voorbrengen. Dat geloofden Lenin en Bakoenin ook, en de radicale islam zou dan ook net zo goed ‘islamoleninisme’ of ‘islamoanarchisme’ genoemd kunnen worden.” De grootste verwantschap ziet Gray echter met: “de non-liberale theorie van de volkssouvereiniteit die werd uitgedragen door Rousseau, en die tijdens de Franse Terreur door Robespierre in praktijk werd gebracht; de radicale islam zou dan ook het best omschreven kunnen worden als ‘islamojakobinisme.”
Het ‘martelaarschap’ door het plegen van zelfmoordaanslagen, kent volgens Gray geen islamitische wortels: “De Hasjisjin richtten zich op het vermoorden van heersers die naar hun mening waren afgeweken van het rechte pad van de islam, maar geloofden niet dat terreur kon worden aangewend ter vervolmaking van de mensheid, en al evenmin beschouwden ze het plegen van zelfmoordaanslagen als teken van persoonlijke zuivering.” Het is, volgens Gray een recente ‘uitvinding’ met westerse wortels. Een ‘uitvinding’ van de voorganger van Ayatolla Khomeini, Ali Shariati die: “beriep zich op een idee van existentiële keuze die is ontleend aan Nietsche.”
Volgens Gray is de radicale islam: “een moderne ideologie, maar ook een millennialistische beweging met islamitische wortels.” Millennialisme, het geloof in de komst van … is een kenmerk van monotheïstische godsdiensten. Bin Laden maakte hier, volgens Gray, gebruik van door zich te profileren als ‘profeet-leider. De leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, ging hierin nog een stap verder en riep het kalifaat uit en zichzelf tot kalief.
Tot zover de radicale islam. Nu het Westen dat zich, zo schrijft Gray en als je de politieke en publieke opinie mag geloven dan heeft hij gelijk, definieert: “in termen van liberale democratie en mensenrechten.” Door deze definitie te gebruiken lijkt het alsof: “de totalitaire bewegingen van de vorige eeuw geen deel uitmaakten van het Westen.” Volgens Gray een misvatting want die vormden: “ in werkelijkheid juist een hernieuwing van enkele van de oudste westerse tradities.” Welke tradities? Gray: “als er ‘iets’ is wat ‘het Westen’ definieert, dan is dat het nastreven van een verlossing in de geschiedenis. Datgene waarin de westerse beschaving zich onderscheidt van alle andere wordt niet zozeer gevormd door haar tradities van democratie en verdraagzaamheid, als wel door haar historisch teleologie, dat wil zeggen: door haar geloof dat de geschiedenis een inherent doel of bestemming heeft.” Dit geloof heeft tot vernietigende oorlogen en verschrikkelijke misdaden in concentratiekampen en goelags geleid.
Nu zijn dergelijke massamoorden niet specifiek westers. In vroeger tijden werden er vaker wreedheden begaan en massa’s mensen vermoord. Dzengis Khan wist wat dat betreft ook van wanten. Wel specifiek voor het moderne Westen is volgens Gray: “de bepalende rol van het geloof dat geweld de wereld kan redden.” Dit specifiek westerse tintje heeft de radicale islam overgenomen. Dat is niet zo vreemd omdat het Westen en de islam elkaar al sinds de zevende eeuw beïnvloeden.
Zou de echte scheiding tussen ‘WIJ’ tegen “ZIJ” niet worden gevormd door het ‘geloof’ dat geweld de wereld kan redden?Schutter Tarrant deelt het geloof dat geweld de wereld kan redden met zijn tegenstrevers de radicale islamieten. Zij hangen de ‘zwarte mis’ aan om de titel van Gray’s boek te gebruiken. Zij hangen apocalyptische religies aan en jagen utopische visioenen na. Ik hoop dat ik met velen het geloof deel dat geweld de wereld niet redt.
“Onzekerheid over een dak boven je hoofd, eten op tafel, betaalbare en toegankelijk zorg, een sluitend ‘huishoudboekje’ en schulden verminderen het welzijn van mensen en beperken de mentale ruimte om een weg uit deze situatie te vinden” De eerste zin uit Gemeenten: een toekomst zonder werkende armen een notitie met het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG). In deze notitie die ik vandaag las, formuleert de VNG acht concrete maatregelen om armoede onder werkenden aan te pakken.
Wat is het probleem? De VNG: “Uit de recente SCP-studie blijkt dat er in 2014 ongeveer 320.000 werkende armen (4,6% van alle werkenden) waren. Daarvan werkten er 175.000 in loondienst, en 145.000 als zelfstandige. In Nederland stijgt het aandeel werkende armen sinds 1990. Er bestaan in Nederland verschillende definities van (het risico op) armoede en werkende armen. Gemeenten zien op basis van hun armoedemonitor dat er meer groepen in de gemeente niet rond kunnen komen van hun besteedbaar inkomen. Ook deze inwoners rekenen gemeenten tot de doelgroep werkende armen.” Mensen met werk die niet rond kunnen komen van hun inkomen.
Zoals gezegd, stelt de VNG acht maatregelen voor. Als eerste, een open deur, een integrale aanpak: “Het is van belang om armoede niet alleen aan te pakken via het klassieke armoedebeleid – door het bieden van inkomen, inkomensondersteunende en participatiebevorderende voorzieningen – maar ook via ambities op andere beleidsterreinen zoals de betaalbaarheid van de energietransitie en voldoende betaalbare woningen of doelstellingen op het terrein van zorg & gezondheid”
Als tweede wil de VNG: “de uitkeringsgerechtigden inkomenszekerheid kunnen bieden.” De VNG wil dit bereiken door: “snelle en juiste verrekening van inkomsten uit (deeltijd)werk van belang, temeer daar deze doelgroep veelal maandelijks wisselende inkomsten heeft.” Om dat mogelijk te maken heeft de VNG een aantal wensen. Als derde wil de VNG een advies van werkgevers en vakbonden over de bestaanszekerheid voor mensen met lage en middeninkomens. Een advies om de ‘structurele oorzaken’ aan te pakken. Dit advies moet met directe betrokkenheid van gemeenten tot stand komen.
Als vierde moet het systeem van toeslagen en voorzieningen eenvoudiger. De vijfde maatregel richt zich op een sociale Rijks incassobeleid. Als zesde vragen de gemeenten hulp om de armen te bereiken. Die hulp moet in de vorm komen van het CBS, het CPB en het SCP. Als zevende moeten belemmeringen rond de privacy en gegevensuitwisseling worden weggenomen.
Als laatste: “Kleine oproepcontracten en banen die meer lijken op zzp-constructies (zonder goede secundaire arbeidsvoorwaarden als vervoer/opleiding/persoonlijke ontwikkeling) vergroten het risico dat huishoudens snel onder de armoedegrens terecht komen.” Dus werkgevers, ook gemeenten.
Een goed streven om armoede onder werkenden te verminderen en liefst te voorkomen. Zou een basisinkomen hierbij kunnen helpen? Dat is de meest integrale aanpak, geeft inkomenszekerheid zonder de noodzaak tot verrekening en de ervoor benodigde bureaucratie. Dat biedt bestaanszekerheid, maakt een onderzoek door werkgevers en vakbonden overbodig en pakt de ‘structurele oorzaken’ aan. Het bereikt alle armen zonder dat CBS, CBP en SCP ook maar iets hoeven te doen. Het kan zonder belemmeringen rond privacy en gegevensuitwisseling worden uitgekeerd. En als laatste, het is een goede sociale verzekering in tijden van flexwerk en ZZP’ers.
Vandaag las ik een artikel van collega Mattie Peeters met als titel ‘Toeval en ons mensbeeld. Peeters concludeert: “Gedrag, handelen en de gevolgen ervan worden stevig beïnvloed door toevalsfactoren.” Waarom? “Ik word wie ik ben niet door ‘mijn’ uitzonderlijke capaciteiten en competenties maar door toeval en geluk die massief mijn levensloop bepalen. Mijn identiteit blijkt welbeschouwd een narratief. Bovendien heb ik die capaciteiten en competenties zoals talent, intellect, doorzettingsvermogen, emotionele stabiliteit, sociale wendbaarheid, slagkracht, machtsstreven enzovoort, niet ‘zelf’ verdiend maar zijn ze mij toevallig bij geboorte gegeven.” De Ballonnendoorprikker kan dit alleen maar onderschrijven. Het ligt in de lijn van zijn recentelijke betoog met als titel De geschiedenis wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard en een van zijn eerste Prikkers Toeval en geluk. Peeters eindigt met de zin: “De sociale en morele implicatie van dit mensbeeld lijkt mij verstrekkend.”
Vervolgens moest ik denken aan het RTL-verkiezingsdebat. De titel boven de Volkskrant column van Bert Wagendorp vatte het goed samen: “Het RTL-verkiezingsdebat was een afzichtelijke vertoning die je alleen met ware doodsverachting en een teiltje kon uitzitten.” Hij vraagt zich af: “Wanneer (…) er een politicus op(staat) die weigert zich nog langer te laten vernederen voor de armzalige natte droompjes van tv-makers die alle kijkers aanzien voor randdebielen die alles mooi en prachtig vinden, zolang er maar lichtjes gaan branden en er een vrolijk muziekje klinkt?” Politiek en het besturen van een land als een verbaal kooigevecht met de diepgang van een platbodem. Zonder enig besef van de sociale en morele implicaties van het door Peeters geschetste mensbeeld.
Neem het debat over migratie. De stelling luidde: “het kabinet moet immigratie nog verder beperken.” Niemand die zich inleefde in de wereld van de migrant. Die zich afvroeg waarom een Afrikaan deze kant op komt? Wat er wellicht gedaan kan worden om ervoor te zorgen dat de noodzaak om weg te gaan kleiner wordt. Niemand die erop wijst dat migranten voor verreweg de grootste stroom aan ‘ontwikkelingshulp’ zorgen. Niemand die zich realiseert dat de migrant er niet voor heeft gekozen in Gabon te worden geboren. Net zoals Dijkhoff en zijn collega’s van geluk mogen spreken dat ze hier zijn geboren. Dat was niet hun eigen verdienste.
Zou het helpen als de programma’s van politieke partijen niet alleen worden doorgerekend door het CPB en en Planbureau voor de Leefomgeving, maar ze ook worden doordacht door een ‘Centraal Bureau voor Filosofie en Geschiedenis?
“Partijen zijn nog steeds de belangrijkste kanalen voor vorming en verspreiding van politieke ideeën. …Gezien hun cruciale functie is het opmerkelijk dat er weinig over is geregeld in de wet.” Dit schrijft Marc Chavannes bij de Correspondent. En dat kan niet: “Tijd voor actie. En beter laat dan te laat. Politieke partijen vervullen essentiële taken in een vertegenwoordigende democratie en daarom mogen aan die verenigingen extra eisen worden gesteld.” Eisen op het gebied van de interne partijdemocratie. Een idee, maar.…
Politieke partijen selecteren de volksvertegenwoordigers waaruit de kiezer kan kiezen. Zij selecteren ze uit de 289.276 Nederlanders die, volgens Chavannes, nu nog lid zijn van een politieke partij. Die partijen maken verkiezingsprogramma’s waarmee zij richting proberen te geven aan het debat. Hierbij worden zij beïnvloed door een heel circus aan lobbyisten. Op basis van die programma’s wordt een ‘regeerakkoord’ opgesteld dat vervolgens wordt uitgevoerd. En, zoals er wordt gezegd, het debat moet in het parlement worden gevoerd.
Zouden we het politieke primaat niet weg moeten halen bij het parlement en haar leden? Is het beperken van ‘politiek’ tot de activiteiten in het parlement, niet een erg beperkte uitleg van politiek. Is politiek niet alles wat wij als inwoners van een bepaald gebied met elkaar bespreken en doen? Zou het debat, over welk onderwerp dan ook, niet in de samenleving gevoerd moeten worden? Zouden de parlementsleden dat debat niet goed moeten volgen en vragen stellen aan de samenleving? Zouden zij niet veel meer moeten luisteren in tegenstelling tot praten? Luisteren, verduidelijkende vragen stellen en vooral gaan praten met mensen die zich minder laten horen. Zouden zij vervolgens niet een keuze moeten maken waarbij ze alles wat ze hebben gehoord, afwegen? Een keuze zonder er in de kamer nog een debat over te voeren? Dat debat is immers in de samenleving gevoerd. En zouden zij vervolgens niet hun keuze moeten verklaren?
Zou dit, kijkend naar onze Grondwet, niet een alternatieve invulling van onze democratie kunnen zijn? Een alternatief waarbij de Kamer de rol van ‘beslisfabriek’ vervult en het politieke primaat terug gaat naar de samenleving. Een variant die zonder politieke partijen kan. Ja, zelfs zonder verkiezingen want die kamerleden kunnen ook worden geloot voor een bepaalde periode. Waarna weer nieuwe worden geloot.
Een favoriete bezigheid van mij op de zaterdagmiddag is in bad liggen met een boek. Zo lag ik deze zaterdag. in bad met het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst. Inderdaad het boek waarover ik in Zwijgen over deander schreef naar aanleiding van een uitspraak van Richard Sennett de auteur. Ik heb het boek nog steeds niet uit maar op pagina 239 schreef Sennett iets wat mij niet losliet: “mensen ervaren de menselijke maat door het omgaan met weerstand.” Sennett schrijft dit met de stedenbouw als invalshoek. Hij zoekt naar manieren waarop de stad als ruimte, hij noemt dat de ville en de stad als cité, de stad als specifieke plaats waar mensen leven, het gevoel van de stad, elkaar kunnen versterken. daarbij is de menselijke maat van belang. Bij mij bleef de zin hangen omdat ik in mijn werkzame leven bij gemeenten over de vloer kom die zoeken naar de menselijke maat in wat zij het ‘sociaal domein’ noemen.
Tot het sociale domein horen onderwerpen als zorg, welzijn, onderwijs, gezondheidszorg, opvoeding, inburgering, het mensen aan werk of een passende tijdsbesteding helpen. Als je de plannen van gemeenten leest dan kom je woorden tegen als ‘integraal’ waarmee wordt bedoeld dat de mens als geheel moet worden bekeken. Als de inwoner een rolstoel nodig heeft, dan moet er ook worden gekeken of die persoon wel voldoende rond kan komen. Of er geen schulden zijn. Of het goed gaat met zijn kleine kinderen. Want misschien is die rolstoel wel niet de ‘passende’ oplossing. Inderdaad zal menig bestuurder en beleidsmaker zeggen: zo moet het. Alleen loop je zo het risico dat je iets simpels complex maakt.
In het verlengde hiervan het woord ‘zorg- of gezinsplan’. Dit wordt opgesteld door de consulent die het samen met de inwoner en zijn ‘sociaal netwerk’, om weer een term te noemen, opgesteld. Hierin worden de afspraken opgenomen, bijvoorbeeld dat de buurman iedere week de kliko buiten zet en een keer per week het gras maait. Zo’n plan moet aantonen dat die rolstoel echt nodig is omdat familie en buren de rol van die ‘wielen’ niet kunnen vervullen.
Zo moet worden gezocht naar ‘maatwerk’. Maar hoe ‘maat’ is dat werk als het vervolgens wordt ingekocht als een product met bepaalde specificaties? Er wordt confectie ingekocht bij een fabriek, het maatkostuum van de kleermaker blijft buiten bereik.
Je komt woorden tegen als ‘dichtbij de burger’. Dit wordt ingevuld door wijkteams die bij je ‘om de hoek’ zitten. Dichtbij wordt zo geografisch ingevuld terwijl de sociale nabijheid ver te zoeken is. Die vraagt om iets heel anders. Om bijvoorbeeld een belletje of een kopje koffie op een moeilijk moment voor de inwoner.
Zouden gemeenten door weerstand te organiseren de menselijke maat bereiken?
“Ut is ok noeit good of ut deugd neet,” zei mijn moeder vaak. Aan die uitspraak moest ik denken toen ik een artikel van Tim Engelbart bij De dagelijkse Standaard las. Wat is er aan de hand? “Ondanks dat Nederland als geheel flink naar rechts getrokken is, blijkt het onderwijs als geheel nog een uitermate links bolwerk waar Karl Marx tevreden op kan neerkijken vanaf zijn wolk. Van alle leraren is namelijk 33% (!) van plan op GroenLinks te stemmen in maart. Nog eens 17% wil voor de PvdA gaan, terwijl SP (12%) en D66 (13%) het ook zeer goed doen. In totaal halen linkse partijen maar liefst 80% van alle stemmen onder onderwijzers.” Zetten al die ‘linkse gekkies’ zich in voor de kinderen van Engelbart en andere ‘rechtse ballen’, is het nog niet goed.
Volgens Engelbart is er: “Voor GeertWilders en Thierry Baudet (…) dus nog een wereld te winnen op zowel de basis- als de middelbare school. Niet alleen voor zichzelf en hun zetelaantallen, maar ook voor de evenwichtigheid van het onderwijs zelf zou het goed zijn als leraren wat gelijkmatiger over het politieke spectrum verdeeld zijn.”
Wel beste meneer Engelbart, wat let u om zich te laten omscholen tot leraar en met u de hele redactie van uw De dagelijkse Standaard. Sluit u aan bij die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik van u als ouder uw kinderen wat bij proberen te brengen. Immers de ‘linkse dominantie’ van het lerarencorps kan alleen worden doorbroken door een flinke instroom van ‘rechtse rakkers’ zoals u. En zolang dat niet gebeurt blijven, zoals u schrijft: “scholen toch een klein beetje de vooropleiding van de Jonge Socialisten en DWARS”
Maar pas op meneer Engelbart. Zorg dan wel dat u beter ‘indoctrineert’ dan dat door ‘linkse gekkies’ overheerste lerarencorps. Die ‘vooropleiding voor Jonge socialisten en DWARS’ bakt er niet veel van. Dat lerarencorps zorgt er immers al decennia voor dat Nederland wordt gedomineerd door een rechtse meerderheid. Dat partijen zoals die van Wilders en Baudet het goed doen. Pas op want uw loopt het risico dat die jeugdigen die u dan gaat opleiden verworden tot ‘linkse gekkies’.
Misschien kunt u zich beter stil en afzijdig houden en in uw vuistje lachen met die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik, de Nederlandse jeugd opleiden. Die zorgen immers voor een gestage aanwas van ‘rechtse rakkers.’
“De geschiedenis van de mensheid is een bijzonder kronkelig pad. Soms lijkt het op een Echternach processie, soms op een sprintwedstrijd en dan weer een zeilregatta zonder wind. Soms zo spannend als het laatste kwartier van de wedstrijd tussen Ajax en Bayern München van 12 december 2018 en soms net zo saai als kijken naar het groeien van gras.” Dit schreef in ik de Prikker Het leven wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard. Een Prikker die is gewijd aan de het gebruiken of beter gezegd, het misbruiken van de geschiedenis voor doelen in het heden. Het kan echter nog erger. Je kunt die ‘misbruikers’ van de geschiedenis veel verwijten, dat ze selectief winkelen, dat ze met hedendaagse ogen, normen en waarden kijken. Wat je ze niet kunt verwijten is dat ze het verleden niet bestuderen. Bij anderen heb ik het idee dat ze de geschiedenis niet kennen.
Bij De Correspondent interviewde Karel Smouter hoogleraar bestuurskunde en VVD’er Casper van den Berg. “Vanuit Leeuwarden onderzoekt hij het effect van globalisering op burgers en bestuurders.” Zo wordt Van den Berg geïntroduceerd. En wat constateert Van den Berg: “Hier is lang de vraag geweest wat de nieuwe maatschappelijke ordening zou worden na de verzuiling. In de jaren negentig dachten we dat er een soort Veronica-consensus van vrijheid, blijheid was ontstaan, met alle neuzen ongeveer dezelfde kant op. Dat bleek een schijnconsensus. Waar je woont bepaalt voor een belangrijk deel in wat voor bubbel je zit en hoe je tegen de wereld aankijkt.” Vroeger, in de tijden van de verzuiling: “was er altijd een directe relatie tussen die twee groepen. Ze vormden als het ware een eenheid en kwamen elkaar ook op veel meer plekken tegen. Je had in Den Haag mensen zitten die namens jou en jouw zuil spraken. En in Amsterdam de redactie van een krant die jouw zuil vertegenwoordigde.” Daarvan is nu geen sprake meer: “Ik onderscheid de anywheres, degenen voor wie globalisering vooral voordelen heeft, in deze grafiek van de somewheres, die minder goed uit de voeten kunnen met de globalisering. Vervolgens kijk ik ook wáár deze mensen wonen. Dan valt op dat de anywheres in de bruisregio’s (14 procent) verhoudingsgewijs maar een klein deel van Nederland beslaan. Dat zijn de journalisten, de politici, de wetenschappers, die vanuit Den Haag en Amsterdam de toon zetten. De groepen onder in de grafiek zijn de bewoners van de oude wijken (21 procent), van middelgrote gemeentes (17 procent) en plattelandsregio’s (12 procent), die veel verder van de “macht” af zitten. De politieke instabiliteit die je op veel plekken in de wereld ziet, komt volgens mij uit dit verschil voort.” Nu doet de plek waar je woont ertoe want: “De politieke scheidslijnen lopen steeds vaker tussen regio’s die bruisen en regio’s die krimpen.”
Politieke scheidslijnen tussen gebieden waar het goed gaat en waar dat niet het geval is, is dat nieuw? Liepen er in de oudheid geen politieke scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar dat niet het geval was? Dat was de Egyptenaren, Babyloniërs of Atheners vreemd. Iedereen stond te juichen toen het de Romeinen zo goed ging dat ze zich spontaan bij hun ‘wereldrijk’ aansloten. Omgekeerd, die Farao, de koning van Babylonië, de vrije Atheners en de burgers van Rome keken niet neer op anderen. De rijkdom van Rome wekte geen afgunst of begerig verlangen. Dat speelde helemaal niet mee bij Alarik, de leider van de Visigoten, toen hij in 410 Rome binnenviel. Daarbij speelden politiek motieven als macht in het geheel geen rol. Dat had niets te maken met scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar niet. Ook de Opstand van de Verenigde Provinciën tegen de Spanjaard had niets te maken met scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar niet. Zelfs tussen die Provinciën, tussen de steden binnen een provincie en tussen steden en het ommeland speelde die scheidslijn geen enkele rol. Trouwens ook niet bij de Amerikaanse en Franse revolutie. Dat is echt iets van onze tijd. Gelooft u dat?
Zelfs in de korte glorietijd van de verzuiling liepen er ‘politieke scheidslijnen’ tussen bruisende regio’s en regio’s die niet zo goed mee konden komen. Korte glorietijd omdat de verzuiling slechts een kort intermezzo was in de geschiedenis. Een intermezzo waar we zo vanaf het einde van de negentiende eeuw in begonnen te rollen en dat een eeuw later alweer volledig was verdwenen. Vooral het einde van die hoogtijdagen, de jaren vijftig, kenmerkten zich door de wederopbouw en een flinke groei van de bevolking wat overal voor activiteiten zorgde. Ja, het einde van een oorlog is goed voor de economie. Wel waren er regio’s die harder bruisten dan andere. Ook kenmerkend voor deze glorietijd was dat alle politieke stromingen meewerkten aan de opbouw van een sociaal stelsel dat ervoor zorgde dat iedereen op een redelijk niveau kon leven. Dat echte armoede werd uitgebannen en dat de verschillen in inkomen en vermogen niet al te groot waren. Een periode waarin een samenleving meer was dan een verzameling individuen waaruit zij tegenwoordig lijkt te bestaan.
Inderdaad zaten er mensen in Den Haag die namens je zuil spraken. Alleen spraken mensen van verschillende zuilen niet veel met elkaar. Ze zaten, om het met een moderne uitdrukking te zeggen, in een eigen ‘bubbel’. Ja want ook ‘bubbels’ zijn niet nieuw. Voor een communist stond de waarheid in De Waarheid, voor een katholiek in de Volkskrant en zo kunnen we doorgaan. Ook voor de verzuiling zaten mensen in een ‘bubbel’ die bij hun denkwereld aansloot. Dat is allemaal niets nieuws immers de mens zoekt vooral naar bevestiging van zijn eigen gelijk en denkwereld. Dat geeft hem een zeker en veilig gevoel ook al kan dat ‘gelijk’ van de ene op de andere dag veranderen in ongelijk. Zo viel de Berlijnse muur bijna van de ene op de andere dag en met die muur ook het Oostblok en daarmee zag ‘het gelijk’ er ineens anders uit.
Wat ook niets nieuws is, zijn wetenschappers die de wereld proberen te verklaren aan de hand van een model. Van den Bergs ‘anywhers en somewheres’ is ook zo’n model. En net zoals ieder model dat probeert het licht te laten schijnen op de werkelijkheid, is het een versimpeling ervan. Dat is niet erg, als dat er maar bij wordt verteld en er met twijfel over wordt gesproken. Van den Bergs model is wel een erg grote versimpeling. 14% van de Nederlanders zijn de ‘anywheres’ die voordeel hebben bij de globalisering en die wonen in Den Haag en Amsterdam en dat zijn: “de journalisten, de politici, de wetenschappers.” 14%, dat zijn bijna 2,4 miljoen mensen. Of eigenlijk nog groter want ook van de 21% in de oude wijken, woont er een flink deel in Amsterdam en Den Haag. Ik wist niet dat er zoveel mensen tussen de Amsterdamse grachtengordel en onder de Haagse kaasstolp pasten.
Volgens Van den Berg is er: “weinig tot geen contact tussen de bubbel die het voor het zeggen heeft en de bubbel van de regio’s die er niet toe doen.” Ook dat is niets nieuws. Ten tijde van de Republiek was het niet zoveel anders. Amsterdam keek neer op de andere Hollandse en Zeeuwse steden. Die keken weer neer op de kleinere steden en dorpen en allemaal keken ze neer op de ‘Generaliteitslanden’. Zo ging het huidige Limburg er pas echt toe doen toen er steenkool werd gevonden en deed het er na de sluiting van de mijnen ineens veel minder toe. Nu zien we hetzelfde met Groningen gebeuren.
Met zijn ‘bubbel die het voor het zeggen heeft’ en de ‘bubbel van de regio’s die er niet toe doen’ creëert Van den Berg weer het onderscheid is tussen volk en elite. Het aambeeld waarop velen hameren en die velen situeren zich allemaal aan de kant van het volk. Dit terwijl hun posities in de samenleving alle kenmerken van elite hebben. Neem de in mijn woonplaats geboren Wilders, die claimt al jaren een positie buiten de elite terwijl hij zo ongeveer het langst zittende kamerlid is en zelfs een, zij het korte, periode mee aan de knoppen heeft gezeten. Sinds kort heeft hij concurrentie van Baudet, de ‘grootst intellectueel’ van Nederland. Enige verschil is dat Van den Berg de elite geografisch situeert in Den Haag en Amsterdam. Dit terwijl de eerdere ‘elite’ overal woonde. Een nieuwtje: winnaars en verliezers van de globalisering wonen overal. Ze wonen zelfs verspreider dan de leden van de zuilen uit eerste helft de vorige eeuw.
“De politieke instabiliteit die je op veel plekken in de wereld ziet,” wordt volgens Van den Berg veroorzaakt door die ‘machtsbubbel’ en de regionale bubbels die er niet toe doen. Inderdaad speelt die ‘machtsbubbel’ daar een belangrijke rol in, alleen zou die machtsbubbel wel eens heel anders kunnen zijn samengesteld dan Van den Berg denkt. Als die bestaat uit de “journalisten, de politici, de wetenschappers” dan is die bubbel wel heel erg verdeeld over te nemen maatregelen. En als er al grote mate van overeenstemming is, zoals rond bijvoorbeeld klimaatproblematiek, dan leidt dat niet tot maatregelen die deze problemen aanpakken. Of neem de discussie rond de dividendbelasting. Grote overeenstemming onder journalisten, wetenschappers en zelfs politici dat deze belasting gehandhaafd moest worden, toch werd er besloten ze op te doeken. Pas toen duidelijk werd dat Unilever twee hoofdkantoren hield en dus niet één in Nederland, liet het kabinet de maatregel varen.
Maken deze twee voorbeelden niet duidelijk dat de ‘machtsbubbel’ anders is samengesteld dan Van den Berg denkt? Maken ze niet duidelijk dat die ‘machtsbubbel’ maar een zeer beperkt aantal ‘bewoners’ kent. ‘Bewoners’ die vooral moeten worden gezocht bij de multinationals en superrijken van deze wereld? Komen we daarmee niet bij het eigenlijke probleem? Het probleem dat centraal staat in The Price of Inequality van Joseph Stiglitz, namelijk de 1% rijksten die bepalen wat er gebeurt omdat zij het geld en de macht hebben. Die 1% meest vermogenden hebben de mogelijkheid en gebruiken die ook om de zaken in hun voordeel te beïnvloeden. Dit doen zij door invloed te “kopen” bij politici. Zij zijn de financiers van de media, de belangrijke universiteiten en denktanks en via deze kanaal beïnvloeden zij de beeldvorming en de samenleving in een voor hun belangen gunstige richting. Als laatste kunnen zij met hun kapitaal ook hun ‘recht’ kopen ook als zij niet in hun recht staan. Met diepe zakken kun je iemand die er niet over beschikt immers ‘failliet’ procederen. Stiglitz spreekt over ‘one dolar, one vote’. De have’s, de 1% van Stiglitz, hebben de mogelijkheden en gebruiken die om de kansen in hun voordeel te buigen. Dit ten nadelen van de have nots die hun kansen op stijging zien vervliegen.
In vroeger eeuwen kenden we, zoals Hans Achterhuis en Nico Koning het in hun boek De Kunst van het Vreedzame vechten noemen, een verticale beschavingsordening (pagina 190): “… een ‘van boven’ opgelegde orde. Dat die ordeningen ‘van boven’, moet – althans voor de meest oorspronkelijke vormen -opgevat worden in de dubbele betekenis van het woord: ze ontwikkelen zich in vaste hiërarchieën en ze komen van God of de goden.” In hun boek onderzoeken zij de oorzaken van geweld en de manier waarop de mens geweld door de eeuwen heen heeft beteugeld. Zij zien gelijkheid als een van de belangrijkste oorzaken van geweld. De verticale ordening was eeuwen lang de manier om het onderling geweld in een clan, stam, dorp, stad of rijk te beteugelen, beteugelen door ongelijkheid aan te brengen. Het gezag kwam van boven en was uiteindelijk gesanctioneerd door een god of de goden. In sommige culturen werd aan de hoogste leider zelfs een goddelijke status toegekend. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Egyptische farao’s maar ook de Chinese en Japanse keizers. Dit zorgde voor stabiliteit en meestentijds voor interne vrede, meestentijds maar niet altijd. Rebellie tegen een heerser betekende vaak ook rebellie tegen de heersende godsdienst en dat zorgden voor een flinke drempel. Maar te brute uitoefening van gezag, het ontstaan van een concurrerende religie, ideologie of identiteit of langdurige onvrede met de manier waarop de macht wordt uitgeoefend waren en zijn de drie hoofdoorzaken waarom mensen in opstand komen.
Kijken we naar onze huidige westerse samenleving dan zien we dat gelijkheid samen met vrijheid de basis vormt van die samenleving. Onze samenleving kent, in de woorden van Achterhuis en Koning een horizontale beschavingsorde. De eerste artikelen van onze grondwet handelen over gelijkheid en vrijheid. Als gelijkheid een van de belangrijkste oorzaken van geweld is, hoe komt het dan dat samenleving die is gebaseerd op gelijkheid, dan toch relatief vreedzaam is? Dit is, zoals zij het noemen, een gevolg van een proces van modernisering. Dit moderniseringsproces heeft ervoor gezorgd dat in de westerse wereld de verticale ordening min of meer is verdwenen en is vervangen door horizontale vormen van beschavingsordening. We hebben manieren gevonden om zonder de hiërarchie toch geweld te beteugelen.
Eigen foto
In de ogen van de beide auteurs was modernisering in het westen mogelijk door de demontage van oude systemen en de toegenomen beschikbaarheid van alternatieven, alternatieven die met name gericht zijn op de beheersing van confrontaties. Zij zien zes alternatieven (pagina 254): “… de rechtsorde, de marktorde, de wetenschap, de sport, de overlegcultuur en de democratische procedures.” Dit zijn, volgens de auteurs, manieren om de gevaren van gelijkheid te beteugelen en beheersen.
Maar wat zien we als we naar onze huidige samenleving kijken? Dan lijkt er op verschillende gebieden een vorm van verticale ordening te groeien, dit in een samenleving die een horizontale ordening kent. Kijken we naar de marktorde dan zien we dat hier onder invloed van het neoliberalisme een veel verticalere ordening lijkt te ontstaat. De groeiende tweedeling tussen tussen de 1%, zoals Stiglitz ze noemt en de overige 99% gaat die richting op. En voor wat betreft de Verenigde Staten toont Stiglitz in The Price of Inequality aan dat die 1% ook de rechtsorde, de (economische en sociale) wetenschap, en de democratische procedures naar hun hand aan het zetten zijn.
Lijkt Achterhuis en Konings horizontale ordening in de westerse wereld niet onder de grote druk van vooral de 1% te worden omgevormd tot een nieuwe verticale ordening? Een stap in de richting van het anti-moderne? Omdat de markt en het denken hierover de cruciale rol heeft gespeeld begin ik een reeks artikelen over het denken over economie. Want zoals Stiglitz schrijft (pagina XIV): “More than anything else, a sense that economic en political systems were unfair is what motivates the protest around the world.” Een reeks die ik in T-shirts, belastingen en liefdadigheid al aankondigde en waarvoor dit artikel een tweede aanleiding vormt.
Inderdaad maakt het uit op welke plek je wordt geboren. Staat je wieg in Nederland, zelfs in een ‘regionale bubbel’ die niets te zeggen heeft, dan heb je het objectief gezien nog altijd veel beter dan het grootste deel van de wereldbevolking. Zo maakt het ook uit of je in een Wassenaarse villa of in een arbeidershuisje in de Schilderwijk. Dat verschil wordt echter niet veroorzaakt door de locatie maar door het verschil in vermogen. Waarbij de Schilderwijk in de Haagse ‘machtsbubbel’ en Wassenaar ruim tien kilometer verderop ligt. Ik denk niet dat de inwoners van de Schilderswijk de idee hebben dat zij de ‘macht’ hebben. Niet de geografische locatie maar vermogenspositie is leidend. Maar ook dit is niet nieuw want al in de jaren tachtig van de twintigste eeuw zong Harry Jekkers: “Maar wat is nou die vrijheid, zonder huis, zonder baan? Zoveel Turken in Kreuzberg, die amper kunnen bestaan. Goed je mag demonstreren, maar met je rug tegen de muur. En alleen als je geld hebt dan is de vrijheid niet duur.” En Jekkers was daarin niet de eerste en enige. Marx schreef er zijn Das Kapital over.
Hiertegen helpt geen pleidooi zoals dat van Van den Berg voor: “een betere vertegenwoordiging van burgers uit héél Nederland in politiek Den Haag. Mijn eigen partij, de VVD, verplicht zichzelf om in de top 20 van de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer tenminste één kandidaat uit elke provincie te plaatsen.” Want zou alleen het feit dat een kandidaat die tot die 1% behoort of onder invloed van die 1% staat en die uit Venlo komt, mij als Venlonaar het gevoel geven dat ik meer te zeggen heb? Iemand wiens leef en denkwereld mijlen ver van de mijne staat? Laat ik het zo zeggen, het feit dat Wilders in mijn woonplaats Venlo is geboren en in dezelfde periode dezelfde middelbare school bezocht, maakt nog steeds niet dat ik het idee heb dat hij mij vertegenwoordigt. Het zorgt er niet voor dat ik het gevoel heb dat mijn afstand tot de macht kleiner is geworden. Er zijn anderen, vanuit geheel andere regio’s die mij dat gevoel veel meer geven. Anderen die meer aansluiten bij mijn leef en denkwereld.
“SCHANDALIG.” Dit woord twitterde Forum voor Democratie opperhoofd Baudet, zo lees ik bij Elsevier. Wat is er zo schandalig? Wel dat kamp Westerbork van 15 op 16 juni de start van de Nacht van de Vluchteling plaatsvindt. Ook Eddo Verdoner, de voorzitter van het Centraal Joods Overleg vindt dat geen goed idee: “Vooropgesteld, ik heb sympathie voor de Stichting Nacht van de Vluchteling, maar de nagedachtenis aan de Holocaust hoort niet te worden ingezet voor andere zaken.” een sponsor vindt hij ongepast omdat: ‘In de jaren veertig zijn Joden vergast, vermoord, terwijl veel vluchtelingen juist met open armen worden binnengehaald.” Elsevier wil graag weten wat wij ervan vinden. Bij deze.
In het artikel komt ook Dirk Mulder aan het woord, de directeur van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Mulder haalt aan dat het kamp in 1939 is geopend als opvangplek voor joodse vluchtelingen die het Deutsches Reich van Hitler ontvluchtten. Sterker nog, de bouw is betaald door joodse Nederlanders. De eerste bewoners waren dus vluchtelingen uit Duitsland en dit jaar is het zeventig jaar geleden. Maakt dat alleen al het gebruiken van het kamp om aandacht te besteden aan vluchtelingen niet een zeer goede te verdedigen keus?
Als we vervolgens de naoorlogse periode bezien dan werd het kamp direct na de oorlog gebruikt om collaborateurs met de Duitse bezetters in op te sluiten. Toen dat besluit werd genomen, zaten de joodse gevangen nog in het kamp. Daarna werd het een kamp voor militairen op doorgang naar en terugkomend uit de koloniale oorlog in Nederlands Indië. Een oorlog die in Nederland eufemistisch met ‘politionele acties’ werd aangeduid. In 1950, werd het kamp gebruikt als repatriëringkamp voor Indische Nederlanders en werd het omgedoopt tot woonoord Schattenberg. Een jaar later moesten die Indische Nederlanders gedwongen het kamp alweer verlaten voor een nieuwe groep bewoners, de Molukkers die in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) hadden gediend. Tijdelijk, zo was de idee van Nederland en de Molukkers, want ze zouden teruggaan naar een vrije Molukse staat. Alleen kwam die er niet en tot begin jaren zeventig hebben er Molukkers in het kamp gewoond.
Maakt deze hele geschiedenis van het kamp niet het juist de uitgelezen plek om aandacht te besteden aan vluchtelingen? Op de collaborateurs en de militairen na, heeft het kamp de gehele naoorlogse periode tot de sloop gediend als kamp voor vluchtelingen. Maakt zelfs de functie als concentratie en doorgangskamp in de Tweede Wereldoorlog het niet juist de geschikte plek om de Nacht van de Vluchteling te houden? Beste meneer Baudet en andere. Laat die periode immers niet zien welke SCHANDALIGE zaken er kunnen gebeuren als je niet kunt vluchten? Als grenzen ondoordringbaar worden? Als vluchtelingen niet meer welkom worden geheten?
Met een artikel waarin Johannes Vervloed pleit voor lagere belastingen als aanleiding, schreef ik twee artikelen met als titel de Homo economicus en belastingen. Het laatste artikel eindigde ik met de aankondiging dat in een volgende deel ik op zoek zou gaan naar alternatieven voor de markt.
De economie staat centraal in onze huidige samenleving. Naar mijn mening te centraal. Natuurlijk is de economie belangrijk voor de samenleving maar ze zou meer moeten zijn dan alleen de economie waartoe ze tegenwoordig beperkt lijkt te zijn. Onze samenleving is doordrenkt van de neoliberale kijk op de economie. Dat is niet altijd zo geweest en is ook niet hetzelfde in ieder land of samenleving.
Onze verre voorvaderen, de jagers en verzamelaars wisten niets van een vrije markt. Ze leefden in kleine zelfvoorzienende groepen. Groepen die de buit samen verdeelden en soms, als ze een andere groep tegenkwamen, misschien iets ruilde. Toen onze voorouders zich bedreven in de landbouw, bleven ze met name voor eigen gebruik produceren en ruilden ze spullen met anderen. In hun leven speelde de markt hooguit een heel kleine bescheiden rol.
In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi een onderzoek onder traditionele samenlevingen. Uit dit onderzoek blijkt dat voor het overleven van een samenleving het onderhouden van sociale banden cruciaal is. “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the individual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best .” Volgens Polanyi (pagina 48-49) zijn de wederkerigheid en herverdeling cruciaal voor het voortbestaan van een traditionele samenleving en zijn deze principes niet primair verbonden met de economie. Deze zorgen voor tevredenheid in het dorp of binnen de stam. Wederkerigheid werkt in traditionele samenlevingen volgens Polanyi vooral: “… in regards to the sexsual organisation of society, that is family and kinship”. Herverdeling: “… is maily effective in respect to all those who are under a common chief and is, therefore, of a territorial character.” Wederkerigheid, herverdeling zijn volgens Polanyi, en daarin volg ik hem, nodig om een goed functionerende samenleving te hebben en de markt is niet bij voorbaat het meest passende instrument om hierin te voorzien. Pas via de ruil was de gemeenschap of stam verbonden met andere gemeenschappen. Dit is de manier waarop wij mensen eeuwenlang succesvol hebben ge- en overleefd. Niet door ons eigenbelang na te jagen en er het maximale voor onszelf uit te halen, maar door te geven en daardoor ook te krijgen van elkaar. Dit zowel binnen het huishouden, als binnen de stam, dorp of gemeenschap. Met het groter worden van de sociale verbanden en het toenemen van contacten tussen de sociale verbanden, is ruil steeds belangrijker geworden. En bij ruil neemt de markt een steeds belangrijkere rol in.
Pas aan het einde van de Achttiende eeuw kreeg de markt een steeds grotere rol. Pas toen de gemene gronden, de gronden voor gemeenschappelijk gebruik. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruikmaken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.
Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren. De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele Enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten deze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.
Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang, zoals de populaire theorie van Gareth Hardin. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. De kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven (pagina 37): “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.
Achterhuis en Koning borduren in hun boek De kunst van het vreedzaam vechten voort op het werk van Polyani. In hoofdstuk zestien van dit boek, getiteld De vrede van de markt beschrijven zij zes vormen van toe-eigening, zoals zij het noemen. Zes manier waarop iemand iets kan verwerven en dat zijn (pagina 406-412):
1. De individuele productie. Dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt. Aangezien de mens van nature een ‘groepsdier’ is, is deze vorm van verwerven niet zo belangrijk als we zouden denken.
2. Toedeling. Met het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakte een aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. Dat is toedeling geworden een vorm waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.
4. Schenking. Met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. De relatie wordt verzwaard.
5. Handel. Kenmerk van ruil is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie. Handel vindt plaats op de markt.
6. Roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen.
Een bijzondere manier van verwerven. Robin Hood die steelt van de rijken en geeft aan de armen. Bron: Geograph
De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van toe-eigening. Dit heeft gevolgen voor alle vormen van toe-eigening (Achterhuis en Koning pagina 414-415): “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen,” en dat verandert de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.” Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften, bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden.
Zes manieren om iets te verwerven waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele ontplooiing is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. In de kleine groepen waarin onze verre voorouders leefden, was er een direct band tussen de gever en ontvanger. De leider van groep deelde toe. Schenker en ontvanger kenden elkaar en het geschenk had als doel om een band te creëren. Een dergelijke persoonlijke band is in onze huidige samenleving niet meer mogelijk. De zeventienmiljoen Nederlanders kennen elkaar niet persoonlijk en de rol van het stamhoofd is door de overheid overgenomen. Belasting kun je zien als een manier om enkele van die oudere vormen van verwerving, denk aan schenking en toedeling, vorm te geven.
Achterhuis en Koning zien de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Op de markt wordt meer geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt. De andere sferen hebben ook wat van de markt overgenomen. De andere sferen zijn, in hun woorden, horizontaler geworden (meer gelijkheid en vrijheid). In mijn ogen is er meer dat de andere sferen en dan vooral de schenking en toedeling (of in de termen van Polanyi de wederkerigheid en herverdeling) van de markt hebben overgenomen. Als we ons sociaal stelsel zien als een vorm van wederkerigheid en herverdeling dan zien we dat hiervoor steeds vaker een tegenprestatie wordt gevraagd, voor wat hoort wat en dat is een kenmerk van ruil en dus de markt.
De markt vormt volgens Achterhuis en Koning (pagina 413): “… de laatste dam tegen roof, het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld.” De vormen van verwerving vermengen zich en in de eerste vier heeft marktdenken een belangrijke plek verworven. Als we kijken naar de manier waarop een groot deel van de machtige bedrijven opereren, wordt handel, de markt, dan niet steeds meer overgenomen door roof? Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. Dit zijn geen activiteiten uit alleen het verleden. Behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen tot roof? Of zoals de auteur het beschrijven: “In moderne samenlevingen zijn verfijndere vormen van roof ontwikkeld, die dan worden toegepast in relatie tot mensen die er niet toe doen, mensen die als dom, lui of kortzichtig worden beschouwd door de ‘slimmeriken die hen oplichten.” Hoewel Achterhuis en Koning hier niet over reppen, kan ook milieuvervuiling van welke soort worden gezien als een vorm van roof. Hiermee wordt immers iets afgenomen van onze kinderen en kleinkinderen. Wat te denken van allerlei constructies om geen belastingen te geven te betalen? Is dat niet ook verwerven ten kosten van anderen?