Dweilen met de kraan open

“Kijk eens. Weer wat te factchecken.” Die boodschap kreeg ik via LinkedIn van de Venlose bierbrouwer Louis Klaassens. Een boodschap die niet los is te zien van mijn vorige prikker Appels, knollen en statistiek die ik schreef naar aanleiding van het optreden van Jan van de Beek naar aanleiding van diens boek Migratiemagneet Nederland. Mythen. Feiten. Oplossingen. Die vraag aan mij stond onder een bericht van Mienke de Wilde dat eindigde met de zin: “Met geen woord wordt gerept over het accurate onderzoek van Van Beek naar hoe traagheid en culturele afstand integratie belemmeren, maar ook hoe verschillende factoren integratie snel bevorderen. Het is bijna satire: Lucassen en De Haas maken zelf alle fouten die ze Van de Beek onterecht verwijten.” Ik pak de handschoen die Louis mij toewerpt graag op.

Maar voordat ik naar de inhoud overga, eerst even ‘reclame maken’ voor het bier dat Louis brouwt in zijn brouwerij De Klep. Voor degenen die het niet weten een ‘klep’ is de Venlose benaming van een glas bier. Die benaming is, als ik Louis mag geloven en als ik hem verkeerd heb begrepen, dan zal hij mij wel corrigeren, afkomstig van de deksel, de klep, die vroeger, en nu soms nog, op een bierpul zat. Louis heeft zijn droom eigen bier brouwen eerst tot hobby en nu tot beroep gemaakt. Zijn brouwerij is gevestigd in het Venlose Julianapark in het pand waar vroeger museum Van Bommel Van Dam zat. Tot zover de reclame. Terug naar de uitdaging.

Of eigenlijk de drie uitdagingen die deze oproep bevat. De eerste betreft de feitelijke beweringen en het gebruik van cijfers. Het bijzondere in het huidige politieke debat is dat het gesprek op dit eerste ‘feitelijke’ niveau blijft hangen terwijl die feiten niet het probleem zijn maar de ‘interpretatie’ van de feiten. En daarmee kom ik bij de tweede uitdaging. Die is van een andere orde en betreft de wetenschappelijke methode. De laatste uitgading is eigenlijk de belangrijkste en dat is een filosofische en die heeft betrekking op hoe wij de mens en de mensheid zien.

Als eerste kort de feitelijkheden. Die bestaat uit twee delen. Als eerste de volgende passage in het bericht van De Wilde: “Het duo beweert dat criminaliteit weinig met cultuurverschillen te maken heeft en beroept zich op percentages die ze vervolgens wiskundig fout berekenen en aan de verkeerde groep toewijzen. Ook stellen ze dat er rond criminaliteit geen onderzoek is naar herkomstlanden van vluchtelingen.” Voor wat betreft dat laatste, die zijn er wel en dat schrijft De Wilde ook waarbij ze Volkskrantcolumnist Kustaw Bessems aanhaalt die dergelijke cijfers vrij snel vond. Deel twee van de feitelijkheden is de volgende passage: “Ook de cijfers over de arbeidsmarkt worden door het duo verkeerd geciteerd: ze beweren dat 45% van wie een verblijfsvergunning krijgt een fulltimebaan heeft, terwijl het om 45% gaat van diegenen die zeven jaar later een baan hebben; dat schetst een ander beeld dan ’de meesten hebben werk gevonden’ – de nattevingerconclusie van het duo. ’Integratie werkt wel degelijk, al neemt dat tijd in beslag’ lezen we. Met geen woord wordt gerept over het accurate onderzoek van Van Beek naar hoe traagheid en culturele afstand integratie belemmeren, maar ook hoe verschillende factoren integratie snel bevorderen.” De Wilde citeert hier een column van Nausicaa Marbe in de Telegraaf

Nu kan ik, net als Bessems deed voor de gegevens criminaliteit en afkomst, op zoek gaan naar de precieze cijfers. Hij ontkracht daarmee de bewering van De Haas en Lucassen dat die cijfers er niet zijn. En voor wat betreft die 45%, over dat cijfer is geen discussie mogelijk. 45% van de asielzoekers dat leest De Wilde verkeerd. De Haas en Lucassen schrijven in hun artikel in de Volkskrant dat: “van de asielzoekers die in 2014 een verblijfsvergunning kregen zo’n 45 procent een fulltime baan heeft.” Daarbij verwijzen ze naar cijfers van het CBS. Dit is geen ‘nattevingerconclusie’ maar gebaseerd op cijfers.

Waar het fout gaat bij Van de Beek maar ook bij Lucassen en De Haas in hun reactie en bij De Wilde in haar korte bijdrage, is dat correlatie met causaliteit wordt verward. Om dat uit te leggen een voorbeeld dat Ionica Smeets enkele jaren geleden gaf. Als je naar de cijfers van de ijsconsumptie kijkt en je legt daar het aantal doden door verdrinking langs, dan zal je zien dat als er veel ijs gegeten wordt, er meer mensen verdrinken. Dan zal er geroepen worden dat de ijsverkoop aan banden gelegd moeten worden. Immers minder ijsconsumptie leidt tot minder doden door verdrinking. Een onterecht conclusie. Dat de cijfers een gelijk patroon vertonen noemen we correlatie. Er is echter geen directe link tussen die twee rijen cijfers, geen causaal verband: met de een als oorzaak voor de andere. De verklaring voor beide rijen cijfers is de temperatuur. Die verklaart zowel de hogere ijsconsumptie als de verdrinkingsdoden.

Van de Beek en in zijn kielzog De Wilde noemen ‘culturele afstand’ en dan vooral het islamitisch zijn, als reden voor mindere prestaties. Want van alle migranten scoren de vluchtelingen die vooral uit de islamitische landen Afghanistan, Syrië en Eritrea komen het minst. Er is correlatie. Dat wil echter niet zeggen dat de ‘cultuur’ de oorzaak is. In de hierboven genoemde prikker met  mijn reactie op Van de Beek gaf ik al een mogelijke andere verklaring. Hij vergelijkt onvergelijkbare groepen. Iemand die hier komt omdat een werkgever hem vraagt of die hier komt studeren, heeft aan heel andere uitgangspositie. Die uitgangspositie is een veel realistische verklaring dan ‘culturele’ afstand’. In hun antwoord doen Lucassen en De Haas hetzelfde. Ook zij zoeken in de cijfers en halen iets eruit wat in hun kraam te pas komt. Wat ze daarbij voor hebben op Van de Beek, is dat zij groepen aanwijzen die het ondanks dezelfde culturele achterstand, wel ‘goed doen’. Dat is een signaal dat ‘cultuur’ wellicht niet zo’n goede verklaring is.

Rijen gegevens naast elkaar leggen en daar dan verbanden in zien, is geen wetenschap. Een wetenschapper denkt na over een probleem en formuleert dan een theorie. Vervolgens gaat de wetenschapper bekijken of de theorie standhoudt. In het geval Van de Beek: ik zie dat groep x minder geïntegreerd is. Mijn theorie is dat dit een gevolg is van ‘culturele afstand’ want …. en dan de redenen waarom. Met die theorie en de verklarende redenen zou hij dan in bijvoorbeeld de cijfers kunnen duiken. Dan zouden de groepen die Lucassen en De Haas noemen, aanleiding moeten zijn om de theorie aan te passen want wellicht is er iets waardoor deze groepen afwijken van de cultuur. Als een dergelijke verklaring er niet is, dan is de theorie weerlegd en moet hij op zoek naar een andere verklaring. Ook de gegevens over criminaliteit en herkomst die er niet zouden zijn maar die Bessems heeft gevonden, zeggen niets over het ‘crimineler’ zijn van bepaalde en ook niets over hun afstand tot ‘onze cultuur’. Zo is er ook correlatie tussen leeftijd en het plegen van een criminele daad: jeugdigen maken zich meer schuldig aan criminaliteit. De meeste migranten zijn jong dat kan de hogere cijfers bij migratiegroepen verklaren. Maar ook dat is een theorie die nader onderzocht moet worden.

Volgens wetenschapsfilosoof Karl Popper zou je bij dat onderzoeken van je theorie juist moeten zoeken naar de ontkrachting van je theorie. Want alleen door een theorie te ontkrachten sluit je zaken uit en kom je dichter bij de echte verklaring. Dit maakte hij duidelijk met zijn zwanen voorbeeld: als je wilt bewijzen dat alle zwanen wit zijn, dan moet je juist zoeken naar zwanen met een andere kleur. Witte zwanen vind je immers in overvloed. Echter alleen de vondst van een anders gekleurde zwarte zwaan, leidt tot meer kennis: niet alle zwanen zijn wit. Voor Popper is wetenschap niet het zoeken naar zekerheid, maar het wegnemen van onzekerheid.

Wat zowel Van de Beek, als De Haas, Lucassen en De Wilde gemeen hebben, en daarmee kom ik bij de filosofische uitdaging, is dat ze een wereldbeeld hebben, een bepaalde manier van kijken naar de wereld en de mens. Ze hebben allemaal een beeld van wat goed is. Ze hebben allemaal een beeld van hoe een goede samenleving eruit moet zien? Dat hebben onze politieke partijen ook.  Alleen gaat het gesprek hier niet over. Neem de BBB, een van de partijen die deze week akkoord ging met ‘het strengste asielbeleid ooit’. Recentelijk schreef ik een prikker over een van de kernwaarden van de partij: “Behandel de ander zoals je zelf behandeld wilt worden. Wat u niet wil wat u geschiedt, doe dat een ander niet. Wees betrouwbaar, eerlijk, oprecht en respectvol. Iedereen is gelijk. Transparant, helder en open.” Neem de VVD: “Mensen zijn niet gelijk. We zijn allemaal uniek, en dus verschillend. Mensen zijn wel gelijkwaardig. Iedereen heeft dus evenveel recht op vrijheid en kansen, wat je geestelijke overtuiging, huidskleur, nationaliteit, seksuele geaardheid, geslacht of maatschappelijke positie ook is. Discriminatie is onaanvaardbaar.” Zo omschrijft de VVD haar liberale waarde Gelijkwaardigheid. Over deze zaken zou het gesprek over asiel moeten gaan. De BBB zou moeten uitleggen dat zij zelf ook zo behandeld zou willen worden als nu voor asielzoekers wordt voorgesteld. Hoe de aanpak waarvoor is gekozen eerlijk, oprecht en respectvol is. Als zij immers niet wil dat dit ook haar geschiedt, dan moeten ze het anderen ook niet willen aandoen. De VVD zou moeten uitleggen waarom asielzoekers niet bij ‘iedereen’ horen en waarom niet? Dit is het gesprek, de filosofische discussie die gevoerd moet worden.

Door die niet te voeren maar door te blijven hangen bij cijfers, waarbij iedereen de cijfers kan vinden die net in de eigen kraam te pas komen, raken we verder van elkaar verwijderd en stagneert alles. Door dit gesprek niet te voeren, raakt het grotere geheel buiten beeld. Zo wil Van de Beek het VN Vluchtelingenverdrag, het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Kinderrechtenverdrag opzeggen. Wellicht helpt dat om asielmigratie te verminderen. Asiel is een onderdeel van deze verdragen, deze verdragen zijn echter meer dan asiel. Zo regelt artikel 19 van het Verdrag inzake de rechten van het kind dat staten: “alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen (neemt) en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.” Nu is dit ook in de Jeugdwet geregeld en is de Grondwet ook op die manier te interpreteren maar die Jeugdwet kan worden gewijzigd. Als dit gebeurt, dan is er geen rechterlijke mogelijkheid meer om de overheid te dwingen kinderen te beschermen. Een Nederlandse rechter kan  immers niet toetsen aan de Grondwet.

De drie verdragen die Van de Beek wil afschaffen vormen de hoekstenen van de op rechten gebaseerde wereldorde. Een rechtsorde waarvan de Nederlandse regering, zo is in artikel 90 van de Nederlandse Grondwet bepaald, de ontwikkeling bevordert. ‘Dan wijzigen we de Grondwet toch op dit punt’, kun je tegenwerpen. Ja, dat kan. De vraag die je je vervolgens moet stellen, is hoe ziet de wereld er zonder die orde uit? Is een wereld zonder universele mensenrechten, zonder internationale rechtsorde een betere wereld?’ ‘Maar’, kun je weer tegenwerpen ‘wat maakt mij die wereld uit, als het goed is voor Nederland dan moeten we dat toch gewoon doen?’ Daarvoor een wedervraag: is een Nederland als paria die deze verdragen verwerpt beter af? Of om het wat toe te spitsen een vraag aan de VVD: hoe past dit in het gelijkwaardig zijn van ieder mens? Heeft iedereen dan nog evenveel rechten op vrijheid en kansen? Of aan de BBB is dit eerlijk, oprecht en betrouwbaar? Is dit, om de mantra van het NSC aan te halen, ‘goed bestuur’?

Nu maakt het opzeggen van deze verdragen geen deel uit van het akkoord van de coalitiepartijen. Maar ook bij dat akkoord kun je je de vraag stellen tot welke wereld dit leidt? Wat zeg je als je een land veilig verklaard waar nog steeds de machthebber die op de eigen bevolking schiet en ze bombardeert? Een land bovendien waar buurlanden Turkije en Israël te pas en te onpas bombarderen. Hoe ‘vanzelfsprekend ben je er voor elkaar’, om een van de vier kernwaarden van de BBB te benoemen als je het verblijf van mensen permanent tijdelijk maakt, want dat is wat je doet met het afschaffen van permanente verblijfsvergunningen? Of voor de VVD, hoe verdraagzaam (een van de liberale waarden, is een dergelijke maatregel? Of hoe verhoudt zich dit tot de liberale waarde vrijheid: “dat je je leven mag leiden zoals je dat zelf wilt,” zoals de VVD vrijheid omschrijft.

Dit gesprek moet in de volle breedte worden gevoerd. Want door pragmatisme, dat door dit kabinet ‘daadkracht’ wordt genoemd, zijn we in de problemen gekomen. Dit pragmatisme richtte en richt zich op het bestrijden van symptomen. Er wordt gedweild met de kraan open en soms lijkt het erop dat men niet eens weet dat er een kraan open staat. En nee, de asielzoekers zijn niet die openstaande kraan.

Appels, knollen en statistiek

“Wat betreft asielmigratie: bij de vaak gehoorde opmerking dat asiel slechts 10 tot 12 procent van de totale immigratie betreft, geeft Van de Beek een bijsluiter. Van de arbeidsmigranten is na tien jaar nog maar 21 procent in Nederland, van de studiemigranten 18 procent. Bij asielmigranten is dit 55 procent, bij gezinsmigranten 59 procent. Met andere woorden: ‘De bijdrage van asiel aan de bevolkingsgroei is veel groter dan op het eerste gezicht lijkt.’ En dat is van belang om te weten, ‘want geen andere vorm van immigratie belast de samenleving en verzorgingsstaat zozeer als asiel’.” zo lees ik in een interview met de Volkskrant Jan van de Beek in de Volkskrant.  Ik dacht: ‘Je hebt leugens, verdomde leugens en statistieken.’ En toen ik er wat verder indook dacht ik aan appels en peren waarmee knollen voor citroenen worden verkocht.

Van wie deze uitspraak over statistiek is, is onbekend. De Amerikaanse auteur Mark Twain schreef hem toe aan de Britse premier Benjamin Disraeli, maar, als je Wikipedia mag geloven, dan is de uitdrukking: “in geen enkel werk van Disraeli te vinden en de vroegste bekende verschijningen waren jaren na zijn dood. Er zijn verschillende andere mensen genoemd als bedenkers van het citaat, en het wordt vaak toegeschreven aan Twain zelf.” Ik moest denken aan deze uitspraak bij het lezen van het interview. Een interview over zijn nieuwe boek Migratiemagneet Nederland. Mythen. Feiten. Oplossingen. Even vooraf. Ik heb het boek nog niet gelezen en baseer me alleen op zijn uitspraken de Volkskrant en gedaan bij Bar Laat van 22 oktober 2024.

“Als je onderzoek doet, moet je proberen niet links en niet rechts te zijn maar zo zuiver mogelijk je onderzoek te doen en in de spiegel te kijken wat zijn mijn vooroordelen? Waar zou je kunnen struikelen?”  Aldus van de Beek bij Bar Laat. Hij wil ‘niet politiseren’. Nu is dat al een eerste spiegel waarin hij zichzelf wat vertekend waarneemt. De uitspraak over het belasten van de samenleving en de verzorgingsstaat door asielzoekers, is een politieke uitspraak. ‘Belasten’ is een waardeoordeel en waardeoordelen zijn politiserend. “We zitten op een omslagmoment. Het moet mogelijk zijn om een coalitie te smeden van flink wat EU-landen die af willen van het asielrecht in zijn huidige vorm,” in de Volkskrant, is politiseren. ‘Af willen’ van rechten is politiseren. “Je kunt wel zeggen: er wordt te weinig gebouwd, maar er is niet tegenop te bouwen. De kosten voor zorg lopen op, de onderwijskwaliteit daalt. Dat mag je best een crisis noemen.” Iets een crisis noemen is politiseren. Sterker nog, door te zeggen dat je niet wilt politiseren, politiseer je. Je politiseert omdat je als ‘neutraal en feitelijk’ bestempeld en daarmee iedereen die het anders ziet labelt als ‘bevooroordeeld en niet feitelijk’. Op dit punt is Van de Beek al ‘gestruikeld’ om zijn eigen woorden te gebruiken.

Hij noemt iedereen die naar een ander land gaat, migrant. En zo heb je dan arbeidsmigranten, studiemigranten en asielmigranten. Het verbaast me daarom dat hij de ‘vakantiemigranten’ niet heeft meegenomen. Die groepen gaat hij vervolgens met elkaar vergelijken op ‘bijdragen aan de samenleving’ en daarop scoren de asielmigranten het slechtst.  Ja, dank je de koekoek. Natuurlijk doen asielzoekers het slechter op de arbeidsmarkt dan mensen die hier naar toe worden gehaald door een werkgever en maken ze meer aanspraak op sociale voorzieningen dan mensen die hier komen studeren. Als je naar hier wordt gehaald om te werken heb je werk en als je naar hier komt om te studeren dan heb je geld om te overleven. Als vluchteling heb je dat niet. Dan begin je echt bij nul en omdat het gemiddeld bijna twee jaar duurt voordat je als statushouder ergens woont en dan pas mag beginnen met je inburgering, begin je eigenlijk diep in de min. En dus is het niet vreemd dat een veel groter deel van hen een beroep doet on sociale voorzieningen.

Natuurlijk is het percentage van de groep die asiel heeft verkregen dat na tien jaar nog hier woont, groter dan dat van degenen die hier komen voor arbeid of studie. Een studie duurt ongeveer vier jaar. Degenen die blijven hebben hier werk, een partner en waarschijnlijk allebei gevonden. Iets soortgelijks gaat ook op voor mensen die hier voor werk naartoe komen. De tijden dat je na veertig jaar trouwe dienst bij een werkgever met pensioen gaat, zijn allang voorbij. Na een jaar of vier ben je weer toe aan ‘een nieuwe uitdaging’ en die kan overal liggen. Iemand die asiel zoekt, komt hier omdat de persoon een veilig heenkomen zoekt, omdat het land van herkomst door oorlog of de politieke situatie voor de persoon te gevaarlijk is. In de landen waar het gros van de huidige vluchtelingen vandaan komen, landen als Afghanistan, Syrië en Eritrea, is nog steeds in oorlog of is de politieke situatie van dien aard dat velen hun leven er niet zeker zijn.

“‘Dan is er de factor culturele afstand tot het herkomstland. Als die te groot is, is dat nadelig voor integratie. Dat pakt slecht uit voor participatie op de arbeidsmarkt en leidt tot oververtegenwoordiging in criminaliteit. Wat helpt, zijn gemengde relaties.” En “ juist asielmigranten uit andere delen van Afrika en het Midden-Oosten, veelal moslims, hebben weerstand tegen gemengde relaties. Daar hapert de integratiemotor.” Aldus Van de Beek in de Volkskrant. Om te integreren moet de club waarin je verwacht wordt te integreren wel open staan voor je integratie. Het narratief waarvan Van de Beek hier de milde variant geeft, ze zijn ‘te verschillend’, en dat ook in steeds extremere mate door partijen als de BBB en de PVV wordt gehanteerd, draagt niet bij  aan het ‘open staan’ en het zal de belangstelling voor een gemengd huwelijk onder de kant van de geboortige Nederlanders, niet echt doen toenemen. Dat narratief is een self-fulfilling prophecy. 

Wat al deze groepen met elkaar gemeen hebben, is dat het mensen zijn die naar een ander land trekken. De reden voor vertrek naar dat andere land is echter zeer verschillend. Door ze op één hoop te gooien en te spreken over arbeidsmigratie, studiemigratie, asielmigratie worden onvergelijkbare groepen op één hoop gegooid en daarvan wordt de kwetsbaarste groep, de asielzoekers, het slachtoffer. Het wegpoetsen van deze verschillen is politiseren. Daar een bruinkleurig cultureel sausje over gieten is politiseren. Van de Beek vergelijkt appels met peren, verkoopt knollen voor citroenen en onderbouwt dit met statistiek.

Daadkrachtige illusionisten

Daadkracht, naast asielcrisis is dit het woord dat het kabinet Schoof en de partijen die dat kabinet vormen, het meest gebruiken. Daarbij wordt daadkracht vaak gekoppeld aan dat andere woord, aan asielcrisis. Men wil uitstralen dat er ‘gas op de lolly’ moet, dus  ‘geen woorden maar daden’, actie, doen, doen, doen! Dat klinkt positief.

Daadkracht: ‘werkkracht, energie” volgens de Van Dale. Een wel heel korte omschrijving. Gelukkig geeft de site cvster, bedoeld om mensen te helpen met het schrijven van hun curriculum vitae 15 voorbeelden waaruit blijkt dat je daadkrachtig bent. Zaken als: “Je houdt van aanpakken en hebt een duidelijke visie, je gaat doelgericht te werk en weet hoe je een taak zo snel en goed mogelijk kan uitvoeren, je hebt een hekel aan treuzelen. Zo zul je zelf niet snel een taak tot de volgende dag laten liggen. Maar ook bij anderen kun je traagheid niet goed uitstaan,” en zo nog 12 andere voorbeelden. De site geeft ook wat valkuilen: “Je neemt altijd het voortouw en laat daardoor soms te weinig ruimte voor anderen, je wilt snel resultaat en schuwt niet om dat te laten blijken,  je kunt wat drammerig overkomen en pusht anderen soms te veel.” Als je naar de woorden van het huidige kabinet kijkt, dan lijken die bij de voorbeelden te passen. Je hoeft het er niet mee eens te zijn, maar het heeft een visie. Het gaat doelgericht te werk.  Het dramt en pusht elkaar en anderen. Dus daadkrachtig en daadkracht is wat we nodig hebben om de vraagstukken aan te pakken.

Belangrijker dan hard werken, is werken aan de goede dingen. Hard trekken aan de verkeerde kant van een touw is wellicht daadkracht maar niet erg effectief. Waar ga je mee aan de slag en wat laat je nog even liggen? Bij het plannen van mijn werk gebruik ik de volgende vraag: ‘moet ik dit nu doen?’  Die ene vraag kun je op verschillende manieren  lezen, afhankelijk van waar je de klemtoon legt. Als eerste de vraag moet ik dit nu DOEN waarbij de klemtoon ligt op het in hoofdletters getypte woord. In dit geval dus DOEN. Moet er überhaupt iets gedaan worden of is het een probleem wat zich vanzelf oplost of wellicht geen probleem is. Dan de vraag MOET ik dit nu doen? Is er een noodzaak om ermee aan de slag te gaan of is die er niet, is het ‘nice to do’. Dan de vraag moet IK dit nu doen. Ben ik de persoon die hiermee aan de slag moet of is iemand anders meer geschikt? Dan de vraag moet ik DIT nu doen. De vraag naar de manier waarop je iets oppakt. Moet het op de manier zoals ik het wil of is er ook een andere wellicht betere manier. Als laatste de vraag moet ik dit NU doen?  Moet het echt nu of kan het ook nog later.

Minister Madlener gaat vol energie aan de slag met het daar waar het kan mogelijk maken van 130 kilometer per uur rijden. Dit blijkt wellicht op vier kleine stukjes snelweg te kunnen. Alleen kun je je afvragen welk maatschappelijk probleem hiermee wordt opgelost? Want als de overheid ergens voor is, dan is het voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Een relevante vraag omdat de verlaging van de maximum snelheid in 2020 werd ingevoerd als bijdrage aan het oplossen van het stikstofprobleem. Bovendien zorgt een lagere snelheid voor minder ongelukken, levert het voor de autorijder lagere kosten op en minder files. Ook was en is 130 rijden vaak niet mogelijk vanwege de drukte op de weg. Is hier sprake van een maatschappelijk probleem of is dit symboolpolitiek en dus ‘nice’ voor een enkeling? Ook relevant is de vraag of dit werkelijk het eerste is waar een minister met als taken de weginfrastructuur, water, scheepvaart, luchtvaart en Rijkswaterstaat zich mee bezig moet houden. En in het verlengde van de minister het ambtelijk apparaat.

Dan de asielnoodwet. Laten we die ook eens langs die vragen leggen. Ja er moet iets gedaan worden want er gaat iets niet goed in de asielketen en wat er niet goed gaat lost zich niet vanzelf op. Daarover schreef ik al eerder een prikker. En ja, minister Faber is de persoon die hiermee aan de slag moet en liefst nu. Maar is DIT, een asielnoodwet, de beste manier om er iets aan te doen? Alhoewel de beeldvorming anders doet vermoeden is, zoals ik in die eerdere prikker al aangaf, is de instroom van mensen die asiel aan komen vragen niet het grote probleem. Als we de periode sinds 2014 bekijken dan was er in die hele periode één jaar (2015) dat er meer dan vijftigduizend asielaanvragen en nareisaanvraag samen werden ingediend. Let wel ingediende aanvragen. Het aantal dat asiel kreeg, was lager. Een asielnoodwet lost het tekort aan woningen niet op. Dat tekort is er de oorzaak van dat kinderen langer dan ze wensen bij hun ouders blijven wonen maar ook dat statushouders niet uit de asielopvang kunnen stromen. En om het andere probleem, te weinig ‘besliscapaciteit’ bij de IND waardoor procedures standaard veel te lang duren op te lossen, is de wet niet nodig. Dat kan makkelijk zonder een asielnoodwet’.  Een verkeerde oplossing voor een imaginair probleem terwijl het echte probleem blijft bestaan.

Daadkrachtig werken aan iets wat geen probleem is of op een manier die niets bijdraagt aan een snelle oplossing van een probleem, is verspilde daadkracht. Het is verspilde energie die ook besteed had kunnen worden aan echte maatschappelijke problemen en uitdagingen. Het kabinet is een illusionist die de daadkracht rich top problemen die er niet zijn. Dan zou het wel eens een goed idee zijn om een idee van minister Faber wat aan te passen en bordjes te plaatsen rond de Haagse kaasstolp met daarop de tekst: ‘hier wordt aan uw illusie gewerkt’

Holocaust

Ik hoop dat jullie niet teveel beelddenkers zijn. Ik hoop het want ik hoorde Mona Keijzer in een uitzending van Jeroen en Sophie uitspraken doen waar me figuurlijk de broek van afviel. Keizer kwam uitleggen wat de strengere eisen aan integratie inhouden die in het coalitieakkoord Hoop, Lef en Trots staan.

Keijzer: “Wat dat inhoudt, is dat je bijvoorbeeld in de inburgering nadrukkelijk de kennis van, over de Holocaust moet bijbrengen.” Daarna volgde nog iets over de Nederlandse taal. Vervolgens vroeg Sophie, de presentator van dienst aan Arnon Grunberg, een andere tafelgast wat hij hiervan vindt. Grunberg antwoordde: “Ik denk dat het een heel slecht idee is om de genocide, om de moord op de joden in Europa te gebruiken om mensen die hier naartoe kijken eigenlijk te straffen en te zeggen: ‘dit moeten jullie kennen. Ik denk dat het een tegengesteld effect heeft. Dat het eerder jodenhaat eigenlijk doet toenemen. Ik ben er faliekant tegen. Ik vind het echt kwalijk. Dat is precies wat je niet moet doen… En dit vind ik eigenlijk ook nog schandelijk omdat over de ruggen van zes miljoen vermoorde joden hier symboolpolitiek wordt bedreven”  Volgens Keizer mocht Grunberg dat zeggen, maar was het absoluut zo niet bedoeld. En na wat ze toen zei, viel mij die figuurlijke broek af. Keizer: “Wat je ziet is dat veel asielmigranten komen uit landen met een islamitisch geloof. We weten dat daar jodenhaat onderdeel is bijna van de cultuur.” ……….. ?

Nog niet zolang geleden schreef ik over de identieke bewering van Caroline van der Plas dat: “de groepen mensen die hier het meest asiel aanvragen dat zijn landen als Syrië, Eritrea, Jemen dat zijn wel echt landen die een joden haat hebben die tot diep in hun ziel zitten.” Niet alle mensen zei ze erbij. Dat noemde ik toen een discriminerende generalisatie. Wat mij het meeste stoorde was dat de complete OP1-tafel zweeg. Dat was hier gelukkig niet het geval.  

Ik eindigde die vorige Prikker met de woorden: “Als we toch iets moeten hebben geleerd van de Holocaust dan is het dat precies de discriminerende generalisaties zoals Van der Plas aan de wieg stonden van die Holocaust. Die discrimineren generalisaties en het zwijgen van de omstanders. Ik zwijg niet.”  Het lijkt erop dat Keijzer en Van der Plas dat niet weten. Of wellicht zijn ze in dat half jaar dat ze hebben zitten te onderhandelen geïndoctrineerd door Wilders. Van hem is immers al bekend dat hij moslims generaliseert en discrimineert. Die indoctrinatie gaat zelfs zover dat de twee andere partijen, en dan met name NSC en haar leider Pieter Omtzigt, toch een afsplitsing van het ‘fatsoen moet je doen’ van het CDA, dit zomaar laat passeren en accepteert.

Als er dan toch ergens ‘nadrukkelijk kennis van de Holocaust’ bijgebracht moet worden, dan zijn de onderhandelaars van het coalitieakkoord een goede plek om te beginnen.

Van der Plas en het zwijgen

In  uitzending van OP1 van donderdag  28 maart 2024 hield BBB-leider Caroline van der Plas een pleidooi voor hard optreden tegen antisemitisme. Van der Plas stoorde zich aan de ‘slappe hap’ zoals ze het een paar dagen eerder in de Tweede Kamer noemde. Van der Plas constateert een toenemend antisemitisme met als laatste voorbeeld het verstoorde optreden van zangeres Lenny Kuhr. Ik stoorde me aan de presentatoren Sijtsma en Kelder en de andere aanwezigen. Laat ik voorop stellen, antisemitisme is verwerpelijk en er moet, dat ben ik met Van der Plas eens, hard tegen worden opgetreden. Toch stoorde ik me om het zacht uit te drukken.

Ik stoorde me en dat doe ik al langer, aan het gemak waarmee politici als Van der Plas, maar zij niet alleen, op ieder protest tegen het optreden van Israël in Gaza het label ‘antisemitisme’ plakken. Protesteren tegen het Israëlisch optreden mag. En om Asha ten Broeke uit haar column in de Volkskrant te citeren: “Er bestaat geen grondrecht op een ongestoord concert.”  Het beeld dat Van der Plas schetst van het gebeurde is er een van een joodse zangers die tijdens een concert werd aangesproken omdat ze joods is. Als dat beeld klopt is een veroordeling van de actie op z’n plek. Dan wordt Kuhr aangesproken op haar joods zijn.

Het beeld dat van Ten Broeke in haar column schets, ziet er toch net iets anders uit. Volgens Ten Broeke werd er geroepen: “Schaamt u zich niet voor het supporten van genocide? Uw kinderen zijn medeplichtig aan genocide, u moet zich schamen.” en  “Free, Free Palestine” en “Lenny is een terrorist, ze is een zionist!”  Geen complimenten. Maar toch als ik verder lees dat de zangeres in een interview met het Nederlands Dagblad haar mening verkondigt, dat nu de strijd nodig is  en dat ze: “achter de militaire operatie die Israël aan het voeren is,” staat, dan is de uitspraak dat Kuhr genocide support niet zo ver gezocht. De Zuid-Afrikaanse regering denkt er net zo over en heeft Israël daarom voor het Internationaal Strafhof gesleept. Alleen de beschuldiging dat Kuhr een terrorist is, lijkt mij ver bezijden de waarheid. Als dit beeld klopt, dan werd Kuhr niet aangesproken op haar joods zijn, maar op haar steun aan de staat Israël. Dat is geen antisemitisme en hoeft niet veroordeeld te worden. Door op een dergelijk protest tegen Israël het label ‘antisemitisme’ te plakken, wordt de echte strijd tegen het antisemitisme geen goed gedaan. Ik stoorde mij eraan dat de twee presentatoren en de andere aanwezigen Van der Plas zonder weerwoord lieten orakelen. Sterker nog, ze huilden mee met wolven

In haar betoog haalde Van der Plas Duitsland als voorbeeld aan. Een groep die hier actie kan voeren is daar verboden en ook de ‘van -de-rivier-naar-de-zee’ uitspraak is daar verboden. Dat zou zij ook wel willen. Daarop haalde presentator Sijtsma aan dat in Duitsland het erkennen van de Holocaust onderdeel is van de inburgering. “En eigenlijk wilt u dit ook in Nederland gaan doen,” eindigde Sijtsma haar inbreng. Waarop Van der Plas aanhaalde: “Ik denk dat een heel goed idee is om dat in Nederland te doen omdat we zien dat de groepen mensen die hier het meest asiel aanvragen dat zijn landen als Syrië, Eritrea Jemen dat zijn wel echt landen die een joden haat hebben die tot diep in hun ziel zitten. Ik zeg niet alle mensen …”

Pardon? Een Kamerlid dat hier burgers van een hele naties wegzet als antisemitisch. Als een minder ontwikkeld soort mensen dat ‘opgevoed’ moet worden in het goede ‘Nederlandse gedrag’. De andere aanwezigen bleven stil. En toen kwam het stoom uit mijn oren. Als we toch iets moeten hebben geleerd van de Holocaust dan is het dat precies de discriminerende generalisaties zoals Van der Plas aan de wieg stonden van die Holocaust. Die discrimineren generalisaties en het zwijgen van de omstanders. Ik zwijg niet.

Een pleidooi voor Dilan junior,

Beste mevrouw Yeşilgöz-Zegerius. Even over dat ‘meisje van acht jaar oud dat vandaag als vluchteling in Nederland’ aankomt. Dat meisje speelt een belangrijke rol in het vluchtelingenbeleid van de partij die u leidt. Bij mij roept dit wat vragen op over de vluchtelingen- en migratieparagraaf van het verkiezingsprogramma Ruimte geven. Grenzen stellen. Keuzes voor een optimistische toekomst van uw partij de VVD. Omdat die tijdens al die debatten die er al zijn gevoerd, nog niet aan bod zijn gekomen, stel ik ze in deze brief.

Bron: Flickr

“Immigranten maken Nederland alleen sterker als iedereen die hier mag blijven, ook echt integreert in onze samenleving.” Zo lees ik op pagina 6 van het verkiezingsprogramma van uw partij de VVD. Daar is, zo gaat het verder, nog wel wat te winnen. “Op scholen in ons land wordt zichtbaar hoeveel werk er nog te verzetten” is. En waar blijkt dat uit? “Bijvoorbeeld (uit)de achterstanden waarmee kinderen op school verschijnen. Of botsingen in de klas rond zaken als gelijke rechten tussen vrouw en man en ontkenning van de holocaust.” Dat kinderen van migranten met een achterstand aan hun Nederlandse onderwijs carrière beginnen, vraagt inderdaad aandacht. Voor wat betreft die botsingen wat vragen. Zijn het alleen migranten die de gelijkheid tussen man en vrouw ter discussie stellen en de Holocaust ontkennen? Met deze passage suggereert uw partij dat migranten de oorzaak zijn van die botsingen. Nu bent uzelf, volgens de definitie van de Van Dale een migrant. U bent namelijk iemand die: “naar een andere streek of ander land is) verhuisd.”  Of ziet u zichzelf niet meer als migrant? Of, nee laat ik dezelfde vraag anders stellen? Wie is voor u een migrant? Of nog anders geformuleerd, wanneer ben je geen migrant meer? Als ik migrant was, dan zou ik me door de suggestie die uw programma wekt, in de hoek gezet voelen. In de hoek van de minder ‘verlichte dan ons’ personen. Dit terwijl een deel van die ‘ons’ in een donkerdere omgeving verkeert dan menig migrant. Recentelijk gaf u aan de partij van de belangrijkste vertegenwoordiger van die donkere omgeving niet uit te willen sluiten van regeringsdeelname.

Dan dat meisje van acht, waarvoor uzelf model staat. Dat meisje, laten we haar Dilan noemen, heeft, zo lees ik in het verkiezingsprogramma van uw partij: “geen redelijke kans om later uit te groeien tot ingenieur, verpleegkundige, politievrouw of minister en VVD-leider.”  Dat is niet wat u wilt want, zo gaat het verder: “Terwijl dat is wat we zouden moeten willen. Dus moeten we nog een aantal dingen doen. Het is ten eerste noodzakelijk dat de Europese buitengrens wordt verstevigd. Ten tweede moet Nederland altijd blijven aandringen op opvang in de regio, zoals wij dat ook voor de Oekraïners hebben gedaan. Ten derde moet Nederland minder aantrekkelijk worden als eindbestemming voor mensen van buiten onze regio.”  Hierbij een aantal vragen. Als eerste, hoe draagt het verstevigen van de buitengrens van Europa eraan bij dat de kans van Dilan om VVD-leider te worden, toeneemt? Als zij al in Nederland is, verandert een stevige  buitengrens niets aan haar kansen hier in Nederland. Die grens verandert niets aan haar situatie. Als u haar situatie wilt veranderen, dan moet u in Nederland iets voor haar doen. Of zie ik dit verkeerd?

Nu de volgende situatie. U wint komende woensdag de verkiezingen en uw vluchtelingen- en migratiebeleid wordt werkelijkheid. Die stevige buitengrens is er. Uw pleidooi voor opvang in de regio is succesvol. Zo succesvol dat alle vluchtelingen ‘in de regio’ worden opgevangen. Het is 2028 en een meisje van acht met de mooie naam Dilan, is met haar ouders op de vlucht vanuit een land ‘in de regio’. Welke regio doet er even niet toe maar het is in ieder geval niet de regio die u als ‘onze regio’ ziet. Wat is voor u trouwens ‘onze regio’? behoort Israël bijvoorbeeld tot ‘onze regio’? Als Israël bij onze regio hoort, horen de in hetzelfde gebied wonende Palestijnen dan ook tot ‘onze regio’?  En als Israël niet tot onze regio behoort, waar moeten de Israëliërs dan vluchten als het hen te heet onder de voeten wordt? Maar ik dwaal af. Ontneemt uw succesvolle beleid deze Dilan dan niet de kans om ergens in 2060 leider van de VVD te worden, als die partij dan nog bestaat? Ontnemen omdat Dilan ergens in ‘de regio’ blijft hangen?

Afsluitend. Het is het goede recht van uw partij om hardvochtig te zijn tegenover vluchtelingen en migranten. Het is niet mijn keuze maar het mag. Wel is het, in mijn ogen, bijzonder cru en schaamteloos een sentimenteel pleidooi te houden voor de kansen van uw opvolger Dilan ter verdediging van beleid dat niets doet voor de  kansen van Dilan van acht van nu en dat de kansen voor een toekomstige Dilan volkomen de grond in boort.  

Erfelijk vluchtelingschap

“Historici zeggen graag dat wie zijn geschiedenis niet kent, gedoemd is deze te herhalen. In het Midden-Oosten is het eerder omgekeerd: daar zouden alle partijen gebaat zijn bij totaal historisch geheugenverlies.” Met die woorden eindigt een artikel van Arnout Jaspers bij Wynia’s Week. Jaspers windt zich erover op dat er grote woorden worden gebruikt zoals ‘genocide op de Palestijnen’ terwijl de Palestijnse bevolking tijdens al die conflicten alleen maar is gegroeid. Hij verbaast zich vooral over  het ‘erfelijk vluchtelingschap’ want dat  suggereert het recht op terugkeer en dat is: “na al die jaren (…) een dolzinnige eis, louter bedoeld om elke geweldloze oplossing onmogelijk te maken.” Dat ‘erfelijk vluchtelingschap’ is echter niet zo vreemd als Jaspers het doet voorkomen.

Eerst even Jaspers betoog. Palestijnen hebben “een in de wereld uniek privilege (…): erfelijk vluchtelingschap. Alle nakomelingen van degenen die in 1948 gevlucht zijn (de zogeheten Nakba), kunnen zich ook laten registreren als vluchteling. Je kunt zelfs door adoptie vluchteling worden. Dat erfelijk vluchtelingschap houdt nooit op: het zet zich van kinderen op kleinkinderen op achterkleinkinderen voort.”  Dat ‘erfelijk vluchtelingschap: “heeft een uiterst kwalijke consequentie: het pseudo-legitimeert ‘het recht op terugkeer’. Palestijnse jongeren van zestien, zeventien jaar eisen, desnoods met geweld, het land op waarvan hun grootouders of overgrootouders vijfenzeventig jaar geleden gevlucht zijn.”  Inderdaad hebben de Palestijnse vluchtelingen een unieke status gebaseerd op VN resolutie 302 van december 1949. Andere vluchtelingen, zoals de recente Oekraïense kunnen zich niet beroepen op zo’n unieke status. Van waar die ongelijkheid?

Die unieke status is een gevolg van de bijzondere verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties voor die Palestijnse vluchtelingen. Voor die verantwoordelijkheid moeten we terug naar het einde van de negentiende eeuw. ‘Maar toen bestond de VN toch nog niet?’  Inderdaad die bestond toen nog niet en zelfs haar voorloper de Volkerenbond liet nog een decennium of drie op zich wachten. Toch moeten we, om die bijzondere situatie goed te begrijpen, terug naar het einde van de negentiende eeuw. Naar het boek Der Judenstaat van Theodor Herzl dat in 1896 wordt gepubliceerd en de zionistische beweging die hij vervolgens opricht. Herzl zag ‘een eigen staat’ als enige oplossing voor de eind negentiende eeuw weer oplaaiende haat tegen joden. En waar moest die staat komen? Herzl noemde er twee: Argentinië en Palestina. Zijn betoog vond bij menig prominent Europese politicus een luisterend en gewillig oor. Een ‘oor’ dat enkele andere mogelijke locaties voor die Joodse staat voorstelden zoals Suriname. De voorkeur van het Zionistische Congres ging om religieuze redenen, uiteindelijk uit naar Palestina. Dit op aandringen van Oost- Europese joden die in die tijd het meeste te lijden hadden onder jodenhaat.

Nu maakte Palestina al sinds het sultanaat van Selim I in het begin van de zestiende eeuw deel uit van het Ottomaanse Rijk. Een groot rijk waarin vele volkeren woonden dat op godsdienstig gebied redelijk tolerant was maar waar de islam de dominante godsdienst was. De sultan was naast sultan ook kalief, de leider van de islam. Die tolerantie blijkt uit het feit dat onderdrukte joden uit verschillende delen van Europa een veilig toevluchtsoord in het rijk vonden. Voor wie meer wil weten over het Ottomaanse Rijk kan ik het boek De Ottomanen. Khans, Keizers en Kaliefen van Marc David Baer aanbevelen. Er werd dus gesproken over een gebied waarover men niets te zeggen had en aan de inwoners waarvan men niets had gevraagd. Die inwoners waren overwegend islamiet met minderheden van verschillend christelijk pluimage en joden. Groepen die al eeuwen redelijk vreedzaam met elkaar samenleefden. Dat wil niet zeggen dat er niet af en toe conflicten waren en er bloed vloeide. Conflicten waarvan ook de joodse minderheid slachtoffer was.

Dit eens machtige rijk was, eind negentiende eeuw echter al zo’n 150 jaar in verval. De Ottomanen kozen in de Eerste Wereldoorlog de kant van de As-mogendheden (Duitsland, het Oostenrijks Hongaarse Rijk en hun bondgenoten. Frankrijk, Engeland en Rusland, de drie geallieerde mogendheden, waren al veel langer om verschillende redenen geïnteresseerd in stukken van het Ottomaanse Rijk. Redenen die met elkaar botsten maar die in deze oorlog even samenkwamen onder de vlag van ‘de vijand van mijn vijand’. Een vlag die gedurende de geschiedenis voor veel ellende heeft gezorgd. De drie mogendheden brachten de oorlog met meer en minder succes naar het Ottomaanse grondgebied. De door The Pogues in hun lied And the Band played  Waltzing Mathilda bezongen slag bij Gallipoli was die minder succesvolle. Een slag waar de latere Turkse leider Mustafa Kemal aan Ottomaanse kant een belangrijke heldenrol vervulde. Een van de manieren om de oorlog in hun voordeel te beslissen, was het beloven van zaken aan groepen. Zo boden de Britten de Arabieren zelfbeschikking als ze in opstand kwamen tegen de Ottomanen. Om zich te verzekeren van de steun van de joden, schreef minister  Arthur Balfour op 2 november 1917 een brief: “ Zijne Majesteits Regering staat positief tegenover de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk, en zal zich tot het uiterste inspannen om de verwezenlijking van dit doel te vergemakkelijken, met dien verstande dat niets zal worden gedaan dat afbreuk kan doen aan de burgerlijke en godsdienstige rechten van de bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina, of aan de rechten en de politieke status die de Joden in enig ander land genieten. De brief was gericht aan een van de zionistische leiders Walter Rottschild. Op het moment van schrijven was Palestina nog steeds Ottomaans.

Dat veranderde in 1918 toen de Egyptische expeditie macht van het Britse Rijk samen met Arabische opstandelingen de Ottomanen verdreven. De Arabieren die de beloofde zelfbeschikking verwachtten, kwamen in Palestina bedrogen uit. Die zelfbeschikking zou er wellicht in de toekomst komen maar vooraleerst maakten de Britten er de dienst uit. Die ‘dienst’ werd in 1922 geformaliseerd met het verdrag van Sèvres, het vredesverdrag tussen het Ottomaanse Rijk en de geallieerden. Met dat verdrag tekenden de Ottomanen uiteindelijk hun doodvonnis en ontstond Turkije onder leiding van Mustafa Kemal. Het verdrag verdeelde het Arabische deel van het Ottomaanse Rijk onder tussen de Britten en de Fransen. Dit zoals beide mogendheden met het Sykes-Picot verdrag overeen waren gekomen. De laatsten kregen de gebieden die we nu Libanon en Syrië noemen in Mandaat. De eersten Palestina en Irak. Het gebied Palestina werd hierbij gesplitst in Palestina (het, huidige Israël inclusief de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever) en Trans-Jordanië (grofweg het huidige Jordanië). De Volkerenbond bekrachtigde dit met mandaatverdragen. Het Britse mandaatverdrag voor Palestina bevatte in de preambule de volgende passage: “Overwegende dat de belangrijkste geallieerde mogendheden eveneens zijn overeengekomen dat het Mandaat verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de verklaring die oorspronkelijk op 2 november 1917 door de regering van Zijne Britse Majesteit is afgelegd en door voornoemde mogendheden is aangenomen ten gunste van de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk, met dien verstande dat niets mag worden ondernomen dat afbreuk zou kunnen doen aan de burgerlijke en godsdienstige rechten van bestaande niet-joodse  gemeenschappen in Palestina of aan de rechten en de politieke status die de Joden in enig ander land genieten.”  Die opdracht werd vastgelegd in het tweede artikel dat de Britten de opdracht gaf om: “het land onder zodanige politieke, bestuurlijke en economische omstandigheden te brengen dat de vestiging van het joodse nationale tehuis, zoals vastgelegd in de preambule, en de ontwikkeling van zelfbesturende instellingen verzekerd zijn, en tevens de burgerlijke en religieuze rechten van alle inwoners van Palestina, ongeacht ras of godsdienst, te waarborgen.[1]

In het mandaatgebied Palestina vestigden zicht na de Eerste Wereldoorlog steeds meer joden. Dit aangemoedigd door de tekst in het mandaatverdrag. Die kwamen daarna in steeds grotere getalen en dat leidde tot steeds meer frictie met de er wonende bevolking. Niet vreemd want die frictie zien we ook in Europa met de komst van migranten. Zeker als die migranten jouw land zien als het hunne en dus jou als een lastige bijkomstigheid. En dat was de manier waarop de nieuwkomers, zionisten, naar de wereld keken. Dit leidde al snel, in 1920, tot  botsingen en de eerste doden en gewonden. Die botsingen leidden tot de oprichting van zionistische paramilitaire organisaties zoals de Hagana en Arabische protest- en verzetsbewegingen. De Hagana werd in eerste instantie opgericht om de joden te beschermen tegen Arabisch geweld want daarvan was sprake. De Hagana werd na 1948 de ruggengraat van het Israëlische leger. De frustratie en druk over de steeds toenemende migratie van joden naar Palestina en de gevoelde voorkeurshandeling van joden door het Britse bestuur, leidde tot steeds meer frustratie bij de Palestijnen.

Enige voorkeur voor de joodse zaak was de Britten niet vreemd. De eerste handeling van de eerste civiele bestuurder van Palestina was het wijzigen van het landeigendomsrecht. Dat was traditioneel in handen van het collectief, de uitgebreide familie, de clan of het dorp en werd omgezet naar privé eigendom. Dit maakte het voor de joodse migranten makkelijker om grond te verwerven. makkelijker om grond in eigendom te verkrijgen. De wet maakte het mogelijk om onbebouwd (woning en landbouw) land in bezit te krijgen door er te gaan wonen en er iets te gaan verbouwen. Het ging verder. De Britten stelden een Wetgevende Raad in die hen moest adviseren. De leden van die raad werden via verkiezingen benoemd. De raad zou worden bezet door acht Arabische moslims, twee christelijke Arabieren, twee joden en tien door de Hoge Commissaris, het Britse bestuur, benoemde leden. De Arabieren boycotte deze verkiezingen omdat zij, slechts 45% van de zetels kregen terwijl ze 88% van de bevolking uitmaakten. De voorkeur bleek ook uit het gegeven dat Britten de Hagana ging trainen. Zij leerden de Hagana moderne gevechtstechnieken en effectieve strafmaatregelen tegen mensen die zich verzetten.

Daarmee komen we in het jaar 1936. In dat jaar organiseerde een Arabische groep een algemene staking in Jaffa en Nabloes. Een staking met drie eisen: stopzetting van de joodse migratie, een verbod op de verkoop van gronden aan joden en de instelling van een representatieve regering. Die staking liep uit in gewelddadigheden en een opstand  toen de Britse politie het vuur opende op de protesterende Arabieren.  In de drie jaar durende opstand maakten de Britten gebruik van het door hen getrainde Hagana bij het neerslaan van de opstand. Uiteindelijk stuurden de Britten 20.000 soldaten om een einde te maken aan de opstand. De manier waarop Israël nu in Gaza en eigenlijk al jaren tegen de Palestijnen optreedt, is een voorzetting van de manier waarop de Britten met verzet en dan vooral van Arabische kant, in Palestina omgingen, namelijk het collectief straffen. Collectief straffen door het opleggen van boetes, het in bezit nemen van vee, het vernielen van huizen en soms hele dorpen en het detineren van groepen in concentratiekampen, die vervolgens de kans liepen om gemarteld en gedood te worden. Zo werden na de Arabische opstand onder andere 5.000 huizen vernietigend, 150 Arabische leiders ter dood veroordeeld en andere leiders verbannen. Resultaat van de opstand was dat de Arabieren zonder leiders zaten en door de Britten werden ontwapend. Dit terwijl de Britten  veiligheidsafspraken maakten met het joodse leiderschap, dit van wapens voorzag en een deel van de kosten ervan voor haar rekening nam. En net zoals  nu was een veelvoud van de doden en gewonden Arabier. Nog geen 1.000 doden aan Britse en joodse kant tegen ongeveer 5.000 aan Arabische kant.

Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Voor de zionisten was het duidelijk welke kant er gekozen moest worden: de geallieerden. De al bestaande samenwerking tussen de Britten en de joodse paramilitaire organisaties werden verstevigd en joodse strijdgroepen werden verder getraind en bewapend en vochten aan diverse fronten mee. Dit betrof zo’n 30.000 soldaten. Daarnaast vochten joden mee in de reguliere geallieerde troepen. In totaal ongeveer anderhalf miljoen. Voor de Arabieren lag dat anders. Zij herinnerden zich de beloften van een oorlog eerder en zagen hun werkelijkheid. Die twee verschilden behoorlijk van elkaar. Die waren verdeeld. Een deel had al tijdens de Arabische Opstand contact gezocht met nazi-Duitsland en zetten dat contact heimelijk voort. Een deel koos voor de geallieerde kant en vocht net als, en soms zelfs zij aan zij met, de joodse strijders tegen de Duitsers en Italianen. De rest hield zich stil en koos geen kant.

Na de overwinning op nazi-Duitsland zochten veel Europese joden een veilig heenkomen. Een grote groep wilde naar de Verenigde Staten maar ook een flink deel naar die ‘eigen staat’ in Palestina. Alleen ging dat nog niet zo makkelijk want de Britten hadden na de Arabische Opstand besloten om de joodse migratie naar Palestina te beperken tot 25.000 eenmalig, 10.000 in de eerste vijf jaar na 1939 en in de vijf jaar daarna zou migratie afhankelijk worden gemaakt van toestemming van de Arabische gemeenschap. Dit zeer tegen het zere been van het joods leiderschap in Palestina. Daarom legde de diverse joodse strijdgroepen zich toe op het naar Palestina smokkelen van zoveel mogelijk joodse vluchtelingen. Een van die ‘smokkelacties’ heeft Leon Uris geromantiseerd in het boek Exodus. Dit boek is later verfilmd. Dit boek en de film hebben het beeld van Israël en ook van de Arabieren lang bepaald. De eerste ten positieve en de tweede ten negatieve. Die verboden migratie en het Britse optreden hiertegen maakte dat de zionisten zich nu ook tegen de Britten keerden: de Joodse Opstand van 1944-1947. Vooral Irgun, een van de joodse strijdgroepen onderscheidde zich met terreurdaden. Daar waar die voor de Tweede Wereldoorlog vooral gericht waren op Arabische doelen en dan vooral Arabieren in het algemeen, waren vanaf medio 1944 ook de Britten het slachtoffer en niet alleen in Palestina. De meest bloedige was gericht tegen het dorp Deir Yassin op 8 en 9 april 1948. Een actie die vergelijkbaar is met de recente Hamasaanval. Die actie vond plaats vlak voor de vijftiende mei, de dag dat de Britten zich terugtrokken.

In 1947, het jaar vóór die terugtrekking, nam de opvolger van de Volkenbond en dus de mandaatgever, de Verenigde Naties, resolutie 181 aan. Een resolutie met een twee statenoplossing, een Joodse en aan Arabische,  die samen een economische unie zouden vormen. Jerusalem en omgeving zou door de VN worden bestuurd. De Arabische zijde zag niets in dit plan, zij wilden wat zij met goede argumenten als hun land zagen, niet verdelen en zeker geen genoegen nemen met 43% van het land terwijl ze twee derde van de bevolking besloegen. De andere zijde, het Joods Agentschap onder leiding van David Ben Goerion zag dit ook niet zitten en riep op 14 mei vlak voordat de Britten hun mandaat zouden beëindigen de onafhankelijke staat Israël uit en gaf de opdracht aan haar troepen om belangrijke gebieden te bezetten en indien nodig te vernietigen. Dit conform het hiervoor door de Hagana opgestelde plan Dalet. Het voormalige dorp Al-Tantoera is daarvan een schrijnend voorbeeld. Hiermee werd invulling gegeven aan het derde doel dat de Israëliërs zich hadden gesteld: zo min mogelijk Arabieren binnen de grenzen. De andere twee waren de oorlog overleven en als dat lukte zo ruim mogelijke veilige grenzen. De Arabieren in Palestina waren zonder leiderschap en bijna volledig ontwapend door de Britten, geen partij voor de Israëlische strijdkracht. Hulp moest van buiten komen.

Behalve de Arabische buren, erkende bijna alle landen Israël als onafhankelijke staat. Dit paste immers in het afgesproken verdelingsplan. Dat die staat in de erop volgende oorlog datzelfde verdelingsplan schond door zich een groter gebied toe te eigenen dan waarvan in het plan sprake was, leidde afgezien van de Arabische wereld, tot weinig protest. Voor de Arabische buurlanden Jordanië, Egypte, Syrië en Irak was die uitroeping van de staat Israël aanleiding om in te grijpen. Zij stuurden hun legers maar dat werd geen succes omdat de invallende troepen niet samenwerkten en niet hetzelfde nastreefden. Zo wilde Jordanië de Westelijke Jordaanoever die het dan ook veroverde en een jaar later annexeerde. Egypte bezette het zuidelijke deel van Palestina maar werd uiteindelijk overal, behalve uit de Gazastrook verdreven. De goed getrainde en door oorlog en strijd geharde en door de Britten en bewapende Israëlische troepen pakte vervolgens met geweld bijna de hele koek.

Zo’n 700.000 Arabieren wachtten niet af en ontvluchtten de nieuwe staat Israël. Een andere ongeveer even grote groep maakte de omgekeerde tocht. Die verlieten Arabische landen omdat ze vreesden voor hun veiligheid maar ook omdat ze het beter hoopten te krijgen in de nieuwe staat Israël. De Palestijnse vluchtelingen hadden geen staat waar ze naartoe konden vluchten. Die Palestijnen en hun nakomelingen waren inwoners van het VN mandaatgebied Palestina en dat verklaart de bijzondere door de VN gegarandeerde status van deze vluchtelingen. Zij zijn een verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties. Het zijn inwoners van de staat Palestina die er tot op heden nog niet is: ze zijn stateloos.  Ze zijn stateloos door niet of halfslachtig optreden van de Verenigde Naties.


[1] https://web.archive.org/web/20060518044016/http://www.mtholyoke.edu/acad/intrel/britman.htm

Busting the mythbuster

 “Nergens staat dat vluchtelingen in Europa moeten worden opgevangen. Evenmin staat in een verdrag dat de opvangende landen keurige democratieën moeten zijn. Vluchtelingen moeten veilig zijn, adequate zorg, huisvesting en onderwijs krijgen. Dat staat in de verdragen en kan in Tunesië of Rwanda.” Aldus Martin Sommer in zijn column in de Volkskrant. In die column ‘prikt’ hij vier mythen rond het migratie en asiel door met het boek Asielloterij van Ruud Koopmans als leidraad. Dit citaat is het antwoord op de derde mythe dat asielaanvraag afwachten in zo’n ‘hotspot’ in bijvoorbeeld Tunesië, onmenselijk is en in strijd met de verdragen. Als ‘mythbuster’ begeeft Sommer zich op mijn terrein dus laat ik eens kijken of hij goed ‘bust’.

De eerste mythe die Sommer aanstipt is dat de doden die vallen allemaal te wijten zijn aan ‘fort Europa’. Dat fort dwingt vluchtelingen om grote risico’s te nemen. Dat ‘fort’ is volgens Sommer de helft van de waarheid: “de andere helft van die waarheid is dat wie eenmaal Europa heeft bereikt, feitelijk niet meer teruggaat. Vluchteling of migrant, uiteindelijk zal het overgrote deel een status bemachtigen.”  Dit zorgt ervoor dat vluchtelingen blijven komen. “De progressieve denkfout die Koopmans bestrijdt, is dat het recht op asiel in Europa zelf moet worden uitgeoefend. Dat is ogenschijnlijk barmhartig en hoogstaand, maar komt neer op de bestendiging van de huidige, perverse gang van zaken. De boten zullen blijven komen zolang één voet op Europese grond inderdaad betekent: blijven.”

De tweede mythe is dat maatregelen om boten tegen te houden niet werken en open grenzen de enige remedie zijn. Sommer: “Als de Turkijedeal van 2016 één ding heeft geleerd, is dat het goed mogelijk is om ongewenste migratie tegen te gaan. Nadat duidelijk werd dat migranten niet zouden worden toegelaten, was het van de ene dag op de andere afgelopen met de bootjes naar Lesbos. Het huidige plan om aan de randen van Europa Ter Apel-achtige centra in te richten, lijkt inderdaad op het idee van de ‘hotspots’ van jaren geleden, dat niets opleverde. Dat kwam doordat Italië asielzoekers meteen doorstuurde. Beslissend voor succes is of het lukt om kansloze asielzoekers linea recta terug te sturen, in dit geval naar Tunesië. Als migranten weten dat ze meteen teruggaan, verdwijnt de lust om op de rubberboot naar Lampedusa te stappen.”

De vierde en laatste mythe: “we hebben migranten nodig als arbeidskrachten; tegenhouden is niet alleen slecht maar ook dom.” Sommer hierover: “Dat erkende vluchtelingen de premies voor de pensioenen gaan betalen is een sprookje. Van hen werkt een laag tot zeer laag percentage, om de simpele reden dat zij niet zijn uitgezocht op hun bekwaamheid. Daar komt bij dat de meesten afkomstig zijn uit patriarchale samenlevingen, met als gevolg dat de overgrote meerderheid van de vrouwen helemaal niet aan werken toekomt.”

Dat weinig statushouders betaald werk hebben en dus premies betalen, klopt. Bij een deel ervan zal dat best te maken hebben met de patriarchale samenlevingen vanwaar ze zijn gevlucht. Al kan ik me ook zomaar voorstellen dat juist dat patriarchale voor vrouwen een reden is om te vluchten. Vluchten omdat ze hun eigen leven willen vormgeven. Dat weinig statushouders betaald werk hebben, zou wel eens meer een gevolg kunnen zijn van de lange procedures tot een status. De eerste zes maanden dat zijn aanvraag in behandeling is mag een asielzoeker niet werken en daarna maximaal 24 weken per jaar. Niet echt uitnodigend voor een werkgever om iemand aan te nemen. Dat het anders kan, laat de omgang met Oekraïense vluchtelingen, door het Rijk eufemistisch ‘ontheemden’ genoemd, zien. Die mochten meteen werken en dan blijkt het percentage werkenden ineens flink hoger.  

Inderdaad kwamen er na het ingaan van de ‘Turkije-deal’  ineens geen bootjes meer. Zou dat het resultaat zijn geweest van de ‘dreiging’ dat je meteen werd teruggestuurd of zou het een gevolg zijn van de gekochte Turkse inspanningen om ze het vluchten te belemmeren? Toen de Turkse president Erdogan de Europese Unie onder druk wilde zetten om steun te verwerven voor zijn ‘Syriëpolitiek’, stopte hij met het tegenhouden, kwamen veel vluchtelingen vast te zitten in het niemandsland tussen de Turkse en de Griekse grens. De Turkije-deal laat zien dat dergelijke maatregelen kunnen helpen. De deal laat ook zien dat de Europese Unie zich hiermee chantabel maakt als ze haar grensbewaking uitbesteed aan andere landen. Ook de ‘hotspots’ in derde landen waar asielzoekers de uitslag van hun aanvraag moeten afwachten, maakt de Europese Unie chantabel. Dergelijke deals ‘nationaliseren‘ de mensensmokkel.

Daarmee kom ik op mijn belangrijkste prik in Sommers mythen en kom ik terug bij het citaat waarmee ik begon. Het internationaal vluchtelingenverdrag: “is both a status and rights-based instrument and is underpinned by a number of fundamental principles, most notably non-discrimmination, non-penalization and non-refoulement. Convention provisions, for example, are to be applied without discrimination as to race, religion or country of origin.” Het regelt dat: “no one shall expel or return (“refouler”) a refugee against his or her will, in any manner whatsoever, to a territory where he or she fears threats to life or freedom.” Het legt ook: “ basic minimum standards for the treatment of refugees, without prejudice to States granting more favourable treatment. Such rights include access to the courts, to primary education, to work, and the provision for documentation, including a refugee travel document in passport form.” Inderdaad staat nergens in dat verdrag dat vluchtelingen in Europa moeten worden opgevangen. Er staat ook niet dat de opvangende landen keurige democratieën moeten zijn. In de praktijk wordt de overgrote meerderheid van de vluchtelingen niet opgevangen in Europa noch in een ‘keurige democratie’. Ze worden opgevangen in wat ‘de regio’ wordt genoemd, direct aan het probleemgebied grenzende landen maar daar gaat het me nu niet om. Het gaat mij om ‘niet in Europa’. Er staat ook in geen enkel verdrag dat vluchtelingen ‘in de regio’ moeten worden opgevangen. Sterker nog, er ‘staat nergens’ wie vluchtelingen op moet vangen. Maar wat gebeurt er als alle ondertekenaars van het verdrag zich er, net zoals Sommer doet, op beroepen dat nergens staat dat zij vluchtelingen moeten opvangen?  Dan wordt het een dode letter en is het verdrag waardeloos. Dan wordt vluchten onmogelijk. Dan wordt dat wat het verdrag wel regelt, de veiligheid, adequate zorg, huisvesting en onderwijs onmogelijk. Dat is het cynische gevolg van Sommers ‘het staat nergens’.

Het hek en de laatste kans

“Mr. Gorbatshov, tear down this wall.” Die woorden sprak de Amerikaanse president Ronald Reagan op 12 juni 1987 uit in wat toen nog West-Berlijn heette. Die uitspraak werd in de gehele westerse wereld met instemming begroet. Het gejuich werd nog groter toen de muur tweeëneenhalf jaar later werkelijk viel. Muren om mensen te beletten te reizen en een gebied te verlaten, werd als iets archaïsch en barbaars gezien. ‘Het kan verkeeren’, om de zeventiende eeuwse dichter Gerbrand Adriaensz. Bredero te citeren

Nu ruim dertig jaar later, denkt die westerse wereld daar heel anders over. De Amerikanen bouwen, ondanks dat de Mexicanen ze niet betalen, nog steeds verder aan een hek aan hun zuidgrens. De Australiërs wijzen iedereen die aan land probeert te komen uit naar eilandstaatjes als Nauru. De Britten en Denen proberen vluchtelingen in een ‘derde land’ in Afrika onder te brengen om daar ‘hun procedure af te wachten’. De rechterkant van de Nederlandse politiek wil ook die kant op en op een recente op Nederlands verzoek georganiseerde top van de Europese Unie over migratie, was ‘een hek om Europa’ geen taboe meer.

Bron: https://mlpp.pressbooks.pub

Nu was die ene muur, de Berlijnse, bedoeld om mensen binnen te houden en ‘het hek dat geen taboe meer is’, om mensen buiten te houden. Een duidelijk verschil of toch niet? De Berlijnse muur beknotte de vrijheid van de Oost-Duitsers. Die konden niet vrij naar het Westen reizen en hun geluk aldaar beproeven. Zij zaten opgesloten in het Oosten. ‘’ Het hek’ is bedoeld om mensen buiten te houden, niet om de vrijheid van de mensen binnen de muur te beknotten. Of is dit slechts een kwestie van semantiek? Even wat geschiedenis.

De bekendste muur is ongetwijfeld de Chinese muur. Een verdedigingslinie bestaande uit rivieren, heuvels bergen én muren. Die linie is niet in één keer gebouwd. Er is eeuwen aan gewerkt, grofweg tussen 700 voor onze jaartelling en de Ming dynastie die tot 1644 over China heerste. De muur was bedoeld om de ruitervolken van de steppen ten noorden van de muur, op afstand te houden. Om een paar van die steppenvolkeren te noemen, in de begintijd van de muur waren dat de Xiongnu, een volk dat erg bedreven was in het boogschieten tijdens het paardrijden. In de dertiende eeuw de Mongolen onder Dzjengis Khan en in 1644 maakten de noordelijke Mantsjoe een einde aan de Mingdynastie. Voor al deze volkeren was de muur een lastige hindernis in hun opmars, meer niet. Lees Jonathan Holslags boek Vrede en Oorlog. Een wereldgeschiedenis of The Mongol Empire van John Man er maar op na.

Niet dat die muren werkelijk effect hadden bij het buiten houden van de vijand. Al snel ontwikkelde de mens werktuigen om ommuurde steden te belegeren. Als het daarmee niet lukte om de muren te slechten dan lukte het in ieder geval wel om het leven binnen de muren tot een ellende te maken. Bijzonder nadeel van vestingmuren is dat een eventuele belager van de stad ze ‘gratis’ kon gebruiken bij de belegering. Gratis gebruiken door ervoor te zorgen dat er niets meer de stad in kon gaan. Als je lang genoeg wachtte dan verhongerde iedereen binnen de muren omdat het eten op was. Dezelfde muur die de stad die ze bouwde veiligheid zou moeten bieden, zorgde voor ellende en onveiligheid. Met de introductie van het kanon bood de muur nog minder bescherming. Trouwens ook de ‘kleine vijand’, de landloper, wist de muren te slechten en de stad binnen te komen.

Toch bleef men nog heel lang aan vestingen vasthouden. In haar boek Tegen terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon besteedt Beatrice de Graaf veel aandacht aan de rol van forten in de verdediging van Europa tegen Frans geweld na de Napoleontische oorlogen. In die tijd dacht men dat een bedreiging alleen maar vanuit Frankrijk kon komen. Een eeuw later wist men wel beter. Het is trouwens heel normaal dat men de ‘vorige’ oorlog als maat neemt voor de volgende. Terug naar die forten. Napoleon had al laten zien dat een reeks forten weinig meer te betekenen had. Hij liet ze gewoon links liggen, trok verder en negeerde het bewonende garnizoen. Dat kon je in bedwang houden door een klein deel van je troepen achter te laten. Die les weerhield de Europese machten niet om een fortuin te besteden aan de bouw van forten. De grote man in die tijd de hertog van Wellington, zag dat zelf ook in: “De recente campagnes tijdens de revolutionaire oorlogen hebben laten zien dat versterkte plaatsen enigszins uit de mode zijn geraakt… dat forten en vestingen weinig nut hebben en in ieder geval niet de investeringen waard zijn die ze kosten.[1]” 

Dat forten en vestingen weinig militaire waarde hadden, was al bekend. Dat betekende echter niet dat ze niet meer werden gebouwd. Neem het Belgische fort van Eben Emael. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar en daarmee waren de risico’s die de Belgen zagen, beheerst. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. De bekende risico’s waren beheerst, onbekende, vernieuwende risico’s niet. Laat de Duitsers nu net met het onbekende, gedurfde aan de slag zijn gegaan. Zweefvliegtuigen en paratroepen die ongezien op het fort landden en het zo van binnenuit uitschakelden. De Belgen waren trouwens niet de enige. Zo hadden de Fransen de Maginotlinie om een snelle Duitse opmars onmogelijk te maken, de Duitsers hun Westwall en investeerden diezelfde Duitsers veel geld en materiaal in de Atlantikwall die op D-Day niet in staat bleek om een geallieerde landing te voorkomen.

In die Eerste Wereldoorlog was men trouwens ook getuige van het eerste moderne grenshek. Nee, niet in een uithoek van de wereld, maar tussen Nederland en België. Nadat in het najaar van 1914 zo’n 800.000 Belgen vluchtten naar het neutrale Nederland, besloten de Duitsers een 300 kilometer lang hek van prikkeldraad met daarop 2000 volt aan spanning tussen Vaals en Zeeuws-Vlaanderen aan te leggen. “Het ‘doodshek (‘Todeszaun’) was het eerste ‘ijzeren gordijn’ in Europa van de twintigste eeuw, dat aan de ‘staatsgrens’ van DDR-dictatuur doet denken,” aldus Patrick Dassen in zijn boek Sprong in het duister. Duitsland en de Eerste Wereldoorlog.” Een hek was bedoeld om mensen binnen te houden. Met beperkt succes want: “Toch lukte het nog zo’n 20.000 Belgen (maar ook Duitse deserteurs en geallieerde spionnen) om hun land via deze grens te ontvluchten. [2] 

Nederland en ook de andere Europese landen protesteren terecht tegen landen, zoals Noord-Korea, die reizen naar andere landen onmogelijk maken. Zo’n land is in de basis één grote openluchtgevangenis waarbij grensbewaking vooral gevangenenbewaking is en minder het voorkomen van ongeoorloofd binnentreden. Dergelijke protesten waren ook voor het vallen van de Berlijnse muur te horen ten opzichte van de Sovjet Unie en de andere landen van het voormalige Oostblok. Deze landen maakten het hun burgers onmogelijk om naar het Westen te reizen en op mensen die ‘over de muur’ wilden vluchten werd zelfs geschoten. Dit zijn duidelijke schendingen van artikel 13 tweede lid van de Universele Verklaring voor de rechten van de Mens. Dit artikel stelt dat iedereen: “het recht (heeft) welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren.”  Nu is een land verlaten iets anders dan een land bezoek. Of toch niet?

Ik schreef al vaker over negatieve vrijheid, de vrijheid van onderdrukking en dwang en positieve vrijheid, de vrijheid om iets te kunnen doen. Een land dat haar inwoners belemmert om naar een ander land te reizen, beperkt de (negatieve) vrijheid van haar inwoners. Het belemmert hen in hun handelen en in dit geval zelfs in handelen dat tot de mensenrechten behoort, namelijk het recht om je land te verlaten. De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens bevat geen artikel dat bepaalt dat iedereen het recht heeft om naar de Europese Unie te komen. De spiegel van ‘het verlaten van welk land dan ook, met inbegrip van het zijne’ is echter het bezoeken van een ander land. Om bezoek te reguleren, te weten wie er op bezoek komt, is onder andere het visumsysteem in het leven geroepen. Het ‘verlaten’ van een land wordt onmogelijk als andere landen je niet toelaten. Dan heb je niets aan je negatieve mensenrecht om je land te kunnen verlaten omdat de andere landen je positieve vrijheid, je mogelijkheid om je land te verlaten, beperken.

Daarmee kom ik bij Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis van Lea Ypi. In hoofdstuk 13 met als titel Iedereen wil weg schrijft ze over Albanezen die hun land willen verlaten om elders een beter bestaan op te bouwen. De eersten lukt dat. Symbool hiervoor staat het schip de Partizani dat met een groep vluchtelingen aan boord wordt verwelkomt in Italië. Al snel doen zich hierbij onverwachte problemen voor. Een ander schip, de Vlora, dat iets later en volgepakt met mensen de overtocht maakt, staat centraal voor de moeilijkheden. De vluchtelingen worden in Italië in een stadion ondergebracht en van daaruit moeten ze weer terug. Ze zijn niet meer welkom. Wat was er veranderd in die korte tijd? Ypi: “In het stadion verspreidde zich het gerucht dat, omdat ons land technisch gezien geen communistische staat meer was, verzoeken om politiek asiel waarschijnlijk zouden worden afgewezen. In plaats daarvan zouden de nieuw aangekomenen beschouwd worden als economische migranten. Dit was een nieuwe, onbekende categorie.[3] ” Een nieuwe, nu zeer bekende categorie die nu door menigeen gelukszoekers worden genoemd. En dan concludeert ze: “Misschien was bewegingsvrijheid wel nooit echt belangrijk geweest. Het was gemakkelijk om die te verdedigen als iemand andere het vuile werk van gevangenschap opknapte. Maar welke waarde heeft het recht om te vertrekken als het recht om elders binnen te komen ontbreekt? Waren grenzen en muren alleen maar verwerpelijk als ze dienden om mensen binnen, in plaats van buiten te houden?[4]  Was het ijzeren gordijn alleen maar verkeerd omdat het niet ‘ons ijzeren gordijn’ was?

“Ik ben onder de indruk hoezeer we het vertrouwen van het mondiale zuiden verliezen”.  Die ik is de Franse president Macron zo is te lezen in een artikel van Arnout Brouwers in de Volkskrant. Een artikel dat is gewijd aan de jaarlijkse veiligheidsconferentie in München. Macron, spreekt aldus Brouwers: “’van een laatste kans’ om landen in Azië, Afrika en Zuid-Amerika ervan te overtuigen dat de regels van de internationale orde hun ook kansen bieden en beschermen. ‘In 2050 zullen er talloze grote sterke landen in die continenten zijn die zich de les niet laten lezen.’”  Zouden ‘Grenshekken’,’ asielzoekers in Rwanda onderbrengen’ en het opportunistisch uitleggen van mensenrechten eraan bijdragen dat die laatste kans wordt benut?


[1] Beatrice de Graaf, Tegen terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon, pagina 232

[2] Patrick Dassen”, Sprong in het duister. Duitsland en de Eerste Wereldoorlog, pagina 280

[3] Lea Ypi, Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, pagina 198

[4] Idem, pagina 203

Een lesje geschiedenis deel 1

Bij De Dagelijkse Standaard een artikel van Michael van de Galien. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. Een uitspraak die, zo betoogt, Van der Galien: “a) belachelijk is en b) beledigend ten opzichte van al die Nederlanders die door de jaren heen keihard hebben gewerkt om iets van ons land te maken.” Een idiote uitspraak want: “ Nederland was tot voor heel kort geen immigrantenland, maar een natiestaat. De ‘migranten’ zijn pas sinds de jaren 60/70 op significante schaal naar ons land gekomen; toen het economisch herstel van de Tweede Wereldoorlog zo groot was dat we ‘extra’ werkkrachten dachten nodig te hebben.” Een wel heel beperkte kijk op de geschiedenis van wat nu Nederland is. Daarom een lesje geschiedenis in twee delen. Vandaag deel 1 over de bewering dat Nederland tot voorkort geen migratieland was.

De eerste bewoners van het gebied dat nu Nederland is, waren waarschijnlijk Neanderthalers maar er zouden ook zomaar al eerdere mensensoorten in deze omgeving hebben kunnen geleefd. Als we daar even van afzien en ons concentreren op de laatste 10.000 jaar dan weten we dat de jager-verzamelaars die hier rondliepen zo’n 8.000 jaar geleden begonnen aan de overstap naar de landbouw. Hierdoor nam de bevolking toe en ontstonden de eerste culturen, de Bandkeramische en de Rössencultuur. Naast deze agrarische culturen leefden er ook nog steeds jager-verzamelaars. Zo rond 5.000 jaar geleden werden deze voorouders verrast door migranten van de Jamnacultuur die vanuit de steppen van wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, naar het westen trokken. Aan hen hebben we onze taal te danken, net zoals bijna alle andere  Europese talen. Ze brachten ook het wiel en de wagen mee. Net zoals trouwens de lichte huidskleur en blonde haren. De tot dan toe hier levende mensen hadden een donkerdere huidskleur. Dus ja, ‘we’ hebben het een en ander te danken aan migranten.

Zo moet een Bandkeramische boerderij er naar archeologen denken, uitgezien hebben. Bron: WikimediaCommons

Genoeg oude geschiedenis. Op naar de Middeleeuwen. “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1]Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet. Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan de ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waar Peter Frankonpan zijn bekende werk naar heeft genoemd, van De zijderoutes. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld.

Na de val van Rome en het afzetten dan Romulus Augustulus de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476 kwam daaraan echter weer een einde. De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld.

Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In dat jaar 1000 bestond Holland, de later machtigste van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën nog niet. Het gebied was Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Onder de rivieren was het vooral Frankisch. Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland, Dirk III, behaalde in 1018, zo beschrijft Klein, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want, zo beschrijft Klein het: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West-)Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3] Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…) Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daar “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas,  ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht. Iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

De Graaf van Holland was niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen en aan elkaars macht. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[5]zo beschrijven Palmer en Colton in hun A history of the Modern World de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders. Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijderoute. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to her north Italian Neighbors. Allso by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, natably weaving of woolen cloth, but markets fort his cloth were very limited at first.[6]Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.”

Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[7] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabrikaten uit eigen streek anderzijds[8].” De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noord-West Europa.

Stadslucht mocht dan wel vrij maken naar een Middeleeuwse gebruik, de lucht in de stad was in ieder geval niet vrij van ziektekiemen. De steden in de Lage Landen, groeiden maar dat was geen natuurlijke groei: “Zij kwam tot stand ondanks een negatieve natuurlijke groei, dat wil zeggen ondanks het feit dat er veel meer mensen in steden stierven dan dat er geboren werden . … Met andere woorden, de groei van de steden was alleen maar mogelijk door massale immigratie,[9]aldus Leo en Jan Lucassen in hun boek Vijf eeuwen van migratie. Wie waren die migranten? Het waren: Duitsers als belangrijkste groep, maar in textielsteden zoals Leiden en Haarlem waren het, zeker aanvankelijk, vooral Zuid-Nederlanders uit het huidige België en Frans-Vlaanderen. Daar buiten waren Engeland, Schotland en Noorwegen de belangrijkste herkomstgebieden. … Daar waar het economisch leven in het teken stond van handel en scheepvaart, zoals in Amsterdam, maar ook Veere en Hoorn, kwamen de migranten overwegend uit verre streken.[10] Naast deze ‘vaste’ migranten was er de vlottende migranten, de trekarbeiders voor de landbouw, het huishouden, de scheepvaart en het leger. Op een schip was het eerder regel dan uitzondering dat de bemanning voor meer dan 50 procent uit buitenlanders bestond.

Door de eeuwen heen zijn er steeds mensen naar en van hier gemigreerd. In de ene tijdsperiode wat meer zoals met de komst van de Jamna of in de zeventiende eeuw. In een andere tijdsperiode wat minder. Migratie is echter een constant gegeven. Dus in tegenstelling tot wat Van der Galien beweert, is migratie niet iets van de periode: “sinds de jaren 60/70” . Het antwoord op de vraag of migranten Nederland hebben opgebouwd ligt daarmee genuanceerder dan Klaver, maar ook dan dat Van der Galien denkt. Successievelijke groepen migranten hebben wat nu Nederland is mee opgebouwd.

Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[6] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[7] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[8] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[9] Leo en Jan Lucassen, Vijf eeuwen migratie, pagina 19

[10] Idem, pagina 21