Rousseau: Fransoos of Zwitser?

Iedereen lijkt vooral iets te willen worden, maar niemand nog iets te willen zijn,”  aldus de titel van een interessante column van Mark van Ostaijen in de Volkskrant. Aanleiding voor de column waren proeflessen die Van Ostaijen gaf in het kader van een open dag.   Ostaijen beschrijft zijn belevenissen. Bij een terloopse zin tussen haakjes in de column bleef ik hangen: “u weet wel, die Geneefse burger en dus Zwitser die recentelijk in deze krant feitenvrij werd opgevoerd als ‘die ouwe Fransoos’.” De ‘ouwe Fransoos die volgens Van Ostaijen een Zwitser was, waar het over ging, was Jean Jacques Rousseau.

Een interessant omdat er een goede schets wordt gegeven van onze huidige maatschappij: “als iedereen constant in beweging en onderweg is, en niemand ergens meer aan wil komen, creëert dat een volatiele cultuur van rusteloosheid. Het creëert een samenleving waarin overgave, berusting en acceptatie lastig gedijen. Niet voor niets lopen jaar in jaar uit de cijfers van overmatige stress, burn-out en depressie op. Er zijn te veel mensen die heel druk zijn met druk zijn.” Van Ostaijen kwam tot deze column omdat bezoekers van de open dag hem, nadat hij iets had verteld over bestuurkunde, sociologie en politieke filosofie vroegen: “’wat kan ik ermee worden.”  Een interessante filosofische discussie maar wellicht voor een andere keer. Nu terug naar die ‘ouwe Fransoos’ of Zwitser.

Een impressie van AAn de stadsmuur in Venlo. Bron: schermfoto van de site: https://aandestadsmuur.nl/

Want was Rousseau nu een Fransoos of een Zwitser? Hij sprak Frans, dus een Fransoos? Nee, dat gaat te snel want er wordt ook Frans gesproken in gebieden die niet bij Frankrijk horen. In België bijvoorbeeld en ook in Zwitserland. Rousseau werd geboren in Genève en dat ligt in Zwitserland, dus een Zwitser? Ook dat gaat te snel. Rousseau kwam in 1712 ter wereld en stierf in 1778 in Ermenonville terwijl Genève pas vanaf 1815 onderdeel uitmaakt van wat Zwitserland is geworden. Tijdens het Congres van Wenen van 1815 voegden de overwinnaars van Napoleon de stad samen met de Franse gebieden van het hertogdom Savoie samen tot het kanton Genève en deelden het toe aan de Zwitserse statenbond. Ten tijden van Rousseau was het een zichzelf besturende stad, stadstaat zoals er vroeger wel meer waren. Dus het Rousseau Zwitser noemen is net zo feitenvrij als hem Fransoos noemen. Het is net zo feitenvrij als het bestempelen van de filosoof Immanuel Kant tot Rus. Kant heeft zijn hele leven gewoond in Königsberg. Een stad in Oost-Pruissen die sinds 1870 deel uitmaakte van het Duitse rijk en die sinds 1945 Kaliningrad heet en in Rusland ligt. Van Ostaijen volgend, is Kant geboren in 1724, een Rus. We kunnen Rousseau en Kant niet meer vragen hoe zij zich, om dat moderne woord te gebruiken, identificeren.

Met dat moderne woord identiteit, komen we wel bij de oorzaak van die twee feitenvrije opvoeringen van Rousseau. Een onderdeel van iemands moderne identiteit is de nationaliteit van de persoon. En met nationaliteit komen we bij de nationalistische valkuil waar Van Ostaijen in valt. In tegenstelling van wat tegenwoordig wordt gedacht, zijn landen en natiestaten van zeer recente datum. Je Fransoos, Zwitser, Duitser of Nederlander noemen, voelen en daar trots op zijn, is iets wat de laatste 150 jaar is gegroeid. In zijn boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek vertelt Francis Fukuyama aan de hand van de persoon Hans, het ontstaan van nationalisme. “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.[1]  Hans was boer in het begin van de negentiende eeuw en sprak de taal ‘van hier’.

In de negentiende eeuw maakte de Europese samenleving ingrijpende wijzigingen door. Fukuyama: Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.[2]”  In het midden van de negentiende eeuw komt Hans in het Ruhrgebied in deze nieuwe wereld terecht en komt daar  mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[3] uiteindelijk krijgt Hans een antwoord op de vraag wie hij is: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[4]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. 

Het bijzondere aan nationalisme is dat het zichzelf bevestigd. Bij dat zichzelf bevestigen wordt het verleden herschreven, en het heden aangepast aan het gewenste ideaalbeeld zodat er in de toekomst geen twijfel meer is over het bestaan van de natie. Die is er immers altijd geweest. Het verleden wordt herschreven door bijzondere gebeurtenissen, personen, volkeren en culturele uitingen worden met de eigen natie te verbinden. De Bataven als proto-Nederlanders. Het Romeinse Rijk als voorloper van en voorbeeld voor Italië. De slag op het Merelveld voor de Serviërs. De verovering van de Zilvervloot door Piet Heijn. Is Caesar een van de grootste Italianen en keizer Frederik I van het Heilige Roomse Rijk, beter bekend als Barbarossa een van de grote Duitse helden en in die hoedanigheid naamgever van de grootste veldslag ooit geleverd. De aanval van nazi-Duitsland op de Sovjet Unie. Wordt Rembrandt een ‘Hollandse meester’, Rousseau een Fransoos en Kant een Duitser. Alles wordt gedaan om de grootsheid en de eeuwigheid van de natie aan te tonen. De natie, het nationalisme, wordt de mal waarmee naar verleden, heden en toekomst wordt gekeken. Voorbeelden van de cultuur worden ‘heilig’ verklaard en moeten worden behouden. Gebouwen, alleen of in een groep worden monument en beschermd stadsgezicht en bij herstel of renovatie worden in het verleden verdwenen zaken weer toegevoegd waardoor dit typische voorbeeld van de eigen cultuur typischer wordt dan het ooit is geweest. Zo is tussen de Venlose binnenstad en de Maas een prachtige nieuwe wijk gebouwd: Aan de stadsmuur. Huizen vormgegeven pakhuizen die de stad authentieker maken dan ze ooit is geweest. Dit om ervoor te zorgen dat onze nazaten zich nooit hoeven af te vragen wie zij zijn. De grootsheid van het verleden komt ook terug in bijvoorbeeld standbeelden. Standbeelden waarover jaren later weer gesteggeld kan worden omdat ze ineens minder stroken met dat waar ‘we’ trots op moeten zijn. En standbeelden kun je naar gelieven vervangen door schrijvers, componisten, beelden kunstenaars, architecten en hun werken. De natie is en wordt zo vanzelfsprekend dat een wereld zonder niet is voor te stellen.

Maar, we dienen: “de natie, de natiestaat en het nationalisme niet als vanzelfsprekend (…) te beschouwen,” zo schrijft Eric Storm in zijn boek Nationalisme. Een wereldgeschiedenis. Niet vanzelfsprekend want:  “termen als ‘het volk’ of ‘de natie’ zijn – behalve misschien in bepaalde juridische contexten – al even grove versimpelingen, los van het veelvoorkomende maar incorrecte gebruik van ‘natie’ als synoniem voor staat of land. Door de inwoners van een land te omschrijven als ‘het volk’, ‘de Fransen’ of ‘de Mexicanen, impliceren we dat ze een homogene gemeenschap vormen, met één cultuur en één taal. Daarmee wissen we echter de complexe lappendeken van inheemse bevolkingen, etnische minderheden, immigrantengroepen en nakomelingen uit ‘gemengde huwelijken’ , terwijl we er vaak onterecht van uit lijken te gaan dat er fundamentele verschillen zijn met naburige gebieden over de grens.[5] Er is binnen een natie net zoveel verdeeldheid als tussen naties. Alleen blijft die verborgen als we niet voorbij de versimpeling kijken

Zeg tegen Hans dat hij een trotste Duitser is met een ‘groots verleden’ die houdt van Bier und Bratwurst en hij wordt een trotste Duitser en gaat die Bratwurst liefst met Sauerkraut met trots eten en ontleend grootheid en trots aan mensen met eenzelfde paspoort die iets groots doen. Premier Schoof die Sifan Hassan aanhaalt. En wat waren ‘we’ deze week graag trotst geweest op ‘onze jongens’ van het Nederlands elftal. Helaas bakten ‘ze’ er niets van. Gelukkig is ‘hun’ falen ‘ons’ dan weer niet aan te rekenen is. En kon Hans stoltz zijn op die Mannschaft want zo zou hij kunnen zeggen: ‘dat hebben ‘wij’ toch maar mooi geschafft’. Maar als Hans om zich heen had gekeken in de Alianz Arena in München, dan had hij onder die ‘eenheid uitstralende shirtjes van de Mannschaft die de mensen aan hadden, de lappendeken gezien waarover Storm spreekt. En als hij in het vak met die mensen in oranje had gekeken, dan zag hij onder dat oranje naast een lappendeken waarschijnlijk ook een hele groep mensen waarin hij zich zou herkennen.


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 89.

[2] Idem, pagina 57

[3] Idem, pagina 89

[4] Idem , pagina 92

[5] Eric Storm, Nationalisme. Een wereldgeschiedenis,  pagina 520

Wat de BBB niet wil dat ons geschiedt

“Tijd voor actie op het migratiedossier.” Zo las ik in een bericht van de BBB. Met de  daadkracht uit mijn vorige prikker nog in het achterhoofd, las ik verder. Volgens de BBB moeten de: “Asielprocedures en opvang buiten de EU,” plaatsvinden,  moeten we: “Inzetten op migratiedeals, versterking van EU-buitengrenzen” en als laatst: “Frontex met meer personeel en meer bevoegdheden,” versterken.  Bij de tekst een filmpje met een betoog van de leider van de BBB in het Europees parlement Sander Smit. Een bijzonder betoog.

Screenshot site BBB.

Een bijzonder betoog en daarom hier de integrale tekst: “We hebben geen grip op de huidige migratiestroom. In 2023 werden meer dan 1 miljoen asielaanvragen in de Europese Unie ingediend. Open grenzen, zachte procedures en falend terugkeerbeleid hebben gemaakt dat Europa te aantrekkelijk is geworden. Daardoor hebben zovelen die gevaarlijke oversteek gemaakt en zijn velen omgekomen. De chaos aan onze binnengrenzen in de Schengenzone is het directe gevolg van lekke Europese buitengrenzen. Frontex moet versterken, niet alleen in het uitbreiden van manschappen maar vooral in bevoegdheden. Frontex moet een coördinerende rol gaan spelen in de uitzetting en terugkeer, in externe grensbarrières maar dat alleen zal de migratiecrisis niet oplossen. BBB pleit voor verder aanscherping van het asielbeleid. Verplaats de asielprocedure en opvang naar veilige derde landen buiten de Europese Unie. Alleen zo verminderen we de instroom en slachtoffers van de gevaarlijke overtocht naar Europa. Voorzitter, streng bewaakte buitengrenzen, duidelijkheid en migratiedeals die redden levens. Geen woorden maar meer en snellere actie.”

Als eerste open grenzen. Zou het werkelijk zo zijn dat ‘velen’ een fortuin betalen aan een louche persoon die je op een gammel bootje de zee op stuurt omdat de Europese grenzen zo open zijn? Als die grenzen werkelijk ‘open’ waren dan zou je toch beter gewoon via Turkije naar Griekenland of Bulgarije kunnen gaan? Of dan kocht je toch gewoon een vliegticket van bijvoorbeeld Addis Abeba in Ethiopië naar Amsterdam. Dan ben je minder dan € 1.000 kwijt en is de kans zeer groot dat je na een paar uur vliegen, waarbij je in een stoel zit en wat te eten en te drinken kunt nemen, aankomt.   

Beste meneer Smit en beste BBB-ers die dit bericht van een duimpje naar boven voorzien, dat die veilige en goedkope manier niet wordt benut, komt omdat die er niet is. Dat komt omdat de EU de buitengrenzen hermetisch afsluit. Afschermt met hekken en scherpe beveiliging tussen Turkije en de twee EU buurlanden. En entree via luchthavens door de controle ‘uit te besteden’ aan de luchtvaartmaatschappijen. Die zijn namelijk verplicht om iedere passagier die het land van aankomst niet in mag, terug te vervoeren. Om te voorkomen dat ze die kosten moeten maken, laten ze alleen mensen met een ‘entreekaartje’ voor het land van aankomst toe. Zo’n kaartje heeft een asielzoeker niet. En omdat de asielzoekers daarom, zelfs als de persoon een geldig ticket voor het vliegtuig heeft, niet het vliegtuig in komt, kan hij ook geen asiel aanvragen. Dan blijft zo’n duurbetaald gammel bootje met risico op de dood over. Zo ‘open’ zijn de Europese grenzen niet.

Dan de chaos aan de binnengrenzen. Die chaos is een resultaat van keuzes die lidstaten van de EU maken. Lidstaten die willen voorkomen dat asielzoekers naar hun land komen. Door de Duitse controles weten we nu weer dat controles leiden tot files en langere reistijden. Hoelang? Dat hangt af van je kenteken en persoonskenmerken. Ook dat is een gevolg van die gesloten buitengrenzen. Bij open Europese grenzen zou het Dublinprotocol goed werken. Dan zouden asielzoekers een vliegticket boeken naar het land waar ze naar toe willen vluchten. Maar omdat dit niet kan, resten alleen die ‘bootjes’ en tja, die komen aan in drie Europese landen en volgens het Dublinprotocol zouden die dan alle asielzoekers moeten opvangen. Omdat het deze landen boven het hoofd groeit en omdat de asielzoekers ook en vooral naar andere landen willen, trekken ze verder. En om dat te voorkomen ontstaat die ‘chaos aan de binnengrens.’

Migratiedeals redden levens. Dat is nogal een bewering. Turkije duwt vluchtelingen uit Syrië steeds meer terug naar Syrië. De Syrische vluchtelingen in Libanon moeten nu vluchten voor Israëlische bommen. Tunesië duwt vluchtelingen de woestijn in en laat ze daar aan hun lot over

En daarmee kom ik bij het ‘Verplaatsen van de asielprocedure en opvang naar veilige derde landen buiten de Europese Unie’ en de ‘migratiedeals. Procedures en opvang buiten de EU? Beste meneer Smit en BBB-ers, hoe stellen jullie je dat voor? Waar moet een toekomstige minder dappere Navalny zich dan melden? Opvang buiten de EU? Zijn jullie bereid in Nederland opvangcentra voor bijvoorbeeld de Britten of Russen toe te laten compleet met Britse en Russische ambtenaren voor de af te nemen procedures? Dit met het risico dat de afgewezen asielzoekers hier blijven rondhangen en voor overlast zorgen. Dat is namelijk wat jullie van andere landen vragen. Zijn jullie bereid om een migratiedeal met andere landen te sluiten om voor hen de asielzoekers op te vangen? Zijn de landen Turkije, Tunesië en Libanon waarmee al zo’n deal is gesloten zo veilig dat u er zelf wilt gaan wonen?

Nu is het antwoord op deze laatste vraag anders voor iemand met een Nederlands paspoort dan voor iemand zonder paspoort uit Afghanistan. Maar volgens jullie kernwaarden, kan het antwoord op al die vragen alleen maar JA zijn. Neem jullie kernwaarde Gulden Regel, omschreven als: “Behandel de ander zoals je zelf behandeld wilt worden. Wat u niet wil wat u geschiedt, doe dat een ander niet. Wees betrouwbaar, eerlijk, oprecht en respectvol. Iedereen is gelijk. Transparant, helder en open.”  Of gelden die kernwaarden alleen voor Tukkers en Achterhoekers? Want het lijkt erop dat deze kernwaarde wat is verbasterd naar: wat wij niet willen dat ons geschied, dat exporteren we naar anderen!

Bezint eer ge begint!

In een artikel bij Wynia’s Week gaat Feike Reitsma te raden bij de Duitse filosoof en socioloog Max Weber. De titel van het artikel geeft de portee van zijn betoog: Max Weber zag in dat in een noodsituatie het parlement gepasseerd mag worden. De achtergrond van het artikel zijn de plannen van de huidige Nederlandse regering, of in ieder geval de partijen die deze regering vormen, om af te wijken van de Vreemdelingenwet door een asielnoodwet in te voeren. Een bijzonder betoog.

Even Reitsma’s betoog. “Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 18 en 19 september komt de asielnoodwet ter sprake. Van Vroonhoven, plaatsvervangend fractievoorzitter van NSC, verdedigt een plan dat het mogelijk maakt om een deel van de Vreemdelingenwet tijdelijk buiten werking te stellen.”  En dat zorgt ervoor dat: “In de huidige situatie, zoals geschetst in de persconferentie van koning Willem-Alexander en het antwoord van Marjolein Faber op een Kamervraag (…) duidelijk (wordt) dat ambtenaren onder druk staan om zich aan te passen aan politieke veranderingen. Volgens Weber moeten ambtenaren loyaal zijn aan de politiek, ongeacht hun persoonlijke opvattingen.” Het lijkt hier alsof Reitsma betoogt dat ambtenaren moeten doen wat is besloten. Zoals ik in mijn vorige prikker al liet zien, is dat de basis maar ligt het toch iets genuanceerder en het gevolg van die nuancering vatte ik samen in de titel van die prikker: Befehl ist niet altijd Befehl.” Het beeld dat Reitsma schetst is dat ambtenaren zich verzetten. Zoals ik in die Prikker betoogde doen die ambtenaren slechts hun werk. Dat werk is het schetsen van de (on)mogelijkheden van het idee voor een asielnoodwet.

Volgens Weber, zo betoogt hij en daar heeft hij een punt, moeten: “Politici (…)een zekere ethische verantwoordelijkheid hebben, vooral als het gaat om geweld en macht. Politici dienen te balanceren tussen ‘de ethiek van overtuiging’ en ‘de ethiek van verantwoordelijkheid’. De ethiek van overtuiging is gericht op principes en idealen, terwijl de ethiek van verantwoordelijkheid zich richt op de gevolgen van politieke acties.” Dan maakt hij de stap naar het heden: “De politieke discussie over de inzet van noodwetgeving in het kader van de asielcrisis benadrukt de spanningen tussen juridische verplichtingen en de noodzaak van politiek leiderschap. Terwijl ambtenaren wijzen op de juridische onmogelijkheid van de inzet van noodwetgeving, stelt het kabinet dat zich wel degelijk een asielcrisis voordoet. Weber wijst op de noodzaak voor politici om controversiële besluiten te nemen, zelfs als dit juridisch ingewikkeld kan zijn.” En ook dat klopt. Het is, alles afwegende, aan de politiek om in deze te besluiten, om verantwoordelijkheid te nemen.

Iets verder in zijn betoog: “Weber stelde dat politiek leiderschap, vooral in tijden van crisis, moet worden geleid door de noodzaak om maatschappelijke stabiliteit en rechtvaardigheid te waarborgen.” En vervolgt dan met een bijzondere passage: “In 1918 was Weber betrokken bij de totstandkoming van de grondwet van de Weimar-republiek. Artikel 48 bood de mogelijkheid voor de president om in dringende gevallen noodmaatregelen te nemen zonder voorafgaande goedkeuring van de Reichstag.” En hier wordt het bijzonder.

Ja, Weber speelde een rol in de Duitse politiek na de Eerste Wereldoorlog. Hij was echter niet de grote man achter de grondwet van de Weimarrepubliek. Dat was de rechtsgeleerde Hugo Preuss. En die grondwet was, zo betoogt Patrick Dassen in zijn De Weimarrepubliek: éen compromis tussen progressief liberaal-democratisch denken en een meer traditionele en conservatieve politieke cultuur waarin gevestigde belangen werden beschermd.[1]Weber zien als degeestelijk vader van die Grondwet gaat enkele stappen te ver. Het toeschrijven van het ‘noodrecht artikel’ zien als onderdeel van Webers denken, gaat nog veel verder. Dassen: “De rijkspresident kreeg in de grondwet grote bevoegdheden, niet voor niets werd hij wel de ‘Ersatzkaiser genoemd: hij was staatshoofd, hoofd van het leger, hij benoemde de leden van de regeringen hij kon, net als vroeger de keizer, de Rijksdag ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven.” De bijnaam van de rijkspresident laat zien welke zijde van het compromis hier aan het woord is: de traditioneel conservatieve zijde. Weber behoorde niet tot die zijde. Hij behoorde, net als trouwens Preuss, tot de liberale Duitse Democratische Partij

Dassen gaat verder: “Het meest controversiële punt van de macht van de rijkspresident was ongetwijfeld artikel 48: in tijden ‘dat de openbare veiligheid en orde in gevaar’ waren, kon hij buiten het parlement om noodverordeningen uitvaardigen en desgewenst het leger inzetten om de orde te handhaven; bepaalde grondrechten, zoals vrijheid van meningsuiting en vereniging, kon hij tijdelijk buiten werking stellen.” Grote probleem van dit artikel was: “dat er geen ingebouwde garanties waren tegen misbruikvan artikel 48. Immers, als de Rijksdag een presidentieel decreet verwierp, kon de president volgens artikel 25 de Rijksdag alsnog ontbinden. Bovendien bleef onduidelijk wat er precies verstaan moest worden onder een ‘uitzonderingstoestand’.[2]

Met die laatste zin zijn we bij de cruciale vraag aangekomen. De cruciale vraag die in de Weimarrepubliek niet vooraf werd beantwoord. In Nederland bepaalt artikel 103 van de Grondwet: “in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd.” De wet die dit regelt is de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Die wet, of beter gezegd, de toelichting erop, geeft antwoord: “ingeval buitengewone omstandigheden zulks noodzakelijk maken ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid, bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President, de beperkte of de algemene noodtoestand worden afgekondigd. Met de term «buitengewone omstandigheden» wordt aangegeven dat, voordat een noodtoestand kan worden afgekondigd zich feitelijke gebeurtenissen moeten voordoen die tot toepassing van noodwettelijke bevoegdheden nopen omdat de normale wettelijke bevoegdheden te kort schieten.” Van een buitengewone omstandigheid is sprake als de normale wettelijke bevoegdheden tekort schieten. Een antwoord, maar geen echt duidelijk antwoord.

Schieten de normale wettelijke bevoegdheden rond asiel tekort? Dat is de vraag die moet worden beantwoord. De ambtenaren gaven in hun notitie aan dat dit niet het geval is. Als het kabinet het anders ziet dan staat het hen vrij de minister-president een beroep te laten doen op de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en vervolgens een asielnoodwet aan de Kamer voor te leggen. De vier partijen moeten zich hierbij wel realiseren dat toekomstige kabinetten ook op andere terreinen de ‘noodtoestand’ kunnen uitroepen. Bijvoorbeeld een ‘klimaatnoodtoestand’ of een ‘mestnoodtoestand’. Voor een van de vier partijen, de BBB, zou  een ‘mestnoodtoestand’ een middel kunnen zijn om meer mest uit te kunnen rijden. Maar de ‘mestnoodtoestand’ zou ook gebruikt kunnen worden om de veestapel te halveren.

De vraag is of we deze kant op willen met onze democratie? Bij het nadenken is de Weimarrepubliek een te bestuderen waardig voorbeeld. De diverse Rijkspresidenten zagen namelijk zeer vaak ‘noodsituaties’: “Artikel 48 zou in de Weimarrepubliek in totaal 254 keer gebruikt worden: door Ebert (1919-1925) niet minder dan 136 keer, gedurende de stabiele fase 1925-1929 slechts 9 keer, maar in de periode 1930-1932, toen de Weimarrepubliek steeds meer autoritair werd geregeerd weer veel meer en per jaar snel oplopend naar 109 keer in totaal in deze drie jaren.[3]  Per jaar gemiddeld 18 noodtoestanden. Dit lijkt mij een hellend vlak waar we niet op moeten willen. Bezint eer ge begint!


[1] Patrick Dassen, De Weimarrepubliek 1818-1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie, pagina 87

[2] Idem. Pagina 88

[3] Idem, pagina 89

Befehl ist niet altijd Befehl

“Als de wethouder wil dat we de bomen op de kop planten, dan adviseren we dat.”  Aan die uitspraak van een collega-ambtenaar moest ik denken bij het lezen van de ingezonden brief van Peter Simon in de Volkskrant. Simon: “Zou Thomas Hogeling dit een goed idee vinden? Of vindt hij het alleen een goed idee als de ambtenaren linkser zijn dan de ministers?” Het idee waar Simon het over heeft zijn ambtenaren die niet uitvoeren wat er is besloten. Volgens Simon is het niet de bedoeling dat: “de ambtenaren (dan wel) kijken (…) of ze deze besluiten wel of niet uitvoeren.” Dat is inderdaad niet de bedoeling. Dus moeten die ambtenaren dan alles maar gewoon uitvoeren?

Cylons uit de tvserie Battlestar Galactica uit 1978-1979. Bron: Flickr

Even terug naar de uitspraak van de collega waaraan ik moest denken. Op dat moment werkte ik voor een kleine gemeente die ging fuseren met twee andere gemeenten. Onderdeel van het fusietraject was ook dat we nadachten over het adviseren van het college. Hoe doe je dat? Hoe geef je zo’n proces vorm? Daarover ontstond een gesprek en discussie tussen mij en die collega’-ambtenaar van een van de gemeenten waarmee werd gefuseerd. De gemeenten bleken daar namelijk een andere kijk op te hebben. Centraal daarbij stond de vraag: aan wie adviseer je als ambtenaar? In die andere gemeente adviseerde de ambtenaar de wethouder, in onze gemeente adviseerden we het college van burgemeester en wethouders. Dat lijkt een futiliteit maar is het niet. Adviseer je de bestuurder, dan bepaalt de bestuurder wat er ter besluitvorming aan het college wordt voorgelegd. Als die wil dat ‘de bomen op de kop worden geplant’ dan is dat wat je als ambtenaar in het voorstel aan het college schrijft. Daarbij kun je de kanttekening plaatsen dat ze dan wellicht niet gaan groeien. Adviseer je het college, dan beslis je dat als ambtenaar op basis van je professionaliteit. Onderdeel van die professionaliteit is dat je het voorstel bespreekt met de verantwoordelijke wethouder en diens opvatting verwerkt in het voorstel. Dus in het voorstel aangeeft dat de wethouder ‘de bomen op de kop wil planten’, waarom en dan geef je daarbij aan waarom het volgens jou geen goed idee is.

Mijn grote bezwaar tegen de eerste werkwijze was en is nog steeds dat je dan als ambtenaar een advies voorlegt waar je niet achter staat maar waar wel je naam op staat en aan verbonden is. Jij bent het die voorstelt om ‘de bomen op de kop te planten’ terwijl je weet dat ze niet gaan groeien. Want, zoals Hogeling in zijn column terecht schrijft: “dat politici democratisch gekozen zijn, wil niet meteen zeggen dat ze weten hoe ze het algemeen belang moeten dienen.” Uiteindelijk beslist in beide gevallen het college hoe de bomen worden geplant. Maar Simon terecht schrijft: “Wij burgers kiezen de Tweede kamer, de Kamerleden stellen een regering aan, de regering neemt besluiten.”  

Laten we de bomen vervangen door asielzoekers. We zien een bestuursorgaan, de regering, die van de vier partijen die haar vormen, de opdracht heeft gekregen om de ‘asielcrisis’ uit te roepen en daarmee een deel van de Vreemdelingenwet buiten spel te zetten. Die opdracht staat in het Hoofdlijnenakkoord: “Ten eerste wordt de uitzonderingsbepaling van de Vreemdelingenwet 2000 (op grond van de artikelen 110 en 111) zo spoedig mogelijk geactiveerd. In de daartoe benodigde algemene maatregel van bestuur, dragend gemotiveerd, worden die bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 buiten werking gesteld die in de weg staan om de acute noodsituatie, voor de asielinstroom in het algemeen en de asielopvang in Ter Apel en de overige asielcentra in het bijzonder, direct aan te pakken, dan wel die bepalingen te vervangen met het oog op het bereiken van dit doel.”

Nu zijn de partijen die dit hebben opgeschreven, niet het bevoegde bestuursorgaan. Sterker, ze zijn in het geheel geen bestuursorgaan. Ze willen iets en dat moet de regering gaan uitvoeren. Of in dit geval de minister-president want op basis van artikel 110 eerste lid van de Vreemdelingenwet: “ ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, artikel 111,” in werking stellen. En dat artikel regelt dat: “Bij algemene maatregel van bestuur (…) regels voor het geval van buitengewone omstandigheden (kunnen) worden gesteld, die afwijken van de hoofdstukken 1 tot en met 7,” van de wet. En dat zijn de inhoudelijke hoofdstukken van de wet. Tegelijk met dat besluit moet er een wetsvoorstel naar de Kamer worden gestuurd over het voortduren van de afwijking van de wet. Dat voorstel dient door de regering te worden ingediend. Een beroep doen op buitengewone omstandigheden betekent het uitroepen van de algemene of gedeeltelijke noodtoestand. Daarvan kan alleen sprake zijn : “ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid,”  aldus artikel 1 eerste lid van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Het is gebruik dat besluiten gemotiveerd en dus met argumenten gebaseerd op feiten worden genomen. Dit om te voorkomen dat ‘bomen op de kop’ worden geplant’. Gebeurt dat niet dan worden ze door de rechter terecht nietig verklaard. Dit is het motiveringsbeginsel en dat is vastgelegd in Afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij dat motiveren ontstaan problemen. De ambtelijke organisatie wees op die problemen getuige de bij de Algemene Beschouwingen openbaar geworden ambtelijke notitie. Er moet worden gemotiveerd waarom de komst van asielzoekers de ‘inwendige veiligheid’ van Nederland aantast. En niet alleen dat, de aantasting moet dan ook alleen aan de instroom van asielzoekers te wijten zijn. Tot zover doen de ambtenaren hun werk. Als dit: zoals Hogeling schrijft: “In kringen die dit kabinet een warm hart toe dragen, is (tot)nogal wat chagrijn om kritische ambtenaren,” leidt en dat: “Ze (niet) moeten (…) dwarsliggen, maar gewoon uitvoeren wat ze wordt opgedragen.” Dan moeten ‘die kringen’ toch echt bij zichzelf te raden gaan. Die ambtenaren doen namelijk wat ze is opgedragen. Dat werk is namelijk de (on)mogelijkheden van ideeën en voorstellen aangeven en niet klakkeloos opschrijven wat een bestuurder hen opdraagt. Als de ambtenaren negatief adviseren over dit plan uit het Hoofdlijnenakkoord dan nog staat het de regering en de minister-president vrij om anders te besluiten. Dan moet de regering expliciet aangeven waarom zij van dat advies afwijken en die afwijking motiveren (artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht).

Dan naar de uitvoering. Besluiten moeten door de ambtenaren worden uitgevoerd. Want het zou wat zijn als: “de minister besluit tot het ­gedwongen uitkopen van boeren,” en: “De ambtenaren … doen (…)het gewoon niet.”   Moeten besluiten altijd door ambtenaren worden uitgevoerd? Ambtenaren moeten uitvoeren: Befehl ist Befehl. Moeten ambtenaren doen wat ze is opgedragen? Is Befehl altijd Befehl?

Jein, of beter gezegd ja en nee. Als het college, op advies van of tegen het advies in, heeft besloten de ‘bomen op de kop te planten’, dan worden ze op de kop geplant. Dan wordt dat dwaze besluit door de ambtenaren uitgevoerd. Als de minister besluit om boeren uit te kopen, dan moeten ambtenaren dat uitvoeren. Tenminste, als de minister bevoegd is dat besluit te nemen. Is de minister dat niet, dan hoeft het besluit niet te worden uitgevoerd. Want er is dan geen sprake van een besluit. Als een bevoegd bestuursorgaan een besluit neemt, dan voeren ambtenaren dat in de regel uit. Wellicht is er een ambtenaar die dit weigert te doen vanwege gewetensbezwaren. Voorbeeld hiervan waren ambtenaren van burgerlijke stand die weigerden een homohuwelijk te sluiten. De werkgever dient zorgvuldig om te gaan met die bezwaren en moet een afweging maken of de betreffende ambtenaar zonder teveel bezwaren kan vrijstellen van dit werk. Dat wordt lastig als het de kern van het werk van de ambtenaar is. In dat geval moet de ambtenaar zijn bezwaar inslikken of kiezen voor ontslag.

Het wordt nog anders als het bestuursorgaan een besluit neemt dat indruist tegen wet- en regelgeving. Een besluit om bijvoorbeeld alle mannen uit de asielopvang te zetten omdat er plaatsgebrek is en er alleen plaats is voor vrouwen en kinderen onder de 18 mag een ambtenaar weigeren uit te voeren. In zo’n geval is er sprake van discriminatie op oneigenlijke gronden. Een bestuursorgaan kan en mag niet van ambtenaren vragen om tegen de wet te handelen. Ook al is het besluit hiertoe volgens de juiste procedure, door het juiste bestuursorgaan genomen en gemotiveerd. Een ambtenaar die tegen de wet handelt en zich daarbij beroept op een bestuurlijke opdracht, kan persoonlijk worden vervolgd. Befehl ist Befehl.

Sterker nog, een ambtenaar zou zo’n opdracht moeten weigeren. Een ambtenaar zweert of beloofd immers: “de Koning en de Grondwet trouw te zijn en Nederland als goed ambtenaar te dienen,” zo is te lezen in de ambtseed. En dat betekent onder andere je gedragen: “volgens onze wetten, het recht en de gedragsregels die verder voor mij gelden.” Als het bestuursorgaan een loopje met de Grondwet en de wetgeving neemt, dan moet een ambtenaar weigeren uitvoering aan te geven de betreffende besluiten. Befehl ist dus niet altijd Befehl.

De Palestijnse kwestie

“Even een vraag. Hoe ziet voor u de toekomst van het vroegere mandaatgebied Palestina eruit?” Die vraag stelde ik onder een bijdrage van de directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) Naomi Mestrum op LinkedIn. In een artikel in de Volkskrant waarin hij verslag deed van de toespraak van de Israëlische premier Netanyahu duidde Peter Giesen op die vraag: “Netanyahu zei niets over de Palestijnse kwestie.” De cruciale zin in Giesens artikel.

bron: Wikipedia

Netanyahu en in zijn kielzog Mestrum betogen dat Israël geen keus heeft dan  door te vechten en Hezbollah en Hamas te vernietigen; “Israël moet Hezbollah in Libanon verslaan,” aldus Netanyahu. Dat is nodig: “om te voorkomen dat de organisatie een 7 oktober-achtige terreuraanval uitvoert.”  Volgens Netanyahu is het simpel: “De oorlog in Gaza kan snel beëindigd worden als Hamas de wapens neerlegt en de gijzelaars vrij laat. Als ze dat niet doen, zullen wij vechten tot de totale overwinning.” Mestrum zegt het hem na: “Wanneer iemand zweert dat hij uit is op jouw vernietiging, kan je dat maar beter geloven. Om die reden heeft Israël geen andere keuze dan Hezbollah uit te schakelen.”

Ik heb geen glazen bol, ben geen helderziende die net als Nostradamus in kwatrijnen de toekomst voorspelt. Dat hoef je ook niet te zijn om te kunnen voorzien dat de vernietiging van Hezbollah en Hamas de oorlog niet zal beëindigen. Ja, het zal een einde maken aan de huidige gevechten in Gaza en Libanon en als je dat als ‘de oorlog’ definieert, en dat is wat Israël en in haar kielzog het gros van de westerse regeringsleiders doet, dan kan het de oorlog beëindigen. Voor het grootste deel van de rest van de wereld in de islamitische landen in het algemeen, de Arabische in het bijzonder en zeer in het bijzonder de Palestijnen zijn de huidige gevechten niet dé oorlog maar een zoveelste slag in een oorlog die al meer dan honderd jaar woedt. De precieze begindatum is moeilijk te geven. Oorlogen beginnen meestal niet met een verklaring en vaak wordt pas achteraf naar een beginpunt gezocht. Zo wordt de Slag bij Heiligerlee van 23 mei 1568 als beginpunt van de Tachtigjarige oorlog gezien terwijl de onrust al van veel eerder datum is en er ook al eerder slagen werden uitgevochten zoals die bij Oosterweel van 13 maart 1567.  Wel duidelijk is dat de twee zijden die elkaar in Gaza bestrijden toen nog niet bestonden. Hamas is van 1987 en Israël van 1948.

Bij het zoeken naar een begindatum van deze oorlog is 2 november 1917, in mijn ogen, een goed te verdedigen beginpunt. Op die dag schreef de Britse minister van Buitenlandse zaken Arthur Balfour een brief aan lord Rothschild, een van de leiders van de Britse joodse gemeenschap met het verzoek die door te geven aan de zionistische federatie van Groot-Brittannië. Een briefje dat bekend werd als de Balfour Declaration en dat een week later werd gepubliceerd in diverse kranten. Een brief waarmee de Britten de steun van de joodse zionisten hoopten te verwerven in hun strijd tegen het Duitse keizerrijk. Een briefje waarmee de Britten de zionisten een thuisland in Palestina in het vooruitzicht stelden. Bijzonder hierbij is dat de Britten hier land aanboden dat niet van hen was. Palestina maakte al sinds het sultanaat van Selim I in het begin van de zestiende eeuw deel uit van het Ottomaanse Rijk.

Daar ligt de oorsprong van het probleem dat uitliep in een nu al meer dan honderd jaar durende oorlog. En hoewel antisemitisme aan de basis ligt van het conflict is het in de basis geen religieuze oorlog tussen joden aan de ene zijde en moslims aan de andere. Het antisemitisme dat aan de basis van het conflict ligt, is christelijk antisemitisme. Christelijk antisemitisme vermengd met zionisme.  Zionisme is: “het streven van een bep. Joodse groepering om een eigen staat te stichten en te behouden.” Zionisme is een nationalistische stroming die ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw. De eeuw van het ontluikend nationalisme. Een stroming waar Theodor Herzl min of meer de ideologische vader van is. Herzl verwoordde zijn ideeën in zijn boek Der Judenstaat uit 1896. Herzl zag ‘een eigen staat’ als enige oplossing voor de in de negentiende eeuw weer oplaaiende haat tegen joden. Het oplaaien van de haat tegen joden werd mede veroorzaakt door het ontluikende nationalisme in Europa. Velen beantwoordden de vraag of joden tot het Franse, Engelse, Nederlandse Hongaarse, Duits enzovoorts volk behoorden met nee. Nee omdat ze geen christen waren en dat betekende dat joden gevaar liepen.

De Balfour Decleration werd zo ongeveer integraal opgenomen in het mandaatverdrag van de Volkenbond aan de Britten. Dat verdrag gaf de Britten de opdracht om: “Het land onder zodanige politieke, bestuurlijke en economische omstandigheden te brengen dat de vestiging van het joodse nationale tehuis, zoals vastgelegd in de preambule, en de ontwikkeling van zelfbesturende instellingen verzekerd zijn, en tevens de burgerlijke en religieuze rechten van alle inwoners van Palestina, ongeacht ras of godsdienst, te waarborgen.[1]  In deze woorden ligt de basis voor de aparte behandeling, of beter gezegd de voorkeursbehandeling van de naar het gebied migrerende joden. De historicus Kahalidi verwoordt dit treffend:Veelzeggend was dat de overgrote Arabische meerderheid van de bevolking (rond de 94% in die tijd) door Balfour niet werd genoemd, behalve op een indirecte manier als de ‘bestaande niet joodse gemeenschappen in Palestina’. Ze werden omschreven als wat ze niet waren, en zeker niet als een natie of een volk – de woorden ‘Palestijn’ of ‘Arabier’ komen in de zevenenzestig woorden tellende verklaring niet voor. De overgrote meerderheid van de bevolking werd alleen ‘burgerlijke en religieuze rechten’ beloofd, geen politieke of nationale rechten. Bij wijze van contrast kende Balfour nationale rechten toe aan ‘het joodse volk, zoals hij het noemde, dat in 1917 een kleine minderheid – 6 procent van de inwoners van het land vormde.[2]”   

In 1920 woonden er ongeveer 720.000 mensen in Palestina waarvan ongeveer 40.000 de joodse religie aanhing. De migratie van zionisten leidde al snel, in 1920, tot botsingen en de eerste doden en gewonden. Niet vreemd want die frictie zien we ook in Europa met de komst van migranten. Zeker als die migranten jouw land zien als het hunne en dus jou als een lastige bijkomstigheid. En dat was de manier waarop de nieuwkomers, zionisten, naar de wereld keken. De huidige gevechten zijn de zoveelste in een zeer lange rij. Een zeer lange rij waarbij de joodse zijde tot nu toe op de steun en sympathie van de westerse regeringen in het algemeen en de militaire grootmacht in het bijzonder kon rekenen. Die militaire grootmacht waren eerst de Britten en nu de Verenigde Staten. Nu moeten Hamas en Hezbollah worden vernietigd. Daarvoor was het de PLO. Daar weer voor waren het de Arabische buurlanden. En ligt de volgend ‘belemmering voor vrede’, Iran, al weer op de loer. Steeds zijn er nieuwe ‘vijanden’ die eerst moeten worden verslagen zodat, om Natanyahu speech aan te halen: “onze burgers naar huis kunnen terugkeren.”

Nu wonen er zo’n 14 miljoen mensen waarvan ongeveer de helft de joodse religie aanhangt. Die helft heeft volledige burgerrechten. De andere helft iets tussen geen rechten en tweederangs burgers. De basis van die ongelijkwaardigheid heb ik hierboven beschreven. Daarnaast leven er in de buurlanden nog zo’n 3,5 miljoenen Palestijnen van wie de ouders in 1948 wegvluchtten in de buurlanden. Het grootste deel in Jordanië, de rest in Libanon, Syrië en Egypte. Mensen die stateloos zijn en vallen onder de verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties. Zij hebben een unieke status gebaseerd op VN resolutie 302 van december 1949. Uniek omdat de status met goede redenen anders is dan andere vluchtelingen. Ook deze mensen willen liefst naar huis terugkeren.

Wat er sinds 1917 allemaal is gebeurd, is niet terug te draaien. Maar, zou lijfsbehoud niet beginnen met het opheffen van die ongelijkwaardigheid? Is er niet pas echt vrijheid in het vroegere mandaatgebied Palestina als alle er wonende mensen dezelfde volwaardige burgerrechten en plichten hebben? Zou dat niet de meest effectieve manier zijn om Hamas en Hezbollah te bestrijden? Als die al meer dan honderd jaar durende oorlog ons iets leert, dan is het dat vechten niet tot een oplossing leidt. Vechten leidt, behalve tot dood en verderf, alleen maar tot meer haat. Dus met een antwoord op de vraag naar de toekomst van het vroegere mandaatgebied Palestin. Met een oplossing voor de Palestijnse kwestie. Zonder oplossing van die kwestie komt er geen einde aan de nu al meer dan honderd jaar durende oorlog.


[1] The British Mandate For Palestine

[2] Rashid Khalidi, De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet, pagina 39-40

De daad en de dader

 “Hij is de favoriete vijand van iedere machthebber: de terrorist. Maak van een tegenstander een terrorist en hij kan geen goed meer doen.”  Dit schreef ik in 2016 in een prikker met als titel Terrorisme, rationele irrationaliteit en dwaasheid. Een terrorist moet worden bestreden en oorlog en geweld zijn de middelen waarmee dat gebeurt. Noem iemand een terrorist en de persoon wordt bijkans rechteloos. De reactie op terrorisme, met als meest recente en extreme voorbeeld het optreden van Israël, is in mijn ogen een grotere bedreiging dan het terrorisme.

Mandela reikt na het winnen van de finale van het wereldkampioenschap rugby in 1995 de Web Ellis cup uit aan zijn landgenoot en aanvoerder van de Springboks Francois Pienaar.

Terrorisme is, volgens de Van Dale“het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Een ‘daad van terreur’ is, volgens dezelfde Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Terrorisme is dus het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van georganiseerd politiek geweld. Onze overheid, de Nationaal coördinator terrorismebestrijding (Nctv), omschrijft terrorisme als volgt: “Terrorisme is het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappijontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.” 

Terrorisme is een gewelddadige en daarmee verkeerde manier van aandacht vragen voor iets wat je verandert wilt hebben. Kern van de huidige omgang met terrorisme is het gelijk stellen van het middel aan de persoon. De dader wordt de daad. Iemand die een terreurdaad pleegt, wordt de daad en wordt ontmenselijkt. De pleger wordt niet meer als ‘mens’ gezien. Een mens die een misdaad pleegt wordt door de politie opgepakt en voor het gerecht gebracht. Een terrorist krijgt een bom op het dag of een hellfire door de brievenbus en als de persoon gevreesd genoeg is wordt zijn of haar dood trots in een persconferentie gemeld. Voor het gerecht komen ze zelden of nooit. “Als Israël een slachtoffer als terrorist bestempelt, krijgt de familie het lichaam niet terug,” aldus een artikel in de Volkskrant. Zelfs als lijk is de ‘terrorist’ nog een gevaar zoals het Israëlische voorbeeld laat zien en trouwens ook de behandeling die Osama bin Laden ten deel viel. Zelfs als ze levend worden opgepakt, zien ze zelden een rechtszaal zoals Guantánamo laat zien en lopen ze in gevangenschap het risico ernstig te worden mishandeld.

Deze behandelingen die plegers van een daad van terreur krijgen, ondermijnt ons op de rechten van de mens gebaseerde rechtssysteem. Een ‘terrorist’ heeft kennelijk niet: “in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging,”  aldus artikel 10 van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Voor een terrorist geldt niet het recht op: “voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn verdediging, zijn toegekend”  verwoord in artikel 11 eerste lid. Een verklaring die is opgesteld overwegende: “dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,” en: “dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan.”  

Het meest pregnante voorbeeld hiervan is het recent laten ontploffen van semafoons. De man die bij de groenten in de supermarkt stond, in de meest getoonde video hierover, was al bij voorbaat schuldig en werd zonder aanklacht, zonder proces gestraft. “You must be guilty. Guilty. Guilty. Guilty ‘till you’re proven innocent, ” om het refrein van het nummer Lie Detector van mijn favoriete Punkband Dead Kennedys aan te halen. Deze manier van handelen is zeer gevaarlijk voor landen die zichzelf een democratische rechtsstaat noemen. Deze manier zet de bijl aan de wortels van de rechtsstaat.

In haar boek Het koninkrijk van de angst schrijft de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum over de rol van angst in het handelen van mensen in het algemeen en de gevolgen ervan voor een samenleving en in het bijzonder een democratische samenleving. Nussbaum schreef haar boek naar aanleiding van de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Aan het einde beschrijft zij iemand die ondanks het kwaad dat hij in zijn leven zag, bleef geloven in het goede van de mens. Deze persoon maakte: voortdurend onderscheid tussen de dader en de daad, en (liet) duidelijk (…) zien dat hij geloofde in de goede mogelijkheden die diepgeworteld zijn in ieder mens.” Menigeen zal nu denken ‘wat een naïeveling! Ddaad en dader scheiden na 7 oktober, of na al die onschuldige doden in Gaza.’ Nussbaum gaat verder: “Toen zijn begrafenisstoet door de straten reed, vertelde een blanke politieman, terwijl de tranen hem over de wangen liepen, hoe Mandela in 1994 na zijn inauguratie als president dezelfde route had gevolgd. Zijn auto kwam daarbij langs een groepje jonge politierekruten, onder wie de spreker zelf, die zei dat hij niets dan minachting had verwacht. Mandela stapte uit en gaf al deze jongemannen een hand, lachte hen innemend toe en zei: ‘We stellen vertrouwen in jullie.’[1] 

De daad scheiden van de dader, is dat niet wat nodig is? Dat kan iedereen, daarvoor hoef je geen Mandela te zijn. Iedereen kan, om Nussbaum te citeren: “de gewoonte aannemen om mensen die ons dwarszitten niet als monsters te beschouwen maar als mensen met gedachten en gevoelens, echte mensen dus, die niet door en door slecht zijn.[2] De man die groenten kocht. Misschien was hij lid van Hezbollah, misschien ook niet. Dat zullen we nooit weten. Maar zelfs als hij lid was van Hezbollah dan nog was hij een mens net als jij en ik. Een mens die wellicht groenten kocht om zijn kinderen te eten te geven. Een mens met gedachten en gevoelens. Wellicht ander gedachten en gevoelens dan de mijne. We zullen het nooit weten, want we kunnen er niet meer met hem over in gesprek.

En daarmee kom ik bij mijn punt. Moeten we niet ophouden mensen terrorist te noemen en organisaties terroristisch te noemen? Daarmee helpen we niemand. Hamas en Hezbollah zijn organisaties, om een stuk van de NCTV definitie aan te halen: “met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen.” De Israëlische regering heeft ook het doel om maatschappelijk iets te bewerkstelligen. Zou de aandacht niet uit moeten gaan naar de doelen van de partijen? Zouden ze daar niet een gesprek over kunnen voeren van mens tot mens? Het zou wel eens kunnen dat ze in de kern min of meer hetzelfde nastreven namelijk een plek om een goed leven te kunnen leiden. En als iemand een terreurdaad pleegt, met welk doel dan ook, dan wordt de persoon gearresteerd, voor het gerecht gebracht en is onschuldig totdat de rechter anders beslist.


[1] Martha C. Nussbaum, Het koninkrijk van de angst. Een filosofische blik op angst als politieke emotie, pagina 108-109

[2] Idem, pagina 109

Foei!

Mensen die naar Nederland zijn geëmigreerd, sturen geld terug naar hun familie en dat loopt flink in de papieren. In 2018, toen ik er een prikker over schreef,  was het officieel  € 8 miljard en waarschijnlijk nog veel meer omdat geld dat via informele kanalen werd overgemaakt, buiten beeld bleef. Dit was toen veel meer dan Nederland aan ontwikkelingshulp overmaakte want dat was maar €2,5 miljard. Het leek mij een positief iets omdat, zoals ik me toen bedacht: “Die 8 miljard gaan rechtstreeks naar mensen. Die 2,5 miljard kennen een strijkstok.” Volgens Calvin Schukkink in een artikel bij Wynia’s Week zie ik dat verkeerd: “Het zou juist in ons belang zijn als geld dat in Nederland is verdiend vaker dan nu het geval is ook in Nederland blijft – en hier wordt uitgegeven of geïnvesteerd.”

Het blijkt, zo lees ik, nu om nog veel meer geld te gaan: “Vanuit ons land maakten migranten in 2022 maar liefst 15 miljard euro over naar hun thuislanden.” En ook nu, net als in 2018, is het naar verwachting in werkelijkheid nog veel meer omdat: “Veel migranten (…) namelijk informele kanalen, zoals online-aanbieders of banken die geen vergunning bezitten voor remittances,” zoals deze betalingen met een duur woord heten, gebruiken. En: “Dat laatste is uiteraard vooral van belang bij criminele geldstromen. Volgens een recente schatting van het CBS werd in 2021 binnen de Nederlandse grenzen 17 miljard euro verdiend met illegale activiteiten. De meeste verdiensten stroomden naar het buitenland; bij de opbrengsten van cocaïnehandel – waarbij relatief veel migranten zijn betrokken – zelfs bijna 90 procent.” En in twee zinnen wordt migratie aan criminaliteit gelinkt en migranten in een verdacht daglicht geplaatst.

Dat geld overmaken zou ons in de toekomst nog wel eens geld kunnen gaan kosten, zo betoogt Schukkink en dat komt door de Verenigde Naties: Eén van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen – de zogeheten Sustainable Development Goals – van de VN is namelijk het terugbrengen van ‘ongelijkheid binnen landen en tússen landen’, zodat ‘sociale, economische en politieke inclusie van alle mensen op aarde’ de maat worden. Onder deze noemer valt ook een doelstelling die betrekking heeft op de transactiekosten voor overboekingen door migranten: die moeten voor 2030 worden teruggedrongen tot minder dan 3 procent.”  En dat zou wel eens pijn kunnen gaan doen: “Wat als daar straks inkomsten tegenover staan die niet meer kostendekkend zijn? Dan zijn voor Nederland aan remittances nóg grotere nadelen verbonden.”  

Foei migrant! Zo betoogt Schukkink. Foei migrant omdat er geld naar familie wordt gestuurd terwijl dat geld beter in Nederland uitgegeven kan worden. Foei migrant omdat je Nederland op kosten gaat jagen als ‘we’ de het verschil tussen de werkelijke transactiekosten en 3% die in rekening mogen worden gebracht, mogen gaan betalen. Nu hoeven ‘we’ als Nederland die niet te betalen. Die 3% moet de migrant die geld overmaakt of de ontvanger ervan betalen. Als de bank daarvoor meer kosten maakt, dan zijn die voor rekening van de bank.  Niet voor ‘Nederland’. Het lijkt me niet dat we medelijden moeten hebben met de banken. Dat hebben ze ook niet met ons. Als een bank hierop verlies draait, dan zal ze stoppen met het aanbieden van deze dienst.

Als dat foei, op z’n plek is, moet dat foei dan niet ook naar de Nederlander. Die bracht in 2023 € 18,5 miljard naar het buitenland. Dat deed die Nederlander door in het buitenland op vakantie te gaan. Is het foei dan ook niet op z’n plaats voor het Nederlandse bedrijfsleven? Op z’n plaats omdat, zo blijkt uit een artikel bij Business Insider Nederland: “winsten van bedrijven in Nederland (…) voor een groter deel dan gedacht weg (stromen) naar het buitenland. … Het gaat om miljarden euro’s.” En ook foei voor al die Nederlanders die aandelen in buitenlandse bedrijven kopen? En foei voor al die Nederlanders die in het buitenland tanken of er drank en sigaretten kopen? Dus ook aan mezelf omdat ik ook in het buitenland tank. Foei voor al die Nederlanders die buitenlandse producten kopen want ook daardoor verdwijnt geld naar het buitenland en kan dat niet beter in Nederland worden uitgegeven?

Of foei Schukkink voor dit artikel waarin migranten op een suggestieve manier in een kwaad daglicht worden geplaatst?

De bok van Van Bokhoven

‘De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’ een spreekwoord dat betekent dat iemand een ander iets verwijt waaraan de verwijter zichzelf ook schuldig maakt.. Daar moest ik aan denken bij een artikel van Ines van Bokhoven bij Opiniez. Daaraan en aan de splinter die je in het oog van de ander ziet terwijl je de balk in je eigen ogen niet opmerkt.

Bron: Wikipedia

Van Bokhoven gebruikt een tweet van een uitspraak van terrorisme-expert Beatrice de Graaf om haar punt te maken. In een reeks twitterberichten schreef Van der Graaf het volgende: “maandag heb ik blijkbaar bij @JinekLive geheel radicaalrechts in Nederland diep gekwetst. Ze voelen zich massaal geraakt over een item over de dreiging van extreemrechts in Duitsland, waar AfD geradicaliseerd is (volgens veiligheidsdiensten daar), en mee doet met neonazi’s.” In een tweede bericht gaat Van der Graaf verder: “Alle bekende en onbekende trollen, guurrrechtse “journalisten”, @DDStandaard, @wierduk, @NiniForNews hebben onthuld waarmee ze zich identificeren: met de extreem rechtse Duitse onderbuik.”

Van Bokhoven vindt het gebruik van radicaal rechts onnodig generaliserend en het wordt vooral gebruikt om: “zich achter te verschuilen.” Ook het gebruik van de woorden diep gekwetst bevallen haar niet: “Nou denk ik dat dat wel meevalt, maar stel dat het wel zo was: waarom daar dan zo laatdunkend over doen? Waarom daar de spot mee drijven? … Waarom zo stampen op de emoties van mensen waar je een samenleving mee deelt? Welk nut dient dat, naast jezelf het gevoel geven dat je zo ont-zet-tend veel beter bent – een volslagen misplaatst gevoel, want onderbouw het maar eens overtuigend na dat soort woorden.”   Van Bokhoven gaat verder: “De Graafs onderbuik: die van haar is prima, haar scheldpartijen en generalisaties en verwijten zijn de redelijkheid en rationaliteit zelve, en de rest van ons is een soort primaat als wij eens eerlijk zeggen, net als zij, op wie we zo kwaad zijn en waarom.”

Hiermee wordt, zo betoogt Van Bokhoven, onnodige verdeeldheid gezaaid in de samenleving. Daarom stelt ze de vraag: “wat verwachten ze toch? Wat denken ze dat er gebeurt als ze elke dag duidelijk maken zich niet verbonden te voelen met een steeds groter deel van de samenleving waar ook zij deel van uitmaken, net als wij? Waar hopen ze op? Dat we weggaan? Want we zijn hier, we delen die samenleving nu eenmaal met de De Graafjes van deze wereld, hoe onvoorstelbaar ze dat ook vinden – en we gaan nergens heen. We blijven gewoon hier en erger nog: we hebben exact dezelfde rechten en maken er gebruik van.”

Van Bokhoven heeft een punt. Het uitschelden van mensen is niet bevorderlijk voor het gesprek en dus ook niet voor het samen met elkaar leven van mensen die verschillend over zaken denken. Als ik jullie uitscheld dan zal dat jullie bereidheid om verder te lezen niet ten goede komen en is de kans dat mijn boodschap jullie bereikt klein.

Van Bokhoven heeft dus een punt. Alleen helpt ze dat punt vervolgens vakkundig om zeep door precies dat te doen waar ze De Graaf terecht van beschuldigd: “Willen mensen als Beatrice nog wel deel zijn van onze samenleving? Want terwijl zij het recht claimen onze wereld te mogen duiden, deze wereld als eigendom te behandelen, wordt de groep die zich van deze deugpronkers afkeert met de dag groter. Deze deugers moeten uitkijken: straks staan ze zelf buitenspel en het is nog maar de vraag of wij een samenleving willen delen met mensen die niet verder komen dan hun eigen bevooroordeelde, misplaatst verheven onderbuik waarmee ze deze samenleving zo ongelofelijk veel schade toebrachten en zo ontzettend veel kloven groeven.”

Nu, aan het einde van deze Prikker viel me, na de pot en de ketel en de splinter en de balk nog een spreekwoord in: heeft van Bokhoven met dit artikel niet een bok geschoten?

Cliteurs kletskoek

“Vervolgen is een politieke daad en voor de vervolging van het Kamerlid is uiteindelijk de minister van justitie verantwoordelijk. Dat maakt het al vreemd: de regering moet worden gecontroleerd door de Tweede Kamer (art. 42, lid 2 Gw). Wanneer de leden van de regering dan de bewoordingen die Kamerleden gebruiken bij de rechter kunnen laten beoordelen, ontstaat een onwenselijke situatie: een democratisch gelegitimeerd Kamerlid wordt belemmerd in zijn werk. Belemmerd door de instantie die hij moet controleren (de regering). Bovendien wordt de rechter gedwongen in een rol die de rechter niet past. De rechter moet zich gaan mengen in de politiek.” Aldus Paul Cliteur in een artikel bij De Dagelijkse Standaard. Dat is nogal een beschuldiging. Wat is er aan de hand? Waar gaat het fout?

De Sustainable Development Goals . Bron: devpolicy.org

Even voor de context. Cliteur doet deze uitspraak omdat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten FvD-Kamerlid Pepijn van Houwelingen te vervolgen voor smaad en laster. De voormalige ministers Kuipers en Van Gennip hadden aangifte gedaan omdat Van Houwelingen in gemanipuleerde beelden beide ministers nazivlaggen liet hijsen. Volgens Cliteur is het: “zeer kinderachtig dat de ministers Kuipers en Van Gennip hebben lopen jeremiëren over de behandeling die hen (…) ten deel (is) gevallen door het Kamerlid. Waarom? Omdat zij zelf het initiatief hebben genomen tot het hijsen van een vlag met daarop de zogenaamde SDG doelen (Sustainable Development Goals) van de Verenigde Naties. Dit hoort een minister natuurlijk helemaal niet te doen. Voor het ministerie een vlag gaan hijsen met omstreden politieke doelstellingen en daarvan een filmpje laten maken om dat op social media te openbaren, is een ontduiking van het proces van politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer, zoals de Grondwet dat in art. 42, lid 2 voorschrijft. Verantwoording geschiedt tegenover de Tweede Kamer. Bijvoorbeeld in een debat.”

Nu even de feiten. Met het hijsen van die vlag vroegen de ministers aandacht voor Sustainable Development Goals, zoals Cliteur constateert. Omstreden zijn die doelen niet. Ze worden onderschreven door 193 landen van de Verenigde Naties. Nederland is een van die 193 landen die met deze, volgens Cliteur, omstreden doelen heeft ingestemd. Het proces van ‘politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer wordt hiermee in het geheel niet ontdoken. Als Van Houwelingen daarover met de minister in debat wil of er vragen over wil stellen, dan staat niets hem in de weg dat te doen. Sterker nog. Ieder jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang met betrekking tot de doelen. Dat deze ministers “kennelijk  …  te zwak, te hooghartig, te weinig ingevoerd in de materie (zijn) om zich in een kamerdebat staande te kunnen houden.”  En daarom kiezen voor: “de gemakkelijke weg: een filmpje,” zoals Cliteur beweert, raakt kant nog wal.

Het staat iedere Nederlander, ook een minister, vrij om aangifte te doen tegen iemand als die zich, in de ogen van de aangever schuldig maakt aan smaad en laster. Het staat je vrij, je hoeft het niet te doen. Als er aangifte is gedaan dan moet het OM de aangifte onderzoeken en als dat onderzoek oplevert dat er een mogelijk strafbaar feit is gepleegd, dan moet het OM tot vervolging overgaan. En ja, de minister van Justitie is politiek verantwoordelijk voor politie en justitie en dus ook voor het OM. Dat het OM overgaat tot vervolging gebeurt daarmee onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Dat is het enige politieke aan het besluit en dat is voor de zaak tegen Van Houwelingen niet anders dan bij een vervolging van de eerste de beste crimineel of voetbal hooligan. Dat wordt anders als de minister van Justitie zich hier actief mee bemoeit.

Dat een minister aangifte doet tegen Van Houwelingen, wil niet zeggen dat de regering een Kamerlid belemmert te werken en dus belemmert om de regering te controleren. Sterker. Het gemaakte filmpje heeft niets te maken met het werk van een Kamerlid. Van Houwelingen had zijn werk gedaan als hij Kamervragen had gesteld of een debat had aangevraagd. Dat is zijn werk. Bij het stellen van die vragen en in dat debat had hij, als hij daar werkelijk de behoefte toe voelde, straffeloos zijn nazi-vergelijking kunnen maken. In de Kamer is hij onschendbaar voor rechtsvervolging. In de Kamer wel. In een filmpje dat vervolgens op het web wordt geplaatst niet. Dan heeft hij even veel rechten en plichten als een gewone burger.

De rechter hoeft zich niet in ‘te mengen in de politiek’. Hij hoeft zich niet uit te spreken over het al dan niet omstreden zijn van de Sustainable Development Goals en of die, zoals Cliteur beweert: “alleen te verwerkelijken zijn in een totalitaire (communistische of nazistische) samenleving.” De rechter moet een uitspraak doen in de voorliggende zaak en daarmee antwoord geven op de vraag of Van Houwelingen zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en laster. Smaad en laster aan het adres van de twee aangevers.

“Nu kan het zijn dat de ministers Kuipers en Van Gennip niet Hannah Arendt’s The Origins of Totalitarianism (1951) onder hun hoofdkussen hebben liggen. Zij zullen ook niet bekend zijn met Friedrich Hayek’s The Road to Serfdom (1944). Naar alle waarschijnlijkheid ontgaat hun de intelligentie achter Van Houwelingen’s vergelijking helemaal. En wat doe je dan? Dan doe je wat alle domme mensen doen, dan ben je beledigd.” Nu heb ik beide boeken gelezen en ook mij ontgaat de ‘intelligentie’ die er kennelijk in Van Houwelingens actie zit. Wellicht ben ik dan ook wel dom. Als ‘dom’ mens moet me dan wel van het hart dat een jurist, zeker iemand die hoogleraar encyclopedie van het recht is geweest, zo’n rammelend betoog houdt. Zo’n kletskoek.

Blaten voor de bühne

De PVV is, aldus Michael van der Galien in een artikel bij De Dagelijkse Standaard furieus omdat: “Oekraïense ‘vluchtelingen’ in ons land (ik zie trouwens dat veel ‘vluchtelingen’ man zijn, van ergens tussen de 20 en 40 jaar, en fit) geen eigen bijdrage betalen aan hun opvang. Dat is raar. Want dat moeten ze wél doen.”  Dat gebeurt niet omdat: “gemeenten te lui zijn de bijdrage te innen. Dat vinden ze maar lastig. En dus moeten gewone Nederlanders de héle rekening van de opvang van Oekraïners zelf bekostigen.” Oei dat klinkt ernstig. Daarom heeft  PVV-Kamerlid Marina Vondeling een reeks vragen ingediend.

Bron: Wikipedia

“”Hoe is het mogelijk dat vrijwel geen enkele gemeente de eigen bijdrage die Oekraïners moeten betalen voor hun opvang int?” Zo vraagt Vondeling. En: “Bent u het ermee eens dat het niet meer dan logisch is dat Oekraïners meebetalen aan hun opvang temeer omdat Nederlanders wel voor alles zelf moeten betalen?”  Ze vervolg met: “Gaat u ervoor zorgen dat alle gemeenten voor 1 januari 2025 de eigen bijdrage die Oekraïners moeten betalen voor de opvang gaan innen?” Als laatste: “wil Vondeling ook weten wanneer minister Faber “deze eigen bijdrage voor opvang, zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord, [gaat] verhogen?” Want ja, dat is immers ook met elkaar afgesproken. Bizar, eigenlijk, dat dit een afspraak is maar dat gemeenten het weigeren te innen – ook de lagere bijdrage.

Zo en nu even de lucht uit de ballon. Je bent Ballonnendoorprikker of niet. Voor degenen die het snelle antwoord willen: Vondeling en in haar spoor Van der Galien blaten voor de bühne. De gemeenten zijn niet te lui. Ze hebben zelf gevraagd om kosten in rekening te mogen brengen. Dit omdat het nogal scheef is dat een werkende Oekraïner gratis woont. De minister hoeft niets te doen om ervoor te zorgen dat per 1 januari alle Oekraïners met voldoende eigen inkomsten die vergoeding betalen. De wetgever heeft gemeenten namelijk de tijd gegeven om dit te regelen. Die tijd is gegeven omdat het besluit om die inning mogelijk te maken pas medio juni 2024 is genomen. Voor degenen die wat meer achtergrond willen, lees verder want de ballon bevat nog meer lucht. Die lucht is al oud. Al van voor de komst van de Oekraïners in maart 2022.

Gevluchte Oekraïners, in politiek bestuurlijke kringen ‘ontheemden’ genoemd, moeten worden opgevangen. Daar moet, aldus artikel 2 eerste lid van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne, de burgemeester zorgdragen. Bijzonder omdat de opvang van vluchtelingen een Rijks verantwoordelijkheid is. Deze bijzonderheid is een gevolg jarenlange politieke onwil op Rijks niveau. Politieke onwil om de opvang van vluchtelingen goed te regelen. Politieke onwil die zich kenmerkt door hard schreeuwen dat het allemaal te veel is en niet investeren in oplossingen. Ik schreef er al eerder over. Dus toen er een oorlog in de regio uitbrak en de schreeuwers niet meer konden roepen dat de opvang toch echt in ‘de regio’ moest omdat we tot ‘de regio’ behoren, ontbrak het aan menskracht en locaties om de toestroom van Oekraïense vluchtelingen op te pakken.

Daarop speelde het Rijk de bal snel door naar de gemeenten. Die bal ging vergezeld van een zak geld waar je u tegen zegt en de boodschap: zoek het verder maar uit! Zoek het maar uit werd netjes in de regeling verwoord met de woorden ‘de burgemeester draagt zorg’, ‘-verstrekt’ of ‘zorgt voor’ dit al naar gelang het beste paste in de zin. Dus daarmee gingen de gemeenten aan de slag. Gevolg hiervan is dat de opvangplekken variëren van kamers in een klein kasteeltje via een woonhuis, een kamertje met een of meerdere personen in een hotel, met vier tot zes personen in een lokaal van een school die op de nominatie om gesloopt te worden staat tot een cel in een voormalige gevangenis.

Maar met een dak alleen waren de gemeenten er niet. Die vluchtelingen moesten ook ergens van leven. Het meest eenvoudige zou zijn om daarvoor aan te sluiten bij al bestaande regelingen, de regelingen rond asielzoekers of de bijstand. Die laatste lag het meeste voor de hand omdat iemand met een verblijfstatus mag werken en bij gebrek aan werk recht heeft op bijstand. Aangezien een vluchteling uit Oekraïne, in tegenstelling tot vluchtelingen uit andere landen die asiel aanvragen, meteen aan het werk mag. Meest eenvoudig omdat alles hiervoor is geregeld en georganiseerd. Hiervoor werd echter niet gekozen. Er werd een aparte leefgeldregeling opgetuigd. Extra werk en dus extra moeilijkheden want er kon geen gebruik worden gemaakt van bestaande systemen, procedures en afspraken. Daar werd niet voor gekozen want er zouden weleens ‘rechten’ aan ontleend kunnen worden. De hoogte van het leefgeld is trouwens afhankelijk van de gezinssituatie.

Gratis onderdak en wat geld om te leven was daarmee geregeld. Dat geld komt trouwens te vervallen als de vluchteling werkt en zelf voldoende geld verdient. Wat niet geregeld was, was het betalen van een eigen bijdrage aan dat onderdak als men voldoende verdiende. Huur in rekening brengen, daar wilde de regering niet aan. Dan zou immers het huurrecht gelden. Bovendien hoe hoog zou die huur dan moeten zijn? Is die voor die kamers in dat kasteeltje even hoog als voor die zes man in een schoollokaal?

Na lang wikken en wegen nam het kabinet in juni 2024 het besluit dat gemeenten vanaf 1 juli 2024 een vergoeding in rekening kunnen brengen voor gas, water en elektra: “De vergoeding bedraagt € 105,00 per maand per meerderjarige ontheemde en diens meerderjarige gezinslid tot een maximum van € 210,00,”  aldus artikel 8 tweede lid van de genoemde regeling. Gemeenten kunnen dus vanaf 1 juli een vergoeding in rekening brengen en dat gebeurt nog niet. Dat is echter geen onwil. Gemeenten hebben tot 31 december van dit jaar de tijd om de inning van de vergoeding te organiseren. Op Vondelings vraag wat de minister eraan gaat doen om ervoor te zorgen dat per 1 januari 2025 een vergoeding wordt betaald, kan de minister makkelijk antwoorden met NIETS want gemeenten hebben tot eind 2024 tijd om het te regelen.

Dat vervolg kan dan weer worden vervolgd met: en dat het nu nog niet gebeurd niet is, is niet omdat: “gemeenten te lui zijn de bijdrage te innen.” Lastig is het wel, en daarom krijgen gemeenten er ook een half jaar de tijd voor. Het moest eenvoudig worden maar eenvoudig is in dit geval niet zo eenvoudig als het lijkt. De ins en outs van de regeling en hoe ermee om te gaan werden op 28 juni 2024 door het Rijk gepubliceerd. Dat had de regering toch maar mooi net voor het zomerreces geregeld.

Het Rijk wel. Voor de gemeenten begon toen het werk. De vergoeding mag in rekening worden gebracht maar het mag niet gebeuren dat de persoon na betaling minder overhoudt dan er aan leefgeld zou zijn ontvangen. Dat lijkt vrij duidelijk. Verdient iemand afhankelijk van zijn gezinssituatie €105 of €210 meer dan aan leefgeld zou worden ontvangen, dan wordt de vergoeding in rekening gebracht. Simpel, tenminste op het eerste oog. Dan komt de vraag: moet werken lonen? Als je na betaling van die vergoeding net zoveeloverhoudt als iemand zonder werk, waarom zou je dan gaan werken? Dat is niet het enige. Voordat je een vergoeding in rekening brengt, moet eerst worden aangekondigd dat dit gaat gebeuren. Dit moet via een persoonlijke brief. Met die brief wordt de vluchteling gevraagd om informatie over zijn werkstatus aan te leveren. Op basis van die informatie moet een besluit worden genomen over het al dan niet in rekening brengen van een vergoeding. Als de vluchteling het niet eens is met het besluit, dan kan bezwaar worden aangetekend. Daarvoor moet een proces worden ingericht  en daar werken gemeenten aan. Gemeenten hebben tot en met 31 december de tijd om dit te organiseren en daar werken ze nu aan.

Vondeling blaat zoals gezegd voor de bühne. Wat ze vergeet te doen, is haar werk. Zoals gezegd stond het Rijk met haar handen omhoog en wentelde het probleem af op de gemeenten. Dit omdat ze na heeft gelaten haar verantwoordelijkheid voor de goede opvang van vluchtelingen te organiseren. Resultaat hiervan zoals gezegd dat de vluchtelingen uit Oekraïne ongelijk worden behandeld voor wat betreft hun huisvesting. Ze worden echter ook ongelijk behandeld in vergelijking met andere vluchtelingen. Daar doet Vondeling niets aan.

Waar ze ook niets aan doet is nadenken over de lange termijn en daar de regering op bevragen. Die blijft de opvang als tijdelijk zien en denkt niet na over de lange termijn. De oorlog waarvoor de Oekraïners zijn gevlucht duurt nu al, afhankelijk van wat je als beginpunt ziet tweeëneenhalf of ruim veertien jaar en is nog lang niet voorbij. De geschiedenis kent de Honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Die duurde trouwens nog wat langer dan honderd jaar. De Atheners en Spartanen vochten tussen 460 en 404 BCE twee Peloponnesische oorlogen die je ook al één kunt zien. Ook kennen we de ons bekende Tachtigjarige oorlog. En in het Midden-Oosten woedt al meer dan honderd jaar een strijd/oorlog tussen Israël en de Palestijnen. Die tijdelijkheid kon wel eens heel lang duren. Nadenken over die lange termijn gebeurt nog steeds niet. Hoe lang kun je kinderen in een hotelkamer of met de hele familie in een klaslokaal opvangen of in een cel van een voormalige gevangenis? Wat doet dit met die kinderen? Kinderen waarvoor de gemeente de plicht heeft om ze, als dat nodig is jeugdhulp te verlenen. Kinderen die hier naar school gaan en vrienden maken en zelfs kinderen die hier geboren worden. Kinderen die hier hun leven gaan opbouwen. Worden die straks, wanneer dat straks ook is, allemaal teruggestuurd? En niet alleen kinderen? Helaas rijkt de blik van het nu regerende deel van politiek Nederland niet veel verder dan de eigen neus. PVV-Kamerlid Vondeling is daarvan een sprekend voorbeeld.