Test, testen, getest

“Bondsvoorzitter Gabriele Gravina zei bij Sky Sport Italia dat waarschijnlijk eind april de medische controles kunnen beginnen waarbij alle spelers worden getest op het coronavirus. Pas als die zijn afgerond kan er weer worden getraind.” Zo lees ik op nos.nl. Testen, als iedereen is getest en niet besmet, dan weer trainen en daarna weer voetballen. Dat klinkt logisch. Is het ook logisch?

Er zijn twee soorten tests mogelijk. Als eerste een test waarmee wordt bepaald of iemand corona heeft. Bij een tweede soort test wordt er bloed afgenomen en wordt onderzocht of het bloed antistoffen bevat die erop duiden dat de persoon besmet is geweest met een corona-virus. De Italiaanse bondsvoorzitter zegt er niet bij aan welke test hij de voetballers wil onderwerpen. Maar laten we ze eens tegen het licht houden en kijken wat een uitkomst zegt. Ik begin met de laatste test.

Als deze test wordt bedoeld, dan wordt van iedere speler (en ik neem ook aan de trainers- en begeleidende staf) bloed afgenomen. Dat bloed wordt onderzocht op antistoffen. Die test heeft twee mogelijke uitkomsten. Worden er antistoffen gevonden dan is persoon besmet geweest door het corona-virus. Dan is het mogelijk dat die persoon in het vervolg resistent is tegen het virus. Hij wordt er niet meer ziek door. Die residentie kan levenslang zijn, maar ook voor een kortere periode. Hoe dit met het huidige corona-virus zit, is nog niet bekend. Worden er geen antistoffen aangetroffen, dan is de persoon nog niet getroffen door het virus. In beide gevallen kan er gewoon gevoetbald worden. Alleen loopt de persoon in het geval er geen antistoffen worden aangetroffen, de kans dat hij het virus oploopt als hij in aanraking komt met een besmet persoon.

Dan de eerste test, die bepaalt of iemand op dat moment corona heeft. Ook die geeft twee uitkomsten: je hebt het of niet. Als je het hebt, dan moet je eerst uitzieken en kun je pas daarna weer aan voetballen denken. Een bloedtest hoeft dan niet meer omdat je, als je bent genezen, zeker weet dat je antistoffen aantreft. Heb je het niet, dan kun je voetballen. Alleen weet je dan nog niet of je het wellicht al hebt gehad. Om dat te bepalen moet de bloedtest worden gedaan. Laat die zien dat je het nog niet hebt gehad, dan kun je voetballen. Alleen is dat een momentopname. Stel de betreffende voetballer loopt na de test de supermarkt in en treft daar een besmet iemand en raakt daardoor besmet zonder dat hij het weet. Dan kan het zomaar gebeuren dat hij vervolgens medespelers en als er weer wedstrijden worden gespeeld ook tegenstanders besmet. 

Met welke uitkomst mag je trainen en vervolgens spelen? De enige uitkomst waarbij je redelijk safe weer kunt spelen, is als je door het virus bent getroffen en het hebt overwonnen. Tenminste, als je er vervolgens langdurige resistentie tegen hebt opgebouwd. Heb je het nog niet gehad dan blijf je, totdat er een vaccin is, het risico lopen het virus op te lopen en vervolgens te verspreiden. Dan is een test niets meer en niets minder dan een momentopname. Dan is  redelijk veilig trainen en spelen alleen mogelijk als iedere speler die nog niet is getroffen door corona dagelijks wordt getest. 

Corona en de Wilde Weldoeners

Ook in deze corona-tijd zijn ze er weer. De filantropische miljardairs die geld geven voor de zoektocht naar een geneesmiddel, een vaccin of voor medische hulpmiddelen voor ziekenhuizen. Neem Melissa en Bill Gates die via hun foundation $100 miljoen geven. “The organization will immediately direct $20 million to groups including the US Centers for Disease Control and Prevention and the World Health Organization, which last week declared the coronavirus outbreak a global public health emergency.” En zo ontvangen verschillende landen verspreid over de wereld geld. Menigeen zal denken ‘wat goed van die Gatesjes’. Laten we dat eens wat nader bekijken. Dat nader bekijken doe ik aan de hand van het boek Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference van William Macaskill. Sommige lezers zal het deels bekend voorkomen en dat kan. Ik schreef al eerder over Macaskills boek. Dit is een lang artikel maar de moeite van het lezen waard. Al zal iedere schrijver dat over zijn werk zeggen.

Macaskill geeft een leidraad voor een altruïstisch leven. Een leven waarbij je zoveel mogelijk probeert andere mensen te helpen. Zoveel mogelijk voor andere mensen te doen. Hij biedt een interessante manier om naar hulp te kijken. Een manier die hij aan de hand van voorbeelden toelicht. Centraal in het boek staan de vragen, hoe kan ik zoveel mogelijk effect bereiken voor het geld wat ik inzet? En hoe kan ik mijn leven en carrière zo inrichten dat die het meeste effect hebben?

In de eerste helft van het boek gaat hij in op de vraag hoe je het meeste effect voor je geld krijgt. Deze vraag valt uiteen in vijf deelvragen. Als eerste hoeveel mensen profiteren ervan en hoe groot is het profijt? Bij het beantwoorden ervan staat het begrip QALY centraal: Quality-Adjusted Life-Year. Mijn goede daad kan ervoor zorgen dat iemand langer leeft, maar het kan ook dat de kwaliteit van zijn leven verbetert. Deze maatstaf combineert beiden. Stel er is een persoon die, als we niets doen, 60 jaar leeft met een tevredenheid van 70%. En nu kan ik iets voor hem betekenen en dat kan op twee manieren. Als mijn actie ervoor zorgt dat iemand 10 jaar langer leeft, ook met 70% tevredenheid, dan voegt mijn daad 7 QALY’s toe (10 jaar x 70%). Als mijn actie ervoor zorgt dat de kwaliteit van leven van 70% naar 90% gaat in de 60 jaar dat hij leeft, dan voegt die daad 12 QALY’s toe (60 jaar x 20%). Ik zou dan voor het laatste moeten kiezen, omdat mijn daad dan het meeste resultaat oplevert.

De tweede deelvraag luidt: is dit het meest effectieve wat ik kan doen? Er zijn vele manieren om te helpen. Macaskill pleit ervoor om die manier te kiezen die het meeste QALY’s per geïnvesteerde euro oplevert. Als ik €10.000 te besteden heb en ik kan daarvoor 2.000 malarianetten distribueren die per 1.000 netten één persoon het leven redden en die persoon leeft gemiddeld 30 jaar langer met 80% tevredenheid, dan voegt die actie 2.000 : 1000 = 2 en vervolgens 2 x 30 x 80% = 48 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 48 = €208 per QALY. Als ik voor dat bedrag één AIDS patiënt van medicijnen kan voorzien waardoor de kwaliteit van dat leven gedurende de 40 jaar die hij nog leeft toeneemt met 25%, dan voegt die actie 40 x 25% = 10 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 10= €1.000 per QALY. Ik zou dus netten moeten kopen.

Als derde de vraag of het terrein of werkveld wordt verwaarloosd. Even doorbordurend op de netten. Stel dat er zoveel geld is voor netten, dat ieder bed in malariagebied kan worden ‘behangen’ met twee netten? We zagen dat de netten veel meer QALY per euro opleveren, maar als er voldoende geld is voor netten, wat voegt mijn bijdrage dan nog toe?

Als vierde de vraag wat er zou gebeuren als we niets doen op het gekozen terrein? Macaskill geeft hier het voorbeeld van een TV-programma waarbij jonge crimineeltjes een tour door een echte gevangenis krijgen.  Het Amerikaanse programma heet Scared Straight en was in Nederland ook te zien via FOX te zien. Een tour waarbij de grote criminelen hen toeschreeuwen wat ze allemaal met hen gaan doen als ze ook in het gevang komen. Dit met als doel de crimineeltjes op het rechte pad te brengen. Omdat er altijd wel een kind is dat afziet van verdere criminele activiteit en vertelt welke indruk het op hem heeft gemaakt, lijkt dit een zeer goede en succesvolle methode. Onderzoek toont echter aan dat het programma recidive niet voorkomt en alleen mooie tv oplevert. Sterker nog, de recidive kans wordt zelfs wat groter na zo’n gevangenisbezoek. Soms levert niets doen dezelfde resultaten op als wel iets doen en dan is niets doen te prefereren. Het is immers goedkoper.

Dan de vraag hoe je je leven en carrière zo in kunt richten dat je maximaal goed doet? Wat word je? Dokter, wetenschapper, leerkracht in Afrika of toch politicus? Hoe kun je het meeste goed doen? Als arts in Afrika kun je natuurlijk veel levens redden en dat lijkt een goede keus. Maar is dat wel zo? Stel ik ga en daardoor kan een andere arts niet gaan? Voeg ik dan die waarde toe? Ja, als ik veel beter ben dan alle andere, maar wat als dat niet het geval is? Wat als die andere arts veel beter zou zijn? Vraag je af: hoe goed ben ik? Kan ik het verschil maken? Ook bij het kiezen van een filantropische carrière adviseert Macaskill je, dezelfde vragen te beantwoorden als bij het kiezen van een goed doel.

Maar er is meer. Als je net van school komt, zal je impact veel minder groot zijn dan later in je carrière. Macaskill adviseert jongeren om dát werk te kiezen dat hun vaardigheden en/of hun netwerk fors vergroot. Want dat netwerk en die vaardigheden komen later in je carrière goed van pas en vergroten je impact bij het goed doen. Ook als je die ervaring op doet op een terrein dat ver af staat van het goede doel dat je voor ogen hebt.

Het boek lezend, is het advies dat voor de meeste mensen het meest passend is: zoek werk waar je zoveel mogelijk verdient, omdat je dan zoveel mogelijke kunt geven aan dat effectieve en efficiënte doel. Kies alleen voor een ander pad als je exceptionele kwaliteiten bezit en je in de gelegenheid bent die op de juiste plek in te zetten.

Maximaal rendement uit je geld halen en in dit geval zo maximaal mogelijk goed doen voor je geld is een voorbeeld van utilitarisme. Utilitarisme, het maximeren van nut (welzijn) stelt, om Michail J. Sandel (Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? pagina 42 te citeren: “… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen van dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.” Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. En als we dat voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. Een verdeling is, volgens het utilitarisme, rechtvaardig als die zorgt voor het grootste totale geluk.

Maar wat is geluk? Hoe meet je geluk, genot of pijn? Dit is het grote probleem van het utilitarisme. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Soms weet je van te voren wat de gevolgen ervan zijn, vaak ook niet. Ook het meten van pijn is problematisch. Hoeveel pijn iets veroorzaakt kan per persoon verschillen. Neem migraine. Als samenleving moeten we kiezen tussen een middel waarbij de patiënt minder aanvallen heeft maar wel zwaardere en langere en een ander middel waarbij die patiënt meer maar wel lichtere en kortere aanvallen krijgt. Welk middel wordt gekozen? Zou dat niet per patiënt verschillen?

Macaskill lost dit probleem op door te kiezen voor de QALY. Een oplossing die er op papier goed en gedegen uitziet. Kies zoveel mogelijk QALY’s per euro, zo luidt zijn advies. Maar is die QALY wel zo eenduidig? Voor jou als filantroop wellicht wel, je maximaliseert immers je QALY’s. Maar hoe zit het met de ontvanger van je hulp? Als jij als filantroop kiest voor ‘minder maar zwaardere aanvallen’ omdat de gemiddelde migrainepatiënt dat als het prettigst beoordeelt, wat doe je dan de patiënt aan die dit juist het meest ellendige vindt? Meest ellendig maar wel iets beter dan geen medicijnen. Hij heeft geen keus want die heb jij voor hem gemaakt. Hoe zou jij het vinden als een ander zo’n keuze voor jou maakt? Als je er geen weet van hebt dat er een andere mogelijkheid was, dan zul je blij zijn. Maar als je het wel weet, hoe zou je je dan voelen? QALY’s zijn gemiddelden en gemiddelden ontstaan juist door een samenspel van extremen.

Er is meer. Macaskill (pagina 46): “Suppose, hypothetically, we found that providing one guide dog (at the cost of $50,000) would give a 10% increase in reported well being for one persons life over nine years (the working life of the dog). That would be 0.9 WALY (Wellbeing-Adjusted Life-Year of een QALY maar dan eentje die welzijn meet/FK). And suppose that providing 5,000 books (at the cost of $50,000) provided a 0.001% increase in quality of life of 500 people for forty years. That would be 2 WALY’s. If we knew this, then we’d know that $50,000 on schoolbooks provided a greater benefit than spending $ 50,000 on one guide dog.” Rekenkundig is hier, afgezien van de vraag hoe je de percentages bepaalt, geen speld tussen te krijgen. Nu even naar het individu. De geleidehond zou tot een flinke verbetering van het leven van een persoon leiden. Het zou dat leven redelijk radicaal verbeteren. Zou hetzelfde opgaan voor een van die 500 mensen die tien boeken kreeg? Eenduizendste procent is niet veel. Het zou het leven van die persoon niet drastisch beïnvloeden en geldt hetzelfde niet ook voor de 499 andere personen? En denk nog eens terug aan de 60 jarige met 70% tevredenheid. De ene persoon zou kiezen voor 10  jaren erbij van 70%, een ander voor zestig jaar maar dan van 90%. Wat is hier de goede keuze?

Er is nog meer. En dat betreft het carrière-advies. Macaskill pleit vooral voor ‘earn to give’. Probeer zoveel mogelijk te verdienen, want dan kun je zoveel mogelijk geven op die effectieve en efficiënte manier (pagina 202): “Earning to give enables you to start having a significant positive impact via the most cost-effective organisations right from the beginning of your career.” Hij adviseert om een baan te kiezen waar je zoveel mogelijk verdient, bijvoorbeeld in de financiële sector of in de consultancy. Maar zit hier niet ook een andere kant aan? Welke schade richt je door het werk wat je doet aan? Stel je kunt het meeste geld verdienen bij een Private Equity fonds dat veel geld verdient in de wapenindustrie? Of bij een investeringsmaatschappij die vooral investeert in teerzand olie en andere milieuvervuilende activiteiten? Of je gaat als duur betaalde wetenschapper medicijnen ontwerpen die je werkgever, een grote farmaceut, vervolgens patenteert en duur verkoopt? Of bij een van de tech-bedrijven, bijvoorbeeld Facebook, zo’n bedrijf dat haar ‘klanten’ gebruikt om ze uit te melken? Zou dat geen schade opleveren die je eerst moet compenseren? Begint je liefdadigheidscampagne dan al niet met een schuld?

Macaskills voorstel lijkt gebaseerd op de Giving Pledge van enkele miljardairs onder aanvoering van Bill Gates. Op pagina 206 verwijst hij hier ook naar. Deze miljardairs hebben beloofd om de helft van hun vermogen aan liefdadigheid te besteden en proberen andere rijken ook zover te krijgen.

Maar moeten die niet ook eerst beginnen met compenseren? Want hoe komen die nieuwe miljardairs als Zuckerberg, Bezos, Gates, wijlen Jobs en vele anderen aan hun geld? Dat komt van doodnormale mensen. Mensen, die in het geval van Facebook, hun ziel en zaligheid (informatie) gratis beschikbaar stellen. Een model dat onder andere ook Google hanteert. En waar de eenvoudige gebruiker alles gratis moet doen. Vragen bedrijven als Microsoft van Gates en Apple van Jobs, niet flink geld voor hun producten en buiten ze zo hun bijna monopoliepositie maximaal uit? Goed werkende programma’s worden plotseling niet meer ondersteund, omdat er een ‘verbeterde’ nieuwe versie is. Een versie waarvoor weer flink betaald moet worden. Versies die er vervolgens voor zorgen dat het apparaat niet meer goed draait en dus ook vervangen moet worden. Hoe goed behandelt Bezos zijn medewerkers?

Bron: Flickr

Nog op een andere manier beginnen deze miljardairs, maar ook de gevers van Macaskill, met een achterstand. Want misbruiken zij de belastingen niet voor hun filantropische uitstraling? Misbruiken door hun vermogen aan ‘liefdadigheid’ te schenken door het in een eigen stichting of bedrijf te zetten, en zo te onttrekken aan belastingbetaling. En wie moet daardoor meer belasting betalen? Juist, de rest die mag meebetalen aan de goedgeefsheid van de filantropen.

Bijzonder cru wordt het als Macaskill spreekt over de Sweatshops. De fabrieken waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden veel uren werken voor weinig geld. Macaskill (pagina 160): “In developing countries, sweatshop jobs are good jobs. The alternative are typically worse, such as back-breaking, low paid labour, scavenging, or unemployment. The New York Times columnist Nicholas D. Kristof illustrated this well when he presented an interview with Pim Srey Rath, a Cambodian woman who scavenges plastic from dumps in order to sell it as recycling. ‘I’d love a job in a factory,’ she said. ‘At least that work is in the shade. Here is where it’s hot.” Inderdaad zijn er slechtere plekken om te werken, maar dat doet niets af aan de erbarmelijke omstandigheden in die sweatshops. Zeker niet als het in onze macht ligt om die te verbeteren. Want zou goede liefdadigheid niet kunnen beginnen bij wat minder t-shirt voor je geld? Zou dat geen betere vorm van liefdadigheid zijn dan deze mensen eerst ziek te laten worden bij het maken van onze t-shirts en ze vervolgens via liefdadigheid medicijnen te geven tegen die ziekte? Zou het niet beter zijn een eerlijke prijs voor het t-shirt te betalen, waardoor zij voldoende geld hebben om zelf hun leven vorm te geven?

Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren konden hun geld wel eens meer dan waard zijn. Terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur konden zijn.

Waar hij echt uit de bocht vliegt, is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.

Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische QALY-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. Maar zou de beste keuze niet kunnen zijn, om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? Betekent dat voor ons als consument niet het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in de ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet kopen, ontwormingspillen of schoolboeken. en dan kan hun overheid via de belastingen een goede onderwijs en gezondheidszorg opzetten.

Hoe goed is nu de daad van de Gatesjes en de andere filantropen? Ik begon dit artikel met twee organisaties waaraan de Gatesjes geld geven. Twee overheidsinstanties de US Centers for Disease Control and Prevention  en de  World Health Organization. Twee organisaties waarvoor de Amerikaanse regering de afgelopen jaren minder geld beschikbaar stelde. Twee organisaties die worden betaald met belastinggeld. De WHO met belastinggeld van over de hele wereld. Als die filantropen hun medewerkers en onderaannemers fatsoenlijk hadden betaald, als ze een normale prijs voor hun producten hadden gevraagd, als ze gewoon belasting hadden betaald, dan was hun filantropie onnodig geweest. Dan hoefden ze niet als ‘brandweer’ op te treden bij de ‘brand’ die ze met hun gedrag hebben veroorzaakt zoals Anand Giridharadas het bij Tegenlicht beschreef.

Maar ja, met belasting betalen  kun je geen mooie sier maken. Met filantropie wel. En met belasting betalen bepaal je niet zelf wat er met je geld gebeurt. Dat klopt, met belasting betalen bepalen we samen wat er met het geld gebeurt. En daarmee is niets mis.

Kapitaalvlucht

Enige tijd geleden vroeg ik mij in een Prikker af waarom het proces ‘effectenverkeer’ op de lijst met cruciale processen stond. Ik moest hieraan denken toen ik in Elsevier las dat ‘corona’ tot een kapitaalvlucht heeft geleid uit ‘opkomende economieën’ en ‘economieën’ die nog niet eens aan het ‘opkomen’ zijn. In het artikel van Marijn Jongsma, legt Rob Drijkoningen, werkzaam voor een Amerikaanse vermogensbeheerder, uit waarom: “Beleggers prefereren liquiditeit en hebben ineens een kortere beleggingshorizon. Het hemd is nader dan de rok. Ze kiezen voor landen die ze beter begrijpen.” Het gevolg:  “De zwakste landen betalen op hun dollarleningen nu gemiddeld 10 procentpunt meer rente dan de Verenigde Staten zelf.” Dat is slecht nieuws. 

Hoe werkt dat? Beleggers kiezen voor ‘liquiditeit’, voor geld, maar niet voor al het geld. Ze kiezen vooral voor sterke munten Amerikaanse dollars en in mindere mate euros, yens en ponden. Die stijgen daardoor in waarde. Ze stoten hun beleggingen in obligaties (staatsleningen) in andere dan deze munten af. Keerzijde daarvan is dat de munten van die ‘opkomende economieën’ in waarde dalen: “De Mexicaanse peso, de Braziliaanse real en de Zuid-Afrikaanse rand verloren sinds begin dit jaar meer dan 20 procent van hun waarde. De Nigeriaanse naira, de Indonesische roepie, de Colombiaanse peso en de Russische roebel verloren meer dan 15 procent.” Voordeel voor die landen is dat de producten die ze maken zo goedkoper worden. Alleen hebben ze daar nu niets aan omdat de handel ook lijdt onder corona. Nadeel is dat het lenen van geld duurder wordt en om de gevolgen van corona te bestrijden moeten ze nu lenen. 

Een voorbeeld. Stel Brazilië moet ter waarde van $ 1 miljard dollar lenen en dat waren tot voor kort 10 miljard real. Dan moet het land nu 12 miljard real aan obligaties uitzetten om op de wereldmarkt dezelfde hoeveelheid product te kunnen kopen. Wat betaalt het land dan? Stel de rente was 5%. Dan betaalde Brazilië eerst 500 miljoen real aan rente, 5% van 10 miljard. Als die 10 procentpunt stijgt dan is de rente nu 5,5%. Door de gedaalde munt en gestegen rente moet het land nu 660 miljoen real (5,5% van 12 miljard) rente betalen: bijna 30% meer. Die eenmalige lening om corona te bestrijden betekent dus dat het land gedurende de looptijd van de lening, jaarlijks 660 miljoen real meer aan rente moet betalen. Geld dat via belastingen moet worden opgehaald en dat niet kan worden besteed aan gezondheidszorg of onderwijs. 

Aangezien het belastingsysteem in Brazilië in feite regressief is, hoe rijker je bent hoe minder je procentueel gezien betaalt, betekent dit dat met name de armen het gelag betalen. Betalen in de vorm van extra belastinggeld of in de vorm van bezuinigingen op onderwijs, sociale- en medische voorzieningen. De rijke Brazilianen, als die hun kapitaal niet ook laten ‘vluchten in dollars’, zullen erop vooruit gaan. Zij zullen die obligaties kopen, want buitenlands kapitaal is er niet meer. Zij krijgen er 660 miljoen real per jaar bij en betalen via de belastingen maar marginaal mee. 

Als dit gebeurt en toch al kwetsbare landen zo nog kwetsbaarder worden, moet ‘effectenverkeer’ dan wel een cruciaal proces zijn? Zou ‘kapitaal’ dat nu in milliseconden van de ene naar de andere kant van de wereld flitst, niet veel meer aan banden moeten worden gelegd. Zeker in tijden van crisis? Aan banden omdat het ‘flitsen’ de positie van de zwakkeren verder verzwakt en die van de sterken verder versterkt? Zou het niet juist cruciaal zijn om dit proces meteen aan banden te leggen en het in tijden van crisis stil te leggen?

‘Maar dan beperk je het recht van de belegger om zijn eigendom, de obligaties, te verkopen en dan kan het dus zijn dat die belegger geld verliest,’ kun je tegenwerpen. Nee, het recht van de eigenaar om zijn obligaties te verkopen+ wordt niet aangetast. De eigenaar kan ze nog steeds verkopen, alleen nu even niet. En ja, dat kan betekenen dat ze, als er weer mag worden gehandeld, minder waard zijn en hij geld verliest. Maar daar hoeven we geen medelijden mee te hebben, verliezen is immers een van de risico’s van beleggen. Via dat verlies betaalt de belegger dan mee aan de kosten van het bestrijden van de crisis. Kosten die nu alleen bij de belastingbetaler worden gelegd.

Resetknop

In mijn laatste Prikkers heb ik het vaak over het ‘na-coronese tijdperk’. Wat zou er anders moeten en hoe? Ik ben hierin niet de enige. In de Volkskrant besteedt Paul Onkenhout aandacht aan de voetbalwereld. Voor lezers die niets met voetbal hebben, in deze Prikker gebruik ik het voetbal, en dan vooral het professionele voetbal als metafoor voor de samenleving. Dit omdat de sport in het algemeen, en het professionele voetbal in het bijzonder, sterk leunt op het ‘winners takes it all’ denken. Denken dat ook de rest van de samenleving in haar greep heeft. Onkenhout stelt in zijn column een interessante vraag: “Wanneer precies transformeerde het voetbal van een volkssport in een commercieel circus en naar welke periode zouden we terug moeten keren?” 

Een heel interessante vraag, behalve dan het stukje, terug gaan naar … . Teruggaan naar het verleden is geen goed idee. Het verleden moeten we bestuderen om te bekijken waarom men toen koos waarvoor men koos. In deze Prikker ga ik op zoek naar een antwoord op het eerste deel van die vraag. Met dat antwoord kijk ik vervolgens naar de bredere samenleving.

Onkenhouts antwoord: “Ik ben er zelf wel zo’n beetje uit. Het voetbal is verziekt, aan de top. Ik weet ook precies wanneer het dieptepunt is bereikt. Dat was op 2 december 2010, de dag dat de FIFA het wereldkampioenschap in 2022 toewees aan een klein land in de woestijn, Qatar, zonder voetbaltraditie en zonder stadions; een land met een gemiddelde zomertemperatuur van een graad of 45 en een omvangrijk arsenaal rechteloze dwangarbeiders.” Ik kan Onkenhouts redenering volgen. Alleen zou ik dat niet willen zien als het begin van die transformatie, maar als het voorlopige dieptepunt. 

Laten we eens wat verder teruggaan in de tijd en dat doen aan de hand van de huidige ‘heilige graal’ de Champions League, het ‘bal der kampioenen’. En daar begint het al te wringen. Hoezo kampioenen als er bijvoorbeeld vier Engelse, Duitse, Italiaanse en Spaanse clubs deelnemen? En zo komen we in 1997, het jaar dat er voor het eerst niet-kampioenen mochten deelnemen. Uiteindelijk komen we bij de start van de Champions League in 1992. Het jaar dat het commerciële belangrijker werd dan het sportieve. Na twee ouderwetse knock-out ronden werden er poules gevormd. Hierdoor nam het aantal wedstrijden toe en dus de tv- en reclame-inkomsten. 

Ietsjes eerder, in 1990, werd er voor het eerst meer dan € 10 miljoen voor een speler betaald. Voor dat bedrag ging Roberto Baggio, de speler waar de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco lyrisch over schrijft, van Fiorentina naar Juventus. Maar waarin verschilt het, behalve dat, van € 8 miljoen waarvoor Gullit in 1987 PSV verruilde voor AC Milan. AC Milan dat was toen in handen van mediamagnaat, multimiljardair en later premier Silvio Berlusconi. Een voetbalclub als ‘speeltje’ van een miljonair. Als je het mij vraagt ligt het antwoord op het eerste deel van Onkenhouts vraag ergens in de jaren tachtig. Vanaf dat moment deed de echte commercie haar intrede in de voetbalwereld en stegen de salarissen en transfersommen aan de top exponentieel en fors sneller dan het bruto binnenlands product (bbp). Het bbp van Europa groeide tussen 1980 en nu met bijna 2% per jaar. Als we de transfersom van Baggio in 1990 tot en met 2020 indexeren met 2%, dan levert dat een bedrag van net geen € 20 miljoen op. Voor dat bedrag koop je tegenwoordig een modale rechtsback. Het hoogste transferbedrag op dit moment is 11 keer zo hoog. Paris Saint Germain, eigendom van een sheik uit Qatar, betaalde € 222 miljoen om de Braziliaan Neymar over te nemen van Barcelona. De groei van de transfersommen vertoont meer gelijkenis met de vermogensstijging van de rijkste 0,1%.

En daarmee is de link tussen voetbal en de samenleving gelegd. De ontwikkelingen in het voetbal zijn een spiegel van de samenleving. Een ontwikkeling die eind jaren zeventig begon met de verkiezing van Margaret Thatcher tot premier van de Britten en begin jaren tachtig met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van Amerika. Voor beiden was de overheid een onderdeel van het probleem en wel het onderdeel dat de oplossing in de weg stond. Die overheid moest indammen ten faveure van bedrijven die elkaar beconcurreren op een vrije markt. Daarop werden staatsbedrijven geprivatiseerd en vooral belastingen verlaagd. En dan vooral voor de hoogste inkomens. Bij het aantreden van Reagan in 1981 bedroeg het laagste tarief in de VS 13,825%, het hoogste 69,125%. Hoog, maar lager dan op de piek in 1952 toen het toptarief 92% bedroeg. Bij zijn afscheid in 1988 was het laagste tarief gestegen naar 15%, en het hoogste gedaald naar 28%. Een geweldig voordeel voor de rijkste Amerikanen waarvan de rekening bij de armen en middeninkomens werd gelegd. De rest van de wereld volgde dit Amerikaanse voorbeeld en verlaagde de hoogste belastingtarieven. Zo is dit in Nederland van 72% gegaan naar 48,5% nu. Niet zo extreem als in de VS, maar toch. 

Dit werd onderbouwd met de bijzondere economische theorie van de ‘trickle down economics’. Die theorie gaat ervan uit dat de armen alleen maar rijker kunnen worden door de rijken nog rijker te maken. De rijken scheppen banen via hun investeringen en zorgen er zo voor dat de totaal te verdelen koek groter wordt. Natuurlijk krijgen zij hier zelf een flink deel van maar via die extra banen krijgen ook de armen een deel van de grotere koek. Het geldt sijpelt van boven (rijk) naar beneden (arm). Alleen hebben de afgelopen jaren geleerd dat de zwaartekracht niet van toepassing is op geld. Het ‘sijpelt’ als er niets aan wordt gedaan niet naar beneden, maar naar boven. De rijken worden steeds rijker, de armen niet noemenswaardig rijker en vaak zelfs armer. Door deze maatregelen krijgen rijken meer geld beschikbaar en enkelen van hen kochten voetbalclubs. Die clubs moesten natuurlijk wel ‘winnen’ en dus werden spelers gekocht en die spelers kregen steeds meer betaald. Zo is ook in de Volkskrant te lezen dat het in corona-tijden ook voor topsporters sappelen is. Zo mist Frenkie de Jong nu al gauw € 2 tot 3 miljoen van zijn salaris van € 10 miljoen. Van dat gemis kan de hele club Eerstedivisieclub Telstar een heel jaar draaien. Dit om het even in perspectief te zetten voordat je medelijden met De Jong krijgt.

Toen in 1989 de Berlijnse muur viel en twee jaar later de Sovjet Unie instortte, leek het alsof Reagan en Thatcher het bij het rechte eind hadden. De Westerse vrije markt had definitief ‘gewonnen’ van de communisten en socialisten. Er leek geen alternatief meer voor de vrije markt. Of het toeval is weet ik niet, maar in 1992 startte de Champions League en verstevigde de commercie de greep op het voetbal. Een greep die zich in de jaren erna verstevigde en die uiteindelijk in december 2010 leidde tot de keuze voor Rusland als organisator voor het wereldkampioenschap in 2018 en Qatar in 2022. 2010 dat was ten tijden van de economische crisis als gevolg van de slechte leningen. Een crisis waarbij de Westerse banken en kredietinstellingen met flinke staatssteun overeind werden gehouden zonder dat er iets veranderde aan de manier van werken en belonen bij die banken. Om het cru te zeggen, aapten de Westerse banken en kredietinstellingen de Russische oligarchen en de sjeiks uit het Midden-Oosten na. Die eersten hadden sinds 1995 laten zien hoe je je verrijkt ten kosten van de gewone man en de staat. De laatsten, de sjeiks, pasten dat trucje al veel langer toe door zich de olieopbrengsten toe te eigenen.

In zijn column citeert Onkenhout Louis van Gaal: “ Maar: uiteindelijk is de marktwerking in de voetbalwereld niet afhankelijk van corona. De rijken blijven de rijken. En de armen blijven arm, ook straks.” Waarop Onkenhout even later verzuchtend eindigt met: “Er is geen resetknop. De marktwerking, weet je wel.” Als het allemaal begon met het geloof in ‘trickle down economics’ en verlaging van de inkomstenbelasting, zou dat dan geen resetknop kunnen zijn? Als we op Europees niveau kunnen komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000, zouden er dan nog steeds van die exorbitante bedragen aan transfers en salaris worden betaald? Dan zou Frenkie, een geweldige voetballer trouwens, netto net iets meer dan anderhalf miljoen overhouden. Een bedrag waar je iemand meer dan honderd jaar bijstand van kunt betalen. De Spaanse overheid kreeg dan fors meer belastinggeld binnen om de gevolgen van corona aan te pakken. Maar vooral ook om de onderwijzers, het verplegend personeel en de politieagenten fatsoenlijk te belonen voor hun werk.

Imaginair construct gezocht

“Nu al drukt deze pandemie haar stempel op onze economie: de beurzen staan zwaar in de min, winkels en horecagelegenheden moeten noodgedwongen hun deuren sluiten en zelfstandigen komen zonder opdrachten te zitten. Het is duidelijk dat de economische gevolgen langdurig zullen zijn.” Dat is de inleiding van Jesse Frederik voor een serie artikelen te vinden bij De Correspondent waar: “de belangrijkste inzichten over deze economische gevolgen van het coronavirus” worden beschreven. Een verzameling met als titel: Wat deze pandemie de economie kost. Laten we, in het kader van het nadenken over de ‘na-coronese periode’, deze laatste zin eens wat uitdiepen.

De pandemie ‘kost’ de economie iets. Maar wat is ‘de economie’? ‘Economie’ heeft, aldus Van Dale, drie betekenissen. Als eerste “zuinigheid”. Als tweede: “de wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft.” En als laatste: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Frederik heeft de derde betekenis voor ogen. Een betekenis die we te danken hebben aan de oude Grieken. Het is een samentrekking van de woorden ‘oikos’ en ‘nomos’ samen te vertalen als huishoudkunde. Voor de oude Grieken was dit het besturen van hun huishouden. Dat huishouden is niet te vergelijken met een huidig gezinshuishouden. Het bestond uit een pater familias met zijn vrouw, broers, ongehuwde zussen en al hun kinderen en kleinkinderen. Dit nog aangevuld met slaven voor in huis en op het land. ‘Huishouden’ is een metafoor voor een ‘staat of land’, een:  “beeldspraak die berust op een vergelijking”, zoals de Van Dale het omschrijft om het vervolgens met een voorbeeld te verduidelijken: “het schip van de woestijn is een metafoor voor kameel”.

Het gebruik van imaginaire beelden en die zien als een werkelijkheid, is een van de unieke eigenschappen van de mens. Die eigenschap maakt de mens, zo betoogt de Israëlische historicus Yuval Noah Harari, uiterst succesvol. Het grootste deel van ons leven speelt zich af in imaginaire constructies die ons binden, of scheiden. Neem eigenaarschap van een stukje grond. Ergens op een stukje papier staat dat iemand een stuk grond bezit. Dat heeft voor ons waarde. Dat zorgt ervoor dat anderen er niet over lopen. Een konijn laat zich er echter niet door hinderen. De Fransman Jean Jacques Rousseau heeft dit in 1754 treffend beschreven: “De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen ‘Dit is van mij’, en onnozelaars trof die hem geloofden.” Landen, gemeenten, provincies maar ook bedrijven, verenigingen, geld en religies zijn net zo’n imaginaire constructen. Ze bestaan omdat wij vinden dat ze bestaan.

En nu we het toch over beeldspraak en metaforen hebben en daarmee terug naar het onderwerp, ook Frederik maakt gebruik van een metafoor. Hij lijkt de economie te zien als een ‘persoon’. Een persoon die kosten maakt, die schade oploopt, die kan afvallen (krimpen) maar ook kan aankomen (groeien). Een persoon die kosten kan maken en ook baten kan hebben. Alleen kun je de persoon ‘economie’, in tegenstelling tot een echte persoon niet beetpakken. Je kunt er ook geen ‘anderhalve meter afstand’ van houden. Om die imaginaire persoon ‘economie’ maken zeer veel mensen zich flinke zorgen. Met die persoon gaat het nu slecht. Zij lijdt aan corona en daardoor maakt zij kosten. Kun je haar ‘pijn’ al voelen?

Maar wat als we die imaginaire constructie ‘economie’ laten voor wat ze is? Wat zien we dan? Dan zien we dat de corona-pandemie mensen iets kost. De pandemie kost mensenlevens, ze kost mensen hun gezondheid, ze kost sommigen hun levenswerk en anderen verliezen hun baan. Als we vervolgens kijken wat een mens echt nodig heeft en wat ‘luxe’ is, is er dan, behalve het leed van de zieken en het verdriet van de nabestaanden van overledenen, een probleem? Er is voldoende te eten en te drinken voor iedereen. Er zijn voldoende ‘daken’ om iedereen onderdak te bieden. Even goed verdelen en links en rechts wat herverdelen en we kunnen verder. Ja, wellicht verliezen we een beetje luxe omdat we niet op vakantie kunnen. Maar is dat werkelijk een probleem? Onze voorvaderen hebben eeuwen overleefd zonder ‘vakantie’. Het enige wat er nog ontbreekt is een nieuw bindend  ‘imaginair construct’.

IJzer smeden

“Verdere verdieping vraagt om een democratisch debat, omdat het gaat over enorme overdracht van soevereiniteit naar Europees niveau. En dat democratisch debat kan in crisistijd niet goed gevoerd worden.” Dit schrijven SP-Tweede Kamerlid Renske Leijten en SP-senator Bastiaan van Apeldoorn  op de site Joop. Ze schrijven dit naar aanleiding van de discussie over ‘Eurobonds’. Een vreemde uitspraak.

De auteurs: “Georganiseerde solidariteit is in Nederland, maar ook in Europa en de wereld het antwoord op deze crisis. Regeringen en parlementen dragen nu overal de verantwoordelijkheid om te doen wat nu nodig is. Internationale georganiseerde solidariteit biedt ook hier een uitweg. Daarom moet de Nederlandse regering nu snel eerlijke afspraken maken met alle andere lidstaten van de Europese Unie om de zwaarst getroffen landen onmiddellijk de steun te geven die zij nu nodig hebben.” Dat ik schulden aangaan niet de weg vindt, heb ik in een eerdere Prikker al betoogd. Dus daarin kan ik de beide SP-ers volgen. Geen ‘Europese schulden’ maar dat hoeft geen probleem te zijn want: “ Er zijn vele manieren om financieel getroffen landen te steunen,” zo schrijven de auteurs. Hoe die vele manieren eruit zien, blijft een raadsel. Ze noemen er geen. Daardoor blijft hun betoog in de lucht hangen. Dat is jammer, maar daar gaat het mij nu niet om. 

Het gaat mij om de opmerking dat er nu geen goed democratisch debat gevoerd kan worden. Inderdaad is onze samenleving voor een deel ‘stilgelegd’ omdat we elkaar niet niet meer lijfelijk kunnen ontmoeten. Als dit in het oude Athene zou zijn gebeurd, dan was het democratische debat inderdaad niet mogelijk. De Atheners hadden nog geen krant, radio en TV laat staan Internet. Het democratische debat werd immers gevoerd op het plein in de stad. Waarom zou er nu in Nederland geen goed democratisch debat gevoerd kunnen worden? 

Zoals ze terecht schrijven legt: “Deze crisis (…) overal ter wereld vele mankementen in de organisatie van onze maatschappijen en economieën bloot.” Laten we het daar nu over hebben en niet zoals ze betogen dat we: “afspreken dat hetgeen we nu zien, straks niet vergeten maar zullen gebruiken om duurzame maatschappelijke verbeteringen te bewerkstelligen, om zodoende een komende crisis beter het hoofd te kunnen bieden.” Zoals een bekend Nederlands spreekwoord luidt, moet je het ijzer smeden als het heet is. Het is nu heet en er moet nu dus gesmeed worden. Als we het nu laten lopen, wordt het weer ‘koud’, gaat de druk eraf en schieten we weer in een modus van alledag. 

Laten we juist wel nu het debat voeren want ook zonder dat debat wordt er ijzer gesmeed dat de ‘na-coronese periode’ mee vorm geeft. Besluiten die nu worden genomen en zaken die nu in gang worden gezet, zijn straks lastig weer terug te draaien. Als de ‘apps’ waarover nu wordt gesproken, worden ingevoerd, dan is de kans groot dat ze blijven ook al is er geen crisis meer. Dus nu ook het debat over Europa, de Euro, al dan niet Eurobonds of een Europese belasting op bedrijfswinsten. Laten we nu het ijzer heet is, alle mogelijke oplossingen bestuderen en bespreken op hun voor- en nadelen en dan een keuze maken. 

Zo werd het debat over de wereld na de Tweede Wereldoorlog al tijdens die oorlog vormgegeven. Al in augustus 1941, toen de VS nog niet eens in oorlog waren, stelde het samen met de Britten het Atlantisch handvest vast. De belangrijke conferentie in Bretton Woods over de financiële wereld na de oorlog werd al in 1944 met een akkoord bezegeld.

Beste SP-ers, jullie en je collega’s voeren al enkele weken debatten over mondkapjes en beademingsapparatuur. In die debatten willen jullie ‘harde toezeggingen’ over het aantal IC plekken. Alsof de minister en zijn ambtenaren niet alles binnen hun mogelijkheden doen om die zaken te regelen. Mogelijkheden die beperkt zijn omdat de hele wereld op mondkapjes en beademingsapparatuur jaagt. Laat dat maar aan de ministers en de uitvoerders over. Ga alsjeblieft NU aan de slag met smeden. Als jullie dat niet doen, dan zijn jullie geen knip voor de neus waard.

Terug naar een basisinkomen

“In de afgelopen weken klonk de roep om een basisinkomen luider dan ooit. En terecht: de wereldwijde coronacrisis vraagt om radicale maatregelen. Zelfs de Amerikaanse overheid deelt geld uit. Zeven jaar geleden schreef ik voor het eerst voor De Correspondent over een bijna vergeten idee dat nu overal weerklank vindt: gratis geld voor iedereen.” De aanheft boven een opnieuw gepubliceerd oud artikel van Rutger Bregman bij De Correspondent. Onder het artikel opnieuw een levendige discussie over nut, noodzaak en herkomst van het idee ‘basisinkomen’. Bregman noemt de neoliberale goeroes Friedrich Hayek en Milton Friedman als aanhangers van het idee en gaat zelfs terug tot Thomas More’s Utopia. Even wat historisch perspectief.

In dit deel van de wereld, en misschien ook in andere maar daar weet ik het niet van, was een ‘basisinkomen’ eeuwenlang de normaalste zaak van de wereld. Nee, niet zoals Bregman het beschrijft een beurs met munten, maar het gezamenlijk gebruik van grond, een vijver, een bos, een weide. In goed Nederlands noemden ze dat de meent. Het woord gemeente is ervan afgeleid. De meent was een stuk grond, bos, vijver, rivier, dat de inwoners van het dorp konden gebruiken om de opbrengst van hun eigen kleine stukje grond aan te vullen. Het was meestal niet de beste of makkelijkst te bewerken grond. Aanvullen door er een konijn of vis te vangen, door hout te sprokkelen of bramen te plukken. De bewoners van een dorp hadden het gebruiksrecht, de grond was in eigendom van de landheer. Die landheer was niet bij machte om die rechten aan te tasten. Dit was een onderdeel van het feodale systeem.

In goed Engels noemen ze de meent commons. En wellicht gaat er nu bij een enkeling een belletje rinkelen: er was toch iets met Tragedy of the Commons? Een enkeling zal het begrip kennen van het pamflet In ons belang van Albert Jan Kruiter en Eelke Blok uit 2011. De munter ervan is echter de Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin. Hardin schreef in 1968 een artikel met als titel The Tragedy of the Commons.

Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever één schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn één schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt.

Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van The Tragedy of the Commons. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort. Je zou hieruit kunnen concluderen dat omdat vroeger het ‘basisinkomen’ niet werkte vanwege het egoïsme van de boeren, ook nu het basisinkomen gedoemd is te falen. 

Er is echter iets met deze ‘tragedie’. Dit is namelijk niet hoe het in werkelijkheid is gegaan. Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het  gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren, laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral overgebruik van deze gronden. Geld speelde maar een zeer marginale rol. Dit heeft eeuwenlang goed gefunctioneerd. 

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele ‘enclosure acts’. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten zij graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.

Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. 

Bijzonder schril voorbeeld hiervan is An Gorta Mór. De Ierse hongersnood van 1845-1849. De arme Ieren leefden in die tijd op aardappelen die ze zelf verbouwden. Dat ging jarenlang goed waardoor de bevolking was gegroeid. in 1845 begon het fout te gaan. Een beruchte aardappelziekte deed haar intrede: Phytophthora infestans. Dat er bijna geen aardappelen meer waren, wilde niet zeggen dat er niets te eten was in Ierland. Er was nog voldoende, alleen was dat in handen van Engelse landeigenaren die de beschikbare  producten, onder andere boter en vlees, verkochten op de wereldmarkt omdat ze daar een ‘betere prijs’ konden krijgen. De arme Ieren hadden het nakijken. Niets te eten en ook geen opbrengst om de pacht voor dat kleine stukje grond aan die Engelse landheer te betalen. Die landheer maakte het vervolgens nog erger door de pachters hun land en huis af te nemen. Dit alles zorgde ervoor dat de bevolking terugliep van 8 miljoen naar 3,5 miljoen. Een flink deel door sterfte en het grootste deel omdat ze emigreerden naar de Verenigde Staten.

De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud omdat hen de toegang tot de gemene gronden werd ontzegd. Die kant wordt door Karl Polanyi in zijn boek The Great Transformation treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en vergemakkelijkten zo de industriële revolutie.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op eerdere of latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld Afrikaanse landen. Waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time. Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland.  

Dus ja, de markt en hebzucht maakten een einde aan de eerdere vormen van een ‘basisinkomen’. Niet de ‘hebzucht’ van de kleine boeren, maar de hebzucht van de landheren, de ‘rijken’. En daarmee zijn we aanbeland bij Bregmans pleidooi voor een basisinkomen en waarom het een hele strijd wordt om het ingevoerd te krijgen, als het al lukt. De vroegere rijken en machtigen eigenden zich het vroegere ‘basisinkomen’ toe en de huidige rijken en machtigen zullen een nieuw basisinkomen moeten betalen. Betalen op twee manieren. Als eerste door meer belasting te betalen en als tweede omdat ze hun goedkope arbeidskrachten verliezen. Verliezen niet omdat mensen met een basisinkomen te lui zijn om te werken. Nee verliezen omdat ze, zoals Bregman in dit artikel laat zien, eigen keuzes maken hoe ze hun leven willen invullen. Keuzes die wel eens een andere kunnen zijn dan in het magazijn bij Amazon, Bol.com of het aspergeveld. Of misschien juist wel daar, maar dan op een gelijkwaardige voet. Een basisinkomen vraagt, om Polyani te parafraseren ‘a revolution of the poor against the rich.’

‘Grootste Europeaan ooit’

In een interview met de Volkskrant geeft minister Hoekstra aan wat hij wil: “We willen solidair en verstandig zijn.” Daar kan niemand tegen zijn. Hoekstra legt uit wat hij verkeerd vindt aan Eurobonds: “Met eurobonds ga je toe naar een schuldenunie en dat vinden wij niet verstandig. Euro-obligaties, waarbij alle eurolanden garant staan voor elkaars staatsschulden, passen niet bij een unie waarin de lidstaten allemaal over hun eigen begroting gaan. Eurolanden beslissen zelf hoeveel schulden ze maken en waar ze hun geld aan uitgeven. Dat ze die budgettaire vrijheid hebben is terecht, want elke regering in Europa legt verantwoording af aan haar eigen, nationale parlement.” Een bijzondere redenering: een schuldenunie is niet oké, een schuldenland wel? Toch ben ik het voor een belangrijk deel met hem eens dat schulden maken niet oké is. Niet voor de Unie en ook niet voor een land.

“De eurozone verkeert in een fundamenteel andere situatie dan de Verenigde Staten. Europa heeft geen centrale overheid. En wij zijn ook geen voorstander van zo’n centraal Europees gezag.” Met die zinnen vervolgt Hoekstra zijn  betoog tegen de Eurobonds. Heel bijzonder om te horen dat de Unie geen gezag heeft, terwijl de afgelopen jaren zo ongeveer alle ellende vanuit de ‘moloch Brussel’ kwam. Dat even terzijde. Nog niet zo lang geleden, bijna een jaar, pleitte Hoekstra voor de EU als machtsblok dat zich op het gebied van buitenlands politiek en defensie veel meer als eenheid moet opstellen. Een week of twee geleden pleitte hij voor: “een flinke pot geld …om toekomstige pandemieën het hoofd te bieden.” En wie moet die pot creëren? De Europese Unie! Voor iemand die geen ‘voorstander is van ‘centraal Europees gezag’ pleit hij wel vaak voor ‘centraal Europees gezag’. ‘Centraal Europees gezag’ dat er op verschillende terreinen trouwens al is. Het enige waaraan het dat ‘centraal Europese gezag’ mankeert, is slagkracht en democratische controle. En nog iets, namelijk middelen om dat gezag kracht bij te zetten.

Met het schrijven van Prikkers verdien ik, tot mijn verdriet, geen droog brood. Toch doe ik het omdat het mij energie geeft en het houdt mijn gedachten scherp. Om toch ‘droog brood’ en liefst iets meer te kunnen eten, werk ik als beleidsadviseur, veelal voor gemeenten. Daar gaat het mij nu even niet om. Maar dat werk leerde me wel dat Nederlandse gemeenten, dat klinkt misschien vreemd, iets gemeen hebben met de Europese Unie.  Gemeenten kunnen net als de EU niet voorzien in al hun eigen inkomsten.

Het gros van het geld, ongeveer tweederde waarop gemeenten draaien komt van de rijksoverheid. Een deel als algemene uitkering en een kleiner deel als doeluitkering. Het deel algemene uitkering mogen gemeenten vrij aanwenden. Een doeluitkering moet worden besteed aan het doel waarvoor het geld wordt gegeven. De gemeente is daarmee afhankelijk van de Rijksoverheid. Dit maakt haar kwetsbaar en dat blijkt. Sinds de gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdzorg en de zorg voor ouderen, kampt een toenemend aantal gemeenten met tekort aan geld. Aan de ene kant hebben ze de plicht om die zorg te bieden. Aan de andere kant hebben ze geen mogelijkheid om die stijgende kosten te dekken via belastinginkomsten. Het eigen belastinggebied, de onroerende zaakbelasting, honden-, pecario- en toeristenbelasting is te gering. Bovendien begrenst de rijksoverheid de mogelijke stijging van de onroerende zaakbelasting, de belangrijkste van de gemeentelijke belastingen. De totale uitgaven van alle gemeenten bedragen zo’n 60 miljard per jaar. Dit is ongeveer 8% van het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp).

Voor de Europese Unie geldt eigenlijk hetzelfde. Ruim tweederde is afkomstig uit de afdrachten van de landen. De ‘contributie’ om het zo maar te zeggen. Deze bedraagt zo ongeveer 1% van het bbp. Daarnaast zijn er de ‘traditioneel eigen middelen’, dat zijn invoerrechten. Deze worden, vanwege het steeds maar verlagen van deze rechten, steeds minder. Als laatste dragen landen een deel van de BTW af aan de Unie. De totale begroting van de Europese Unie bedraagt zo’n 160 miljard. Een fors bedrag maar het is net iets meer dan 1% van het Europees bbp. Voor het grootste deel van dat geld, de ‘contributie’ is de Unie afhankelijk van de landen en dat gaat de laatste jaren niet van harte. Het is al snel te veel.

Historische ervaring, zo leert mij Kapitaal en Ideologie van Thomas Piketty, laten zien dat defensie, grensbewaking en buitenlandse politiek gemiddeld anderhalf tot twee procent van het bbp kosten. Als je een ‘machtsblok’ wilt zijn, is er meer nodig laat Piketty zien. Die twee procent waren voor China, India en andere gekoloniseerde staten niet voldoende om ‘het Westen’ buiten de deur te houden. Volgens Piketty was de Westerse dominantie niet zozeer het gevolg van onze wapens en technisch vernuft. Die hebben zeker wel geholpen. Nee, ze was veeleer een gevolg van financieel vernuft. Vernuft dat eruit bestond om, vanaf ongeveer het jaar 1500 meer dan die twee procent ‘belasting’ bij de bevolking op te halen. Dat meerdere werd gestoken in legers. Legers die binnen Europa elkaar bevochten en die in toenemende mate werden gebruikt om de wereld te domineren en zo rijkdom van elders naar Europa te laten stromen. Rijkdom in de vorm van goud en zilver en later in de vorm van grondstoffen voor de productie van goederen. Goederen die vervolgens in de koloniën werden afgezet. Goederen waarvan de productie in de koloniën werd gesaboteerd en verboden.

Een overheid is zo sterk als haar zeggenschap over haar inkomsten. De Europese Unie staat er op dat gebied net zo slecht voor als de Nederlandse gemeenten. Ze moet ‘bedelen’ om geld. Mijn vorige, als bewerking van Dickens’ A Christmas Carol vormgegeven, Prikker sloot ik af met de zin: “Zou Wopke ‘de beste Europeaan ooit’ worden?” Wellicht dat het Hoekstra lukt om ‘beste Europeaan’ te worden, als hij zijn pleidooi voor Europa als machtsblok kracht bijzet. Kracht bijzet door te pleiten voor een sterk democratisch gecontroleerd centraal Europees gezag. Een gezag met duidelijke bevoegdheden, waarvan Hoekstra er in het verleden een paar heeft genoemd, en een stevig eigen belastinggebied. 

Wat zou dan dat eigen belastinggebied moeten zijn? Ook daarvoor biedt Piketty aanknopingspunten: de belasting op bedrijfswinsten, de vennootschapsbelasting. Een terrein waarop Europese landen met elkaar concurreren en waar vooral de grote multinationals van profiteren. Profiteren omdat ze landen tegen elkaar uitspelen en, zoals Shell volgens Trouw, afspraken maken, zogenaamde rulings, met overheden waardoor ze nog minder betalen. Door deze belasting naar Europees niveau te centraliseren, wordt dit een stuk lastiger en vervalt in ieder geval de concurrentie tussen de landen van de Unie.

Van de revenuen van deze belasting moet de Europese Unie vervolgens alle taken vervullen die haar zijn toebedeeld, defensie, buitenlandse politiek, grensbewaking, versterken van de economische structuur en ook optreden in geval van crisis. De contributie kan dan vervallen, net als de uitgaven van de landen op de terreinen waar de Unie verantwoordelijk voor wordt. Als dat defensie is, dan vervallen de Nederlandse defensie-uitgaven. Net zoals de Nederlandse douane dan een onderdeel wordt van de Europese. Als het Hoekstra lukt om dit te bereiken dan komt hij in aanmerking voor de titel ‘beste Europeaan ooit’.

‘A Corona Carol’

Op een avond zit Wopke thuis na te genieten van een overleg met Europese ministers van Financiën. Hij heeft vooral die Zuidelijke collega’s goed op hun nummer gezet. Die willen profiteren van ‘corona’ en ‘feesten’ op ‘zijn’ kosten. Nou over zijn lijk. Plotseling wordt er op de deur geklopt. Hij opent de deur en staat oog in oog met Hendrikus Colijn, minister van Financiën van 1923 tot 1926 en minister-president van 1933 tot 1939. In zijn tijd de minister die strenge bezuinigingen doorvoerde. Iets waar ook de kabinetten onder zijn leiding om bekend stonden. Aan zijn been een ketting met een zware bol die hem belet eeuwige rust te vinden. Aan die ketting de uitspraken waarmee hij de ernst van situaties probeerde te bagatelliseren. Uitspraken zoals: “Wacht nu maar rustig af en laat uw vakantie – voor zover u die in een of andere vorm genieten kunt – vooral niet in de war sturen door een nieuwe zenuwachtigheid.”  Een uitspraak uit het crisisjaar 1935. Maar ook de bekende uitspraak: “Ik verzoek den luisteraars dan ook om, wanneer zij straks hun legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als zij dat ook andere nachten doen. Er is voorhands geen enkele reden om ongerust te zijn.” Gedaan nadat Hitler tegen de afspraken in zijn troepen het Rijnland liet bezetten. Colijn waarschuwt Wopke dat hem hetzelfde kan overkomen vanwege zijn krasse uitspraken en onderschatting van de ernst van de situatie.  ‘En oh ja Wopke’, zo zegt Colijn: “er komen nog drie andere geesten.”

Zo net na middernacht schrikt Wopke zich een hoedje. De geest van het Verleden staat ineens in zijn slaapkamer en neemt hem mee terug naar het einde van de Tweede Wereldoorlog. De Geest laat hem zien hoe mensen zoals Robert Schuman en Jean Monet werkten aan de oprichting van iets nieuws: Europese samenwerking. Daarbij vonden ze een partner in de Duitse christendemocraat Konrad Adenauer. Iets nieuws om dat ze met hun voeten in de puinhopen van het enge nationalisme stonden. De Geest regelt een gesprek tussen Wopke en de drie. Tijdens dat gesprek verhelderen de drie welk een ellende er komt van eng vasthouden aan het ‘landsbelang’ en het ‘eigen gelijk’.

Zo rond een uur of twee meldt de Geest van het Heden zich. Die Geest voerde Wopke naar de uitpuilende ziekenhuizen in Italië en Spanje en liet hem zien dat corona die landen een enorme klap toebracht. Vervolgens voerde de Geest Wopke mee naar de verblijven van vluchtelingen in Italië en de Griekse eilanden. Wopke kreeg de ellende van de vluchtelingen te zien en de wanhoop van de bewoners van die Griekse eilanden. Zo kon hij zich een goed beeld vormen van het ‘succes’ van de vluchtelingen deals. En nu ze toch in Griekenland waren, kreeg hij de gevolgen te zien van de Euro-crisis. De werkloosheid onder de Grieken die, om de woorden van Wopkes voorganger te gebruiken, ‘hun geld aan drank en vrouwen uitgeven om vervolgens bij mij bijstand te vragen.’ Als laatste kreeg Wopke een inkijkje in de wereld van financiële markten, de bankiers en beleggers. Die sloegen zich op de benen van het lachen. Toen Wopke hen vroeg waarom ze lachten, vertelde ze hem dat ze wel erg makkelijk geld konden verdienen. ‘Hoe dan?’, vroeg Wopke. ‘Ach stommeling’, zei een van hen. ‘Wij kunnen onbeperkt risico’s nemen. Als het fout gaat, laten jullie de belastingbetaler ervoor opdraaien. Dat is pas win-win. Zeker omdat wij geen belasting betalen dankzij belastingparadijs Nederland.’ 

Om vieren komt de Geest van de Toekomst op bezoek. ‘Kom Wopke, dan laat ik je zien hoe je toekomst eruit ziet.’ De Geest nam Wopke mee naar de Rotterdamse Haven. Wopke schrok: een troosteloze bedoeling. Roestende havenkranen, lege containerhavens. ‘Wat is er gebeurd?’, vroeg Wopke. ‘Straks’, zei de Geest. Eerst even nog wat plaatsen bezoeken. Via de overwoekerde gebouwen van ‘Brainport Eindhoven’, het bijna Middeleeuws aandoende Venlo, kwamen ze uiteindelijk op de Zuidas. Een grote watervlakte, net als trouwens de rest van Amsterdam. ‘Zo nu zal ik je zeggen wat er is gebeurd’, zei de Geest en hij begon zijn verhaal. In het kort kwam dit erop neer dat de Europese Gemeenschap door het vrekkige gedrag van Wopke definitief in een neerwaardse spiraal was gekomen. In 2022, zo vertelde de Geest, was de Unie uit elkaar gevallen en hadden alle landen hun grenzen weer potdicht gemaakt. ‘Maar onze handelsgeest maakt ons toch onkwetsbaar?’, vroeg Wopke. ‘Dat dacht je maar’, zei de Geest. ‘Alle internationale handel van Duitsland gaat via Hamburg. Italië, Griekenland en Spanje zijn een soort kolonie van China en leveren grondstoffen voor de Chinezen. Vervolgens krijgen ze die als product terug.’ Zo vertelde de Geest. En toen de armoede echt had toegeslagen, sloeg ook het noodlot toe. Tijdens een zware storm brak de Hondsbosse Zeewering en liep een groot gedeelte van Nederland onder. Op de vlucht voor het wassende water, liepen de Hollanders zich ‘dood’ op de Duitse en Belgische grens. Vluchtelingen waren niet welkom. Die moesten maar in ‘de regio’ worden opgevangen. Daarmee werden de hoger gelegen gebieden van Nederland bedoeld. Die zaten echter ook niet te wachten op de ‘Hollanders’ omdat ze zelf het hoofd maar net boven water konden houden. Daarop brak een burgeroorlog uit die het land terugwierp naar iets wat vergelijkbaar is met de Middeleeuwen.

Iedereen van mijn leeftijd en wellicht ook veel jongeren, zal de film wel eens hebben gezien. Scrooge de verfilming van Dickens’ A Christmas Caroll. Het verhaal van de oude vrek Ebenezer Scrooge die geen kerst viert en iedereen om zich heen het vel over de oren trekt zonder te kijken naar de situatie waarin iemand verkeert. Kerstnacht krijgt Scrooge ‘bezoek’. Eerst komt de geest van zijn overleden zakenpartner Marley. Marley zit vastgeketend aan zijn slechte daden uit het verleden en waarschuwt Scrooge dat hem hetzelfde zal overkomen als hij zijn leven niet betert. Marleys geest kondigt nog drie andere geesten aan die hem die nacht zullen komen bezoeken. Als eerste komt de Geest van de Voorbije Kerst bij hem op bezoek. Die laat hem zijn verleden zien en welke invloed zijn daden of het nalaten ervan hadden op de mensen in zijn omgeving. Dan komt de Geest van de Huidige Kerst. Die laat hem zien hoe mensen om hem heen het feest vieren. Of eigenlijk, hoe ze er in al hun ellende het beste van proberen te maken. Als laatste de Geest van de Toekomstige Kerst. Die laat hem zien hoe mensen ‘feestvieren’ na zijn overlijden en dus hoe hij herinnerd wordt. Al die geesten bewerken Scrooge zodanig dat hij als een heel ander mens wakker wordt. Uiteindelijk wordt hij de ‘beste inwoner die de stad ooit heeft gekend’.

Zou Wopke ‘de beste Europeaan ooit’ worden?

‘Corona-heffing’

“Schuld haalt energie van de toekomst naar het heden. Daar staat tegenover, dat door te sparen energie uit het verleden kan worden vergaard en naar de toekomst kan worden gestuurd.” Dit schrijft Tomáš Sedláček op pagina 109-110 van zijn boek De economie van goed en kwaad. Hij ziet schulden aangaan als een vorm van tijdreizen. Ik moest hieraan denken toen in de Volkskrant een klein interview las met de directeur van de Nederlandsche Bank Klaas Knot. Knot zegt daarin: “Ik stel dat op iedere vergadering aan de orde. Maar duidelijk is dat de regels van het Verdrag van Maastricht permanente monetaire financiering van eurolanden verbiedt.” Het ‘dat’ is de afwikkeling van het opkopen van schulden door de Europese Centrale bank (ECB).

Om welke bedragen gaat het dan? “De ECB heeft tot nu toe voor 2,6 biljoen (2600 miljard) obligaties in het eurosysteem opgekocht. Dat loopt dit jaar door nieuwe opkoopprogramma’s op tot 3,6 biljoen op een totale schuld van 10 biljoen euro.” De totale schulden van de Eurolanden bedragen dus zo’n 10 biljoen en daarvan heeft de ECB er nu al 2,6 biljoen opgekocht. En dan niet alleen van de ‘zwakke Zuid-Europese Eurolanden’. Nee: “Van de Nederlandse staatsschuld van 400 miljard is al eenderde in handen van de ECB.” Er gaan dagen in mijn leven, tot nu toe alle, voorbij dat ik een dergelijk bedrag niet tot mijn beschikking had. We hebben in het verleden daarmee flink toekomstige energie tot ons genomen. Die moet ooit worden afgelost en daarover betalen we rente. In Kapitaal en Ideologie onderzoekt Thomas Piketty ongelijkheid in het verleden en in verschillende samenlevingen. In dit boek beschrijft Piketty verschillende manieren waarop er in het verleden met schulden werd omgegaan. Misschien biedt dit aanknopingspunten voor het beantwoorden van Knots vraag. Daarom hieronder de opties. 

Een eerste variant is afbetalen. Dan betalen onze nakomelingen Sedláčeks ‘energierekening’. Om die rekening te kunnen betalen moet een land een overschot hebben op de begroting en dat overschot moet worden besteed aan het betalen van de rente op, en het aflossen van de schuld. Een goed voorbeeld van wat het aflossen van een schuld voor een land kan betekenen, is Haïti. Dat land werd in 1804 onafhankelijk van Frankrijk. Dit na de enige succesvolle slavenopstand in de geschiedenis. Nou ja succesvol. Dat succes kwam tegen een enorm hoge prijs. Haïti was begin 19e eeuw de grootste en belangrijkste producent van suiker. Na de onafhankelijkheid verplaatste de suikerproductie zich naar andere eilanden, zoals Cuba, waar slavernij nog ‘normaal’ was. Pas in 1825 erkende kolonisator Frankrijk de onafhankelijkheid en gaf het aan bereid te zijn af te zien van een invasie van het land. Die bereidheid kostte Haïti 150 miljoen goudfranken als vergoeding aan de voormalige slavenhouders. Haïti heeft er tot 1950 over gedaan om die schuld af te betalen en behoort nu tot de armste landen van de wereld.

Aflossen is ook de manier waarop Nederland met de staatsschuld omgaat. Alhoewel aflossen. Als we naar de ontwikkeling van de Nederlandse staatsschuld kijken, dan valt op dat die bijna permanent groeit. Alleen de afgelopen drie jaar is er wat afgelost. Nederland lost niet af, het leent om oude leningen af te lossen en legt de ‘energierekening’ bij de komende generaties. 

De geschiedenis leert dat er ook andere manieren zijn. De meest drastische manier waarop een heerser in vroeger eeuwen zijn schulden kon voldoen, was het uitschakelen van de schuldeiser. Je dood de schuldeiser en zijn familie en er is niemand meer die de schulden komt innen. Een zeer drastische manier met als nadeel dat er niemand meer iets aan je zal lenen. De gedoden kunnen het niet meer en de levenden met een flink vermogen, kijken wel uit om je nog wat te lenen. Trouwens niet alleen vroeger. Het Irak van Saddam Hoessein gebruikte deze variant toen het in augustus van 1990 Koeweit binnenviel. Koeweit was, naast Saoedi-Arabië, een van de belangrijke financiers van Irak toen dat land Iran binnenviel. Koeweit was (en is) als de dood voor het Iran van de ayatollahs dus de Iraakse inval in Iran kon op sympathie rekenen. Het Iraakse verzoek om in ieder geval een deel van die schulden kwijt te schelden, kon op minder sympathie rekenen. Daarop probeerde Irak een schuldeiser uit te schakelen.

Een tweede manier die vroegere machthebbers gebruikten was het ge- en sommigen zullen zeggen misbruik maken van hun muntrecht. Door de hoeveelheid goud of zilver in een munt te verminderen, slonk de schuld. De duizend gouden florijnen die de koning je schuldig was, bevatten ineens minder goud waardoor de koning goedkoper uit was. 

In onze moderne tijd waarin geld geen goud meer bevat maar leeft van vertrouwen, noemen we dit inflatie. Direct na de Tweede Wereldoorlog gebruikte Frankrijk deze manier om de door de oorlog fors gegroeide schuldenlast te laten slinken. Tussen 1945 en 1948 was de inflatie 50% waardoor die schuld als sneeuw voor de zon verdween. Reken maar mee. Na één jaar is de schuld van 100 nog steeds 100 maar je kunt voor die honderd maar voor 50 spullen kopen. Weer een jaar later nog maar 25 en via 12,5 uiteindelijk 6,25. Deze manier kent als nadeel dat je voor het loon wat je verdient, steeds minder kunt kopen. Tenzij natuurlijk de lonen, in het Franse voorbeeld ieder jaar met 50%, stijgen. Dan blijft de koopkracht behouden. De schade wordt op deze manier verplaatst naar degenen die je het geld hebben geleend. Zij krijgen Sedláčeks ‘energierekening’ gepresenteerd. Dat waren in het Franse geval, vooral de zeer vermogende lieden. Daarbij is het goed om te weten dat vermogen voor de twee oorlogen extreem ongelijk was verdeeld. De rijkste 10% bezat in de Europese landen tussen de 85 en 95% van al het vermogen. De rijkste 1% zo rond de 60%. Die konden daarmee wel wat lijden.

Een andere manier om van de schulden af te komen, werd door de Sovjet Unie toegepast. Die verklaarden een nieuwe staat te zijn en niet de rechtmatige opvolger van het Tsarenrijk. Dit betekende dat alle schuldeisers, en dat waren ook veel van die vermogende westerlingen, naar hun centen konden fluiten. Dat ‘fluiten’ deden ze niet zonder slag of stoot. Daarbij werd de ‘kanonneerboot diplomatie’ toegepast. Die ‘diplomatie’ was al verschillende keren met succes toegepast, bijvoorbeeld in China. Als de Chinese keizer leningen niet wilde betalen, dan stuurden alle Westerse landen samen oorlogsschepen en troepen om de keizer weer in het gareel te krijgen. Die leningen waren de Chinezen trouwens opgelegd ter bekostiging van bijvoorbeeld de ‘Opiumoorlog’ die zij van de Engelsen verloren. En ook de kosten van die ‘kanonneerboot diplomatie’ werden weer bij het slachtoffer gelegd. De Verenigde Staten, de Fransen en Engelsen stuurden troepen naar de nieuwe Sovjet Unie. Troepen die aan de kant van de ‘witten’, de aanhangers van de tsaar, streden tegen de ‘roden’, de Sovjets. Deze keer echter tevergeefs, de ‘roden’ wonnen de strijd en de schuldeisers konden fluiten naar hun geld en hun bezittingen in de nieuwe Sovjet Unie. Een mildere variant hiervan is nationalisatie van land en bedrijven. Ook die bieden een mogelijkheid omvat schulden af te komen.

Even terzijde. ’Kanonneerboot diplomatie’ wordt tegenwoordig trouwens nog steeds toegepast. De reactie op de hierboven aangehaalde Iraakse inval in Koeweit zou je in dit licht kunnen zien. Net zoals het zenden van schepen naar de Perzische golf om Iran in het ‘gareel’ te krijgen. De meest voorkomende variant van moderne ‘kanonneerboot diplomatie’ zijn de economische sancties.

Een redelijk recente manier om schulden af te betalen is extra progressieve belastingheffing op vermogen. Deze manier werd voor het eerst na de Eerste Wereldoorlog toegepast. Piketty (pagina 475): “ Al meteen na de Eerste Wereldoorlog, tussen 1919 en 1923, waren in verschillende Europese landen, Italië, Tsjechoslowakije, Oostenrijk en Hongarije onder andere, speciale heffingen op privékapitaal uitgeprobeerd met percentages tot 50% voor de hoogste vermogens. Een van de ingrijpendste maatregelen, die ook het meeste opleverde, lijkt de speciale Japanse heffing van 1946-1947 te zijn geweest met percentages tot 90% voor de grootste effectenportefeuilles. De nationale solidariteitsbelasting waar in 1945 in Frankrijk toe werd besloten valt ook in die categorie, als was de opbrengst bedoeld voor de algemene begroting en niet specifiek om de schuld te verminderen.”  

Als we naar de verschillende manier om met schulden om te gaan kijken, dan is aflossen natuurlijk de meest nette. Alhoewel netste manier? Als je kijkt naar wie dan het gros van de rekening betaalt, dan zijn het vooral de zwakkere schouders die de lasten dragen. Het voorbeeld ‘Haïti’ laat zien dat de rijke Franse slavenhouders volledig werden ‘gecompenseerd’ voor hun geleden schade. Dit terwijl de voormalige slaven de rekening moesten betalen. Dit komt in grote lijnen overeen met de manier waarop we nu met ‘schulden’ omgaan. Neem de recente ‘Eurocrisis’. Wie werden er gered en wie betaalde de rekening? Waren het niet de grote financiële instellingen die werden gered ten koste van bijvoorbeeld de ‘gewone Griek’? Die laatste verloor een groot deel of al zijn inkomen terwijl de ‘Europese kredieten’ de banken redden. Degenen met de grootste vermogens, die 1% en zeker de 0,1% hadden hun schaapjes al naar het veilige ‘droge’ gebracht. Hun belangen werden goed vertegenwoordigd door de banken en de financiële markten.

Het mooie aan een virus zoals het huidige corona is dat het niet discrimineert naar inkomen. Het houdt geen rekening met je vermogen. Dat wil niet zeggen dat vermogende er niet beter voor kunnen staan. Quarantaine in een villa is wat anders dan in een flatje. Zeker als je in die villa je eigen IC kan inrichten. Bij het bestrijden van dit virus, moet iedereen een bijdrage leveren. De arts en verpleegkundige doen dit in het ziekenhuis. Ik door zoveel mogelijk thuis te blijven en door een stuk inkomen in te leveren. Zo moet iedereen zijn deel bijdragen. 

Zou dat niet ook bij het betalen van de rekening moeten gebeuren? En als we dan toch bezig zijn, zullen we daar dan de rekening van de vorige crises niet ook maar in meenemen? Het ‘doden’ van de schuldeisers gaat mij daarbij te ver. Het ‘nationaliseren’ van zaken, zoals patenten (op geneesmiddelen) waarvoor in Keuze na corona  pleit, is meer iets om komende crises te bestrijden. Daar hebben we nu niets meer aan. Inflatie kan helpen om de schuld draaglijker te maken. Dit is zeker aantrekkelijk maar dit moet wel worden gecombineerd met een stijging van de inkomens. Anders betalen de rijken met geld en de armen met hun leven. 

Blijft over de heffing op kapitaal, een ‘Europese corona-heffing’ op vermogen waarmee we de staatsschulden voor het grootste deel afbetalen. Een interessante optie. De vermogende 10 en 1% betaalt de rekening aan zichzelf. De overige 90% draagt de gevolgen van de economische dip. Gevolgen zoals bijvoorbeeld baanverlies.