Racisme: iedereen zijn eigen betekenis

“Even een vraag: hoe kijk je racistisch? Ik stel die vraag naar aanleiding van de titel ‘Nog een blik’.” Die vraag stelde ik Vera Mulder onder een artikel van haar hand bij De Correspondent. In het artikel bespreekt ze de debuutroman Confrontatie van Simone Atangana Bekono. Ik heb het boek van Bekono niet gelezen. Ik stelde die vraag naar aanleiding van de titel van Mulders artikel: “Nog een blik, weer een opmerking: racisme is één plus één plus één.” Daarop ontspon zich een bijzonder gesprek dat ik met jullie wil delen. Een bijzonder gesprek over racisme en toch niet, of wel?

Een eerste lezer antwoordde met: “Nou, dat is kijken met een bevooroordeelde blik, lijkt me.”  Waarop ik antwoordde: “Mijn vraag is hoe iemand kan zien dat een ander met een bevooroordeelde blik kijkt en dat die bevooroordeelde blik met racisme heeft te maken. Want dat is wat de titel suggereert.”  Daarop reageerde een volgende lezer met: ”Goede vraag. Sommige dingen zijn zo overduidelijk, maar hoe maak je het subtiele bespreekbaar?” Ik reageerde met: “Ik denk dat de kaart ‘racisme’, die in dit artikel wordt gespeeld, daar niet erg behulpzaam bij is. Racisme is, aldus de Van Dale de: “opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen.” Het bewust slechter behandelen van mensen met een andere huidskleur. Het helpt niet om die ‘Frits’ van racisme te betichten. Dat is eerder domheid of beter nog onwetendheid. Net zoals het niet helpt om die dorpsgenoot die wel-kom in Ne-der-land zegt van racisme te beschuldigen. Die maakt een verkeerde inschatting van de situatie. Het is veel behulpzamer om het gesprek aan te gaan met ‘Frits’ en zo hem bewust te maken van zijn ‘onwetendheid’. En zo is het veel effectiever om die ‘wel-kom…’ te beantwoorden met: ‘ja u ook welkom in Nederland’ of zoiets.”

Op deze bijdrage reageerde Vera Mulder met: “je gaat er in je beschouwing vanuit dat opvattingen per definitie iets zijn waar je je bewust van bent of waar je bewust naar handelt (en dat je dus geen racistisch kwaad kunt doen vanuit onwetendheid of domheid). Daar begint onze visie uiteen te lopen en dan wordt een inhoudelijk gesprek over wat racisme is of kan zijn ingewikkeld. Ik raad je het boek van harte aan – dat laat zien hoe ook onbewust ontstane of overgenomen opvattingen racistisch kunnen zijn en kwaad kunnen doen – ook (soms: juist) als iemand het niet zo bedoeld heeft. Leed zit hem niet altijd in intentie.” Daarop herhaalde ik met de betekenis van racisme volgens de Van Dale met de toevoeging: “Hier staat in mijn ogen dat je jezelf als beter ziet dan mensen met een andere kleur, dat is een bewuste daad. En ook nog dat je die bewuste daad gebruikt om die ander slechter te behandelen. Onwetendheid kan daar nooit onder vallen. Dat laat onverlet dat onwetendheid pijn kan doen, of zoals jij het zegt: ‘leed zit hem niet altijd in de intentie.’ Ik begrijp dat jij een andere definitie van racisme hanteert. Eentje die onwetendheid bevat. Maar hoe luidt die precies? Daar ben ik dan wel benieuwd naar.”

Na nog wat tussenstappen gaf een andere lezer, Leon ten Have het volgende antwoord op mijn vraag naar een definitie: “Een perfect verwoordde definitie die zo het woordenboek in kan heb ik niet, maar ik denk dat je al een behoorlijk eind komt als je naast bewust/direct ook onbewust/indirect en systematisch racisme meeneemt. Maar eigenlijk denk ik dat de context van dit verhaal voor zich spreekt, en dat discussies beginnen over woordenboekdefinities overkomt als bad faith…” En Vera Mulder viel hem bij: “Ik sluit me aan bij Leon; voor één alomvattende definitie is het onderwerp, het systeem, de ervaring te complex, maar het betrekken van systemisch en onbedoeld racisme in dit gesprek is onontbeerlijk in het ontmantelen ervan.”

Wel heel bijzonder. Om elkaar te kunnen begrijpen lijk het mij van belang dat we het eens worden over de definitie van begrippen en woorden. Een woord is, volgens de Van Dale, een: “groep van spraakklanken met een eigen betekenis.”  Als iedereen zijn eigen betekenis geeft aan een eenzelfde ‘groep van spraakklanken’ is communicatie onmogelijk en wordt het ook onmogelijk om racisme te bestrijden. Of zoals ik Mulder antwoordde: “Dan kunnen jullie beter ophouden met het schrijven over racisme. Zonder een definitie van een begrip is een gesprek zinloos. Dan gaat het namelijk overal en nergens over en heeft iedereen, wat er ook wordt beweerd, gelijk. Racisme zoals in de Van Dale gedefinieerd zal al zeer lastig uit te roeien zijn, zonder definitie is het helemaal onmogelijk.”

Donkere kanten

“In 1217 ontving Ala ad-Din Mohammed II, de sjah van het uitgestrekte, machtige Chorasmische Rijk, een boodschap van de leider van een nieuwe grootmacht die was opgekomen in het oosten. ‘Ik ben de meester van de landen van de rijzende zon,’ luidde het bericht, ‘en u heerst over die van de ondergaande zon. Laat ons een krachtig vriendschaps- en vredesverdrag sluiten.’ Er werd een handelsovereenkomst tussen de twee machten voorgesteld die beide veel voordeel zou brengen.[1] Zo begint de paragraaf Hoe verlies je een wereldrijk (zonder daar echt je best voor te hoeven doen) in het boek De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups van Tom Phillips. Ik moest hieraan denken na het lezen van een artikel van historicus Matthias van Rossum in de Volkskrant.

Trebuchet, Katapult, Middeleeuwse Wapen
Een Trebuchet Bron: Pixabay

“Banda herinnert ons vooral eraan dat het Nederlandse slavernijverleden wereldwijd was. En dat deze slavernij deel was van een breder spectrum van koloniale wandaden – van deportaties en ontvolkingen, maar bijvoorbeeld ook het cultuurstelsel. Het is tijd om deze onderbelichte schaduwzijde van het Nederlandse koloniaal verleden in de meest brede zin bespreekbaar te maken en een plaats te geven.” Met die woorden eindigt Van Rossum zijn artikel. Voor de historisch wat minder onderlegden, met Banda doelt Van Rossum op de acties van Jan Pieterszoon Coen op de Banda-eilanden. Daar hield Coen huis door het grootste deel van de bewoners van de eilanden te vermoorden. Dit als een soort ‘straf’ voor de steun die zij aan de Engelse hadden gegeven. ‘Wandaden’ en ‘schaduwzijden’ zijn waardeoordelen waarbij de huidige eigen waarden als ‘hoogste op de waardenladder’ worden geplaatst. Doorredenerend zou dat kunnen betekenen dat een vijfentwintigste-eeuwer onze huidige daden bestempelt als ‘wandaden’ en ‘schaduwzijden’.

Maar wat als we de andere kant op redeneren? Als we vanuit de zeventiende-eeuw teruggaan in de tijd? En daarbij moest ik denken aan de passage waarmee ik begon. Het Chorasmische rijk lag in Centraal Azië begrensd door de Kaspische zee en de Perzische golf en omvat delen van het huidige Iran, Afghanistan, Turkmenistan, Oezbekistan en Kazachstan, het centraal Aziatisch laagland. Met binnen haar grenzen Samarkand, Merv en Bukhara, steden die een belangrijke rol speelden in de handel langs de Zijderoute. In 1217 ontving de sjah van het rijk dus dat bericht. Een bericht verzonden door Timudjin, beter bekend met zijn titel Djengis Khan, dat, geheel onbescheiden, ‘heerser van de wereld’ betekent.

Hoe het afliep is bekend. Sjah Mohammed, en dat is geen goed teken, wordt alleen maar herinnerd omdat hij de laatste heerser van het Chorasmische rijk was. Hij negerde het verzoek om een vredesverdrag te sluiten tot twee keer. Nou ja negeren, hij liet de Mongoolse gezanten en handelaren vermoorden en eigende zich de giften en handelswaar die ze hadden meegenomen toe. Met een leger van tussen 100.000 en 150.000 man trok Djengis op naar het Chorasmische rijk. Hoe dat in die tijd ging? “Armies on the move had always lived off the land, by robbery and pillage. They could do nothing much with their victems, except send the artisans back to their HQ, kill the men, rape the women, enslave the children. They had little interest in prisoners, for prisoners would undermine their flexibility that made conquest possible.[2]Zo beschrijft John Man het in zijn boek The Mongol empire. Genghis Kahn, his heirs and the founding of modern China.” Dit Mongoolse leger was anders dan de eerdere. In hun tochten in China hadden de Mongolen steden moeten belegeren en daarvoor waren grote werktuigen nodig zoals trebuchets, zeer grote katapulten waarmee grote stenen konden worden weggeslingerd en arcuballista’s, zeer grote kruisbogen. Die gingen mee en maakten dat het leger iets minder snel kon optrekken. Het betekende echter ook wat voor de gevangen. Gevangen handwerkslieden werden als slaven in hun specialisme aan het werk gezet. Verder konden de soldaten onder hen onder begeleiding als soldaten worden ingezet voor minder cruciale taken. Het gewone volk onder hen werd als een soort ‘kanonnenvoer’ ingezet en werd door de Mongolen vooruit gedreven in de richting van de in te nemen stad. Dit met twee doelen, als eerste om hen de ergste klappen te laten opvangen en als tweede omdat het de verdedigers kon ‘verlammen’ omdat ze zo op hun eigen mensen moesten schieten en inhakken.

Als Phillips gelijk heeft dan had dit allemaal voorkomen kunnen worden. Volgens Phillips was de hele strijd het gevolg van spraakverwarring. “’Ik ben meester van de landen van de rijzende zon en u heerst over de ondergaande zon’ was waarschijnlijk bedoeld als een simpele geografische oost-westaanduiding en vermoedelijk wilde Djengis hun status als gelijken benadrukken, maar je kunt de boodschap ook anders vertalen: ‘Ik ben de koning van de zonsopgang en u bent de koning van de zonsondergang. Als je het zo ziet, lijkt het ineens of Djengis een enorme schaduw over de ander werpt.[3] Dit even terzijde.

Nu is dit maar één voorbeeld in een lange reeks die laat zien dat de geschiedenis van de mens wreed en bloedig is. Volgens Van Rossum is “Het vraagstuk (…) eerder hoe we deze donkere kanten van het Nederlandse verleden beter kunnen begrijpen en verwerken.” Dat begrijpen begint met het realiseren dat dergelijk gedrag eerder regel is dan uitzondering. Dat de geschiedenis vol zit met ‘wandaden’ en ‘schaduwzijden’ als we haar afzetten tegen onze huidige normen en waarden. Sterker, dat onze huidige normen en waarden eerder een nog niet algemeen aanvaarde uitzondering vormen. Daar moeten we blij mee zijn. We moeten eraan werken dat ze nu overal aanvaard worden en ervoor waken dat we niet terugvallen van onze uitzondering naar de historische regel. Dat is het brede historische spectrum waarin we alle, ook het koloniale, verleden een plek moeten geven.


[1] Tom Phillips, De mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups, pagina 219

[2] John Man, The Mongol Empire. Genghis Kahn, his heirs and the founding of modern China, pagina75

[3] Phillips, pagina 222

Rechten voor de natuur

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.[1] Een passage uit het boek Het kwaad in het moderne denken van de filosoof Susan Neiman. Ik moest hieraan denken toen ik bij De Correspondent een artikel van Jessica den Outer las. Den Outer pleit voor rechten voor de natuur.

Amazon Rainforest | Aerial view of the Amazon Rainforest, ne… | Flickr
Bron: Flickr

Niet voor natuurrechten (H)et idee dat voor iedereen, ongeacht plaats of tijd, rechten gelden omdat ze door de ‘natuur’ zijn gegeven. Natuurrechten zijn aangeboren en onvervreemdbaar. Het natuurrecht wordt onderscheiden van positief recht, dat door nationale wetgevers wordt gemaakt en uitgevoerd.” Zoals Amnesty International het begrip natuurrecht omschrijft. Natuurrechten zijn een oud begrip. De oude Griekse filosofen spraken al over die ‘onveranderlijke rechtsregels’ die de mens van nature had. Rechten die het christendom als door god gegeven zag. Nee, voor rechten voor de natuur en niet alleen voor dieren, maar ook voor rivieren, bossen enzovoort. Hiermee moet de antropocentrische wereld worden beëindigd. De wereld waaraan de mens de doorslag geeft. Rechten voor de natuur is wat anders dan onze huidige milieuwetgeving want bij die wetgeving is, zo betoogt Outer: “de mens, als middelpunt van het bestaan, (…) het uitgangspunt van wet- en regelgeving. Dit uitgangspunt heeft ertoe geleid dat wij de natuur beschouwen als ons eigendom: iets wat we kunnen uitbuiten voor menselijk gewin. Wij, de mens, hebben als eigenaar onbeperkte macht over de natuur.” Door ook de natuur rechten te geven zou de mens van de troon worden gestoten waarop hij zichzelf heeft geplaatst.

Ik moest aan Neiman denken omdat zij in haar boek de deconfiture van God beschrijft. Of om het anders te zeggen, het plaatsen van de mens op de oude troon van god. De mens kreeg hiermee, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

Daarmee kom ik bij het artikel van Outer. Volgens Outer zit de mens hoog op zijn troon. Zij wil meer evenwicht in de wereld. Die is nu ‘antropocentrisch’ omdat wij: “als eigenaar onbeperkte macht over de natuur,” hebben. Outer pleit voor een ecocentrische benadering: “de overtuiging dat de mens deel uitmaakt van de aardse gemeenschap en leeft in een systeem van onderlinge afhankelijkheid. … In de ecocentrische benadering is de intrinsieke waarde van al het leven essentieel. Een opvatting die leeft bij verschillende inheemse volkeren. De natuur heeft waarde, simpelweg ‘omdat ze bestaat’. Je neemt verantwoordelijkheid voor je band met de natuur en denkt bij de keuzes die je maakt aan de belangen van alle vormen van leven en van toekomstige generaties.” Daarom wil zij de natuur rechten geven, net zoals de mens rechten heeft.

Hoe zou dat moeten? Als natuur een rechtspersoon is dan: “geniet ze een onafhankelijke juridische status die beschermd moet worden – en zo krijgt ze een stem in onze samenleving.” Die rechten moeten worden erkend door rechters of via de politiek. Daarbij kan het gaan om: “de natuur in het algemeen of om concrete entiteiten zoals rivieren, bossen of bergen, die rechten of eigen rechtspersoonlijkheid krijgen.” Zodat zij wordt meegenomen bij alle beslissingen die haar welzijn aangaan. Daarbij moeten: “Menselijke voogden (…) ervoor (zorgen) dat deze rechten worden gewaarborgd en nageleefd. In het ergste geval kunnen zij een rechtszaak aanspannen namens de natuur, zoals een voogd dat voor een kind kan doen.”

Dat de natuur waarde heeft omdat ze bestaat, staat voor mij buiten kijf. Net zoals het voor mij buiten kijf staat dat de mens geen eigenaar is van de wereld. En daarmee kom ik op mijn bedenkingen bij de rechten voor de natuur. Outer wil ‘de mens van de troon halen die hij, zoals Neiman laat zien, van God heeft overgenomen. Zij wil van de huidige antropocentrische naar een ecocentristische wereld. Maar hoe ‘intrinsiek’ is de waarde van natuur als ze rechten van de mens moet krijgen om gewaardeerd te worden? Hoe ecocentrisch is het als de mens die rechten moet toekennen? Hoe ecocentrisch is het om de mens de stem en voogd te laten zijn voor de natuur?


[1] Susan Neiman,  Het kwaad in het moderne denken, pagina 120

Vrijheid

Vandaag is het 5 mei en vieren we de vrijheid. Volgens sommigen hebben we in de strijd tegen het coronavirus onze vrijheid ingeleverd en krijgen we dat wat we hebben verloren nooit meer terug en zijn we in een dictatuur beland. Voor mij aanleiding om eens vanaf een afstandje, voor zover dat kan, naar vrijheid en het nu te kijken. Ik doe dat aan de hand van de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak[1].

Eerst even die ‘dictatuur’ waarin we volgens sommigen leven. Een bijzondere bewering die Alicja Gescinska in de Volkskrant van repliek voorziet met de woorden: “Alleen al het feit dat je zonder gevolgen kunt zeggen dat je in een dictatuur leeft, is het bewijs dat je niet in een dictatuur leeft. De gechargeerde kritiek op het beleid getuigt van een eenzijdig begrip van wat vrijheid en onvrijheid werkelijk betekenen.” Gescinska houdt vervolgens een pleidooi voor verbonden vrijheid: “Wanneer we als samenleving niet uiteen willen vallen in een strijd tussen hongerige wolven en verscheurde schapen, moeten we leren vrij zijn mét elkaar, niet ten koste van elkaar. Onze vrijheid is zoals onze menselijke natuur zelf: per definitie sociaal. We kunnen pas vrij zijn in onze verbondenheid met elkaar.” Een prachtig pleidooi voor broederschap.

File:Fietsers op de autosnelweg, Bestanddeelnr 926-8019.jpg - Wikimedia  Commons
Autoloze zondag. Bron: WikimediaCommons

Terug naar Roosevelts State of the Union. Roosevelt was net voor de derde keer gekozen als president van de Verenigde Staten. Het land was nog niet bij de oorlog betrokken, tenminste niet direct. Ondanks haar neutraliteit steunde de regering Roosevelt de Britten. Iets wat een kleine twee maanden later werd bekrachtigd in de Lend and Lease Act. De wet gaf de president de bevoegdheid om landen die voor de Verenigde Staten vitaal werden geacht te ondersteunen door hen materieel te lenen en verhuren. In zijn toespraak schetst Roosevelt een toekomstige wereld. Roosevelt schetst vier essentiële vrijheden die, als ze worden gewaarborgd, de wereld veiliger maken. Die vier zijn de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om welke god op welke manier dan ook te aanbidden, de vrijheid of beter vrijwaring van gebrek en als laatste vrijheid of weer beter vrijwaring van vrees. Wat zien we als we onze huidige ‘coronamaatregelen wereld’ langs deze vier vrijheden leggen? Laat ik ze eens een voor een nalopen.

Als eerste de vrijheid van meningsuiting. Die lijkt mij volledig onaangetast. Iedereen kan zeggen, roepen, beweren, schrijven en uitzenden wat hij of zij wil: “behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet ,” zoals in artikel 7 van de Grondwet is beschreven. ‘Maar de mainstreammedia zijn eenzijdig en negeren andere opvattingen?’ Een interessante maar niet relevante vraag. Dat een krant weigert om jou mening te publiceren, dat een talkshow jou niet uitnodigt om je verhaal te vertellen, tast jouw vrijheid om je mening te uiten niet aan. Jouw vrijheid om je mening te uiten betekent niet de plicht van die krant of talkshow om jou te publiceren of te laten spreken. Media hebben geen ‘publicatieplicht’, zij bepalen zelf welke informatie zij publiceren. Ook onze belangrijkste vorm van meningsuiting, de verkiezing van onze volksvertegenwoordiging kon gewoon plaatsvinden. Wel op een iets aangepaste manier maar zonder merkbaar effect op de opkomst.  

Nog even terug naar ieders ‘verantwoordelijkheid voor de wet’. De roeper moet wel oppassen met het aanprijzen van zichzelf of anderen want dat zou wel eens onder de handelsreclame kunnen vallen want die wordt in het vierde lid van het Grondwetsartikel uitgezonderd van de vrijheid van meningsuiting. Of de door Baudet en anderen gemaakte en verspreidde poster waarop de vrijheid in 2020 eindigde onder de handelsreclame valt, dat laat ik over aan juristen en rechters. Het zou wel een interessante zaak zijn. Zeker properganda.nl, een soort communicatiebureau, zou zich wel eens op glad ijs hebben begeven.

Dan de vrijheid om welke god op welke manier dan ook aan te hangen. Ook hieraan wordt niet getornd. Het staat iedereen nog steeds vrij welke god dan ook aan te hangen en te vereren, weer aldus artikel 6 van onze Grondwet: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”  In kerkgebouwen mag men zijn geloof belijden zoals men wil en met zoveel mensen als men wil. Of zoals de overheid het schrijft: “Mensen die samenkomen voor hun geloof of levensovertuiging zijn uitgezonderd van de maatregelen voor samenkomsten. Dit betekent dat er geen regels zijn voor het maximaal aantal personen in een kerk, moskee, synagoge of ander gebedshuis. Ook is er geen verbod op zingen.” Wel geeft de overheid op dit terrein adviezen.

Dan Roosevelts derde vrijheid, de vrijwaring van gebrek: “which, translated into world terms, means economic understandings which will secure to every nation a healthy peacetime life for its inhabitants, everywhere in the world,” aldus Roosevelt. Die is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in artikel 25.1 vertaald in: “Everyone has the right to a standard of living adequate for the health and well-being of himself and of his family, including food, clothing, housing and medical care and necessary social services, and the right to security in the event of unemployment, sickness, disability, widowhood, old age or other lack of livelihood in circumstances beyond his control.” Deze ‘vrijheid’ verdeelt de schaarste en correspondeert met Gescinska’s pleidooi voor vrijheid in verbondenheid met broederschap en een rechtvaardige wereld. In tijden van crisis dienen op dit terrein altijd vrijheden tegen elkaar worden afgewogen.

Op dit gebied beperken de coronamaatregelen vrijheden. Neem de medische zorg, die komt door het vollopen van de IC’s met corona patiënten voor mensen met een andere ernstige aandoening in gevaar. Dit probleem is echter niet aan de coronamaatregelen te wijten. Zonder die maatregelen zouden de IC’s ook en hoogst waarschijnlijk zelfs nog veel sneller, zijn volgelopen. Ook wordt een deel van de bevolking door de maatregelen beperkt in het verwerven van hun inkomen (lack of livelihood). Die vrijheidsbeperkingen worden gecompenseerd. Om hen te ondersteunen zijn er allerlei maatregelen genomen om grote ellende te voorkomen. De manier waarop dat is gebeurd en dat het niet overal en altijd in voldoende mate lukt, kun je bekritiseren, dat heb ik ook gedaan. Ook over de effectiviteit van verschillende maatregelen kun je van mening verschillen. Een noodsituatie leent zich er echter niet voor om eerst wetenschappelijk te onderzoeken of iets effectief is. Soms moet je het doen, om premier Rutte aan te halen, met 50% van de kennis en nog minder, en een besluit nemen. Zonder maatregelen zou deze vrijheid echter ook onder druk staan. Dan zou de livelihood van de beperkten wellicht beter zijn maar dat dan wel ten koste van ‘health and wellbeing’ van anderen.

Als laatste de vrijwaring van vrees. Roosevelt spits die toe op landen en omschrijft vrijwaring van angst als: “a world-wide reduction of armaments to such a point and in such a thorough fashion that no nation will be in a position to commit an act of physical aggression against any neighbor—anywhere in the world.” Daar kunnen we in het kader van corona niets mee. Of toch wel? Als we het handelen van landen bekijken bij het verkrijgen van vaccins, dan zien we dat met name Westerse landen hun wapens (geld) gebruiken ten kosten van arme landen. Je zou dat kunnen zien als het ‘plegen van agressie tegen je buren.’

Wat als we ‘vrijwaring van angst’ vertalen naar het individuele niveau? Dan zou geen individu de mogelijkheid moeten hebben een ander agressief te benaderen en te bedreigen. Op dit punt zien we een duidelijke afname van de vrijheid. Mensen, politie-agenten, journalisten en politici om drie voorbeelden te noemen worden bedreigd. Dit is niet nieuw, ook voor de corona-pandemie gebeurde dit al. De corona-pandemie heeft wel voor een toename gezorgd. Maar belangrijker, ze worden niet bedreigd door de overheid, de instantie die vrijheid kan beperken, maar door andere individuen.

Met onze vrijheid in coronatijd gaat het dus nog bijzonder goed. ‘Maar de avondklok dan? Die beperkte onze vrijheid toch?’  Inderdaad beperkte die je vrijheid om op bepaalde tijdstippen buiten te zijn. Als een tijdelijke maatregel om een crisis te bezweren kan dat worden gezien als een legitiem maar tijdelijk middel. Dat de maatregel tijdelijk was, is inmiddels duidelijk. Of het middel effectief was, daarover kun je van mening verschillen. Net zoals de ‘autoloze zondagen’ in 1973 een tijdelijke beperking van de vrijheid was.


[1] Voor degenen die deze State of the Union willen beluistere. Op deze Wikipediapagina kan dat

Rutte en de leercirkel van Kolb

De leercirkel van Kolb. Van onbewust onbekwaam naar onbewust bekwaam met twee tussenstappen. Als eerste bewust onbekwaam: je weet dat je iets niet kunt en je kunt ervoor kiezen om het te leren. Als je ervoor kiest om het te leren en dat lukt dan kom je bij de tweede tussenstap: bewust bekwaam. Als het nieuwe je vervolgens zo vanzelf afgaat dat je er niet meer bij nadenkt ben je onbewust bekwaam. Waarom begin ik hierover? Ik moest hieraan denken in een gesprek onder een artikel van Marc Chavannes bij De Correspondent. Een artikel over de ‘notulen’ en dus de toeslagenaffaire.

brachiosaurus | At Dinosaur World in Cave City, KY | London looks | Flickr
Bron: Flickr

In dat gesprek schreef Patrick Ubags: “Waar het weinig over gaat is dat Rutte bewust geen visie wil formuleren. Zijn eigen extreem korte termijn “olifanten die het zicht belemmeren” houden echter oplossingen voor sociaal-maatschappelijke problemen tegen.” Inderdaad heeft Rutte in 2013 gezegd dat een visie als een olifant is die het uitzicht belemmert. In 2020 had hij er ‘spijt’ van. Hij bedoelde eigenlijk: “Ik wil voorkomen dat ik zo bezig ben met wat ik wil dat ik niet meer kan samenwerken met een ander. Je moet altijd in staat zijn iets te relativeren van je eigen standpunten en te zoeken naar compromissen.” Nu zijn dat twee heel verschillende zaken. Een compromis is immers een: “overeenkomst waarbij alle partijen iets toegeven.” Het hebben van een visie hoeft daarbij niet te hinderen. Het jammere is dat niemand sindsdien aan Rutte heeft gevraagd wat zijn visie dan wel is.

Volgens Ubags: “wordt weinig vooruitgang geboekt, er wordt zelden nog geacteerd vanuit een politieke lange termijn visie op de samenleving. Het is allemaal pragmatisch, de markt die het moet oplossen en vooral de status quo en het materiële welvaren van de grootste groep in stand houden. Weinig moed, veel afschuiven naar anderen en latere generaties. … Wat was eigenlijk het laatste constructieve project dat meer dan een kabinetsperiode duurde en/of gestoeld is op een visie van langer dan een paar jaar ?” Dat er veel wordt afgeschoven of beter gezegd doorgeschoven naar latere generaties, daar ben ik het mee eens. Dat zaken niet meerdere kabinetsperiodes worden volgehouden niet. Wat te denken van de aanleiding tot de toeslagenaffaire: de manier waarop er naar mensen wordt gekeken die een beroep doen op ondersteuning door de overheid als potentiele fraudeurs die met wantrouwen worden bejegend? Dat loopt al sinds Ruding in de jaren tachtig over ‘tante Truus’ begon.

Dat dit ‘visieloos’ gebeurt, dat vraag ik me af. En zo kwam ik bij de leercirkel van Kolb. Het gebrek aan visie bij Rutte en vasthoudendheid klopt niet helemaal. Of eigenlijk helemaal niet. Rutte mag het dan wel over een olifant die in de weg staat hebben als hij het over visie heeft, dat wil niet zeggen dat hij visieloos is. Rutte is duidelijk neoliberaal. Het kenmerk van neoliberalen is dat zij hun denken niet als ideologisch gedreven zien. Neoliberalen verkopen hun ideologie op een manier dat het lijkt alsof het geen ideologie is. Ze gebruiken woorden als praktisch, realistisch, normaal en zetten daarmee anderen weg als onpraktisch, idealistisch en abnormaal.

Inmiddels is die ideologie al zo lang dominant dat neoliberalen als Rutte de olifant van anderen hinderlijk in de weg zien staan maar hun brachiosaurus niet kunnen zien. Om de leercirkel erbij te halen hij is onbewust bekwaam neoliberaal. Het hoogst haalbare in de leercirkel. Of toch niet? Wellicht moeten we het precies omgekeerd zien. Een premier die de vernietigende uitwerking van de visie achter zijn beleid niet herkent, kun je natuurlijk ook onbewust onbekwaam noemen. Laat het voorbeeld van de toeslagenaffaire dat niet precies zien?

Vernieuwen volgens Van Haga

‘Besteed er toch geen aandacht aan.’ Dat is wat mijn partner en eindredacteur zal zeggen als zij deze Prikker leest. Ik zal haar nogmaals zeggen dat ik het juist als mijn taak zie om wel aandacht te besteden aan mensen die iets zeggen wat ver bezijden de werkelijkheid is. Je bent immers Ballonnendoorprikker of je bent het niet.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat het deze politieke week draaide om ‘de notulen’. En nu we het daarover hebben, lees alsjeblieft de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant hierover. Die verheugt zich al op een “debat over de kabinetsnótulen over het debat over de nótulen.”  Ja, sinds het vorige democratische hoogtepunt, het debat van 1 april waarin Rutte een motie van afkeuring aan zijn broek kreeg en Annemarie Jorritsma notulen uitsprak met de nadruk op de o, lijkt het alsof iedereen, vooral van VVD huizen, het woord zo uitspreekt en dus moet er een accent aigu op de o en wordt het een ó.

Garden from the 18th century (1st half) | Tuin uit de 18e ee… | Flickr
Bron: Flickr

Nu gaat het me niet om die ó. Het gaat mij zelfs niet om de notulen, ik neem de VVD ó niet over. Het gaat mij om een uitspraak die voormalig VVD-er en nu FvD stemmenkanon, corona-ontkenner en huisjesmelker Wiebren van Haga in het debat deed, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Van Haga tegen D66 leider Kaag: “Kom op Sigrid. Stap in de voetsporen van de grote vernieuwers zoals Hans van Mierlo, Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Thierry Baudet en zorg dat het systeem verandert.” En toen moest ik even lachen. Ik moest lachen om het lijstje met ‘grote vernieuwers’. 

Laat ik ze eens lans lopen. Hans van Mierlo. Een van de oprichters van Democraten 66, het huidige D66 van de door Van Haga aangesproken Kaag. Een partij die in die tijd democratische vernieuwing preekte. De partij ging voor ‘radicale democratische vernieuwing: de invoering van een referendum, het afschaffen van de Eerste Kamer, een direct gekozen minister president, direct gekozen burgemeesters en het ‘dualisme’. Het dualisme is ver te zoeken, het ‘notulendebat’ en alles wat eraan vooraf ging, laat dat duidelijk zien. Burgemeesters en de minister-president worden nog steeds niet gekozen en de Eerste Kamer is er ook nog steeds. Het enige wat je een beetje ‘vernieuwend’ zou kunnen noemen, is het paarse kabinet. Een kabinet waaraan voor het eerst sinds 1917 geen confessionele partij meedeed.

En daarmee komen we meteen ook bij de tweede ‘vernieuwer’ Bolkestein. Ook die was betrokken bij dat kabinet maar niet echt van harte. Dit niet van harte ondersteunde paarse kabinet, is dan ook meteen het enige waarbij je de naam van Bolkestein en vernieuwing wellicht in één zin kunt gebruiken. Voor het overige was en is Bolkestein vooral een conservatieve neoliberaal, al zal hij dat laatste ontkennen.

Dan Pim Fortuyn. Zijn vroegtijdige dood door de laffe moordaanslag maakt het lastig om te beoordelen hoe vernieuwend Fortuyn zou zijn. Het verkiezingsprogramma 2002 van zijn partij straalt de neoliberale tijdgeest uit. Met passages als: “De loon- en prijsspiraal zal moeten worden doorbroken door uiterste terughoudendheid met reële loonsverhogingen. De koopkracht van de Nederlandse burger zal moeten worden beschermd door verlaging van de sociale premies en waar mogelijk belastingen.” Niet erg vernieuwend en ook de ‘gekozen burgemeester en minister-president’ stond al twintig jaar op het lijstje van die eerste ‘vernieuwer’. Wel ‘vernieuwend’ is het grote ego en in het verlengde ervan de hoge dunk van zichzelf die Fortuyn meebracht. Om het stevig te zeggen Fortuyn vernieuwde de politiek door er narcisme in te brengen. Of we hem daar dankbaar voor moeten zijn, waag ik te betwijfelen. Zijn partijgenoten bleken in ieder geval niet zonder hem te kunnen. De partij implodeerde binnen een jaar en de verschillende leden gingen ruziënd over straat, in de kamer en in het kabinet. Het enige vernieuwende wat we er, via het ‘lijntje met Pim’ van Herben, aan over hebben gehouden is de Joint Strike Fighter. Of we daar nu zo blij mee moeten zijn?

Komen we bij de laatste ‘grote vernieuwer’ op het lijstje van Van Haga, zijn partijleider Thierry Baudet. Zijn narcisme kunnen we sinds Fortuyn niet meer vernieuwend noemen. Ook de ‘chaos en trammelant’ binnen zijn partij is niet echt vernieuwend. Dat deed in 1994 met het Algemeen Ouderen Verbond al haar intrede in politiek Nederland. Verder kan ik niets vernieuwend ontdekken. Voor Baudet ligt de vernieuwing in de achttiende eeuw.

Nee, de laatste ‘grote vernieuwing’ in het Nederlandse stelsel is inmiddels ook al meer dan honderd jaar oud en dateert van 1917. Het jaar van de introductie van artikel 23, de onderwijsvrijheid, in onze Grondwet. Maar voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel, dat D66 in de jaren zestig van de vorige eeuw weer wilde invoeren, werd afgeschaft. Maar wat belangrijker is, een wijziging die het de leiders van de verschillende bevolkingsgroepen of zoals ze toen heetten zuilen, mogelijk maakte om ‘voor hun schaapjes, over hun schaapjes maar niet met hun schaapjes’ te regeren. En dat is precies het systeem dat er nu voor zorgt dat we als kiezer zeer weinig invloed hebben op wie ons regeert. Weten we meteen hoe ‘vernieuwend’ Van Haga is.

Bascule

Op de boerderij van mijn vader stond een bascule. Voor degenen die niet weten wat dat is, een bascule is een instrument waarmee je kunt bepalen hoe zwaar iets is. Nu heb je die in verschillende vormen. Op onze bascule kon je aan de ene kant, op het grote plateau, heel zware zakken leggen, bijvoorbeeld een gevulde zak graan. Door er aan de andere kant, op een zwevend plateautje, kleinere gewichten te leggen totdat het evenwicht was bereikt, kon je bepalen hoe zwaar die zak graan was. Op de foto hieronder zie je zo’n bascule. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat ik eraan moest denken bij het lezen van een artikel van Antonie Kerstholt bij Joop over de politieke situatie in Nederland.

Bij bascule moet ik ook meteen denken aan het Veldense stamcafé uit mijn jeugd met die naam. Uitgebaat door Cocky van Genechten en vaak met de ongeëvenaarde barman Sjaak met de snor achter de bar. Bij binnenkomst stond je glas bier al klaar, ze hadden gezien dat je je fiets parkeerde en dat stond gelijk aan een eerste bestelling. Dit even tussendoor. Terug naar Kerstholt

Kerstholt schrijft, met als aanleiding het openbaar worden van kabinetsnotulen over de toeslagenaffaire, over macht en tegenmacht, tot nu toe het woordenpaar van het jaar van politiek Nederland. Kerstholt: “Een foute bestuurscultuur, het ontbreken van feitelijke tegenmacht, bewindslieden die liegen of aan selectief geheugenverlies lijden als hen dat uitkomt en het moeten openbaren van kabinetsnotulen omdat ministers niet meer worden vertrouwd, illustreren het immense verval van onze huidige democratie en rechtsstaat.”  Dit roep bij Kerstholt de vraag op of: “de kwaliteit van onze democratische samenleving hersteld (kan) worden door dezelfde bewindspersonen die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het verval van onze rechtsstaat? Die vraag rijst op dit moment over het aanblijven van Rutte, Kaag en Hoekstra.” Die vraag stellen velen zich, maar is het wel de juiste vraag?

Kerstholt kijkt voor het herstel van het vertrouwen naar de macht, die moet anders, transparanter. Om het met de bascule en de zak graan te vergelijken: hij kijkt naar die zak graan op het grote plateau en vraagt zich af of daar niet minder of ander graan in moet worden gelegd. Of de zak niet van ander materiaal gemaakt moet worden, geen ouderwetse jutte zak zoals vroeger, maar plastic waar doorheen je kunt zien wat erin zit. Hij concentreert zich op het verzwakken van de macht.

Evenwicht, dat laat de bascule zien, kun je echter ook bereiken door de andere kant te verzwaren. Leg op het kleine zwevende plateau meer of zwaardere gewichten en de bascule komt in evenwicht. Nu hoeft de macht van de Tweede Kamer niet te worden uitgebreid. In theorie heeft die Kamer alle mogelijkheden om een regering in het gareel te houden. Op papier ziet het er goed uit, de praktijk laat te wensen over. In de praktijk zien we dat een deel van de gewichten op het kleine plateau als het eropaan komt, van het zwevende plateau springen. Ze leggen hun gewicht niet in de schaal.  Het probleem ligt niet bij de macht, die maakt gebruik van de ruimte die zij krijgt. Het probleem ligt bij de tegenmacht: onze volksvertegenwoordiging die haar rol niet pakt. Bij volksvertegenwoordigers die om partijpolitieke redenen van het ‘zwevende plateautje’ springen omdat anders het kabinet in de problemen komt.

Kerstholt schreef voordat die notulen openbaar werden. Nu ze openbaar zijn besteden de verschillende media weer ruim aandacht aan ministers die dit of dat zeiden in de betreffende kabinetsvergadering en maakt de Kamer zich weer op voor een debat met de betreffende bewindslieden. Allemaal leuk maar waar de Kamer zich voor moet opmaken is een debat met zichzelf. Zij moet eens reflecteren over haar rol en positie en over de manier waarop we nu onze democratie vormgeven. Een manier die, zoals ik recentelijk betoogde, is geënt op het Nederland van 150 jaar geleden en die dringend toe is aan een modernisering.

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.

Money, money, money

Als jongetje van twaalf jaar droomde ik van een carrière als voetballer. Ik droomde ervan omdat ik heel graag voetbalde, niet omdat er zoveel geld mee te verdienen was. In die tijd, in de jaren zeventig, bestond het ‘gilde van profvoetballers’ vooral uit semiprofs die eerst de post bezorgden of een huis schilderden en daarna gingen trainen. Tegenwoordig is dat wel anders. Neem Messi, die verdient in één maand meer dan het totale budget van mijn clubje VVV. Sterker nog, voor de ongeveer € 5 miljoen in de maand die hij dan nog overhoudt, moet iemand met een modaal salaris ongeveer 135 jaar werken.

File:VVV Venlo (1956), ANEFO Rousel, Bestanddeelnr 157-0521.jpg - Wikimedia  Commons
Uit de oude doos: VVV in 1956. Bron: WikimediaCommons

Toch schijnt dat niet genoeg te zijn. Het betaald voetbal stevent op haar ondergang af, er moet meer geld bij anders gaat het absoluut fout. “Met de inkomsten uit de Champions League gaan we er allemaal aan: de grote clubs, de middelgrote en de kleine.’ Wat het voetbal nodig heeft, zegt de Super League-preses, is Federer tegen Nadal. ‘Elke dinsdag en woensdag.” Zo lees ik in de Volkskrant. Daarom ging Perez met zijn collega’s van elf andere Europese top- en sommige wat meer dure flopclubs op zoek naar nog meer geld en wilden ze de Superleague beginnen.

De Champions League is nu het mekka waar het grote geld is te verdienen, de hele grote kers met slagroom op de landelijk taart. Alleen moet je je daarvoor kwalificeren via de landelijke taart en dat kan wel eens mislukken en dan is Leiden in last. Nou, Leiden niet want daar wordt niet professioneel gevoetbald, maar Madrid, Barcelona, Londen, Turijn en Manchester. Om dat te voorkomen mogen er uit bijvoorbeeld Engeland en Spanje al vier clubs deelnemen. Bij die Spaanse vier zit steevast het Real van Perez. Toch is dit nog ‘te onzeker’ en daarom willen Perez c.s. een Super League waaraan zij gegarandeerd deelnemen en minimaal € 300 miljoen per jaar krijgen. Een bedrag waar mijn VVV 35 jaar op kan draaien.

Maar beste meneer Perez, als het heel vele geld van de Champions League niet genoeg is om het voetbal ‘te redden’, zou nog meer geld dan de oplossing zijn? Zou nog meer geld dan tot iedere dinsdag en woensdag ‘Nadal tegen Federer’ leiden? En dan moet ik u teleurstellen, de grote voorspelbaarheid van de Champions League maakt dat ik er steeds minder naar kijk. Steeds weer ‘Nadal tegen Federer’ gaat behoorlijk vervelen. Het wordt pas interessant als het spannend is, als mijn VVV bijvoorbeeld van PSV wint. Of op ‘uw niveau’, als Ajax uw Real in de achtste finale uit de Champions League knikkert door met 1 – 4 te winnen in Bernabeu zoals in 2019. Iets waar u wellicht nog buikpijn van krijgt omdat u in uw begroting had geteld op minstens een halve finale. Spanning, dat is wat voetbal mooi en interessant maakt en dat is waar het in toenemende mate aan ontbreekt. En daar ontbreekt het aan omdat u en die elf vrienden van u de beste spelers elders wegkopen en bij u op de bank of tribune zetten. Neem Manchester City dat, zoals René van der Gijp het gekscherend maar met een kern van waarheid zegt, met drie vliegtuigen naar een uitwedstrijd moeten vliegen om alle spelers mee te nemen.

Beste meneer Perez, blijft u vooral zoeken naar nog meer geld zodat u de Messi’s van deze wereld € 135 miljoen per jaar kunt betalen. Ik blijf me inzetten voor een andere wereld. Een wereld waarin de Messi’s goed worden beloond maar niet exorbitant zoals nu het geval is. Een wereld waarin we op Europees niveau, zo schreef ik een jaar geleden ook al in relatie tot het voetbal: “komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000,” En naar ik nu denk, zou zelfs 99% bij een inkomen boven € 1 miljoen nog beter zijn. Dan zorgen we er op die manier voor dat bijna € 133,5 miljoen van het salaris van Messi kan worden besteed aan het betalen van de Spaanse verpleegsters en politieagenten. Messi houdt dan nog iets meer dan € 1,5 miljoen, 40 keer een modaal Nederlands salaris, over en daar kun je best riant van leven.

Creatief crossover de plank mis slaan

“Crossover Creativity betekent dat jij je creativiteit inzet om innovatieve oplossingen te ontwerpen voor complexe uitdagingen in de samenleving. Bijvoorbeeld op het gebied van sociale inclusie, onderwijs, inrichting van de publieke ruimte, de gezondheidszorg.” Dat lees ik op de site van de HKU Ik moest het even opzoeken omdat de schrijver van een artikel in de Volkskrant, Hilde Roothart, zich introduceerde als ‘student aan de HKU masteropleiding Crossover Creativity. Nu heb ik dat tegenwoordig vaker. Ik stam nog uit een tijd dat je zoals ik geschiedenis ging studeren of Nederlands, natuurkunde of economie of je ging naar de kunstacademie. Als ik de studie in mijn woorden samenvat, dan ben je na die studie gewoon een (product)ontwerper. En met ‘woorden’ kom ik bij de inhoud van het artikel van Roothart.

Learn a Language - Free Image by Sukh Photography on PixaHive.com
Bron: Pixahive

Nu is productontwerper of met een andere naam vormgever niet de enige studie waar allerlei fancy klinkende termen aan worden verbonden om er iets extra’s van te maken. Ik moet hierbij denken aan een bijeenkomst die ik jaren geleden bijwoonde. Een bijeenkomst waarbij een opleider voor sociaal werkers en jeugdzorginstellingen bijeen kwamen. De opleider vertelde dat de studenten werden opgeleid in verschillende specialisme. ‘Jullie specialisten zijn voor ons gewoon algemeen opgeleid,’ met dergelijke woorden reageerde een jeugdzorgaanbieder en vervolgde: ‘wij moeten ze vervolgens specialiseren’. Op de arbeidsmarkt zal Roothart gewoon moeten concurreren met andere productontwerpers en vormgevers die ‘Interaction design’ of ‘Natuurlijk design’ studeren. Dit even terzijde.

Of toch niet? Want met woorden probeert, in dit geval de HKU, een opleiding tot vormgever tot iets speciaals te maken en met woorden kom ik bij het artikel van Roothart. Volgens Roothart ligt: “Helaas (…) de ongelijkheid ook in de taal besloten. Sommige mensen zijn hooggeletterd, anderen zijn laaggeletterd. Zolang we in de taal aandacht blijven besteden aan hoog en laag (…) wordt de taal gekoloniseerd door een homogene groep Noord-­Europese, witte, mannelijke en elitaire mensen.” Om daar wat aan te doen moeten we onze taal: “bevrijden van de uitsluiting van de laaggeletterdheid. Dat kunnen we voor elkaar krijgen door alle vormen van intelligentie waarover we beschikken in te zetten. En door elke taal die we beheersen ook echt als taal te gaan zien, horen en voelen. Dat zou ons allemaal pas echt gelijkwaardig maken.” Met die woorden beëindigt ze haar heel bijzonder betoog.

Nee, dan doel ik er niet op dat Roothart heel modern en als een volleerd leerling van Gloria Wekker en Sylvana Simons de woorden ‘gekoloniseerd’ en ‘homogene Noord-Europese witte, mannelijke en elitaire mensen’ in één zin gebruikt waarmee alles ‘verklaard’ is. Dan bedoel ik dat laaggeletterden worden uitgesloten van onze taal. Dat lijkt me heel vreemd. Iemand ergens van uitsluiten, betekent dat je het die persoon onmogelijk maakt om in dit geval van taal gebruik te maken. Welke taal spreken laaggeletterden dan?

Volgens Roothart zijn er naast verbaal linguïstische intelligentie ook nog andere vormen van intelligentie: “visueel-ruimtelijk, ­logisch-mathematisch, naturalistisch-ecologisch, muzikaal-ritmisch, interpersoonlijk, intrapersoonlijk, lichamelijk-kinesthetisch.” Als ik Roothart goed begrijp zijn dat allemaal ‘talen’ en moeten we die gaan gebruiken want dan zijn we ‘pas echt allemaal gelijkwaardig’. Roothart: “Onze taal bestaat niet alleen uit letters en cijfers, maar ook uit beelden, geluiden en gebaren. We beschikken niet alleen over ­taal­vermogen, maar ook over beeldend vermogen en scheppingskracht; over de taal van kleur, klank en knipoog.”

Eens kijken hoe dat in de wereld van Roothart werkt met mezelf als onderdeel van een voorbeeld. Mijn taal is de linguïstische, dat wat een normaal mens onder ‘taal’ verstaat. Mijn ‘muzikaal-ritmische’ taal is behoorlijk waardeloos, ik zing vals en kan geen maat houden. Nu kom ik een Beethoven in de laatste fase van zijn leven tegen: linguïstisch waardeloos want doof maar muzikaal-ritmisch een genie. Ik sta te praten als Brugman en die ander speelt op zijn gitaar. Zouden we elkaar begrijpen? Laat staan dat ik iemand tegen kom die lichamelijk-kinesthetische taal gebruikt. De inhoud van een brief vertalen in een pianostuk of een dans, lijkt mij erg lastig. Dit allemaal ‘taal’ noemen lijkt mij niet de oplossing voor een laaggeletterde die een brief van de gemeente niet begrijpt.

Verwart Roothart hier niet ‘taal’ en ‘communicatie’? Communiceren kun je op veel manieren, met woorden, handen, voeten, muziek, dans enzovoorts. Door dit allemaal ‘taal’ te noemen verbetert de ‘communicatie’ tussen mensen echter niet, om die twee woorden nog maar eens te gebruiken. En dan terugkomend op de reden waarom Roothart haar artikel schreef, de positie van: “etnische minderheden en studenten die afkomstig zijn van minder goede scholen,” verbetert niet als er niet meer wordt gecorrigeerd op: “verkeerd spellen, grammaticale fouten maken of interpunctie verkeerd gebruiken,” zoals de Hull University wil. Net zoals de positie van zwakke rekenaars niet verbetert als de opleiding tot boekhouder niet meer controleert op rekenfouten. Dat leidt alleen maar tot boekhoudschandalen en opleidingen die tot middelmaat en zelfs lager opleiden. Wat die studenten en laaggeletterden echt helpt, is investeren in hun taalbeheersing. Als dit is wat de HKU onderwijst bij de master Crossover Creativity dan hou ik mijn hart vast, dan leert men daar creatief crossover de plank mis te slaan.

En ter afsluiting beste mevrouw Roothart, om op de laatste zin in uw artikel terug te komen: om ‘echt gelijkwaardig’ te zijn hoef ik uw taal niet te spreken en hoef ik u zelfs niet te begrijpen.