De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
In de Volkskrant las ik een recensie van het boek De opkomst van de meritocratie van Michael Young. Ietwat vreemd omdat Young het boek in 1958 schreef. Het boek was bedoeld als, zo lees ik in de aanhef: “een bijtende satire op de verdienstenmaatschappij.” Deze late recensie is te danken aan de Nederlandse vertaling ervan die pas is verschenen. De volgende passage uit de recensie trok mijn aandacht: “Young heeft in zijn essay ook oog voor de rechtvaardige kanten van de meritocratie, waarvan de simpele formule volgens hem ‘IQ + inspanning = verdienste‘ luidt.” Het waarom van die aandacht volgt zo. Eerst even iets over Youngs boek.
Finale van het Wereldkampioenschap 1974: West-Duitsland-Nederland. Johan Cruyff wordt in de eerste minuut in het strafschopgebied gevloerd door Uli Hoeness. Johan Neeskens benut vervolgens de strafschop. Bron: Nationaal Archief
De vertaling is vast een gevolg van de aandacht die ‘meritocratie’ en de uitwerking ervan in de samenleving tegenwoordig krijgt. Young blijkt voorspellende gaven te hebben gehad: In zijn boek laat hij in 2033 in het Verenigd Koninklijk een woedende opstand uitbreken van de ‘populists’, een groep van ‘onverdienstelijken’ die de verliezers zijn in de verdienstenmaatschappij: winkelbedienden, huishoudelijk personeel, chauffeurs, huisvrouwen en ook de werkloze, overbodig geworden arbeiders. De fictieve ik-figuur vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen en analyseert de ontwikkeling van de samenleving in de anderhalve eeuw ervoor.” In mijn prikkers schrijf ik vaker over boeken. Boeken die ik heb gelezen. Dat is met dit boek niet het geval. Het boek staat nu op de ‘nog te lezen’ lijst. In deze prikker gaat het mij om het rechtvaardige van “IQ + inspanning = verdienste.” Is je verdienste een gevolg van je IQ en je inspanningen?
Zoals wel vaker, eerst naar de betekenis van verdienste en dus naar de Van Dale. Die geeft drie betekenissen. Als eerste: “loon voor verricht werk,” als tweede: “winst” en als laatste “verdienstelijkheid: een man van verdienste die veel goeds heeft gedaan.” Wat zien we als we met deze betekenissen naar de formule van Young kijken?
Als je loon de som is van je intellectuele capaciteit en je inspanning dan zou dat betekenen dat een straatveger met een IQ van 140 bij gelijke inspanning en dus even snel en grondig vegend, meer zou moeten verdienen dan een straatveger met een IQ van 70. Is dat rechtvaardig? Is het rechtvaardig om gelijk werk anders te belonen puur vanwege de intellectuele vermogens van de ene persoon terwijl die voor het werk niet van belang zijn? Wat als die intellectuele vermogens er wel toe doen, leidt dat dan automatisch tot hogere verdiensten bij een gelijke inspanning?
Laten we een ander voorbeeld nemen: Messi. Youngs formule toegepast op Messi luidt dan: ‘Talent + Inspanning = Verdienste’. De doelpunten van Messi die we zo bewonderen, zijn die alleen de verdienste van Messi? Hoe zou een elftal met alleen maar Messi’s het doen? Messi kan niet zonder tien anderen die voorkomen dat de tegenstander een doelpunt maakt, de bal veroveren en op het juiste moment bij hem inleveren. Dat heeft hij nu in zijn tijd bij PSG wel ervaren. Is het talent dat hij heeft de verdienste van hemzelf? Niet echt. Dat heeft hij via zijn genen van zijn ouders gekregen. Ouders die vervolgens ook nog in de omstandigheid waren om hem de omgeving te bieden waarin hij dat talent kon ontwikkelen. Is het een verdienste van Messi dat hij in een tijd leeft waarin je juist met zijn talent zoveel kunt verdienen? Was hij tweehonderd of honderd jaar eerder geboren, dan was zijn talent waardeloos. Als we dit in ogenschouw nemen, zou een rechtvaardige formule dan niet zijn: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ (Talent)’? Waarbij bij ‘Omstandigheden’ staat voor de waardering van het talent op dat moment. Zou de formule bij toepassing op de waardering van een individu bij teamprestaties, zoals in het voetbal, niet nog uitgebreid moeten worden tot: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ(Talent) – Verdienste van je teamgenoten’?
Dan de stap van ‘loon’ naar ‘verdienstelijkheid, weldoen’, weer met voetbal en Messi als voorbeeld. Dat iets, voetbal in dit geval, nu zo belangrijk wordt gevonden, is dat een verdienste van Messi? Of is dat een verdienste van al die mensen die het spelletje volgen en ernaar gaan kijken? Het bijzondere is dat die mensen niet worden beloond voor hun interesse. Die moeten steeds meer betalen aan abonnementen bij steeds meer verschillende zendgemachtigden maar ook door (zoals in de Nederlandse competitie) wedstrijden op ontijdige dagen en tijdstippen vanwege een tv uitzending, een wedstrijd of tien in januari en februari waarbij je verkleumt op de tribune, dit om plaats te maken voor de Champions League en de almaar met deelnemers uitbreidende E- en WK’s. Geldt voor muziek, film en wellicht ook nog andere zaken, niet hetzelfde?
Als laatste de vraag of wat we belangrijk vinden en goed belonen ook ‘goed’ is? ‘Doe je wel’ als je voetbalt? Is veel mensen plezier doen, want dat doet voetbal, weldoen? Of beter gezegd, is ‘veel mensen plezier doen’ gelijk aan weldoen? Is het belangrijker dan bijvoorbeeld vuilnis ophalen of het werk van een huisarts? Vuilnis ophalen geeft mij geen plezier maar als het niet wordt opgehaald geeft het wel verdomd veel ergernis. Rechtvaardig lijkt me iets ingewikkelder dan Youngs IQ + inspanning = verdienste.
Bij De Correspondent een artikel van Johannes Visser met als titel Hoe hogeropgeleiden discrimineren. Alleen voor die vorm van discriminatie is maar weinig aandacht, zo betoogt Visser. Voor die vorm van discriminatie munt hij de term diplomisme. Ik moest aan een ander woord denken: demagogie, “de kunst om de mensen te (mis)leiden, m.n. door retorische middelen,” aldus de Van Dale.
In het kort het betoog van Visser: “Leidt kennis tot beschaving? Ook hogeropgeleiden oordelen hard over anderen. Met één verschil: voor hun favoriete vorm van discriminatie is maar weinig aandacht.” Zo opent het artikel. Daarna wat voorbeelden: “Een Utrechts café weigert mbo-studenten. Universitair studenten en hbo’ers mogen naar binnen met een pasje Promovendum biedt verzekeringen voor hogeropgeleiden. Wie op het mbo heeft gestudeerd, betaalt meer. Want, zo redeneert Promovendum, mbo’ers rijden hun auto vaker in de prak. E-Matching biedt dating voor hbo-studenten en academici die niet langer in hun eentje hoogopgeleid willen zijn. En een socioloog stuitte in haar onderzoek op zwangerschapsgymnastiek voor hogeropgeleiden. (Je hoort het zo’n toekomstige moeder zeggen: ‘Mijn foetus is hoogbegaafd.’).” Hij gaat verder:“hogeropgeleiden zijn net mensen. Ze vormen een groep, om vervolgens neer te kijken op degenen die niet bij de groep horen.” Zo schrijft Visser. En waar ze op neer kijken: “In dit geval dus: de niet-zo-hoogopgeleiden. Elites, schrijft filosoof Michael J. Sandel in De tirannie van verdienste, zijn zo enorm veel waarde gaan hechten aan hun universitaire diploma dat het ze moeite kost om te begrijpen hoe hoogmoedig dat ze maakt, en hoe streng het oordeel is dat hun denken velt over iedereen die niet heeft gestudeerd.” Iets verderop haalt Visser een onderzoek aan onder middelbare scholieren. Hen werd een serie foto’s voorgelegd van mensen die ze moesten ordenen en wat bleek: “Van de vwo-leerlingen maakte ruim driekwart een indeling volgens een hiërarchie. Ze plaatsten mensen met veel status bovenaan en met weinig status onderaan. Bijna de helft van de vmbo-leerlingen maakte géén indeling op basis van hiërarchie, terwijl ze wel degelijk wisten dat zo’n maatschappelijke ladder bestond.” In een gesprek hierover met beide groepen bleek dat: “vwo’ers geregeld neerbuigend over mensen die niet naar het vwo waren geweest,” uitlieten. Niet allemaal wordt er meteen bij gezegd. Ook bepalen hogeropgeleiden voor een flink deel hun stemgedrag op een andere manier: “mensen die naar het hbo of de universiteit zijn geweest een sterke voorkeur voor politici met een soortgelijke opleiding.” De eerste reflex van velen zal zijn: schandalig die discriminerende hogeropgeleiden.
Ik dacht iets anders. Ik vroeg me af wat de voorbeelden van de verzekeraar, de ‘koppelsite’ en de ‘zwangerschapsgym zeggen over hogeropgeleiden? Ze zeggen iets over bedrijven die ergens een slaatje uit denken te kunnen slaan. Ze zeggen niets over hogeropgeleiden in het algemeen en zelfs niet over de hogeropgeleiden die er gebruik van maken. Ook het ‘deurbeleid’ van die kroeg zegt niets over hogeropgeleiden. Het onderzoek met de foto’s zegt iets over hoe mensen de wereld ordenen. Zelfs de VWO’ers die in vervolggesprekken denigrerend spreken over anderen, zeggen niets over hogeropgeleiden. Dat zij andere politici kiezen of beter gezegd politici op een andere manier, wil ook niet zeggen dat ze discrimineren. Het zegt alleen dat velen van hen op een andere manier politici kiezen. Echt bijzonder is het aanhalen van Sandel. Sandel spreekt inderdaad over een elite, alleen betwijfel ik ten zeerste of de elite waar hij het over heeft, iedereen omvat met een VWO-diploma zoals Visser lijkt te suggereren.
Demagogie. Wikipedia geeft vier vormen van demagogie: “Getalsdemagogie – het vergelijken van niet vergelijkbare grootheden. Valse autoriteit – zich baseren op de autoriteit van iemand die in het bediscussieerde onderwerp geen expert is. “Voor of tegen” – aannemen dat er slechts twee mogelijke meningen zijn over een bepaald onderwerp. Niet gerelateerde feiten – feiten te berde brengen die klinken alsof ze de mening van de spreker ondersteunen.” De voorbeelden van Visser en zijn gebruik van Sandel lijken van de laatste soort. Om op basis van de voorbeelden hierboven te concluderen dat hogeropgeleiden zich schuldig maken aan diplomisme en dat: “al die hogeropgeleiden helemaal niet zo moreel verlicht zijn,” gaat wel heel erg ver en grenst aan demagogie.
Er is nog iets wat mij aan demagogie doet denken. Dat is het gebruik van het woord discriminatie. Discriminatie is: “ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde, m.n. aangeboren kenmerken zoals ras, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid.” Visser lijkt te suggereren dat alle onderscheid discriminatie is. Mag iemand zijn partner zoeken onder alleen hoogopgeleiden. Mag een kroeg deurbeleid voeren? Interessante vragen die mij aan het essay Overpeinzingen bij Little Rock van Hannah Arendt doen denken.
Even voor degenen die het niet weten. In 1957 moest een middelbare school in Little Rock, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Arkansas, negen zwarte leerlingen toelaten. Dit omdat de Hoge Raad had geoordeeld dat de school deze negen leerlingen niet mocht weigeren. Een uitspraak van de hoogste rechter, en dat is de Hoge Raad in de Verenigde Staten, moet gestand worden gedaan. Dat was echter tegen het zere been van gouverneur Faubus van de staat, die stuurde de Nationale Garde om dit te verhinderen. Daarop kon president Eisenhower niets anders dan ingrijpen. Hij stuurde de 101e luchtlandingsdivisie en gaf hen de opdracht de negen kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat ze de school konden bezoeken. Dit gebeuren was voor Arendt de aanleiding tot haar overpeinzingen.
Dan naar de overpeinzingen. Arendt onderscheidt drie werelden of sferen: de privé sfeer, de sociale sfeer en de politieke sfeer. Binnen die drie werelden bekijkt ze de rol van gelijkheid. Over de privé sfeer zegt ze het volgende: “… -het gebied van het privé leven – wordt noch door gelijkheid noch onderscheid maken beheerst, maar door exclusiviteit. Hier kiezen we de mensen met wie we ons leven willen doorbrengen, namelijk persoonlijke vrienden en mensen van wie we houden; en onze keuze wordt niet bepaald door overeenkomst of kwaliteit die door een groep mensen worden gedeeld – ze wordt zelfs niet bepaald door welke objectieve maatstaven en regels dan ook – maar richt zich, onverklaarbaar en onfeilbaar, op één persoon in zijn of haar uniciteit, zijn anders zijn dan alle andere mensen die we kennen.[1]” Als ik Arendt goed begrijp dan kan er in de privé sfeer geen sprake zijn van discriminatie.
Dan het andere uiterste, de politieke sfeer. In de politieke sfeer is, zo betoogt Arendt, gelijkheid absoluut. Het is “haar innerlijke principe.” In het politieke domein: “daar zijn we allemaal gelijk.” Die gelijkheid wordt: “in de eerste plaats geconcretiseerd in het stemrecht; volgens dat recht staan het oordeel en de mening van de hoogst geplaatste burger op één lijn met het oordeel van de persoon die nauwelijks kan lezen en schrijven.” Integraal onderdeel van die gelijkheid is: “Passief kiesrecht of het recht voor een ambt te worden gekozen.[2]” In deze sfeer geldt artikel 1 van de Grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”
Als laatste de sociale sfeer, de samenleving. Dit is het domein dat we instappen als we ons huis verlaten. De samenleving: “is dat merkwaardige, wat hybridische gebied tussen het politieke en het persoonlijke waarin sinds het begin van de moderne tijd de meeste mensen het grootste deel van hun leven hebben doorgebracht.” En wat gelijkheid is voor de politieke sfeer, is discriminatie voor de samenleving, zo betoogt Arendt. Discriminatie niet in haar betekenis van achterstellen, maar in haar betekenis van onderscheid maken. Naar die sfeer worden we gedreven: “door (de) noodzaak in ons onderhoud te voorzien, ertoe aangetrokken door het verlangen onze talenten te ontplooien of ertoe aangelokt door het genoegen van gezelschap.” Daarbij kiezen we ons gezelschap, daarbij worden we, zoals Arendt het schrijft: “onderworpen aan het aloude adagium ‘soort zoekt soort’, dat het gehele domein van de samenleving in zijn oneindige variëteit van groeperingen en sociale verbanden beheerst.[3]” Je gaat op voetbal en wel bij die club omdat de mensen daar het beste bij je passen. Je gaat naar een concert van band x omdat die muziek bij je past. De spiegel daarvan is dat een vereniging je mag weigeren. Zo zal je bij de naaktzwemclub worden geweigerd als je per se een boerkini aan wilt. Net zoals je wordt geweigerd als je in je nakie bij de boerkini zwemclub wilt. Zo mag, zoals enkele jaren geleden in Noord-Ierland, een bakker weigeren een taart met daarop de slogan ‘steun het homohuwelijk’ te bakken voor een huwelijk van twee mannen. Net zoals de bakker ook geen taart hoeft te bakken voor iemand die ‘eigen volk eerst’ erop wil. Dit weigeren gaat volgens Arendt niet op voor: “diensten die, of ze nu particulier of publiek eigendom zijn, in feite openbaar zijn, diensten die iedereen nodig heeft om zijn zaken te behartigen en zijn leven te leiden. Al behoren deze diensten niet strikt tot het politieke domein, ze bevinden zich wél in het publieke domein waar alle mensen gelijk zijn.[4]” Daar waar de bakker mag weigeren een taart met spreuk te bakken, mag het busbedrijf niet weigeren iemand te vervoeren.
Als we Arendts betoog in het achterhoofd houden, rekt Visser discriminatie dan niet erg ver op? Ver door onderscheid dat mensen in de privésfeer maken zoals met wie je date en op wie je stemt eronder te laten vallen? Ja, de stemkeuze heeft gevolgen voor de politieke sfeer, maar dat maakt niet dat de stemkeuze tot de politieke sfeer behoort. Ver door onderscheid dat mensen in de sociale sfeer maken, de zwangerschapsgym- en verzekeringskeuze tot ongeoorloofd te bestempelen. Ver door onderscheid dat van ondernemers die niet tot het publieke domein behoren, die kroeg en verzekeraar, ongeoorloofd te noemen. Je kunt, de keuze van die kroeg en verzekeraar, naar mijn idee terecht, niet fraai vinden, je kunt de keuze verzekeraar al is het alleen maar een reclame-uiting, naar mijn idee ook terecht, schadelijk vinden, het is geen discriminatie in de zin van ongeoorloofd onderscheid maken.
Bedrijft Visser geen demagogie door, om het cru te formuleren, alle onderscheid tot discriminatie te bestempelen?
[1] Hannah Arendt, Verantwoordelijkheid en Oordeel, pagina 234
‘Boerenverstand’ en dan nog het liefst met het woord ‘gezond’ ervoor. Die woorden hebben we de afgelopen weken vaak gehoord. Bij de Correspondent een column van Tessa Sparreboom over ‘boerenverstand’. Sparreboom plaatst het tegenover ‘vernuft’: “Nodeloos ingewikkeld doen versus één-en-één-is-twee-denken. In die tegenstelling is vernuft bijna valsig, met alle gedachtekronkels en omwegen die erbij horen, en heeft de rechtlijnigheid van het boerenverstand juist iets eerlijks.” Hieraan moest ik denken bij het lezen van het interview in de Volkskrant van twee pagina’s met de sinds deze week beroemdste boerenzoon Jouke Hospes en zijn familie.
“De broers hebben hun toekomst altijd al gezien op de boerderij waar ze wonen. Maar nu de stikstofplannen naar buiten zijn gebracht, en blijkt dat hun boerderij met meer dan de helft moet inkrimpen, voelt het alsof hun leven van hen af wordt genomen.” Zo lees ik in het artikel. “‘We wilden onze stem laten horen’, zegt Sytse. Vader Jan: ‘Als je dat nu niet doet, ben je te laat. Want over twee jaar houdt het op deze manier voor ons gewoon op.’” Als je mij als kind tot een jaar of twaalf, dertien vroeg wat ik wilde worden, dan kreeg je boer als antwoord. Ik ben het niet geworden omdat ik in begon te zien dat het overnemen van het bedrijf van mijn vader erg lastig zou gaan worden. Mijn vader kon overleven omdat hij niet meeging in de met geleend geld gefinancierde schaalvergroting van de jaren zeventig. Hij deed het tegenovergestelde. Hij betaalde de lening af en kon met zijn kleine bedrijf zijn gezin goed onderhouden omdat hij zijn kosten laag hield. Het op dezelfde voet voortzetten van het bedrijf was voor mij onmogelijk omdat ik het eerst zou moeten kopen en dat kon alleen maar door een lening af te sluiten. Ook mijn tweede carrière voorkeur werd het niet. Het ontbrak me aan voldoende talent om het werkelijk tot profvoetballer te schoppen.
Nu waren er begin de jaren zeventig ook boerenprotesten. Ook toen zagen boeren en boerenzoons hun ‘manier van leven’ ophouden. Toen door de schaalvergroting. De overgrote meerderheid van die boeren en boerenzoons hebben daarna een andere bezigheid gevonden. Net zoals ik een andere bezigheid heb gevonden toen eerst het boeren en later het voetbal om verschillende redenen niet voor me waren weggelegd.
Maar terug naar dat ‘boerenverstand’ waarmee ik begon. “‘Ik ben ook niet boos op de politie’, zegt hij. ‘Maar wel op die man die schoot. Die mankeert wat.’ Jan: ‘We hebben in Friesland met de demonstraties heel goede contacten met de politie gehad. Veel agenten balen hier ook heel erg van.’ Tjitske: ‘Maar tegen deze agent gaan we wel aangifte doen, die moet niet meer in het veld.’” Zo lees ik in het interview dat begeleid gaat met een foto met erop de lachende leden van het gezin aan de, ik neem aan, keukentafel. Nu is het niet aan de familie Hospes om te bepalen of een agent wel of niet meer het veld in moet. En of die agent wat mankeert of dat het verhaal toch iets anders ligt dan de zestienjarige Jouke het verteld, weet ik niet.
Wat ik me met mijn verstand van een boerenzoon wel afvraag, is of er bij de ouders van de jongen niet iets mankeert aan het boerenverstand? Trouwens niet alleen de ouders, ook de journalisten Maud Effting en Willem Feenstra die het interview afnemen. In het interview mis ik een cruciale vraag: welke ouder staat het zijn minderjarige kind van zestien toe om met een tractor met aanhanger naar een demonstratie te gaan? Een kind waaraan een kroegbaas nog geen pilsje mag serveren maar van de ouders wel met de tractor mag gaan demonstreren? En niet in dit interview, ook door al die ‘pratende hoofden’ in de talkshows die hier deze week uitgebreid aandacht aan schonken, werd die vraag niet gesteld. Mankeert er iets aan mijn boerenzonenverstand omdat ik de enige lijk die zich dit afvraagt of is die vraag en dus mijn manier van denken ‘nodeloos ingewikkeld’?
‘Besteed daar toch geen aandacht aan’, dat zal mijn partner zeggen als ze de aanleiding voor deze Prikker leest. Zoals altijd antwoord ik haar dan met de woorden dat ik mezelf de opdracht heb gegeven om ‘kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen’ en dat hier sprake is van meer dan dat.
Bij De Dagelijkse Standaard kwam ik een bericht tegen met als kop erboven: Pepijn van Houwelingen: de ware aard van de Tweede Kamer is totalitair en enorm griezelig. Stevige woorden die mijn aandacht trokken. “De Kamer heeft altijd grote woorden over het belang van burgerrechten, democratie, diversiteit, de integriteit van het menselijk lichaam. Maar hoe stemmen ze nou als puntje bij paaltje komt?” Zo lees ik in het artikel en hoor ik Kamerlid Van Houwelingen zeggen als je op het erin opgenomen twitterberichtje klikt. Gelukkig, zo zouden we moeten constateren, is daar de ‘ridder op het witte paard’ de ‘prins die sneeuwwitje wakker kust’ in de vorm van het Forum voor Democratie. Die dwingt de ander partijen en dus de Kamer om via stemming hun ware gezicht te laten zien. En dat gezicht is, als we Van Houwelingen mogen geloven, een ‘inhumaan en totalitair gelaat’. Dat is nogal een beschuldiging.
Van Houwelingen: “Als het bijvoorbeeld gaat over dezelfde rechten voor gevaccineerden en ongevaccineerden, dan stemt de Kamer daar tegen. Dat willen ze niet garanderen” Dat is nogal een bewering. Je vaccinatiestatus mag, daar komt Van Houwelingens betoog in de basis op neer, niet gebruikt mogen worden om je de toegang tot een kroeg of voetbalstadion te weigeren. Want als je dat doet, dan is er sprake van discriminatie. Bij die redenering plaatste ik eind vorig jaar de nodige kritische kanttekeningen door onder andere te constateren dat er niet zoiets bestaat als ‘het recht op de kroeg.’ Dat ga ik hier niet nog een keer overdoen.
Op de achtergrond een foto van de uitslag van de stemming en inderdaad stemde een meerderheid tegen de motie. Als je goed kijkt, dan zie je dat er boven die uitslag net iets anders staat dan Van Houwelingen beweert en dan in de motie is opgenomen. De motie: “verzoekt de regering om de rechten van ongevaccineerden te allen tijde te garanderen, opdat zij niet gediscrimineerd worden.” Dat is net iets anders dan van Houwelingen beweert. De Kamer stemt niet tegen gelijke rechten voor de beide groepen, maar tegen het te allen tijde garanderen van de rechten van één groep.
Er is meer. Want wat niet in beeld staat, maar wat een integraal onderdeel is van de motie, is de overweging die eraan vooraf gaat, die luidt bij deze motie: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat het kabinetsbeleid het afgelopen jaar voor discriminatie van ongevaccineerden heeft gezorgd.” Voor Van Houwelingen een ‘altijd-prijs-motie’. Hadden de tegenstemmers ermee ingestemd dan had Van Houwelingen daar de trom over geroerd. Dan hadden de partijen die met veel kritische kanttekeningen met het coronabeleid hebben ingestemd, het verwijt gekregen dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan discriminatie.
Dan een tweede motie. Ook daar stemde de Kamer met eenzelfde verdeling tegen. Nu is die motie zodanig geformuleerd dat je haar op verschillende manieren kunt uitleggen. Lees mee: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, spreekt uit dat ongevaccineerden vanwege hun vaccinatiestatus nooit beboet of opgesloten mogen worden, en gaat over tot de orde van de dag.” Wat staat hier? Staat hier dat de vaccinatiestatus nooit een reden mag zijn voor een boete of gevangenschap? Of staat hier dat ongevaccineerden nooit een boete mogen krijgen of gevangen mogen worden gezet? Vaccinatiestatus is geen reden om iemand te straffen, het is echter ook geen reden om iemand te vrijwaren van straf.
Maar laten we van het eerste uitgaan. Dat lijkt een redelijke eis. De vraag is echter of er geen omstandigheden kunnen zijn waarbij een boete of straf nodig is. Het aannemen van deze motie maakt dat onmogelijk. Het niet aannemen van deze motie houdt deze mogelijkheid open. Maar het openhouden van deze mogelijkheid betekent niet dat je vaccinatiestatus nu een reden is voor een boete. Voordat het zover is, als die specifieke omstandigheid zich ooit voordoet, stroomt er nog het nodige water door de Maas en zal de Kamer dan een afweging moeten maken of een boete of gevangenschap passend is. De motie betekent niet dat de rechten van ongevaccineerden daarmee niet veilig zijn. Ze zijn net zo veilig als de rechten van gevaccineerden. Het aannemen van die motie zou juist ongelijke behandeling mogelijk maken. De motie laat namelijk het beboeten en gevangenzetten van gevaccineerden open.
Dan een derde motie die Van Houwelingen in zijn korte filmpje aanhaalt. Een motie waarin de regering wordt verzocht: “om bij het samenstellen van het OMT rekening te houden met meerdere perspectieven en ervoor te zorgen dat «tegendenkers» ook vertegenwoordigd zijn.” Dit omdat, zo is in de overweging te lezen: “uiteenlopende meningen belangrijk zijn om tot een weloverwogen besluit te komen.” Ook deze motie werd met eenzelfde stemverdeling verworpen. Nu gaan mijn haren recht overeind staan als ik lees dat ‘uiteenlopende meningen’ belangrijk zijn om tot een weloverwogen besluit te komen. Een besluit moet worden genomen op basis van argumenten en kanttekeningen bij de verschillende keuzemogelijkheden. Argumenten en kanttekeningen die zo goed als kan worden onderbouwd met feiten en de wetenschappelijke inzichten. Niet op meningen. Dit even terzijde.
Het bijzondere aan deze motie is dat er wordt uitgegaan van een niet onderbouwde vooronderstelling. De vooronderstelling dat er geen ‘tegendenkers’ in het OMT zitten. Het aannemen van deze motie zou de leden van het OMT diskwalificeren tot ‘eenheidsdenkers’. Tot weinig kritische personen die allemaal precies hetzelfde over zaken denken. Tot personen die slechts vanuit één perspectief denken. Dat het OMT uiteindelijk met een advies komt, wil niet zeggen dat alle leden van de club de zaak hetzelfde zien, dat er geen andere perspectieven zijn binnen het OMT, dat er niet ‘tegen wordt gedacht’. Bovendien lijkt het me lastig omdat je van tevoren niet weet wie voor- en wie tegendenkt. Je weet immers niet wat je voor je kiezen gaat krijgen en hoe de anderen erover denken.
Als laatste een motie waarin de regering wordt verzocht om: “om de ic-capaciteit te verdubbelen om een lockdown te voorkomen.” Dit: “overwegende dat de ic-capaciteit het grootste pijnpunt is gebleken de afgelopen twee jaar.” Dit verzoek kon op nog minder steun rekenen dan de vorige drie moties terwijl het zo redelijk lijkt. Bijzonder dat een partij die COVID 19 maar een ‘gewoon griepje’ vindt, pleit voor het verdubbelen van de ic-capaciteit. Zou dat griepje dan toch niet zo ‘gewoon’ zijn? Dit, net zoals de vraag hoe Van Houwelingen de relatie tussen burgererechten en een verdubbeling van de ic-capaciteit ziet, even terzijde.
Terug naar die verdubbeling van de ic. Als de afgelopen twee jaar iets hebben geleerd dan is het dat er grote schaarste is aan voldoende verplegend personeel. De intensive care is het einde van de zorgketen. In geval van COVID 19 kom je er pas terecht als het heel erg met je is gesteld. Dat betekent dat je eerst de rest van de keten door moet voordat je er terecht komt. Nu kan ook een verdubbelde ic zo vol raken dat er andere maatregelen genomen moeten worden. Dus ook met deze maatregel is een lockdown niet uitgesloten. Het overgrote deel van alle mensen die op die verdubbelde ic komen, komen eerst terecht op de reguliere verpleegafdeling. Als er twee keer zoveel mensen met COVID 19 op de ic liggen, dan liggen er ook twee keer zoveel mensen op de reguliere verpleegafdelingen. Dan zijn er ook twee keer zoveel mensen die met de ziekte kampen. Dan zijn er twee keer zoveel onderwijzers, leraren, politieagenten enzovoorts ziek. Maar ook minstens twee keer zoveel zieke zorgmedewerkers. Wellicht kan die verdubbelde ic het dan aan, de rest van de zorgketen in ieder geval niet.
Twee keer zo veel zieken betekent dat er ook meer mensen zullen sterven. Meer mensen die blijvende gezondheidsschade oplopen. Hoe humaan is dit? Mensen die rechten hebben en een van die rechten is dat zij van de overheid mogen verwachten dat die maatregelen treft ter bevordering van de volksgezondheid (artikel 22 van de Grondwet). Het bevorderen van de volksgezondheid betekent onder andere het bestrijden van besmettelijke infectieziekten. Bescherming tegen ziek worden, dus liefst het voorkomen dat ze besmet raken. Daar helpen ic’s niet bij. Daar helpen vaccinaties, afstand houden en soms een lockdown bij.
Een ‘inhumaan en totalitair gelaat’ van de Kamer of halve waarheden en hele leugens?
19 september 1874. Een bijzondere dag in de geschiedenis van Nederland. Slavernij was tien jaar eerder afgeschaft en ook de periode dat de voormalige slaven nog verplicht moeten uitwerken bij hun voormalige slavenhouder was al voorbij. Op die dag werd de eerste wet tegen kinderarbeid aangenomen. De wet is bekend geworden als het Kinderwetje van Van Houten. Samuel van Houten was de liberale politicus achter deze wet. De wet was gericht tegen ‘overmatigen arbeid en verwaarlozing van kinderen’. Vanaf dat moment was het in fabrieken en werkplaatsen te werk stellen van kinderen tot twaalf jaar verboden. Van Houten wilde een algeheel verbod op arbeid door kinderen tot twaalf jaar maar de Kamer zwakte zijn voorstel af waardoor arbeid op het land door kinderen tot twaalf jaar geoorloofd bleef. Omdat mankracht voor toezicht op de nieuwe wet vooraleerst nog ontbrak, duurde het nog enige tijd voordat arbeid in fabrieken en werkplaatsen door kinderen tot twaalf jaar werkelijk tot het verleden behoorden. Ik moest aan Van Houtens wetje denken bij het lezen van een interview met Humphry Lamur op de site OneWorld.
Een groepje arm geklede kinderen juicht Van Houten toe vanwege ‘Het kinderwetje van Van Houten’ . Hij drukt een vrouw met een baby op de arm de hand. Plaat verschenen bij het weekblad De Nederlandsche Spectator, nr. 27, 1874. Bron: Rijksmuseum
Lamur is emeritus-hoogleraar culturele antropologie. Hij: “was in de jaren 70 een van de eerste Nederlandse academici die onderzoek deed naar het Nederlandse slavernijverleden in Suriname, “ zo is in het artikel te lezen. Lamur heeft een negentigtal publicaties op zijn naam staan, voor een groot deel gewijd aan levens van slaven in Suriname en de wreedheden op plantages, zo lees ik. “Ik heb het idee dat de gemiddelde Nederlander, ook Afro-Surinamers, de gruwelijke details van de slavernij niet kent,” zo betoogt Lamur en daar kon hij wel eens gelijk in hebben. Kennis van het verleden is dun gezaaid in dit land. Lamur zelf geeft daarvan een mooi voorbeeld als hij verhaalt over zijn overgrootmoeder Eliza Lamur. “Jullie spelen alleen maar. Ik moest als kind werken, ik was een werkslavin,” zo sprak zij haar spelende achterkleinkinderen toe. Lamurs overgrootmoeder was zeven toen de slavernij in 1863 werd afgeschaft zo ontdekte hij toen hij als student in de Amsterdamse archieven op onderzoek uitging. Eliza Lamur bleek als ‘werkcreool’ te boek te staan. “Hoe kon zij als vijf- of zesjarige al slaaf zijn? … Ik kon het me daarvoor niet voorstellen, dat de Nederlanders zo wreed waren om zulke kleine kinderen uit te buiten.”
Zo wreed waren die Nederlanders dus wel. En niet alleen voor slaven onder de twaalf jaar. Het zou bijzonder zijn als slavenkinderen tot twaalf vrijgesteld zouden zijn van arbeid. Dat veranderde dus pas in 1874. Tenminste voor wat betreft het werken in een fabriek of werkplaats, in de landbouw werkten de kinderen daarna nog gewoon door. Daar kwam pas in 1901 een einde aan met de invoering van de leerplicht. Nou ja alleen een einde voor de tijd dat ze op school zaten. Na schooltijd konden ze nog steeds aan het werk en de schoolvakanties waren zo gepland dat de kinderen in de drukke zomerperiode gewoon beschikbaar waren voor de arbeid op het land. Lamurs verbazing in zijn jonge jaren laat zien dat niet alleen de ellende van slaven maar ook de ellende van de overgrote meerderheid van de bevolking van Nederland onbekend is. Zo wreed waren ze voor alle kinderen onder twaalf totdat Van Houtens wetje daar een einde aan maakte. Trouwens niet alleen de Nederlanders. Over de hele wereld was het gewoon dat kinderen werkten zodra ze daar fysiek toe in staat waren want ja, wat moesten ze anders doen?
Zo wreed was het verleden. Als je er echter met de ogen van een zestiende- of zeventiende-eeuwer naar kijkt dan zal die heel goed begrijpen dat kinderen moesten werken. Het was immers van alle tijden dat kinderen mee gingen helpen op de keuterboerderij zodra ze iets konden. Pas in de negentiende eeuw werd dat onderwerp van discussie en dan vooral als gevolg van de opkomende industrie. Vooral de erbarmelijke arbeidsomstandigheden en de lange arbeidstijden in de fabrieken maakte kinderarbeid wreed. En dat wakkerde verzet ertegen aan. In Het Kapitaal van Karl Marx zijn veel beschrijvingen van de schrijnende arbeidsomstandigheden van arbeiders in het algemeen en kinderen in het bijzonder te lezen. Marx beschreef vooral de Engelse situatie en laat daarbij zien hoe wetten ter bescherming van kinderen werden omzeild. De situatie in Nederland was niet anders, zo laat het geschrift Kinderarbeid uit 1863 van de schrijver en kunstenaar Jacobus Johannes Cremer zien. Een aanklacht tegen respectievelijk de ouders, maar die weten niet beter omdat ze zelf zo zijn opgegroeid, maar vooral tegen de fabrikanten, de politici en de koning omdat die er niets tegen doen.
Lamur vraagt terecht aandacht voor de menselijke verhalen van slaven. Die zijn: “belangrijker dan excuses of het economische verhaal. Dat er over de ruggen van mensen is verdiend, is slecht. Maar belangrijker vind ik: wat hebben de vernederingen veroorzaakt? De slavernij is voorbij, maar ik ben er nog. Wat heeft het gedaan met mij? Met de generatie van mijn vader, grootvader? Ik denk dat het mentaal doorwerkt in huidige generaties.” Bij het schrijven van dergelijke verhalen is het wel belangrijk dat die verhalen wel in hun tijd worden geplaatst. Die tijd was heel anders dan de huidige en vooral heel anders dan wij denken dat hij was. Dat de overgrootmoeder van Lamur moest werken, was niet bijzonder in die tijd. Daarin verschilde ze niet van de overgrote meerderheid van kinderen in Nederland. Het bijzondere was dat ze eigendom van iemand was en dat anderen dan haar ouders zeggenschap over haar hadden.
Flagellanten. Nu zal menig lezer zich afvragen Wat? Wie? Flagellanten of geselbroeders kwamen op in de tweede helft van de dertiende eeuw en deden het vooral goed in tijden van crisis. Tijdens de pestepidemieën van de veertiende eeuw nam het ‘flagellantisme’ als dat een goed woord is, een grote vlucht. Groepen flagellanten trokken van plek naar plek en voerden daar steeds hetzelfde ritueel uit. Ik moest hieraan denken bij de boerenprotesten.
Eerst het flagellantenritueel. Vaak voorafgegaan door kaarsendragers gingen ze in het wit gekleed naar de plaatselijke kerk. Daar ontdeden ze zich van hun bovenkleding en bedekten hun onderlijf met witte doeken en liepen zichzelf geselend rondjes. Ze begonnen geselliederen te zingen en zweepten zich op het ritme van de muziek af. Na zo’n eerste ronde vielen ze op hun knieën en geselden ze zich nog wat meer. Dit herhaalde zich daarna nog twee keer vaak met nog pijnlijkere voorwerpen. Het geheel werd afgesloten met de ‘geselaarspreek’ die rechtstreeks van god zou komen en voor de toehoorders was bedoeld. Daarna vertrokken ze weer naar de volgende plek en daar herhaalde het ritueel zich de volgende dag. Ze waren populair bij een flink deel van het volk omdat ze zich niets van de kerkelijke hiërarchie aantrokken en omdat men geloofde dat hun zelfkastijding god gunstig zou stemmen waardoor er een einde zou komen aan de crisis. Zo waren de flagellanten en ook grote delen van het volk ervan overtuigd dat deze manier van boetedoening de pest een halt zou toeroepen. Het tegendeel was echter het geval. Hun trektocht maakte het de pest makkelijker om zich te verspreiden.
Terug naar het heden. Wie in dit land niets heeft meegekregen van de protesten van de boeren, heeft onder de welberoemde steen gelegen of lag in coma. Je kunt geen krant openslaan, geen nieuwsitem of actualiteiten programma aanklikken of er zijn tractoren te zien. Ze staan, in een toenemende mate van minder fraaiheid en de goeden niets te na gelegd, voor provincie- en gemeentehuizen op wegen en pleinen om zo het verkeer te hinderen en zelfs voor woonhuizen van bestuurders en politici. Dit opgeschilderd met ludieke, serieuze maar ook beledigende en bedreigende teksten op spandoeken. Er zijn poppen opgehangen en mensen bedreigd waaronder ook een ondernemer die in opdracht van de politie een tractor wegsleepte. Er zijn hooibalen in brand gestoken, bomen omgezaagd, giertanks geleegd en politieauto’s vernield. Politici, meningenmensen en media geven afhankelijk van hun opvattingen de ene of de andere partij de schuld. Anderen die voor voor gekke Jetje, marionet van deze of gene, voor dictator of de duivel in eigen persoon uitgemaakt. En er wordt in (burger)oorlogstermen gesproken.
Vorig jaar werd er ook geregeld gedemonstreerd en gereld. Toen vooral tegen coronamaatregelen. Afgezien van de tractoren, zag dat er hetzelfde uit. Verwensingen en bedreigingen aan het adres van politici, bestuurders, journalisten en wetenschappers. Geweld tegen de politie en vaak ook nog tegen brandweermensen en ambulancepersoneel. En ook weer politici, meningenmensen en media die, afhankelijk van hun opvattingen, de ene of de andere partij de schuld gaven en voor gekke Jetje, voor marionet van deze of gene, voor dictator of de duivel in eigen persoon uitmaakten.
De overheid moet het hierbij steevast ontgelden en fungeert als kop-van-Jut. En wat doet die overheid? In plaats van problemen aan te pakken verzandt ze in onderzoeken naar hoe het zo is gekomen en in het zich ver-excuseren voor zaken die met de kennis van nu in het verleden fout zijn gegaan. Laat je je als bestuurder uit het verleden niet verleiden tot een mea culpa over je met de kennis van nu fouten van toen, maar probeer je gewoon uit te leggen hoe er toen met de kennis van toen werd gehandeld, dan kun je, zoals voormalig minister Annemarie Jorritsma voor de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen overkwam, op weinig bijval en zelfs ergernis rekenen. In plaats van de problemen aan te pakken verzandt ze in overleggen met en het betrekken van alles en iedereen om maar iedereen tevreden te krijgen. Polderend voor draagvlak verzandt alles in één grote brei. Al polderend worden er bakken met geld uitgegeven aan bijvoorbeeld een ‘vluchtelingenboot’ in Velsen-Noord om een halfjaar lang asielzoekers in onder te brengen. Daarna moet ‘de boot’ maar vooral het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) op zoek naar een andere ‘ankerplaats’ alwaar het hele poldercircus opnieuw begint en stort de omgeving van de nieuwe ‘ankerplaats’ de kar met stront weer uit over de burgemeester aldaar en de man van het COA die de boodschap moet komen brengen. Al polderend ontstaat er vooral weerstand en weinig draagvlak
De overheid, en daarom moest ik aan de flagellanten denken, geselt zich als een flagellant die in plaats van godsbarmhartigheid zoekt naar een blijk van goedkeuring van de burger. Het flagellantisme van de overheid nu lijkt daarbij eenzelfde effect te hebben als het Middeleeuwse in de tijden van de pest. Hoe meer zij zich geselt met mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa, hoe meer de hedendaagse ‘wantrouwenspest’ zich verspreidt.
Politici die hun standpunt baseren op peilingen of nog erger, uitspraken in de asociale media. Politici die, zoals FvD-Kamerlid Van Meijeren begrip kunnen opbrengen voor mensen die anderen bedreigen of die dat zelf doen, zoals zijn collega Van Houwelingen. Burgers die denken dat hun mening de waarheid is. Die denken dat hun belang meteen het algemeen belang is en dat hierdoor alles geoorloofd is. Burgers, zoals FDF voorman Van den Oever, die zeggen niet uit eigen belang te handelen maar die ‘voor een goede prijs te koop is.’ Media die, bang om de aansluiting met ‘het volk’ te missen, een platform geven aan zo ongeveer iedereen die ergens ontevreden over is. Zo kreeg Michel Reijinga, de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken vijf pagina’s in de Volkrant om zijn ‘verhaal’ te verkondigen en zichzelf op de borst te kloppen. En de al genoemde Van den Oever kreeg alle ruimte om de kinderen van staatsecretaris Van der Wal voor ‘pussy’ uit te maken.
Recentelijk las ik het boek Democratie op wankele bodem van Donald Loose. Een zeer interessant boek waarin de inherente spanningen in een democratische samenleving worden behandeld. Spanningen vanwege de onoplosbare zoektocht tussen vrijheid en gelijkheid. Spanningen waardoor democratie een werkwoord is. Ze is nooit af of klaar maar altijd ‘under construction’. Bij de boerenprotesten moest ik denken aan de volgende passage: “Juridische regels, rechten en plichten zijn niet voldoende om een democratie overeind te houden. Zonder morele verantwoordelijkheid bij politici en burgers is de democratie een gevaarlijk spel. Ze kan zichzelf vernietigen en bij meerderheid opheffen.” Als het ergens aan lijkt te schorten dan is het aan morele verantwoordelijkheid. Onze democratie is in last. Looses oplossing: ‘Opvoeding – Bildung bij regeerders en burgers – is vereist om burgerzin draagvlak te kunnen bezorgen in de samenleving.[1]” Maar ja, zolang burgerzin wordt vertaald in Wilhelmuskunde waar voormalig CDA-leider Buma voor pleitte en zolang ‘burgerschap’ maar een vak is en niet het doel is van het algemeen vormend onderwijs vrees ik dat er van die Bildung weinig terecht komt. En wordt de ‘wankele bodem’, om de titel van Looses boek aan te halen, onder onze democratie er niet steviger op.
[1] Donald Loose, Democratie op wankele bodem. Over de politiek en het politieke, pagina 347
Als middel in de strijd blokkeert Rusland de Oekraïense havens. Die blokkade belemmert de uitvoer van Oekraïens graan en daardoor dreigen er voedseltekorten en hongersnood vooral in delen van Afrika. Die dreigende hongersnood is natuurlijk zeer ernstig en we moeten er bijna alles aan doen om die te voorkomen. Bijna alles omdat ik niet denk dat de hongerenden gebaat zijn bij een nucleair conflict tussen Rusland en de Verenigde Staten. In het commentaar van Michael Persson in de Volkskrant las ik dat de Europese commissaris voor het buitenland Joseph Borell de blokkade van de Oekraïense havens door de Russische marine: “Een echte oorlogsmisdaad,” noemde. Een blokkade van havens een oorlogsmisdaad?
Wat is een oorlogsmisdaad? Daarvoor maar eens even de site van het Openbaar Ministerie bezocht. Op die site een pagina over Internationale misdrijven. De volgende internationale misdrijven worden genoemd. Als eerste genocide. Ook daarvan beschuldigen Oekraïne en Rusland elkaar. De beschuldiging aan het adres van Rusland wordt door westerse landen overgenomen. Van genocide is, zo is te lezen: “alleen sprake (…) als iemand bepaalde misdrijven heeft begaan met het oogmerk om een bepaalde groep uit te roeien.” Of er in deze oorlog sprake is van genocide is zeer twijfelachtig. Maar dit terzijde. De andere internationale misdrijven zijn oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering en gedwongen verdwijningen.
Borell beschuldigt Rusland van oorlogsmisdrijven. Dus laten we daar eens wat verder naar kijken. “Oorlogsmisdrijven zijn schendingen van de ‘wetten en gebruiken van oorlog’. In deze ‘wetten en gebruiken’ is vastgelegd op welke manier geweld mag worden gebruikt in een oorlog (‘gewapend conflict’). Deze regels zijn bedoeld om personen die niet meedoen aan een oorlog te beschermen.” Het inzetten van wapens die onnodig lijden veroorzaken, het vernietigen van steden en dorpen zonder militaire noodzaak, het aanvallen of bombarderen van onverdedigde objecten, het bezetten, of beschadigen van gebouwen met religieuze, wetenschappelijke of culturele functie en plundering worden omschreven als oorlogsmisdrijven. Oorlogsmisdrijven kunnen daarmee alleen maar worden gepleegd ten opzichte van personen en objecten die zich in het gebied waar de oorlog woedt, bevinden. Het lijkt mij dat het blokkeren van een haven daar niet onder valt.
Wat het verder bijzonder maakt is dat Borell de Russische blokkade van Oekraïense uitvoer een oorlogsmisdaad noemt terwijl de Europese Unie Rusland ‘blokkeert’ met allerlei sanctie. Het kan niet zo zijn dat het ene een oorlogsmisdaad is en het andere een legitiem middel. Vlak voor de Russische inval in Oekraïne schreef ik een Prikker met als titel Een westerse droomover de begrippen ‘territoriale integriteit’ en ‘zelfbeschikking’. Over deze begrippen concludeerde ik dat het: “gelegenheidsargumenten die al naar gelang het eigen inzicht en vooral het eigen belang worden gebruikt om dat inzicht en belang goed te praten.” Maakt Borell zich hier niet ook schuldig aan?
De Volkskrant publiceert geregeld cartoons van Bas van der Schot. Zo ook op 13 juni 2022. Een cartoon met als titel Het kabinet heeft een plan. De prent toont de oplossingen die het kabinet biedt voor een zestal problemen. De oplossing bestaat eruit dat anderen, de provincies (stikstofcrisis), gemeenten (asielopvang), de sectoren (corona) de woningcorporaties (woningnood), de burgers (inflatie) of een ambtelijke stuurgroep (toeslagenaffaire) het probleem moeten oplossen. Bij die prent moest ik denken aan een brief die staatssecretaris Van der Burg van Justitie en Veiligheid op 29 april aan de burgemeesters van de Nederlandse gemeenten schreef. Ik moest hieraan denken omdat ik bij een van mijn opdrachtgevers betrokken ben bij die opvang van Oekraïense oorlogsvluchtelingen.
De brief handelt over 25.000 extra opvangplekken die gerealiseerd moeten worden bovenop de al gerealiseerde 50.000. Van der Burg in de brief: “Eerder heb ik aan de Kamer geschreven dat vanaf de 50.000 opvangplekken het Rijk, in casu de Nationale Opvang Organisatie (NOO), verantwoordelijk is voor de eventuele extra noodzakelijke noodopvangplekken.” Maar nu het moet gebeuren ziet hij zich: “genoodzaakt om u (de gemeenten) bovenop het eerdere verzoek om 50.000 opvangplekken te realiseren het aanvullende verzoek te doen om 25.000 additionele noodopvangplekken te creëren.” Waarom: “Voortschrijdend inzicht maakt mij duidelijk, dat dit gelet op de continue instroom aan vluchtelingen uit Oekraïne onverstandig is en tot afbreukrisico’s leidt. In de gemeenten zijn thans zeer veel mensen bezig met het organiseren van de noodopvang. Het is onmogelijk om op rijksniveau op korte termijn een dusdanig uitvoeringsapparaat op te zetten, die dat werk voortvarend zou kunnen overnemen. Daar komt bij dat een dergelijke overdracht tot complexe afspraken gaat leiden over taken en verantwoordelijkheden, omdat de locaties altijd in gemeenten gelegen zijn.” Over dat laatste, dat alles uiteindelijk toch in een gemeente plaatsvindt. Als dat een reden is om een klus aan de gemeente te geven, dan kunnen we de Rijksoverheid wel opheffen. Alles gebeurt immers altijd ergens in een gemeente. Dit even terzijde.
Vanuit mijn eigen ervaring kan ik bevestigen dat er ‘thans bij gemeenten zeer veel mensen bezig zijn met het organiseren van de noodopvang.’ Ook bij mijn opdrachtgever, een kleine gemeente van nog geen 20.000 inwoners die het klaar heeft gespeeld om 150 opvangplekken te realiseren. Dit met inzet van mensen die hierdoor ander werk, werk ten behoeve van de inwoners van de gemeente, moeten laten liggen. Niet alles kan immers tegelijk. Voor de duidelijkheid, die opvang bestaat niet alleen uit de drie B’s: bed, bad en brood. Nee, ze omvat zorg, ondersteuning, onderwijs en nog veel meer zaken. Overal moet iets voor worden geregeld en georganiseerd. Wat voorbeelden.
Mensen opvangen in een gebouw lijkt makkelijk. Toch komt er heel wat geregel bij kijken. De mensen moeten eten, hoe organiseer je dat? Dat is makkelijk als iedereen een eigen keuken heeft maar als dat niet zo is, dan vraagt het meer. Trouwens ook met die eigen keuken is het niet zo eenvoudig. Om te kunnen koken heb je ingrediënten nodig en om die te kunnen kopen heb je geld nodig. Maar heeft iedere vluchteling geld nodig of zijn er die het zelf kunnen betalen? Hoe controleer of beoordeel je dat als je niets van de betreffende mensen weet en je niets kunt controleren? Hoeveel maatschappelijke en psychische ondersteuning is er nodig? En waar haal je die vandaan want er is een schreeuwend tekort aan sociaal- en maatschappelijk werkers?
Kinderen naar school, dat lijkt eenvoudig. De taal maakt een gewone school lastig. ‘Stuur ze naar de bestaande taalklassen voor nieuwkomers’, is de boodschap die van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap komt. Probleem opgelost. Dat ligt wat anders als je er dertig kinderen op de stoep wil zetten terwijl er voor dertig plek is en het overgrote deel van die plekken al bezet is door de groep waarvoor ze in eerste instantie zijn opgezet. Nieuwe klassen moeten worden opgezet en dat betekent nieuwe docenten en begeleiders waaraan al een tekort is. Bovendien kun je je afvragen of die klassen passend zijn voor deze kinderen. In die klassen staat het leren van de Nederlandse taal centraal omdat focus van ouders en kinderen gericht is op een toekomst in Nederland terwijl de focus van het gros van de vluchtelingen is gericht op een toekomst in Oekraïne. Bovendien liggen die klassen niet ‘om de hoek’. De kinderen moeten ernaartoe worden gebracht en gehaald. Dat betekent taxibusjes voor leerlingenvervoer laten rijden en ook daar een probleem: chauffeurs zijn ook schaars.
Deze en nog meer vragen stellen zich mensen in zo’n 340 gemeenten die Nederland kent. Allemaal verzinnen ze soortgelijke antwoorden en proberen ze een oplossing te vinden voor de puzzelstukjes. Die oplossingen moeten vervolgens worden uitgevoerd en de benodigde mensen, de locatie managers, maatschappelijk werkers enzovoorts moeten worden gezocht. Allemaal zitten ze een eigen maar toch erg vergelijkbaar ‘wiel’ uit te vinden. Allemaal zoeken ze een ‘huismeester’ want die moet er op iedere locatie zijn of er nu 25 of 500 mensen worden opgevangen. Allemaal hebben ze een ‘crisisteam’ geformuleerd om oplossingen te bedenken. Dus ja er zijn ‘thans bij gemeenten zeer veel mensen bezig zijn met het organiseren van de noodopvang’ en dat doen ze, tenminste dat is mijn ervaring, met grote geestdrift. Ik vraag me alleen af of die niet veel meer gedaan zouden krijgen als niet deel van hun tijd opging aan het uitvinden van die soortgelijke wielen?
Met zijn uitspraak dat ‘visie is als een olifant die het uitzicht belemmert’ zette de premier de uitdrukking ‘regeren is vooruitzien’ bij het grof vuil. Sindsdien is regeren in toenemende mate afschuiven.
Bij De Correspondent schreef Jesse Frederik een artikel met als titel “De pers hekelt scorebordjournalistiek maat staat te juichen als er gescoord wordt.” Fredrik in dit artikel: “We schrijven deftige analyses over incidentenpolitiek, maar ondertussen vliegen de gates je om de oren: verkennersgate, appjesgate, smsgate, Kaaggate.” Ik moest hieraan denken toen politiek verslaggever Thomas van Groningen van Op1 in de uitzending van 7 juni 2022 het bericht bracht dat een deel van de ouders uit de toeslagenaffaire nog tot 2026 moet wachten voordat hun dossier inhoudelijk wordt beoordeeld. In dezelfde uitzending sprak Denk-fractieleider Farid Azarkan van: “een schandalige planning,” en roept premier Rutte en de ministers Kaag en Hoekstra op om zich hier persoonlijk mee te bemoeien.
Een politicus die zich hard maakt voor deze mensen. Toch wringt er iets. Er wringt iets omdat het geacht Kamerlid op de grote trom slaat en de ambtenaren die deze planning hebben opgesteld, verwijt schandalig werk te hebben geleverd. Wat de betreffende ambtenaren hebben gedaan, is iets wat Azarkan zelf ook op de achterkant van een bierviltje had kunnen doen en dat is doorrekenen van de zaak op basis van bekende gegevens. Voor het lezersgemak, hier die achterkant van het viltje.
Er wachten 14.500 dossiers op een beoordeling of de € 30.000 die ze hebben ontvangen al hun schade dekt. Was de schade lager, dan hebben ze geluk want dan mogen ze het meerdere behouden. Was de schade hoger, dan krijgen ze nog een vergoeding voor het hogere. Dat zijn er veel.
Het één voor één zorgvuldig beoordelen van deze dossiers kost tijd. Hoeveel tijd is ook bij Azarkan bekend. Bij de behandeling van de derde Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag stelde de vaste commissie voor Financiën een 85-tal vragen. De vragen en de beantwoording ervan zijn te vinden in Kamerstuk 31066 nr. 715. Een van die vragen betrof de inschatting van de tijd die gemoeid zou zijn met het behandelen van een dossier. Die vraag (nummer 14) luidde: “Waarom is de inschatting gebaseerd dat een dossier samenstellen 400 uur duurt, als de afwikkeling van een compensatie tussen de 9,5 en 74 uur duurt?” Dat zijn veel uren om een dossier compleet te krijgen zeg je op het eerste oog. Die vraag werd keurig en als volgt beantwoord: “De inschatting dat een dossier samenstellen 400 uur duurt is gebaseerd op een 0-meting die is uitgevoerd na de oplevering van de dossiers in februari. Om een dossier volledig te maken moeten veel verschillende en arbeidsintensieve werkzaamheden worden verricht. Het opstellen van een dossier bestaat uit het verzamelen van alle informatie over een ouder, over alle jaren en alle toeslagen, inclusief alle gegevens uit de systemen zoals gespreksnotities. Deze verzameling gebeurt vanuit verschillende systemen. Al deze stukken moeten worden opgeslagen, hernoemd (duidelijke naam voor het document) en waar nodig worden gelakt op basis van de daarvoor geldende regels. Hierna worden al deze stukken geprint en fysiek aangeleverd bij de ouder. Het verzamelen van deze gegevens en de verdere acties neemt veel tijd in beslag. Inmiddels is de herstelorganisatie de afgelopen maanden druk bezig geweest om hier versnelling in aan te brengen. Binnenkort wordt een 1-meting uitgevoerd om te zien wat de huidige tijdsduur is en leveren we ook een planning op. De beoordeling van documenten in het kader van de herbeoordeling van een zaak kost aanzienlijk minder tijd omdat hiervoor alleen gericht gekeken hoeft te worden naar een beperkter deel van de documenten en er daarnaast niet- zoals bij de samenstelling van het dossier- nog veel extra acties moeten worden uitgevoerd.” De tijdsinschatting is dus gebaseerd op een onderzoek naar die tijdsduur. Tijd die politiek en bestuurlijk Nederland de afgelopen twintig jaar niet wilde investeren in de Belastingdienst. een weigering die tot deze situatie heeft geleid. Penny wise, pound foolish zouden de Britten zeggen en in beter Nederlands: voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten., Het antwoord van die 400 uur zal voor velen die de overheid als een ‘Big Brother’ zien die alles met een druk op de knop over je weet, wellicht enigszins geruststellen.
Laat ik voor het gemak tellen met 40 uur voor de herbeoordeling, ongeveer het gemiddelde van 9.5 en 74 uur. Dat betekent dat een dossier 440 uur kost. Een fulltimer werkt zo’n 1.480 uren productief. De overige tijd heeft de persoon vakantie, is ziek en gaat op aan intern overleg zoals functionerings- en beoordelingsgesprekken. Dit betekent dat de fulltimer 3,36 dossier per jaar kan doen en dat er 4.310 fulltime-equivalen nodig zijn om de zaak in één jaar te klaren. Dit beoordelen is belegd bij de speciaal daarvoor opgerichte Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Deze dienst kent 1.139 fulltime-equivalent (fte). Dit betekent dat het de dienst bij de huidige bezetting ongeveer 4 jaar kost om al deze dossiers te behandelen. En over vier jaar is het 2026. Daarnaast liggen er nog 19.500 dossier van ouders die voor die € 30.000 zijn afgewezen en er wel recht op denken te hebben. Als afhandeling van die dossiers evenveel tijd kost dan wordt het laatste dossier van die stapel in 2032 weggewerkt.
Het enige ‘nieuwe’ dat Van Groningen brengt: “In eerste instantie stond op de site van de Belastingdienst dat er een jaar wachttijd zou zijn. “Dat hebben ze veranderd naar een jaar wachttijd, dat kan oplopen tot drie jaar”, zag Thomas van Groningen. “Kan oplopen staat er. Maar we weten van de planning dat dat niet klopt. De Belastingdienst weet intern al dat sommige zaken tot 2026 oplopen.”” Azarkan noemt de planning ‘schandalig’ maar met de betreffende cijfers is er geen andere te maken. Als de uitkomst hem niet bevalt dan moet hij pleiten voor meer mensen voor de UHT dat is de enige manier om tot een andere planning te komen. En nee, die drie mensen zijn niet een premier en twee ministers. Die eraan toevoegen leidt waarschijnlijk alleen maar tot meer werk voor de UHT.
Staan beiden, om Frederiks ‘scoren metafoor’ te gebruiken, niet te ‘juichen bij een eigen doelpunt?
“Activisten noemen dit ‘cultural attribution’: als één onderdeel aan een hele cultuur wordt toegeschreven, zonder oog voor andere ontwikkelingen.” Een zin uit de verslaggeverscolumn van Margriet van Oostveen in de Volkskrant. Een heel bijzonder artikel. Als ‘activisten’ gecombineerd met ‘cultureel’ en ‘toeschrijving’, de letterlijke vertaling van ’attribution’, in één zin worden genoemd, dan wordt mijn brein wakker. Wakker omdat er dan meestal een wel erg bijzondere redenering volgt.
Wat behandelt Oostveen in haar column getiteld Over cancelcultuur en Afrikaanse studenten die een punt hebben? De universiteit van Wageningen heeft sinds kort een expositieruimte buiten. Die ruimte is bedoeld om: “discussie aan te jagen” en: “de dialoog te openen,” zo is te lezen. “En bij de eerste tentoonstelling Power of the Wasted barstte prompt een hevige discussie los. Nog geen twee weken later werd de tentoonstelling daarom ‘tijdelijk’ verwijderd. En nu heeft het universiteitsbestuur besloten dat die helemaal niet meer terugkeert.” De expositie is om dat woord te gebruiken, gecanceld.
Die eerste tentoonstelling, Power of the Wasted bestond uit foto’s van Jurrian Veldhuizen onder de noemer. “Hero: “a person of distinguished courage or ability, admired for his or her brave deeds and noble qualities”. Everywhere and every day, we create waste. It keeps piling up. It goes to places that are unseen and it is being handled by people that we do not know. Their daily hard work remains unnoticed by us, which is not only unfair, it also leaves us unaware. It is time to see and recognize the efforts, struggles and bravery of those cleaning up our mess: the waste heroes.” Aldus de inleidende tekst bij de tentoonstelling. Een tentoonstelling over mensen in Ghana die leven van het vuilnis van anderen, ook van ons. De afvalrapers.
Wat was er zo schokkend aan die foto’s dat de tentoonstelling al na twee weken werd ‘gecanceld’? “Het geheel schiet de United Community of African Students (UCAS) aan de universiteit volkomen in het verkeerde keelgat. Zij vinden de foto’s stereotiep, schadelijk voor Afrika en scavengers net zo beledigend als het n-woord. Ze eisen dat de foto’s worden verwijderd en vernietigd.” Daarop vervangt Veldhuizen het woord scavenger. En dan valt: “cultural attribution: als één onderdeel aan een hele cultuur wordt toegeschreven, zonder oog voor andere ontwikkelingen.” Volgens de projectleider antiracisme, gelijk vermogen en gelijke behandeling, de de Amerikaans-Nederlandse Percy Cicilia Jr. had Veldhuizen de ‘hypermoderne recycle-installatie’ die bij de vuilnisbelt stond, moeten fotograferen, het moderne Afrika en niet “een afvalberg zoals die veertig jaar geleden al in het blad voor de rooms-katholieke missie Bijeen stonden.” Iets wat ook de ambassadeur van Oeganda in Brussel Mirjam Blaak-Sow aandraagt die een toespraak hield over: “manieren waarop Afrika het imago van ‘continent met problemen’ van zich afschudt.” Veldhuizen antwoordt dat het onderwerp van zijn serie de afvalrapers was, maakte geen indruk. De tentoonstelling geeft geen ‘beeld van Afrika’, maar een beeld van de vuilnisrapers in Kumasi in Ghana. Zo geeft de Volendamse klederdracht geen ‘beeld van Nederland’ en zeker niet van Europa, maar een beeld van een deel van Volendam. Als de UCAS het zo belangrijk vindt dat het moderne Afrika wordt getoond, dan staat niets hen in de weg om daar zelf een expositie van te maken. Dat is een productievere weg dan een fotograaf te ‘verbieden’ om foto’s van het in hun ogen ‘foute’ maar ook reële beeld van vuilnisrapers in Kumasi te maken.
Maar terug naar de term ‘culturele toeschrijving’. Blaak-Sow is de ambassadeur van Uganda. Veldhuizen nam de foto’s in Kumasi, de op een na grootste stad van Ghana. Als je met een auto van Kumasi naar Kampala, de hoofdstad van Uganda, wilt reizen dan ben je, als er geen ander verkeer is, je niet wordt opgehouden en je geen pauze neemt, bijna 90 uur onderweg om de bijna 5.500 kilometer af te leggen. Even ter vergelijking. Als ik in Venlo in mijn auto stap en 5.500 kilometer naar het oosten rijdt, dan strand ik na een uur of zeventig (onder dezelfde voorwaarden) net voor Novosibirsk. Rij ik naar het zuiden dan kom ik tot Kongoussi in Burkina Faso, het buurland van Ghana en ongeveer 1.000 kilometer noordelijker gelegen dan Kumasi. Steden en gebieden waar het leven heel anders is dan in Venlo. Waar mensen met heel andere gewoontes en gebruiken wonen. Zou dat voor Kumasi en Kampala niet ook gelden?
Heeft de ambassadeur van Uganda het mandaat om namens heel Afrika te spreken? Zouden de inwoners van Cassablanca, ook Afrika en onder dezelfde omstandigheden een autotocht van bijna 120 uur en ruim 8.200 kilometer van Kampala gelegen, of Kaapstad ruim 70 uur en bijna 5.400 kilometer van Kampala zich niet iets heel anders bij de Afrikaanse cultuur kunnen voorstellen? “This exhibition was authorized by Kumasi Metropolitan Assembly,” is te lezen site van de tentoonstelling. Dus daaruit blijkt dat er ook in Afrika, en vooral aan de culturele bron van de foto’s, anders over wordt gedacht. Wie doet er nu ‘culturele toeschrijving’? Wie doet de werkelijkheid geweld aan? Dus nee beste Oostveen, ze hebben geen punt.
“‘Ik vind dit niet meteen cancelcultuur. Híj is toch niet gecancelled?’” Met deze quote van Percy Cicilia Jr. eindigt het artikel. Nee Cicilia Jr., Veldhuizen is niet ‘gecanceld’ zijn tentoonstelling in de publieke ruimte wel. En dat op zeer dubieuze gronden.