Liberale democratie

Bij De Correspondent steekt Rutger Bregman de loftrompet over de Europese Unie. Bregman over gesprekken met Oekraïense jongeren:  “Toen ik vertelde dat de meeste Nederlandse jongeren de EU vooral slaapverwekkend vinden, reageerden de Oekraïense studenten vol ongeloof.  … Wat wij vanzelfsprekend vinden, daar willen zij voor sterven.” Wat ‘wij’ slaapverwekkend vinden en waar ‘zij’ voor willen sterven is: “het liberale, democratische model van de EU.” Wij vallen erbij in slaap en zij willen ervoor sterven. Zou het werkelijk? Of willen zij sterven voor een ideaal en vallen wij in slaap bij de realiteit van dat ideaal?

Eigen foto

In zijn boek Globalist: The end of empire and the birth of neoliberalisme geeft de historicus Quinn Slobodian een geschiedenis van het ontstaan van het neoliberalisme. In zijn inleiding maakt Slobodian duidelijk waar het vervolg over gaat: ‘What follows is a story, not of a victory, but an ongoing struggle to determine which principles should govern the world economy, and, by extension, all our lives.[1]Daar waar velen, waaronder Bregman in een artikel uit 2014, Friedrich Hayek en Milton Friedman centraal stellen in het ontstaan van het neoliberalisme, kijkt Slobodian verder. Hij begint bij Ludwig von Mises die in 1881 in Lviv dat toen Lemberg werd genoemd, werd geboren. Belangrijkste gebeurtenis in het leven van Mises was het uiteenvallen van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk in 1918. Uit het rijk ontstonden Oostenrijk, Hongarije, Tsjecho-Slowakije en delen van het rijk gingen op in Joegoslavië, Roemenië, het herrezen Polen en Italië. Door het uiteenvallen van dat oude Rijk werden oude economische banden vernield. Al die nieuwe soevereine vaak democratische landen waren baas in eigen huis en streefde zoveel als mogelijk naar economische onafhankelijkheid, naar autarkie. Mises zag dit met lede ogen aan omdat hierdoor het kapitaal en dus de bezitter ervan werd begrensd. Verhuizen van het ene naar het andere land betekende niet automatisch dat het bezit (kapitaal) mee kon verhuizen. Wat vooral stak was dat regeringen, vooral democratisch gekozen regeringen, zo maatregelen namen die de vrijheid van het individu en het kapitaal van het individu begrensden.

Mises en zijn volgelingen zoals de Duitse econoom Wilhelm Röpke zochten, zo betoogt Slobodian, niet naar manieren om markten vrij te maken, maar om de macht van regeringen over de economie in te perken. In de ogen van de neoliberalen waren democratie en kapitalisme (liberalisme) niet twee elkaar versterkende grootheden: “democracy meant successive waves of clamering demanding masses, always threatening to push the functioning market economy off its tracks.[2] Voor Mises en Röpke was het een strijd tussen twee werelden. Aan de ene kant de wereld van imperium, de wereld van de economie en aan de andere kant de wereld van het dominium, de macht van een regering om zaken binnen haar grenzen te bepalen. De belangen van die twee werelden konden, zeker in democratische landen, wel eens met elkaar conflicteren. Neoliberalen zochten daarbij naar manieren om de wereld van het imperium te beschermen tegen dominium. Röpke: “To diminish national sovereignty is most emphatically one of the urgent needs of out time.” En daarbij was het vormen van een wereldregering, niet de weg: “the axcess of sovereignty should be abollished instead of being transferred to a higher political and geografical unit.[3]

Slobodian doet uitgebreid verslag van de neoliberale zoektocht naar manieren om juist dat te bereiken. De meest succesvolle manier hierbij bleek het afsluiten van handelsovereenkomsten tussen twee of meer landen. Met die verdragen beperken de ondertekenende landen de in- en exporttarieven en regelen ze het vrije verkeer van goederen en kapitaal tussen de landen. Maar belangrijker voor de neoliberalen zijn de Investor-State Dispute Settlements, een zoals Wikipedia het formuleert: “voorziening in internationale handelsverdragen en internationale investeringsovereenkomsten die de investeerder het recht geeft om zelfstandig een arbitragezaak tegen een vreemde overheid aanhangig te maken op basis van internationale wetgeving. Bijvoorbeeld: een investeerder investeert in land A, dat deelnemer is van een internationaal handelsverdrag dat een ISDS-clausule bevat. Als land A een wet aanneemt die het verdrag schendt, kan de investeerder een schadeclaim indienen bij de overheid van land A. Deze schadeclaim wordt vervolgens behandeld door een daarvoor opgericht tribunaal.” Hiermee worden de mogelijkheden van landen om hun wetten te wijzigen bezwaard.

Nu is de EU in de basis een economisch samenwerkingsverband tussen de deelnemende landen. Dit begon met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die met het Verdrag van Parijs werd opgericht waarnaar er meerdere Europese gemeenschappen volgden die uiteindelijk allemaal opgingen in de Europese Unie. Dit met het verdrag van Lissabon. Verdragen waarmee de deelnemende landen het imperium overdroegen aan de EU. Nu hoeft dat geen probleem te zijn als het democratische dominium van de landen op dat terrein op een of andere democratische manier ook overgaat naar de EU. Helaas is dat niet gebeurt. De EU kent wel een Europees Parlement waarvan de leden gekozen worden door de inwoners van de Europese Unie maar dat parlement heeft geen enkele zeggenschap over het economische beleid. Die democratische controle berust bij de nationale parlementen. Die kunnen hun vertegenwoordigers aanspreken op het resultaat, maar hebben geen macht om het resultaat te wijzigen.

“Voor deze jongeren stond de EU gelijk aan democratie en mensenrechten, vrijheid en vooruitgang – verworvenheden die velen van ons vanzelfsprekend vinden, maar dat helemaal niet zijn.” Zo schrijft Bregman. Dat is het fictionele beeld waarmee de EU zich graag afficheert. Dat je hiervoor, als je het niet hebt of dreigt te verliezen, wilt sterven, is invoelbaar. Dat Nederlandse jongeren en ook jongeren uit andere EU-landen niet voor de reële EU willen sterven, is ook invoelbaar. Het democratische dominium, moet in de EU immers nog worden bevochten op het liberale imperium dat de schaapjes in de EU goed op het droge heeft.


[1] Quinn Slobodian, Golbalists. The end of empire an the birth of neoliberalism, pagina 26

[2] Idem, pagina 17

[3] Idem, pagina 11

Alles van waarde is weerloos

“er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd”
 Zo dicht Lucebert in De zeer oude zingt.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van, Ezrah Bakker in Trouw. In het artikel bespreekt hij het plan om met ingang van 2025 de kinderopvang gratis te maken. “Het Centraal Planbureau (CPB) kwam vorig jaar bij het doorrekenen van het scenario van vier dagen gratis voor werkenden én niet-werkenden op een bedrag van 5,5 miljard extra. Hiervan bestond 2,3 miljard uit wat ouders op dat moment zelf uitgaven en nog eens 3,2 miljard voor het te verwachten extra gebruik dankzij deze gratis voorziening. Een fors bedrag: meer dan 1 procent van ons bbp zou dan naar kinderopvang gaan.” Dit zou dan het equivalent van 7500 extra fulltime werkenden opleveren. Veel te veel geld per baan, bovendien profiteren precies de verkeerde mensen ervan: “ Dat zijn de hogere inkomens, vooral de ‘randstedelijke powerkoppels’, die hiermee honderden euro’s per jaar gaan besparen. Voor de lagere inkomens levert het geen voordeel op, daar had men al gratis kinderopvang.” Het gaat mij er nu niet om of het een goed of slecht idee is om kinderopvang gratis te maken voor iedereen. Het gaat mij om de logica achter die 1% van het bbp die dan naar de kinderopvang zou gaan.

Als de kinderopvang gratis wordt, dan bestaat 1% van het bbp uit kinderopvang. Als je ervoor kiest om je kind niet naar de opvang te doen maar er zelf voor te zorgen, dan draagt het niet bij aan het bbp. Je keuze wordt dan niet in geld uitgedrukt. Als ik iemand betaal om mijn kind op te vangen, creëer ik economische waarde, doe ik het zelf dan is het economisch waardeloos. Sterker nog, dan word ik met een scheef oog aangekeken omdat ik in die tijd ook had kunnen werken en dat werk zou dan wel weer bijdragen aan het bbp. Bijzonder dat eenzelfde activiteit de ene keer wel en de andere keer niet mee wordt gerekend voor het bbp. Stel we tellen het zelf opvangen van een kind wel mee bij het bepalen van het bbp? Wat zouden we dan nog meer moeten meetellen? Als eerste natuurlijk al die andere uren in een dag dat ouders hun kinderen zelf opvangen. Dan zou ook alle vrijwilligerswerk mee moeten tellen. Dan zou mantelzorg mee moeten worden gerekend. Dat zou betekenen dat het bbp flink zou toenemen: onze economie zou flink groeien zonder dat er werkelijk iets veranderde.

Wat zou het betekenen als we daar allemaal een economische waarde aan verbinden? Wat zou het betekenen als er een geldelijke waarde wordt gehangen aan mijn activiteit als trainer/coach van het pupillenteam van de Mustangs? Dat zou betekenen dat er een waarde wordt gegeven aan de lach op het gezicht van een van die pupillen als ze de bal het veld in slaan, als ze een mooie vangbal maken of iemand uittikken. Die lach en dat groeiende zelfvertrouwen zijn de ‘beloningen’ waarvoor ik het doe. Als daar een geldbedrag aan wordt gehangen dan wordt die lach, om met Lucebert te spreken, ‘aan alles gelijk’. Die lach wordt dan gelijk aan een brood, fiets of nog erger een ‘juichpak’ van de inmiddels alweer vergeten Roy Donders. Gelijk aan omdat ze qua prijs die eraan wordt gehangen, vergeleken kunnen worden. De lach zou dan twee ‘juichpakken’ waard kunnen zijn.

Wordt zo het waardevolle niet waardeloos en krijgt het waardeloze zo niet waarde? Om die reden kijk ik met argusogen naar overheden die aan de slag zijn met vrijwilligers- en mantelzorgersbeleid. Dergelijk beleid herbergt het risico dat de economische logica het over gaat nemen. De economische logica is dat het in waarde moet groeien en dus dat iemand mij gaat vertellen dat ik beter ‘vrijwillig’ iets anders kan gaan doen omdat dat andere meer ‘waarde’ vertegenwoordigt.

De koe, de horens en de staart

Volgende week staat het nieuwe kabinet op het bordes en dat is voor veel ‘stukjesschrijvers’ en programmamakers aanleiding om nog wat tips mee te geven. Ook Geert Laugs, directeur van Compassion in World Farming een actie groep die opkomt voor: “het welzijn van koeien, kippen, varkens en alle andere dieren die gehouden worden voor hun vlees, melk of eieren,” en streeft naar: “diervriendelijkere, duurzame en gezonde veehouderij: voor dieren, mensen en de aarde,” is er zo een. In een artikel in Joop verzucht hij: “Hopelijk zal dit de nieuwe minister van Landbouw, Henk Staghouwer, helpen de boeren in beweging te krijgen. Dat hij zich eerder onomwonden uitsprak voor eerlijke voedselprijzen, waarbij de gangbare productie zwaarder wordt belast ten gunste van biologisch boeren, is een goed teken.”  Hij wil, om bij de veehouderij te blijven, de koe bij de horens vatten. Laten we die ‘koe’ eens bekijken.

Schotse Hooglander | wikipedia: Een Schotse hooglander is ee… | Flickr
Bron: Flickr

Laugs: “De kans die zich nu voordoet om te komen tot een veehouderij die gezond is voor dieren, mensen en de aarde, heeft lang op zich laten wachten. We moeten haar niet voorbij laten gaan.” Hij geeft de nieuwe minister drie adviezen. Zo moet er worden geaccepteerd dat de veestapel kleiner moet en als: “een industrieel veebedrijf natuur in de buurt beschadigt door te hoge stikstofuitstoot, vervang het dan door natuur of door een dier- en milieuvriendelijk, natuurinclusief bedrijf met een goed verdienmodel voor de boer.”  Zijn derde, hij geeft het als eerste, advies luidt: “Laat het idee los dat de Nederlandse veehouderij met iedereen op de wereldmarkt op prijs moet kunnen concurreren. We hebben allemaal gezien tot welke problemen dat leidt. Zorg in plaats daarvan voor duurzame productie van goed en gezond voedsel voor de eigen regio.” Dat klinkt alleszins redelijk. Toch maakt hij zich zorgen. Zijn grootste zorg is: “het convenant met alle stakeholders dat het kabinet over dierenwelzijn wil afsluiten. De meningsverschillen zijn immers groot en de (na de dieren) grootste groep stakeholders (de boeren en de agrarische lobby) trapt doorgaans op de rem.”

Toch moet ik weer aan de Ever Given denken waarover mijn laatste Prikker van 2021 handelde. Over het de wereld over slepen van allerlei zaken en de daarmee gepaard gaande problemen. En dat onze keuze voor goedkoop en slechte kwaliteit dit in stand houdt. Ik moest hieraan denken omdat Laugs het advies geeft om, en nu vat ik het in mijn woorden samen, niet te kiezen voor de laagste prijs, maar voor kwaliteit. Een keuze die precies past in mijn betoog. Laugs richt zich tot de nieuwe minister en over diens hoofd tot de agrarische sector in Nederland. 

Daarmee kom ik bij ‘the inconvenent truth’ om de titel van die vorige Prikker aan te halen. Vat Laugs de koe wel bij de horens? Laugs wil de boeren in beweging krijgen en legt daarmee het probleem bij de producent. Ligt het grotere probleem niet bij de consument? De producten (goed, duurzaam, gezond en lokaal) waar hij om vraagt, zijn er nu al. Alleen worden ze door maar een klein deel van de mensen gekocht. De rest koopt gewoon de goedkope bulk bij de Appie en de Van Eerdjes. Wie koopt een biefstuk van € 50 per kilo bij de scharrelslager als je bij de Appie een regulier biefstuk kunt kopen voor € 25 per kilo? Als we vijftig jaar teruggaan in de tijd, dan komen we uit bij een situatie waarbij er vooral voor de eigen regio werd geteeld. Toen gaf het gemiddelde huishouden bijna 25% van het inkomen uit aan voeding. Nu ligt dat in de buurt van de 10%.

Om naar de door Laugs gewenste situatie te groeien, moeten die 10% flink omhoog. Voor een groot deel van de mensen kan dat niet, die geven in de huidige situatie op koopjes jacht in de supers ouderwetse percentages van hun inkomen uit aan voedsel. Die kunnen die hogere prijzen niet betalen. Van het deel dat de prijzen wel kan betalen, doet een klein deel dat al en de rest geeft het geld liever uit aan een tweede vakantie. Hoe gaat Laughs die mensen in de ‘eigen regio’ zo ver krijgen dat ze meer voor die duurzame, gezonde in eigen regio geproduceerde landbouwproducten gaan betalen? Met: “gangbare productie zwaarder (belasten) ten gunste van biologisch boeren,” wordt de groep die procentueel gezien het meest van het inkomen aan voeding uitgeeft, getroffen zonder dat hen een alternatief wordt geboden.

Staat Laugs niet aan de staart te trekken? Moet hij zich niet richten tot de nieuwe staatssecretaris van fiscaliteit en de consument?

The inconvenient Truth

Het einde van een jaar is een moment om terug te kijken op dat afgelopen  jaar. Dat kan in de vorm van een eindejaarconference zoals menig cabaretier doet. Het kan in de vorm van lijstjes met de 10 belangrijkste, mooiste, bijzonderste, afschuwelijkste enzovoorts gebeurtenissen. Het kan in de vorm van boeken en films of personen die het jaar hebben getekend. Of aan de hand van bijzondere gebeurtenissen. Deze Prikker besteed ik aan de gebeurtenis die het jaar het beste weergeeft. Nee, dat is niet het vallen van het kabinet of de zin ‘functie elders’. Het is ook niet het wereldkampioenschap van Max Verstappen. Het is de in het Suezkanaal vastgelopen Ever Given. En nee, niet vanwege de rol die Nederlandse bedrijven speelden bij het weer vlottrekken van de kolos die ruim 18.000 containers kan vervoeren. Dat zal best een knap staaltje werk zijn waar je trots op kunt zijn en waar je als bedrijf dat het kunstje flikte een boek over kunt maken waaraan de Volkskrant een artikel wijdt.

De Ever Given was onderweg van China naar de Rotterdamse haven toen het op 23 maart door het Suezkanaal voer. Zoals een medewerker van berger Boskalis in het Volkskrantartikel het verwoordde: “een ‘varende wolkenkrabber’, die zich door het 300 meter smalle Suezkanaal moet wurmen.” Die varende wolkenkrabber: “heeft 18.350 containers aan boord met goederen ter waarde van 1 miljard euro.” Op die 23ste maart zat het qua weer wat tegen, er woedde een zandstorm en het schip belandde: “met de boeg en de achtersteven in de klei van de oostelijke en westelijke oever en blokkeert het Suezkanaal.” Het duurde vervolgens tot 29 maart voordat het schip weer vlot werd getrokken en het Suezkanaal weer gebruikt kon worden. In die bijna week dat de Ever Given het kanaal blokkeerde ontstond er een ‘schepenfile’ voor het kanaal.

Een schip dat meer dan 18.000 containers vervoert en een file van schepen aan beide zijden van het kanaal laten zien hoe verbonden de wereld is. Maar ze laten ook iets anders zien. Die blokkade verstoorde de wereldhandel en diverse Nederlandse bedrijven waren gedupeerd omdat er spullen voor hen op het schip stonden of op de schepen in de file. Toen het schip los werd getrokken was er dan ook sprake van opluchting. Als dat niet was gelukt: “was het een groot drama geworden,” zei een woordvoerder van ‘prularia-keten’ Action. Want stel je voor: “je wil geen tuinspullen pas in oktober,” aldus diezelfde woordvoerder. En daarmee ben ik bij het punt waarom dit voor mij deze gebeurtenis het jaar het beste weergeeft. Of beter gezegd de afgelopen dertig jaar.

‘Tuinspullen’ en de rest van de prularia die bij de Action te verkrijgen zijn die per boot uit China moeten komen? Hoe zijn we zover gekomen dat we een tuintafel en wat stoelen van de ene naar de andere kant van de wereld slepen? Dan moet er toch wel iets helemaal verkeerd zijn gegaan. En daarmee kom ik bij Van muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989 een boek waarin Jonathan Holtslag het wedervaren van de wereld sinds de val van de muur beschrijft. Aan de hand van voorbeelden zoals Walmart, Ryanair, Amazon en Ikea beschrijft hij wat er fout is gegaan. “Ikea haalde spectaculaire groeicijfers. Overal verschenen enorme blauw met gele winkels, vaak met een uitgestrekte lap asfalt eromheen, zodat bezoekers zoveel mogelijk spullen in hun auto kunnen laden. Veel artikelen kwamen uit lage lonenlanden, maar ze werden met Scandinavische flair en duurzaamheid in de markt gezet. Goedkoop werd chic. Steden vonden het een eer als Ikea neerstreek. Net als bij Walmart kwamen de klanten vooral op de lage prijzen af. Daardoor hadden ze geen oog voor de hoge indirecte kosten van het verdienmodel van het bedrijf. Elke Ikea-vestiging die openging had negatieve gevolgen voor winkels die soortgelijke producten verkochten en het bedrijf bood nagenoeg geen kansen aan plaatselijke fabrikanten. Het grootste deel van wat Ikea verkoopt, komt uit China. Elk jaar gaan er voor Ikea naar schatting tussen de 300.000 en 400.000 containers uit Azië naar Europa. (…) Alleen al dat intercontinentale vervoer genereert een uitstoot van 700.000 ton kooldioxide. Ikea probeert uit te dragen dat het een bedrijf met hoge ethische normen is. De boekhouding vertelt een ander verhaal. De meeste winkels zijn indirect in handen van een in Nederland gevestigde non-profit stichting, die zich zegt te wijden aan ‘vernieuwing op het gebied van architectonisch en binnenhuisdesign. De stichting betaalt geen belasting. Door te shoppen bij Ikea dragen Europese consumenten bij aan de uittocht van kleinere winkels uit stadscentra, de teruggang van industriële productie in eigen land, het verdwijnen van ambachtelijke kwaliteit ten gunste van een monocultuur van producten als Ivar en Billy en de financiële problemen van hun overheid.[1] Voor Ikea kun je Amazon, Walmart en vele andere bedrijfsnamen en dus ook de Action invullen.

Om die ‘Ivar en Billy’ te maken, varen andere enorme schepen met ijzererts, hout en andere grondstoffen vanuit alle delen van de wereld naar China. Daarbij ook tonnen kooldioxide uitstotend. De arbeidsomstandigheden van de matrozen op zowel die container- als die andere schepen laat vaak te wensen over. En om zoveel mogelijk geld te verdienen en aan zo min mogelijk eisen te voldoen, varen die schepen onder de vlaggen van landen die het op die gebieden het minst nauw nemen.

Inderdaad staan lokale overheden te juichen als zo’n bedrijf zich in hun stad vestigt. Op de lokale Venlose omroep staat geregeld een wethouder trotst te verkondigen dat een groot bedrijf vele hectares grond heeft gekocht om er een distributiecentrum te vestigen. Jullie weten wel zo’n grote, de omgeving vervuilende rechthoekige doos zonder enige architectonische kwaliteit. Want ja, je bent logistieke hot spot of niet. Daarbij wordt verteld dat de komst goed is voor de werkgelegenheid. Vervolgens wordt het gros van die werknemers met busjes van een van de vele uitzendbureaus vanuit hun tijdelijke woonplek naar die ‘schuur’ gereden en ‘logistikeren’ ze voor een habbekrats de rommel uit die containers. Van het salaris dat ze daarmee verdienen kunnen ze niets anders kopen dan de rommel die ze ompakken in die schuur. Op dezelfde Omroep Venlo staat ook geregeld een wethouder, en vaak is dat ook nog dezelfde, zijn bezorgdheid uit te spreken over de leegloop van winkels in de centra van Tegelen, Blerick en ook Venlo zelf en de gevolgen hiervoor voor de leefbaarheid van de Tegelen, Blerick en Venlo. Dat die ‘winkels en leefbaarheid’ worden bedreigd door de bedrijven die met gejuich worden binnengehaald, lijkt die wethouder te ontgaan.

Op landelijk niveau zien we hetzelfde. Een overheid die er alles aan doet om bedrijven met aanlokkelijke subsidies en met lage tot geen belastingen probeert te lokken. We moeten immers een ‘interessante vestigingsplek’ zijn voor grote multinationale bedrijven. Bedrijven die hier en ook elders weinig en liefst geen belasting betalen en daarmee alleen de lusten willen van onze samenleving en niet de lasten. Bedrijven die ervoor lobbyen voor zo min mogelijk en liefst hen beperkende regels op het gebied van salarissen, arbeidsomstandigheden en milieubescherming. Wel de baten niet de lasten.

Zoals Holtslag het in het al genoemde boek schrijft: “Het westers liberalisme werd materialisme. Vooruitgang werd niet afgemeten aan de mate waarin er verbetering werd geboekt op het gebied van de menselijke waardigheid, maar aan de mate waarin het consumentisme kon groeien.[2]  Een ontwikkeling die ervoor zorgt dat het samen in de samenleving steeds kleiner wordt, die de ongelijkheid vergroot en de klimaatverandering bevordert. Hij ziet in hoofdlijnen twee reacties op deze ontwikkeling. Aan de ene kant de reactie van partijen van het midden die met woorden spreken over deze ontwikkelingen maar met daden eraan bijdragen dat er niets aan wordt gedaan uit angst voor de tweede groep, de populistische nationalisten. Twee groepen die elkaar in een dodelijke omhelzing houden en daardoor precies dat bereiken wat ze allebei zeggen niet willen: “De pragmatische middenpartijen walgden van het groeiende koor van de rechtse populisten, maar hadden niet de kracht in huis die nodig was om de zwakke markt op te kalefateren, burgers op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen en grote bedrijven ervan te weerhouden om landen tegen elkaar uit te spelen teneinde steeds minder belasting te betalen. Dat pragmatische midden kreeg zelfs het verwijt dat het medeplichtig was aan het zoveel mogelijk winst bezorgen aan het bedrijfsleven, ten koste van het algemeen belang, terwijl het daar zelf van meeprofiteerde. De populisten waren gevaarlijk, wierp het midden tegen. Maar daarbij zag het bewust het destabiliserende effect van het eigen beleid over het hoofd. De samenleving wordt bedreigd door buitenstaanders, zeiden de populisten. Maar daarbij hadden ze weinig oog voor de bedreiging van hun manier van leven die van binnenuit kwam.[3]

 En met die bedreiging die van binnenuit kwam, kom ik bij de Ever Given en de ‘schepenfile. Dat schip met voor een miljard aan handelswaar aan boord en in de file een veelvoud daarvan. Die wel op tijd moeten aankomen zodat de ‘tuinspullen’ er niet pas in oktober zijn. Wij zijn de grootste bedreiging voor onze samenleving. Wij die groeiend consumentisme zien als vooruitgang. Wij die onze tuinmeubelen, ‘Billy’s en Ivars’ gemaakt in China kopen omdat ze zo goedkoop zijn. Wij die bestellen bij Amazon en AliExpress omdat het zo goedkoop is en alles door die onderbetaalde koerier thuis wordt gebracht.

Wij die de rommel bij de Action en de laatste ‘wegwerpmode’ bij de Primark kopen. Wegwerpmode zoals de gestonewashte spijkerbroek met voorgefabriceerde gaten en slijtplekken. Een broek waarvoor op een niet al te milieuvriendelijke manier katoen wordt geteeld. Katoen die wordt gewassen en waarvan draden worden gemaakt. Die draden worden tot stof geweven dat we laten krimpen om te voorkomen dat die wijd zittende broek die je in de winkel kocht na een wasbeurt in een skinny jeans verandert.
Dat stof wordt door een arbeider in een naaiatelier in Bangladesh gesneden en tot een broek genaaid door een arbeider die nog niet volwassen is, in of rond de fabriek woont en er meer dan tien uur per dag werkt. Die raw jeans wassen we vervolgens in een machine met stenen om het stof te verouderen en dus de levensduur ervan aanmerkelijk te bekorten. Bij dat wassen kunnen ook nog verschillende soorten chemicaliën worden toevoegen om speciale effecten te krijgen. Als laatste slijpen we er op wat plekken gaten in om de broek nog ouder te laten lijken. Gaten die er vervolgens voor zorgen dat de broek nog sneller slijt. De kans dat je er met je voet in blijft hangen of ergens achter haakt, neemt door die gaten immers flink toe. En dan na en paar keer dragen, verdwijnt de broek in de afvalbak omdat de nieuwste trend zegt dat de scheuren op een andere plek moeten zitten. Zo verspillen we kostbare grondstoffen en vervuilen het milieu voor een broek die we een paar keer dragen.

Zo dragen wij ook bij aan de migratiestromen. De katoen waar die broek van wordt gemaakt, wordt onder andere geteeld op plantages in West-Afrika. Daarvoor worden enorme arealen landbouwgrond gebruikt en is enorm veel water nodig. Honderdduizenden kleine boeren verloren hierdoor hun grond, bestaan en voedsel en migreerden naar de grote steden en daarna voor een deel ook naar Europa. Zij vormen een deel van migratiestroom die in de regio opgevangen moeten worden als het aan het gros van die pragmatische middenpartijen ligt en die daarvoor miljarden overmaken op de rekeningen autoritaire regimes. Maar waartegen ook de hekken worden gebouwd waar de populistische nationalisten zo op aandringen. En dat niet alleen door die spijkerbroek maar ook voor soja, hout en andere grondstoffen.

Miljarden aan belastinggeld om de gevolgen van ons consumentenkeuzes tegen te gaan. Producten, zoals die broek, waarvan we de werkelijke kosten afwentelen op het collectief want dat betaalt met geld of korter leven voor de slechte arbeidsomstandigheden, de vervuiling die met de productie en het vervoer van de grondstoffen en het eindproduct gepaard gaan en de kosten die migratie. Wordt het niet eens tijd om die op het collectief afgewentelde kosten door te berekenen in die spullen bij de Action of die ‘gestonewashte spijkerbroek’ van de Primark? Zouden ze dan nog zo goedkoop zijn? En nog een stap verder, zouden we (tuin)meubelen, kleren en veel andere producten niet lokaal moeten produceren en kopen? Dan zou die ‘onderbetaalde koerier’ als meubelmaker een goede boterham verdienen. Zouden we de lokale timmerman niet moeten vragen om een ‘Billy’ te maken? En bij de lokale kleermaker een broek gemaakt van hennep, vlas of brandnetels? Zou dat er niet leiden tot echter vooruitgang en dus verbetering op het gebied van de menselijke waardigheid? Menselijke waardigheid zowel hier als ook in China en bijvoorbeeld West-Afrika?

“Het migratievraagstuk kan niet worden opgelost, maar wel beter beheerst dan nu gebeurt. Europese leiders praten graag over opvang in de regio als een manier om vluchtelingen op afstand te houden. Maar de financiering van die opvang schiet vaak tekort. Ook in hun eigen belang zouden Europese landen zich genereuzer moeten tonen,” schrijft Peter Giessen in het Commentaar in de Volkskrant. Inderdaad is migratie eigen aan de mens, zonder migratie hingen we nog in de bomen in Oost-Afrika. Dat beheersen start echter bij de keuzes die we als consument maken. Dat is de boodschap die politici ons niet vertellen. Dat is, om All Gore te parafraseren: the inconvenient truth.


[1] Jonathan Holtslag, Van muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989,  pagina 192-193

[2] Idem. Pagina 69

[3] Idem, pagina 194-195

A modern Christmas Carol

“Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken.” Dit schreef ik in mijn vorige Prikker. En nu ik het toch over geld heb, wil ik jullie meenemen in het denken over geld van Charles Eisenstein. In zijn boek Naar een economie van verbinding staat geld en de bijzondere eigenschappen ervan en wat dat betekent voor een samenleving, centraal.

Gift Economy | London Permaculture | Flickr
Bron: Flickr

Volgens Eisenstein, en daar zal bijna iedereen het mee eens zijn, vervult geld twee functies. Als eerste is het een middel om het ruilen van goederen te vergemakkelijken. Dit sluit aan bij het gebruikelijke verhaal over het ontstaan van geld. Ik heb melk van mijn twee koeien over en heb schoenen nodig. Jij hebt wel wat melk nodig maar niet die vijfhonderd liter die je paar schoenen waard zijn. Hoe krijg ik dan mijn schoenen en jij je vier liter melk? Geld maakt het mogelijk. Ik verkoop mijn melk voor vijftig cent per liter en spaar net zolang totdat ik de tweehonderd euro heb om een paar schoenen van jou te kopen. Jij koopt gewoon voor twee euro die vier liter melk van mij. Dat lijkt logisch maar hij vraagt zich af of het werkelijk zo was: “De geschiedschrijving van geld begint meestal met primitieve vormen van ruilhandel, maar onder jagers en verzamelaars komt ruilhandel juist zelden voor. De belangrijkste vorm van economische uitwisseling was het geschenk.[1]  Dat ‘helpen bij het ruilen’ was van ondergeschikt belang. Geven was het belangrijkste en, zo beweert Eisenstein, er werd gegeven aan mensen die nood aan iets hadden. Als ik schoenen nodig had en ze niet zelf kon maken, dan zou ik ze krijgen van iemand uit de groep die ze wel kon maken. En als die persoon melk nodig had, dan zou hij die gewoon van mij krijgen: “een gifttransactie heeft een open einde en schept (…) een blijvende band tussen de betrokkenen,”  ze versterkten de banden tussen de leden van de groep. Volgens Eisenstein: “ontstond geld om geschenken te kunnen geven, om dingen met elkaar te kunnen delen en om generositeit mogelijk te maken, of althans iets in die geest.[2] Geld maakte het mogelijk om de kringloop van betrokkenheid uit te breiden tot ver boven de eigen groep.

Die rol van het geld raakte door het groter worden van de kringloop van betrokkenheid, buitenbeeld, zo betoogt Eisenstein en werd echter overschaduwd door de tweede functie: “de ‘opslag’ van waarde.[3] Daarvoor werden in de vroege jaren ook andere zaken gebruikt zoals bijvoorbeeld een vaste hoeveelheid graan of andere zaken die aan bederf onderhevig waren. Wat geld voor had op die andere zaken, is dat het niet bedierf. Iets wat kan bederven moet je tijdig kwijtraken dus zorg je dat het circuleert zodat het tijdig bij een bakker of boer terechtkomt. Dat probleem kent geld niet. Het blijft waarde houden dus je kunt het oppotten en dat gebeurt dan ook. Daarmee gebeurde precies het tegenovergestelde als wat met de gift werd beoogd. Dat is dat het zich ophoopt bij mensen die het niet nodig hebben terwijl de gift juist ging naar mensen die het nodig hadden. Dat oppotten zorgt er, zo betoogt Eisenstein, op deze manier voor dat het schaars wordt terwijl er sprake is van overvloed. Of zoals Pink Floyd het zingt: “Money, get away. You get a good job with good pay and you’re okay. Money, it’s a gas. Grab that cash with both hands and make a stash.” Dit als volleerd navolgers van Ebenezer Scrooge uit de Kerstklassieker A Christmas Carol van Charles Dickins.

“Stel je voor dat je naar de bank gaat en zegt: “Ik wil graag geld lenen voor mijn bedrijf. Hier is mijn bedrijfsplan. Als jullie me een lening van geven van € 1.000.000,- kan ik in de loop van vier jaar € 900.000 verdienen. Verstrek mij dus maar die lening van € 1.000.000,- en ik betaal jullie verspreid over vier jaar € 900.000,- terug.” Daar zegt geen bank JA tegen want ze verliezen € 100.000,- dus dat is een slechte deal. Maar wat als dat geld van de bank ieder jaar bijvoorbeeld 7% minder waard wordt. Nee, niet door inflatie maar door er gewoon op af te stempelen. De euro van vandaag is volgend jaar nog maar 93 cent waard en over veertien jaar niets meer. Dit terwijl het brood gewoon ongeveer dezelfde prijs behoudt. Dan wordt oppotten van geld gestraft en zorg je er wel voor dat je er niet te veel van in bezit hebt. En dan het vervolg van Eisensteins voorbeeld “Wij vinden het een prima bedrijfsplan’, antwoordt de bank. ‘Hier heeft u uw geld.’ Waarom ze akkoord gaan? Omdat die € 1.000.000,- in deposito bij de bank nog veel sneller in waarde zou dalen – met bijvoorbeeld 7 procent, zodat er over vier jaar nog maar ongeveer € 740.000,- over zou zijn.[4]

Een interessante gedachte. Zeker omdat er de afgelopen jaren door de centrale banken miljarden in de economie zijn gepompt om die draaiende te houden in ruil voor vrij waardeloze slechte leningen. Het gros van dat geld is niet gebruikt voor consumptie en productie maar werd weer opgepot. Degenen die van hun slechte leningen af waren kochten er aandelen en vastgoed van en bliezen er zo grote bellen lucht in. Bellen die er ooit een keer uit moeten. Wat als de centrale banken die leningen hadden gekocht met ‘afstempelgeld’? Dan hadden die centrale banken die waardeloze onderpanden na, in dit voorbeeld veertien jaar van hun balansen kunnen schrijven. Zou het dan niet interessant worden om geld te lenen aan iemand die zijn eerste huis koopt voor bijvoorbeeld € 300.000, die je ieder jaar € 9.000 terugbetaalt gedurende een periode van 30 jaar? Zou er dan niet een einde komen aan de schaarste aan geld omdat het dan vloeit naar degenen die het nodig hebben en niet naar degenen die erin zwemmen? Een interessante gedachte. Interessant want zou dat ook op andere terreinen andere keuzes mogelijk maken? Andere carrière keuzes bijvoorbeeld omdat de ‘job with good pay’ dan wellicht minder interessant is dan iets voor anderen doen?


[1] Charles, Eisenstein, Naar een economie van verbinding, pagina 25

[2] Idem, pagina 31

[3] Idem, pagina 32

[4] Idem, pagina 243

Crypto’s, geld en ‘het kindje Jezus’

“Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden.” Dat is volgens Madeleine Böhme en haar twee coauteurs wat de Homo sapiens bijzonder maakt. Die: “voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[1]

Mozaïek, Kleurrijk, Kralen, Oud, Ontwerp, Patroon
Bron: Pixabay

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een column van Peter de Waard in de Volkskrant over het beleggen in crypto-munten door jongeren. “Zo’n 1,2 miljoen vooral jonge Nederlanders blijken bitcoins of andere cryptomunten te hebben. En dat baart de toezichthouders zorgen. Het onderpand is iets ongrijpbaars of virtueels, niet een schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert.” Het onderpand van een crypto-munt is iets ongrijpbaars. Daarom zijn ze, zoals De Waard schrijft: “puur voor de speculatie. Het is net als met het kindje Jezus, je gelooft erin of niet. Als betaalmiddel zijn ze totaal nutteloos, zo is na tien jaar wel gebleken.” Nu zijn er steeds minder mensen die nog in het kindje Jezus geloven en toch viert het gros van die mensen binnenkort het feest ter ere van zijn geboorte. Dus in hoeverre moet je in iets geloven om het je handelen te laten bepalen?

Dit even terzijde. Alhoewel terzijde, het raakt aan de kern. Dus nog er nog maar even op voortborduren. “In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand  die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik enkele jaren geleden in een van mijn Prikkers. Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig in zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het Westen soms ook in het Oosten willen zijn ” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon betekenen.

Geldt dat niet ook voor dat: “schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert?” Waarin verschilt een obligatie of een aandeel van het kindje Jezus? Als je erin gelooft dan vertegenwoordigen ze waarde, geloof je er niet in, dan kun je er een vuurtje mee stoken. Maar dan moet je ze wel op papier hebben anders lukt zelfs dat niet. Een stapje verder. De waarde van dat aandeel, die obligatie en ook die crypto worden uitgedrukt in geld, afhankelijk van waar je woont in bijvoorbeeld euro’s of dollars. Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken. Aan de digitale heb je dan helemaal niets. En is ook de waarde die we toekennen aan goud en edelstenen niet ook gewoon een ‘geloof’? Geloof je er niet in dan heb je er niets aan. Dan zijn die edelstenen niet meer dan wat kleurrijke kralen.

Bijzonder dat de toezichthouders waarschuwen voor die ongrijpbare en volgens De Waard als betaalmiddel nutteloze crypto’s en verwijzen naar even zo ongrijpbare zaken als aandelen en obligaties. Is het niet vergelijkbaar met een aanhanger van ‘het kindje Jezus’ die een aanhanger van de islam verwijt dat zijn god niet echt is?


[1] Böhme, Madeleine, Braun, Rüdiger en Breier, Florian, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

Een unieke eenheidsworst

“Ga dat je personal coach en je stijladviseur maar wijsmaken! Meer eenheidsworst dan in deze tijd heb ik de hele 20ste eeuw niet gezien.” Deze woorden legt Olaf Tempelman in zijn wekelijkse humoristische column Op het tweede gezicht in de mond van de Engelse koningin Elisabeth II. Tempelman fingeert een gesprek tussen de koningin en haar schoondochter Kate Middleton die in dat gefingeerde gesprek aangaf dat tegenwoordig: “authenticiteit juist veel belangrijker dan vroeger,” is. Bij het lezen van deze passage moest ik denken aan het boek The Society of Singularities van Andreas Reckwitz. In twee eerdere Prikkers schreef ik al over dit boek. Een boek waarin Reckwitz de laat-moderne tijd waarin we nu leven beschrijft als een streven naar het unieke en bijzondere: unieke en bijzondere producten, gebeurtenissen, plaatsen en mensen. Reckwitz schrijft precies over die  authenticiteit die ‘juist veel belangrijker is dan vroeger’. Hoe is dit te rijmen met de ‘eenheidsworst’?

Bron: Pixabay

Het simpele antwoord. Als iedereen streeft naar authenticiteit dan is dat streven de eenheidsworst. Dat is een te makkelijke verklaring. Volgens Reckwitz streven we, ten minste een deel van ons en daar kom ik later nog op terug, naar uniciteit door die unieke spullen, door deel te nemen aan unieke gebeurtenissen en unieke plekken te bezoeken, door op unieke plekken te gaan wonen, in unieke huizen en die uniek in te richten en door al die unieke zaken met unieke verhalen aan elkaar te praten. Alles wat we doen moet bijzonder zijn en zo proberen we een unieke identiteit op te bouwen. Reckwitz noemt dit de nieuwe middenklasse. Die we is een middenklasse van hoogopgeleide, kosmopolitisch ingestelde mensen.

En daarmee kom ik bij de betekenis die Van Dale geeft aan het woord authentiek en dat is “betrouwbaar, geloofwaardig.” Als anderen je authenticiteit geloofwaardig vinden dan ben je authentiek. En daar komen we bij de ‘eenheidsworst’. Als je authenticiteit niet wordt gezien, dan behoor je met je ‘bijzondere en unieke’ huis, ervaringen, vakanties, verhalen enzovoorts tot de eenheidsworst. Authentiek is echter alleen authentiek als anderen het als uniek waarderen. Of jij een authentieke persoon bent, hangt dus van anderen af. Bovendien kan je authentieke van de ene op de andere dag verdwijnen en dan blijf je achter met de gebakken peren. Dan lig je eruit, dan word je gecanceld om die term maar eens te gebruiken. Hoe dat werkt kan de Amerikaanse komiek David Chapelle je waarschijnlijk wel vertellen. Die nu van gevierd naar gevierendeeld komiek gaat.

Omdat mensen verschillende opvattingen hebben, hangt het van de persoon af hoe het authentieke eruit ziet en hoe de eenheidsworst. Een fervent aanhanger van Forum voor Democratie ziet in Baudet waarschijnlijk een groot intellectueel en een unieke persoonlijkheid. Anderen, zien een over het paard getilde dandy die zichzelf wel erg geweldig en belangrijk lijkt te vinden waarvan er meer zijn. Dat laatste lijkt dan te worden bevestigd door zijn mede-Kamerleden en aanhangers, allemaal in eenzelfde soort pak, eenzelfde manier van spreken, betogen en overdrijven.

Dat streven naar authenticiteit is, zoals Tempelman Middlton laat zeggen, tegenwoordig heel belangrijk. Er is echter alleen één groot probleem. Voor een groot deel van de mensen ligt het buiten bereik en daarmee kom ik terug bij het andere deel van de we. Het deel dat behoort tot de verliezers van de laat-moderne tijd. Zij behoren tot de onderklasse van mensen voor wie werk, als ze dat al hebben, niet bijdraagt aan hun gevoel van eigenwaarde en dus identiteit. Zij werken om te kunnen leven en het salaris voor dat werk is vaak te weinig om van te kunnen leven. Zeker om te kunnen leven op een manier die in de buurt komt van die nieuwe middenklasse. Of ze behoren tot de oude middenklasse. De geschoolde fabrieks- en witte boordenwerkers met een redelijk inkomen. Geschoold maar niet hoogopgeleid en niet kosmopolitisch want gebonden aan een plek door het werk en de familie. Een groep die, volgens Reckwitz uit twee delen bestaat. Het bovenste deel dat hoopt op een of andere manier tot die nieuwe middenklasse te gaan behoren door bijvoorbeeld studie of opklimmen via het werk. Het andere deel probeert te voorkomen dat het tot de onderklasse gaat behoren en dan vooral niet bij de onderkant van die onderklassen.

Zou het laat-moderne streven naar authenticiteit voor die onderklasse en zeker ook voor het onderste deel van de oude middenklasse niet funest zijn omdat zij nooit tot uniciteit en authenticiteit kunnen komen? Nooit, behalve dan wellicht als profsporter of crimineel. Maar dan moeten ze wel tot de absolute top van de sport of het criminele circuit behoren. Hoe zou het voelen als iets wat als cruciaal wordt gezien al bij voorbaat buiten je bereik ligt? Zeker als je te horen krijgt dat het aan jezelf ligt omdat je niet goed genoeg ‘je best hebt gedaan.’ Want in het wereldbeeld van die nieuwe middenklasse kun je alles bereiken als je er maar in geloofd en je uiterste best doet.

Ik werk dus in ben!

“Working 9 to 5, what a way to make a living. Barely gettin’ by, it’s all taking and no giving. They just use your mind and they never give you credit. It’s enough to drive you crazy if you let it.” Het refrein uit 9 to 5, de hit waarmee Dolly Parton in 1980 de hitlijsten bestormde. Een lied over een eenvoudige arbeidster die probeert wat van haar leven te maken maar niet echt vooruit komt. Working 9 to 5, een beperkt deel van dag werken om zo geld te verdienen om te leven. Werken om te kunnen leven. De motivatie om te werken lag in de mogelijkheid die het bood om te leven. Tegenwoordig is dat anders, zo betoogt Andreas Reckwitz in zijn boek The Society of Singularities waarover ik in een recente Prikker ook al schreef. Toen over het enige wat tegenwoordig schaars lijkt, namelijk aandacht. Werken is tegenwoordig veel meer.

coaching text decor, coaching, business, success, coaching business, business coaching, business coach, inspire, motivation, coach
Bron: pxfuel

Werk: “has turned (…) into one of the main sources of a meaningful life.” Het: “not only increases our satisfaction on the job but also tends to encourage self-exploitation in a typically late modern way.” Gevolg hiervan is dat werk kwantitatief en kwalitatief steeds meer plek inneemt in ons leven. Daar waar de werklui in de tijd dat Parton de hitlijsten bestormde hun motivatie haalden uit de financiële beloning, is dat tegenwoordig heel anders. Als werk je doel in het leven is, dan is alleen financiële beloning erg mager. En omgekeerd, dan is alleen die financiële beloning geen goede motivatie om te gaan werken. Die motivatie moet dan uit jezelf komen. Dan moet je intrinsiek gemotiveerd zijn en dat houdt het risico in, zo betoogt Reckwitz: “that the work itself will no longer have any limits and that working subjects will have nowhere to retreat on account of the dissapearing distance between professional self-actualization and personal identity.[1] Om het kort samen te vatten en Descartes te parafraseren: ‘‘ik werk dus ik ben!”

En ik ‘ben’ alleen als ik succesvol optreed, want volgens Reckwitz is werk steeds meer te vergelijken met een toneelvoorstelling: “the praxis of of late-modern working culture has been reorienting itself more and more toward the format of performance and away from objective achievement.[2] Daar waar de arbeider in de oude 9 to 5 tijden werd afgerekend op zijn productie in een bepaalde tijdseenheid, is het succes nu afhankelijk van de waardering van ‘het publiek’ dat de ‘voorstelling’ bijwoont. Dat begint al bij de selectie van medewerkers. Diploma’s en andere redelijk objectieve maatstaven doen er veel minder toe, dit ten faveure van competenties die niet objectief te meten zijn. Aan de hand van de ‘voorstelling’ die je geeft tijdens het sollicitatiegesprek, wordt ingeschat of je de gewenste competenties bezit. Ben je al wat verder in je loopbaan, dan zijn eerdere ervaringen belangrijk.

Kijken met Reckwitz bril dan zijn er twee zaken die goed kunnen worden verklaard. Zo hoeft het grote aantal mensen dat overwerkt met een burn-out thuiszitten niet te verbazen. Als je voor je eigenwaarde afhankelijk bent van de subjectieve beoordeling door anderen, en die beoordeling vooral afhankelijk is van je laatste voorstelling, dan ligt een burn-out op de loer. Als tweede de wildgroei aan ‘personal coaches’. Het lijkt wel alsof er tegenwoordig meer coaches zijn dan gecoachte mensen. Reckwitz over coaching: “This is no langer just a matter of providing general recipes for self-management; rather, it involves analyzing the complex capabilities and desires of individual personalities in order to discover untapped potential, to refine and develop personal visions, and to figure out alternatives, opportunities and risks within the aim of developing career strategies.[3]

Nu is dit niet het hele verhaal. In een wereld waarin je bent wat je werkt, ben je niet veel als je een baan hebt zoals de persoon in Dolly Partons 9 to 5. En dat is wat we ook in onze huidige samenleving zien. Veel werk is nog steeds van het 9 to 5 soort en is onmisbaar om de samenleving goed te laten draaien. Schoonmaken, vuilophalen, het verplegen en verzorgen van mensen, de post en pakketten bezorgen, de winkelschappen vullen, allemaal onmisbaar, maar waar je in een wereld die, zoals Reckwitz het noemt : “Massively desires the uniqueness of working personalities,[4]” niet mee scoort. Dan rest als enige motivatie (en waardering) je salaris en laat het daaraan nu ontbreken. Moet het dan verbazen dat we kampen met een tekort aan personeel in de zorg, het onderwijs, bij de politie enzovoorts?


[1] Adreas Reckwitz, The society of singularities, pagina 157

[2] Idem, pagina 150

[3] Idem, pagina 155

[4] Idem, pagina 160

Schaarste

Een boek dat me altijd bij is gebleven is Het rijk van de schaarste van de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis. Nu heb ik dat met meer boeken van Achterhuis. “Schaarste wordt nog altijd aanwezig geacht in onontwikkelde en onderontwikkelde gebieden, zij wordt in verband gebracht met honger in de Sahel of armoede in India. Met technische middelen zou ze in de toekomst overwonnen kunnen worden,” schreef Achterhuis in 1988. Hij zag het echter anders: “In dit boek zal ik precies het tegenovergestelde trachten aan te tonen. De moderne maatschappij heeft de schaarste niet overwonnen maar juist gecreëerd. Mondiaal gezien zijn we niet op weg naar overvloed of zelfs naar een ‘genoeg’, maar breidt de schaarste zich steeds verder uit. Juist de Westerse ‘overvloedsmaatschappijen’ worden gekenmerkt door een zich tot op alle gebieden uitbreidende schaarste …. Alles is schaars geworden, welzijn, gezondheid, schoon water, schone lucht, ja zelfs tijd.[1] Die beschrijving uit het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw, leek mij nog steeds een adequate beschrijving van het nu.

Leek, omdat een de Duitser Andreas Reckwitz in zijn boek The society of singularities beweert dat er in de laat moderne tijd, zoals hij het noemt, eigenlijk maar aan één ding echt schaarste is. En nee, dat is niet aan frisse lucht, schoon water, welzijn, gezondheidszorg of zelfs tijd. Volgens Reckwitz was de moderne tijd een tijd van gestandaardiseerde producten gemaakt door verschillende fabrikanten en bedoeld voor alle consumenten. Die fabrikanten verdeelden de buit waarbij hun winst afhing van hun productiekosten. De prijs van standaardproducten wordt immers bepaalde door vraag en aanbod waarbij de vraag stabiel is.

In de laat-moderne economie is dat, zo betoogt Reckwitz, anders. Die wordt gedomineerd door het unieke en bijzondere: unieke en bijzondere producten, gebeurtenissen, plaatsen en mensen. Reckwitz noemt dit singulariteit en de markt hiervoor singulariteitsmarkten. Dat bijzondere kan op verschillende gebieden betrekking hebben: op de esthetiek, het verhaal, het ontwerp, het originele en ludieke van iets. Alleen is niet van tevoren bekend wat ‘uniek’ gaat worden. Reckwitz vergelijkt het met de kunst, waar al sinds eind achttiende eeuw het unieke wordt beloond. Dat is nu het ‘model’ voor de hele economie en dat zorgt voor een overvloed aan, zoals Reckwitz ze noemt, ‘culturele goederen’. Goederen die niet worden gekocht om hun gebruikswaarde maar om dat ‘unieke’. Producten die de ‘unieke’ status bereiken, maken hun producent rijk, die heeft op dat gebied het grootste deel van de markt. Tenminste zolang als het product ‘uniek’ blijft. Culturele producten die deze status niet bereiken, rest de vergetelheid en hun makers een fors verlies. Alleen is niet van tevoren bekend welk cultureel product die ‘unieke’ status gaat bereiken. Een voorbeeld uit de kunstwereld maakt het duidelijk. Er worden per jaar honderden films gemaakt, waarvan er slechts een paar de bioscoop halen, nog minder enkele weken worden vertoond en slechts enkele worden kassuccessen. De rest verdwijnt in de vergetelheid. Waaruit ze ooit weer kunnen worden gehaald als ze onverhoopt toch weer iets ‘unieks’ krijgen.

Al die producten maar ook personen, plaatsen, evenementen zijn op zoek naar de status ‘uniek’ en vragen om juist dat ene iets wat volgens Reckwitz in de laat-moderne economie echt schaars is en dat is aandacht: “What caracterizes today’s singularity markets is the historically unprecedented dynamization and dispersion of attention, whose exact distribution is unpredictable on a case-by-case basis. In this case, the attention of the public has become a scarce resource. In general, if there is any sort of scarcety in late modernity, this is no langer a scarcety of goods but rather an scarcety of attention (and appreciation).[2] 

Een heel andere manier om naar de huidige samenleving te kijken. Een manier die een goede verklaring biedt voor de grote afvalstromen die we met z’n allen produceren. Wat niet ‘uniek’ wordt, wordt immers afval. En wat de status ‘uniek’ verliest, maakt ook grote kans om op die hoop terecht te komen. De productie van al dat naar de status ‘uniek’ strevende spul vraagt energie en kostbare grondstoffen die vervolgens op de vuilnisbelt belanden of, met een beetje geluk, gerecycled worden. Zou het helpen als we dit in ons achterhoofd houden als we weer worden verleid om die nieuwe iPhone 14 of 16 (waar zijn we inmiddels) aan te schaffen met die ‘unieke features’?


[1] Hans Achterhuis Het rijk van de schaarste, pagina 13

[2] Andreas Reckwitz, the society of singularities, pagina 113

Problem, government, solution

In de Volkskrant pleiten drie gepensioneerde TU Delft ingenieurs, zoals ze zich noemen, ervoor: “een soort Deltacommissie in het leven te roepen om dit complexe project weg te trekken bij de politiek, want die heeft al laten zien dat ze geen resultaten kunnen boeken.” Het complexe project waar ze het over hebben betreft het klimaatneutraal maken van onze manier van leven. Want alles wat er nu gebeurt is ineffectief en kost veel geld zo betogen de ingenieurs. Niet vreemd want: “Politici zijn geen technici en kunnen derhalve niet beslissen over de optimale keuzes tussen voor- en nadelen van verschillende maatregelen.” Die keuze moet worden overgelaten aan specialisten want: “Dat is echt een technische en economische afweging.” Nu maak ik me ook zorgen om de klimaatverandering en mogen de maatregelen best wat forser en sneller. Toch maak ik me meer zorgen om dergelijke betogen.

File:Deltawerken - Osterschelde - Zeeland.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Flickr

Mijn zorgen richten zich als eerste op hun gebrek aan historische en staatkundige kennis. De ingenieurs verwijzen naar de Deltacommissie die in 1953 werd ingesteld om te bekijken hoe Nederland kon worden beveiligd tegen overstromingen zoals die van de watersnoodramp van een jaar eerder. De commissie bestond uit ingenieurs, logisch want die hebben verstand van die zaken, een landbouwkundige en een econoom. Het was de politiek, de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Jacob Algera, die deze commissie in het leven riep om hem en in het verlengde de regering en het parlement, te adviseren over te nemen maatregelen. Een staatscommissie binnen ons bestuurlijk bestel voor een specifiek onderwerp met een specifiek doel. Een adviescommissie want besluiten namen de regering en het parlement. Het complexe project waterveiligheid werd dus allerminst ‘weggetrokken van de politiek’. Nu is dit het minst belangrijke punt van zorg.

Grotere zorgen maak ik me om hun grote vertrouwen in technische maar vooral economische specialisten. Techneuten, de drie ingenieurs lijken daarop geen uitzondering te zijn, hebben groot vertrouwen in wat techniek vermag. Een terecht vertrouwen want techniek vermag veel. Zo kunnen we door technische vindingen energie opwekken door atomen te splitsen. Dat kan beheerst in een kerncentrale en onbeheerst via een atoombom. En die: “effectiefste oplossing” wordt, zoals de heren aangeven, onbenut gelaten. Maar misschien is de effectiefste manier wel te duur en is het ‘opslaan van koolstofdioxide’ iets minder effectief maar goedkoper. Bij dat uitrekenen van kosten komen economen dan weer van pas. Maar nu we het over economen hebben. Techneuten kunnen verschillende technieken aanbevelen als beste, en dus van opvatting verschillen. Economen hebben dat nog veel meer. Neem de gezondheidszorg, afhankelijk van de kijk op de wereld zal de ene, meer socialistisch georiënteerde, econoom een hartstochtelijk pleidooi voor publieke gezondheidszorg houden en de andere, neoliberale het als de grootste waanzin en economische dwaling afwijzen. Aan welke techneuten en economen laten we de oplossing van dit probleem over?

Nu ik het toch over neoliberaal heb, het denken van de ingenieurs vertoont overeenkomsten met het neoliberale denken. En daarmee kom ik op een volgende en grootste punt van zorg. De overeenkomst tussen de ingenieurs en het neoliberalisme betreft een stuitend gebrek aan vertrouwen in de overheid en ons democratische bestel. Neoliberalen zien de markt als oplossing voor alle problemen en de overheid als oorzaak van alle ellende. Om het met de woorden van wijlen voormalig president van de Verenigde Staten Ronald Reagan te zeggen: “Government is not the solution to our problem, government is the problem.” Met Reagan staan we aan het begin van de triomftocht van dat neoliberalisme. Sinds begin jaren tachtig werden overheidsdiensten zoals de post, de telefoon en het spoor geprivatiseerd want dat zou tot betere en goedkopere producten leiden. Sinds die tijd moest de overheid ‘steeds kleiner’ en werd ‘ambtenaar’ een besmet beroep. Daar waar John F. Kennedy ‘the best en brightest’ naar de overheid lokte, worden ze sinds Reagan verleidt om een algoritme te ontwerpen om snel winst op de beurs te maken of een app te ontwikkelen die zoveel mogelijk gegevens en dus geld uit mensen klopt. Kennedy liet ze bij NASA de eerste mens op de maan zetten. Dat doen ze nu ter meerdere eer, glorie en vooral de portemonnee van Musk en Bezos. Heren die hun rijkdom, om het zo te zeggen, te danken hebben aan Kennedy omdat hun bedrijven draaien op technieken die via overheidsinvesteringen tot stand zijn gekomen. Voor wie er meer over wil weten. Lees Mariana Mazzucato’s boek De ondernemende staat. Of voor wie een boek te lang is, deze Prikker.

Een kleinere overheid die zich met steeds minder zaken ‘moest bemoeien’ en wat ze nog wel deed en doet, moet volgens de New Public Managent. Een manier van denken waarbij de burger een klant is en de overheid een bedrijf en ook op die manier aangestuurd moet worden. Een overheid waar steeds meer op neer werd en wordt gekeken. En dat neerkijken is terecht en niet terecht. Het is terecht omdat de prestaties van die overheid de laatste jaren niet om over naar huis te schrijven zijn. Het is niet terecht omdat dit een gevolg is van die neoliberale manier van kijken naar de overheid. Als je de overheid als een bedrijf ziet, moet je niet verbaasd opkijken als Kamerlidmaatschap en het ministerschap een carrièrestap wordt. Een opstapje om uiteindelijk te cashen bij een bank, zoals Zalm en Kok, of bij een lobbyfirma zoals recentelijk VVD-minister Van Nieuwenhuizen en Kamerlid van dezelfde partij Lodders. Dan hoeft het ook niet te verbazen dat we een premier hebben die ‘visie een olifant in de kamer’ vindt en die op z’n best opereert als manager. Dan moet je niet verbaasd kijken als ‘the best and brigthest’ niet voor de overheid kiezen, want wie wil er nu voor een ‘probleem’ werken. Als je iets als ‘probleem’ bestempelt en het op de manier behandelt zoals de overheid sinds Reagan is behandeld, dan moet je niet verbaast opkijken als het uiteindelijk een probleem wordt.

Het is echter wel ‘het probleem’ dat namens ons besluiten moet nemen welke technische oplossing de voorkeur krijgt en welke economische argumenten de doorslag geven. Die bevoegdheid uit handen geven aan ‘een Deltacommissie’ los van de politiek komt op hetzelfde neer als Facebook het privacy-beleid laten ontwerpen. Dit betekent namelijk het verder verzwakken van onze overheid en vooral onze democratie. Als we iets niet moeten doen dan is het dat wel. We moeten de overheid juist versterken van de afbraak van de afgelopen veertig jaar. Om Reagans woorden in een wat andere volgorde te zetten: government is not the problem, government is the solution to our problem!