De nobele wilde

“Natuurlijk staan we nu, in het antropoceen, voor andere uitdagingen dan de jagers-verzamelaars. Maar zij wisten in veel opzichten vergelijkbare uitdagingen millennialang het hoofd te bieden. Hun geheim? Alle ruimte geven aan de intrinsiek androgyne kern van de mens. Dat maakt ons optimaal wendbaar en innovatief. Dat geheim ligt nu ook weer binnen ons handbereik.” De afsluitende alinea van een artikel van Laurens Buijs bij De Correspondent. Die ‘zij’ waar Buijs over spreekt, zijn onze voorouders die leefden als jager-verzamelaars. Onze voorouders die, zo betoogt Buijs, leefden in een gelijkwaardige samenleving waarin ze geen verschil maakten tussen man en vrouw als voorbeeld. Dat onze huidige samenleving qua gelijkwaardigheid diverse verbeterpunten kent, staat voor mij buiten kijf. Maar de ‘nobele wilde’ als voorbeeld?

Jacht Klopjacht Stone Age - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Bij mij gaan de alarmbellen rinkelen als het verleden ons ten voorbeeld wordt gesteld. Dat belooft meestal niet veel goeds. Meestal wordt het verleden dan gebruikt, of beter misbruikt, om doelen in het heden te bereiken. Politici die terug willen naar de jaren vijftig, zoals Wilders of nog verder terug naar de achttiende eeuw, zoals Baudet, willen dat meestal om mensen uit te sluiten. ‘Jullie kleur, religie of iets anders was er toen niet, dus jullie horen er niet bij’. Dit is bij Buijs niet het geval.

Laten we het betoog van Buijs eens volgen. Buijs gaat, zoals hij het noemt: “op zoek naar de nodige nuance,” in het maatschappelijk debat over gender, omdat, zo betoogt hij: “want denken in tegenstellingen in gender en seksualiteit beperkt ons allemaal.” Daarom zoekt hij naar: “de stand van de wetenschap als het over gender gaat.” En dat onderzoek, zo betoogt hij: “laat zien dat de mens in de kern androgyn is: elke man is ook vrouwelijk, en elke vrouw is ook mannelijk. Dat maakt genderfluïditeit voor iedereen relevant, of we nou zelf lhbt’er of cisgender heteroseksueel zijn.”  En zo komt hij uit bij de jager-verzamelaars, die een veel gelijkwaardigere samenleving hadden en volgens Buijs kwam dat door de androgyne kern van de mens. Die androgyne kern werd naar de achtergrond gedrongen, zo betoogt hij, na de neolithische revolutie, de uitvinding van de landbouw. Want toen: “werden de rollen steeds meer langs de lijnen van gender verdeeld. Mannen namen de fysieke taken op zich, terwijl de vrouwen zich gingen toeleggen op zorgen en opvoeden. Zij leefden niet langer in grote beweeglijke groepen samen, maar steeds meer in klein familieverband met een vader, een moeder en kinderen. Zo ontstond het kerngezin, en daarmee de heteronorm.” En nu moeten we dus weer terug naar die androgyne kern die ons ‘optimaal wendbaar en innovatief’ maakt.

Een groep jager-verzamelaars bestond uit een beperkt aantal mensen, meestal tussen de 25 en de 50 mannen, vrouwen en kinderen. Als we kijken naar hun dagelijkse leven, dan waren er slechts een beperkt aantal taken die moesten worden vervuld en al die taken waren behoorlijk arbeidsintensief. Het jagen gebeurde met het grootste deel van de groep. Het hert, laat staan de mammoet kon alleen worden gevangen door met z’n allen samen te werken. En alleen door allemaal bessen te plukken en noten te verzamelen, kon er voldoende worden verzameld voor de hele groep. Bovendien was iedereen nodig om de belangrijke zaken steeds mee te verhuizen. Dus inderdaad qua rol was de groep gelijkwaardig. Zou dat door het ‘geheim van Buijs’ die androgyne kern van de mens komen of een resultaat zijn van noodzaak?

Gelijkwaardig wil echter niet zeggen dat er geen hiërarchie was in de groep. Die zal er zeker zijn geweest. Als we kijken naar onze meest naaste diersoorten, de mensapen. Ook die kennen een hiërarchie en een hiërarchie duidt op machtsverschillen. En dat is nu nog steeds zo. Zet een groep willekeurige mensen bij elkaar en er ontstaat een soort hiërarchie en ook een strijd om de ‘bovenste plek’ in die hiërarchie en gekonkel om die plek te bemachtigen. Vrouwen verschillen daarin niet zoveel of vrijwel niet van mannen. Ook vrouwen doen aan hiërarchie. Kijk gewoon naar een willekeurige schoolklas en je kunt het zien. Of als je meer van de TV bent, kijk naar al die ‘real life’ tv-programma’s als Big Brother en Expeditie Robinson. Ook daar zie je dit gedrag. Dit is menselijk, niet mannelijk en niet iets van sinds de eerste agrarische revolutie.

Dan die neolithische revolutie. Die vroeg om andere zaken en maakte ook andere zaken mogelijk. Om met dat laatste te beginnen. Die revolutie maakte het mogelijk en zelfs aanlokkelijk om meer kinderen te krijgen. Mogelijk omdat het kind niet steeds meegesleept hoefde te worden om er toezicht op te hebben. Het werd hierdoor makkelijker om extra kinderen te krijgen. Makkelijker en belonend omdat ieder kind dat overleefde een extra paar handen betekende en die handen maakten meer werk mogelijk. En als er dan toch iemand in de buurt moet blijven om een oogje in het zijl te houden, dan is het toch handiger omdat iemand te laten zijn die de kleinsten gelijk kan zogen. Hieruit is inderdaad het moderne kerngezin gegroeid alleen gingen daar nog vele eeuwen en zelfs millennia overheen want dat ‘kerngezin’ was onderdeel van een band waar ook grootouders en broers en zussen deel van uitmaakten. Een band die weer onderdeel was van een extended family, een grootfamilie of clan. Ook de keuzes die onze voorvaderen de eerste boeren maakten, kenden een praktische reden en geen op ideologie of op macht gebaseerde reden.

Dat die praktische keuze uiteindelijk hebben geleid tot een samenleving waarin mannen de baas spelen, is wat anders. Nu laat de geschiedenis zien dat er ook vrouwen zijn die de baas spelen, neem Hatsjepsoet, Nefertiti, Cleopatra of de Chinese Keizerinnen Wu Zeitan en Cixi, de Engelse koninginnen Mary, Elizabeth I en II (de huidige) en Victoria, de Russische Tsarina’s Elizabeth en Catharina. Om daaraan een einde te maken is het echter niet nodig om je gelijk in het verleden te gaan zoeken en dat verleden te buigen naar de theorie waarmee je je strijd in het heden voert.

Een unieke eenheidsworst

“Ga dat je personal coach en je stijladviseur maar wijsmaken! Meer eenheidsworst dan in deze tijd heb ik de hele 20ste eeuw niet gezien.” Deze woorden legt Olaf Tempelman in zijn wekelijkse humoristische column Op het tweede gezicht in de mond van de Engelse koningin Elisabeth II. Tempelman fingeert een gesprek tussen de koningin en haar schoondochter Kate Middleton die in dat gefingeerde gesprek aangaf dat tegenwoordig: “authenticiteit juist veel belangrijker dan vroeger,” is. Bij het lezen van deze passage moest ik denken aan het boek The Society of Singularities van Andreas Reckwitz. In twee eerdere Prikkers schreef ik al over dit boek. Een boek waarin Reckwitz de laat-moderne tijd waarin we nu leven beschrijft als een streven naar het unieke en bijzondere: unieke en bijzondere producten, gebeurtenissen, plaatsen en mensen. Reckwitz schrijft precies over die  authenticiteit die ‘juist veel belangrijker is dan vroeger’. Hoe is dit te rijmen met de ‘eenheidsworst’?

Bron: Pixabay

Het simpele antwoord. Als iedereen streeft naar authenticiteit dan is dat streven de eenheidsworst. Dat is een te makkelijke verklaring. Volgens Reckwitz streven we, ten minste een deel van ons en daar kom ik later nog op terug, naar uniciteit door die unieke spullen, door deel te nemen aan unieke gebeurtenissen en unieke plekken te bezoeken, door op unieke plekken te gaan wonen, in unieke huizen en die uniek in te richten en door al die unieke zaken met unieke verhalen aan elkaar te praten. Alles wat we doen moet bijzonder zijn en zo proberen we een unieke identiteit op te bouwen. Reckwitz noemt dit de nieuwe middenklasse. Die we is een middenklasse van hoogopgeleide, kosmopolitisch ingestelde mensen.

En daarmee kom ik bij de betekenis die Van Dale geeft aan het woord authentiek en dat is “betrouwbaar, geloofwaardig.” Als anderen je authenticiteit geloofwaardig vinden dan ben je authentiek. En daar komen we bij de ‘eenheidsworst’. Als je authenticiteit niet wordt gezien, dan behoor je met je ‘bijzondere en unieke’ huis, ervaringen, vakanties, verhalen enzovoorts tot de eenheidsworst. Authentiek is echter alleen authentiek als anderen het als uniek waarderen. Of jij een authentieke persoon bent, hangt dus van anderen af. Bovendien kan je authentieke van de ene op de andere dag verdwijnen en dan blijf je achter met de gebakken peren. Dan lig je eruit, dan word je gecanceld om die term maar eens te gebruiken. Hoe dat werkt kan de Amerikaanse komiek David Chapelle je waarschijnlijk wel vertellen. Die nu van gevierd naar gevierendeeld komiek gaat.

Omdat mensen verschillende opvattingen hebben, hangt het van de persoon af hoe het authentieke eruit ziet en hoe de eenheidsworst. Een fervent aanhanger van Forum voor Democratie ziet in Baudet waarschijnlijk een groot intellectueel en een unieke persoonlijkheid. Anderen, zien een over het paard getilde dandy die zichzelf wel erg geweldig en belangrijk lijkt te vinden waarvan er meer zijn. Dat laatste lijkt dan te worden bevestigd door zijn mede-Kamerleden en aanhangers, allemaal in eenzelfde soort pak, eenzelfde manier van spreken, betogen en overdrijven.

Dat streven naar authenticiteit is, zoals Tempelman Middlton laat zeggen, tegenwoordig heel belangrijk. Er is echter alleen één groot probleem. Voor een groot deel van de mensen ligt het buiten bereik en daarmee kom ik terug bij het andere deel van de we. Het deel dat behoort tot de verliezers van de laat-moderne tijd. Zij behoren tot de onderklasse van mensen voor wie werk, als ze dat al hebben, niet bijdraagt aan hun gevoel van eigenwaarde en dus identiteit. Zij werken om te kunnen leven en het salaris voor dat werk is vaak te weinig om van te kunnen leven. Zeker om te kunnen leven op een manier die in de buurt komt van die nieuwe middenklasse. Of ze behoren tot de oude middenklasse. De geschoolde fabrieks- en witte boordenwerkers met een redelijk inkomen. Geschoold maar niet hoogopgeleid en niet kosmopolitisch want gebonden aan een plek door het werk en de familie. Een groep die, volgens Reckwitz uit twee delen bestaat. Het bovenste deel dat hoopt op een of andere manier tot die nieuwe middenklasse te gaan behoren door bijvoorbeeld studie of opklimmen via het werk. Het andere deel probeert te voorkomen dat het tot de onderklasse gaat behoren en dan vooral niet bij de onderkant van die onderklassen.

Zou het laat-moderne streven naar authenticiteit voor die onderklasse en zeker ook voor het onderste deel van de oude middenklasse niet funest zijn omdat zij nooit tot uniciteit en authenticiteit kunnen komen? Nooit, behalve dan wellicht als profsporter of crimineel. Maar dan moeten ze wel tot de absolute top van de sport of het criminele circuit behoren. Hoe zou het voelen als iets wat als cruciaal wordt gezien al bij voorbaat buiten je bereik ligt? Zeker als je te horen krijgt dat het aan jezelf ligt omdat je niet goed genoeg ‘je best hebt gedaan.’ Want in het wereldbeeld van die nieuwe middenklasse kun je alles bereiken als je er maar in geloofd en je uiterste best doet.

Zijn ze er nog?

Er zijn mensen die niet geloven dat Neil Armstrong op de maan heeft gelopen. Dat zou een hoax zijn, een complot. Dat kan, ik geloof het echter niet. Want de kans dat geen van al die betrokkenen bij NASA zich ooit een keer verspreekt, is erg klein. De natuurkundige David Robert Grimes maakte er een berekening van en kwam tot de conclusie dat dit complot maar 3,7 jaar geheim zou zijn gebleven. Dat zou betekenen dat al in februari 1973 bekend zou moeten zijn dat Armstrong niet op de maan heeft gelopen. En waarschijnlijk al eerder omdat dan ook al eerder bekend zou zijn dat de raket die  juli 1969 opsteeg, niet naar de maan zou gaan. Toch zijn er geheimen die het veel langer uithouden. Eén geheim zelfs al een jaar of 40.000. Als de debuutroman Ze zijn er nog van Venlonaar Fons Wijers op waarheid berust.

Eigen foto

“In een bos bij München ligt een corpulente man wiens schedel met een scherpe steen is gespleten. Vijftien maanden eerder raken twee Nederlandse toeristen verzeild in een afgelegen dorp in de Karpaten. De mensen daar zien er wat vreemd uit. Een jaar later keren zij terug naar het dorp met een Duitse amateurarcheoloog. Ze vinden aanwijzingen dat de inwoners nazaten zijn van neanderthalers, die zich gelijkwaardig aan de Homo sapiens hebben ontwikkeld. Door list en bedrog loopt het uit de hand.” Aldus de tekst op de achterkant van Wijers’ roman. Zou het echt zo kunnen zijn?

 Ik ben onvoldoende onderlegd in de wiskunde om de formule die Grimes hanteert, goed uit te kunnen leggen. Daarom maar de simpele verklarende versie van de formule die Sanne Blauw bij De Correspondent geeft. Blauw noemt het een ‘vrij simpel statistisch model’ en beschrijft de drie belangrijkste ingrediënten voor de formule. “Allereerst, de jaarlijkse kans dat een persoon het geheim onthult, ofwel per ongeluk.”  Volgens Grimes is de kans dat er iemand uit de school klapt 4 op één miljoen.

En daarmee wordt het tweede element belangrijk: “het aantal mensen dat van de samenzwering weet.” Nu wordt uit Wijers’ roman niet duidelijk hoeveel Neanderthalers er nog rondlopen. In de roman wordt gesproken over nog twee groepen, een in Roemenië en één in de Kaukasus. Daarnaast worden twee andere groepen genoemd die inmiddels niet meer bestaan. Eentje bij Gibraltar en een andere in de Ardennen. In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid slaat Yuval Noah Harari er een onderbouwde slag naar. Hij haakt aan bij het onderzoek naar groepsgrootte bij chimpansees en komt uit op een groepsgrootte van tussen de twintig en vijftig. Als het er meer worden dan “raakt de sociale orde uit balans, wat uiteindelijk leidt tot een breuk en de vorming van een nieuwe troep door een deel van de dieren. Het is maar een paar keer voorgekomen dat zoölogen groepen van meer dan honderd chimps hebben kunnen observeren.[1] Als we rekenen met vijftig per groep, vier groepen en vier generaties per eeuw, dan zijn dat 80.000 individuen per groep. Voor vier groepen komt dat neer op 320.000 neanderthalers.

Met Grimes 4 op de miljoen, betekent dat er in die 40.000 jaar ongeveer 1,3 individuen zijn die uit de school klappen. Dat is niet veel. Zeker niet als je je realiseert dat die kletskous de eerste pakweg 35.000 jaar weinig kans had om te kletsen. De kans om een homo sapiens tegen het lijf te lopen was klein want zoveel waren er niet. In enig jaar is de kans 0,0008 dat het geheim uitkomt en in het heden nog maar 0,0004 omdat er nog maar twee groepen zijn. Een kans wordt uitgedrukt in een getal tussen de 0 en 1. Daarbij is 0 kansloos en bij 1 dan gebeurt het zeker. Die 0,0008 valt in de categorie behoorlijk kansloos en 0,0004 eveneens. En daarmee hebben we het laatste element uit Grimes kansberekening: “de groei dan wel krimp van die betrokken groep mensen.” In het geval van de neanderthalers is het dus krimp. Het aantal groepen is gekrompen van vier naar twee en het verhaal lezend moet je concluderen dat het die twee groepen zeer veel moeite kost om zich in stand te houden. Dus als er ‘er nog zijn’ en ze willen dat geheim houden, dan wordt dat steeds makkelijker. Maar met het makkelijker worden, wordt de kans ook groter dat ze er opeens niet meer zijn.

Echter onwaarschijnlijke dingen gebeuren. In Wijers’ roman zijn ‘ze’ er dus nog en worden ze per ongeluk ‘ontdekt’. In die ontdekking spelen twee Nederlanders en dus die Duitse amateurarcheoloog een belangrijke rol. Op meeslepende wijze neemt Wijers de lezer mee door het verhaal van de ontdekking of toch niet? Een verhaal waarin het liep zoals beschreven maar het had net zo goed anders kunnen lopen. Had het niet zo hard geregend of was het plaatsnaambord wat groter, dan was er geen verhaal geweest. Was de vriend van de Duitser meegegaan, dan was het een heel ander verhaal. Was die onbekende jonge vrouw niet verkracht en vermoord, dan ….


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid,  pagina 35

Ik werk dus in ben!

“Working 9 to 5, what a way to make a living. Barely gettin’ by, it’s all taking and no giving. They just use your mind and they never give you credit. It’s enough to drive you crazy if you let it.” Het refrein uit 9 to 5, de hit waarmee Dolly Parton in 1980 de hitlijsten bestormde. Een lied over een eenvoudige arbeidster die probeert wat van haar leven te maken maar niet echt vooruit komt. Working 9 to 5, een beperkt deel van dag werken om zo geld te verdienen om te leven. Werken om te kunnen leven. De motivatie om te werken lag in de mogelijkheid die het bood om te leven. Tegenwoordig is dat anders, zo betoogt Andreas Reckwitz in zijn boek The Society of Singularities waarover ik in een recente Prikker ook al schreef. Toen over het enige wat tegenwoordig schaars lijkt, namelijk aandacht. Werken is tegenwoordig veel meer.

coaching text decor, coaching, business, success, coaching business, business coaching, business coach, inspire, motivation, coach
Bron: pxfuel

Werk: “has turned (…) into one of the main sources of a meaningful life.” Het: “not only increases our satisfaction on the job but also tends to encourage self-exploitation in a typically late modern way.” Gevolg hiervan is dat werk kwantitatief en kwalitatief steeds meer plek inneemt in ons leven. Daar waar de werklui in de tijd dat Parton de hitlijsten bestormde hun motivatie haalden uit de financiële beloning, is dat tegenwoordig heel anders. Als werk je doel in het leven is, dan is alleen financiële beloning erg mager. En omgekeerd, dan is alleen die financiële beloning geen goede motivatie om te gaan werken. Die motivatie moet dan uit jezelf komen. Dan moet je intrinsiek gemotiveerd zijn en dat houdt het risico in, zo betoogt Reckwitz: “that the work itself will no longer have any limits and that working subjects will have nowhere to retreat on account of the dissapearing distance between professional self-actualization and personal identity.[1] Om het kort samen te vatten en Descartes te parafraseren: ‘‘ik werk dus ik ben!”

En ik ‘ben’ alleen als ik succesvol optreed, want volgens Reckwitz is werk steeds meer te vergelijken met een toneelvoorstelling: “the praxis of of late-modern working culture has been reorienting itself more and more toward the format of performance and away from objective achievement.[2] Daar waar de arbeider in de oude 9 to 5 tijden werd afgerekend op zijn productie in een bepaalde tijdseenheid, is het succes nu afhankelijk van de waardering van ‘het publiek’ dat de ‘voorstelling’ bijwoont. Dat begint al bij de selectie van medewerkers. Diploma’s en andere redelijk objectieve maatstaven doen er veel minder toe, dit ten faveure van competenties die niet objectief te meten zijn. Aan de hand van de ‘voorstelling’ die je geeft tijdens het sollicitatiegesprek, wordt ingeschat of je de gewenste competenties bezit. Ben je al wat verder in je loopbaan, dan zijn eerdere ervaringen belangrijk.

Kijken met Reckwitz bril dan zijn er twee zaken die goed kunnen worden verklaard. Zo hoeft het grote aantal mensen dat overwerkt met een burn-out thuiszitten niet te verbazen. Als je voor je eigenwaarde afhankelijk bent van de subjectieve beoordeling door anderen, en die beoordeling vooral afhankelijk is van je laatste voorstelling, dan ligt een burn-out op de loer. Als tweede de wildgroei aan ‘personal coaches’. Het lijkt wel alsof er tegenwoordig meer coaches zijn dan gecoachte mensen. Reckwitz over coaching: “This is no langer just a matter of providing general recipes for self-management; rather, it involves analyzing the complex capabilities and desires of individual personalities in order to discover untapped potential, to refine and develop personal visions, and to figure out alternatives, opportunities and risks within the aim of developing career strategies.[3]

Nu is dit niet het hele verhaal. In een wereld waarin je bent wat je werkt, ben je niet veel als je een baan hebt zoals de persoon in Dolly Partons 9 to 5. En dat is wat we ook in onze huidige samenleving zien. Veel werk is nog steeds van het 9 to 5 soort en is onmisbaar om de samenleving goed te laten draaien. Schoonmaken, vuilophalen, het verplegen en verzorgen van mensen, de post en pakketten bezorgen, de winkelschappen vullen, allemaal onmisbaar, maar waar je in een wereld die, zoals Reckwitz het noemt : “Massively desires the uniqueness of working personalities,[4]” niet mee scoort. Dan rest als enige motivatie (en waardering) je salaris en laat het daaraan nu ontbreken. Moet het dan verbazen dat we kampen met een tekort aan personeel in de zorg, het onderwijs, bij de politie enzovoorts?


[1] Adreas Reckwitz, The society of singularities, pagina 157

[2] Idem, pagina 150

[3] Idem, pagina 155

[4] Idem, pagina 160

Modern en anti-modern

Al weer Afghanistan? Ja, deze Prikker gaat alweer over Afghanistan en toch ook weer niet helemaal. Op Joop verschenen in korte tijd twee artikelen van Sahar Noor, manager Diversiteit en Inclusie bij BNNVARA. Noor is, zoals ze het zelf zegt, sinds 1994 Afghaanse-Nederlander. En zoals ze in haar eerste artikel schrijft, kijkt ze: “Gedesillusioneerd (…)  toe hoe mijn mensen weer een hoop ellende staat te wachten.”  In haar tweede artikel staat het ontbreken van Afghaanse geluiden tegen de machtsovername door de Taliban centraal. Volgens Noor moeten: “de media niet langer bang zijn dat ze de standpunten en berichten niet door ‘Westerse’ journalisten kunnen laten verifiëren en dit alternatieve narratief overbrengen. De Afghaanse activisten, journalisten en gewone moedige burgers verifiëren die wel. Misschien is het tijd om ook naar hen te luisteren.” Dat klinkt aannemelijk maar toch knaagt er bij mij iets.

Doesburg: faith in God | Old wall sign: "Die op God vertrouw… | Flickr
Bron: flickr

In haar eerste artikel maakt Noor zich druk over het gemoed van de Afghanen. Die leven volgens haar niet in chaos: “Dit is de wanhoop nabij zijn. Het is overleven. En desnoods sterven. Niemand had de Afghanen gevraagd of ze bereid waren hun mensen- en kinderrechten op te offeren in ruil voor veiligheid. Als dat laatste tenminste nog waar blijkt.” De Afghanen, haar mensen aldus Noor: “zijn keer op keer de grote verliezers. Ze verliezen en blijven verliezen. Hun bestaansrecht, hun menselijkheid, hun waardigheid en hun trots worden van hen afgepakt bij iedere politieke omwenteling. Ze gaan door de zoveelste worsteling tussen lijden en dood. Tussen opgeven en de moed bij elkaar rapen om met vrees voor eigen leven het land te ontvluchten, desnoods zich uit wanhoop vast te klampen aan vliegtuigwielen om halverwege dood uit de lucht vallen, terwijl wij hier nog steviger de poorten dichttrekken.” Verzuchtend vraagt ze zich daarop af: “Beseffen wij dit eigenlijk wel? Horen wij de schreeuw van de Afghanen en hun onvermogen om uit deze eeuwige cocon van misère te komen? Hebben wij eigenlijk wel door wat dit met hun eigenwaarde doet?

Nu is het niet mals wat er zich de afgelopen vijftig jaar in Afghanistan heeft afgespeeld. Laten we even terug gaan in de tijd. In 1973 een staatsgreep waarmee Mohammed Daoud Khan zijn neef koning Mohammed Zahir Shah afzette en zelf president werd van de nieuwe republiek Afghanistan. Die staatsgreep verliep zonder bloedvergieten maar dat had anders kunnen lopen. Om een burgeroorlog te voorkomen trad de koning, die op het moment van de staatsgreep in het buitenland was, af. Nu was Daoud al sinds 1953 minister-president en in die hoedanigheid was hij de drijvende kracht achter de pogingen om het land te moderniseren[1] en zette hij zich in voor de emancipatie van vrouwen.

De staatsgreep van Daoud kon naast militairen ook op de steun van communisten rekenen. Die kwamen echter bedrogen uit en werden in 1975 aan de kant geschoven en vervangen door conservatieven en vooral door familieleden. Daoud stapte over van het ‘moderne kamp’ naar het ‘anti-moderne. In 1977 werd het land, door de Loya Jirga (de vergadering van oudsten) omgevormd tot een eenpartijstaat. En die partij was geen communistische. De sharia werd tot de hoogste wet verklaard. Dit was tegen het zere been van de communisten en die pleegden een jaar later een staatsgreep waarbij Daoud en zeventien van zijn familieleden werden geëxecuteerd. De communisten streden voor een communistisch modern Afghanistan. De macht van de communisten werd meteen bestreden door de conservatieve stamhoofden met hun machtsbasis op het platteland en daar woonde en woont het gros van de Afghanen. Daarmee dreigde het anti- moderne het pleit in haar voordeel te beslechten en daarop greep in 1979 de Sovjet Unie in. De Sovjets kregen, zo zeiden ze, een verzoek van het socialistische Afghaanse broedervolk en zetten zich weer in voor het moderne Afghanistan. Die inval maakte ook dat de Verenigde Staten geïnteresseerd raakten in het gebied. Het bood immers een mogelijkheid om de Sovjets dwars te zitten en het hen lastig te maken. Dit leidde tot Amerikaanse steun aan de Mudjahideen.

De Sovjets hielden het 9 jaar vol en zorgden ervoor dat de communisten in het zadel bleven. Uiteindelijk waren de kosten in mensenlevens en geld te hoog en in 1988 verlieten de laatste Sovjetmilitairen het land. Die terugtrekking leidde niet tot het einde van het communistische bewind. Dat bleef met financiële en materiele steun van de Sovjets nog tot 1992 aan de macht. Na het exploderen van de Sovjet Unie viel de Sovjet steun weg omdat het Rusland onder Jeltsin die Sovjeterfenis niet overnam. Hierdoor viel het communistisch bewind en kwamen de Mujahideen aan de macht.

Nu moeten we ons daar niet te veel bij voorstellen want die Mudjahideen waren geen echte eenheid. Ze waren een zolang toen ze een gezamenlijke vijand hadden. Toen die wegviel begonnen ze elkaar te bestrijden om de macht. Toen die wegviel, viel trouwens ook de Amerikaanse interesse in het gebied weg. De machtsovername in 1996 door een nieuwe antimoderne club, de Taliban, interesseerde op dat moment niemand. Dat de sharia weer werd ingevoerd leidde tot minder verontwaardiging dan de vernietiging van de beelden van Bamiyan. Die eerste machtsovername door de Taliban kon op steun, actief en passief, rekenen van een groot deel van de Afghaanse bevolking. Die was na bijna dertig jaar de oorlog en strijd moe en de Taliban brachten, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef orde en gezag op islamitische grondslag en in die grondslag kon het gros van de Afghanen zich wel vinden.

Die desinteresse zou waarschijnlijk nog steeds bestaan als er op 11 september 2001 geen aanslagen waren gepleegd. Helaas gebeurde dat wel en vielen de Verenigde Staten het land binnen om Bin Laden te pakken te krijgen. Dat lukte niet en het duurde nog tien jaar voordat Bin Laden in Pakistan werd gevonden. Vreemd genoeg werd dat land niet gevraagd om Bin Laden uit te leveren, noch werd het binnengevallen. Na de inval startte het Westen onder leiding van de Verenigde Staten als een stel opiumoptimisten zoals ik ze in een eerdere Prikker noemde, een nieuw moderniseringsoffensief. Dit keer geen communistisch maar een liberaal democratisch.

En nu, weer tien jaar verder trekken de Amerikaanse en NAVO-troepen zich terug en heeft de Taliban het heft weer in handen, wordt de anti-moderne weg weer ingeslagen en de sharia weer ingevoerd. Nou ja ingevoerd, die staat al sinds 2004 in de Afghaanse grondwet. Alleen kun je die op verschillende manieren toepassen. Afghanistan is niet het enige land waar dat zo is. Gerespecteerde Westerse bondgenoot Saoedi Arabië en Iran passen ook de sharia toe en in dat land is de positie van de vrouw qua rechten niet veel beter. Dit lukte de Taliban zonder al te veel strijd en oorlogsgeweld. Dus ja, de afgelopen vijftig jaar hebben de Afghanen veel ellende en misère ondergaan en daar hebben andere mogendheden een flinke steen aan bijgedragen. En inderdaad zullen de Afghanen uit de misère willen komen en ja, wellicht zijn er die in hun eigenwaarde zijn aangetast.

En daarmee kom ik bij Noors tweede artikel waarin zij oproept Afghaanse activisten, journalisten en gewone moedige burgers aan het woord te laten en naar hen te luisteren. Mensen waar Noor, zo eindigt ze haar eerste artikel, achter staat, want het: “is onze gezamenlijke strijd voor menselijkheid.” Zou Noor daar niet een punt hebben? Maar dan wel op een andere manier dan zij denkt? Uit Noors artikel begrijp ik dat we meer moeten luisteren naar de Afghanen die zich verzetten tegen de Taliban, die strijden voor gelijke rechten voor vrouwen en die zich inzetten voor democratie. Voor de moderne Afghaanse krachten. Inderdaad verdienen deze mensen, naar mijn mening, onze steun en moeten we luisteren naar wat zij nodig hebben. Wat zij daarbij nodig hebben, moeten we vooral van henzelf horen, want inderdaad zijn: “Representatieve bronnen in de media (…) belangrijk voor het schetsen van een evenwichtig beeld van de situatie,” zoals Noor terecht schrijft.

Maar is er voor een evenwichtig beeld van de situatie niet veel meer nodig dan alleen luisteren naar de activisten, journalisten en moedige burgers? Is er om Afghanistan te begrijpen en te ontdekken wat er in het land omgaat niet veel meer nodig? Het gros van de Afghanen bevindt zich in het spectrum tussen de Taliban en die activisten. Voor een evenwichtige beeld is het juist van belang om te weten welke verschillende beelden en opvattingen er onder deze groep leven Zou voor een groot gedeelte, misschien wel het overgrote deel, van de Afghaanse bevolking niet kunnen gelden dat ze blij zijn met deze politieke omwenteling? Dat ze blij zijn dat die westerlingen eindelijk en met de staart tussen hun benen de biezen hebben gepakt? Zou het niet kunnen dat een groot deel van uw mensen er trots op is dat ze na de Britten en de Sovjets nu ook de Amerikanen en de NAVO aan hun zegekar kunnen binden? Dat ze er trots op zijn dat hun gezamenlijke strijd voor hun manier van menselijkheid heeft gezegevierd? Dat ze blij zijn dat de democratische chaos en corruptie van de westerlingen eindelijk tot een einde behoort en dat ze eindelijk weer zelf kunnen bepalen wat ze willen? En dat wat ze in overgrote meerderheid willen een islamitische samenleving is met islamitische gebruiken en islamitisch recht? Een anti-moderne samenleving dus.


[1] Ik spreek in deze prikker van modern en anti-modern. Modern staat daarbij voor denken dat uitgaat van de door de mens maakbare samenleving. Anti-modern voor denken dat uitgaat van een alles bepalende godheid.

Opiumutopisten

Trouwe lezers van mijn Prikkers zullen ondertussen wel weten dat De open samenleving en haar vijanden van de Oostenrijkse filosoof Karl Popper, een van de werken is die mijn denken heeft beïnvloed. Dit boek bevat een uitgebreide uitwerking van zijn kritiek op het historicisme. Denken dat uitgaan van een ‘voorgeprogrammeerde’ toekomst. Als je die toekomst wilt kennen, bestudeer dan het verleden en extrapoleer. Dat extrapoleren kan door te denken in vooruitgang, dan ontwikkelt de geschiedenis zich naar een hoogtepunt. Maar ook door te denken in achteruitgang, dan wordt het steeds slechter. Dan was ‘vroeger alles beter’. Bij dit denken staat het heden in dienst van die toekomst. Ik moest aan Popper denken bij het schrijven van mijn vorige Prikker, die over de gebeurtenissen in Afghanistan handelde.

Poppy Interactive - War and Organized Crime Gone Global / … | Flickr
Bron: Flickr

In die Prikker citeerde ik de volgende passage van de historicus H.W. von der Dunk: “Ik denk dat wij in onze huidige wereld de waarde van een liberale democratie boven alle andere staatsvormen gerust kunnen erkennen en vooral tegen bedreigingen moeten verdedigen zonder die democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als algemeen zaligmakend model ook voor de toekomstige mensheid en voor heel andere culturen te zien.” Von der Dunk schreef dit in het jaar 2000. In een tijd dat, in navolging van Francis Fukuyama, ‘het einde van de geschiedenis’ werd gepredikt. De, zoals Von der Dunk het beschrijft: “these dat de liberale democratie (volgens Westers snit) zich als de definitief superieure heeft betoond, en als het toekomstmodel voor de wereld kan worden gezien. [1] Von der Dunk dacht daar dus iets anders over.

Precies wat er volgens Von der Dunk niet moest gebeuren, heeft het Westen wel gedaan: het ‘opdringen van democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als zaligmakend model.’ Een model dat werd opgedrongen aan Irak en Afghanistan. In beide gevallen met weinig tot geen succes. En toen moest ik denken aan Popper omdat het Westen uitging van de ‘wenselijkheid’ en niet de werkelijkheid. Het Westen stelde een ideaal centraal: de liberale democratie. Maakte een blauwdruk van wat daartoe behoorde: een grondwet, verkiezingen enzovoorts en stippelde een plan uit: die grondwet en dan zo snel mogelijk verkiezingen, dat is immers als het toppunt van democratie enzovoorts. In zijn 1945 gepubliceerde boek De opensamenleving en haar vijanden, stelde hij tegenover deze ‘utopische sociale technologie’ zoals hij het noemt, de ‘stapsgewijze sociale technologie’. Popper: “De politicus die deze methode toepast, heeft al dan niet een blauwdruk van de samenleving in gedachten, hij koestert al dan niet de hoop dat de mensheid ooit een ideale staat tot stand zal brengen en geluk en perfectie op aarde zal verwezenlijken, maar hij zal zich ervan bewust zijn dat perfectie – als die al haalbaar is – heel ver weg is, en dat elke generatie, en dus ook de nu levende, een rechtmatige aanspraak heeft; misschien niet zozeer de aanspraak op geluk, want er zijn nu eenmaal geen constitutionele middelen om de mens gelukkig te maken, maar wel de aanspraak om niet ongelukkig te worden gemaakt wanneer dat kan worden vermeden. Zij mogen er aanspraak op maken dat ze alle mogelijke hulp krijgen wanneer ze lijden. De voorstander van stapsgewijze technologie zal dan ook de methode kiezen waarmee hij de grootste en dringendste kwalen van de samenleving kan opsporen en bestrijden, en niet zozeer het hoogste goed trachten te zoeken en daarvoor vechten.[2]De ‘grootste en dringendste’ kwaal in Afghanistan was niet dat er geen grondwet was en geen verkiezingen werden gehouden. De ‘grootste en belangrijkste’ kwaal waarvan het in 2001 net een beetje aan het herstellen was, brachten de Verenigde Staten weer terug. Namelijk wanorde, gevechten en onveiligheid.

De Taliban konden in de jaren negentig aan de macht komen omdat ze een einde konden maken aan de ‘grootste en dringendste’ kwaal, de gevechten tussen de verschillende groepen en facties. Aan wat we de burgeroorlog noemen. Naar mijn opvatting is ‘burgeroorlog’ een verkeerd woord omdat het Afghanistan neerzet als land en een natie. Als het iets niet is en nooit is geweest, dan is het land en natie. Het is een gebied waar groepen met verschillende culturele achtergronden tot in begin jaren zeventig van de vorige eeuw vreedzaam langs en door elkaar leefden. Die vrede duurde net zolang totdat ideologieën hun intrede deden en zich begonnen op te dringen. Daarbij maakten ze dezelfde fout maakten als het Westen nu heeft gemaakt. Namelijk proberen een ‘wenselijkheid’ op te dringen die niet aansloot bij de ‘werkelijkheid’. Dit leidde tot bijna twintig jaar verwoestende strijd. Eerst tien jaar samen tegen de ene ideologie vertegenwoordigd door de Sovjet Unie en daarna nog een jaar of zeven onderling omdat de oude orde was verstoord, er geen nieuwe orde was en geen groep sterk genoeg om orde te vestigen. En toen, vanaf 1994, kwam die relatief nieuwe club de Taliban en die deed iets waaraan het jarenlang had ontbroken. Ze boden een aantrekkelijk alternatief: orde, maar wel op een ideologische islamitische grondslag. En aan orde ontbrak het al twintig jaar. Met een Westerse bril zie je veel negatieve kanten aan die orde met als belangrijkste de ondergeschikte positie van de vrouw, barbaarse straffen en geen respect voor andere culturen getuige de vernietiging van de beelden van Bamiyan. Met de bril van een gemiddelde Afghaan was ‘orde’ aantrekkelijk, het sloot aan bij de ‘grootste en dringendste’ kwaal want dat was wanorde. In 1996 controleerden ze heel het gebied Afghanistan afgezien van een stuk in het noorden.

In 2001, na de aanval door de Verenigde Staten verviel het land weer in wanorde. En wat bood het Westen om die wanorde tegen te gaan? Ze begonnen geheel in de stijl van ‘utopische sociale technologen bij het einde, bij de ‘wenselijkheid’ en dan ook nog hun utopische versie van de Afghaanse ‘wenselijkheid’. Bij verkiezingen en een grondwet en niet bij een bij de ‘werkelijkheid’ aansluitend systeem van orde. Daarbij vergaten ze de ontstaansgeschiedenis van hun eigen liberale democratie. Een ontstaansgeschiedenis waarbij ze tot over hun enkels in het bloed van hun voorvaderen staan. Die gaven hun leven voor wat uiteindelijk die ‘liberale democratie is geworden. Een strijd die niet begon met het opstellen van een grondwet en vervolgens algemene verkiezingen. Die strijd begon in Europa met een strijd tussen The King, the Pope and I zoals de Prikker is getiteld waar ik aan de hand van Fukuyama inga op die strijd. Gevolgd door een strijd tussen de koning en het volk die leidde tot een verantwoordelijke overheid. En pas veel later, leidde dit tot een grondwet en een ‘liberale democratie’. Hierbij stond de uitkomst niet van tevoren vast. Voor verschillende Westerse landen duurde het nog twee Wereldoorlogen voor ze de afslag naar een liberale democratie namen.

Als utopist probeerde het Westen in wat we Afghanistan noemen iets te bereiken wat in Europa, in een heel andere culturele en historische setting meer dan duizend jaar kostte. Wellicht toch te veel van het bekendste Afghaanse exportproduct gebruikt?


[1] http://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/21453/?sequence=2 pagina 6-7

[2] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden¸ pagina 188. Lemniscaat 2007

Stijfkoppigheid

Het lijkt erop alsof de hele Westerse politieke wereld verbaasd is over de snelle opmars van de Taliban en het snelle ineenstorten van de Afghaanse regering. Zouden ze werkelijk verbaasd zijn of spelen ze die verbaasdheid? Ik stel die vraag omdat de gang van zaken in dat land mij in het geheel niet verbaasd. Wat mij verbaasd is de grenzeloze naïviteit gedurende de nu zo’n twintig jaar durende Westerse bemoeienis met het land. Waarom verbaast het mij niet?

Het verbaast mij niet omdat het Westen onder aanvoering van de Verenigde Staten, zonder gedegen kennis van de situatie en de mensen in Afghanistan is binnengetrokken. Nu pretendeer ik niet dat ik precies op de hoogte was en ben van de situatie in het land. Begin jaren negentig was echter wel duidelijk dat er wellicht een land is dat Afghanistan heet, maar zeker geen natie. Voor een natie: “… is het niet genoeg om formele staatsinstellingen te creëren, ongeacht of die op ontleende of inheemse modellen gebaseerd zijn,” zo constateert Francis Fukuyama terecht, en vervolgt: “Staatsvorming moet vergezeld gaan van een parallel proces van natievorming, wil zij effectief zijn. Natievorming voegt een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.[1] Als je iets kunt zeggen van het ‘Taliban-Afghanistan’ van rond de eeuwwisseling, dan is het dat de formele staatsinstellingen als die er al waren, niet waren gebaseerd op inheemse modellen. De zaken die staatvorming, volgens Fukuyama, moeten vergezellen ontbraken. Behalve dat ze in Afghanistan woonden en Taliban als machthebbers hadden, was en is er niets dat de inwoners deelden en delen. Afghanistan was toen en is nu nog steeds een tribale samenleving waar stamhoofden de gang van zaken in hun gebied bepalen.  

Het verbaast mij niet omdat machthebbers maar niet willen leren van vroegere machthebbers. Wie een beetje van de recente en minder recente geschiedenis kent die weet dat twee eerdere wereldmachten tevergeefs hebben geprobeerd om Afghanistan naar hun pijpen te laten dansen. In de negentiende eeuw ondernamen de Britten enkele pogingen en in 1979 probeerde Sovjet Unie het. Voor wie iets meer van de geschiedenis kent, die weet dat het de Mongolen wel lukte om het gebied aan hun rijk toe te voegen. Het behoorde tot het khanaat van Chatagai, de tweede zoon van Dzengis Khan. Het Khanaat werd ook wel Moghulistan genoemd. Veel rust en plezier bracht het hem echter niet omdat er een permanente strijd om de macht woedde.

Het verbaast mij niet omdat het Westen er een verheven doel naar toe ging dat erop neerkwam dat ‘we er democratie gingen brengen.’ Want, zoals historicus H.W. von der Dunk in 2000 in een artikel schreef: “Ik denk dat wij in onze huidige wereld de waarde van een liberale democratie boven alle andere staatsvormen gerust kunnen erkennen.” Nu zouden we uit onze eigen ervaring moeten weten dat democratie bevochten moet worden. Ze kan niet worden opgelegd. Democratie vraagt om democraten. Daarom vervolgde Von der Dunk met de woorden, dat we die liberale democratie: “vooral tegen bedreigingen moeten verdedigen zonder die democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als algemeen zaligmakend model ook voor de toekomstige mensheid en voor heel andere culturen te zien.[2] Dit realisme ontbrak waardoor een veel realistischer doel: “om een coalitie van stamhoofden, krijgsheren en andere invloedrijke figuren op de been te brengen die onderling zouden kunnen overeenkomen om de vrede te handhaven en Al-Qaida en andere terroristische groepen de kop in te drukken,[3]niet in beeld kwam.

Slechte kennis van het gebied, de mensen en de cultuur, verheven doelstellingen en vooral een grenzeloos vertrouwen in het eigen kunnen, dat past precies in de definitie van dwaasheid van historica Barbara Tuchman: “… het bedrijven van een politiek die in strijd is met het eigenbelang van de betrokken onderdanen of de staat. Eigenbelang is al wat bijdraagt aan het welzijn of voordeel van het bestuurde; dwaasheid is een politiek die in dit opzicht een averechtse uitwerking heeft.[4] Een van de voorbeelden van dwaze politiek die Tuchman in haar boek De Mars der Dwaasheid beschrijft, is de Amerikaanse bemoeienis met Vietnam alwaar dezelfde fouten werden gemaakt. Dus ook daarvan is niet geleerd. Volgens Tuchman is stijfkoppigheid bij leiders en bestuurders de belangrijkste verklaring: “Stijfkoppig zijn bestuurders die een situatie met starre vooringenomenheid beoordelen en daarbij elke aanwijzing die in een andere richting duidt negeren of verwerpen.”[5] Of zoals psychologen het met een Engelse term noemen een ‘conformation bias’ een bevestigingsvooroordeel.

En niet alleen bestuurders van landen: “En hoe komt het dat het Amerikaanse bedrijfsleven vasthoudt aan ‘groei, terwijl daardoor aantoonbaar de drie elementen van leven op onze planeet worden uitgeput: grond, water en onvervuilde lucht?[6] vroeg Tuchman zich ver voor alle klimaatrapporten van het IPCC zich in 1984 af.  


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 350

[2] http://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/21453/?sequence=2 pagina 7

[3] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 346

[4] Barbara Tuchman,De Mars der Dwaasheid, pagina 13

[5] Idem, pagina 15

[6] Idem, pagina 12

Van uithoek tot hoeksteen

“De vergetelheid waaruit die machtige Republiek waarop je als Nederlander ook ‘trots’ moet zijn was opgekomen. Daarover meer in een volgende Prikker.” Zo schreef ik de Prikker met als titel Trots op je land. Die volgende Prikker is nu. Hoe die vergetelheid eruit zag? “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1] Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet.

Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan het ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waarnaar Peter Frankonpan zijn bekende werk De zijderoutes heeft genoemd. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld. Met de val van Rome en het afzetten van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus op 4 september 476, kwam daaraan weer een einde.

File:Slag bij Vlaardingen.JPG
Het naspelen van de slag bij Vlaardingen. De slag die Dirk III in zijn voordeel besliste. Foto: ErfgoedZH

De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken, omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer veel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In het jaar 1000 bestond Nederland nog niet. Van de later machtigste van de Verenigde Provinciën was ook nog geen sprake en zelfs ‘Holland bestond nog niet. Holland was vooral Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland Dirk III behaalde, zo beschrijft Klein het, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West)-Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3]  Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…)  Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daaraan: “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas, ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht was iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de donkere slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijde route. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to their north Italian Neighbors. Also by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, notably weaving of woolen cloth, but markets for this cloth were very limited at first.[5]Zo beschrijven Palmer en Colton in hun A History of the Modern World het Europa dat zich weer langzaam aansloot bij het centrum van de wereld.

Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.” Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[6] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabricaten uit eigen streek anderzijds[7].”

De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noordwest Europa. Zo zie je maar weer dat de winnaars de geschiedenis bepalen want voor de Friezen, die al in de Romeinse tijd een belangrijke macht waren in het gebied dat grensde aan de Noord- en de Waddenzee, restte slechts een bijrol in de ‘trotse’ geschiedenis van het koninkrijk Nederland. De Graaf van Holland was echter niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[8]aldus Palmer en Colton in hun A history of the Modern World over de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders.  Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden. Niets gezamenlijks.

In het begin van de zestiende eeuw werd het onrustig in het gebied van die zeventien provinciën. Trouwens ook in een groot deel van de rest van West-Europa. Drie ontwikkelingen kwamen samen. De eerste ontwikkeling heb ik hierboven al genoemd: de aantrekkende handel en het streven om de tussenhandel uit te schakelen. De handel en de ermee gepaard gaande nijverheid zoals de wol en lakennijverheid zorgde voor toenemende rijkdom waardoor er in steden een rijke burgerlijke bovenklasse ontstond. Een bovenklasse die de oude adel qua rijkdom in haar schaduw stelde. De tweede ontwikkeling: centraliseringsdrang van de vorsten en koningen. De strijd om de macht. Een strijd tussen de vorst, de hoge adel en die rijke burgerlijke bovenklasse. Vorsten die de macht naar zich toe wilde trekken stootten op verzet van de hoge adel en die burgerlijke bovenklasse. Wie er aan het langste eind trok, dat verschilde per gebied. De derde ontwikkeling die een rol speelde was het geloof.

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn toen nog 93 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenberg. Dat is tenminste het populaire verhaal, alleen is niet te achterhalen of het ook werkelijk is gebeurd. Wel zeker is dat Luther op die dag zijn 93 stellingen verspreidde en dat daarmee een belangrijke stap werd gezet in wat we nu de Reformatie noemen. Later werden er nog twee stellingen een toegevoegd. Met die stellingen bond Luther de strijd aan met de kerk en vooral de paus. De strijd draaide vooral om de aflaten, kwijtscheldingen van straffen voor zonden. Die straffen zouden eerst moeten worden ondergaan voordat de zonde wordt vergeven. Met een aflaat was de zonde zonder straf vergeven. De kerk en de paus gebruikten aflaten om de kerkelijke kas te spekken. Een doorn in het oog van Luther. De paus antwoordde door Luther te excommuniceren. Achteraf kunnen we constateren en concluderen dat dit het welbekende lont in het kruitvat was. Dat kruitvat explodeerde en leidde tot een godsdienstoorlog die pas in 1648 met de Vrede van Westfalen werd beëindigd en naar sommigen menen eindigde die oorlog pas aan het einde van de zeventiende eeuw.

Die religieuze perikelen vermengden zich met de strijd tussen de vorst en zijn ‘onderknuppels’ en steden. Wilde je als ‘onderknuppel’ van je vorst af en zocht je naar ‘de zegen van boven’, dan werd je ‘protestants’. Die ‘godsdienstoorlog’ kun je zien als het laatste hoofdstuk in de investituurstrijd tussen de paus en de vorst met betrekking tot wereldlijke zaken. Door de reformatie kreeg een vorst de mogelijkheid om een ander ‘geloof’ te kiezen en met dat geloof ook de volledige macht op zijn grondgebied. Voor wie een ietwat geromantiseerd beeld wil krijgen van de periode van de godsdienstoorlogen en de vermenging van het politieke en religieuze, kan ik de trilogie van Hillary Mantel over het leven van Thomas Cromwell aanbevelen[9]. Die strijd om centralisatie, modernisering, het recht, het vormgeven van verantwoordelijkheid en de strijd tussen de vorst en de kerk, speelde al vanaf het begin van de elfde eeuw en kent eigenlijk eenzelfde oorzaak als waarom er op Indië werd gevaren: het uitschakelen van de tussenpersoon. En de strijd van die ‘tussenpersoon’ om de positie te behouden. En culmineerde in de zestiende eeuw tot die godsdienstoorlog waarbij het dus veel meer draaide om macht dan om het geloof.

In de Lage Landen, die 17 provinciën waar de handel sterk ontwikkeld was, trok die burgerlijke bovenklasse in de zeven noordelijke provincies de macht naar zich toe. In de Zuidelijke 10 provinciën lag dat anders . Daar overwon de kracht van de Spaanse vorst. De Noordelijke zeven provinciën verenigden zich en ontwikkelden wat Fukuyama verantwoordelijk bestuur noemt. Er ontwikkelde zich: “zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur (…), terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[10]” Dit gebeurde, zo betoogt Fukuyama, op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat, de vorst, dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Nu viel het in die Republiek der Zeven Verenigende Nederlanden wel mee met die ‘gecentraliseerde staat’, of moeten we zeggen dat het tegen viel. Ja, die zeven provinciën waren verenigend in die Republiek. De Republiek blonk veel meer uit in ‘sterke lokale gemeenschappen’ met vooral ‘verantwoordelijk bestuur’. Als we de Republiek met iets hedendaags moeten vergelijken, dan komt de Europese Unie nog het meest in de buurt. Iedere ‘provincie’ kende eigen regels en bestuurlijke verhoudingen en zelfs in steden en gebieden binnen provincies waren er grote verschillen. Schöffer c.s. beschrijven het als volgt: “terwijl overal elders centralisatie en vorstenmacht zich schenen door te zetten, kende de Republiek dankzij de federatieve opbouw een sterke spreiding van macht en gezag. … Zelfs zaken van buitenlandse politiek en defensie – in het buitenland gewoonlijk de uitsluitende bevoegdheid van de vorst en zijn raadgevers – konden in de Republiek in stadhuizen en boerenhofsteden worden besproken en daarna in commissies of grotere vergaderingen beslist. Het stelsel is dan ook alleen te begrijpen wanneer het van ónderaf’ wordt beschreven: uitgaande van de stad, ambtsheerlijkheid (de bestuurseenheid op het platteland) of waterschap. Van die basis uit werden enerzijds afgevaardigden gestuurd naar gewestelijke en landelijke vergaderingen en waren anderzijds de directe bestuurscontacten met de bevolking het sterkst.[11] Alleen voor wat betreft de verdediging tegen het buitenland trokken de provincies samen op.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd die vergeten uithoek een machtige hoeksteen in de wereld. Voor nu rest slechts de verwondering dat die Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo’n belangrijke rol vervult in het verhaal waar de Nederlander volgens menigeen ‘trots’ op moet zijn. Trots op een verleden dat staatkundig gezien moderner is dan het ‘koninklijke heden’.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[6] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[7] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[8] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[9] De trilogie begint met Wolfhall gevolgd door Het boek Henry en wordt afgesloten met De spiegel & het licht.

[10] Idem, pagina 383 – 384

[11] I. Schöffer c.s. De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 184

Trots op je land

Ik ben niet links, ik ben niet rechts, maar ik ben recht door zee!” Die woorden sprak Rita Verdonk toen zij zich in 2006 kandideerde voor het lijsttrekkerschap van de VVD. De strijd om dat lijsttrekkerschap verloor ze nipt van Mark Rutte. Bij de erop volgende verkiezingen haalde ze ongeveer net zoveel stemmen als lijstrekker Rutte en dat was een recept voor ellende in de partij en fractie. Uiteindelijk stapte Verdonk uit de partij maar behield haar Kamerzetel. Daarop richtte ze een nieuwe partij op: Trots op Nederland. In de peilingen deed die partij het eerst best aardig maar bij de verkiezingen in 2010 haalde de partij geen zetel. Wellicht een gevolg van interne strubbelingen in de jonge partij. Ik moest hieraan denken toen ik de column van Kiza Magendane bij dekanttekening las.

File:Trots op de Dam 1.jpg
Bron: Flickr

Magendane werd geboren in de Democratische Republiek Congo, een republiek die nog minder democratisch is dan de voormalige Duitse Democratische Republiek en bovendien veel gewelddadiger. Het is in potentie een van de rijkste landen van het Afrikaanse continent maar het wil maar geen land worden. Verschillende groeperingen in het land vechten elkaar de tent uit en worden daarbij gesteund door de diverse buurlanden. Dat je zo’n land vaarwel wilt zeggen, kan ik heel goed begrijpen. Op 1 juli woonde Magendane precies 14 jaar in Nederland en hij vindt het: “ de laatste jaren steeds ingewikkelder om zowel op mijzelf als op Nederland trots te zijn.“  

Beste meneer Magendane, maak u geen zorgen. Ik ben geboren en getogen in Nederland en ik ben ook niet trots op Nederland. Net zoals u kan ik: “dankbaar zijn dat ik mijn talenten in Nederland kan benutten en hier persoonlijke successen behaal.” Ook ik heb grote moeite met: “een overheid die zelfs actief bijdraagt aan het schrijven van nieuwe zwarte bladzijden.” Zwarte bladzijden zoals de omgang met vluchtelingen waarover ik al vaker schreef. Sterker nog, ik denk dat we eens af moeten van dat streven om ‘trots te zijn’ op ‘ons land’. Waarom moeten we ‘trots’ zijn op de plek waar we wonen? Waarom moeten we trots zijn op de ‘geschiedenis’ van die plek? Waarom moeten we trots zijn op acties van de bestuurders van die plek?

‘Trots’ zijn op het land waar je woont, is iets van recente datum. Het is nog geen 200 jaar oud en heeft in die korte tijd meer schade dan goed gedaan. In zijn boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek beschrijft Francis Fukuyama het begin van dit trots aan de hand van Hans: “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde.

In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk. [1]Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’:  “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.[2]

Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[3]Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. Voor Hans, die ‘trotste Duitser’, en zijn tijdgenoten in dat Roergebied moest een bindend verhaal over een gezamenlijke cultuur en geschiedenis worden gefabriceerd en de eerste stap hierbij was het ‘vaststellen’ van de gezamenlijke taal want je gezamenlijke verhalen kun je alleen delen als je dezelfde taal spreekt. Voor dat gezamenlijk verhaal werd er vrolijk gewinkeld in de ‘rekwisietenkist’ van de geschiedenis. Hans moest leren van keizer Frederik I ‘Barbarossa’, die in de twaalfde eeuw een groot deel van de Duitse landen en nog veel meer onder zich verzamelde via, oorlog, huwelijken en andere slimmigheden. Die Frederik werd zo min of meer tot de ‘stichter van het Duitse rijk benoemd. Dat Barbarossa’s rijk na zijn dood verkruimelde, vergeten we dan maar even. 

In het nieuwe koninkrijk Nederland gebeurde in het midden van de negentiende eeuw hetzelfde. Er werd gezocht naar gebeurtenissen met grote impact en die werden tot ‘nationaal verleden’ gebombardeerd. Zo kwamen, om een voorbeeld te noemen, de Bataven in beeld. Een Germaans volk dat samen met de Frissii en de Canafaten en onder leiding van Julius Civilis in 69 CE opstond tegen de Romeinen. Julius Civilis was een Bataaf die in het Romeinse Rijk had gediend. Een opstand die na korte successen eindigde met een nederlaag in het jaar 70 CE. De Bataven woonden in een deel van wat nu Nederland is maar er is geen enkele relatie met het negentiende-eeuwse Nederland. Alleen het feit van de gedeelde maar in  tijd toch ruim 1800 jaar gescheiden woonplaats, maakt een opstand tegen het grote Romeinse Rijk iets om als negentiende-eeuwse Nederlander trots op te zijn en dat moet vervolgens een belangrijke plek krijgen in het ‘nationale verhaal’. Trots omdat die kleine Bataafse Calimero het zomaar, zij het zonder veel succes, durfde op te nemen tegen het grootse Romeinse Rijk. Die ‘trots’ moest vooral in het oudere verleden worden gezocht omdat het jongere verleden veel minder heldhaftig was dan men zou willen.

Voor het gemak wordt vergeten dat het ‘trotse’ Nederland na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig alleen op de kaart verscheen omdat de toenmalige ‘Powers that Be’ Engeland, Rusland, het Habsburgse Rijk en Pruisen zochten naar een machtsevenwicht dat Frankrijk in toom moest houden. In de ‘herschikking’ die daarop volgende, werden de grenzen in Europa flink veranderd. Zo ontstond er een compleet nieuw land: het koninkrijk der Nederlanden. De oude Republiek uitgebreid met de Oostenrijkse Nederlanden. Oostenrijk kreeg als ‘compensatie’ wat gebieden in Italië. Weg waren ongeveer 200 jaar republikeins bewind omdat die ‘Powers that Be’ alleen vertrouwden in de oude adel. En dus werd het nieuwe land opgescheept met een koning die het land regeerde. Een compleet nieuw land ontstond na ‘hertekening’ van de grenzen en die hertekening was niet de eerste en ook niet de laatste. Voor de liefhebbers is er een animatie die de ‘grenswijzigingen’ van de afgelopen 4.000 jaar laat zien[4]. Bij de volgende grote grenswijziging ondervond het Habsburgse Rijk, de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie, wat het betekende om niet meer tot de ‘Powers that Be’ te horen. Het Rijk viel onder goedkeurend geknik van de Powers that Be’ van dat moment uiteen en de onderdelen vielen terug in vergetelheid. De vergetelheid waaruit die machtige Republiek waarop je als Nederlander ook ‘trots’ moet zijn was opgekomen. Daarover meer in een volgende Prikker.

Er werd ‘trotst’ gekweekt op iets wat een groep mensen bindt. Wat die groep bindt, scheidt hen echter van anderen en dat van elkaar scheiden veroorzaakt veel schade.  


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 89

[2] Idem, pagina 91

[3] Idem, pagina 92

[4] https://youtu.be/TUWqYaEm4h8

Een kist met rekwisieten

Je kon erop wachten en dat wachten duurde niet eens erg lang. Waarop? Op reacties op het artikel van historicus Piet Emmer in de Volkskrant. Na bezichtiging van die expositie constateert Emmer: “Wie hoopt dat de tentoonstelling hem of haar op de hoogte brengt van de laatste wetenschappelijke inzichten hoeft het Rijksmuseum niet te bezoeken, maar wie zijn stereotiepe opvatting over de slavenhandel en slavernij bevestigd wil zien, komt in het Rijksmuseum ruimschoots aan zijn trekken.” En inderdaad, de reacties stonden een dag later al in de krant. En inderdaad begint het: “inmiddels een saaie rituele dans met Piet Emmer te worden die elk jaar weer opnieuw wordt uitgevoerd.” Zoals Maayke Botman in de Volkskrant schrijft.

Reacties als: “Zelden heb ik zo’n schaamteloze verdediging van de slavernij gelezen, verpakt als relativering en nuancering.” En: “De naweeën van wat aan mijn voorouders is aangedaan, voel ik tot op de dag van vandaag. Dat de schrijver daar anno 2021 geen, althans veel te weinig rekenschap van geeft in de toon, manier, woordkeuze en kritiek op de tentoonstelling in het Rijksmuseum, geeft aan dat ook hij als historicus helaas nog niet genoeg heeft geleerd of meegekregen van deze uitermate tragische pagina uit onze geschiedenis.” Nu kun je veel van Emmers artikel vinden, het is echter geen verdediging van slavernij. Emmer vraagt aandacht voor het bredere kader rond slavernij en voor aandacht voor het tijdsperspectief. Dat dit iemand pijn doet die de naweeën voelt van wat zijn voorouders is aangedaan dat kan, maar dat maakt aandacht voor het bredere kader en het tijdsperspectief nog niet verkeerd.

Slavery Boulanger Gustave Clarence Rudolphe The Slave Mark… | Flickr
Bron: Flickr

Nu zijn dit reacties van ‘gewone’ krantenlezers. Het wordt anders als historici dit ook doen. Volgens historicus aan de universiteit van Leiden en onderzoeker naar het Nederlandse koloniale verleden Karwan Fatah-Black, draaiden de slavenhouders de: “de discussie over slavernij naar een discussie over omstandigheden op de plantages.” Hoe ze dat deden? “zo werden de slaafgemaakten in de slotakte van de slavernij afhankelijk gemaakt van geleverde goederen. Waar de eigenaren het geld mee verdienden om dit te betalen, laat zich raden.” Zo reageert Fatah-Black op Emmers opmerking dat een slaaf de eigenaar: “gemiddeld 94,57 gulden per jaar aan voedsel en 13,58 gulden aan kleding en huishoudelijke artikelen alsmede huisvesting, het gebruik van een moestuin en medische zorg,” kostten. Terwijl: “In dezelfde tijd verdienden de landarbeiders in Drenthe ongeveer 150 gulden per jaar zonder huisvesting, moestuin en doktershulp.” Fatah-Black vindt dit een merkwaardige voorstelling van zaken en vraagt zich af:  “Waarom mijn vakgenoot bij herhaling zoveel onjuistheden blijft opdissen.”

De reactie van de slavenhouders past zeer goed in het tijdsbeeld en zij stonden daarin niet alleen. De Russische lijfeigenen kregen met hetzelfde te maken nadat de tsaar het lijfeigenschap in 1861 afschafte en de voormalige lijfeigenen een stukje grond kregen. De voormalige eigenaar kreeg een flink bedrag ter compensatie van zijn verlies en die compensatie samen met exorbitante pacht voor dat stukje grond, maakten dat de voormalige lijfeigenen slechter af waren dan voorheen[1].

Trouwens ook die ‘vrije arbeiders’ met dat loon van 150 gulden waarover Emmer schrijft, kregen een soortgelijke behandeling. In zijn Het Kapitaal geeft Karl Marx een schrijnend voorbeeld. Lees en huiver: “Death from simple overwork (Dood door louter overmatige arbeid). Het ging over de dood van de modiste Mary Anne Walkley, 20 jaar, werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, die werd geëxploiteerd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. Het oude en al vaak vertelde verhaal weer nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 16 1/2 uur, tijdens het seizoen vaak zelfs 30 zonder onderbreking, waarbij hun ‘arbeidskracht’ in stand wordt gehouden door hun af en toe sherry, port of koffie toe te dienen. En men zat juist in de drukste tijd. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaar getoverd voor het galabal, dat gegeven werd ter inhuldiging van de vers geïmporteerde prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met zestig andere meisjes 261 uur onafgebroken gewerkt. Met dertigen zaten ze in één kamer, die nauwelijks de helft van de noodzakelijke kubieke meters lucht bevatte; ’s nachts moesten ze in een van de stinkholen, waarvan men slaapkamers had gemaakt door ze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen. En dit was een van de betere modezaken in Londen. Mary Ann Walkley werd op vrijdag ziek en overleed op zondag, en – tot grote verbazing van madame Elise – zonder het laatste kledingstuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge bewoordingen: ´Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd bespoedigd door overmatige arbeid in een te volle werkplaats enzovoorts.[2]  Nee, Mary-Anne was geen slaaf. Haar leven en sterven laat echter zien dat het voor haar levensomstandigheden niet veel uitmaakt.

Of het volgende: “Duizenden handen waren plotseling nodig op deze plaatsen die ver verwijderd lagen van de steden; en vooral Lancashire, tot dat moment relatief dunbevolkt en onvruchtbaar, had nu vóór alles een bevolking nodig. Men had vooral behoefte aan de kleine en vlugge vingers. Onmiddellijk ontstond de gewoonte leerlingen uit de verschillende armenhuizen van London, Birmingham en elders te betrekken. Vele, vele duizenden van deze kleine, hulpeloze schepsels van 7 tot 13 of 14 jaar werden zo naar het noorden verzonden.” Nee, arbeid was een product dat ter beschikking stond van de fabriekseigenaren. Die kinderen werden vervolgens: “tot het uiterste (afgejakkerd), want hun beloning (de beloning van de door de fabriekseigenaar aangestelde opzichter) stond in verhouding tot de hoeveelheid product die uit het kind kon worden geperst. [3]  

De manier waarop de slavenhouders in het midden van de negentiende eeuw de zaken naar hun handen probeerden te zetten, verschilde in niets van de manier waarop de fabriekseigenaren de arbeiders probeerden te muilkorven. Kinderen werden in die tijd al vroeg ‘aan het werk’ gezet, soms al vanaf hun zesde. En dan niet een paar uurtjes, de arbeidsdag duurde minimaal 10 uur en die uren werden vaak ook nog eens gespreid over twee of drie blokken met een tussenpauze van een paar uur. Kwam je ‘tussen de machine’ en kon je niet meer werken, dan had je pech en was je aangewezen op de bedeling. Naast de arbeidsomstandigheden beschrijft Marx ook de huisvesting van de arbeiders en ook daar lusten de honden geen brood van. Laat staan dat ze in die omstandigheden zouden willen wonen. Die woning zat in de regel verbonden aan je werk. Zonder werk geen huis en dat maakte je afhankelijkheid van de ‘kapitalist’ zoals Marx hem noemt, nog steviger. Bovendien woonde je zelden alleen met je gezin achter een voordeur. Was er een periode minder of geen werk, dan had je ook minder of geen inkomen. Je huur moest je natuurlijk wel blijven betalen. Als je wilt weten hoe het is om voor je huisvesting afhankelijk te zijn van je werkgever, ga dan eens praten met de vele Oost-Europese (seizoens)arbeiders.

“Ook de redenering van Emmer dat slavernij overal ter wereld voorkwam is een bijzondere. Genocide is ook niet voorbehouden aan de nazi’s, maar de schaal en de fabrieksmatige en planmatige manier van aan de lopende band Joden, Sinti en Roma, of homo’s vermoorden, maakt de Holocaust tot een unieke vorm van genocide. Zo bepaalt de grootschaligheid, de duur en de organisatie de uniciteit van het koloniale project van slavenhandel en slavernij.” Schrijft de al genoemde Botman in haar artikel. Wellicht schrikt  Botman hiervan maar slavernij kwam overal voor en komt nu nog steeds overal voor. Die schrik maakt het feit er niet minder om. Zowel het westers kolonialisme als de schaal en omvang van de trans-Atlantische slavenhandel zijn niet uniek.

Machtige rijken ontstaan niet ‘vanzelf’. Die ontstaan meestal als de ene stam of het ene volk, het andere verovert en aan zich onderwerpt. Op die manier groeiden het Romeinse rijk en het Chinese keizerrijk en ook het Amerikaanse rijk van de Olmeken. Maar ook in latere tijden ontstonden nieuwe rijken. Neem de Inca’s die vanuit hun oorspronkelijke woongebied, de omgeving van Cuzco in het huidige Peru, een rijk opbouwden van zo’n 4.000 kilometer langs de Grote Oceaan. Een rijk met steden, bijzondere bouwwerken zoals de Machu Picchu en geplaveide wegen. De Maya’s kenden een stedelijke cultuur die was gebaseerd op intensieve landbouw. Want ja, ook in de Amerika’s konden steden alleen opkomen als er een surplus aan voedsel werd geproduceerd. Dus na de opkomst van de landbouw. Van alleen jagen en verzamelen kon je immers geen leger op pad sturen, laat staan wegen aanleggen en tempels bouwen. Machtige rijken ontstaan via imperialisme en kolonialisme. Imperialisme en kolonialisme zijn geen ‘Europese’ uitvinding. Dat het met de slachtoffers van dat imperialisme en kolonialisme minder goed af kan lopen is ook niet ‘typisch’ Europees.’ Dat er door de besmettelijke ziektes die de ‘Europeanen’ meebrachten extra veel slachtoffers vielen in de Amerika’s, kun je Pizarro en Cortez niet verwijten. Dat deze ziekten in de Amerika’s onbekend waren en dus voor zeer veel slachtoffers zorgden was hen niet bekend. Het Westen, als je dat als één beschaving wilt zien, is wel de eerste die kolonialisme op wereldschaal bedreef. Een stokje dat China nu over probeert te nemen.

Ook de schaal en omvang van de trans-Atlantische slavenhandel is niet uniek. In de periode tussen 1525 en 1867 zijn er zo’n 12.500.000 mensen als slaaf naar de West verscheept. Laten we voor het gemak rekenen met 300 jaar omdat in de laatste jaren van het ‘slavernij tijdperk’ veel landen de overzeese handel in slaven al hadden verboden. In 300 jaar levert dat het grote aantal van net geen 42.000 per jaar. Dat is veel. Maar het valt in het niet bij de ‘slavenbehoefte’ van het Romeinse Rijk. “Recent onderzoek lijkt erop te wijzen dat het Romeinse Rijk op het hoogtepunt van zijn macht elk jaar zo’n 250.000 à 400.000 nieuwe slaven nodig had om het slavenbestand op pijl te houden.” Aldus Peter Frankonpan in zijn boek De zijderoute. Dat zijn er tussen de zes en ruim negen keer meer dan er jaarlijks werden verscheept via de Atlantische slavenroute. Het toppunt van het Romeinse rijk besloeg ook ongeveer 3 eeuwen en met 250.000 slaven per jaar, komt dat neer op zo’n 75 miljoen verhandelde slaven. Inderdaad werden die niet allemaal in schepen verpakt. Om jaarlijks aan die hoeveelheid nieuwe slaven te komen, zullen er onderweg ook wel de nodigen zijn gesneuveld. Frankonpan gaat verder: “De markt in de Arabische sprekende landen was aanzienlijk groter – ervan uitgaande dat de vraag naar slaven min of meer identiek was – want die strekte zich uit van Spanje tot Afghanistan, wat erop zou kunnen duiden dat het aantal verkochte slaven veel groter is geweest dan het aantal dat voor Rome bestemd was.[4]”  Slik! Nog meer? Nou voor één systeem wel. Naast het Romeinse rijk op zijn hoogtepunt, lag ook nog het Perzische rijk en ook dat kende slaven. En hoe denkt u dat die piramides werden gebouwd of die imposante bouwwerken van de Inca’s en de Maya’s? En wie zou die Chinese muur gebouwd hebben? Ja, aan die muur en die piramides zijn namen van farao’s en keizers verbonden, alleen hebben die zelf geen steen gelegd. De vergelijking met de Holocaust gaat mank.

Dat Fatah-Black, Botman en ook de tentoonstelling in het  Rijksmuseum aandacht vragen voor de trans-Atlantische slavenhandel is terecht. Want zoals de Vlaamse Historicus Jan Dumolyn in een interview met de Belgische site MO zei: “Er is te weinig aandacht voor de koloniale geschiedenis in het onderwijs, dat klopt.”  Maar, zo gaat hij verder: “er is ook veel te weinig aandacht voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Wat heb jij geleerd over de negentiende-eeuwse socialisten. [5] En daar heeft hij een punt. En zo is er voor veel meer perioden en gebeurtenissen in het verleden te weinig aandacht.

Aandacht voor het ene zou niet ten kosten van het andere moeten gaan. Alleen is dat erg lastig als je maar beperkte tijd hebt. Jammer dat Fatah-Black, Botman en in hun kielzog anderen, die andere perspectieven en inzichten bestrijden. Wellicht heeft dat ermee te maken dat hun doel niet het kennen van het verleden, maar het veranderen van het heden is. Dan is een ander perspectief hinderlijk. Dan wordt de geschiedenis een kist met rekwisieten waar je, al naar gelang je doel, iets uithaalt wat in je kraam te pas komt.


[1] Voor wie er meer over wil weten: https://www.historytoday.com/archive/emancipation-russian-serfs-1861

[2] Karl Marx, Het Kapitaal, pagina 237-238

[3] Idem, pagina 710

[4] Peter Frankonpan, De zijderoutes, pagina 150

[5] https://www.mo.be/interview/op-de-vlaamse-feestdag-herdenken-we-de-bolsjewieken-van-de-middeleeuwen