Geschiedenis: her-denken

Het Romerhuis in Venlo, gebouwd in 1490 zo is uit de muurankers af te leiden, is een van de weinige mooie oude gebouwen die de stad nog rijk is. De naam dankt het pand aan de familie Romer die het pand in de zeventiende eeuw in bezit had. Het is niet alleen een bezoek waard omdat het zo’n mooi oud gebouw is, maar ook omdat er een chocolaterie in is gevestigd. Dat er nog maar weinig zijn, heeft twee oorzaken. Een eerste reden is dat veel oude gebouwen door de jaren heen nieuwe gevels hebben gekregen, die de oude vervingen. De panden lijken daardoor nieuwer dan ze zijn. Recent onderzoek naar dakconstructies laat zien dat nog redelijk veel panden een middeleeuwse geboortedatum hebben. Een tweede reden is dat de stad in 1944 in de frontlinie lag en de geallieerde troepen probeerden te voorkomen dat de Duitsers zich via de Venlose Maasbrug terug konden trekken. Daarom werd de brug tussen 13 oktober en 19 november 1944 negen keer gebombardeerd. Zonder succes, de brug bleef bruikbaar maar een flink deel van de Venlose binnenstad lag in puin. Het Romerhuis had daarbij geluk. Alle panden in de omgeving lagen in puin, het Romerhuis niet. Dat stond, enigszins gehavend, overeind. Uiteindelijk bliezen de Duitsers de brug op om te voorkomen dat de geallieerden die zouden gebruiken.

File:Oorlogsschade, reproductie 1945 - Venlo - 20241313 - RCE.jpg -  Wikimedia Commons
Romerhuis direct na de Tweede wereldoorlog. Bron: https://www.cultureelerfgoed.nl/

Waarom vertel ik dit? Ik vertel dit omdat het Romerhuis een realiteit uit het verleden is, een feit dat er al sinds 1490 staat, maar wat zegt het over het verleden? Het is een feit, een gegeven dat je laat zien hoe een middeleeuws pand eruit kon zien, maar niet meer dan dat. Het vertelt je niets over het leven in die middeleeuwen en de mensen die het lieten bouwen. Net zoals een foto van het gehavende Romerhuis uit 1944 een feit is. Als je daar iets over wilt weten dan moet je aan de hand van het pand en andere feitelijke gegevens een beeld proberen te krijgen van dat leven en vooral wat de mensen dachten. Als je iets over het waarom van het gehavende Romerhuis wilt weten, dan moet je het verhaal van de Tweede wereldoorlog vertellen en van het jaar 1944, het jaar dat de frontlijn door Nederland liep. Dan moet je je proberen in te leven in de bevelhebbers van de strijdende partijen. Waarom wilden de geallieerden de brug vernietigen? En als je wilt weten waarom de brug door de Duitsers werd opgeblazen, moet je je inleven in de Duitse bevelhebbers en proberen te denken wat zij dachten. Het zijn die gedachten die het verhaal vertellen. En met die gedachten en verhalen kom ik bij Robin George Collingwood (1889-1943).

Na Herodotus , Leopold von Ranke, en Karl Popper richt ik mijn blik op Collingwood. Hij was een buitenbeentje in de academische wereld van de eerste helft van de twintigste eeuw. Nu zou hij dat trouwens ook zijn. Een buitenbeentje door, zoals Van der Dussen schrijft, zijn: “grote veelzijdigheid en brede oriëntatie die slechts weinig aansloot bij het meer beperkte filosofische klimaat dat in het Oxford van zijn dagen overheersend was. … Naast filosoof was Collingwood ook archeoloog en historicus.[1]”  Een breed georiënteerd en geïnteresseerd iemand dus. Het boek The idea of history bevat zijn denken over geschiedenis. Dit boek werd na zijn dood samengesteld door een van zijn leerlingen Thomas Malcolm Knox en uitgebracht.

Voor Collingwood was Rankes schrijven ‘hoe het geweest is’ niet voldoende. Dat levert alleen een reeks feiten op, feiten zoals het Romerhuis dat gebouwd is in 1490 en in 1944 gehavend maar als enige huis in de buurt nog overeind stond. Hij wilde het verleden begrijpen. Begrijpen niet om er onvermijdelijke wetmatigheden in te ontdekken en zo de toekomst te voorspellen. Nee, hij wilde begrijpen waarom mensen in het verleden handelden zoals ze handelden. Voor Collingwood is alle geschiedenis, geschiedenis van denken, van gedachten. Hoe dat werkt? Collingwood: “De historicus van de filosofie probeert bij het lezen van Plato te weten wat Plato dacht toen hij zichzelf in bepaalde woorden uitdrukte. De enige manier waarop hij dat kan doen, is door het zelf te denken. Dit is in feite wat we bedoelen als we spreken van het ‘begrijpen’ van de woorden. Zo probeert de historicus van de politiek of oorlogvoering die een verslag van bepaalde handelingen van Julius Caesar onder ogen krijgt, deze handeling te begrijpen, dat wil zeggen door te ontdekken welke gedachten in Caesars geest hem ertoe brachten ze te verrichten. Dit houdt in dat hij voor zichzelf de situatie onder ogen ziet waarin Caesar zich bevond en voor zichzelf te denken wat Caesar omtrent de situatie dacht en de mogelijke manieren om zich ermee in te laten. De geschiedenis van gedachten en daarom alle geschiedenis, is de heropvoering van verleden gedachten in de eigen geest van de historicus.[2]

Alle geschiedenis is de geschiedenis van gedachten en bij het bestuderen van de geschiedenis is het de kunst om te her-denken. Her-denken is daarbij iets anders dan herdenken. Herdenken is gedenken, her-denken is je proberen te verplaatsen in die voorvaderen en proberen te denken wat zij dachten. Her-denken wat de Duitsers dachten toen ze de stadsbrug opbliezen, maar ook her-denken wat de geallieerden dachten toen ze de Venlose binnenstad tot puin bombardeerden. Bij dat her-denken helpt feitelijke informatie. Als je wilt her-denken wat Plato dacht toen hij bepaalde woorden sprak dan is het van belang om te weten wie Plato was en hoe hij in het leven stond. Het is van belang om te weten wie er aanwezig waren toen hij sprak en in welke omstandigheden. Als je wilt weten wat Caesar dacht toen hij de Rubicon overstak, moet je hetzelfde doen. Waar kwam hij vandaan, wie waren er bij hem, wat waren de bijzondere omstandigheden, wat was zijn inschatting dat er allemaal kon gebeuren en wat hoopte hij te bereiken met zijn daad?

‘Maar denkprocessen en gedachten zijn toch uniek en persoonlijk? Dan is een historicus een soort ‘geestenoproeper’, iemand die via telepathie in het hoofd van de doden kan kruipen en dat kan toch niet! Kun je tegenwerpen. Inderdaad is het lastig om in iemands ‘hoofd te kijken’. Dat is al lastig bij iemand die leeft en waaraan je vragen kunt stellen. Maar hoe stel je de ‘wat-ging-er-door-je-heen-vraag van de gemiddelde sportjournalist aan iemand die al tweehonderd jaar dood is? Toch even naar die obligate vraag van de sportjournalist. Ik weet niet of Mart Smeets die vraag in 1980 heeft gesteld aan Joop Zoetmelk na diens winst in de Tour de France. Stel die vraag werd toen aan Zoetemelk gesteld en vandaag stelt een journalist die vraag weer aan Zoetemelk? Zou er veel verschil zitten tussen de beide antwoorden? Ik denk het niet. Een persoonlijk voorbeeld. Tijdens een voetbalwedstrijd eind jaren tachtig rolde de bal een eind over de achterlijn. Ik ging die bal halen en rolde hem naar het vijfmetergebied zodat de keeper van de tegenstander de doeltrap snel kon nemen. De bal ging wat te ver en op weg naar mijn plaats als rechtsbuiten trapte ik de bal weer naar de plek waar de doeltrap genomen moest worden. Ook die rolde te ver en de keeper van de tegenstander deed geen moeite om de bal tegen te houden. Daarop stuurde de scheidsrechter mij het veld uit met de woorden: ‘ga jij maar achter die bal aan en blijf daar maar.’ Ik weet nog precies wat ik toen dacht; ik kookte over van woede en beet de scheidsrechter toe dat hij het in de jaren veertig goed zou hebben gedaan in een bepaalde functie. Geen fraaie uitspraak dacht ik toen en daarom bood ik na de wedstrijd mijn excuses ervoor aan. En nu, terwijl ik dit type, kan ik mijn toenmalige boosheid nog steeds her-denken op precies dezelfde manier en merk ik dat mijn hartslag versneld. Als dat kan, dan is de vraag ‘hoe uniek een denkproces is’ beantwoord: denkprocessen kunnen worden herhaald en zijn dus niet uniek. Rest de vraag naar de persoonlijkheid van een denkproces. Als jij, als lezer van deze anekdote uit mijn jongere jaren, mijn gedachten kunt volgen, dan is het bewijs geleverd dat we ook denkprocessen van anderen kunnen her- denken. Sterker nog, als we dat niet zouden kunnen, dan konden we niet van elkaar leren. Sterker nog, als het her-denken van gedachteprocessen van anderen niet mogelijk is, dan kunnen we niet met elkaar communiceren. Want wat is communicatie als het niet het overbrengen van gedachten is? Als dat niet kon, dan hadden onze voorvaderen elkaar nooit kunnen waarschuwen voor het gevaar van een naderende leeuw.

Dit her-denken van gedachten en denkprocessen van anderen levert echter geen absolute kennis op. Geen feiten zoals de foto van het gehavende Romerhuis of de opgeblazen stadsbrug een feit is. Wat het wel oplevert is begrip. Dus geen uitspraak als: ’Caesar dacht …’ bij het her-denken van Ceasars oversteek van de Rubicon, maar wel: ‘de gedachtegang van Caesar kon zijn …’.  Bij dit proces van her-denken loop je een risico. Het lastige hierbij is namelijk dat je dat wat er na die oversteek gebeurde, buiten beschouwing moet laten. Wat er daarna gebeurde was op dat moment nog slechts een van de vele mogelijke toekomsten. Dat ‘vergeten wat erna kwam’ is zeer lastig. Lastig omdat het menselijk brein zoekt naar verbanden, naar ‘oorzaak en gevolg’ en als je het ‘gevolg’ weet is het lastig om je studieobject niet te zien als ‘oorzaak’. Dan wordt het verleidelijk om de voorouders die je onderzoekt te be- of veroordelen op iets wat na de gebeurtenis die je onderzoekt gebeurde. Dan wordt het heel verleidelijk om moordpartijen van Stalin in de schoenen van Karl Marx te schuiven omdat Stalin zijn verhaal verkocht met een flinke saus marxistisch denken.


[1] W.J. Van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis. Een inleiding, pagina 144

[2] R.G. Collingwood, The idea of history, pagina  215 (vertaling Van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis. Een inleiding, pagina 147)

Geschiedenis: historicisme

Vandaag ga verder met het denken over geschiedenis en vooral het bestuderen van de geschiedenis. In het vorige deel stond Leopold von Ranke centraal. In dit deel de Filosoof Karl Popper en het door hem gemunte begrip historicisme.

Ranke zocht naar objectiviteit in de geschiedenis. Anderen niet, die doen dat door dat te doen waar het menselijke brein sterk in is.  Die zoeken naar verklaringen, naar logica, naar verbanden en in extremis naar historische wetten. Zij zoeken naar patronen of beter nog naar wetmatigheden in de geschiedenis. Dit denken wordt historicisme genoemd. Een term die we te danken hebben aan de grootste criticaster ervan: Karl Popper (1902-1994). Het historicisme haakt aan bij het Verlichtingsdenken. Zijn The poverty of historicism is volledig gewijd aan dit denken. In de inleiding geeft hij een korte definitie: “historicism’ (is) an approach to social sciences which assumes that historical prediction is their principle, and which assumes that this aim is attainable by discovering the ‘rhytms’ or the ‘patterns, the ‘laws’ or the ‘trends’ that underlie the evolution of history.[1]

Karl Popper for PIFAL | Pencil HB, 2B and Graphite 9B on can… | Flickr
Karl Popper. Bron: Flickr

Een korte definitie die hij in dat boek uitwerkt. In het eerste hoofdstuk van zijn De open samenleving en haar vijanden legt hij het kort en duidelijk uit: “Er bestaat een wijdverspreid geloof dat een echt wetenschappelijke of filosofische houding tegenover de politiek of een beter begrip van het sociale leven in het algemeen gebaseerd moet zijn op een beschouwing en een interpretatie van de menselijke geschiedenis. Terwijl de gewone man zijn levensomstandigheden, het belang van zijn persoonlijke ervaringen en zijn strijd om het bestaan maar moet aanvaarden, wordt de sociale wetenschapper of filosoof geacht de dingen vanaf een hoger niveau te overzien. Hij ziet het individu als een marionet, als een min of meer onbeduidend instrument in de algemene ontwikkeling van de mensheid. En de werkelijk belangrijke acteurs op het toneel van de geschiedenis zijn voor hem grote naties en hun leiders of eventueel de grote klassen of de grote ideeën. Wat daar ook van zij, hij zal de betekenis van het toneelstuk dat op het toneel van de geschiedenis wordt gespeeld, proberen te begrijpen; hij zal wetten van historische ontwikkeling trachten te begrijpen. Als hij daarin slaagt, zal hij natuurlijk in staat zijn toekomstige ontwikkelingen trachten te voorspellen, en zo zou hij de politiek een solide basis verschaffen en ons praktische adviezen kunnen geven door ons te vertellen welke politieke ondernemingen waarschijnlijk succesvol zullen zijn en welke waarschijnlijk zullen mislukken.[2]”  

Om Poppers betoog en om zijn kritiek op het historicisme te kunnen begrijpen, eerst iets meer over Poppers denken over wetenschap. Daarvoor moeten we even terug naar de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting. De stroming die zich verzette tegen het dogmatische geloof in autoriteit en die autoriteit was God. Niet aannemen wat de ‘autoriteit’ zegt, maar zelf nadenken, zelf redeneren (je rede gebruiken). Newton die onder de boom zit of ligt en de appel op zijn hoofd krijgt, zocht de verklaring van het vallen van die appel niet in Gods voorzienigheid. Nee, hij zocht naar een andere verklaring en formuleerde de drie wetten die ten grondslag liggen aan de klassieke mechanica[3]. In navolging van Newton gingen wetenschappers overal op zoek naar ‘wetten’ die verklaarden waarom zaken waren gebeurd en die daarmee ook gelijksoortige toekomstige gebeurtenissen konden verklaren. Zo probeerde Adam Smith (1723-1790) in zijn De Welvaart van Landen de economie te verklaren en die verklaring zocht hij in het eigenbelang van mensen: “We danken onze maaltijd niet aan de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker, maar aan het feit dat ze hun eigen belang voor ogen hebben. We wenden ons niet tot hun medemenselijkheid maar tot hun eigenliefde; we vertellen nooit over onze eigen behoeften en spreken altijd met hen over hun profijt.[4]Op een dergelijke manier werd op alle terreinen van het leven naar algemeen geldende ‘wetten’ gezocht.

Popper hield er een heel andere manier van denken over wetenschap op na. Volgens Popper bestaan er geen absolute waarheden. Wetenschap is voor Popper geen zoektocht naar die absolute en algemene waarheden maar een tocht waarbij onzekerheden worden weggenomen. Al het weten en daarmee alle wetenschap is voorlopig en dus theorie. Nu leefde Popper in een tijd dat steeds meer oude ‘zekerheden’ niet zo zeker bleken. Met zijn algemene relativiteitstheorie wees Einstein Newton nog net niet naar de prullenbak maar zo algemeen geldend bleken die wetten van Newton niet. De op Smith gebaseerde klassieke economie bleek geen verklaring en dus geen oplossing te kunnen leveren voor de economische crisis van de jaren dertig. ‘Weten’ in de zin van het bieden van zekerheid en waarheid stond centraal in de wetenschap. Popper zag dit anders. Wetenschap is geen zoektocht naar zekerheid, maar een tocht naar het wegnemen van onzekerheid. Een goede wetenschapper zoekt daarbij steeds naar ontkenning van die theorie, omdat alleen ontkenning tot nieuwe kennis leidt. Hij maakt dit duidelijk met zijn ‘zwanen’. Als de theorie luidt dat alle zwanen wit zijn, wat doe je dan als wetenschapper? Dan kun je je hele leven zoeken naar witte zwanen en die zal je in overvloed vinden en die bevestigen je theorie. Als je je echter richt op het ontkennen van de theorie en je gaat op zoek naar zwarte zwanen, dan bewijs je de wetenschap een dienst. Theorieën moeten, zoals Popper het noemt, gefalsificeerd worden.

Terug naar het historicisme en vooral naar de tijd waarin Popper The Poverty of Historicism en De open samenleving en haar vijanden schreef. Popper werd in Wenen geboren en studeerde er in de jaren twintig filosofie. In 1937 emigreerde, of vluchtte, hij naar Nieuw Zeeland omdat hij zich zorgen maakte om het nazisme. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de tijd en vooral de ‘Zeitgeist’ waarin Popper de beide werken schreef. Vooral in de open samenleving en haar vijanden is dit een belangrijk gegeven. Het boek is Poppers bijdrage in de strijd voor de liberale democratie en richt zich tegen de geestelijke vaders van het totalitarisme. Popper onderscheidt twee vormen van historicisme en die geestelijke vaders zijn niet de minsten. Hij richt zijn pijlen aan de ene kant op Plato en aan de andere kant met name Karl Marx. En, zo zegt hij: “Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.[5]Plato en Marx staan voor twee vormen van historicisme van heel verschillende soort.

In het eerste deel strijdt Popper tegen de oude filosoof Plato en zijn denken. Plato staat mede aan de basis van de westerse filosofie. Plato leefde juist in de tijd dat de tribale samenleving verloren ging en hij betreurde dat. Popper: “De ineenstorting van het tribalisme van de Griekse gesloten samenleving, kan worden teruggevoerd tot de tijd dat de bevolkingsgroei zich ging doen gevoelen onder de leden van de heersende klasse der landeigenaren. Dat betekende het einde van het ‘organische’ tribalisme, want er ontstonden sociale spanningen in de gesloten samenleving van de heersende klasse.” Die spanningen probeerden de Grieken op te lossen door het stichten van dochtersteden. Maar, zo schrijft Popper: “Het leidde zelfs tot nieuwe gevarenzones overal waar culturele contacten tot stand kwamen. Die contacten leidden op hun beurt tot wat wellicht het grootste gevaar voor de gesloten samenleving vormde – handel en de opkomst van een nieuwe klasse die zich aan handel en zeevaart wijdde.[6]

De twee machtigste Griekse steden reageerden op een verschillende manier op de sociale spanningen die dit in hun samenleving veroorzaakte. In Athene leidde dit tot een interne strijd tussen het oude en het nieuwe. Een strijd waar meestentijds de aanhangers van het nieuwe, de openere samenleving, de boventoon voerden en kreeg de vorm van de democratie. Zij bood ruimte aan vrije denkers en stond zo aan de wieg van de filosofie en daarmee ook de wetenschap. Concurrent Sparta niet, Sparta hield vast aan het oude en probeerde zo de ontwikkeling stop te zetten. Plato’s voorkeur ging uit naar het Spartaanse model en het behouden van de gesloten tribale samenleving. Naar een strak geordende samenleving waar iedereen een vaste plek inneemt onder leiding van een filosoofkoning. Plato ziet de samenleving achteruitgaan. Plato wilde het liefst terug naar vroeger en dan toch in ieder geval verdere ‘achteruitgang’ voorkomen.

Nu is denken in verval en achteruitgang niet iets specifieks voor Plato. Zo deelde Hesiodus de geschiedenis van de mensheid in vijf tijdperken of beter degenererende geslachten. De geschiedenis van de mensheid begon met de schepping van het gouden geslacht door de Olympische goden. Dit geslacht hoefde niet te werken, was zuiver van geest en geliefd bij de goden. En eindigt met het ijzeren geslacht: de mens die moet werken, leeft in angst, sterft en waarvan de goden het leven zwaar maken. Het scheppingsverhaal met de zondeval waardoor Adam en Eva het paradijs moesten verlaten en de eschatologie[7], het ‘eindtijd-denken’ past in die traditie. ‘Eindtijd-denken’ komt in alle moderne religies voor en niet alleen in de moderne. Zo eindigde de wereld volgens de Maya-kalender op 21 december 2012. Dat ik dit nu schrijf en dat je nog steeds naar 2012, de rampenfilm die Roland Emmerich in 2009 hierover maakte, kunt kijken, laat zien dat ook die voorspelling niet is uitgekomen. Om hun religie acceptabeler te maken volgt er na die eindtijd ‘de hemel op Aard’, tenminste voor de ‘echte gelovigen‘. Het ‘niet uitkomen’ is voor de aanhangers van de betreffende religie echter geen reden om hun geloof in de ‘eindtijd’ op te geven. Dan is er ‘fout gerekend’ of, dan was dat: “een teken dat er nog teveel zondaars in de stad waren. Die smetten moesten worden weggepoetst om zijn uitgestelde wederkomst te verzekeren[8]”. Dit was de conclusie van de wederdopers die in 1534-1535 onder leiding van Hans Bockholt, beter bekend als Jan van Leiden, de stad Münster terroriseerden. De wederkomst zou plaatsvinden op paasdag 1534 en toen er ‘niemand kwam’ werd de bovenstaande conclusie getrokken waarna de ‘ongelovigen’ of de iets minder of anders gelovigen in de stad werden opgespoord en over de kling gejaagd.

De Amerikaanse president George W. Bush gebruikte dit denken, of beter gezegd geloof, in 2003 om de Franse president Chirac te overtuigen mee te doen aan de inval in Irak: “Ondanks onze verschillende roomse en methodische achtergrond delen wij één gemeenschappelijke heer (…) Gog en Magog zijn aan het werk in het Midden-Oosten. Bijbelse voorspellingen komen uit. Deze confrontatie is de wens van God, die dit conflict wil gebruiken om de vijanden van Zijn volk te vernietigen voordat een nieuwe tijd aanbreekt.” Voor degenen die Gog en Magog niet kennen, Gog is in de Hebreeuwse bijbel de leider van het land Magog en Gog zal uiteindelijk de strijd voeren tegen het volk van God en aan de kant van Satan. Als je dit niet weet, hoef je je niet te schamen, Chirac wist ook niet wat hem overkwam toen Bush hem op deze manier probeerde te overtuigen: “Chirac keek nietbegrijpend naar zijn adviseurs die moesten uitzoeken wie Gog en Magog waren die plotseling in het Midden-Oosten opdoken. Toen de Openbaring van Johannes ter tafel kwam was voor Chirac de kous af. De politieke beweegredenen voor de invasie vond hij al niet overtuigend, maar een beroep op Bijbelse voorspellingen leek hem ronduit belachelijk. [9] Aldus beschrijft Hans Achterhuis het gebeurde in zijn boek Geloof in geweld. Met het ‘koninkrijk op Aarde’ dat duizend jaar zou duren komen we terug bij waar het historicisme van Plato volgens Popper toe leidt. Het leidt tot nazistisch totalitarisme, tot het streven naar het ‘Dritte Reich’. Een rijk dat weer is gebaseerd op de oude natuurlijke orde die Plato langzaam ziet vervallen en waarin de ware ‘gelovige’, in dit geval de ‘pure Ariër, zijn ‘rechtmatige plaats’ inneemt bovenaan de wereldorde.

In het tweede deel van De opensamenleving en haar vijanden bindt Popper de strijd aan met de belangrijkste vertolker van de tweede vorm van historicisme, Karl Marx. Daar waar het ‘Plato historicisme’ verval en achteruitgang ziet en terug wil naar vroeger, ziet het ‘Marx-historicisme’ een wetmatige ontwikkeling naar een ideale samenleving. Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Voor Marx is het kapitalisme een strijd tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen. Marx’ denken was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelden die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). De strijd in Marx’ zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat).

Marx’ denken combineert historisme en dus de Romantiek met de algemene wetmatigheden van de Verlichting. Volgens het historisme heeft iedere tijd zijn eigen ‘Geist’. Die ‘tijd’ deelde hij op in afgebakende historische periodes lopend van het oercommunisme, via de slavenmaatschappij, het feodalisme en de bourgeoisie naar het kapitalisme. Iedere periode kende eigen, binnen die periode geldende ‘wetmatigheden’ en had op die manier een eigen ‘Zeitgeist’. Marx kende geen algemeen geldende economische wetten, wel economische wetten van het feodalisme of de slavenmaatschappij. Een manier van denken die aansluit bij het denken van de Romantiek. De enige algemene wet die Marx zag, is de opvolging van de verschillende perioden en dit is typisch Verlicht denken. Net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje leggen tegen de kracht van de arbeiders. Dan zou de socialistische samenleving zijn bereikt die uiteindelijk zou overgaan in de communistische. De vrije concurrentie moest immers onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was, zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen, de ‘Zeitgeistwet’ van de kapitalistische periode. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen. Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. En daar waar Plato bij Popper leidt tot totalitair nazi-Duitsland, leidt Marx tot de totalitair communistische Sovjet Unie.

Historicisme leidt, zo betoogt Popper, tot vormen van totalitarisme omdat het de mens niet als individu draait. Het individu is een marionet op het wereldtoneel die gebruikt, of beter gezegd misbruikt, wordt om de voorspelling te versnellen. Zie het voorbeeld van de wederdopers onder leiding van Jan van Leiden in Münster die concludeerde dat er nog verder gezuiverd moest worden. Het ‘verwijderen’ van onzuivere elementen in de samenleving en in eigen gelederen was ook iets waar Hitler en Stalin bijna continue mee bezig waren. Van vriend kon je overnacht vijand worden, iets waar Ernst Röhm, de leider van de Sturm Abteilung over mee kan praten, als hij nog kon praten want in de ‘nacht van de lange messen’ liet hij het leven. Je kan het, als ze het nog na konden vertellen, ook vragen aan Jagoda of Jezjov die door Stalin werden ‘weggezuiverd’ en in showprocessen zich ook nog schuldig verklaarden aan hetgeen hen ten laste werd gelegd. Voor wie inzicht wil krijgen in de Grote Zuivering onder Stalin kan ik het boek Stalin. Het hof van de rode tsaar van Simon Sebag Montefiore aanbevelen. Historicisme ontmenselijkt de mens en dat maakt het een gevaarlijke manier van denken. Die ontmenselijking maakt dat totalitarisme op de loer ligt.

Tot zover het historicisme. In een volgend deel nog een andere belangrijke stroming in de geschiedenis van het bestuderen van de geschiedenis.


[1] Karl Popper, The poverty of historicism, pagina 8

[2] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden, pagina 35

[3] De eerste wet van Newton: Als er geen resulterende kracht op een voorwerp inwerkt, kan er geen snelheidsverandering van dat voorwerp optreden. De snelheid zal dus onveranderd blijven: zowel grootte als richting van de snelheid blijven constant. Het voorwerp staat stil of beweegt zich met constante snelheid in een bepaalde richting.

De tweede wet van Newton: een voorwerp in rust zal in beweging gebracht worden als er een kracht op werkt en een voorwerp in beweging zal versnellen, vertragen of van richting veranderen als er een resulterende kracht op werkt.

De derde wet van Newton: Deze wet stelt dat krachten nooit alleen voorkomen, maar steeds in paren (actie en reactie). Hoewel {\displaystyle {\vec {F}}_{\text{actie}}} de actiekracht en  de reactiekracht{\displaystyle {\vec {F}}_{\text{reactie}}} tegengesteld gericht en even groot zijn, heffen zij elkaar niet op, omdat zij op verschillende voorwerpen werken.

Even naar Newtons appel: geen God maar de zwaartekracht veroorzaakte het vallen van de appel: die valt omdat de zwaartekracht sterker is dan de kracht waarmee het steeltje aan de tak vast zit. Daardoor breekt het steeltje en valt de appel naar beneden (actie). Tegelijkertijd zwiept het takje naar boven (de reactie).

[4] Adam Smith, De welvaart van landen, pagina 67

[5] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden pagina 17 (voorwoord bij de eerste druk)

[6] Idem, pagina 208

[7] Letterlijk de leer van de laatste dingen. Dergelijk denken komt in alle moderne maar ook pre-moderne religies voor. Hans Achterhuis besteed er in zijn Geloof in Geweld een heel hoofdstuk aan.

[8] Hans Achterhuis, Geloof in Geweld, pagina 287

[9] Idem, pagina 311

Geschiedenis: historisme

In mijn vorige Prikker over geschiedenis en eigenlijk de geschiedenis van de studie van de geschiedenis, schreef ik over Herodotus, de vader van de geschiedenis. Nu maak ik een flinke stap in de tijd en gaan we van Herodotus naar de negentiende eeuw en wel naar Leopold von Ranke (1795-1886). Hij ontwikkelde de methode van de wetenschappelijke geschiedbeoefening.

Ranke was geïnteresseerd in de moderne Europese en dan vooral de politieke geschiedenis en niet zo zeer in de oude geschiedenis van de Grieken en Romeinen. Zijn wetenschappelijke methode komt overeen met de aanpak van Herodotus alleen had Ranke veel meer informatie tot zijn beschikking. In archieven werd en wordt zeer veel bewaard waaruit we informatie uit het verleden kunnen halen. Ranke bestudeerde en analyseerde die informatie uit al die bronnen kritisch en minutieus en probeerde zo tot een objectieve beschrijving van het verleden te komen. Hij wilde weten ‘hoe het werkelijk geweest is’. Een heilloze weg omdat objectieve geschiedenis niet mogelijk is. Daartoe ontwikkelde hij de wetenschappelijke geschiedenis, het bestuderen, analyseren en vergelijken van verschillende bronnen. De ‘methode Ranke’ houdt in dat je de hoogste prioriteit geeft aan oorspronkelijke bronnen[1]. Die bronnen laat je spreken waarbij je zo min mogelijk interpreteert en oordeelt noch er morele conclusies aan verbindt. Het verleden is niet ‘goed’ of ‘fout’ het is het verleden.

Bij het bestuderen van een bron stel je eerst standaard vragen: is de bron authentiek? Een belangrijke vraag want een niet authentieke bron vertekent het beeld van het verleden. Wat voor soort bron is het? Door wie is ze geschreven, aan wie, wanneer en waar? Was de schrijver een ooggetuige? Met welke bedoeling is de bron geschreven? Begrijpen we de bron zoals een tijdgenoot het begrepen zou hebben? Hoe betrouwbaar is de informatie in de bron? Pas daarna ga je aan de slag met je eigen vragen. Laat ik een voorbeeld geven: de zogenaamde ‘Protocollen van de wijzen van Zion.’ De bron pretendeert een verslag te zijn van een vergadering van joodse leiders in Bazel in 1897. Deze joodse leiders, de wijzen van Zion, zouden een plan hebben gesmeed om de christelijke maatschappij omver te werpen en een joodse wereldheerschappij te vestigen. Dit is geen authentieke geschreven bron omdat de vergadering nooit plaatsvond. Bovendien werd er in Rusland in 1895 al melding gemaakt van een handgeschreven versie van de Protocollen. Er is niet bekend wie de auteur ervan is. Nadere bestudering van de ‘Protocollen’ toonde aan dat het een samenraapsel is van stukken uit andere geschriften waarbij vooral is geput uit het boek Dialogue aux enfers entre Montesquieu et Machiavel: ou la politique de Machiavel au XIXe Siècle van Maurice Joly. Een boek dat het beleid van de toenmalige Frans keizer Napoleon III bekritiseerde. Die Russische tekst werd waarschijnlijk geschreven in opdracht van de chef van de Parijse afdeling van de Ochrana, de geheime dienst van tsaristisch Rusland, met als doel om de positie van de tsaar te versterken. Daarmee hebben we een antwoord op de vraag met welke bedoeling de bron is geschreven en is ook meteen duidelijk dat de informatie die de bron bevat volkomen onbetrouwbaar is[2]. Dus als een beschrijving van wat er werkelijk is gebeurd, is dit een niet authentieke bron. Dat ligt anders als je als historicus de behandeling van de joden in christelijk Europa sinds de Middeleeuwen bestudeert of de geschiedenis van complottheorieën .Dan vormen de ‘Protocollen’ een authentieke bron.

Rankes denken over de geschiedenis behoort tot een stroming die historisme wordt genoemd, een: “stroming die de nadruk legt op de historische dimensie bij de bestudering van maatschappelijke verschijnselen in heden en verleden, waarbij de individuele geaardheid van ontwikkelingen bijzondere aandacht krijgt, [3]aldus de omschrijving die Van der Dussen van dit begrip geeft. Historisme als denken kwam op als tegenwicht of verzet tegen het Verlichtingsdenken. Verlichtingsdenkers zoeken, in navolging van Newton in de natuurwetenschappen, naar altijd geldende wetten. In die zin ziet het Verlichtingsdenken de samenleving als statisch en ahistorisch. Of zoals de Schotse filosoof en historicus David Hume (1711-1776) het duidelijk maakte: “Men is het er algemeen over eens dat er grote regelmatigheid bestaat in de daden der mensen van alle naties en tijden, en dat is dat de menselijke natuur in haar beginselen en werking steeds dezelfde is gebleven. Dezelfde beweegredenen leiden altijd tot dezelfde daden; dezelfde gebeurtenissen volgen altijd uit dezelfde oorzaken (…) Wil men de gevoelens, de verlangens en de levensloop van de Grieken en Romeinen leren kennen? Men bestudere dan de aard en daden van de Fransen en Engelsen; men kan er dan niet ver naast zijn als men de meeste waarnemingen die men bij de laatstgenoemden gemaakt heeft overdraagt op de eerstgenoemden. De mensheid is in alle tijden en plaatsen zozeer gelijk dat de geschiedenis ons in dit opzicht niets nieuws verteld.[4]  Het historisme verzet zich hiertegen het gaat uit van het steeds en fundamenteel anders zijn van de mens in het heden en het verleden. Ieder volk heeft zijn eigen ‘Volksgeist’ en iedere tijd zijn eigen ‘Zeitgeist’ om de Duitse bewoordingen te gebruiken. Het historisme past omdat laatste Duitse woord te gebruiken, precies in de ‘Zeitgeist’ van de Romantiek.

De Romantiek ontstaat als een reactie op het Verlichte denken en vooral als reactie op de Franse revolutie van 1789. Die revolutie werd in haar revolutionaire fase gedreven door het rationalisme van de Verlichting en dat ‘rationalisme had geleid tot la Terreur met Maximillian Robespierre als een van haar belangrijkste vertolkers ervan. La terreur, letterlijk vertaald ‘Schrikbewind’, zo wordt de periode genoemd die het land van augustus 1792 tot juli 1794 in haar greep had en waarbij velen letterlijk hun hoofd verloren onder de guillotine. Doel van la Terreur was, zoals Palmer en Colton het in de zesde editie van hun boek A History of the Modern World beschrijven: “to bring about a democratic republic made up of good citizens and honest men.” Om zover te komen moest men af van ‘slechte burgers’ en ‘oneerlijke mensen.” Hoe doe je dat? “A Committee of General Security was created as a kind of supreme political police. Disigned to protect the Revolutionary Republic from it’s internal enemies, the Terror struck at those who were in league against the Republic, and those who were merely suspected of hostile activities.” En dat was een uitgebreid palet aan mensen: “It’s victims ranged from Marie Antoinette and other royalist to the former revolutionary colleagues of the Mountain, the Girondin leaders; and before the year 1793-1794 was over, some of the old Jacobins of the Mountain who had helped inaugurate the program went also to the guillotine.[5]in totaal verloren zo’n 40.000 mensen hun hoofd en honderdduizenden werden gearresteerd en vastgehouden.

Daar waar Verlichte denkers de rede en objectiviteit als uitgangspunt namen, namen Romantici de subjectieve ervaring als uitgangspunt. Voor die subjectieve ervaring is het verleden erg belangrijk want in dat verleden is, zo stellen de Romantici, het heden geworteld. Dat verklaart waarom het bestuderen van het verleden in de negentiende eeuw in zwang raakte en een hoge vlucht nam. Dit verklaart ook waarom Herodotus zo lang heeft moeten wachten op een opvolger. Het verleden stond vóór de negentiende eeuw niet in de belangstelling, het werd niet bestudeerd en er werd geen onderzoek naar gedaan. Die lacune werd ingevuld door de ‘historisten’. En omdat het eigene van volkeren uitgangspunt van het denken van het historisme was, werd vooral dat eigene van iedere ‘Volksgeist’ onderzocht en als je zoekt naar het ‘eigene’ van een groep of een volk, dan vind je dat eigene ook.

Dat ‘volkseigene’ werd vervolgens weer door de machthebbers gebruikt om het volkseigene te benadrukken en zo een volk te creëren, een volk waarop de leden van dat volk trots moesten zijn. Trots op het volk en de natie nu maar ook op het grootse verleden ervan. Om die trots te ontwikkelen en hoog op te kloppen, moest er nog meer onderzoek naar dat glorieuze en grootse eigen verleden worden gedaan, waardoor de nationale trots nog hoger kon worden opgeklopt. Opgeklopt door beelden van die ‘grote mannen’ te plaatsen. Beelden bedoeld om je ‘trots’ te laten zijn op de grootsheid van je volk en natie. Let maar eens op. De meeste beelden van ‘grote mannen’ zijn in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw geplaatst. Zo is het beeld van Michiel de Ruyter in Vlissingen van 1841 en dus geplaatst zo’n 180 jaar na zijn dood. Jan Pieterszoon Coen is in Den Helder in 1893 op zijn sokkel gezet, bijna 270 jaar na zijn dood. Het beeld van schilder Rembrandt van Rijn werd in 1852 in Amsterdam onthult door koning Willem III en het plein waar het beeld staat werd in 1872 van Botermarkt ongedoopt in Rembrandtplein. Zo leidt het ‘objectief beschrijven van ‘hoe het geweest is’ toch weer tot het bevoordelen van de eigen groep.

In een volgende prikker in deze serie ‘geschiedenis van de studie geschiedenis’, een heel andere manier van het bestuderen van de geschiedenis.


[1] Ook wel primaire bronnen genoemd. Denk hierbij aan schriftelijke bronnen zoals Oorkonden, inscripties, annalen, processtukken, rapporten, notities, memoranda, verhandelingen, verslagen, notariële akten, doop-, trouw-, begraafboeken, kasboeken, egodocumenten, kranten, tijdschriften, vlugschriften, romans, brochures, verhalen, gedichten, toneelstukken, partituren. Maar ook niet-schriftelijke bronnen zoals gebruiksvoorwerpen, machines, meubels, gebouwen, wegen, stedenbouw, transportmiddelen, schilderijen, prenten, tekeningen, beeldhouwwerken, films, foto’s, geluidsopnames, kostuums, landschapsvormen, skeletten.

Naast primaire bronnen kennen we secundaire bronnen. Informatie uit tweede hand en/of van later datum dan het gebeurde dat je bestudeert. De Historiën van Herodotus zijn een secundaire bron bij de bestudering van de Perzische oorlogen.

[2] https://isgeschiedenis.nl/nieuws/de-geschiedenis-van-de-protocollen-van-de-wijzen-van-zion

[3] W.J. Van de Dussen, Filosofie van de geschiedenis pagina 104

[4] Geciteerd bij W.J. Van de Dussen, Filosofie van de geschiedenis pagina 105

[5] Palmer & Colton, A history of the modern World, pagina 376

Kantelend tunnelperspectief

“Goed dat scholieren dat perspectief leren kantelen.” Dit zegt Jerry Afriyie, de voorman van Kick Out Zwarte Piet over een vraag bij het HAVO-eindexamen geschiedenis. Dit in een de jaarlijkse serie in de Volkskrant waarin bekende Nederlanders een eindexamen maken. Nu is wisselen van perspectief iets wat ik ook al tijdens mijn eindexamen in de jaren tachtig moest doen, dit is niet nieuw. Ook toen werd ons gevraagd om ‘perspectief te kantelen’ om de woorden van Afriyie te gebruiken en een bron van verschillende kanten te bezien. Afriyie geeft echter een bijzondere variant van kantelen.

Bron: Pxhere

Eerst even het voorbeeld dat de instemming van Afriyie krijgt. Hij zegt dit over een vraag waar: “leerlingen een verklaring van een voorlichter van het Nederlandse koloniale leger te lezen (krijgen). Het leger heeft na de Japanse bezetting troepen naar Nederlands-Indië gestuurd om de macht terug te krijgen. De voorlichter noemt de Indonesische vrijheidsstrijders ‘jongens die niet weten wat zij doen’, die Nederlandse steun uit ‘dom wanbegrip’ weigeren. Leerlingen moeten beargumenteren waarom de verklaring een eenzijdige weergave van de realiteit is.”  Zoals gezegd is een dergelijke vraag niet nieuw. Dat kijken vanuit verschillende perspectieven is de kern is van het vak geschiedenis en niet de ‘glorierijke vaderlandse geschiedenis’ debiteren en uit je hoofd leren.

Het wordt bijzonder als Afriyie het betrekt op een andere vraag: “die gaat over de oprichting van de Navo. Leerlingen moeten uitleggen wat er na 1945 in de buitenlandse politiek is veranderd, waardoor Nederland medeoprichter van de Navo werd. Het correctievoorschrift spreekt over het loslaten van de vooroorlogse neutraliteitspolitiek dankzij de dreiging van het communisme.” Afriyie wil er nog een ‘gekanteld perspectief’ aan toevoegen: “Afriyie schrijft liever op dat de Navo een ‘westerse dekmantel is om andere landen aan te vallen’. Daar krijgt hij nul punten voor.” Nu zijn die nul punten correct net zoals het antwoord in het correctievoorschrift. De Navo werd opgericht om het ‘rode gevaar’ te beteugelen, andere landen aanvallen, behoorde niet tot de taken van de Navo. De Navo is opgericht als een defensieve organisatie. De eerste keer dat de organisatie buiten haar grondgebied en dus het defensieve mandaat trad, was in 1999: de KFOR operatie in Kosovo. En die missie was niet op het ‘aanvallen’ van landen gericht. Afriyie slaat de plank mis en krijgt terecht nul punten. Als de organisatie gericht is op ‘het aanvallen van landen’, dan laat ze zeer magere resultaten zien.

Afriyies manier van denken over geschiedenis is zeer bijzonder maar ook weer niet. Afriyie wil het verleden herschrijven, of in zijn woorden ‘kantelen’, naar zijn hedendaagse opvattingen. Geschiedenis als middel om een doel in het heden te bereiken. Nog even en dan stak Ceasar de Rubicon over om de weg te plaveien voor de macht van de techbedrijven. En daarmee kom ik bij het ‘ook weer niet’ want hij gebruikt geschiedenis op precies dezelfde manier die zijn tegenstrevers gebruiken. Tegenstrevers die het ‘glorierijke Nederlandse verleden’ gebruiken om de bijzonderheid van de ‘Nederlandse identiteit en cultuur’ te benadrukken en er ‘trots’ op te zijn.

Afriyie vindt het goed dat ‘scholieren perspectief leren kantelen’ en dat is ook goed. Het lijkt er echter op dat hij dan wel wil dat het ‘perspectief’ zo ‘kantelt’ dat het in zijn tunneltje past.

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.

Creatief crossover de plank mis slaan

“Crossover Creativity betekent dat jij je creativiteit inzet om innovatieve oplossingen te ontwerpen voor complexe uitdagingen in de samenleving. Bijvoorbeeld op het gebied van sociale inclusie, onderwijs, inrichting van de publieke ruimte, de gezondheidszorg.” Dat lees ik op de site van de HKU Ik moest het even opzoeken omdat de schrijver van een artikel in de Volkskrant, Hilde Roothart, zich introduceerde als ‘student aan de HKU masteropleiding Crossover Creativity. Nu heb ik dat tegenwoordig vaker. Ik stam nog uit een tijd dat je zoals ik geschiedenis ging studeren of Nederlands, natuurkunde of economie of je ging naar de kunstacademie. Als ik de studie in mijn woorden samenvat, dan ben je na die studie gewoon een (product)ontwerper. En met ‘woorden’ kom ik bij de inhoud van het artikel van Roothart.

Learn a Language - Free Image by Sukh Photography on PixaHive.com
Bron: Pixahive

Nu is productontwerper of met een andere naam vormgever niet de enige studie waar allerlei fancy klinkende termen aan worden verbonden om er iets extra’s van te maken. Ik moet hierbij denken aan een bijeenkomst die ik jaren geleden bijwoonde. Een bijeenkomst waarbij een opleider voor sociaal werkers en jeugdzorginstellingen bijeen kwamen. De opleider vertelde dat de studenten werden opgeleid in verschillende specialisme. ‘Jullie specialisten zijn voor ons gewoon algemeen opgeleid,’ met dergelijke woorden reageerde een jeugdzorgaanbieder en vervolgde: ‘wij moeten ze vervolgens specialiseren’. Op de arbeidsmarkt zal Roothart gewoon moeten concurreren met andere productontwerpers en vormgevers die ‘Interaction design’ of ‘Natuurlijk design’ studeren. Dit even terzijde.

Of toch niet? Want met woorden probeert, in dit geval de HKU, een opleiding tot vormgever tot iets speciaals te maken en met woorden kom ik bij het artikel van Roothart. Volgens Roothart ligt: “Helaas (…) de ongelijkheid ook in de taal besloten. Sommige mensen zijn hooggeletterd, anderen zijn laaggeletterd. Zolang we in de taal aandacht blijven besteden aan hoog en laag (…) wordt de taal gekoloniseerd door een homogene groep Noord-­Europese, witte, mannelijke en elitaire mensen.” Om daar wat aan te doen moeten we onze taal: “bevrijden van de uitsluiting van de laaggeletterdheid. Dat kunnen we voor elkaar krijgen door alle vormen van intelligentie waarover we beschikken in te zetten. En door elke taal die we beheersen ook echt als taal te gaan zien, horen en voelen. Dat zou ons allemaal pas echt gelijkwaardig maken.” Met die woorden beëindigt ze haar heel bijzonder betoog.

Nee, dan doel ik er niet op dat Roothart heel modern en als een volleerd leerling van Gloria Wekker en Sylvana Simons de woorden ‘gekoloniseerd’ en ‘homogene Noord-Europese witte, mannelijke en elitaire mensen’ in één zin gebruikt waarmee alles ‘verklaard’ is. Dan bedoel ik dat laaggeletterden worden uitgesloten van onze taal. Dat lijkt me heel vreemd. Iemand ergens van uitsluiten, betekent dat je het die persoon onmogelijk maakt om in dit geval van taal gebruik te maken. Welke taal spreken laaggeletterden dan?

Volgens Roothart zijn er naast verbaal linguïstische intelligentie ook nog andere vormen van intelligentie: “visueel-ruimtelijk, ­logisch-mathematisch, naturalistisch-ecologisch, muzikaal-ritmisch, interpersoonlijk, intrapersoonlijk, lichamelijk-kinesthetisch.” Als ik Roothart goed begrijp zijn dat allemaal ‘talen’ en moeten we die gaan gebruiken want dan zijn we ‘pas echt allemaal gelijkwaardig’. Roothart: “Onze taal bestaat niet alleen uit letters en cijfers, maar ook uit beelden, geluiden en gebaren. We beschikken niet alleen over ­taal­vermogen, maar ook over beeldend vermogen en scheppingskracht; over de taal van kleur, klank en knipoog.”

Eens kijken hoe dat in de wereld van Roothart werkt met mezelf als onderdeel van een voorbeeld. Mijn taal is de linguïstische, dat wat een normaal mens onder ‘taal’ verstaat. Mijn ‘muzikaal-ritmische’ taal is behoorlijk waardeloos, ik zing vals en kan geen maat houden. Nu kom ik een Beethoven in de laatste fase van zijn leven tegen: linguïstisch waardeloos want doof maar muzikaal-ritmisch een genie. Ik sta te praten als Brugman en die ander speelt op zijn gitaar. Zouden we elkaar begrijpen? Laat staan dat ik iemand tegen kom die lichamelijk-kinesthetische taal gebruikt. De inhoud van een brief vertalen in een pianostuk of een dans, lijkt mij erg lastig. Dit allemaal ‘taal’ noemen lijkt mij niet de oplossing voor een laaggeletterde die een brief van de gemeente niet begrijpt.

Verwart Roothart hier niet ‘taal’ en ‘communicatie’? Communiceren kun je op veel manieren, met woorden, handen, voeten, muziek, dans enzovoorts. Door dit allemaal ‘taal’ te noemen verbetert de ‘communicatie’ tussen mensen echter niet, om die twee woorden nog maar eens te gebruiken. En dan terugkomend op de reden waarom Roothart haar artikel schreef, de positie van: “etnische minderheden en studenten die afkomstig zijn van minder goede scholen,” verbetert niet als er niet meer wordt gecorrigeerd op: “verkeerd spellen, grammaticale fouten maken of interpunctie verkeerd gebruiken,” zoals de Hull University wil. Net zoals de positie van zwakke rekenaars niet verbetert als de opleiding tot boekhouder niet meer controleert op rekenfouten. Dat leidt alleen maar tot boekhoudschandalen en opleidingen die tot middelmaat en zelfs lager opleiden. Wat die studenten en laaggeletterden echt helpt, is investeren in hun taalbeheersing. Als dit is wat de HKU onderwijst bij de master Crossover Creativity dan hou ik mijn hart vast, dan leert men daar creatief crossover de plank mis te slaan.

En ter afsluiting beste mevrouw Roothart, om op de laatste zin in uw artikel terug te komen: om ‘echt gelijkwaardig’ te zijn hoef ik uw taal niet te spreken en hoef ik u zelfs niet te begrijpen.

Demolition Man

In mijn vorige Prikker schreef ik, met Francis Fukuyama in het achterhoofd, over natievorming. Volgens Fukuyama voegt natievorming: “een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.” Een proces dat ook een keerzijde kent: “Het is ook een potentiële bron van onverdraagzaamheid en agressie.[1] Ik schreef dit naar aanleiding van een artikel over het terugtrekken van de Amerikaanse en NAVO troepen uit Afghanistan. Die passage zette mij aan het denken.

Arcade cabinet - Demolition Man | at Free Gold Watch in San … | Flickr
Bron: Flickr

In Nederland zien we dat er door politieke partijen zoals de PVV wordt gehamerd op ‘gedeelde normen en een gedeelde cultuur’. Neem haar Verkiezingsprogramma 2021: “Wij houden van onze eigen cultuur, identiteit en tradities. Die willen we dan ook altijd op de eerste plaats zetten!” Die zet zij af tegen het ‘vreemde’: “Waarom moeten Nederlanders zich wel schamen voor de slavernijgeschiedenis, maar wordt onbesproken gelaten dat slavernij in de islamitische wereld een groot probleem was en nog steeds is? Waarom liggen de kerstboom en het paasfeest onder vuur, terwijl we wel hele tv-uitzendingen zien over de ramadan? Het is de wereld op zijn kop.” Het Forum voor Democratie doet hetzelfde in haar verkiezingsprogramma: “Wij koesteren ons (historisch) erfgoed en onze stedenbouw. De geschiedenis die onze cultuur kent en de verbeelding die daaruit is voortgekomen in de vorm van gebouwen en standbeelden, muziek, literatuur en religie: het is van onschatbare waarde. Dat erfgoed moet dan ook goed beschermd worden. Met oog voor de kijk van onze voorouders op de geschiedenis.” Alleen staat die cultuur onder druk: “ Op dit moment subsidieert de Nederlandse overheid segregatiebevorderende, weg-met-ons projecten; terwijl museumdirecteuren datgene waar we trots op mogen zijn, het mooiste en beste dat het Westen heeft voortgebracht, onderschoffelen.” Of in de openingszin van het programmapunt voor een Wet bescherming Nederlandse waarden die er zou moeten komen: “Door de komst van grote groepen (overwegend islamitische) immigranten zijn een aantal verworvenheden en kernwaarden van onze samenleving onder grote druk komen te staan.” Hier wordt in iedere geval de suggestie gewekt dat de islam strijdig is met kernwaarden van onze samenleving en dus dat moslims niet bij de samenleving horen. Hier wordt onverdraagzaamheid gepredikt. Ook bij de grootste partij, in het verkiezingsprogramma van de VVD is het hameren op maar vooral de angst voor ‘verlies’ van ‘onze cultuur’ te bespeuren: “Als wij willen dat nieuwkomers hun plek vinden in onze samenleving, moeten we ook duidelijk maken waar we voor staan. Dat vraagt om gepaste trots op onze cultuur en een actieve verdediging van onze waarden.”

Dit leidt tot, en dat zien we ook al in onze samenleving, een toenemende onverdraagzaamheid van mensen tegen anderen waarvan zij vinden dat die tot een andere groep behoren. Beter gezegd, waarvan zij vinden dat die niet tot de ‘Nederlanders’ behoren. Bekend voorbeeld is natuurlijk Geert Wilders die vindt dat mensen die het islamitische geloof aanhangen. Of zoals hij het in zijn Verkiezingsprogramma 2021 schreef: “Nederland is overbevolkt en de islam hoort niet bij Nederland.” Je zegt niet direct dat je islamieten het land uit wilt zetten, maar je bedoelt het wel. Baudet en zijn Forum voor Democratie zeggen het in nog meer bedekte woorden: “Stoppen met de alsmaar voortgaande immigratie. Waar integratie mislukt, helpen we mensen terugkeren naar hun landen van herkomst.” Nu is er altijd wel een haakje te vinden om ‘integratie’ mislukt te vinden en aan wie dat is te wijten, is duidelijk en daarom moet die ook terugkeren.

Deze partijen pogen een cultuur of identiteit te creëren die, om Kwame Anthony Appiah in een interview met de Volkskrant te citeren, iedereen omvat die: “al duizend jaar in Nederland woont.” Daarmee sluiten ze de ogen voor mensen: “die niet ergens anders naartoe zullen gaan.”  Ze prediken verdeeldheid in plaats van te zoeken naar gezamenlijkheid. Gezamenlijkheid door te zoeken naar gemeenschappelijkheid die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Ze zoeken gemeenschappelijkheid op de verkeerde plek. Ze kijken in het verleden in plaats van naar de toekomst. Een gemeenschappelijk verleden zullen ze niet vinden. Zou die zoektocht er niet toe kunnen leiden, en dan keer ik de redenatie van Fukuyama om, dat de legitimiteit van de staat wordt afgebroken? Zijn ze bezig met ‘nation demolition’?


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, pagina 350

Lukkassens Götterdämmerung

“Geert Wilders, Martin Bosma, Thierry Baudet, DENK, Sylvana Simons, een mevrouw van de Moslimbroederschap pardon GroenLinks, de kosmopolitische technocraten van VOLT, de boerenbeweging en zelfs voormalig Europarlementariër Derk Jan Eppink is naar Den Haag gekomen (terwijl de macht zich van Den Haag naar Brussel en Straatsburg verplaatst). Kortom iedereen komt samen om zijn of haar rol te vervullen in dit tragische slotstuk: de godenschemering van onze democratie.” Aldus Sid Lukkassen in een artikel bij ThePostOnline. Dat klinkt onheilspellend.

Sir Winston Chutchill | "Indeed, it has been said that democ… | Flickr
Bron: Flickr

Nu zijn er wel vaker verkondigers van ‘onheilspellende’ toekomsten. Zo verkondigde Oswald Spengler honderd jaar geleden al de ondergang van het Avondland oftewel het Westen. Spengler vergeleek culturen met een levende wezens: ze worden geboren, groeien op, komen in bloei, takelen vervolgens af en sterven en het westen stond op het punt om te sterven, zo betoogde Spengler honderd jaar geleden. Spengler was niet de eerste en ook niet de enige. Er zijn altijd wel weer mensen die het einde van de beschaving en de wereld voorspellen. Zo zou de wereld op 21 mei 2012 volgens ‘aanhangers van de Maya-kalender vergaan, een hierop gebaseerde film werd gisteravond, bijna negen jaar na dato, weer vertoond. Ook kennen de grote religies allemaal een ‘einde der tijden’ dat door de eeuwen heen al geregeld is voorspeld. Een ‘einde’ dat de uitverkorenen naar het hemelse eeuwigdurende rijk zou leiden. Ook seculiere ‘religies’ kennen iets soortgelijks. Zo zou de proletarische revolutie via de dictatuur van het proletariaat uiteindelijk leiden tot de klasseloze hemel op aarde en zou Hitlers nationaalsocialisme na de strijd uiteindelijk leiden tot het gelukzalige Duizendjarige Rijk, waarbij we duizend moeten uitleggen als eeuwig.

Lukkassen trekt een parallel met Wagners vierdelige opera Der Ring des Nibelungen. Waarvan het laatste deel Götterdämmerung vertaald als Godenschemering heet. In dat deel gaat de godenwereld in vlammen op waardoor de mensheid in het vervolg op zich zelf is aangewezen. Wagner haakte aan bij de Germaanse en Noorse mythologie. Lukkassens boodschap komt er dus op neer dat onze democratie op het punt van instorten staat.

Lukkassen ziet twee problemen in onze huidige democratie. Als eerste is: “identiteit een bepalend verkiezingsthema,” geworden. En: “Omdat veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit geven boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’, krijgen we een Wagneriaanse saga waarin de apocalyptische slotscène – een dramatisch Götterdämmerung – in ons parlement wordt uitgespeeld.” Aldus Lukkassen in de zin die voorafgaat aan het citaat waarmee ik deze Prikker begon. Problemen worden niet opgelost omdat er wordt gehamerd op ‘verschillen’ en op het ‘gelijk van de eigen groep’. Een conclusie waarvoor de huidige situatie voldoende argumenten geeft.

Als tweede de rol van de grote techbedrijven. Lukkassen: “De democratie is geboren uit de wens van de liberale burgerij om hun stem te laten horen en hun eigen vrijheid van denken op te eisen tegenover adel, kerk en koningshuis. Maar nu – nu deze vrijheid wordt overvleugeld door corporaties die via algoritmes en datamining méér informatie hebben over burgers dan waar Lenin en Stalin ooit van droomden, en die globaal georganiseerd zijn en hiermee ook nog eens niet zijn gebonden aan nationale democratieën – hoor je diezelfde liberaal-democratische krachten niet. Ze lijken het op een akkoord te hebben gegooid met de Techreuzen. Zolang die laatsten de uitdagers van het bestel, ‘populisten’ als Wilders en Farage, niet al te groot laten worden, vinden de liberaal-democraten het wel best.” Gevolg hiervan is: “dat parlementair succes wordt afgemeten aan hoeveel views en likes (die) een partij scoort met een video waarin hun politici een politieke tegenstander affakkelen in een debat. Echter, diverse partijen maken van één debat verschillende video’s. Dikwijls worden daarin hun eigen ‘doelpunten’ sterk belicht terwijl de voltreffers van de tegenstander geen aandacht krijgen. Hiermee drijven de belevingswerelden van politiek geëngageerden steeds verder uiteen, waarin Hobbesiaanse pre-burgeroorlog voorschemering te herkennen zijn.” Ook voor deze scoringsdrang zonder echte doelpunten is bewijs te vinden.

Gelukkig weet Lukkassen ook de oplossing: “Daarom is het belangrijk dat links en rechts inhoudelijk in dialoog blijven.” Hij vervolgt: “Een stabiele Leitkultur is een onontbeerlijke voorwaarde om een fragmentarisch uiteendrijven van het electoraat tot rivaliserende stammen te voorkomen. We moeten zorgen dat burgers een bezield verband blijven ervaren, verbonden aan een gedeelde identiteit.” Identiteit als oplossing voor identiteitsproblemen, een bijzondere oplossing, zou dit werkelijk onze democratie redden? Zelf ziet hij het ook niet gebeuren: “Echter liberalen vinden dit te beknellend en links verwerpt het principe van een leidende cultuur als ronduit fascistisch en imperialistisch. Zodoende is onze democratie inderdaad gedoemd te versplinteren tot een steeds agressievere stammenstrijd” Vandaar die Götterdämmerung van onze democratie. Lukkassen capituleert en geeft de democratie op.

Maar wat dan? Daarop geeft hij in dit artikel geen antwoord. Dat antwoord gaf hij al eerder: een burgeroorlog. Na die Götterdämmerung moet zijn Nieuwe Zuil, waarover ik eerder schreef, klaar staan en: “voldoende ‘hardheid’ bezitten, oftewel standvastigheid, om deze totalitaire besluiten naast zich neer te kunnen leggen en weerbare tegendruk te kunnen bieden.”  Want: “(O)p dat moment verlaten we het gesprek en treden we toe tot de natuurtoestand. Dan is het conflict niet meer met woorden, maar wordt het conflict fysiek. In Oud-Nederlands: wie niet horen wil, moet maar voelen.” Om in marxistische termen, die Lukkassen te pas en te onpas gebruikt, te spreken: dan gaan we via die burgeroorlog naar de ‘dictatuur van de echte Nederlander’ wie dat dan ook mogen zijn. Een dictatuur die moet terugleiden naar het ‘Nederland uit een denkbeeldig verleden’ waar Lukkassens vriend Baudet over spreekt. Denkbeeldig omdat het Nederland waarnaar terug moet worden gegaan, nooit heeft bestaan.

Op basis van een goede analyse geeft Lukkassen de democratie op omdat we nooit tot die door hem gewenste ‘Leitkultur’ komen. Hij zoekt de oplossing in een van de oorzaken van het probleem, in ‘identiteit’. Waarom niet gezocht naar andere vormen van democratie? Vormen die beter passen bij onze huidige samenleving. ‘Nationale identiteiten’ ontstonden in de negentiende eeuw, zoals ik al eerder schreef. Ze zijn van recente datum, als mensheid hebben we heel lang zonder gekund. In bijna al die landen ging het construct ‘nationale identiteit’ aan de democratie vooraf. Daarom kan het lijken alsof een democratie niet zonder ‘nationale identiteit’ kan. Democratie is: “een staats(vorm) die aan het hele volk invloed op de regering toekent,” aldus de Van Dale. Een bestuursvorm die je op verschillende manieren kunt vormgeven. De manier waarop ze nu is vormgegeven, is gebaseerd op onze verzuilde samenleving van het grootste deel van twintigste eeuw. Onze structuur met partijen die ieder een ‘zuil’ vertegenwoordigde, paste daar goed bij. Die zorgde voor grote stabiliteit waardoor problemen met het oog op de toekomst konden worden opgelost. Als politicus wist je immers dat je niet zou worden afgestraft door je loyale achterban. Sinds het begin van dit millennium ontbreekt die stabiliteit en ligt de focus op de korte termijn. Andere vormen zijn mogelijk, recentelijk beschreef ik er een.

Inderdaad geven: “veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit (…) boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’,” dat hoeft echter geenszins de Götterdämerung van democratie te betekenen. Als we de uitdaging aannemen kan dit ook een groeistuip van de democratie worden. Dit omdat, zoals Winston Churchill ooit sprak: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.”

Experiment, doe je mee?

Salvator Mundi, een schilderij van Leonardo da Vinci. Niet zomaar een schilderij maar eentje waarvoor iemand € 450 miljoen heeft betaald. Het kost wat, maar dan heb je het ook en kun je het aan de muur hangen in je huis. Een belachelijke prijs maar als je zoveel geld hebt dat een half miljard niet mist, dan kun je het ervoor betalen. Je kunt dat geld natuurlijk ook besteden aan het bouwen van een ziekenhuis of er beurzen van geven aan kinderen waarvan de ouders niet de mogelijkheid hebben om hen te laten studeren. Een belachelijke prijs maar dan heb je wel wat. Het kan altijd gekker.

In een artikel in de Volkskrant las ik het volgende: “Onlangs werd een zeefdruk uit de serie Morons van graffitikunstenaar Banksy door het anonieme collectief BurntBanksy in brand gestoken. Dat werd gefilmd, op YouTube geplaatst. Vervolgens werd de unieke digitale versie van de zeefdruk (als NFT, non fungible-token waarvan de unieke identiteit en eigendom worden ­geverifieerd via een blockchain) geveild. Dat bracht meer dan het drievoudige op (394.000 dollar) van het bedrag waarvoor het was aangekocht.” Iemand koopt een setje enen en nullen voor drie-en-een-halve ton.

Het kan nog gekker: “Het eerste bericht op Twitter ooit heeft bij een digitale veiling 2,9 miljoen dollar (bijna 2,5 miljoen euro) opgeleverd. Een zakenman in Maleisië kocht de tweet van Twitter-oprichter Jack Dorsey.”  Dan koop je die tweet maar, zo lees ik, iedereen kan die kopiëren of downloaden. Je koopt iets voor een godsvermogen maar je hebt het niet alleen. Nu vraag ik me bij die tweet nog iets af. Die tweet luidde ‘just setting up my twttr’. Dorsey is de oprichter van Twitter en via Twitter kun je berichten delen met anderen. Met wie heeft Dorsey dan dat eerste bericht gedeeld? Of beter gezegd, wie las die Tweet ? Nog iets verder nagedacht, hoe weten we zeker dat dit de eerste tweet was? Misschien plaatste hij wel andere berichten die hij weer verwijderde. Dat even terzijde.

Het kan zijn dat het aan mijn leeftijd ligt dat ik het niet begrijp. Het kan ook zijn dat het aan ‘die anderen’ ligt. Of om Louis van Gaal te parafraseren: ‘zijn zij nou slim, of ik zo dom?’ Daarom een experiment. Ik weet niet hoe non fungible-tokens werken. Wel lees ik op Wikipedia dat ze: “meestal (draaien) op een proof-of-work blockchain, die minder energiezuinig is dan een proof-of-stake blockchain, wat heeft geresulteerd in enige kritiek op de koolstofvoetafdruk van NFT-transacties.” En als we iets moeten is het de koolstofvoetafdruk verkleinen. Dat wil ik niet, dus daar doe ik niet aan mee. Daarom op een andere manier. Wie wil deze prikker kopen? Breng een bod uit en als je bod het hoogste is, dan krijg je een uitgeprinte, gesigneerde en ingelijste versie van deze Prikker. Aangezien het een experiment is en ik er niets aan hoef te verdienen, maak ik het geld, na aftrek van de kosten voor de lijst en het verzenden over aan een goeddoel. Ik schenk het aan de HSCV Mustangs in Venlo zodat ze er materialen voor de jeugd voor kunnen kopen. Voor alle anderen blijft deze Prikker gewoon beschikbaar via mijn site.

Verantwoordelijke overheid

Na de rol van de rechtsorde[1] rest er nog een onderwerp dat voor het verklaren van de politieke orde van belang is. Dat is, zoals Francis Fukuyama betoogt in zijn boek De oorsprong van onze politiek het noemt, de ‘verantwoordelijke overheid’. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[2] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch.

File:God roept Kaïn ter verantwoording nadat hij Abel heeft gedood,  RP-P-1878-A-851.jpg - Wikimedia Commons
God roept Kaïn ter verantwoording na de moord op Abel. Van Louis De Deyster. Bron Rijksmuseum via WikimediaCommons

Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en geregeld, in ieder geval een keer per vier jaar en volgende week weer, voor het gehele volk. Ook in de landen om ons heen kennen een soortgelijke manieren van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd.

Fukuyama onderscheidt twee soorten verantwoording morele en formele. “Formele verantwoording is procedureel: de overheid gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan bepaalde mechanismen die haar macht om te doen wat zij wil beperken. Uiteindelijk stellen deze procedures (die doorgaans nauwkeurig in een grondwet worden omschreven) de burgers van een samenleving in staat om de hele overheid te vervangen in geval van ambtsmisdrijf, incompetentie of machtsmisbruik.” In onze democratische samenleving ‘vervangen’ we via verkiezingen. Het kan ook anders: “In Engeland werd al vroeg verantwoordelijk bestuur geëist uit naam van het recht, omdat de burgers vonden dat de koning zich daaraan moest onderwerpen.” De koning moest zich onderwerpen aan: “een traditioneel rechtscorpus dat werd beschouwd als de belichaming van de consensus van de gemeenschap.” Iets soortgelijks speelde ook in de Lage Landen ten tijden van de Tachtigjarige Oorlog. De ‘consensus van de gemeenschap’ zijnde die in de Staten Generaal vertegenwoordigde edelen, vonden dat de landsheer, de koning van Spanje, zijn ambt misbruikte. Via het Plakkaat van Verlatinghe werd Phillips II afgezet. In de loop van de tijd werd in West Europa en de Verenigde Staten de groep die behoorde tot dit ‘traditionele rechtscorpus’ steeds groter en uiteindelijk is hieruit onze democratie ontstaan met een door het gehele volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Bij morele verantwoording daarentegen, ligt het initiatief bij degene die van zichzelf vindt dat er verantwoording moet worden afgelegd. Het initiatief ligt bij de heerser zelf. Fukuyama geeft een sprekend vergelijkend voorbeeld: “morele verantwoordelijkheid heeft een reële betekenis in de manier waarop autoritaire samenlevingen bestuurd worden, zoals blijkt uit de tegenstelling tussen het hasjemitische Jordanië en het ba’athistische Irak onder Saddam Hoessein. Geen van beide landen was een democratie, maar Irak was een wrede indringende dictatuur die voornamelijk de belangen van het kleine kliekje vrienden en familieleden van Saddam diende. De Jordaanse koningen daarentegen hoeven zich niet formeel te verantwoorden tegenover hun volk behalve door middel van een parlement met zeer beperkte bevoegdheden; niettemin hebben zij goed geluisterd naar de eisen van diverse groepen in de Jordaanse samenleving. [3]

De staat in zijn verschillende vormen[4], de rechtsorde[5] en de ‘verantwoordelijke overheid’, drie ingrediënten voor een politieke orde. Iedere kok weet dat je met dezelfde ingrediënten heel verschillende gerechten kunt maken. Dat geldt ook voor de drie ingrediënten voor een politieke orde. Welke ‘gerechten’ daar kom ik in een volgend deel in deze serie op terug.


[1] Zie hiervoor https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/ en  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

[3] Idem, pagina 369-370

[4] Zie de delen:  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/ , https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/ en

https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[5] Zie voetnoot1