Een pleidooi voor Dilan junior,

Beste mevrouw Yeşilgöz-Zegerius. Even over dat ‘meisje van acht jaar oud dat vandaag als vluchteling in Nederland’ aankomt. Dat meisje speelt een belangrijke rol in het vluchtelingenbeleid van de partij die u leidt. Bij mij roept dit wat vragen op over de vluchtelingen- en migratieparagraaf van het verkiezingsprogramma Ruimte geven. Grenzen stellen. Keuzes voor een optimistische toekomst van uw partij de VVD. Omdat die tijdens al die debatten die er al zijn gevoerd, nog niet aan bod zijn gekomen, stel ik ze in deze brief.

Bron: Flickr

“Immigranten maken Nederland alleen sterker als iedereen die hier mag blijven, ook echt integreert in onze samenleving.” Zo lees ik op pagina 6 van het verkiezingsprogramma van uw partij de VVD. Daar is, zo gaat het verder, nog wel wat te winnen. “Op scholen in ons land wordt zichtbaar hoeveel werk er nog te verzetten” is. En waar blijkt dat uit? “Bijvoorbeeld (uit)de achterstanden waarmee kinderen op school verschijnen. Of botsingen in de klas rond zaken als gelijke rechten tussen vrouw en man en ontkenning van de holocaust.” Dat kinderen van migranten met een achterstand aan hun Nederlandse onderwijs carrière beginnen, vraagt inderdaad aandacht. Voor wat betreft die botsingen wat vragen. Zijn het alleen migranten die de gelijkheid tussen man en vrouw ter discussie stellen en de Holocaust ontkennen? Met deze passage suggereert uw partij dat migranten de oorzaak zijn van die botsingen. Nu bent uzelf, volgens de definitie van de Van Dale een migrant. U bent namelijk iemand die: “naar een andere streek of ander land is) verhuisd.”  Of ziet u zichzelf niet meer als migrant? Of, nee laat ik dezelfde vraag anders stellen? Wie is voor u een migrant? Of nog anders geformuleerd, wanneer ben je geen migrant meer? Als ik migrant was, dan zou ik me door de suggestie die uw programma wekt, in de hoek gezet voelen. In de hoek van de minder ‘verlichte dan ons’ personen. Dit terwijl een deel van die ‘ons’ in een donkerdere omgeving verkeert dan menig migrant. Recentelijk gaf u aan de partij van de belangrijkste vertegenwoordiger van die donkere omgeving niet uit te willen sluiten van regeringsdeelname.

Dan dat meisje van acht, waarvoor uzelf model staat. Dat meisje, laten we haar Dilan noemen, heeft, zo lees ik in het verkiezingsprogramma van uw partij: “geen redelijke kans om later uit te groeien tot ingenieur, verpleegkundige, politievrouw of minister en VVD-leider.”  Dat is niet wat u wilt want, zo gaat het verder: “Terwijl dat is wat we zouden moeten willen. Dus moeten we nog een aantal dingen doen. Het is ten eerste noodzakelijk dat de Europese buitengrens wordt verstevigd. Ten tweede moet Nederland altijd blijven aandringen op opvang in de regio, zoals wij dat ook voor de Oekraïners hebben gedaan. Ten derde moet Nederland minder aantrekkelijk worden als eindbestemming voor mensen van buiten onze regio.”  Hierbij een aantal vragen. Als eerste, hoe draagt het verstevigen van de buitengrens van Europa eraan bij dat de kans van Dilan om VVD-leider te worden, toeneemt? Als zij al in Nederland is, verandert een stevige  buitengrens niets aan haar kansen hier in Nederland. Die grens verandert niets aan haar situatie. Als u haar situatie wilt veranderen, dan moet u in Nederland iets voor haar doen. Of zie ik dit verkeerd?

Nu de volgende situatie. U wint komende woensdag de verkiezingen en uw vluchtelingen- en migratiebeleid wordt werkelijkheid. Die stevige buitengrens is er. Uw pleidooi voor opvang in de regio is succesvol. Zo succesvol dat alle vluchtelingen ‘in de regio’ worden opgevangen. Het is 2028 en een meisje van acht met de mooie naam Dilan, is met haar ouders op de vlucht vanuit een land ‘in de regio’. Welke regio doet er even niet toe maar het is in ieder geval niet de regio die u als ‘onze regio’ ziet. Wat is voor u trouwens ‘onze regio’? behoort Israël bijvoorbeeld tot ‘onze regio’? Als Israël bij onze regio hoort, horen de in hetzelfde gebied wonende Palestijnen dan ook tot ‘onze regio’?  En als Israël niet tot onze regio behoort, waar moeten de Israëliërs dan vluchten als het hen te heet onder de voeten wordt? Maar ik dwaal af. Ontneemt uw succesvolle beleid deze Dilan dan niet de kans om ergens in 2060 leider van de VVD te worden, als die partij dan nog bestaat? Ontnemen omdat Dilan ergens in ‘de regio’ blijft hangen?

Afsluitend. Het is het goede recht van uw partij om hardvochtig te zijn tegenover vluchtelingen en migranten. Het is niet mijn keuze maar het mag. Wel is het, in mijn ogen, bijzonder cru en schaamteloos een sentimenteel pleidooi te houden voor de kansen van uw opvolger Dilan ter verdediging van beleid dat niets doet voor de  kansen van Dilan van acht van nu en dat de kansen voor een toekomstige Dilan volkomen de grond in boort.  

Nederland redden met … buitenlanders

Soms lees ik iets dat tot een diepe zucht leidt. Dat overkwam me toen ik bij De Dagelijkse Standaard een kort artikeltje ‘Frans Timmermans bashen’ las. Een artikeltje waarin de auteurs pogen aan te tonen dat Timmermans hypocriet is. Een interessant artikel dat inderdaad uitblinkt in hypocrisie maar dan niet van Timmermans.

Bron: Wikipedia

Eerst even kort de inhoud. “Het huis van Frans Timmermans: ‘Verduurzaming’ afdwingen in Europa, thuis blijft alles energielabel G.” Zo begon het stuk. Timmermans kocht in 2010 een flink huis met energielabel G voor € 575.000, zo is in het artikel te lezen en verkocht het in 2019 en toen was het nog steeds energielabel nog steeds G. Timmermans had er een hypotheek op gevestigd van € 700.000: “Minstens een ton aan verduurzamingsmaatregelen was zeker mogelijk geweest. Een inkoppertje voor een politicus die zo serieus streeft naar een beter klimaat.” En oh ja: “Frans Timmermans laat zich voorstaan op zijn Limburgse afkomst, ook al woonde hij in zijn vroege leven slechts vijf jaar in de provincie.” Het huis kocht hij, zo betogen de auteurs: “Om het imago van Limburger in stand te houden.

Tot zover de inhoud. Of Timmermans hypocriet is, laat ik graag aan anderen om te beoordelen. Het gaat mij in deze niet om Timmermans, nog om het huis of het energielabel. Dan nu naar de auteur, want daar gaat het mij om. De auteur is geen persoon, het is Cultuur onder Vuur . Een, zo is te lezen op hun site: “campagne van de Stichting Civitas Christiana.”  Dus dan maar even naar de site van die stichting: “Civitas Christiana vecht voor de overwinning van de christelijke tradities, het gezin en de vrijheid van Nederland. Tegen het oprukkende multiculturalisme, de gender ideologie en de cultuur van de dood.”  Doel van de stichting is: “een halt toe te roepen aan de verdere afbrokkeling van de Nederlandse cultuur en tradities. Wij begrijpen de Nederlandse cultuur in de context van de christelijke beschaving, zoals die in de loop der eeuwen in Europa vorm heeft gekregen. Als fundamentele principes van de Europese cultuur zien wij traditie, familie en privé-eigendom.” Vreemd dat een stichting die zoveel waarde hecht aan privé-eigendom zich druk maakt over hoe een ander met zijn privé-eigendom omgaat. Ook bijzonder dat een stichting die een halt wil toeroepen aan de verdere afbrokkeling van de Nederlandse cultuur, iemand anders verwijt dat die ‘zich laat voorstaan op zijn Limburgse afkomst’. Timmermans met zijn Limburgse roots precies dat wat Civitas Christiana met Nederland wil.

Er is meer: “De leidende waarden in het werk van Civitas Christiana zijn: verantwoordelijkheid, betrouwbaarheid en inzet.” Hoe ‘verantwoordelijk’ voel je je als je een schrijven ondertekent met ‘Cultuur onder Vuur’ en dit niet laat volgen door ‘namens deze’ en dan de naam van de auteur? Die auteur of auteurs kunnen vijftien personen zijn, want: “Hugo Bos is algemeen manager. Naast hem zijn er nog veertien medewerkers (deels parttime) in dienst voor zowel redactionele als praktische werkzaamheden.”  Dus beste meneer Bos, is het niet lafjes om een aanval op een persoon niet met uw eigen naam te ondertekenen? In mijn wereld wel en dan zeker als je je zo hoogdravend presenteert als Civitas Christiana doet. Als aanvallen op de persoon zonder jezelf kenbaar te maken Civitas Christiana de invulling van haar leidende waarden verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid is, dan zegt dat genoeg.

Het meest bijzonder is echter dat een stichting die zich inzet voor de Nederlandse cultuur en tradities een Duitse hertog, Paul von Oldenburg, als voorzitter heeft en een Braziliaanse penningmeester in de persoon van Caio Xavier Da Silveira. De Nederlandse cultuur redden met  … buitenlanders.

ZUCHT ……. .

Nieuwe bestuurscultuur

Sinds deze week is Nederland weer een politieke partij rijker: Nieuw Sociaal Contract. De partij is opgericht door Pieter Omtzigt. Omtzigt zit al sinds 2003 in de Tweede Kamer. De laatste twee jaar op eigen titel daarvoor namens het CDA. Bij de presentatie van de partij gaf leider Omtzigt aan dat de partij zich gaat focussen op goed bestuur en bestaanszekerheid. Bij dat goed bestuur hoort ook zijn ideeën om de binding tussen kiezer en gekozene te versterken. Hij denkt aan een soort districtenstelsel. Want, zo lees ik: “als er in je kiesdistrict iets gebeurt dat kiezers in hun wezen raakt, dan maakt het niet uit of je in de oppositie of coalitie zit. Dan sta je op en zeg je: ‘Dit gaat zo niet langer’.” Een goed idee? Daar hoeven we niet over te hypothetiseren. Daarvoor kunnen we ‘over de grens’ kijken.  

Neem het Verenigd Koninkrijk. Dat kent al eeuwen een districtenstelsel. De kandidaat met de meeste stemmen in zo’n district, krijgt een plek in het Britse Lagerhuis. Als er maar twee partijen of beter nog twee kandidaten zijn, is dat altijd een kandidaat die meer dan 50% van de stemmen krijgt. Er zijn echter zelden slechts twee partijen. Doen er drie partijen mee dan is het niet zeker dat het gekozen Lagerhuislid ook de stem van een meerderheid van de kiesgerechtigden in zijn district krijgt. Met drie kandidaten voor een plek is in het meest extreme geval, een derde plus één stem voldoende om te worden verkozen. Aan de laatste verkiezingen namen naast de Tory’s en Labour ook liberaal democraten, de Brexit Party, de Groenen en in Schotland de SNP en in Wales Plaid Cymru en in Noord-Ierland deden de DUP en Sinn Féin mee. Die laatste wint zetels maar gaat niet naar het parlement. Het kan in een districtenstelsel dus gebeuren dat de meerderheid van de stemgerechtigde niet op het verkozen Lagerhuislid heeft gestemd.

Daar is wat aan te doen. Daarvoor moeten we naar Frankrijk. Ook daar kent men een districtenstelsel. Om daar te worden gekozen moet een meerderheid van de kiesgerechtigden in je kiesdistrict op jou als kandidaat hebben gestemd. Is er niemand die de meerderheid behaalt, dan nemen de twee kandidaten met de meeste stemmen het in een tweede ronde tegen elkaar op. Tenminste, als 25% van de stemgerechtigden heeft gestemd. Dit betekent dat iemand met 12,5% plus één van het aantal kiesgerechtigden in zijn district in de Franse Assemblée nationale kan komen.

Tot zover één kandidaat in één district. Nu naar het hele land. Ervaringen uit bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk leren dat je in het Lagerhuis een ruime meerderheid van de zetels kunt behalen terwijl maar een minderheid van de kiesgerechtigden op je partij heeft gestemd. Zo behaalden de Tory’s (de Conservatieve Partij) bij de laatste verkiezingen in 2019 een meerderheid van 80 zetels terwijl maar 43,6% van de Britten op de partij stemden. Als we de Britse verkiezingsuitslagen bekijken, dan zien we dat de laatste regering die op een meerderheid van de stemmers kon bogen, de regering Cameron-Clegg was, een coalitieregering van de Conservatieve partij en de Liberaal Democratische Party. Dat was dan tevens de enige naoorlogse Britse regering gesteund door een meerderheid van de Britse kiezer.

Om uit te leggen hoe dit kan een fictief rekenvoorbeeld. Een land met 100 districten met ieder 100.000 kiezers. Je partij wint in 51 ervan met 1 stem meer dan de helft. Dat zijn dan 2.550.051 (50.001 x 51) stemmen. In de andere 49 verliest je partij grof en haal je bijvoorbeeld maar 20 procent van de stemmen. Dat zijn er 980.000 (20.000 x 49). In totaal heb je dan 3.530.051 stemmen, net iets meer dan 35%. Als we met deze kennis eens kijken naar de laatste Provinciale Statenverkiezingen in Nederland, wat zou dat dan betekenen als dit landelijke verkiezingen waren? Dat zou betekenen dat de Boer Burger Beweging een absolute meerderheid zou hebben behaald. De partij behaalde bijna overal de meeste stemmen. Maar van alle kiesgerechtigden bracht net geen 23% de stem uit op deze partij. Ik weet niet of dit de kant is die we op moeten. Of eigenlijk weet ik het wel: die kant moeten we niet op.

“Als er in je kiesdistrict iets gebeurt dat kiezers in hun wezen raakt, dan maakt het niet uit of je in de oppositie of coalitie zit. Dan sta je op en zeg je: ‘Dit gaat zo niet langer’,” aldus Omtzigt. Op de vraag wat de twee belangrijkste speerpunten van zijn partij zijn, antwoordt Omtzigt: “De bestuurscultuur, waar ik al zolang op hamer. De noodzaak om een goed bestuur terug te brengen in Nederland.” Daarmee kom ik bij het belangrijkste. Goed bestuur zit niet in structuren en zeker niet in de manier waarop we onze volksvertegenwoordigers kiezen. Goed bestuur is een kwestie van cultuur. Cultuur zit in de mensen die zich kandidaat stellen en die worden gekozen. Als je alleen opkomt ‘voor iets dat mensen in hun wezen raakt’ als het je buren zijn, laat je dan niet zien dat je uit het verkeerde hout bent gesneden? Dat je cultureel gemankeerd bent?

Een democratische structuur, of die haar vertegenwoordigers nu zoals wij nu doen via evenredige vertegenwoordiging kiest of via een districtenstelsel zoals Omtzigt lijkt te willen, staat of valt bij de mensen die de functie volksvertegenwoordiger vervullen. De laatste twintig jaar piept en kraakt ons democratische systeem in haar voegen terwijl de huidige structuur een jaar of tachtig goed heeft gefunctioneerd. Het begon echter al eerder fout te gaan en dat lag en ligt niet aan ons democratische bestel, maar aan het wereldbeeld dat de laatste veertig jaar dominant is: “Het verlies aan autonomie in combinatie met een kafkaiaanse regelgeving is geen toeval, maar een structureel gevolg van het neoliberale mensbeeld, dat uitgaat van het idee dat iedereen uit is op eigen voordeel en niemand echt te vertrouwen valt[1],” met deze woorden beschrijft Paul Verhaeghe dit wereldbeeld in zijn boek Onbehagen. Dat mensbeeld kantelen, daar wat aan doen, dat gaat de bestuurscultuur veranderen. Daarvoor is een districtenstelsel niet nodig. Sterker nog, het is verspilde moeite want in landen met een districtenstelsel zoals de Verenigde Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ervaren de burgers hetzelfde ‘verlies aan autonomie in combinatie met kafkaiaanse regelgeving.


[1] Paul Verhaeghe, Onbehagen, pagina 153

Onder de knie krijgen

Bij De Kanttekening las ik een wel heel bijzondere column van hoogleraar radicaliseringsstudies in Leiden Tahir Abbas. Volgens Abbas brengt: “Het verbranden van een koran (…) niet alleen tekortkomingen in het Zweedse rechtssysteem aan het licht, maar laat ook de uitdagingen zien waarvoor de Zweedse overheid staat in een steeds diverser wordende samenleving.” Het land: “dat voorheen bekend stond om zijn diplomatieke en pragmatische aanpak, worstelt met zijn identiteit.” Ik verslikte me pardoes in mijn kopje thee toen ik dit las.

Abbas: “De koranverbrandingen brengen het ontbreken van een duidelijke visie op de multiculturele samenleving aan het licht, de veranderende demografie en integratieproblemen waarmee West-Europese landen worden geconfronteerd.” De schuld van het ontbreken van zo’n visie: “kun je toeschrijven aan de bredere tekortkomingen van de neoliberale economie, die in haar streven om globalisering te bevorderen onbedoeld sociaaleconomische ongelijkheden heeft aangemoedigd, de effectiviteit van regeringen heeft ondermijnd en het geloof in de ongereguleerde markten heeft bestendigd.” Ja, de: “vrijheid van meningsuiting is absoluut noodzakelijk; maar je mag de vrijheid van meningsuiting niet misbruiken om te beledigen of om haat te zaaien. De vrijheid van meningsuiting mag alleen bestaan in combinatie met inspanningen om empathie, begrip en de bloei van diversiteit te bevorderen.” 

Identiteit doet er hier niet toe. Wat er toe doet is dat Zweden, net als Nederland trouwens, een democratische rechtstaat is. Een staat met een grondwet die ons rechten geeft en wetgeving die aangeeft waar die rechten worden begrensd. Een van de belangrijkste van die rechten is het recht van vrije meningsuiting, artikel 7 van onze Grondwet. Dat recht wordt hier in Nederland wettelijk begrensd via artikel 137d dat het Wetboek van strafrecht stelt dat: “het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft.” Ook de artikelen 131 en 132 die het tot oproepen tot geweld verbieden.

Volgens Abbas onderstrepen: “De koranverbrandingen en de verontwaardiging hierover, in Zweden en wereldwijd, (…) dat je rekening moet houden met culturele en religieuze gevoeligheden en de fijne kneepjes hiervan onder de knie moet krijgen. Tevens weerspiegelt de situatie in het land de moeilijkheid waarmee veel landen momenteel worden geconfronteerd bij hun pogingen om binnen de complexiteit van diversiteit, integratie en identiteit te navigeren.”  Het verbranden of verscheuren van een heilig boek als een manier om je mening te uiten, is geen aanzetten tot discriminatie of haat.

Er is in deze geen sprake van: ‘rekening houden met culturele en religieuze gevoeligheden en de fijne kneepjes hiervan onder de knie krijgen.’ Daarvoor pleiten richting overheid, is pleiten voor speciale behandeling van specifieke groepen. Wat er ‘onder de knie gekregen’ moet worden, is dat onze mores zijn dat je iedere godsdienst naar keuze mag aanhangen, artikel 6 van onze Grondwet. Dat recht geldt voor iedereen en dat betekent dat je buurman een heel andere godsdienst mag aanhangen. Dat allemaal binnen de grenzen van de wet. Je mag een godsdienst aanhangen, je hoeft het niet dus. Jij mag openbaar verkondigen dat jouw god de enige is en dat de rest een stelletje ongelovigen zijn. Je buurman met die andere godsdienst mag dat ook en die ongelovige mag tegen jullie allebei zeggen dat jullie, om het in goed Venloos te zeggen ‘en pan aaf hebbe’. Voor degenen die het Venloos niet machtig zijn, dat jullie niet goed bij jullie hoofd zijn. Dat mag allemaal. Of het slim is om elkaar zo te bejegen, is een tweede.

Er hoeft niet ‘genavigeerd te worden binnen de complexiteit van diversiteit, integratie en identiteit.’ Er moet genavigeerd worden binnen de wettelijke grenzen van ons bestel en binnen de grenzen van het fatsoen. Dat er mensen onder ons zijn, zoals Pegida voorman Edwin Wagensveld, die voor wat dit betreft geen grenzen van fatsoen hebben, maakt nog niet dat de ‘overheid’ iets moet. Die moet pas iets als de wet wordt overtreden en als iemand denkt dat dit gebeurt dan moet die persoon aangifte doen. Die grenzen van fatsoen en wellicht ook nog enkele wettelijke grenzen, worden ook overschreden als anderen iemand bekogelen met stenen uit protest tegen het verscheuren van een heiligboek.

Even een tip voor Abbas en anderen, vooral mensen die werkzaam zijn bij de media. De beste manier om met acties als die van Wagensveld om te gaan, is er geen aandacht aan te besteden. Media hebben niet de plicht om van iedere oprisping van elke idioot verslag te doen. Ik ben geen kenner van heilige boeken maar ik denk dat ze allemaal wel een of andere passage bevatten waarin staat dat het goed is om iemand die je iets aandoet of kwetst te vergeven en/of iets zoals ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’.

Keti koti

Als je nu nog niet weet dat we op 1 juli herdenken dat de slavernij de jure 160 geleden werd afgeschaft, dan heb je onder een steen gelegen. Onder een steen gelegen omdat de media het afgelopen jaar en culminerend in de laatste week voor de 1ste juli 2023, veel aandacht hieraan hebben besteed. Op de dag voor die 1ste juli las ik bij De Correspondent een artikel van Karin Amatmoekrim dat aandacht vraagt voor deze herdenking en waarom die ons allen aangaat. Terecht want dit was een belangrijk moment in de geschiedenis en het moet aanleiding zijn om de schijnwerpers vol te richten op hedendaagse slavernij. Want nog steeds leven zo’n 40 miljoen mensen in slavernij. Dus op 1 juli herdenken en de rest van het jaar bestrijden. Toch knelt er iets in haar betoog.

Bron: flickr

Natuurlijk kan het dat je denkt ‘het is toch 150 jaar?’ En ja het is de facto 150 geleden dat aan de arbeidsplicht die bij de afschaffing aan voormalige slaven werd opgelegd een einde kwam. Die arbeidsplicht werd door de overheid opgelegd om de voormalige slavenhouders te compenseren in het verlies dat ze leden omdat hun ‘bezit’ werd afgenomen. Een vergoeding aan de voormalig slavenhouders klinkt ons vreemd in de oren toch was en is het nog steeds heel gebruikelijk dat je wordt gecompenseerd als je bezit wordt afgenomen door een overheidsmaatregel. De Britten compenseerden nog ruimer. De slavenhouders kregen in totaal 20 miljoen pond (vergelijkbaar met nu € 19 miljard) en de status van de voormalige slaven werd zonder hun instemming omgezet in een contract als ‘leerknecht’. Dit betekende dat ze nog zes jaar onbetaald hetzelfde werk moesten blijven doen. Dit even terzijde. Terug naar Amatmoekrim.

Volgens Amatmoekrim, en dat kan ik alleen maar ondersteunen, moet iedereen: “lezen over de Surinaamse schrijver en verzetsheld Anton de Kom, de Amerikaanse, Nederlandssprekende abolitionist Sojourner Truth  en al die andere tot de verbeelding sprekende voorouders. Er moeten romans  en films over komen, die ons onderwijzen in belangrijke lessen, die ons kippenvel geven en handvatten bieden voor een betere toekomst, zodat iedereen zich aan hen kan spiegelen en zich in hen kan herkennen.” Bijzonder wordt als ze haar betoog vervolgt: “Vandaag, op de drempel van Keti Koti 2023, wil ik aan iedereen die aarzelt om samen met bruin en zwart Nederland het slavernijverleden te herdenken, omdat hij denkt dat het niet zijn plek is, zeggen: onze helden zijn óók jullie helden. Ja, zij stonden ooit recht tegenover de Europese mens, maar door hun leven te vieren, vieren we onszelf zoals we nu, in dit heden zijn: een samenleving die tegen wil en dank versmolten is met een uiterst pijnlijke en schaamtevolle geschiedenis.” Hier gebeurt iets bijzonders.

Hier wordt een verkeerd perspectief geschetst. ‘Zij’ stonden niet tegenover de ‘Europese mens’. ‘Zij’ stonden, net als de overgrote meerderheid van de ‘Europese mensen’ tegenover de machtigen die hun leven bepaalden. Door het te stellen zoals in het citaat wordt miskend dat het overgrote deel van de voorouderlijke Europese mensen part nog deel hadden aan slavernij en de slavenhandel. Slavernij was niet iets van ‘…’ tegenover de ‘Europese mens’. Het was iets van mensen met macht tegenover machtelozen. Net zoals het nu nog steeds iets is van mensen met macht tegenover machtelozen. De ‘vrije’ Europese arbeider werd niet beter en soms nog slechter behandeld dan iemand in slavernij. De overgrote meerderheid van de toenmalige ‘Europese mensen’ en ook de bewoners van het gebied dat nu Nederland is, hadden totaal geen invloed op de acties en besluiten van de koninkrijken en steden waar ze woonden. Pas in 1917 konden alle Nederlandse mannen van 25 en ouder gaan stemmen, twee jaar later ook alle vrouwen. In andere Europese landen zijn de jaren wat anders, maar wat ze allemaal gemeen hebben is dat dit ver na de afschaffing van de slavernij was.

Het is nogal cru om de ‘nazaten’ van die uitgebuite ‘Europese mens’ nu op één hoop te vegen met de toenmalige machtigen en van hen ‘deemoed, bescheidenheid en schaamte’ te verwachten voor iets waar zelfs hun voorouders part nog deel aan hadden anders dan dat ze door dezelfde personen werden uitgebuit.

Lichte identiteit

“Wat doen sociale media met het zelfbeeld van meisjes? Wat betekent het om voortdurend in contact te staan met een wereld vol onrealistische ideaalbeelden.”  Met die woorden opent een artikel bij De Correspondent van Veerle van Herk. Want: “Het gaat niet goed met de mentale gezondheid van meisjes.” Een artikel met als titel Wat meisjes in de spiegel zien. Eigenlijk is het geen artikel maar een fotorapportage van een groep van meisjes tussen de 11 en 14 waarbij Ven Herk een tekstuele toelichting geeft. Ik moest bij het lezen van de vragen denken aan de tegenwoordige fascinatie met ‘identiteit’. Zou de nadruk op ‘identiteit’ en dan vooral de ‘eigen’ variant ervan een van de oorzaken van de ‘geestelijke gezondheidsepidemie’ zijn? zo vroeg ik me af.

Aanpassen

Een paar jaar geleden schreef ik een Prikker over ‘misgenderen’. Dit naar aanleiding van een klein artikeltje op de site OneWorld. Zelfs na die Prikker liet één zin in het artikel me niet los. De zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Als ik die zin en de context waarin de zin wordt gebruikt goed begrijp, dan is identiteit gelijk aan je eigen genderkeuze. ‘Identiteit’ een woord dat tegenwoordig zeer veel wordt gebruikt: de ‘Nederlandse identiteit’,  de ‘moslim identiteit’ en hier dus de ‘gender identiteit’. Eenzelfde woord dat wordt gebruikt in zoveel verschillende contexten, dat moet wel tot verwarring leiden. Wat is ‘identiteit’ en waarom maken we ons er druk om? En waarom zou je er onzeker van worden

Ik begin waar ik vaker begin, de Van Dale. Die geeft twee betekenissen: gelijkheid: je identiteit bewijzen bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Hoe komen we van het individu naar een groep?

Dan maar even Wikipedia geraadpleegd. “ Identiteit is de eenheid van wezen, volkomen overeenstemming en gelijkheid. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is het zelfbeeld of zelfconcept.”  De trans persoon die niet met het juiste voornaamwoord wordt aangesproken stemt niet overeen met het door de ander opgemerkte beeld. Met zijn imago of image, om die reclameterm te gebruiken, de: “indruk die de buitenwereld heeft van iemand of iets.” Die kunnen verschillen. Wikipedia gaat verder: “Er zijn verschillende soorten van het begrip identiteit te onderscheiden, zoals persoonlijke, genetische, sociale, culturele en nationale identiteit.” En daarmee komen we van het individu bij de groep: de culturele en nationale identiteit.

We komen er, maar het wordt er niet duidelijker op. “Een culturele identiteit ontstaat als een samenleving kiest voor een groepsverbondenheid die deze zelf definieert op grond van gemeenschappelijke waarden en normen en op grond van een gemeenschappelijk verleden. Culturele identiteit is een toeschrijvingsproces dat wortelt in een historisch continuïteitsbesef.” Zoals het hier is geformuleerd lijkt het alsof er sprake is van een bewuste keuzeproces waarbij men kiest welke normen en waarden er wel bij horen en welke niet. Een soort ‘vergadering’ van alle leden van de samenleving die gaan stemmen wat wel en niet tot die ‘culturele identiteit’ behoort. Maar wat als ik dan een minderheidsstandpunt vertegenwoordig? Hoor ik dan niet meer bij die culturele identiteit?

Als een culturele identiteit ontstaat door een keuze van een samenleving, waarin verschilt die culturele identiteit dan van de nationale identiteit. Een nationale identiteit is: “de collectieve identificatie met de natiestaat. De nationale identiteit is onderdeel van de sociale identiteit.” De sociale identiteit: “is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een gewenst zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes.” Tot zover gaat het nog wel, maar dan: “De sociale identiteit is opgebouwd uit de identiteit van groepen waartoe iemand kan behoren, zoals de nationale, culturele, geslachts-, politieke of stedelijke identiteit.” Alle mogelijke andere identiteiten bepalen de sociale identiteit van een persoon. Daarbij de aantekening dat ‘identiteit’, zoals de Van Dale aangeeft, een zelfbeeld is. Dat zelfbeeld hoeft niet overeen te stemmen met het beeld dat anderen hebben van de persoon, cultuur of natie.

Identiteit lijkt daarmee, zoals de Vlaamse psycholoog Paul in zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.[1]” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Daarmee kan identiteit niet los worden gezien van imago. De trans persoon die ‘anders’   wordt waargenomen dan gewild, kijkt in Verhaeghes beeldscherm en moet daar iets mee. Een steen door dat beeldscherm werpen is dan een weinig succesvolle strategie. Identiteit is, volgens Verhaeghe niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.[2]” Zou een onveranderlijke nationale of culturele identiteit dan niet even twijfelachtig zijn?

Een paar bladzijden verder, schrijft Verhaeghe iets waarmee we de stap maken naar het waarom ‘we’ ons zo druk maken om de ‘identiteit’. Verhaeghe ziet “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.[3] Voor het bij een groep horen hebben we de ‘culturele’ en ‘nationale’ identiteit’, die we onderdeel laten uitmaken van onze individuele ‘sociale identiteit’. Onze individuele identiteit maakt echter ook deel uit van die sociale identiteit en door die individuele identiteit: “kan men zich onderscheiden binnen een groep”, om Wikipedia aan te halen. 

Zou die grote belangstelling voor ‘identiteit’ te maken hebben met wat er in het ‘verschuivende beeldscherm’ te zien is? Dat beeldscherm laat ons steeds meer van de buitenwereld (dichtbij en veraf) zien. Steeds meer ‘beelden’ waartoe je je als individu moet verhouden. Maar ook omgekeerd, steeds meer ‘buitenwereld’ die jou via een beeldscherm ziet en zich ook weer tot jou moet verhouden. En op collectief, cultureel- of nationaal niveau, gebeurt precies hetzelfde. Francis Fukuyama lijkt ook in die richting te denken in zijn recente boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Volgens Fukuyama staat Maarten Luther aan het begin van het begrip identiteit of zoals hij het zelf schrijft op pagina 48: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.”  Luther was, zo betoogt hij, de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen. [4]

 Dat het onderscheid tussen het innerlijke en het uiterlijke in Europa ontstond was volgens Fukuyama geen toeval: “De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.[5] Welke veranderingen dat waren: “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën. [6] 

Om het wat duidelijker te maken, het voorbeeld dat Fukuyama geeft: “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[7]” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Het tijdperk van ‘Hans’ werd gekenmerkt door grote sociale en maatschappelijke verandering. De samenleving veranderde van een agrarische naar een industriële. Nieuwe ‘banen’, andere maatschappelijke verhoudingen, nieuwe onzekerheden en het wegvallen van bestaande zekerheden. Iets wat ook voor het huidige tijdsgewricht lijkt op te gaan. Voor velen is niet duidelijk of het werk dat ze nu doen er over vijf jaar nog is. Een robot kan het zomaar overnemen of er ontstaat ineens een ander alternatief voor je werk en dan ben je net zo overbodig als de ‘hoefsmid’. De vraag op wie je kunt terug kunt vallen bij pech is ook weer actueel. Die was vanaf de jaren vijftig beantwoord: op sociale regelingen. Alleen zijn die sinds de jaren tachtig flink ingekrompen en van karakter veranderd. Net als Hans zien we mensen uit andere streken met een andere taal en gebruiken. En net als Hans zien we nu politici, zelfs van over de hele wereld, die ons allemaal voor zich proberen te winnen maar waarvan we ons afvragen of ze werkelijk met ons lot zijn begaan. 

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama: “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[8]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.

Het antwoord dat Hans kreeg wordt door politici als Wilders en Baudet nog steeds gegeven: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Het bijzondere hierbij is dat Baudet terug lijkt te verlangen naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Alleen lopen er tegenwoordig veel Nederlanders rond die zich hierin niet herkennen. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden. Of, om een citaat van Verhaeghe dat ik hierboven al gebruikte te herhalen: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” 

Naast dit ‘oude’ antwoord op de vraag ‘wie ben ik’, is er tegenwoordig een andere manier van beantwoorden van deze vraag. In de eerste zin van een artikel bij Oneworld benoemde Saeda Nourhussen die manier: “In-ter-sec-tio-na-li-teit.” Dat woord liet ze volgen door: “Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” Om het vervolgens uit te leggen: “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse). Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken.

Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site. Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleiding scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft de meeste privileges?

Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel: “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”  Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”  Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.

Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af.  Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd. Stukjes waaraan waarde en eigenschappen worden toegerekend. Die je worden toegedicht ook al herken je je zelf er niet in. Eigenschappen die via digitale kanalen worden bevestigd. Kanalen die je verketteren, of om het hedendaags uit te drukken, ‘cancellen’ als je er niet aan voldoet

Ik begon met het verwijzen naar de vorige Prikker en de zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Ik hoop dat de trans persoon zich veel meer voelt dan trans persoon. Dit terzijde. Er is meer. De regering werkt aan een vereenvoudiging van de Transgenderwet en rond die nieuwe wet wordt flink gediscussieerd door voor- en tegenstanders. “Het meest gehoorde argument is dat mannelijke verkrachters zich straks toegang kunnen verschaffen tot vrouwen-wc’s en -kleedkamers.”  Zo lees ik in een artikel van Valentijn de Hingh bij De Correspondent. De discussie draait om zelfidentificatie en de gevolgen hiervan. Ik moest daarbij denken aan een cursus public relations die ik ooit heb gevolgd en daarmee kom ik bij het meer.

Het was in die cursus dat ik voor het eerst kennis maakte met het begrip ‘identiteit’. Het kwam in de titel voor van een boek van C.B.M van Riel. Een boek met als titel Identiteit en Imago. Een inleiding in de corporatie communication. Wat ik me nog van het boek herinnerde was dat ‘identiteit’ dat is wat je zelf vind dat je bent en ‘imago’ is hoe anderen je waarnemen. Ik stipte het hierboven al even aan. Maar om het zeker te weten zocht ik het boek. Dat moest ergens op de vliering in een doos of kist liggen. En even later stond ik met het boek in mijn handen op zoek naar de betekenis van de twee begrippen. Van Riel: “Imago en identiteit zijn veelvuldig gebruikte begrippen geworden als het gaat om het vaststellen van de communicatiestrategie van een onderneming. Geleidelijk aan is het algemeen geaccepteerd dat imago ‘het beeld is van een organisatie in de perceptie van de doelgroepen’, terwijl identiteit veelal wordt geassocieerd met ‘de wijze waarop het bedrijf zich profileert ten opzichte van haar doelgroepen.[9]” Mijn herinnering had mij niet in de steek gelaten. ‘Identiteit is wat je wilt zijn’ en die ‘je’ kan ook een bedrijf zijn. Dit sluit aan bij de definitie die de Van Dale geeft: “eigen karakter van een persoon of groep.” In het huidige tijdsgewricht lijkt het erop dat ‘identiteit’ de betekenis die Van Riel aan ‘imago’ geeft, heeft aangenomen.

Als we naar het identiteitsbegrip van Van Riel en Nourhussen kijken, dan lijken beiden het over iets anders te hebben. Van ‘wat je zelf vindt dat je bent’ naar een verzameling van kenmerken waaraan ‘privileges’ die meer of minder ‘privilege’ opleveren, hangen. Als ik het op mezelf betrekt dan zou ik mijn identiteit op Van Riels manier als volgt beschrijven: “Ik ben een energieke creatieve vrijdenkende historicus met een zeer brede maatschappelijke interesse en een drive om de wereld te verbeteren. Te verbeteren door mensen los te laten komen van vaste denkpatronen en zo fungeer ik als luis in de pels. Ik kom met onconventionele, creatieve, goed onderbouwde en beargumenteerde plannen, ideeën voor de problemen van vandaag, gericht op de uitdagingen van morgen en goed geworteld in het verleden. Voor mij is het glas altijd vol. Ik schrijf stukjes op mijn eigen site.” Op basis van Nourhussens intersectionele manier van denken over identiteit ziet de beschrijving van mijn identiteit er heel anders uit: “Ik ben een hetero man met een blanke huidskleur. Ik ben cis-gender. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben theoretisch opgeleid en als zzp’er actief is in overheidsland.”  Twee compleet verschillende omschrijvingen. Met de ‘Van Riel’ omschrijving zou je moeite hebben om mij te herkennen in een rij bij een kassa. Dat lukt met de ‘Nourhussen’ omschrijving beter. Terwijl als je met mij in gesprek zou willen gaan de ‘Van Riel’ omschrijving een veel beter beeld geeft wat je te wachten staat.

Het begrip ‘zelfidentificatie’ komt daarmee overeen met Van Riels identiteitsbegrip. Je identiteit is jouw kijk op jezelf en die kan niemand je afnemen. Niemand kan zeggen dat het niet klopt. Dus als ik als blanke cis-gender hetero man mezelf omschrijf als lesbische, vrouwelijke Klingon, dan ben ik dat voor mezelf. Voor degenen onder mijn lezers die het niet weten, Klingons zijn de humanoïde bewoners van de planeet Kronos. Tenminste, in de serie Star Trek[10]. Ze staan bekend om hun strijdlust en moed en hebben een uitgesproken en geribbeld voorhoofd. Als ik je dat vertel, denk je vast dat ik niet goed spoor. Je ziet immers iemand die voldoet aan de Nourhussen identiteitsbeschrijving die ik hierboven van mezelf gaf. En met dat niet overeenstemmen met mijn beschrijven van mezelf en jouw waarneming van mij, komen we bij imago. Want jouw waarneming van mij, is het imago dat jij aan mij toekent. Hoe ik jou waarneem hoeft niet hetzelfde te zijn als de hoe jij jezelf ziet. Ik kan je als mens zien terwijl jij je Klingon voelt.

Zoek hier als tiener, meisje of jongen maar eens je weg in. Zou dat de oorzaak ervan zijn dat het: “niet (gaat) goed met de mentale gezondheid van meisjes,” zoals Van Herk schrijft? In een interview in de Volkskrant een paar jaar geleden, gaf de filosoof Kwame Anthony Appiah een interessante bespiegeling die een uitweg kan bieden: “Identiteit is vaak gebaseerd op leugens. Maar: we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.” Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur? En ook op de kruispunten van Nourhussen verschillen de daar bivakkerende mensen op vele manieren van elkaar.

 “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen…,” aldus Appiah. Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’. En ja, ook op de Nourhussens kruispunten gebeurt iets bijzonders. De intersectionele theorie beoogt verschillen in macht te verklaren. Als ze wordt gebruikt om de identiteit van levende mensen te beschrijven, dan wordt ze zwaar.

Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”

Een lichte identiteit op het niveau van een samenleving, maar ook op persoonlijk niveau. Het citaat van Appiah over licht dragen van je identiteit gaat verder: “ …maar sommige van die bewegingen zijn zwaar. Ze trekken mensen in een identiteit waar ze helemaal geen zin in hebben. Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in een homo-enclave in de stad willen wonen, maar zelf wil ik dat niet. Ik voel me aangetrokken tot mannen, maar de laatste dertig jaar slechts tot één man, Henry. Henry is een groot feit in mijn leven, niet mijn homoseksualiteit. Laten we mensen niet in categorieën persen.” 

Deze prikker is een combinatie van drie eerdere prikkers: Hans en de vraag ‘Wie ben ik?’, Verdwalen tussen kruispunten en Identiteit, imago en de transgenderwet.


[1] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 14

[2] Idem, pagina 15

[3] Idem, pagina 19

[4] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 48

[5] Idem, pagina 55

[6] Idem, pagina 57

[7] Idem, pagina 89

[8] Idem, pagina 91

[9] C.B.M. van Riel, Identiteit en imago, pagina 30

[10]  https://nl.wikipedia.org/wiki/Klingon_(Star_Trek)

Een moderne Rousseau

Volgens Johannes Visser heeft het onderwijs: “een groter probleem dan slechte cijfers: leerlingen die voortdurend druk ervaren, altijd gestrest zijn, en van cijfer naar cijfer leven. In de afgelopen twintig jaar is het percentage jongeren dat druk en stress ervaart door school bijna verdrievoudigd: van 16 naar 45 procent. Ruim een kwart van de leerlingen op de middelbare school ervaart vaak of altijd stress door school en huiswerk.” Zo schrijft hij in een artikel bij De Correspondent. Na het lezen van het artikel moest ik denken aan appels, peren, knollen, citroenen en aan Jean Jacques Rousseau.  

In zijn artikel analyseert hij de huidige problemen in het onderwijs. Het wordt bijzonder omdat hij daarbij een lange omzwerving maakt door de geschiedenis van de mensheid: “Het overgrote deel van de geschiedenis van de mensheid leerden kinderen wel, maar ze hoefden niet naar school. Mensen trokken van plek naar plek en leefden samen als jagers en verzamelaars. Soms schoten ze een bizon en hadden ze voor weken te eten, dan weer plukten ze veenbessen en maakten ze hun eigen jam. De hele dag door zongen en dansten ze de zon tegemoet en nooit waren ze ongelukkig. Nee, geintje. Van hoe mensen tienduizenden jaren geleden leefden, is niet zoveel met zekerheid te zeggen. Maar: er bestaan nog steeds gemeenschappen van jagers en verzamelaars, en van hen leren antropologen hoe we waarschijnlijk het grootste deel van de geschiedenis samenleefden en leerden, zonder dat er scholen waren. En één ding hadden we als jager-verzamelaars goed begrepen. Wat ons gemotiveerd en gezond houdt. Autonomie.” En als er iets schort aan ons onderwijs dan is het dat het, zo betoogt Visser, de autonomie van kinderen beperkt.

Waar het mis ging? (R)ond het begin van de twintigste eeuw, in Nederland vanaf 1901 moesten alle kinderen verplicht naar school. Leerplicht, noemden we het, al zou schoolplicht een beter woord zijn – want leren deden kinderen die honderdduizenden jaren daarvoor natuurlijk ook al.” Vanaf dat moment werd leren controleren aldus Visser en dat beperkte de autonomie. Bij de jager-verzamelaars ligt dat anders: “Kinderen gaan niet naar school maar spelen bijna de hele dag door, zeggen antropologen die gemeenschappen van jager-verzamelaars over de hele wereld hebben bestudeerd.”

Visser vergelijkt appels, de samenleving van jager-verzamelaars,  met peren, onze huidige moderne samenleving. Twee totaal onvergelijkbare grootheden met als enige overeenkomst dat ze beiden bestaan uit mensen. Een kind van een groep jager-verzamelaars ziet om zich heen alles wat nodig is om in die groep te kunnen overleven. Het ziet hoe er wordt gejaagd en verzameld. Het ziet hoe de spullen worden gemaakt die daarvoor nodig zijn en het ziet hoe het gejaagde en verzamelde wordt verwerkt tot de gewenste vorm. Voor een kind in onze huidige moderne samenleving is dat onmogelijk. Tegenwoordig ziet een kind een klein deel van de wereld van zijn of haar ouders. Namelijk het leven in het gezin. Het ziet bijvoorbeeld dat er spullen naar binnen worden gesleept vanuit iets wat een ‘supermarkt’ wordt genoemd. Hoe die spullen daar terecht komen en wat de ouders ervoor moeten doen om die spullen naar binnen te slepen, blijft buiten het blikveld. Ze zien dat ze in een auto worden gestopt en dan naar opa en oma worden gereden. Wat er allemaal voor nodig is om dat mogelijk te maken, blijft buiten het blikveld. Je kunt je afvragen hoe autonoom de keuze van een jager-verzamelaarskind is? Hoe “zelfstandig is de menselijke wil” van een jager-verzamelaarskind, om de definitie van het woord dat de Van Dale geeft, aan te halen? De enige keuze die wordt voorgeleefd is keuze binnen het stramien ‘jager-verzamelaar’. Als die kinderen goed kijken naar hun jager-verzamelaarssamenleving, dan zouden ze, net als kinderen in onze huidige samenleving, tot de conclusie komen dat hun samenleving van afhankelijkheid aan elkaar hangt. Dat ze elkaar nodig hebben en dat autonomie daarmee een idee-fixe is.

 Een kleine studie naar het ontstaan van de eerste Leerplichtwet van 1901, zou Visser hebben geleerd dat die Leerplichtwet en het eraan voorafgaande Kinderwetje van Van Houten juist heel veel hebben betekend voor de autonomie van kinderen. Dat Kinderwet van 1873,  tien jaar na de afschaffing van de slavernij, kwam er niet om de autonomie van de kinderen te beperken. Dat was juist om hun ‘autonomie’ te vergroten. De overgrote meerderheid van de kinderen werkte namelijk vanaf een jaar of zes mee op het land en in de 19e eeuw ook in de fabrieken. Het maakte een einde aan een situatie die te vergelijken was met de manier waarop de jager-verzamelaarskinderen leerden: kijken wat hun ouders doen en dat herhalen. Daaraan maakt het ‘kinderwetje’ een einde. Daaraan en aan de werkdagen voor kinderen van zes jaar van de 12 tot 14 uur en dat 6 dagen in de week. Ja, ze hadden het wellicht nog slechter dan de plantageslaven want fysieke straffen behoorden tot het repertoire en de ‘bevoegdheid’ van de bazen. De leerplichtwet van 1901 zorgde er vervolgens voor dat ieder kind kon en kan leren lezen, schrijven en rekenen. Zaken die bijdragen in de ‘autonomie’ van iemand begin twintigste eeuw maar ook in de huidige tijd. Kon en kan omdat de wet geen plicht tot leren bevat. Artikel 2 eerste lid van de Leerplichtwet 1969 bepaalt dat het  de wettelijke plicht is van: “Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, (…) overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.”  De wet bevat geen plicht voor de jongere om iets te leren.

Nu probeert Vissers ons ervan te overtuigen dat de manier waarop de kinderen van jager-verzamelaars zich voorbereiden op het leven wellicht een goede manier is voor kinderen in de moderne samenleving. “En misschien gaf de leerling die alleen maar tienen haalde ook een goede richting aan, toen ze in ons gesprek terugblikte op haar tijd als scholier: ‘Tegen mezelf van toen zou ik nu zeggen: meid, ga toch lekker met vrienden boogschieten te paard.’” Laat kinderen doen wat ze leuk vinden. Laat ze maar: “spelen bijna de hele dag door.”  Zou dat nog steeds werken in een samenleving die dermate is gespecialiseerd dat niemand meer het totaaloverzicht heeft van alles wat er moet gebeuren om ze draaiende te houden? Om hieruit te kunnen kiezen en te overzien wat de gevolgen van dat ‘kunnen kiezen’ van bijvoorbeeld ‘boogschieten te paard’ zijn, is ‘spelen’ niet voldoende’. Is onderwijs in onze huidige samenleving niet juist ook bedoeld zodat de kinderen dat overzicht krijgen en vervolgens onderbouwd ‘kunnen kiezen’? Laat onderwijs je, als het goed is vormgegeven, niet verder kijken en doordenken wat iets kiezen voor gevolgen kan hebben? Is onderwijs in de huidige moderne samenleving niet wat ‘spelen’ is bij ‘jager-verzamelaars? Verkoopt Visser geen knol, de jager-verzamelaarsaanpak van leren’ voor een citroen?

Als laatste of eigenlijk als eerste, moest ik denken aan Jean-Jacques Rousseau. Alhoewel hij de term niet heeft uitgevonden, dat was de Engelse dichter John Dryden, is ‘de nobele wilde’ onlosmakelijk met Rousseau verbonden. In een kleine periode tussen het extreme van bruut dierzijn en de dierachtige mensapen aan de ene kant en de civilisatie en extreme decadentie aan de andere kant van onze huidige egocentrische maatschappij was de mens, zo betoogt Rousseau in zijn Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes, het gelukkigst.  De staat waarin de mensheid verkeerde voor het moment waarop zijn beroemde uitspraak uit het Discours betrekking heeft: “De eerste man die een stuk land omheinde zei “dit is van mij” en vond anderen naïef genoeg om hem te geloven. Deze man was de ware stichter van de burgermaatschappij. Van hoeveel oorlogen, misdaden en moorden, van hoeveel ellende en armoede zou men niet verlost gebleven zijn wanneer niet iemand de stokken uit de grond getrokken had, de kuilen gevuld had en naar zijn mannen geroepen had: pas op voor deze ellendeling; het zal je einde betekenen als je vergeet dat de vruchten van de aarde van ons allen zijn, en de aarde van niemand.”  Ik moest hieraan denken omdat Visser de jager-verzamelaars lijkt te zien als de staat waarin de mensheid het gelukkigst was. Immers zo is in een noot bij het artikel te lezen: “Sterker: in een studie die Hadza vergeleek met Polen, bleken Hadza veel gelukkiger en tevredener met hun leven.[1] 

Dat leerlingen, zoals Visser schrijft: “steeds meer druk (ervaren), omdat ze het gevoel hebben dat ze moeten presteren – van de maatschappij, van hun ouders, van hun leraren en van zichzelf,” geloof ik meteen. Dat de manier waarop het onderwijs nu is vormgegeven daaraan een bijdrage levert, neem ik meteen aan. Maar hieruit concluderen dat: “onderwijs een plicht is en autonomie een psychologische basisbehoefte, en dat die twee met elkaar op gespannen voet staan,”  dat gaat wel heel kort door de bocht. Dat larderen met een ‘romantische’ opvatting over het leven van jager-verzamelaars en het leven voor de leerplichtwet. Visser maakt een karikatuur van het verleden om zijn betoog in het heden kracht bij te zetten en dat maakt zijn betoog er niet sterker.


[1] De Hadza zijn een nu nog als jager-verzamelaars levend volk in Tanzania.

Umwertung der Werte

In mijn jeugd in het toen nog katholieke zuiden van Nederland ging ik naar de sint. Andreasschool. In mijn geboortedorp werd dit de ‘jongensschool’ genoemd omdat op de school tot een paar jaar ervoor alleen maar jongens zaten. Voor de meisjes was er in die jaren een andere school. Die school heette in mijn tijd de sint Sebastianusschool. Het sint maakt al duidelijk dat het beide katholieke scholen waren en andere keus was er niet in het dorp. De enige sint die ook door niet-katholieken wordt aanbeden in Sint Nicolaas. Katholiek was toen echt katholiek met een pastoor die de godsdienstles kwam geven en ons onder schooltijd voorbereidde op de belangrijke stappen in het leven van een katholiek zoals de eerste communie, het vormsel en de grote communie. Die laatste was bij iedereen de favoriete want dan kreeg je cadeaus. Wat het precies inhield, wist ik toen nog niet. Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van Shawintala Banwarie en Kamel Essabane bij De Kanttekening. Een bijzonder betoog.

Bron: Wikipedia

“De afgelopen weken was er veel media-aandacht voor gebedsruimten op openbare scholen en moslimleerlingen die daarom zouden vragen. Openbare scholen zijn – zo oordeelde de Commissie Gelijke Behandeling in 2000 – niet verplicht om een gebedsruimte of stilteruimte in te richten.” Zo beginnen ze hun betoog waarin ze openbare scholen oproepen om gehoor te geven aan de vraag van moslimleerlingen om een stilteruimte waarin ze kunnen bidden.Want: “In feite, is het verzoek van deze moslimleerlingen niet anders dan het verzoek van leerlingen om een voetbalveld te hebben, of een spelruimte.”  Het eerste wat ik dacht toen ik die vergelijking met het voetbalveld las was:  ‘eindelijk mensen die voetbal gelijk stellen aan religie’. Nu even zonder gekheid.

Maar eerst even vooraf. Een openbare school is een school die niet uitgaat van een godsdienst of levensbeschouwing. Naast openbare scholen kent Nederland ook bijzondere scholen. Een bijzondere school gaat uit van en geeft les op basis van een godsdienst of levensbeschouwing.

Dat zoals de auteurs beweren: “het openbaar onderwijs in Nederland zich niet profileert als ‘neutraal’ of ‘religievrij’, maar als ‘actief pluriform’”, houdt nietautomatisch in dat de openbare school zich: “Daarmee committeert (…) aan ruimte bieden aan diversiteit, en dus ook aan levensbeschouwing,” in de vorm van een stilteruimte. ‘Actief pluriform’ betekent dat de school open staat voor iedereen, precies zoals de wetgever van haar vraagt. Een openbare school is toegankelijk voor ieder kind. De enige reden waarom een school een kind kan weigeren is als er geen plek meer is. Dit in tegenstelling tot een bijzondere school. Die kunnen van ouders eisen dat zij de ‘grondslag’ waarop de school is gebaseerd, onderschrijven.

Dit is niet de enig, om Nietsche te parafraseren, Unmwertung der Werte, die de beide auteurs hanteren. “Heeft het wel of niet kunnen bidden of mediteren op school effect op het welzijn van leerlingen die daar behoefte aan hebben? Heeft het beperken van religieuze expressie effect op de persoonlijke ontwikkeling en burgerschapsvorming van leerlingen? Heeft het beperken van zelfexpressie effect op hun leerprestaties? Ervaren leerlingen die willen bidden religie als een keuze, of als een essentieel onderdeel van hun identiteit? Zouden sommige leerlingen liever op school bidden dan in de buurtmoskee? De vragen stellen is hen beantwoorden.” Toch vreemd om scholen die duidelijk aangeven waar ze voor staan, namelijk open voor iedereen en niemand een bijzondere behandeling, te verwijten, want dat doen de auteurs, de leerprestaties en burgerschapsvorming van kinderen te belemmeren door stilteruimtes te weigeren. De vraag om een stilteruimte is een vraag om een voorkeursbehandeling en daaraan doet het openbaar onderwijs niet.

Ze gaan verder: “dat openbare scholen vooral met goed onderwijs bezig moeten zijn en niet met religieuze behoeften, negeert de pedagogische en burgerschapsopdracht van het onderwijs.” Een volgende bijzondere verdraaiing. De pedagogische en burgerschapsopdracht van het onderwijs is verwoord in de kerndoelen en dan vooral kerndoel 43: “De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.” Dus om leerlingen bij te brengen dat er verschillende manieren zijn om naar de wereld te kijken en te respecteren dat niet iedereen dezelfde opvattingen heeft. Doel van het Nederlandse onderwijs is niet de ‘religieuze behoefte van een leerling te bevredigen. Net zoals het ook geen doel van het onderwijs is om de sportieve of muzikale behoefte van een leerling te bevredigen.

Echt lachwekkend wordt het in de laatste alinea van hun pleidooi. Als de auteurs de volgende vraag stellen: “Willen openbare scholen een verlengstuk zijn van het neoliberalisme dat enkel gericht is op presteren en economische bijdrage, of willen ze staan voor persoonlijke vorming en burgerschapsvorming?” Dat is nogal een verwijt. Openbare scholen hangen dus toch een ‘ideologie’ aan, het neoliberalisme, en leiden kinderen op tot ‘werkslaven’.  

De meest bijzonder Umwertung der Werte is dat de auteurs de bijzondere scholen spiegelen. Daar waar bijzondere scholen van ouders en leerlingen kunnen vragen om de grondslag van de school te onderschrijven, verwachten zij dat een openbare school de ‘grondslag’ van ouders en kinderen onderschrijft. Dat is iets wat het openbaar onderwijs bij wet niet kan en mag.

Grondrechten, meningen en fatsoensnormen?

In een artikel bij De Kanttekening stelt Mariska Jansen de vraag of het verbranden of verscheuren van de koran verboden moet worden. In het artikel doet, hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging de volgende uitspraak: “Bij het verscheuren en verbranden van de koran raken twee grondrechten in botsing. De vrijheid van meningsuiting om te kunnen zeggen wat je wil, versus de vrijheid van godsdienst.” Botsen er twee grondrechten bij het verbranden van een koran of welk heilig boek dan ook?

Artikel 6 van onze grondwet regelt dat ieder in ons land het recht heeft: “zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Het volgende, zevende, artikel regelt de vrijheid van meningsuiting. In het eerste lid de vrijheid van drukpers, het tweede de inhoudelijke vrijheid voor het uiten van meningen via tv of radio en het derde via welk ander middel dan ook. Het vierde lid regelt dat de eerste drie niet van toepassing zijn op het maken van handelsreclame[1].

Als iemand een bijbel of een koran verscheurt en verbrandt omdat die persoon vindt dat deze boeken mensen bedriegen of niet deugen of wat dan ook, dan uit de persoon zijn mening. Dit verscheuren en verbranden belet niemand om christen of islamiet te zijn en dat geloof te belijden. Beide artikelen geven het individu rechten. Van een botsing van grondrechten is, naar mijn opvatting, geen sprake. Ze zouden botsen als ze een individu voor het blok zetten. Niet als twee individuen met elkaar botsen. Beide individuen hebben immers dezelfde rechten. In dit geval worden de grondrechten van beide personen gerespecteerd. De vrijheid van meningsuiting van een persoon kunnen niet botsen met de vrijheid van godsdienst van een ander. Net zoals mijn vrijheid van meningsuiting niet kan botsen met die van jou. Er botsen geen grondrechten.

Wat er wel botsen, zijn meningen. De mening van de een dat een boek heilig is met de mening van een ander dat het mensen bedriegt. Beide meningen mogen er zijn en mogen worden geuit. Wat er ook botst, zijn fatsoensnormen. Fatsoensnormen over hoe we met elkaar en elkaars meningen en met boeken omgaan.  


[1] https://wetten.overheid.nl/BWBR0001840/2023-02-22

It’s the ambtenaar, stupid!

Bij De Correspondent besteedt Rutger Bregman een artikel aan Rob Mather. Rob wie? Was ook het eerste wat ik dacht. Mather is de man achter de Against Malaria Foundation. Een organisatie die geld ophaalt om er muskietennetten van te kopen en die in malariagebieden uit te delen. Het artikel past in Bregmans pleidooi voor altruïsme maar dan wel van het ‘effectieve’ soort zoals dat wordt verkondigd door William Macaskill in zijn boek Doing Good Better.  Nu is er op dat denken het nodige af te dingen zoals ik in een bespreking van dat boek liet zien. Mathers organisatie is transparant want, aldus Bregman: “vertrouwen is goed, maar data zijn beter.” Logisch toch?

Die netten zijn een eenvoudige manier om je te beschermen tegen malaria. De muggen die de ziekte overbrengen passen niet door de gaatjes in de netten dus kun je er veilig onder slapen. Natuurlijk kun je ook malaria oplopen als je niet slaapt. Muggen steken immers niet alleen als je ligt te slapen. Maar de netten helpen wel om het aantal ziekte- en sterftegevallen te verminderen. Maar daar gaat het me niet om. Het gaat mij om ‘vertrouwen is goed, data zijn beter.’

Data zijn tegenwoordig ‘big business. Zo big dat ook overheden zich er met enthousiasme op storten. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft zelfs een boekwerk met als titel Data gedreven werken. Wat is er voor nodig?  Waarom data gedreven werken? “ Voor een veiliger en rechtvaardigere samenleving doordat data gedreven werken het ministerie in staat stelt gerichter te reageren, beter beleid te ontwikkelen en efficiënter te werken.[1]   Wat is het data gedreven werken? “Data gedreven werken is werken op basis van feiten uit de samenleving, die verzameld worden in de vorm van data, geanalyseerd worden naar informatie, samen met domeinkennis op de juiste manier geïnterpreteerd worden naar bruikbare inzichten, en om op basis van deze inzichten een zo geïnformeerd mogelijk besluit te nemen wat een hogere waarde geeft voor de samenleving.[2] Dit: “Om meer doelgericht, vollediger en adequaat beslissingen te nemen op alle niveaus.[3]” De plaatjes bij de tekst (zie de afbeelding hierboven) maken duidelijk hoe dat zou moeten werken: Vanuit de samenleving worden data verzameld. De data worden geanalyseerd en dat levert informatie op. De informatie interpreteer je en dat leidt tot inzicht en op basis daarvan wordt dan een ‘rechtvaardig’ besluit genomen. De rol van kennis, ervaring en inzicht van de erbij betrokken mens, elementen die nu een belangrijke rol spelen, worden minder belangrijk. De data spreken immers[4]. Logisch toch?

Nou nee. Data spreken niet. Ze spreken pas na een goede analyse die leidt tot een theorie. Een theorie die samenhang tussen de data veronderstelt en die vervolgens proefondervindelijk getest kan worden waarbij ze geldig is totdat ze wordt weerlegd. Daarbij is het, volgens de filosoof Karl Popper, de opdracht van de wetenschapper om de theorie te falsificeren, haar ongeldigheid aan te tonen. Wat ik in die plaatjes mis, is dat die analyse staat of valt met de kennis, ervaring en het inzicht van degene die de analyse uitvoert. Het is de mens die de verklarende theorie opstelt. Een computer, zelfs de meest slimme artificiële intelligentie, kan dat niet. Die komt niet verder dan correlatie tussen reeksen data. Die kan hooguit laten zien dat er correlatie is tussen het aantal verdrinkingsdoden en de ijsjesconsumptie. Die kan zelfs laten zien dat er correlatie is tussen de buitentemperatuur, de ijsjesconsumptie en het aantal verdrinkingsdoden. Die zal op basis van deze reeksen concluderen dat er geen ijsjes meer mogen worden verkocht, dat er maatregelen moeten worden genomen om het kouder te laten worden of dat mensen niet meer in water mogen. Die zal nooit tot de conclusie komen dat zwemles de oplossing is voor het aantal verdrinkingsdoden. Een recent voorbeeld dat laat zien hoe ‘data gedreven werken’ gruwelijk fout kan gaan, is ‘de toeslagenaffaire’. Op basis van correlatie werd een grote groep mensen weggezet als fraudeur. Er was geen causaal verband tussen ‘huidskleur’ of ‘huisje in het buitenland’ en misbruik maken van de kinderopvangtoeslag.

“Meer inzichten komen vanuit data. Hierdoor zijn de inzichten beter onderbouwd. Dit leidt tot meer doelgerichte, volledige en adequate beslissingen waardoor de beoogde waarde beter wordt behaald.[5] zo lees ik in het boekwerk. En dan maak ik me echt zorgen. Data geven geen inzicht. Mensen brengen door middel van analyse inzicht. Er is geen causaal verband tussen meer ‘waarde in de vorm van rechtvaardige besluiten’ en de hoeveelheid data die je ontsluit. Er is wel een causaal verband tussen de meer ‘waarde in de vorm van rechtvaardige besluiten’ en ‘door rechtvaardigheid gedreven ambtenaren die de analyse uitvoeren en de informatie interpreteren.’ Meer Sandra Palmens, de jurist bij de Belastingdienst die al in 2017 een memo schreef en daarmee de kat de bel aanhing. Maar met wiens advies niets werd gedaan.

Bij de overheid zouden waarden centraal moeten staan en niet de data. Om de uitspraak waarmee Bill Clinton de oudere versloeg Bush, te verhaspelen: ‘it’s the ambtenaar stupid! Die zorgt voor waarden gedreven en rechtvaardige besluiten. Niet data.


[1] https://open.overheid.nl/documenten/ronl-7cdd61bf-c43c-4cf8-a054-86dfe1a49951/pdf pagina 8.

[2] Idem pagina 9

[3] Idem pagina 10

[4] Idem, zie figuur op pagina 10 of de afbeelding in dit bericht

[5] Idem pagina 10