Utopia en Dystopia

“Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is.” Schreef ik in mijn vorige Prikker. De wereld veranderen door je te realiseren dat er buiten de ideologische bril waarmee je kijkt een hele wereld ligt. En de extreem dominante bril waarmee nu en de afgelopen dertig jaar naar de wereld wordt gekeken is een neoliberale. Hoe kon het dat we onszelf indoctrineerden met die neoliberale bril?

Utopia, De Aarde, Dromen, Teken
bron: Pixabay

Een goede vraag. Goed omdat het antwoord laat zien hoe een bepaalde manier van denken dominant kan worden. Als je weet hoe dat kan gebeuren, dan geeft dat aanknopingspunten om dergelijke processen te herkennen en herkennen is een eerste stap in het voorkomen dat je er slachtoffer van wordt. Net zoals bij een religie schetsten de aanhangers of ‘priesters’ van een ideologie een ideaalplaatje, een utopie. Als je hen ‘volgt’ en handelt naar hun geboden dan ontstaat als vanzelf die ideale wereld. Dan ontstaat de hemel of het ‘arbeidersparadijs’ op aarde. Alleen op dat punt ‘op aarde’ verschillen de aanhangers van een ideologie van een religie. Voor de aanhangers van een religie ligt het ideaal in het leven na de dood. Voor joden, christenen en moslims in het paradijs en voor boeddhisten in het gereïncarneerde volgende leven of het leven daarna. Aanhangers van een ideologie situeren hun ideaal in de toekomst. Alleen blijft dat paradijs altijd net buiten bereik. De oorzaak van dat ‘buiten bereik’ blijven wordt altijd veroorzaakt door het ‘niet goed naleven van de voorschriften’.  Zo betoogden de priesters van het neoliberalisme dat de hypotheekcrisis, die overging in een banken-, economische- en een valutacrisis dat dit gebeurde omdat overheden zich teveel bemoeiden met de markten: die waren niet vrij genoeg.

De, om het zo te noemen,  ‘profeet’ van het neoliberalisme is de Oostenrijkse econoom, Friedrich A. Hayek. Hayek zag de vrije markt als een perfect functionerende machine die hij als volgt omschreef: “Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een ( …) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maanden onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”  In zijn boek Wat als de markt faalt noemt John Cassidy het ‘Hayeks telecommunicatiesysteem’. Hayeks belangrijkste werk Road to Serfdom uit 1944 is een strijd tegen collectivistisch denken en voor de vrije markt. Hayek gebruikt de Sovjet Unie en Hitler-Duitsland om aan te tonen dat collectivisme tot slavernij leidt maar schreef het boek om de politiek in Groot Brittannië te beïnvloeden omdat ook dit land al ver op weg was richting collectivisme.

Tot Hayeks frustratie werd hij in zijn tijd, de jaren dertig tot en met midden jaren zeventig van de vorige eeuw, overvleugeld door het denken van Keynes. Hayek was een wat obscure denker aan de zijlijn van de wetenschappelijk wereld. Hij werd qua invloed en populariteit overvleugeld door tijdgenoot John Maynard Keynes. Keynes was de gevierde econoom die ‘het medicijn’ had gevonden voor het overwinnen van de crisis in de jaren dertig en de mede-architect van de naoorlogse wereld. Al die lof voor Keynes was enigszins overdreven omdat de Tweede Wereldoorlog en de erop volgende wederopbouw een heel belangrijke rol speelde in het ‘oplossen van die crisis’. Keynes pleitte voor overheidsingrijpen in de economie, voor beteugeling en regulering van de markt. Hayek zag dat anders, maar door de economische successen in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij geen poot aan de grond. Die successen werden toegeschreven aan het keynesiaanse economische beleid. In 1950 verruilde hij zijn plek aan de London School of Economics voor de betrekking aan de Universiteit van Chicago.

Een tweede belangrijke persoon in de verspreiding van het neoliberale denken is Ayn Rand. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestatie als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.”  De naam die Rand haar denken gaf, het objectivisme, is daar een mooi voorbeeld van. Dit denken is natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen.  Precies het tegengestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte. Daar hebben we waarschijnlijk ook meteen haar belangrijkste drijfveer gevonden. Zoals ik in mijn vorige Prikker al vertelde, wordt er gebruik gemaakt van verhullende taal. Rand werd dan ook een belangrijke figuur in de anticommunistische strijd in de Verenigde Staten en die woede hevig in de na-oorlogse jaren. Bij het verkopen van een ideologie kan een goed verhaal wonderen doen en daar zorgde Rand voor. Voor wie er een beeld bij wil hebben, lees haar roman Atlas Shrugged. Met goede argumenten betoogt Hans Achterhuis dat dit boek de utopie van het neoliberalisme is. In een prachtig verhaal wordt die ideale wereld afgezet tegen een instortende buitenwereld. In die ideale wereld heerst absolute vrijheid en wordt alles via vrije transacties geregeld. Een invloedrijk boek omdat het na de bijbel en wellicht Mao’s rode boekje, het meest verkochte boek in de wereld is. Waarbij de vergelijking met Mao mank gaat omdat daarbij geen sprake is van vrije keuze.

Daar waar Hayek wat aan de zijlijn van de het leven stond, stond Rand er midden in. Rond Rand verkeerde een groep van bijna idolate bewonderaars. Daarbij enkele personen die een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het neoliberale denken en de neoliberale beleidsontwikkeling. Zo behoorde de nobelprijs winnende econoom en neoliberaal Milton Friedman tot haar kringen. Friedman was, zo ongeveer vanaf zijn studietijd in de jaren dertig verbonden aan de universiteit van Chicago en was een van de ‘Chicago Boys’. Via Friedman beïnvloedde het denken van Hayek de groep rond Rand en werd zijn werk bekend. In Chicago verzamelde Friedman gelijkgestemden om zich heen en die gelijkgestemden wisten steeds invloedrijkere plekken in de Amerikaanse samenleving te bereiken. Een andere protegé van Rand was Alan Greenspan, van 1987 tot en met 2006 voorzitter van het Amerikaanse systeem van centrale banken de Federal Reserve System en daarmee in die periode op economisch gebied zo ongeveer de machtigste man van de wereld. Op hoe hij die macht gebruikte, kom ik in een volgende Prikker terug waarin ik inga op de aannames waarop het neoliberale denken is gebaseerd.

Een eerste kans om de economische zijlijn te verlaten kregen de ‘Chicago boys’ in 1973 in Chili. Toen werd de in 1970 gekozen president Allende via een militaire staatsgreep afgezet. Allende werd zeer tegen de zin van de Amerikaanse president Nixon gekozen. Dit ondanks Amerikaanse steun voor de tegenstander van Allende en zelfs pogingen om na de verkiezingen te voorkomen dat Allende zou worden beëdigd tot president. In die staatsgreep speelde de Amerikaanse CIA een belangrijke rol. Na de coup werden Friedman en zijn ‘Chicago boys’ gevraagd om de Chileense economie weer aan de praat te krijgen. Chili werd een militaire dictatuur met extreem liberaal (neoliberaal) beleid. Het eerste neoliberale experiment leek succesvol. De economie herstelde zich zeer snel en dat schreef Friedman op zijn conto en noemde dit ‘het wonder van Chili’. Maar zoals Geertje Dekkers schrijft: “De groei bleek deels een bubble en toen het tij begin jaren tachtig tegenzat, kwam het land in grote problemen. De Chileense crisis van 1982 vertoonde opmerkelijke overeenkomsten met de mondiale van 2008. Ook toen al moesten banken die te veel risico’s hadden genomen door de overheid worden gestut. Dat betekent het einde van het extreme neoliberalisme in Chili.” Alleen stond Chili toen niet meer in de belangstelling van de wereld, Dus die crisis en de oorzaken ervan, gingen bijna ongemerkt aan ons voorbij.

Friedman zag in de problemen in Chili geen aanleiding om zijn denken te veranderen. En waarom zou hij ook, niemand keek meer naar Chili en tussen 1973 en 1982 had zijn neoliberale denken enorm aan populariteit gewonnen. ‘Les Trente Glorieuses’ zoals de Franse de periode van economische voorspoed tussen 1945 en 1973 noemden, waren piepend en krakend tot stilstand gekomen. Keynes bleek toch niet de perpetuum-mobile -pil voor eeuwige economische voorspoed te hebben ontwikkeld en de zaak was vastgelopen in wat economen ‘stagflatie’ noemen. Een samentrekking van stagnatie die zich kenmerkt door stagnerende economische groei, hoge inflatie en hoge werkloosheid. Groot Brittannië was het eerste land dat hieraan ten prooi viel. Het Keynesiaanse denken, het economische denken van Keynes en zijn navolgers, leek hier geen oplossing voor te hebben. Friedman had die wel: het neoliberalisme.

Met het succes in Chili in zijn achterzak kreeg hij in de jaren zeventig steeds meer invloed en met de verkiezing in 1979 van Margaret Thatcher tot premier van Groot Brittannië had hij een flinke voet tussen de deur in het westen. Thatcher schoeide haar economische beleid op neoliberale leest en bond de strijd aan met hetzelfde collectivisme waarvoor Hayek in zijn Road to Serfdom waarschuwde. De vakbonden waren de belangrijkste collectieve macht en hadden een zeer grote en misschien wel een te grote invloed op de politiek in bedrijven en het land. Die invloed had ertoe geleid dat zeer veel bedrijfstakken genationaliseerd waren. Dat hieraan iets moest gebeuren was duidelijk en de neoliberalen boden een oplossing: privatiseren. Maar daarvoor moest eerst de macht van de collectieven en dus vooral de vakbonden worden gebroken. Thatcher toonde zich een goede leerling van Hayek en deed precies dat wat Hayek adviseerde en ging de strijd aan met de machtige vakbonden. Bonden die ervoor hadden gezorgd dat de staat eigenaar was van vele bedrijfstakken, onder andere de kolenmijnen.  Dat lukte na een lange strijd uiteindelijk in 1985 toen de macht van de sterkste vakbond, de National Union of Miners van Arthur Scargill werd gebroken. Voor wie een goed beeld wil hebben van die strijd, kijk de film Billy Elliot. Thatcher gaf trouwens de beste samenvatting van het neoliberale denken toen ze de woorden: “there’s no such thing as society’” uitsprak. Na het breken van de vakbonden kon ze beginnen met de grote privatiseringsoperatie. Spoorwegen, spoorbedrijven, busbedrijven, de post, energiebedrijven, het telefoonverkeer, alles werd geprivatiseerd door Thatcher en haar opvolgers. Het enige wat men in Groot Brittannië tot nu toe niet geprivatiseerd kreeg, is de National Heath Service, de publieke ziekenhuizen. Of die opvolgers nu tot haar Conservatives of tot Labour behoorden, de neoliberale aanpak bleef gehandhaafd. Net als de PvdA in Nederland onder Wim Kok, schudde Labour onder Tony Blair haar sociaaldemocratische veren af en hulde zich in nieuwe die hij ook ‘the Third Way’ noemde maar het was gewoon een setje ‘neoliberale veren’.

Met Thatcher kregen de neoliberalen een voet tussen de deur in de westerse democratische landen en konden ze, als goede ‘Jehova’s getuigen’ hun ‘wachttoren’ naar binnen schuiven. De deur werd volledig ingetrapt met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van de Verenigde Staten in november 1980. Dat betekende dat de grootste economie en supermacht van de wereld de neoliberale weg op ging. Nu waren er in de Verenigde Staten minder collectieven te breken en minder zaken te privatiseren. Daarom richtte Reagan zijn pijlen op twee andere ‘collectieven’. Als eerste een binnenlands ‘collectief’ dat we overheid noemen. In zijn inaugurale rede maakte hij dat meteen duidelijk met de woorden: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Het tweede ‘collectief’ was de andere supermacht, de Sovjet Unie. Om het eerste collectief, de eigen overheid, aan te pakken werden de belastingen, vooral voor de topinkomens, fors verlaagd. Hierdoor had de overheid minder geld om alle taken uit te voeren. Om het tweede collectief aan te pakken, werd er flink geïnvesteerd in het leger en de ontwikkeling van nieuwe wapens. Nieuwe wapens zoals een ruimteschild om vijandelijke raketten uit de lucht te halen voordat ze de VS zouden bereiken: het Strategic Defence Initiative in de volksmond ook wel Star Wars genoemd.

Minder inkomsten en meer uitgaven, dat moest knellen en dat deed het. Daarom werd er in eigen land bezuinigd op de toch al vrij karige sociale voorzieningen maar vooral werd er geld geleend waardoor de overheidsschuld opliep en de mensen  aan de onderkant van de sociale ladder in de problemen kwamen. Volgens het neoliberale denken zou dat allemaal een tijdelijk probleem zijn omdat de lagere belasting tot meer economische activiteit zou leiden en die groeiende economie zou ondanks de lagere belasting tarieven toch meer overheidsinkomsten opleveren. Ook de achteruitgang aan de onderkant van de samenleving zou van tijdelijke aard zijn. De bovenkant zou het geld dat ze via die belastingverlaging overhielden immers uitgeven en dat zou leiden tot banen waarvan de onderkant zou profiteren, trickle down economics noemden ze dit. Alleen laat de geschiedenis zien, lees Piketty’s Kapitaal in de eenentwintigste Eeuw, dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt. Als je er niets aan doet dan stroomt geld naar geld of om het termen van mijn moeder te zeggen: ‘d’n duuvel schiet altied op de groetste haup.’ Maar het gaat me nu niet over de ‘mankementen’ in het neoliberale denken, daar kom ik, zoals gezegd in een volgende Prikker op terug. Het gaat mij nu om de manier waarop het neoliberalisme dominant werd en wat we daarvan kunnen leren.

Bij dat dominant worden is er nog een gebeurtenis die we moeten noemen en dat is de val van de Berlijnse muur en de erop volgende instorting van de Sovjet Unie. De neoliberalen zagen het als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van de ideologische strijd omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de neutrale ideologievrije liberale vrijemarkt samenleving.  Dit was de strekking van het boek van Francis Fukuyama uit 1992 The End of History and the Last Man. Bij het ‘opbouwen’ van de ingestorte Oost-Europese en de Russische economie werd weer een beroep gedaan op het neoliberale denken dat inmiddels ook het beleid van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank bepaalde. Beide instituten speelden een rol in die wederopbouw. Die wederopbouw bestond eruit dat alle bedrijven werden geprivatiseerd. Geprivatiseerd door de burgers vouchers te geven die ze konden inruilen voor aandelen in bedrijven. Omdat voor het overgrote deel van de Russen de volgende maaltijd een probleem was, ‘verkochten’ ze hun vouchers aan het slimmere deel van de oude bureaucraten. Die kregen zo de bedrijven en grondstoffen voor een habbekrats in hun bezit en werden de oligarchen.

Tot zover in grote stappen de manier waarop het neoliberalisme de dominante ideologie werd. Zo dominant zelfs dat velen het niet meer als een ideologie herkenden. Terug naar de vraag die ik stelde in de eerste alinea hoe ging dat indoctrineren in zijn werk? In mijn vorige Prikker schreef ik dat het niet: “helpt (…)  om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct.” Als we iets kunnen leren van de neoliberale opgang, dan is het dat je beter molenaar kunt worden als je molens wilt ‘bevechten’. Dat is wat Hayek en Friedman deden in Chicago. Ze begonnen een ‘molenaarsopleiding’ en begeleidden hun ‘leerlingen’ naar interessante molens. Via de ‘molenaarsopleiding’ konden ze hun denken verspreiden en werken aan de verdere wetenschappelijke onderbouwing. Door hun netwerk te gebruiken en de leerlingen te helpen aan interessante plekken, kon de boodschap worden verspreid naar mensen op plekken die zicht hebben op macht. Als tweede, of eigenlijke eerste iets is dat je die ‘molenaars’ met een goed en positief verhaal op pad stuurt. Rand zorgde voor dat verhaal en in dat verhaal stond individuele vrijheid centraal en zeg nu zelf, wie is er tegen vrijheid? Als derde helpt het in de verkoop van je verhaal als je woorden gebruikt die op neutraliteit duiden. Woorden als ‘normaal’, ’zakelijk’, ‘praktisch’ en ‘realistisch’. Dergelijke woorden zetten je ‘tegenstrever’ op een achterstand.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo hield Karl Marx zijn collega filosofen voor. De neoliberalen namen deze suggestie ter harte en ze gingen aan de slag met het veranderen van de wereld maar wel in een heel andere richting dan Marx voor ogen stond. Hierbij benutten ze hun sociaalwetenschappelijke positie als platform voor maatschappelijke actie. Maatschappelijke actie die door de wetenschappelijke pretentie een zweem van ‘waarheid’ of beter gezegd ‘zekerheid’ suggereert die juist niet eigen is aan de wetenschap. Sociaalwetenschappelijke kennis is per definitie onzeker. Onzeker omdat die kennis de houding en het gedrag van het studieobject, de mens, beïnvloedt. Onzeker omdat een wetenschappelijke theorie een hypothese is die, om met Karl Popper te spreken, om falsificatie vraagt en niet om bevestiging. Kenmerk van ideologisch gedreven wetenschappers is echter dat zij naar bevestiging van hun eigen gelijk zoeken.

Wellicht gaat er nu een belletje van herkenning rinkelen. In het huidige krachtenveld in Nederland zijn in ieder geval twee van dergelijk actiegedreven wetenschappelijke clusters te ontdekken. Als eerste een cluster rond Paul Cliteur en Afshin Ellian aan de rechtenfaculteit van de universiteit van Leiden. Een cluster dat een conservatief, nationalistische agenda nastreeft. Als tweede het ‘intersectionele cluster’ op en rond de Universiteit van Amsterdam waaraan ik deze zomer een Prikker weidde. Een cluster van gelijkgezinden dat anderen opleidt in hun ideologie. Een ideologie die met een ronkend verhaal wordt verkocht en bij dat verkopen speelt het gebruik van woorden een belangrijke rol. Opleidt om de wereld naar hun ideologie of blauwdruk vorm te geven. Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden.

Resetknop

In mijn laatste Prikkers heb ik het vaak over het ‘na-coronese tijdperk’. Wat zou er anders moeten en hoe? Ik ben hierin niet de enige. In de Volkskrant besteedt Paul Onkenhout aandacht aan de voetbalwereld. Voor lezers die niets met voetbal hebben, in deze Prikker gebruik ik het voetbal, en dan vooral het professionele voetbal als metafoor voor de samenleving. Dit omdat de sport in het algemeen, en het professionele voetbal in het bijzonder, sterk leunt op het ‘winners takes it all’ denken. Denken dat ook de rest van de samenleving in haar greep heeft. Onkenhout stelt in zijn column een interessante vraag: “Wanneer precies transformeerde het voetbal van een volkssport in een commercieel circus en naar welke periode zouden we terug moeten keren?” 

Een heel interessante vraag, behalve dan het stukje, terug gaan naar … . Teruggaan naar het verleden is geen goed idee. Het verleden moeten we bestuderen om te bekijken waarom men toen koos waarvoor men koos. In deze Prikker ga ik op zoek naar een antwoord op het eerste deel van die vraag. Met dat antwoord kijk ik vervolgens naar de bredere samenleving.

Onkenhouts antwoord: “Ik ben er zelf wel zo’n beetje uit. Het voetbal is verziekt, aan de top. Ik weet ook precies wanneer het dieptepunt is bereikt. Dat was op 2 december 2010, de dag dat de FIFA het wereldkampioenschap in 2022 toewees aan een klein land in de woestijn, Qatar, zonder voetbaltraditie en zonder stadions; een land met een gemiddelde zomertemperatuur van een graad of 45 en een omvangrijk arsenaal rechteloze dwangarbeiders.” Ik kan Onkenhouts redenering volgen. Alleen zou ik dat niet willen zien als het begin van die transformatie, maar als het voorlopige dieptepunt. 

Laten we eens wat verder teruggaan in de tijd en dat doen aan de hand van de huidige ‘heilige graal’ de Champions League, het ‘bal der kampioenen’. En daar begint het al te wringen. Hoezo kampioenen als er bijvoorbeeld vier Engelse, Duitse, Italiaanse en Spaanse clubs deelnemen? En zo komen we in 1997, het jaar dat er voor het eerst niet-kampioenen mochten deelnemen. Uiteindelijk komen we bij de start van de Champions League in 1992. Het jaar dat het commerciële belangrijker werd dan het sportieve. Na twee ouderwetse knock-out ronden werden er poules gevormd. Hierdoor nam het aantal wedstrijden toe en dus de tv- en reclame-inkomsten. 

Ietsjes eerder, in 1990, werd er voor het eerst meer dan € 10 miljoen voor een speler betaald. Voor dat bedrag ging Roberto Baggio, de speler waar de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco lyrisch over schrijft, van Fiorentina naar Juventus. Maar waarin verschilt het, behalve dat, van € 8 miljoen waarvoor Gullit in 1987 PSV verruilde voor AC Milan. AC Milan dat was toen in handen van mediamagnaat, multimiljardair en later premier Silvio Berlusconi. Een voetbalclub als ‘speeltje’ van een miljonair. Als je het mij vraagt ligt het antwoord op het eerste deel van Onkenhouts vraag ergens in de jaren tachtig. Vanaf dat moment deed de echte commercie haar intrede in de voetbalwereld en stegen de salarissen en transfersommen aan de top exponentieel en fors sneller dan het bruto binnenlands product (bbp). Het bbp van Europa groeide tussen 1980 en nu met bijna 2% per jaar. Als we de transfersom van Baggio in 1990 tot en met 2020 indexeren met 2%, dan levert dat een bedrag van net geen € 20 miljoen op. Voor dat bedrag koop je tegenwoordig een modale rechtsback. Het hoogste transferbedrag op dit moment is 11 keer zo hoog. Paris Saint Germain, eigendom van een sheik uit Qatar, betaalde € 222 miljoen om de Braziliaan Neymar over te nemen van Barcelona. De groei van de transfersommen vertoont meer gelijkenis met de vermogensstijging van de rijkste 0,1%.

En daarmee is de link tussen voetbal en de samenleving gelegd. De ontwikkelingen in het voetbal zijn een spiegel van de samenleving. Een ontwikkeling die eind jaren zeventig begon met de verkiezing van Margaret Thatcher tot premier van de Britten en begin jaren tachtig met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van Amerika. Voor beiden was de overheid een onderdeel van het probleem en wel het onderdeel dat de oplossing in de weg stond. Die overheid moest indammen ten faveure van bedrijven die elkaar beconcurreren op een vrije markt. Daarop werden staatsbedrijven geprivatiseerd en vooral belastingen verlaagd. En dan vooral voor de hoogste inkomens. Bij het aantreden van Reagan in 1981 bedroeg het laagste tarief in de VS 13,825%, het hoogste 69,125%. Hoog, maar lager dan op de piek in 1952 toen het toptarief 92% bedroeg. Bij zijn afscheid in 1988 was het laagste tarief gestegen naar 15%, en het hoogste gedaald naar 28%. Een geweldig voordeel voor de rijkste Amerikanen waarvan de rekening bij de armen en middeninkomens werd gelegd. De rest van de wereld volgde dit Amerikaanse voorbeeld en verlaagde de hoogste belastingtarieven. Zo is dit in Nederland van 72% gegaan naar 48,5% nu. Niet zo extreem als in de VS, maar toch. 

Dit werd onderbouwd met de bijzondere economische theorie van de ‘trickle down economics’. Die theorie gaat ervan uit dat de armen alleen maar rijker kunnen worden door de rijken nog rijker te maken. De rijken scheppen banen via hun investeringen en zorgen er zo voor dat de totaal te verdelen koek groter wordt. Natuurlijk krijgen zij hier zelf een flink deel van maar via die extra banen krijgen ook de armen een deel van de grotere koek. Het geldt sijpelt van boven (rijk) naar beneden (arm). Alleen hebben de afgelopen jaren geleerd dat de zwaartekracht niet van toepassing is op geld. Het ‘sijpelt’ als er niets aan wordt gedaan niet naar beneden, maar naar boven. De rijken worden steeds rijker, de armen niet noemenswaardig rijker en vaak zelfs armer. Door deze maatregelen krijgen rijken meer geld beschikbaar en enkelen van hen kochten voetbalclubs. Die clubs moesten natuurlijk wel ‘winnen’ en dus werden spelers gekocht en die spelers kregen steeds meer betaald. Zo is ook in de Volkskrant te lezen dat het in corona-tijden ook voor topsporters sappelen is. Zo mist Frenkie de Jong nu al gauw € 2 tot 3 miljoen van zijn salaris van € 10 miljoen. Van dat gemis kan de hele club Eerstedivisieclub Telstar een heel jaar draaien. Dit om het even in perspectief te zetten voordat je medelijden met De Jong krijgt.

Toen in 1989 de Berlijnse muur viel en twee jaar later de Sovjet Unie instortte, leek het alsof Reagan en Thatcher het bij het rechte eind hadden. De Westerse vrije markt had definitief ‘gewonnen’ van de communisten en socialisten. Er leek geen alternatief meer voor de vrije markt. Of het toeval is weet ik niet, maar in 1992 startte de Champions League en verstevigde de commercie de greep op het voetbal. Een greep die zich in de jaren erna verstevigde en die uiteindelijk in december 2010 leidde tot de keuze voor Rusland als organisator voor het wereldkampioenschap in 2018 en Qatar in 2022. 2010 dat was ten tijden van de economische crisis als gevolg van de slechte leningen. Een crisis waarbij de Westerse banken en kredietinstellingen met flinke staatssteun overeind werden gehouden zonder dat er iets veranderde aan de manier van werken en belonen bij die banken. Om het cru te zeggen, aapten de Westerse banken en kredietinstellingen de Russische oligarchen en de sjeiks uit het Midden-Oosten na. Die eersten hadden sinds 1995 laten zien hoe je je verrijkt ten kosten van de gewone man en de staat. De laatsten, de sjeiks, pasten dat trucje al veel langer toe door zich de olieopbrengsten toe te eigenen.

In zijn column citeert Onkenhout Louis van Gaal: “ Maar: uiteindelijk is de marktwerking in de voetbalwereld niet afhankelijk van corona. De rijken blijven de rijken. En de armen blijven arm, ook straks.” Waarop Onkenhout even later verzuchtend eindigt met: “Er is geen resetknop. De marktwerking, weet je wel.” Als het allemaal begon met het geloof in ‘trickle down economics’ en verlaging van de inkomstenbelasting, zou dat dan geen resetknop kunnen zijn? Als we op Europees niveau kunnen komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000, zouden er dan nog steeds van die exorbitante bedragen aan transfers en salaris worden betaald? Dan zou Frenkie, een geweldige voetballer trouwens, netto net iets meer dan anderhalf miljoen overhouden. Een bedrag waar je iemand meer dan honderd jaar bijstand van kunt betalen. De Spaanse overheid kreeg dan fors meer belastinggeld binnen om de gevolgen van corona aan te pakken. Maar vooral ook om de onderwijzers, het verplegend personeel en de politieagenten fatsoenlijk te belonen voor hun werk.

The problem and Government

Over welk beestje heeft hij het? Die vraag schoot mij te binnen na het lezen van de column van Frank Kalshoven in de Volkskrant. Kalshoven concludeert met betrekking tot de wachtlijsten in de publieke sector: “Aan dit fundamentele probleem van publieke sectoren (prijsaanpassingen kunnen niet; capaciteitsaanpassingen duren lang) kunnen we niets veranderen. Het is de aard van het beestje. Katten vangen vogels; publieke sectoren zijn log. Het is zoals het is.” 

Bron: Flickr

De publieke sector is anders dan het bedrijfsleven. “Bij bedrijven heet een wachtrij een ‘orderboek’ en hoe voller het orderboek, des te blijer de baas,” zo betoogt Kalshoven terecht. “Als er plots een klant op de stoep staat met haast, dan mag hij voordringen, mits de haast gepaard gaat met een hoge betaalbereidheid.” Bij de overheid ligt dit anders: “prijsflexibiliteit is al snel strijdig met andere maatschappelijke waarden, zoals gelijke toegang tot de rechtspraak.” Meer uitvoerders om de wachtlijsten op te lossen dan? “Maar het geld dat nodig is voor capaciteitsuitbreiding in publieke sectoren komt uit Den Haag. En voordat die euro’s uit de schatkist terecht zijn gekomen op een Amsterdams politiebureau, een Midden-Nederlandse rechtbank, of de Jeugdzorg in Breda, zijn we minstens een jaar verder.” Ook hier heeft Kalshoven het gelijk aan zijn zijde. Maar toch.

Wachtlijsten bij publieke diensten zijn niet onoverkomelijk. Ze zijn een gevolg van keuzes. Dat bijvoorbeeld het onderwijs met een flinke uitstroom van leerkrachten te maken zou krijgen, is al meer dan twee decennia bekend. Daar had op ingespeeld kunnen worden door zowel de schoolbesturen als de overheid. Helaas is dat niet gebeurd en nu zitten we met de gebakken peren en ontbreekt het aan bevoegde docenten.

Gesloten politiebureaus en te weinig rechters? Ook een gevolg van keuzes. Ook hier weer de keuze om de ogen te sluiten voor een naderende uitstroom van mensen vanwege pensioen. Of de keuze om bij de rechtbanken te werken met budgetten die niet toereikend zijn voor het werk.

Wachtlijsten in de jeugdzorg? Ook een gevolg van gemaakte keuzes. Niet op basis van de inhoud maar op basis van aannames en ideologie wordt de jeugdzorg steeds opnieuw ingericht. In die ideologisch prachtige wereld kan de jeugd met minder hulp en de jeugdzorg met minder geld toe. De markt maakt immer alles beter en goedkoper. Alleen blijkt de werkelijke wereld weerbarstiger.

Wachtlijsten in de publieke sector zijn niet ‘onoverkomelijk’ en de ‘publieke sector’ kan ook snel en wendbaar zijn. Dat is allemaal afhankelijk van keuzes. Dat het ‘beestje’ nu een bepaalde ‘aard’ heeft, en we te maken hebben met wachtlijsten en een logge overheid, is een gevolg van keuzes. Vooral de keuze om de ogen te sluiten en te vertrouwen op een ideologie. Kijkend naar een rode draad achter al deze keuzes, moet ik aan wijlen Ronald Reagan denken. In zijn inaugurale rede op 20 januari 1981 sprak hij de woorden: “In this present crisis, government is not the solution to our problems; government is the problem.” Voor zijn volgers, en dat zijn er ook in Nederland zeer veel, was het voor wat betreft de overheid ‘hoe kleiner hoe beter’. Werken voor de overheid werd en wordt nog steeds lager beoordeeld dan werken voor het bedrijfsleven. Daarmee is de uitspraak een self fulfilling prophecy geworden. De overheid werd door deze ideologie zo uitgekleed dat ze nu het probleem is. Inderdaad is het, om Kalshoven aan te halen, zoals het is. Dat wil niet zeggen dat er niets aan gedaan kan worden. Het ‘beestje’ kan ook een andere ‘aard’ aanleren.

We’ve got a Bigger Problem Now

Wie kent ze nog? Nee, verkeerde opening want niet veel mensen kenden ze op hun hoogtepunt in de jaren tachtig van de vorige eeuw? De Dead Kennedys, de beste Amerikaanse punkband, al is dat een persoonlijke mening, afkomstig uit Californië. De band was zeer maatschappijkritisch en nam het ‘systeem’ flink op de korrel. Behalve door hun muziek, werd de band van frontman Jello Biafra bekend door een proces dat tegen hen werd aangespannen naar aanleiding van hun derde album Frankenchrist. Bij dit album zat een poster van Penis Landscape van de Zwitserse kunstenaar Giger. Dit kunstwerk kon volgens de staat Californië niet door de beugel. Daar wil ik het hier niet over hebben.

in god we trust inc

Illustratie: Wikipedia

Ik wil terug naar 1981 toen de band haar 12” In God We Trust Inc. uitbracht. Op de B-kant van deze 12” een bewerking van een van hun bekendste nummers California Uber Alles. Was Califormia Uber Alles al een stevige aanklacht tegen de politiek in de persoon van toenmalige Gouverneur Jerry Brown van Californië, in de bewerking van het nummer met als titel We’ve Got a Bigger Problem Now is Brown vervangen door toenmalig president Reagan.

De eerste zinnen, na de inleidende woorden van Biafra, zetten meteen de toon: “I am Emperor Ronald Reagan. Born again with facist cravings. Still, you made me president.” Het nummer is een aanklacht tegen politici die hun macht gebruiken of eigenlijk misbruiken om hun zakenvriendjes te bevoordelen: “You’ll go quietly to boot camp. They’ll shoot you dead, make you a man. Don’t you worry it’s for a cause. Feeding global corporations’ claws. Die on a brand new poison gas. El Salvador or Afghanistan. Making money for President Reagan And all the friends of president Reagan.” 

Hoe ziet de wereld er nu ruim vijfendertig jaar verder uit? Jerry Brown is weer gouverneur van Californië en is de ‘hoop’ van velen gevestigd op die ‘liberale’ staat om weerstand te bieden aan de harde kanten van het beleid van president Trump.  Is Trump niet een president die de ‘claws’ van de ‘global corporations’ en zijn vrienden voedt? Wordt er in Afghanistan niet nog steeds gevochten en is El Salvador vervangen door Irak en Syrië?

Helaas zijn de Dead Kennedys er niet meer en ben ik vijfendertig jaar ouder.

Appels en peren

In Trouw een sympathiek pleidooi van Wouter Beekers en Jochem Westert voor een bijstand die ‘bijstaat’. Een bijstand met meer aandacht voor de bijstandsgerechtigden. Met recht op positieve prikkels: “Bijvoorbeeld dat de werkzaamheden aantoonbaar bijdragen aan de ontwikkeling van mensen, dat de arbeidsomstandigheden goed zijn en dat de werkzaamheden niet vernederen … zodat bijstandsgerechtigden weer ‘met opgeheven hoofd’ de samenleving in kunnen gaan.”

appels en perenFoto: www.vanbeek.com

In hun betoog stippen ze, het door ‘links’ bepleite, onvoorwaardelijke basisinkomen aan. Een situatie die in hun ogen na de invoering van de bijstand was ontstaan. En waarvan een onderzoekscommissie in 1993 constateerde dat er sprake was van georganiseerde oplichting, calculerend gedrag en het ontlopen van werk. “De pleidooien voor een basisinkomen getuigen dus van weinig historisch besef,” zo schrijven de beide heren. Hier rammelt hun betoog.

Friedrich van Hayek en Milton Friedman, bepleitten een basisinkomen. Zij noemde het een negatieve inkomstenbelasting. Beide heren zijn nu niet bepaald links te noemen en stonden aan de basis van het economisch beleid van Reagan en Thatcher, die ook niet bekend stonden om hun linkse sympathieën. Rammelt er wellicht iets aan het historisch en economisch besef van de heren?

Kenmerkt het basisinkomen zich niet juist door de onvoorwaardelijkheid? Dat iedereen het krijgt zonder voorwaarden en dus ook zonder de voorwaarde dat er naar werk wordt gezocht? Is het bij een onvoorwaardelijk basisinkomen niet juist aan de ontvanger zelf wat hij verder nog met zijn leven doet? En is werk dan een keuze die gemaakt kan worden, maar waar ook van kan worden afgezien, die dus kan worden ontlopen? Is het calculeren niet een van de kenmerken van een basisinkomen? Calculeren wat het beste bij de dromen en wensen van het individu past? Werken, studeren, zorgen voor iemand, vrijwilliger bij de sportclub, helemaal niets doen of een combinatie. Rammelt de vergelijking van het basisinkomen met de bijstand? Als de bijstand als basisinkomen zou hebben gefunctioneerd, dan waren verwijten als ‘het ontlopen van werk’ en ‘calculerend gedrag’ misplaatst.

De bijstand is nooit bedoeld als een onvoorwaardelijk basisinkomen. Kenmerk van de bijstand was en is, dat je er alleen voor in aanmerking komt, als je zelf (of je partner) geen inkomsten uit arbeid of andere bron van inkomsten hebt. Een tijdelijke ondersteuning waarbij je de plicht hebt om te zoeken naar betaald werk: het einddoel. En juist vanwege de beperkingen en voorwaarden, is de bijstand bevattelijk voor (georganiseerde) oplichting, calculerend gedrag en kan worden geconstateerd dat er bijstandsgerechtigden zijn die (het zoeken naar) werk ontlopen.

Vergelijken Beekers en Westert appels met peren?