De weg naar de hel …

Bij Joop verscheen een schrijven van de zichzelf ‘activist’ noemende Kunta Rincho met als titel Wit privilege is je niet hoeven bezighouden met racisme. Rincho verhaalt in zijn schrijven van hetgeen hem gebeurde nadat een fragment van 34 seconden uit zijn deelname aan Het Grote Racisme Gesprek viraal ging en hij werd overspoeld met negatieve reacties. Dat is vervelend, zeker als je daarop allerlei bagger over je heen krijgt. Daar gaat het mij nu even niet om. Het gaat mij om een bijdrage van een lezer onder het schrijven. Iemand die zich Ikzelf noemt schrijft: “En juist omdat de focus verlegd wordt naar ‘hoe’ de strijd gaat, in plaats van ‘waarover’ de strijd gaat, maak ik deze opmerkingen.” Een bijzondere redenering.

Hel, Demonen, Duivel, Kwaad, Fantasie, Monster
Bron: Pixabay

Eerst even de aanleiding voor die opmerking. Rincho begon zijn schrijven met de zin: “De universele strijd tegen racisme is geen strijd tegen witte mensen maar tegen het systeem van witte suprematie dat gebouwd is op de eeuwenlange onderdrukking van zwarte en andere mensen van kleur.” Een bijzondere passage omdat dit het mantra is van vele ‘activisten’. Richo is er daar één van. Centraal in hun redenering staat het ‘universele blanke racisme’. Het westers kolonialisme en de trans-Atlantische slavernij is volgens deze activisten een gevolg van dat ‘universele blanke racisme’. Dit racisme maakt het westerse kolonialisme en de trans-Atlantische slavernij ‘uniek’. Een soortgelijke formulering schreef ik in een reactie onder Rincho’s artikel. In de activistische redenering is dat ‘westers exceptionalisme’ cruciaal, want dat veroorzaakt de achterstand die mensen van kleur nu ondervinden. Die achterstand vindt haar oorzaak in racisme.

Maar: “Als nu blijkt dat de westerse motieven niet verschilden van die van de Romeinen, de Maya’s, de Mongolen en alle eerdere wereldrijken, dan staat dat ‘blanke racisme’ op drijfzand. Volgens mij wordt daarom een verwijzing naar de Afrikaanse betrokkenheid, de Arabische slavernij et cetera door de activisten snel weggewuifd,” zo vervolgde ik mijn bijdrage. En: “Als dat ‘blank racisme’ namelijk wegvalt, dan valt de stok weg waarmee er wordt geslagen. Zonder die stok moet er worden gezocht naar andere verklaringen voor ‘minder kleur aan de top’ of ‘hogere werkloosheid onder kleur’. Verklaringen die veel logischer zijn, maar waarmee het lastig ‘slaan’ is.”  Zo schreef ik in mijn reactie.

Daarop reageerde Ikzelf: “waarom dan altijd de strijd doodslaan, als u niets heeft tegen het strijden? Waarom dan altijd zijweggetjes zoeken om het vooral niet over de kern te hoeven hebben? Waarom de kern afwijzen, omdat u het met een detail niet eens bent?” Dit gevolgd door een minder fraaie zin waarin ik het verwijt krijg een ‘voorvechter van wit Nederland’ te zijn. Hij verwijt mij dat ik: “de focus (verleg) naar ‘hoe’ de strijd gaat, in plaats van ‘waarover’ de strijd gaat.” En daarmee zijn we bij die bijzondere redenering.

Bijzonder omdat die redenering suggereert dat alleen het doel van de strijd ertoe doet. Als het doel ‘goed’ is dan zijn alle middelen gerechtvaardigd en geoorloofd. Nu is er een bekend Nederlands spreekwoord over de goede intenties, namelijk dat de weg naar de hel ermee is geplaveid. De geschiedenis laat zien dat dit ook zo is. De nazi’s, de communisten onder Stalin en Mao, allemaal werkten ze aan het ‘goede’ toen ze hun terreur over de wereld uitstortten. Tenminste, hun idee van het goede. Net zoals de aanhangers van IS en Al Qaida je zullen zeggen dat ze aan de ‘goede kant van de geschiedenis’ staan. Wat ‘goed’ is, kan immers verschillen.

Afgezien van de verschillende gedachten over wat ‘goed’ is. Hoe ‘goed’ is jou ‘goed’ als je middelen gebruikt die niet door de beugel kunnen? Dan is een uitspraak als “it became necessary to destroy the village in order to save it,” bekend uit de Vietnamoorlog, niet ver weg. In dit geval middelen gebruiken die inhouden dat je feiten die je niet te pas komen, negeert of ter zijde schuift. Omdat, zoals Elma Drayer het in haar column in de Volkskrant schrijft: “Wat wij, suffe sukkels, aanzien voor feiten zijn slechts ‘constructen’ of ‘narratieven’, in stand gehouden door de ­boven ons gestelden teneinde hun machtsposities te beschermen. Dus moeten de feiten ‘gedeconstrueerd’, liever nog ‘gedekolonialiseerd’.” Ook Drayer valt het: “soms niet licht om de logica van de huidige generatie antiracismeactivisten en hun sympathisanten te volgen.” Omdat in, zoals Drayer het schrijft: “het postmoderne gedachtengoed … iets als de waarheid (niet) bestaat, iets als objectiviteit evenmin en feiten zijn ­betwistbaar.” Dan zijn: “feiten per definitie verdacht (en) winnen ervaringen aan gewicht.” Dit ‘postmoderne gedachtegoed’ degradeert wetenschap tot ‘ook maar een mening’ en dan dus vooral een mening van ‘de boven ons gestelden’. Een manier van denken waarmee, volgens Drayer: “Universiteiten (…) al heel lang mee geïnfecteerd,” zijn. Als ik de Prikker over de brief die 80 docenten op de Universiteit van Amsterdam ondertekenden waarin ze aangaven te hebben ‘gefaald’, in herinnering roep, dan zou Drayer voor wat betreft die universiteit wel eens gelijk kunnen hebben.

De geschiedenis van onze kleren

Bij OneWorld fulmineert Melissa Watt tegen de huidige modewereld, want daarin is: “racisme dagelijkse kost. Het is een extreem witgekalkte industrie die altijd de voorkeur heeft gegeven aan witte ontwerpers, witte modeshows en witte CEO’s. Maar die voorkeur reikt niet tot de kledingproductie, waarin miljoenen mensen van kleur in slechte omstandigheden werken om onze kleding in elkaar te zetten.” Dat is nogal wat. Zeker omdat: “De mode-industrie zoals we die kennen, is gebaseerd op kolonialisme en slavernij. Vanaf de zestiende eeuw vielen Europese landen Azië, Afrika en Zuid-Amerika binnen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten.”  Die passage verdient toch enige nuance.

Bron: Wikipedia

Maar eerst even over het compleet ‘wit’ zijn van de top en het ‘gekleurd’ zijn van de onderkant van de kledingindustrie. Bij De Correspondent verhaalt Emy Demkes over uitbuiting van kledingarbeiders in Engeland. Arbeiders die werken voor het: “onder tieners zeer populaire Britse merk Boohoo.” Nu zullen ook in die Britse fabrieken mensen van kleur werken. Maar bijzonder in deze zaak is dat Boohoo eigendom is van: “de 55-jarige miljardair Mahmud Kamani.” Dat nuanceert de ‘extreem witgekalkte industrie’ toch enigszins. Dat even terzijde.

Dan terug naar het ‘kolonialisme en slavernij’ waarop de kledingindustrie is gebaseerd. Deze uitspraak verdient de nodige nuance. Die Europese landen, of beter gezegd handelaren, die Azië, Afrika en Amerika binnenvielen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten deden daar precies hetzelfde als wat ze in Europa ook deden, namelijk de zaak afstruinen naar iets om te verhandelen. Als we het huidige Nederland en België bezien, dan ontstond daar vanaf de elfde eeuw de ‘lakenindustrie’ met wol als basisproduct. Nu moeten we ons bij het begrip industrie iets anders voorstellen dan een fabriek. Het waren in eerste instantie gewoon de keuterboertjes die het wol van hun schapen schoren, spinden en tot lakens weefden. Dit werk werd later in ‘stukken gehakt’ en door verschillende werklui verricht: de boer schoor, de wol ging naar een spinner, vervolgens naar een verver, wever en als laatste naar de handelaar die de zaak verkocht. Die arbeidsdeling zorgde ervoor dat de productie steeg en de prijzen daalden en de werklui langzaam werden uitgeknepen. Vanaf de zestiende eeuw nam de concurrentie verder toe omdat ook de Fransen en Engelsen zich op de ‘lakenproductie’ toelegden. Meer concurrentie betekende dat de werklui nog verder werden uitgeknepen. Voor zijde en katoen was men in Europa in die tijd afhankelijk van de handel via de zijderoutes die Peter Frankonpan in zijn boek De Zijderoutes uitgebreid beschrijft.

Dat werd anders nadat die “Europese landen” de andere kant van de Atlantische oceaan bereikten en daar katoen aantroffen. Met name de Engelsen transporteerden vanaf het einde van de zeventiende eeuw het ruwe product naar Engeland en verwerkten het daar tot kleding. In het zuiden van wat nu de Verenigde Staten zijn, werd het op steeds grotere schaal geteeld op plantages en dat gebeurde door vanuit Afrika gehaalde slaven. En in tegenstelling tot hetgeen Watt beweert, werd de slavernij in de Verenigde Staten niet in 1808 afgeschaft maar kwam er pas in 1865 met het einde van de Amerikaanse burgeroorlog een einde aan. Wel werd al eerder, in 1807, het importeren van slaven in de Verenigde Staten verboden. In Engeland werd het ruwe product verwerkt tot stof en kleding die vervolgens in het hele Britse rijk werden verkocht. Dat verwerken gebeurde vanaf het midden van de 18e eeuw (de Eerste Industriële Revolutie) steeds meer machinaal en in steeds grotere fabrieken. Fabrieken waar de arbeiders tot een maximum werden uitgeperst zoals Karl Marx in Het Kapitaal goed heeft beschreven.

Als we dit als de basis van de mode-industrie zien, en dat is wat Watt beweert, dan kunnen we constateren dat kolonialisme en slavernij een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van deze industrie. Maar daarmee zijn we er nog niet. De werkelijke basis van de mode-industrie was en is, dat laat onder andere het voorbeeld van Boohoo zien, de uitbuiting van iedereen die erin werkzaam is.

Eigendom of racisme?

In de Volkskrant een artikel van de al jaren in Berlijn wonende Amerikaanse filosofe Susan Neiman. Niet toevallig, want sinds kort ligt haar boek Wat we van de Duitsers kunnen leren in de boekenwinkels. Een boek waarin Neiman de manier waarop in Duitsland met de door de Duitsers begane wreedheden in de Tweede Wereldoorlog wordt vergeleken met de manier waarop in de Verenigde Staten met de burgeroorlog en het slavernijverleden wordt omgegaan. Een zeer interessant boek omdat Neiman een zeer goed beeld schets van de historie en de ontwikkeling van de omgang met een kwalijk verleden.

Eigen foto

Eerst even Neimans boek en de omgang met een beladen verleden in Duitsland en de Verenigde Staten. Die omgang verschilt aanmerkelijk waarbij het geval Duitsland extra bijzonder is omdat er daarvan twee waren die later, in 1991, weer één werden. Oost en West gingen op een heel andere manier met het verleden om. Het Oosten positioneerde zich als anti nationaalsocialistisch en daarbij schuwde men niet om de wandaden van de nazi’s bloot te leggen en te veroordelen. In het Westen lag dat anders. Daar werd die geschiedenis zo’n twintig jaar verzwegen. Sterker nog, de West-Duitsers zagen zichzelf als de grootste slachtoffers van de oorlog. Hun land lag immers volledig in puin. Een groot deel van hun voormalige grondgebied lag nu in andere landen, het meeste in Polen, en er waren bezettingsmachten in het land gelegerd. Pas in de jaren zestig, toen de naoorlogse generatie kinderen vragen aan hun ouders en grootouders gingen stellen, veranderde dit. Daar waar in het Oosten veel monumenten ter herdenking van de oorlog werden opgericht, gebeurde dat in het Westen niet. In het Oosten waren verschillende voormalige concentratiekampen open voor publiek met uitleg wat er was gebeurd. In het Westen was dat er, zo schrijft Neiman, één. Toen in 1991 de beide landen weer samenkwamen, moest er weer een geheel nieuwe manier van ‘Vergangenheitsaufarbeitung’ zoals Neiman het noemt, worden ontwikkeld. Inmiddels is het zover dat het overgrote deel van de Duitsers aanvaardt dat hun voorvaderen schuldig waren aan het uitbreken van de oorlog, daarin met name in het Oosten van Europa en vooral op het grondgebied van de toenmalige Sovjet Unie verschrikkelijk hebben huisgehouden en dat ze schuldig waren aan de Holocaust.

Na de burgeroorlog moesten ook de Verenigde Staten en vooral het verliezende ‘confederatieve’ deel zich opnieuw uitvinden. Die staten werden bezet door Noordelijke troepen en de centrale regering geleid door radicale republikeinen ging aan de slag met progressieve wetgeving en volledige burgerrechten voor iedereen. Die bezetting en wetgeving viel slecht bij de blanke bevolking van de Zuidelijke staten. Toen de radicale republikeinen hun meerderheid verloren, verloor ook deze zogenaamde ‘reconstruction’ haar momentum en de balans sloeg om van de federale overheid naar de individuele staten. In het Zuiden betekende dit dat al die progressieve wetgeving werd omzeild door statelijke wetgeving. Wetgeving die strikte rassenscheiding betekende. Slavernij was dan wel verboden, de voormalige slaven kregen het nu vaak nog slechter dan ze het als slaaf hadden gehad. De plantagehouder had er immers geen belang meer bij om zijn ‘medewerkers’ goed te behandelen. Ook het narratief van de burgeroorlog veranderde. De oorlog was gevoerd om slavernij en dat verdween naar de achtergrond en werd vervangen door het verhaal dat de geconfedereerde staten streden voor de rechten van de individuele staten tegen de Unionisten. Staten die opkwamen voor de belangen van de totale unie. De geconfedereerden hadden die oorlog verloren maar waar ze voor hadden gestreden was het ‘goede’. Ze hadden gestreden voor een ‘lost cause’. Dit maakte dat al hun leiders eigenlijk goed waren en dus het herinneren waard. Daarop, zo’n twintig jaar na afloop van de oorlog, werd het zuiden vol gezet met standbeelden van die helden. Beelden die moesten herinneren aan die ‘goede maar verloren zaak’. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw, dus zo’n 100 jaar na de afschaffing van de slavernij, werd de segregatie op basis van huidskleur verboden. Daarmee was en is de kous nog steeds niet af. Nog steeds kennen de Verenigde Staten beleid dat Afrikaans-Amerikanen en ook Spaans-Amerikanen benadeelt. Het meest prominent zijn hierbij de manieren waarop het mensen van kleur lastig wordt gemaakt om hun stem uit te brengen. Neiman constateert in haar boek dat een soortgelijk besef als bij het gros van de huidige Duitsers, bij het gros van de inwoners van de Verenigde Staten ontbreekt.

Tot zover, behalve dan een aanbeveling om het toch echt zelf te lezen, Neimans boek. “Net als Engeland en Frankrijk, die eerder waren, compenseerde Nederland de slavenhouders voor het verlies van hun bezit, maar overwoog nooit de slavernijslachtoffers te compenseren voor levenslange, zware, onbetaalde arbeid,” zo schrijft Neiman in haar artikel. En daar heeft ze een punt en ze vervolgt: “Deze misdrijven moeten op tafel: ze werden gevoed door het racisme waarvan Nederlandse ingezetenen van kleur nog steeds de gevolgen ondervinden.” Een redenering die tegenwoordig erg in zwang is, maar zou ‘racisme’ werkelijk de reden zijn dat de slavenhouders een vergoeding ontvingen en de slaven niet?

In zijn boek Kapitalisme en Ideologie behandelt de Franse econoom Thomas Piketty ook de afschaffing van de slavernij. En ook hij zoekt een verklaring voor het vergoeden van de slavenhouders en niet de voormalige slaven. Even als kanttekening, het onderwerp van Piketty is niet slavernij maar ongelijkheid. Piketty komt met een heel andere verklaring: de heilige status van particulier bezit. Piketty: “Deze samenlevingen bestaan al veel langer dan het Europese kolonialisme, en de manieren waarop ze zich uitbreidden, zich rechtvaardigden en verdwenen roepen fundamentele vragen op voor de algemene geschiedenis van regimes met ongelijkheid. De slavernij is in het Verenigd Koninkrijk in 1833 afgeschaft, in Frankrijk in 1848, in de Verenigde Staten in 1865 en in Brazilië in 1888. De manier waarop dat gebeurde en de verschillende voor de gelegenheid ontworpen vormen van compensatie voor de slavenhouders (en niet voor de slaven zelf) illustreren duidelijk dat particulier bezit in de negentiende eeuw heilig was. Die heiligverklaring stond aan de wieg van de moderne wereld.”

Zeker als we in ogenschouw nemen dat, zoals ik in I’ve got the power liet zien, de Europese arbeid niet veel beter werd behandeld dan de slaven op de katoenvelden, dan zou Piketty wel eens dichter bij de werkelijke reden liggen waarom niet de slaven maar de slavenhouders werden gecompenseerd. De slavenhouders ‘verloren’ eigendom terwijl de voormalige slaven vrijheid ‘kregen’.

PR bureau Universiteit van Amsterdam

“Als dit is wat studenten op de Universiteit van Amsterdam in het algemeen leren, dan maak ik mij grote zorgen om de toekomst van ons allen.” Dit concludeerde ik in een Prikker naar aanleiding van de oproep van Tammie Schoots bij Joop. Schoots diskwalificeerde bijdrages in een gesprek niet vanwege de inhoud maar omdat ze kwamen van ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’. Naar nu blijkt moeten we ons echt zorgen maken. Bij Joop schrijft Meindert Fennema over een brief die door zo’n 80 docenten is ondertekend. “Ons falen blijkt uit de ideeën die we hebben uitgedragen en de gemeenschap die we hebben opgebouwd. Meer concreet: wij hebben ons in ons onderzoek niet voldoende gefocust op kwesties van ras als sociaal systeem en de manier waarop ras samenhangt met andere sociale stratificaties,” zo schrijven 80 medewerkers van de afdeling Politieke Wetenschappen. Een bijzondere brief. Bijzonder om meerdere redenen.

Bestand:UvAMaagdenhuis.jpg
Bron: Wikipedia

Als eerste geven de tachtig zelf aan dat ze niet goed hebben gefunctioneerd. Dat ze niet geschikt zijn voor hun baan. Hoe makkelijk wil je het als werkgever hebben. De werknemer bekent zelf dat hij of zij faalt. Dan rest de vraag: ‘stap je zelf op, of moet ik je ontslaan?’

Meer bijzonder is de reden die ze aanvoeren waarom ze hebben gefaald: “de ideeën die we hebben uitgedragen” Ze hebben dus les gegeven in de verkeerde ideeën. Welke dat zijn daar gaan ze niet op in. Politicologie is een sociale wetenschap en een van de kenmerken van sociale wetenschappen is dat er geen alles verklarende theorie is. Er is geen ‘waarheid’. Er zijn maatschappelijke ontwikkelingen, – problemen en  – uitdagingen en die kun je vanuit verschillende invalshoeken bestuderen. Van welke kant je er ook naar kijkt, je zult altijd op macht en machtsstructuren stuiten. Bij het zoeken naar verklaringen of verbeteringen lijkt het mij van belang om juist vanuit zo veel mogelijk verschillende invalshoeken naar een probleem te kijken. Een universiteit is bij uitstek een instituut dat haar studenten moet leren om juist vanuit verschillende, liefst zoveel mogelijk, invalshoeken naar zaken te kijken. Sociale theorieën bieden die verschillende invalshoeken en goed onderwijs laat studenten met al deze invalshoeken kennismaken. Als dat is wat de schrijvers met ‘ideeën uitdragen’ bedoelen, dan deden ze hun werk naar behoren.

Het onderwijs en zeker ook het universitaire, is niet bedoeld om ‘ideeën uit te dragen’. Het is geen, of dat zou het in ieder geval niet moeten zijn, pr-bureau voor bepaalde maatschappijopvattingen. Dat wil niet zeggen dat medewerkers van een universiteit geen voorkeuren mogen hebben. Het lijkt erop dat de Universiteit van Amsterdam wel kiest voor de functie ‘pr-bureau voor een maatschappelijke opvatting.’ De briefschrijvers geven aan dat ze hebben gefaald omdat ze, zoals ze zelf zeggen: “in ons onderzoek niet voldoende (hebben) gefocust op kwesties van ras als sociaal systeem en de manier waarop ras samenhangt met andere sociale stratificaties”  ‘Ras en andere sociale stratificaties’ wordt in de Engelse versie vertaald met: “intersectionalities.”  De theorie van de ‘intersectionaliteit’ moet dus centraal staan in het onderwijs op de Universiteit van Amsterdam. Een bijzondere theorie waarover ik al meermalen schreef, onder andere in Verdwalen tussen de kruispunten. Dus dat doe ik hier verder niet.

De auteurs maken de wetenschap ondergeschikt aan een politiek doel en staan daarmee in een bijzondere traditie. Zo stond het onderwijs in het Oostblok in het teken van het verkondigen van de zegeningen van het communisme en moesten alle vraagstukken worden bestudeerd vanuit een vooropgestelde communistische kijk op de wereld. Iets wat ook in nazi-Duitsland gebeurde maar dan met het nationaalsocialisme als kijk op de wereld. De manier waarop de aanhangers van het ‘intersectionalisme’ te werk gaan, lijkt hier op. De geschiedenis moet worden herschreven waarbij het blanke westers racisme en kolonialisme het centrale thema is en de ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ de verpersoonlijking is van ‘het kwaad’. Alle boeken die niet voldoen aan de ‘intersectionele standaarden’ moeten uit het curriculum en liefst ook nog uit de bibliotheek. ‘Jip en Janneke’ kunnen echt niet vanwege de stereotype rollen. De nazi’s gingen nog een stapje verder en verbrandden de boeken.

We moeten ons echt zorgen maken omdat 80 medewerkers van een Universiteit die voor het grootste deel met belastinggeld wordt gefinancierd, aangeven dat ze het instituut willen ombouwen tot een pr-bureau. Ze geven aan hun wetenschappelijke en onderwijskundige opdracht om onze jeugd op te leiden tot kritische burgers te gaan verzaken door er ‘discipelen voor een zaak’ van te maken. Dat is reden voor ontslag. Al betwijfel ik of het bestuur van de Universiteit van Amsterdam dit zo zal zien.

Wit privilege’ of ‘nieuwkomers nadeel’?

                “We moeten de oude dooddoeners opzij zetten die het gesprek over racisme zo lang hebben bemoeilijkt.” De laatste woorden van een artikel in de Volkskrant van historicus Karwan Fatah. Volgens Fatah helpt in de discussie niet: “alles, letterlijk, weg te maken met (economisch) cijferwerk of jij-bakken als ‘de Arabieren deden het ook’, hebben we omvattender analyses nodig. Niet alleen van de achtergrond van Zwarte Piet, ook van koloniale standbeelden.”  Zeker niet omdat die: “relativerende benadering, die ook sommige historici voorstaan, (…) bol (staat) van feitelijke onjuistheden en leidt niet tot historisch inzicht en nuance.” Even vooraf, met een gesprek voeren over racisme is niets mis. Ondanks de vele aandacht in de diverse media voor het onderwerp wordt er zelden of nooit een gesprek over gevoerd. Er wordt vooral gezonden, of beter gezegd naar elkaar geschreeuwd. Ik vraag me wel af of Fatah bereid is tot een werkelijk gesprek.

De fluyt, een schip dat de Hollanders gebruikten voor de handel met de Oostzee en het Baltisch gebied. Bron: Wikipedia

                Ik vraag me dat af omdat hij iemand die aangeeft dat de trans-Atlantische slavernij een loot is aan een veel bredere stam of iemand die aangeeft dat het beeld dat de westerse rijkdom is gebaseerd op die slavenhandel, allebei historische feiten, weg zet als een ‘dooddoener’, als een ‘jij-bakken bakker’. Als iemand die alles weg relativeert. Voor wat betreft de ‘slavenbasis’ van de economie is er meer voor te zeggen dat de Amsterdamse rijkdom is gebaseerd op het bloed, zweet en tranen van Poolse, Oost-Pruisische, Lijflandse en later Russische lijfeigenen, een andere term voor slaaf, en horigen, kleine boeren met een eigen stukje land en de plicht om een flink deel van hun tijd voor niets te werken op het land van de landheer. Die horigen mochten hun dorp trouwens vaak ook niet verlaten. Ze zaten net zo klem als de Pakistaanse bouwvakkers die nu in Qatar de voetbalstadions voor de komende wereldkampioenschappen bouwen. Die lijfeigenen en horigen produceerden namelijk de producten (onder andere het graan en hout) die de basis en bulk vormden van Amsterdam als stapelmarkt. Aan dat lijfeigenschap en horigheid kwam in het oosten van Europa pas zo rond 1860 een einde.

                Dergelijke geschiedenissen en ook ‘de Arabieren deden het ook’ verhalen, zijn niet bedoeld om het gesprek uit de weg te gaan. Ze zijn, net zoals het erop wijzen dat Afrikaanse heerser volop meededen en verdienden aan de handel in vooral leden van een ander volk, bedoeld om het tijdsbeeld te schetsen. En een tijdsbeeld is relevant omdat dit het kader is waarin ons aller voorvaderen leefden, moesten overleven en handelen. Ze geven context. Vreemd dat een historicus een gebeurtenis wil bezien zonder de context. Daardoor lijkt het alsof hij de trans-Atlantische slavernij een bijzondere en unieke plek in de geschiedenis wil geven. Een unieke plek in de geschiedenis die hij nodig heeft om in het heden iets te bereiken. 

Wat hij wil bereiken daarover is hij duidelijk. Hij wil het namelijk hebben over: “de doorwerking (van) deze geschiedenis,” in het heden. Fatah: “En daarover zijn de VN en de EU onverbiddelijk: de structurele achterstelling van mensen van Afrikaanse afkomst is het gevolg van racisme, voortkomend uit slavernij en kolonialisme.” Maar dat de EU en de VN iets zeggen, wil nog niet zeggen dat het ook werkelijk zo is. Beide organen zijn politieke organen. Waarbij de ‘waarheid’ wordt bepaald door het aantal stemmen dat men voor iets haalt. Dat even terzijde. Fatah wil alle context buiten beschouwing laten omdat die context zijn gedachtelijn verzwakt. Als kolonialisme en slavernij namelijk niet uniek westers zijn, maar iets van de mensheid in het algemeen, zoals ik onder andere in Veelkleurige geschiedenis betoog, dan moet er een andere verklaring zijn voor het racisme. Wellicht is er dan een andere verklaring dan racisme voor het feit dat mensen die pas twee of drie generaties in Nederland zijn, achterblijven bij mensen wiens voorvaderen al generaties lang hier wonen, zoals ik in mijn brief aan Sylvana Simons betoogde. Dan zou het wel eens kunnen zijn dat er geen sprake is van ‘wit privilege’ maar van een ‘nieuwkomers nadeel’. Een nadeel dat je in een vreemd land komt waar je niemand kent. En als het verleden iets laat zien dan is het dat het een generatie of vijf kost voor een dergelijk nadeel helemaal is verdwenen. Pas dan is er sprake van een gelijkwaardig netwerk in de samenleving.

Dan moeten we het gesprek misschien niet voeren over ‘racisme’ en ‘wit privilege’ maar over manieren om het ‘nieuwkomers nadeel’ sneller dan in vijf generaties weg te werken. Wellicht is dat een veel vruchtbaarder gesprek.

Beste Sylvana Simons,

“Ben je stil of ben je solidair?” Dat is de kop boven uw schrijven bij dekanttekening.nl. Nu weet ik niet of u die kop er zelf boven hebt gezet of dat dit het werk van de redactie is, maar dat maakt ook niet uit. De vraag staat er en daarom een antwoord. Laat ik u niet in spanning houden, ik ben solidair en zeker niet stil in de strijd voor een rechtvaardige samenleving met gelijke kansen voor eenieder. In de strijd daarvoor vindt u mij aan uw zijde. Op mijn website www.ballonnendoorprikker.nl vindt u daarvan vele voorbeelden. Op twee punten in uw schrijven wordt dat wat lastiger. Laat ik ze één voor één behandelen.

Bron: Pixabay

Als eerste kan ik mij niet vinden in uw omschrijving van onze samenleving. Die is volgens u, en dit is mijn vertaling van uw woorden, ernstig ziek. Mijn vertaling van de passage: “Hij (Premier Rutte) krijgt het niet voor elkaar te erkennen dat de karikatuur slechts een symptoom is van een veel ernstiger ziekte, die zich in elke cel van onze samenleving heeft geworteld.” Symptomen van die ziekte zijn, volgens u: “onderadvisering in het onderwijs, uitsluiting op de stagemarkt en discriminatie bij uitzendbureaus. Dan van discriminatie op de arbeidsmarkt én op de woningmarkt naar etnisch profileren bij de belastingdienst en politie.” U noemt de naam van de ziekte niet expliciet, maar uit uw betoog meen ik op te maken dat die ziekte racisme heet. Mocht ik dit verkeerd zien, dan hoor ik dat graag van u. Dat onderadvisering in het onderwijs een probleem is, dat groepen Nederlanders het lastig hebben bij het vinden van een stage of een baan, staat buiten kijf. Dat daar wat aan moet worden gedaan ook. Dat ook echt wordt gediscrimineerd door mensen, geloof ik meteen. Dat ook de overheid, net als het bedrijfsleven profileert, is een feit. Toch ben ik het niet eens met uw conclusie dat dit symptomen zijn van die ernstige ziekte.

Al deze ‘symptomen’ kennen meerdere mogelijke oorzaken. Oorzaken die u buiten beschouwing laat. Laat ik ze eens langs lopen. Als eerste de onderadvisering. Onderadvisering vindt vooral een verklaring in het opleidingsniveaau van ouders, zo laat geograaf Josse de Voogd zien in een artikel in de Volkskrant. Heb je hoogopgeleide ouders, dan krijg je een hoger schooladvies dan een kind met een vergelijkbaar profiel en score van lager opgeleide ouders. En als het schooladvies al niet hoog  genoeg is, dan praten de hoogopgeleide ouders het wel omhoog. Dit is trouwens niets nieuws, dit gebeurde ook in tijden dat de scholen nog vooral door mensen van één huidskleur werden bevolkt. Het kind van de notaris kreeg bij een gelijke score een hoger advies dan het kind van de ijzervlechter. Bovendien zijn er vaak hele goede redenen waarom een kind een lager advies krijgt dan er op basis van bijvoorbeeld de cito-score mogelijk is. In een ingezonden brief in de Volkskrant van Heleen Houtermann, zoals ze zelf schrijft, “Jarenlang (…) met hart en ziel groepsleerkracht van groep 8 geweest,” legt zij uit dat: “naast de cognitieve capaciteiten ook om het welbevinden en het zelfvertrouwen dat een kind, in welk milieu dan ook, ervaart,” gaat.  En als er aan dat zelfvertrouwen wat mankeert dan kan een lager advies wel eens een heel goede keuze zijn. Houtermann: “Een kind met capaciteiten en een laag zelfbeeld is kansloos.”  En ja, dat gaat niet altijd goed en daarvan is een kind de dupe en dat is helaas niet te voorkomen. Als we onderadvisering alleen aan racisme koppelen, dan lopen we het grote risico dat een hele grote groep kinderen wordt vergeten. Ook lopen we dan het risico dat we voorbij gaan aan de professionaliteit van mensen als mevrouw Houtermann.

Dan de ‘uitsluiting op de stage- en banenmarkt’. Een erg krasse formulering die suggereert dat er van opzet sprake is. Dat zal in enkele gevallen best zo zijn. Ik waag echter te betwijfelen of er in het gros van de gevallen werkelijk sprake is van uitsluiting. Dat de kans op een baan voor mensen met eenzelfde opleiding niet even groot is, staat als een paal boven water. Dat is echter ook niets nieuws. Ook het vijftig jaar geleden afgestudeerde kind van die notaris had een grotere kans op een baan dan het kind van de ijzervlechter. Bij het vinden van een baan en ook van een stageplek, is niet zo zeer kennis van belang als wel kennissen. Voor wat betreft banen voor hun afgestudeerde kind is de kans heel groot dat de notaris een relevanter netwerk heeft. Zo heeft een kind waarvan de voorouders al meer dan honderd jaar in dit land wonen een grotere kans op het hebben van een relevant netwerk dan een kind waarvan de ouders of grootouders naar hier zijn gekomen. Dit verschil is onmogelijk te overbruggen. Dat dit onmogelijk is, wil echter niet zeggen dat we er niet voor kunnen zorgen dat de kansen van het kind zonder relevant netwerk worden vergroot. Daarbij helpt het niet, zo is mijn inschatting, als we hier het label racisme op plakken. Dan is de kans groot dat we verzanden in een welles-nietes discussie waarmee niemand is geholpen. Dan zal, zoals Gert-Jan Geling het ook bij deKanttekening.nl schrijft: “het midden (gaan) twijfelen, en de goodwill van de kritische massa voor de strijd tegen racisme zal snel verdwijnen.”

Als laatste het ‘etnisch profileren’ door bijvoorbeeld de Belastingdienst en de politie. Dat er bij de bestrijding van misdaad geprofileerd wordt is van alle tijden. Voor het oplossen van een misdaad is een profiel van de dader onontbeerlijk. Zonder een profiel zijn er immers bijna acht miljard mogelijke daders. Dus is het van belang om te weten hoe lang, zwaar, breed de verdachte ongeveer was. Wat de oog- en haarkleur en de haarlengte was, al zijn haarkleur en -lengte minder betrouwbaar omdat die geknipt en geverfd kunnen zijn of worden. Dit is achteraf profileren, als er al een misdrijf is gepleegd, en daar zal niemand bezwaar tegen hebben.

Anders is dat met vooraf profileren, dan wordt op basis van cijfers uit het verleden een profiel gemaakt van vroegere daders en dat wordt toegepast op mensen in het heden. Mensen met kenmerken die overeenkomen met die van vroegere plegers van misdrijven. Die worden vervolgens extra in de gaten gehouden en gecontroleerd. Deze manier van werken is in de tijd van de ‘big data’ erg populair en makkelijk toe te passen. Laat een algoritme zoeken naar correlatie in een hele hoop data en er komt altijd wel wat naar boven. Dit is de basis onder het bedrijfsmodel van de Facebooks, Googles en Amazons van deze wereld. Een voorbeeld. Als uit het verleden blijkt dat belastingfraudeurs vaak vastgoed in het buitenland hebben, dan zullen mensen met vastgoed in het buitenland vaker voor controle in aanmerking komen. Als ook blijkt dat een flink deel van die ‘frauderende vastgoedeigenaren’ een dubbele nationaliteit hebben, dan is het hebben van een dubbele nationaliteit bij deze manier van werken ook een aanleiding voor extra controle. Dit vooraf profileren is nooit ongevaarlijk, vaak hinderlijk en soms zelfs zeer gevaarlijk. Deze manier van werken heeft als nadeel dat ze zelfbevestigend is. Immers, als ik die groep vaker ga controleren dan de andere, dan zal dat leiden tot relatief nog meer ‘fraudeurs met buitenlands vastgoed en een dubbele nationaliteit’. Niet omdat die er meer zijn maar omdat ze een veel grotere kans hebben om tegen de lamp te lopen dan een ‘fraudeur zonder buitenlands vastgoed’. Dit is een heel ‘luie’ manier van werken omdat er niet wordt nagedacht en oorzaak en gevolg vaak worden verwisseld. Dat bijvoorbeeld mensen met een dubbele nationaliteit vaker vastgoed in het buitenland hebben, is op een veel logischer manier te verklaren dan om ‘er fraude mee te plegen’.

Dat overheden aan de slag gaan met ‘big data’ en met profielen heeft, naar mijn mening, een heel andere oorzaak. Een oorzaak die helemaal niet met racisme en discriminatie van doen heeft maar veeleer een gevolg is van het New-Public-Management-denken dat eind vorige eeuw ‘populair’ werd in overheidsland. Ik schreef er recentelijk een artikel over op mijn site met als titel Corona en etnisch profileren.

Het tweede punt wat het lastig maakt om me aan uw zijde te scharen, is dat u de oplossing zoekt in een in mijn ogen schadelijke sociologische theorie. In uw schrijven geeft u aan dat de PvdA, GroenLinks en D66 om; “hun woorden van solidariteit kracht bijzetten door antiracisme bovenaan hun politieke agenda te zetten,” alleen maar: “voor intersectionele politiek (hoeven te) kiezen.” Deze theorie heeft al als uitgangspunt dat er sprake is van discriminatie en dat er wordt gediscrimineerd op basis van een veelvoud aan aspecten. Aspecten zoals huidskleur, sekse, gender, religie en zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. Al die aspecten moeten in onderling verband worden bestudeerd om de oorzaken en gevolgen ervan te verklaren en ook voor het aanpakken van de gevolgen ervan. Mijn probleem met deze theorie is dat ze verdeelt terwijl er verbinding nodig is. Op basis van al die aspecten wordt een persoon ontleed en in hokjes gezet En als je die aspecten weer bijeenvoegt, dan heb je iemands ‘identiteit’. Deze manier van denken maakt identiteit tot iets zwaars en statisch. Voor mij is identiteit, in navolging van Kwame Anthony Appiah, licht en veranderlijk. Niet alleen mijn identiteit als persoon, maar ook de ‘gezamenlijke identiteit’ van een land.

Zoals gezegd, strijd ik voor een rechtvaardige samenleving met gelijke kansen voor eenieder. In die strijd kunnen we elkaar vinden. Ik weiger echter uw analyse van de onze huidige samenleving en hoe die is ontstaan  te onderschrijven én te kiezen voor intersectionele politiek. Als dit voor u niet onoverkomelijk is dan ga ik graag met u het gesprek aan.

Eerdmans en een middelvinger

Als er niet wordt gevoetbald, moet je als supporter een andere bezigheid zoeken om je tijd door te komen. Je kunt dan een boek gaan lezen, rikken met je gezin, maar je kunt ook met je supportersvrienden het standbeeld van Pim Fortuyn in Rotterdam beschermen in tijden van een ‘beeldenstorm’. Bij De Dagelijkse Standaard een verslag van deze actie. Het beeld van Fortuyn werd eerder beklad. Daarom gaan deze: “Feyenoord supporters (zelf noemen ze zichzelf liever ‘Rotterdam hooligans’) (…) vanaf nu waken over het beeld van Fortuyn in de hoop dat nieuwe vernielingen uit zullen blijven.” Er is iets bijzonders met dit bericht en dat is niet dat ‘Rotterdam hooligans’ zich druk maken over de geschiedenis en het erfgoed.

Brin: Pixabay

Er is iets met de berichtgeving over deze actie. Een actie waarvan Joost Eerdmans, de leider van Leefbaar Rotterdam, zegt: “Het protest was een initiatief van de supportersvereniging van Feyenoord. Mooi dat het initiatief bij de bevolking ligt en niet bij de politiek.” Het bericht gaat vergezeld van een foto waarbij de ‘beschermers’, een mannetje of tachtig, zo lees ik, zich rond het beeld hebben verzameld. Een foto gemaakt door de auteur waarop de beschermers zich hebben verzameld rond het beeld. Op de foto is duidelijk te zien dat de tachtig man de anderhalve meter regel aan de laars lappen. En dat maakt het bijzonder.

Nee, niet dat die hooligans dat doen maar dat De Dagelijkse Standaard dit zonder kritiek publiceert en zelfs organiseert. Want als we een week of twee teruggaan in de tijd, naar tweede pinksterdag, dan lezen we in een artikel van Tim Engelbart op dezelfde site het volgende: “Als Amsterdam straks een massale uitbraak van het coronavirus heeft, weet heel Nederland vanaf vanavond wie we daar voor moeten bedanken. Nu, ja, al die knettergekke demonstranten, natuurlijk, die de Dam bezetten omdat ze zich in de Verenigde George Floyd Staten wanen in plaats van in Nederland.” In dat artikel kreeg burgemeester Halsema van Amsterdam de wind van voren en worden de demonstranten zo ongeveer een gevaar voor de volksgezondheid genoemd. Om de titel boven het artikel aan te halen: “Femke Halsema geeft middelvinger aan corona-doden.” Nu is tachtig wat minder dan een paar duizend. Anderhalve meter is en blijft echter anderhalve meter. Hoeveel zorgen maakt De Dagelijkse Standaard zich werkelijk over de Volksgezondheid? Of zou de ‘frustratie’ ergens anders door worden veroorzaakt?

Dat De Dagelijkse Standaard met twee maten meet is tot daaraan toe. Wat te denken van Eerdmans? In zijn hierboven geciteerde reactie op de actie van de hooligans, geeft hij aan te waarderen dat het initiatief bij de bevolking ligt. Daarmee suggereert hij dat het initiatief voor die ‘mooie’ demonstratie tegen racisme bij de politiek ligt. Maar wat belangrijker is, ook hij lijkt zich ‘als bij toverslag’ geen zorgen meer te maken over de volksgezondheid waarover hij zich op 2 juni druk maakte toen hij twitterde: “Burgemeester Halsema vindt een politiek standpunt belangrijker dan mensenlevens.” Steken De Dagelijkse Standaard en Eerdmans nu dan niet ook een middelvinger op naar de corona-doden?

Bondgenoten

Werken aan een samenleving waarin alle mensen gelijkwaardig zijn en gelijk worden behandeld, is nog niet zo eenvoudig. “Demonstreren of een zwart beeld op Instagram is niet voldoende als je je écht tegen racisme wil verzetten,” aldus Sophie Duvekot  bij OneWorld. Zeker niet als je ‘wit’ bent. Tenminste als we Duvekot mogen geloven. Gelukkig helpt ze je een eind op weg met haar artikel Do’s en Don’ts voor witte bondgenoten. Nieuwsgierig als ik ben, ben ik eens in de ‘tips’ gedoken. En wat blijkt. ‘bondgenoot’ worden blijkt een hele studie.

Bron: publicdomainvectors.org

Als eerste kun je naar de site Wit Huiswerk. “Om je effectief in te zetten voor de strijd tegen racisme is het belangrijk om te weten wie je bent, wat je zelf doet en kan doen en waar je het over hebt.” Toch knap van de site dat ze je helpt te ontdekken wie je bent. Ik dacht dat ik dat al wist, maar om ‘bondgenoot’ te zijn is dat klaarblijkelijk niet voldoende. Dus maar eens even kijken wat de site te bieden heeft zodat ik mezelf kan ontdekken. Onder andere thema’s. Dat zijn er verschillende zoals Wit zijn, Privileges,  Zwarte Piet, Intersectionaliteit, en ook Witte redder complex. Daaronder  een lijst met boeken, artikelen, TED-talks. Wat opvalt is dat het meeste Engelstalig en van Amerikaanse bodem is. Dit aangevuld met vooral werk van Gloria Wekker en het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume en de documentaire Wit is ook een kleur van Sunny Bergman. De potentiële ‘bondgenoot’ die het Engels niet of minder machtig is, komt bedrogen uit. Die moet eerst op cursus Engels.

Om er een start mee te maken, adviseert Duvekot om de Anti-Racism checklist for Whites in te vullen. Die: “geeft je een idee van wat het inhoudt om een bondgenoot te zijn en waar jij je antiracisme wel of niet al in de praktijk brengt.” Laat ik dat advies dan maar opvolgen. Helaas weer in het Engels. Anderhalf A-viertje met vragen. Als ik de vragen zo lees kan ik de eerste pagina allemaal met JA beantwoorden. Zou ik dan een goede bondgenoot zijn? Ik vraag me alleen af hoe die vragen me en vooral de zaak verder helpen. Op de volgende pagina: “problem areas where individuals sometimes get stuck”. Ze zijn, zo lees ik: “specifically for white individuals.”  De eerste vraag is een bijzondere: “I am not clear on the labels people of color prefer to use to identify themselves.” Dat is mij inderdaad niet altijd even duidelijk. Wat mij wel duidelijk is, is hoe ik wil dat men mij labelt. Alleen begrijp ik dat de ‘activisten’ dat anders zien. In Duvekots artikel lees ik namelijk het volgende: “Zo kun je de volgende keer als iemand in je omgeving het woord ‘blank’ gebruikt vragen of diegene zich bewust is van de koloniale betekenis van het woord.” Als ‘bondgenoot’ moet ik de ‘activisten’ dus aanspreken met het label dat zij kiezen en zij spreken mij aan met een label dat zij ook kiezen. Dat voelt wat minder.

Met dat ‘mindere’ kom ik bij mijn punt. Als je wat dieper in de materie duikt, dan kom je erachter dat een goede ‘bondgenoot’ zich bewust is/moet worden van zijn ‘witte privilege’ en zich moet laten indoctrineren in het intersectioneel denken. Waarom moet een blanke die racisme wil bestrijden op les om zich het denken van Gloria Wekker en de ‘intersectionaliteit’ eigen te maken? Dit zijn voor mij heel grote belemmeringen. Zoals ik al vaker heb aangegeven rammelt er veel aan deze theorie, het denken en de historische onderbouwing ervan. Of eigenlijk is het niet de historische onderbouwing, maar de manier waarop het verleden wordt ‘herschreven’ om het eigen gelijk te onderbouwen. Waarom moet überhaupt een blanke die tegen racisme is op cursus? Zijn het dan alleen blanken die zich schuldig maken aan racisme? Ik meen me toch te herinneren dat de Hutu’s die tijdens de racistische Rwandese genocide van 1994 de Tutsi’s te lijf gingen, allebei dezelfde kleur hadden? Ook bij de racistische vervolging van de Rohingya door de boeddhistische Birmezen waren er geen blanken te bekennen. Hoe zit het trouwens met het denken dat je alleen weet wat racisme is als je ‘van kleur’ bent?

Gelukkig is een cursus, opleiding, checklist niet nodig om je te kunnen inzetten voor een samenleving waarin alle mensen gelijkwaardig zijn en gelijk worden behandeld. Daarvoor is het nodig dat je je realiseert dat ieder mens over een ander oordeelt alvorens te denken, zoals ik in Toonpolitie schreef. Je dat realiseren en dan vervolgens dat oordeel ‘zonder te denken’ gaan overdenken door echt na te denken. Mensen die in de positie zitten of er soms in komen om anderen aan een baan of stage te helpen, zijn daarbij van groot belang. Op dat niveau wordt het verschil gemaakt. Dat levert meer op dan de ‘staatscommissie’ die, zo is bij Joop te lezen, Lodewijk Asscher bepleit. Een staatscommissie die: die onderzoek doet naar en adviseert over (onbewust) aanwezige uitsluitingsmechanismes en institutioneel racisme. Bij de schooladviezen en mogelijkheden tot stapelen in het onderwijs. Het onder de loep nemen van sociale en fraudewetgeving. En wat er kan verbeteren bij de politie, jeugdzorg en andere instanties.

Toonpolitie

“‘White silence is violence’ scanderen wit en zwart op dit moment tijdens de protesten in Amerika. En ik ben het met ze eens. De structurele oppressie van onze identiteit en onze mensheid kan enkel gebeuren omdat het gros van onze medelanders zich stilhoudt en zich vaak opwerpt als verdedigers van het systeem door te fungeren als toonpolitie tegen hen die zich uitspreken tegen structurele discriminatie.” De op één na laatste alinea van een artikel van Karim Bettache bij Joop waarop ik straks terug kom. Eerst even het betoog van Bettache.

Bron: WikipediaCommons

Bij het lezen van zijn artikel ontstaat een beeld van Nederland als een in en in racistisch land dat andere culturen onderdrukt: “Je gaat de onderdrukking pas zien wanneer je de ogen daadwerkelijk opent, daar ons cultureel systeem bijzonder effectief is om de eigen onderdrukking in de geesten van ons allen te indoctrineren.” En iets verder op: “Bijna twee miljoen mensen in Nederland leven in een dergelijke identiteit en hebben elke dag te maken met een cultuur die vijandig staat ten opzichte van hun menszijn, hun ‘ik’. En ik bedoel dan niet de bewuste vijandigheid van een rechtsextremistische politicus of een neonazi, maar de heimelijke, geniepige vijandigheid die als een altijd aanwezige auto-immuun ziekte langzaam de integriteit van je lichaam van binnenuit aanvreet.” En: “we hebben er in Nederland een handje van naar anderen te wijzen waar het racisme betreft maar, op een paar vreselijke landen na, is er bijna geen ander land in het Westen waar zo ongegeneerd minderwaardig gesproken wordt over etnische minderheden in de publieke ruimte, gevolgd door een pijnlijke stilte van de witte meerderheid.” En de oorzaak hiervan:  “Zo’n vierhonderd jaar geleden hebben onze voorouders besloten de hele buiten-Europese wereld leeg te roven, te misbruiken en hun mensheid tot irrelevant te verklaren om daar vervolgens een heel systeem van waardige versus onwaardige mensen op te stoelen.”  

Over het historische gehalte van deze laatste passage schreef ik al eerder een Prikker met als titel Europese ‘Risk opdracht’. Nu naar de passage waarmee ik begon. Met zo’n beschrijving van Nederland vraag je je af waarom mensen überhaupt naar Nederland zouden willen vluchten, zoals er zovelen doen. Waarom zou je je immers blootstellen aan ‘indoctrinatie van je geest met de eigen onderdrukking’? Waarom je blootstellen aan een cultuur die ‘vijandig staat ten opzichte van hun mens zijn? Of zou er iets niet kloppen aan Bettache’s beschrijving van ‘het culturele systeem’ in Nederland?

Dat in Nederland niet alles ‘perfect’ is en soms zelfs verre van dat, staat buiten kijf. Dat het voor mensen met een minder lange geschiedenis in dit land, lastiger is om een plek te verwerven, staat ook buiten kijf. Betacche: “Op het VWO behoorden mijn resultaten tot de top, toch werd mijn kunnen altijd in twijfel getrokken door de leraren.” Wellicht tot verbazing van de heer Bettache, maar tot nog niet zolang geleden werden de schoolprestaties van arbeiderskinderen steevast in twijfel getrokken: ‘de mavo of lts lijkt mij passend voor uw kind’ kreeg menigeen van hen te horen aan het einde van de lagere school, zoals de basisschool toen heette. Dit terwijl een kind van de notaris met eenzelfde cijferlijst een vwo-advies kreeg. Arbeiderskinderen waren toen de ‘nieuwkomers’. En zo ervaren alle ‘nieuwkomers’ problemen met het zich, om de term van premier Rutte te gebruiken, invechten in de samenleving.

Dat Nederlanders, net als trouwens iedere andere menselijke bewoner van deze planeet, oordelen over anderen staat buiten kijf. Maar dat dit een gevolg is van het door Bettache beschreven ‘cultureel systeem’?  Zou het niet veeleer een nu hinderlijk gevolg zijn van onze geschiedenis als mens? Zou dat oordelen niet een hele lange geschiedenis hebben? Was het millennia lang niet onontbeerlijk voor het overleven van onze voorvaderen? Het was voor de jager- verzamelaars nodig om gevaar te detecteren: ‘is deze persoon of groep een gevaar voor mij en mijn groep?’ Dat moest heel snel gebeuren omdat treuzelen je dood kon betekenen. En bij dat snel beoordelen keken we, en dat doen we nu nog steeds, onbewust naar overeenkomsten maar vooral naar verschillen. Hoe meer verschillen, hoe meer gevaar. Millennia lang zo denken heeft gezorgd voor keuzes op basis van ‘vooroordelen’. Heel menselijk gedrag dat ons al die tijd heeft laten overleven maar dat in ons huidig tijdsgewricht, waarin er in een land als Nederland mensen wonen, leven en willen werken afkomstig uit alle landen en delen van de wereld, hindert en tot ongewenste gevolgen leidt. Dan moeten ze samen toch iets en dan wordt dat oude ‘overlevingsgedrag’ hinderlijk. Dat leidt ertoe dat: “wanneer je witte ruimtes binnenstapt zoals bepaalde cafés en restaurants en je de blikken op je rug voelt branden,” om een voorbeeld dat Bettache noemt, aan te halen. Een gevoel dat ook ik heb wel eens heb als ik ‘ruimtes’ binnenstap waarin ik weinig van mezelf herken.

Dan moeten we, zoals Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman het in zijn boek Ons feilbare denken noemt, van systeem 1 naar systeem 2 denken. “Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle.” Het systeem dat het overgrote deel van het werk voor ons mensen doet. Zonder deze manier van denken zouden we niets gedaan krijgen. Het systeem dat gevaar detecteert en dat onbewust onze houding jegens anderen bepaalt: vriend of vijand! Als we ons realiseren dat we volgens dit patroon mensen beoordelen dan kunnen we het veranderen en voor dat veranderen, hebben we systeem 2 nodig. “Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen. De werking van systeem 2 wordt vaak gekoppeld aan de subjectieve ervaring van handelingsvermogen, keuze en concentratie.”  Systeem 2 kost tijd en moeite en dat is wat er nodig is om die eerste, onbewuste indruk over iemand op basis van systeem 1, ter discussie te stellen.  

Dit ‘jager- verzamelaargedrag’ om het zo te noemen wordt tegenwoordig door sommigen ook ‘institutioneel racisme’ genoemd. Ik vraag me af of die benaming helpt bij het aanpakken van dit gedrag. Door die naam eraan te geven, krijgt degene die het gedrag vertoont het gevoel van racisme te worden beschuldigd en daarin zal hij of zij zich niet herkennen. En dat gaat weer belemmeren in het voeren van het gesprek over de gevolgen van dat gedrag. Het wordt dan een gesprek met als thema ‘ik ben geen racist’ terwijl het eigenlijk moet gaan over de ongewenste gevolgen van dit ‘jager- verzamelaargedrag’.

Als dit mij de kwalificatie ‘toonpolitie’ en daarmee verdediger van ‘het systeem’ oplevert, het zij zo. Maar op de toon en vooral de inhoud van Bettache’s betoog is, zoals ik hierboven schreef, nogal wat aan te merken. Die toon en inhoud richten de aandacht op het verkeerde en dat is jammer.

Toe-eigening

“Als je gelooft dat de uitspraak van Ron Jans op zichzelf staat, dan snap je niet dat dit om veel meer gaat dan Jans, maar om hoe heel Nederland omgaat met racisme, binnen en buiten de sport.” Zo begint de laatste alinea van een artikel van Marvin Hokstam bij OneWorld. Een artikel over de gevoeligheid van het n-woord. Naar het schijnt rapte Jans mee met de tekst van een lied waarin dat woord werd gebruikt. Bijzonder.

Bron: WikimediaCommons

Wat er bijzonder is? Wel er zijn verschillende zaken bijzonder. Zoals meezingen met een lied. Iets waar ik me, met zeer veel andere Venlonaere, in deze dagen van de vastelaovend, ook ‘schuldig’ aan maak. “Doezend stumme klinke as ein”  om het lied Same Zinge te citeren. Voor mij is dat de essentie van muziek, dat je meedoet en meezingt.  Bijvoorbeeld het mooie Veur altied eine Venlonaer van Chris Thenu, recentelijk nog geïnterviewd door de Volkskrant, met de prachtige passage: “Au revoir, adieu Chérie. Ik gaon noow nao hoes. Veur genne franc blief ik in Periés, want Venlo is mien thoes”  Dan is het vreemd dat er liedjes zijn waarbij meezingen verboden is. Nou ja verboden. Niet voor iedereen. Alleen mensen met een bepaalde huidskleur mogen meezingen. De rest niet. Als die meezingen dan maken ze zich schuldig aan racisme ten opzichte van degenen die wel mogen meezingen. Dat lijkt mij de omgekeerde wereld. Racisme is, zo is in de Van Dale te lezen: “discriminatie op grond van iemands ras,  en een “theorie die de superioriteit van een bepaald ras verkondigt.” Dat één groep wel mag meezingen en andere groepen niet, voldoet aan de definitie. Ik kan me niet voorstellen dat ik het prachtige lied van Thenu niet zou mogen meezingen. Dat ik dan een racist zou zijn omdat mijn wieg niet in Venlo stond. Dat kan er bij mij niet in. 

Wat “de uitspraak van Jans” zoals Hokstam het omschrijft, zo bijzonder maakt, is dat Jans meezingt met de tekst van een ander. De tekst en dus de uitspraak, is niet van hem. Die is van de maker van het lied. Wat Jans deed, door mee te zingen, is het citeren van de tekst van een ander. Nu kun je ook door teksten van een ander te citeren of mee te zingen mensen discrimineren en je schuldig maken aan racisme. Bijzonder is dan wel dat degene die het nummer afspeelde niet wordt beschuldigd van racisme en misschien ook nog het ‘aanzetten tot’. En de maker van het lied dan? Is het kopen van het lied dan misschien ook racisme?

Echt bijzonder wordt het als Hokstam schrijft: “Maar als ik Nijkamps redenering goed snap, is racisme in de VS racisme en in Nederland een grapje. Daar moeten we het niet accepteren, maar hier moeten we vooral niet zo gevoelig en complex doen.”  Nee, racisme is, wat mij betreft, in Nederland geen grap. Ook niet met de vastelaovend. We moeten het nergens accepteren en dat is niet complex. Hokstam maakt het echter complex. Daarmee kom ik bij een artikel van Tamara Hartman dat momenteel bij OneWorld is te lezen. Een artikel over, zoals zij het noemt, carnaval met als ondertitel: “Een verkleedpartij is geen vrijbrief voor racisme.”  Hartman: “Ironisch dat carnaval in de Middeleeuwen draaide om het bespotten van machtshebbers, terwijl tegenwoordig juist gemarginaliseerde groepen bespot worden.” Bespotten door je te verkleden als: “ronduit racistische karikaturen (‘Indiaan’, ‘Eskimo’ of ‘Afrikaan’).”  Nu zie ik in Venlo zeer weinig mensen verkleed als ‘Indianen, Eskimo’s en Afrikanen’. Het ‘omdraaien’ van de maatschappelijke verhoudingen is inderdaad de kern van de vastelaovend. Omdraaien om zo te laten zien dat alle mensen gelijk zijn. Die cruciale toevoeging stelt het ‘verkleden’ in een heel ander perspectief.

Om dat ‘verkleden als’ gaat het mij nu niet. Het gaat mij om het woord culturele toe-eigening dat Hartman gebruikt. Ik schreef al eerder over dit begrip. Het ‘je toe-eigenen van zaken uit een andere cultuur, die je niet toekomen’. En daarmee ben ik weer bij de passage van Hokstam waarmee ik de vorige alinea begon. Maakt Hokstam zich niet schuldig aan ‘culturele toe-eigening’? Eigent hij zich niet het slavernij- en meer recentere apartheidsverleden en de hedendaags omgang ermee van de Verenigde Staten toe? Dat alleen mensen van een kleur het n-woord in een lied mee mogen zingen, is een Amerikaanse ‘uitvinding’ binnen de Amerikaanse cultuur en haar omgang met dat verleden. In  mijn ogen een bizarre uitvinding omdat het een vorm van racisme is. Hokstam verplaatst dit naar de Nederlandse situatie en dat lijkt mij een vorm van ‘culturele toe-eigening’. Zo maakt hij het racismedebat complex.