Verleden, heden en toekomst

In 1940 ontdekten enkele Franse jongelui per toeval een grot. Op de muren van die grot zagen zij schilderingen van dieren. Die schilderingen bleken tussen de 10.000 en 15.000 jaar oud te zijn. Sindsdien is Lascaux een bekende naam. De schilderingen vertellen ons iets over het leven van onze voorouders. Iets, maar niet veel. Hoe die voorouders precies leefden, waarom ze deze schilderingen maakten? We kunnen er alleen maar naar gissen. Het ontbreekt ons aan gegevens, aan data. Wat we ervan weten zijn interpretaties. Interpretaties gebaseerd op dergelijke  schilderingen, op botten, op resten van ander gebruiksvoorwerpen en op het bestuderen ‘primitieve’ volkeren. 

Dit staat in schril contrast met onze huidige werkelijkheid. Onze (digitale) datastroom groeit fors. Al die data worden opgeslagen in enorme data centra. Data centra die enorm veel stroom verbruiken. In die ‘digitale omgeving’ worden enorm veel teksten, geluid en beelden opgeslagen. Voor een historicus in het jaar 2800 zou het daarmee erg makkelijk moeten zijn om een beeld te schetsen van het leven in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw. Duik in ‘de cloud’ en je ziet het huidige leven voorbij trekken.  Alhoewel. Op Facebook en soortgelijke sites leukt eenieder zijn leven op. Bekijk je de journaals dan zie je de uitzonderingen, de afwijkingen. Nieuws is immers dat wat afwijkt van het gebruikelijke. 

Mijn verre nazaat-historicus kon echter nog wel eens ander probleem hebben. Daar waar over onze verre voorvaderen heel weinig informatie hebben, zou het kunnen dat wij onze nazaten wel eens teveel informatie nalaten. Te weinig informatie is een probleem. Echter wel een probleem dat we kunnen aanpakken met verbeeldingskracht.  Maar hoe pak je het probleem van ‘teveel’ informatie aan? Welke informatie is relevant en welke niet? Hoe bepaalt de toekomstige historicus welke versie van de huidige werkelijkheid, werkelijk is?

Maar wellicht heeft die toekomstige historicus wel een heel ander probleem. Een probleem dat goed wordt beschreven in de thriller De Tweede Slaap van Robert Harris. Een boek dat ik op aanraden van een goede vriend las. Het boek speelt zich af in het jaar 1468. Dat lijkt het verleden maar al lezend blijkt het de toekomst te zijn en wel zo ongeveer het jaar 2800. Een toekomst die verdacht veel lijkt op het verleden. De toekomstige historicus in het boek is Nicholas Shadwell.

Shadwell staat voor heel andere problemen dan ik hierboven heb geschetst. Het jaar 1468 in het boek is een combinatie van de achttiende eeuw en de Middeleeuwen. Shadwell heeft te maken met de kerk die het vergaren van kennis als ketters bestempeld. De persoon Shadwell laat zien dat niet iedereen zich hieraan houdt. Maar vooral heeft hij te kampen met een gebrek aan informatie over onze tijd. Wat er is gebeurd in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw is niet duidelijk. In een brief uit 2022 die Shadwell heeft gevonden, bij zijn (letterlijke) graafwerk, worden zes mogelijke scenario’s genoemd. Wat er uiteindelijk is gebeurd wordt niet duidelijk. Wel is duidelijk dat zeer veel verloren is gegaan.

De brief maakt duidelijk hoe een van die gebeurtenissen tot het terugvallen naar de Middeleeuwen heeft kunnen leiden. “We zijn van mening dat onze samenleving een dermate geavanceerde technologie heeft ontwikkeld dat ze kwetsbaarder is voor totale instorting dan ooit te voren. … Zo zou een langdurige algehele verstoring van het functioneren van computernetwerken – vooral in steden – al binnen 24 uur tot voedsel- en brandstoftekorten leiden. Deze tekorten zouden gepaard gaan van een dramatische inkrimping van de beschikbare geldhoeveelheid (als gevolg van het uitvallen van alle geldautomaten en alle creditcardtransacties en online bankieren), het instorten van diverse communicatiemiddelen en IT-netwerken, het bezwijken van alle transportsystemen, hamstergedrag, een massale uittocht uit de steden en grootschalige onlusten. … Wij vrezen dat een aanvankelijk instorting zich exponentieel zou kunnen verbreiden, en wel met zo’n snelheid dat geen enkele officiële respons ertegen opgewassen zou kunnen zijn.”

Of Harris een realistische scenario schetst? Dat kennis verloren kan gaan, staat buiten kijf en laat de geschiedenis ons zien. Neem de schilderingen in de grotten van Lascaux waarmee ik begon en waarvan we niet weten waarom ze werden gemaakt. Maar ook de piramides in Egypte waarvan we nog steeds niet precies weten hoe ze werden gebouwd. Dat we in onze huidige samenleving in hoge mate afhankelijk zijn van technologie en van elkaar, staat buiten kijf. Nederland mag dan bijna ‘wereldkampioen’ voedselexport zijn, hoeveel mensen weten hoe ze aardappels moeten telen? Wie kan er nog navigeren op de sterren? Waar vind je de kennis behalve op het internet? In boeken. Alleen wie heeft er de juiste boeken en waar vind je die? Boeken branden trouwen ook goed en vuur is best lekker als je het koud hebt. De regering Den Haag? Die zit, nadat de benzine tank leeg is, ineens weer een dag of vijf gaans van Venlo. Bovendien hebben al die ambtenaren het veel te druk om zelf te overleven. De politie en het leger? Hoe communiceer je ermee na die eerste tank benzine? En dan vergeten we maar even de mogelijkheid dat de regeringsleden zich ook elders dan in Den Haag kunnen bevinden.

Nee, dan geef ik de ‘primitieve volkeren’ een veel betere kans om te overleven. Die mogen dan, zoals de Van Dale primitief definieert: “behoren tot het vroegste stadium van een ontwikkeling,” en: “technisch weinig ontwikkeld zijn.” Ze zijn zeker niet: “gebrekkig, onbeholpen,” de tweede betekenis van primitief. Sterker, ze hebben waarschijnlijk precies die kennis die nodig is om in een dergelijke situatie te overleven.  

Even terzijde. Ik denk dat ik mijn Prikkers toch ook maar eens uitprint op lang houdbaar papier en ze luchtdicht in plastic verpakt in een glazen kist ergens begraaf. Dan heeft die historicus in 2800 toch nog iets. 

De ‘Gouden Eeuw’

“De term Gouden Eeuw is op zichzelf gebouwd op geschiedvervalsing en op een achterhaald 19e eeuws beeld van het verleden.” Dit schrijft Lasse van Dikkenberg bij Joop naar aanleiding van het besluit van het Amsterdams Museum om de term ‘Gouden Eeuw’ in de ban te doen. “De term Gouden Eeuw is in de 19e eeuw ontstaan vanuit een nostalgische verering van het koloniale verleden. Het ging hier specifiek om de zaken die wij nu als negatief ervaren, zoals bijvoorbeeld de VOC en de WIC. De term kon alleen ontstaan doordat niet-elitaire perspectieven, zoals die van arbeiders of slaven, werden genegeerd.” 

De rode lijnen geven de grens van ‘t nieuwe koninkrijk België aan vóór de erkenning door Nederland in 1839.

Zou er iemand in de Gouden Eeuw op het idee zijn gekomen om die eeuw de Gouden Eeuw te noemen? Ik denk het niet. Het is niet uitzonderlijk dat tijdperken pas nadien worden geduid en benoemd. Sterker nog, het is regel. Een middeleeuwer zou zijn tijd zelf nooit middeleeuwen noemen. Hij leefde toen, net als wij nu, aan het ‘einde’ van de geschiedenis. Na hem was er niets. Om zijn tijd middeleeuwen te kunnen noemen, zou hij moeten weten waartussen ‘zijn eeuwen’ het midden waren. Zo noemen we nu het tijdperk tussen de twee wereldoorlogen het interbellum. Die naam konden ze er in 1929 nog niet aan geven. Er was immers pas één wereldoorlog geweest.

Als geschiedkundige heb ik het altijd al bijzonder gevonden dat na de middeleeuwen de nieuwe tijd en daarna de nieuwste tijd kwam. Immers wat zou er dan na de nieuwste tijd moeten komen? De allernieuwste tijd? Nee, historische tijdperken krijgen hun naam en betekenis altijd pas achteraf. Die naam en betekenis houden altijd verband met de tijd die erna kwam, met het heden dus. Het is daarom niet vreemd dat de negentiende-eeuwers de periode voor hen benoemden in het licht van hun heden. Voor iedereen die leeft is zijn tijd de ‘nieuwste tijd’. Een nog nieuwere is er immers niet. 

Inderdaad zal dit zijn gedaan als een ‘nostalgische verering van het verleden’, zoals Dikkenberg schrijft. In die negentiende eeuw ontstond er immers ineens een land: het koninkrijk der Nederlanden (het grondgebied omvattend van de huidige landen België, Luxemburg en Nederland). Een land dat door het ‘gesol’ der grootmachten ontstond, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Een land waar delen iets met elkaar hadden en delen ook niets. Zo hadden de oude zeven provinciën iets samen, maar hadden ze ondertussen niets meer met het Zuidelijk deel en dat bleek nog geen twintig jaar later. Het Zuidelijke deel kwam in opstand en scheidde zich af. Een deel van de opstandige gebieden, het grootste deel van de huidige Nederlandse provincie Limburg dat de Belgische kant had gekozen, ging weer terug naar Nederland. Het Noordelijke deel en de koning hadden dit maar te slikken omdat de grootmachten de kant van de Belgen kozen.

Dat gebrek zeggenschap en het ‘verlies’ van het zuiden, moest worden gecompenseerd en die compensatie werd gezocht in het verleden. Laat dat nu de zeventiende eeuw zijn, een tijdperk dat de ‘Hollanders’ solden en een belangrijke macht waren. Door een beroep te doen op de ‘glorie van weleer’ en personen die daarin een rol hebben gespeeld tot held te verklaren, werd dat verleden nog wat verder opgepoetst.

Je beroepen op een ‘glorieus verleden’ om meer te lijken dan je bent is een vrij normaal mechanisme om dat tegenwoordig ook nog zijn werk doet. Zo zie je in Rusland een toenemende trots op het Sovjet verleden en de ‘Grote Vaderlandse oorlog’ waarbij de ‘grootsheid van de Sovjet Unie op de huidige Russen en vooral hun leider moet stralen. Bij de Engelsen zie je ook nostalgie naar de tijd dat ‘Britania’ over ‘the waves’ regeerde en Europa verdeelde zodat het kon heersen, zoals ik in die vorige Prikker schreef. Veel Brexeteers willen dat dit verleden weer heden wordt.  


… en dingen die voorbij gaan

Na Juliaan van Acker die zoals ik vorige week schreef, de brand van de Notre Dame beschouwt als een ‘ijkpunt voor de aftakeling van de Europese beschaving, ziet ook Sid Lukkassen bij ThePostOnline een bijzondere betekenis in die toevallige brand: “Dit is een turning point voor West-Europa.”

Bron: Wikipedia

Dat klinkt nogal dramatisch, of zoals Lukkassen het zelf noemt hyperbolisch maar hij legt het uit. “Ik doel op de scheppende levensdrift van een cultuur, de levensfelheid, het bezielende genie. En dat deze creativiteit in elke levensfase van een beschaving op een eigen wijze tot uiting komt. Als een cultuur enkel nog dat kan bewenen wat verloren is gegaan, maar niet meer in staat is om iets van gelijke waarde, kracht en uitstraling terug te scheppen, dan is het klaar.” En daarmee zijn we bij de kern van zijn betoog. Volgens Lukkassen wordt er tegenwoordig niets meer van waarde geschapen: “Wij moderne mensen beschikken over techniek die honderd keer geavanceerder is dan wat de middeleeuwer had, en tóch kiezen wij ervoor om te leven in een wereld van plastic en beton. Waarom? Het is volslagen debiel. En dan de luchtkwaliteit in veel grote steden. Een warme droge lucht, die te lang binnenskamers is gehouden bij de slecht geventileerde gebouwen van de bureaucratie – een lucht die geurt naar machineolie en zweet. Dat is de wasem van Brussel. Waarom omringen we ons met lelijke gebouwen en onfrisse lucht – is het masochisme?” Nee die middeleeuwer deed het veel beter. “De middeleeuwer leefde in een lemen hut maar begreep de waarde van sacraliteit, van vervoering: hij bouwde schrijnen met majestueuze standbeelden en ramen van schitterend glas-in-lood. Hij onttrok zich aan zijn modderige ondergrond en schiep een plaats die hem in contact stelde met het transcendente.”  

Gelukkig is er hoop en staan we op een keerpunt zo betoogt Lukkassen: “Er is geen gegronde reden waarom de esthetische kunsten zich de huidige postmoderne lelijkheidcultus laten welgevallen; ik zie niet in waarom de scheppende kracht van onze cultuur vandaag uitgeput zou zijn – waarom we niet verder komen dan grijze betonconstructies en vergulde drollen..” We staan dus voor de keuze, gaan we door met het bouwen van lelijkheid of ‘voeden we onze scheppende kracht met de historie’, om Lukkassens woorden te gebruiken.

Dat er tegenwoordig veel lelijks wordt gebouwd, kan ik alleen maar beamen. Rij maar eens over willekeurig welke snelweg en bekijk de ‘dozen’ die er staan. Nee, daar is schoonheid ver, of liever gezegd tevergeefs te zoeken. Of neem willekeurig welke Vinex locatie of nieuwbouwwijk. Ook daar is schoonheid de welbekende speld in een hooiberg. Toch is er het nodige af te dingen op Lukkassens betoog.

  Dat de Notre Dame er na zo’n achthonderdvijftig jaar nog staat, maakt het een monumentaal pand. Dat wil echter niet zeggen dat de kerk als monument is gebouwd. Prestige en nut, dat zijn de twee redenen waarom nu monumentale gebouwen ooit zijn gebouwd. Niet om er na achthonderd, zoals de Notre Dame of na tweeduizend zoals bijvoorbeeld het Colosseum in Rome of het Pont du Gare bij Nimes, nog te staan. Het prestige dat je tegenwoordig als stad hebt met de hoogste wolkenkrabber of een op een andere manier bijzonder gebouw zoals een museum, gaf een bijzondere kerk je stad, maar vooral jou als bisschop of landheer, in de Middeleeuwen. Om die reden is de Notre Dame gebouwd, als prestigeproject waarin ook kerkdiensten werden gehouden. Het gebouw moest afstralen op bouwheer Maurice de Sully, de bisschop van Parijs. 

“Het is het beste om zowel de historie in ere te houden als om zélf te creëren in het heden. Het is eigen aan onze decadente tijd dat beide dimensies niet in harmonie zijn,” schrijft Lukkassen. Om de kerk te kunnen bouwen, moest De Sully eerst een monumentale kerk uit de vierde eeuw op die plek afbreken. Als De Sully zich aan dit adagium had gehouden, dan had de Notre Dame er nooit gestaan. Dan was de historie in ere gehouden en had de Sint-Stefanuskathedraal er wellicht nog gestaan.

Van al die prestige objecten van vroeger, hebben er slechts een gering aantal de tand des tijds doorstaan. Brand, oorlog maar ook en vooral nutteloosheid en nieuwe ‘prestigezoekers’ zijn er de oorzaak van dat veel bijzondere gebouwen er nu niet meer zijn.  Je zou zelfs een theorie kunnen poneren dat de reden dat de Notre Dame er nog staat, erin is gelegen dat het katholicisme sinds de Middeleeuwen flink aan belang heeft ingeboet. Had het katholicisme nog steeds dezelfde centrale plek als in de tijd van de bouw, dan zou er tussen toen en nu vast wel een bisschop of landheer zijn geweest die de kerk had gesloopt om er een nieuwe, nog grootsere te laten bouwen. 

Bron Wikimedia Commons

Wij kunnen zoveel, maar hebben onze Europese eigenwaarde verloren – de trots is weg: de scheppende kracht wordt niet gevoed door appreciatie voor onze geschiedenis.” Zo betoogt Lukkassen. Is het werkelijk zo somber met ons gesteld als Lukkassen beweert? Zou het niet kunnen dat er ook tegenwoordig monumentale panden worden gebouwd? ‘Zelf gecreëerd’ zoals Lukkassen het noemt? Alleen weten we nu nog niet dat ze ‘monumentaal’ zijn, wellicht weten de kleinkinderen van onze kleinkinderen dat. Van alles wat er nu is gebouwd, staat dan nog maar een klein deel overeind. Al die ‘lemen hutten’ van de Middeleeuwers staan er nu niet meer en zo zullen die ‘dozen’ en ‘vinex locaties’ er over honderd jaar ook niet meer staan, net als een flink deel van die wolkenkrabbers. Het kleine deel van de gebouwen dat men in de tijd tussen nu en dan de moeite van het behouden waard vindt en vooral dat een nuttige functie vervult zoals wellicht het Sidney Opera House of het Guggenheim in bijvoorbeeld Bilbao. Maar vast ook enkele gebouwen die nu niet eens opvallen. 

Trouwens, kan die scheppende kracht niet alleen maar zijn werk doen als er geregeld wat geschiedenis wordt vernietigd? Immers niet alle geschiedenis is monumentaal en het ‘uitwissen’ van die geschiedenis maakt ruimte voor de toekomst. Alleen de geschiedenis, de oude gebouwen die een plek in de harten van de mensen verovert, wordt monumentaal de rest is … voorbijgaand. 

Staatsgodsdienst

Het schijnt dat er een juridische jihad woedt in Nederland. Tenminste als we emeritus hoogleraar Kees de Lange moeten geloven. “Het ontbreken van een heldere definitie van godsdienst leidt in de praktijk van vandaag tot onduidelijkheid en tot de onweerstaanbare neiging, met name in moslimkringen, om voor hun religieuze ideologie via de rechter steeds meer ruimte af te dwingen. De juridische jihad is een beproefde methode geworden om religieus-ideologische provocatie vorm te geven, en niet zonder succes.” Zo schrijft De Lange op de site Opiniez. Via de rechter afdwingen? Als de rechter beoordeelt dat iets conform de wet is, wordt het dan via de rechter afgedwongen? Heeft de wetgever die ruimte dan niet al geboden?

573px-Cathars_expelled

De verbanning van de Katharen. Illustratie: Wikipedia

De Lange lijkt nog meer ‘spoken’ te zien: “De seculiere samenleving komt daarbij steeds meer onder druk te staan. Zo wordt het uitoefenen van godsdienstige uitingen in de publieke ruimte steeds vaker gedoogd.” Godsdienstige uitingen in de publieke ruimte zijn altijd al toegestaan. Dat is niets nieuws. Je mag met een enorm kruis om je nek lopen. Er staan ‘huizen’ voor de verschillende goden in de publieke ruimte. In Maastricht werd laatst weer een zoveel jaarlijkse processie gehouden en als je wilt kunt je in de openbare ruimte tot elke god bidden die je maar wilt. Dat is niets nieuws.

De Lange gaat verder er: “…  worden in door de belastingbetaler bekostigde gebouwen ruimten voor godsdienstige rituelen ingericht.” Dat er in verschillende openbare gebouwen ‘stilteruimtes’ worden ingericht is ook niets nieuws. Dit past allemaal bij een samenleving die eenieder de ruimte biedt om een eigen leidraad in het leven te kiezen. Niets nieuws onder de zon. Vroeger had bijna ieder ziekenhuis, net als trouwens iedere middelbare school, in het zuiden een kapel. In het noorden hadden ze ook vast allemaal een gebedsruimte.

Sterker nog, er zijn nu nog gemeenten waar het een stapje verder gaat. Waar de raadsvergadering met een gebed begint en bijbels in vergaderzalen liggen. Nog sterker, god komt in de aanhef van iedere wet voor en het wordt nog steeds geaccepteerd dat volksvertegenwoordigers zich op god beroepen als ze worden ingezworen. 

Het enige ‘nieuwe’ is dat een andere religie hier ook gebruik van maakt. De Langes bezwaar richt zich op die hier redelijk nieuwe godsdienst, de islam. Die religie is volgens De Lange: “een staatsgevaarlijke haatdragende ideologie met bijbehorende vijfde colonne.” Een godsdienst die ons, zo beweert De Lange: “terug zal voeren naar de irrationele ideologische Middeleeuwen.” Zou het definiëren van godsdienst, de komst van die ‘ideologische Middeleeuwen’, als ze al komen, tegengaan? Of is het juist een stap in de richting van die ‘ideologische Middeleeuwen’ omdat er zo ‘staatsgodsdiensten’ ontstaan en de overheid, net als vroeger de landheer, bepaalt wat er geloofd moet worden?

Middeleeuws Irak

In de Volkskrant een interessant interview met econoom Bas van Bavel. Van Bavel heeft een boek geschreven met als titel De onzichtbare hand. Een boek over hoe markteconomieën  opkomen en neergaan, zo valt in de krant te lezen. Die neergang was: “niet op de eerste plaats het werk (…) van bemoeizuchtige overheden, buitenlandse rivalen of verwende werknemers. Het verval komt van binnenuit: de markt helpt zichzelf om zeep.” Van Bavel heeft hiervoor economisch historisch onderzoek gedaan en het wedervaren van de Italiaanse stadstaten, onze eigen pruikentijd en het Middeleeuwse Irak bestudeerd: “Stuk voor stuk zijn het markteconomieën. En elk vielen zij na een indrukwekkende bloeiperiode ten prooi aan de onvermijdelijke stagnatie.”

Sykes_picot

Illustratie: Wikimedia Commons

Ik heb het boek (nog) niet gelezen, dus een oordeel kan ik niet vellen over het onderzoek en de conclusies. Wat ik wel kan is mijn verbazing uitspreken over zijn onderzoek naar Middeleeuws Irak. Menig ‘islamhater’ zal betogen dat Irak, net als alle islamitische landen nog steeds in de Middeleeuwen verkeert, maar dat is een hele andere discussie die ik hier niet wil voeren. Van Bavel bedoelt het Irak ten tijde van het Europees historische tijdvak de Middeleeuwen. De periode van grofweg 500 tot 1500. Een Irak in die periode? Ja, de stad Bagdad kende een gouden periode. Het was een belangrijk knooppunt van handelsroutes vanuit China, het Indisch subcontinent en het eilandenrijk dat nu Indonesië heet, aan de ene kant en het Middellandse zeegebied en West- Europa aan de andere kant. In 1920 werd het de hoofdstad van het Britse mandaatgebied Mesopotamië en pas in 1921 ontstond het koninkrijk Irak, nog steeds onder Brits bewind. Pas toen ontstond Irak.

De grenzen van dat mandaatgebied werden bepaald via koehandel tussen de Britten en de Fransen. Koehandel tijdens de Eerste Wereldoorlog waarbij de Britten en Fransen het Ottomaanse rijk verdeelden alvorens het was verslagen. Namens de Britten speelde Mark Sykes en namens de Fransen Georges Picot hierbij een hoofdrol.

Hoe kun je de economie van een land bestuderen dat nog niet bestond? De Abbasiden waren er de baas, de Seltsjoeken, de Mongolen en daarna het Ottomaanse Rijk. Allemaal rijken die veel groter waren dan het huidige Iraakse gebied. Hoe kun je dan spreken over Irak? Net zoals je ook niet kunt spreken over Nederland in de Gouden Eeuw. Wellicht doet het aan de economische conclusies van Van Bavel geen afbreuk. Historisch rammelt het.

Verlichte islam

Vele politici en commentatoren zien de radicale islam als een islamitisch probleem. Het zou eigen zijn aan de islamitische leer. De Verlichting die het westen heeft gekend is, volgens deze politici en commentatoren, aan de islam voorbijgegaan en die leeft daarom nog in de Middeleeuwen. Zij zien een grote afstand tussen de islamitische en de westerse wereld.

 John Gray

Had het westen de Renaissance niet mede te danken aan de islamitische gebieden? Vervolgde christenen en joden vonden in het Moorse Spanje onder islamitische heerschappij een veilig heenkomen. Een heenkomen waar zij bovendien in aanraking kwamen met de werken van de oude Grieken en de erop voortbordurende Arabische wetenschappers. Zo heeft onder andere het denken en werk van de islamitische jurist, arts en filosoof Abū ‘l-Walīd Muḥammad ibn Aḥmad ibn Rushd, bij ons bekend onder de Latijnse naam Averroes, de christenlijk en westerse filosofie diepgaand beïnvloed. En kwam het in contact met het denken dan de klassieke Grieken Aristoteles en Plato.

De filosoof John Gray ziet nog een andere verbinding. In zijn boek Zwarte mis bespreekt Gray Sayyid Qutb. Volgens Gray is de radicale islam een ‘kind’ van het moderne denken, net zoals het communisme, het fascisme en het anarchisme. Gray komt tot de conclusie dat de radicale islam moderne kenmerken vermengt met oude: “De radicale islam is een moderne revolutionaire ideologie, maar ook een millennialistische beweging met islamitische wortels.”

Het millennialisme bestaat eruit dat de islam, net als trouwens het christendom, het geloof in het einde der tijden en de komst van het rijk van God/Allah centraal staat. Wie goed kijkt, of het wil zien, ziet altijd wel ‘signalen’ dat nu echt dé tijd is dat het gaat gebeuren. Of, en dat zien we ook bij IS, er worden daden verricht die als signalen in die richting worden verkocht.

Gray ziet veel invloeden van de moderne westerse revolutionaire ideologie in Qutbs denken. Gray: “Qutbs idee van een revolutionaire voorhoede die zich volledig zou wijden aan de omverwerping van corrupte islamitische regiemes en het stichten van een samenleving zonder formele machtsstructuren, ontleent niets aan de islamitische theologie en zeer veel aan Lenin. Qutbs beeld van revolutionair geweld als een zuiverende kracht heeft meer gemeen met de denkbeelden van de jakobijnen …” 

Zou Gray een punt hebben? Is de verlichting dan wel aan de islam voorbij gegaan of de radicale islam ook een kind van de Verlichting? Hoe ver staat de radicale islam werkelijk af van het westen?

 

Middeleeuws Nederland

“Volgens de Brabantse cultuurhistoricus Gerard Rooijakkers past het bungelende varken bij een eeuwenoude volkstraditie: als de mensen het niet eens waren met iets of iemand, werden dode beesten in bomen gehangen.” Een uitspraak gedaan na de protesten tegen de komst van een asielzoekerscentrum in de Brabantse plaats Heesch, zo valt te lezen in de Volkskrant.

MiddeleeuwenIllustratie: historiek.net

Volkstraditie wil zeggen een onderdeel van de cultuur van de streek. Als dit een volkstraditie is en dus een onderdeel van de plaatselijke cultuur, moeten we dan die cultuur met al haar ingrediënten wel willen behouden? Moeten we blij zijn met cultuurelementen al het ophangen van een dood varken?

Columnist Theodor Holmann sprak zich in Het Parool uit tegen ludieke protesten waarbij mannen in korte rokjes gaan lopen. Een protest moet de kern raken en effectief zijn, explosief noemde hij het. Zou het ophangen van dode varkens de kern raken en effectief zijn? Is het explosief? Wil de ‘varkenophanger’ asielzoekers soms vergelijken met varkens? Zou dat zijn punt zijn?

Laat veel mensen er nu net voor vrezen dat de instroom van veel vluchtelingen en migranten zal leiden tot aantasting van die cultuur. In Trouw verwijt Patrick van Schie, de directeur van de liberale Telderstichting, mensen die veel vluchtelingen willen toelaten dat zij bereid zijn: “een grote terugval in de geschiedenis te accepteren,” omdat de Westerse waarden onder druk komen te staan. Ik wil de mensen uit die tijd niet te kort doen, maar hoe Middeleeuws is deze volkstraditie? Zou de komst van vele vluchtelingen dan niet vooruitgang in plaats van terugval kunnen betekenen?

Ik kom uit een streek waar veel volkstradities zijn. Vooral in het huidige jaargetijde staat mijn woonplaats Venlo er bol van. Het ophangen van dode beesten als protest is er geen onderdeel van. Als dat een onderdeel is van ‘onze’ cultuur, wil ik dan iets met die cultuur van doen hebben?

Gelukkig is cultuur niet statisch. Cultuur verandert onder invloed van gebeurtenissen, nieuwe zienswijzen op zaken en nieuwe manieren van denken in de tijd. Er is dus nog hoop voor degenen die het ophangen van dode dieren als een volkstraditie zien. Hoe lang zullen de verantwoordelijken nog in de Middeleeuwen blijven? Hoe lang zou het duren voordat bij hen de Verlichting aanbreekt?