Uitgelicht

Geleuter over generaties

Een gedesillusioneerde generatie komt in opstand.” De kop boven een artikel van Daphné Dupont-Nivet en Jaap Tielbeke in De Groene Amsterdammer. “Het is de desillusie met dit apolitieke vooruitgangsoptimisme uit onze jeugd die verklaart waarom veel millennials de ideologische veren weer hebben opgeplakt. Onze generatie is minder bang om te polariseren of systeemkritiek te leveren, omdat we inmiddels weten dat de toekomst niet automatisch beter wordt. Vooruitgang vergt inspanning en politieke strijd, denken wij. Alleen zo kunnen we de beloftes van de jaren negentig misschien nog inlossen.” ‘Minder bang dan wie?’ Die vraag stelde ik mezelf toen ik het artikel las.

Bron: Pixabay

Beide auteurs zijn geboren in 1989 en beschrijven, om het kort te zeggen, hun leven tot nu toe. Hun zorgeloze jeugd in de jaren negentig van de vorige eeuw waarin ze mee kregen dat ze “alles konden worden wat we wilden, als we maar hard genoeg werkten en in onszelf geloofden.” Die jaren vatten ze treffend samen in de woorden van R. Kelly die in zijn jaren negentig hitje zong: “I believe I can fly. I believe I can touch the sky.”  Die jeugd werd op 11 september 2001 wreed verstoord en toen ze in 2008 volwassen werden stortte de economie in en werd duidelijk dat dat geloof in jezelf niet meer voldoende was. Of zoals ze zelf schrijven: “Nu onze dertigste verjaardag nadert moeten we vaststellen dat veel van die beloftes niet zijn ingelost. We joegen onze dromen na, maar behaalden onze diploma’s toen de economie in duigen lag. We vertrouwden op de deskundigheid van economen, maar kwamen erachter dat hun modellen de kiemen plantten voor sociale en ecologische ontwrichting. Het optimisme van de jaren negentig komt ons nu, turend in de achteruitkijkspiegel, ronduit naïef voor.” Maar nu zijn ze wakker: “De klimaatspijbelaars hebben de hoop opgegeven dat internationale onderhandelingen tot een happy end leiden. Of misschien hebben ze die hoop nooit gekoesterd en zijn ze wel boos, maar niet teleurgesteld, omdat ze niet anders gewend zijn. Dat is het verschil met de generatie boven hen, met onze generatie, die lange tijd het volste vertrouwen had in de instituties die in het leven waren geroepen om grensoverstijgende problemen het hoofd te bieden.” Beste auteurs hebben jullie de generatie boven jullie gevraagd naar dat vertrouwen in die instituties?

Gelukkig constateren ze dat herinneringen selectief zijn. Dat er ook al in de jaren negentig een ander geluid te horen was. Het systeem kritische geluid dat bijvoorbeeld van Naomi Klein verwoordde in haar boek No Logo. Klein stond hierin niet alleen, zo ‘ontdekken’ de auteurs: “En in het jaar dat R. Kelly zijn debuutalbum Born into the 90s uitbracht, schreeuwde Zack de la Rocha, leadzanger van rockband Rage Against The Machine, de longen uit zijn lijf om structureel racisme aan te kaarten in hun debuutsingle Killing in the Name.” De auteurs constateren: “Misschien moeten we juist putten uit die alternatieve erfenis, die niet alleen bij ons, maar ook in het collectieve geheugen ondergesneeuwd is geraakt.” Beste auteurs, hoe komen jullie erbij dat die alternatieve erfenis ondergesneeuwd is geraakt?

Die erfenis staat in een lange traditie. “You’ll go quietly to boot camp. They’ll shoot you dead, make you a man. Don’t you worry, it’s for a cause. Feeding global corporations’ claws!” Aldus een stukje tekst uit  We’ve got a bigger problem now van mijn favoriete punkband Dead Kennedys in 1981. De wereld kampte toen met de angst voor ‘de bom’ en leed onder de gevolgen van de tweede oliecrisis. Voor of tegen de bom? Voor of tegen kraken? Ja aan dat kraken danken jullie, de jongeren van tegenwoordig, het goedkope anti-kraak wonen. Voor Den Uyl of voor Wiegel? Een tijd waar je als jongere kon fluiten naar een baan. Een tijd van polarisatie en systeemkritiek die zo midden de jaren zestig begon. In die periode, in 1972, kwam de Club van Rome met haar rapport Grenzen aan de groei. In dat rapport werd geconcludeerd dat: “De mensheid ( niet) kan (…) blijven doorgaan zich met toenemende snelheid te vermenigvuldigen en materiële vooruitgang als hoofddoel te beschouwen, zonder daarbij in moeilijkheden te komen. (…) Dat betekent dat we de keuze hebben tussen nieuwe doelstellingen zoeken teneinde onze toekomst in eigen handen te nemen, of ons onderwerpen aan de onvermijdelijk wredere gevolgen van ongecontroleerde groei.” Ook toen wisten we dat de toekomst niet ‘automatisch’ beter werd. Dat daar inspanning en soms strijd voor nodig is.

Nee, ‘jullie generatie’ staat niet alleen als het ‘polariseren en systeemkritiek’ betreft. En nu we het toch over jullie generatie hebben. Zoals jullie zelf al constateren bestaat die uit mensen met zeer verschillende meningen. Met als uitersten aan de ene kant de aanhangers van de ‘intersectionaliteit’. “Alle vormen van ongelijkheid (op basis van onder andere huidskleur, gender, seksualiteit, klasse, leeftijd, opleidingsniveau) staan met elkaar in verband en moeten ook zo bestreden worden. Alleen zo valt te begrijpen hoe verschillende vormen van onderdrukking samenkomen, zich manifesteren en elkaar versterken. … Ze combineren wokeness met kapitalismekritiek.” Zo vatten jullie die leer kort samen. En aan de andere kant alt-right’: “de frisse politieke wind (…) die niet met de consensuscultuur meewaait.”  Een wind die wordt belichaamd, zo schrijven jullie door Thierry Baudet en die: “Een cultuuroorlog in gang zet(…); eentje die de maatschappelijke omwentelingen die sinds mei 1968 hebben plaatsgevonden (‘de massale immigratie, de euromunt, de kaalslag in het onderwijs, het multiculturalisme, de schaamte voor onze eigen geschiedenis en de culturele zelfhaat’) terugdraait.” Daarmee doen jullie Baudet tekort  die wil, zo begrijp ik hem, liever terug naar de achttiende eeuw.

Die verdeeldheid geldt niet alleen voor ‘jullie’ generatie. Die geldt voor alle generaties. Een generatie is niets meer en ook niets minder dan een groep mensen met ongeveer dezelfde leeftijd. Het zegt niets over de manier waarop ze naar de wereld kijken. Het onderscheid tussen progressief en conservatief om die oude termen maar weer eens van stal te halen, is geheel eigen aan de mens, niet aan een ‘generatie’. De ene mens is avontuurlijk ingesteld, de andere blijft het liefst in zijn vertrouwde wereldje zitten. Als jullie de geschiedenis bestuderen, dan zullen jullie zien dat progressieve en conservatieve periodes elkaar opvolgen. De huidige, conservatieve volgde op de gepolariseerde verhoudingen uit mijn jeugd. Die weer volgde op de conservatieve na-oorlogse periode die weer volgde op de extreem gepolariseerde verhoudingen van de jaren dertig van de vorige eeuw. Een periode die eindigde met de de Tweede Wereldoorlog. En zo kunnen we doorgaan. Dat een periode ‘conservatief’ is, wil niet zeggen dat ‘progressieve’ krachten ontbreken. Omgekeerd trouwens ook niet. Kapitalisme-kritiek is al zo oud als het kapitalisme. Lees Marx om er een te noemen. Kritiek op de ‘vooruitgang’ trouwens ook. Lees Plato of Rousseau. Al zullen die zeggen dat er sprake is van ‘achteruitgang’. Waar ze het allemaal over eens waren was dat de ‘toekomst niet ‘automatisch’ beter werd.

Zoek in de strijdt voor ‘vooruitgang’ of ‘behoud’ naar de verbinding met mensen van alle leeftijden. Lees het werk van Klein, Marx, Plato en Rousseau. Praat met de ouderen en leer van hen. Leer van hen door naar hun ervaringen te vragen. Leer van: “Hoopvolle burgers (die) de zwaarbewapende grenswachten (trotseerden) en trokken eigenhandig het IJzeren Gordijn naar beneden.” Die: “streden (…) voor dezelfde idealen als waar onze generatie nu voor vecht.” Leer van hen en van hun ervaringen. Dat voorkomt eerder gemaakte fouten en maakt de kans groter dat successen worden herhaald. Zoek naar verbinding en stop met dat ‘generatie geleuter’! Dat zaait alleen maar verdeeldheid.

Statistiek en de werkelijkheid

Bij Opiniez bespreekt de Amerikaanse hoogleraar economie Nikolai G. Wenzel een boek van zijn collega-econoom Paul Collier. Als ik Wenzel goed begrijp, pleit Collier in zijn boek voor minder ideologie en meer pragmatisme. Dat pragmatisme behelst herverdeling om de grote ongelijkheid te bestrijden en staatsingrijpen om marktfalen op te lossen. Volgens Wenzel: “een simplistisch boek … dat een verkeerde diagnose van de problemen geeft en hij stelt als recept meer van de giftige stoffen voor, die ons in deze moeilijke situatie hebben gebracht.” Die giftige stoffen betreft het ‘pragmatische overheidsingrijpen’ dat Collier voorstelt. Om zijn betoog kracht bij te zetten bespeelt Wenzel de loftrompet over de resultaten van het kapitalisme. Bij dat getrompetter kunnen de nodige vragen worden gesteld. 

Bron: Pixabay

Wenzel: “Op mondiaal niveau is het percentage van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft, gedaald van 36% in 1990 tot 10% in 2015.” Inderdaad is de extreme armoede wereldwijd gedaald. Maar is dat een verdienste van het kapitalisme? Zoemen we wat in op die daling van de armoede dan komt een groot deel hiervan voor rekening van China. In dat land leefde in 1990 nog 62% van de mensen in armoede, nu is dat nog maar 3%.  Eén probleem, China is nu niet een schoolvoorbeeld van kapitalisme. Het land wordt centraal geleid door de communistische partij.

(H)et gemiddelde inkomen van de laagste twee kwintielen is met respectievelijk 22% en 15% gestegen en het mediane inkomen is met 21% gestegen.” Ook dat cijfer zal best kloppen alleen heeft de gemiddelde Amerikaan niets aan die inkomensstijging. “In fact, despite some ups and downs over the past several decades, today’s real average wage (that is, the wage after accounting for inflation) has about the same purchasing power it did 40 years ago. And what wage gains there have been have mostly flowed to the highest-paid tier of workers,” zo concluded Pew research

Maar daarvoor kunnen ze wel meer tv en wasmachine kopen, aldus Wenzel: “Een standaardpakket huishoudelijke apparaten kostte de gemiddelde werknemer 885,6 uur werk in 1959, tegenover 170,4 uur werk in 2013. In die tijd daalden de “arbeidsuren” bij het gemiddelde loon van de werknemer van 100,5 naar 23,3 voor een wasmachine; 90,9 tot 20,7 voor een vaatwasser; en 127,8 tot 20,7 voor een kleuren-tv – en al deze voorbeelden laten kwaliteitsverandering binnen de goederen zelf buiten beschouwing.” Bovendien wordt: “Dit effect (…) nog groter door een bijzonder feit: het “hele scala van items die algemeen worden aangetroffen in Amerikaanse huishoudens, inclusief arme gezinnen, die zelfs een generatie geleden niet bestonden.” Daar heeft Wenzel een punt, een generatie geleden hadden we nog geen pc, tablet en ‘smartphone’ en die hebben ze nu wel: allemaal toegenomen welvaart. Hierbij vergeet Wenzel echter dat je nu bijna niet meer zonder die apparaten kunt, ze zijn een ‘basisgoed’. Net zoals een wasmachine dat is. Het pakket basisgoederen is gegroeid en die groei eet de winst van de goedkopere wasmachine weer op.

Wenzel gaat verder: “Evenzo zijn voor het gemiddelde Amerikaanse huishouden de voedseluitgaven gedaald in de afgelopen eeuw van een derde naar een achtste van het inkomen. Het ministerie van Landbouw in de Verenigde Staten meldt dat de voedseluitgaven als percentage van het inkomen tussen 1970 en 2007 zijn gedaald van 14% naar 9%.” Alleen zegt een gemiddelde niet veel. Als er negen mensen zijn met 0 inkomen en eentje met 100, dan is het gemiddelde inkomen 10, alleen zal niemand zich in dat gemiddelde herkennen. Zo ook voor uitgaven aan voedsel. Als de bovenste 10% hun inkomen met 100% ziet groeien en de rest gelijk blijft, dan zal het percentage dat een gemiddeld inkomen aan voedsel besteedt dalen, alleen hebben die 90% waarvan het inkomen gelijk is gebleven, daar niets aan. Het percentage dat zij aan voedsel uitgeven is nog steeds hetzelfde.

Tsja, cijfers blijven lastig.

Patriotisme en een tweede stuk vlaai

“De brand van de Notre-Dame kunnen we zien als een ijkpunt voor de aftakeling van de Europese beschaving.” Dit beweert Juliaan van Acker bij ThePostOnline. Ja, dezelfde persoon die, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef, beweert dat democratie een protestants-christelijke uitvinding is. Volgens emeritus hoogleraar Van Acker komt dat omdat: “Het ontbreekt aan trots, aan verbondenheid, aan verantwoordelijkheidsgevoel.”

Bron: wikipedia

Van Acker constateert dat we nog niets kunnen zeggen over de oorzaak om er vervolgens op los te speculeren. Van Acker: “Het ligt voor de hand dat de arbeiders uitermate voorzichtig moeten zijn met hun gereedschap en bij het verlaten van de werf alles goed moeten controleren. De werfleider moet een extra inspectieronde doen en het eerste uur na het vertrek van de arbeiders de werf extra in de gaten houden. De aannemer moet ervoor zorgen dat de hele nacht door er bewaking is, vooral omdat het hier gaat om een gebouw van onschatbare waarde en een icoon van de Europese cultuur. De burgemeester moet de brandweer opdracht geven om elke dag na te gaan of de aannemer zich aan de afspraken houdt.” Zo zou het volgens Van Acker moeten, maar dat is niet gebeurd omdat de juiste motivatie ontbrak: “motivatie (heeft) alles te maken (…) met trots, met verbondenheid, met zich verantwoordelijk te voelen voor de erfenis van onze voorouders en misschien ook wel met respect voor de religieuze gevoelens van de miljoenen mensen die ons zijn voorgegaan en van diegenen voor wie de Notre-Dame een geliefde plek is voor bezinning en gebed.” En die ontbreekt, zo concludeert Van Acker. 

Volgens Van Acker kunnen we de brand: “zien als een ijkpunt voor de aftakeling van de Europese beschaving. Het is niet meer ons Europa. De Fransen mogen geen Fransen meer zijn. President Macron zegt dat de Fransen nu samen de kathedraal weer moeten opbouwen, maar zijn politiek ondermijnt juist het gevoel Fransman te zijn. Alle grenzen moeten open. Iedereen is welkom. Dat alles in naam van de portemonnee, want wat is de Europese Unie meer dan een economische macht? Het is niet alleen de Notre-Dame die vernietigd wordt, maar de vervuilde lucht door het autoverkeer in de steden, tast alle monumenten aan. Niemand voelt zich daarvoor verantwoordelijk. De hebzucht en het consumentisme tast alles aan, ook de ziel van de Europeaan.”

Gelukkig biedt Van Acker ook de oplossing voor dit gebrek aan verbondenheid. “De oplossing voor het gebrek aan verbondenheid en verantwoordelijkheidsgevoel ligt in het patriotisme. Elk land moet een eenheid vormen van mensen die een cultuur, een geschiedenis en, – ik durf ook te beweren-, een religie met elkaar delen. Dus geen multiculturele samenleving, geen Europese Unie, maar een Europese Confederatie van landen die hun eigenheid, hun tradities en hun geloof koesteren.”

En daarmee zijn we aanbeland bij de echte schuldigen. De anders- en ongelovigen want die passen niet bij die eenheid van godsdienst. Maar wie zijn dan in Nederland die ‘andersgelovigen’? Zijn dat de protestanten of katholieken? De remonstranten, de wederdopers, de oud katholieken? De hindoes, boeddhisten, moslims of joden? Wie hoort er niet bij? Welk verhaal vertelt dan die gedeelde geschiedenis? Is dat het verhaal van de Hollandse of Zeeuwse kooplui die de wereld introkken en gebieden veroverden, handel monopoliseerden en slaven vervoerden? Of is dat het verhaal van de nu binnenlands ‘koloniale gebieden’ Limburg en delen van Brabant? Welke cultuur wordt er gedeeld. Is dat het zuinige protestantse koekje bij de koffie of thee of het tweede royale stuk vlaai in Limburg?

Of de Franse burgemeester de brandweer onvoldoende liet controleren, de opzichter goed toezag, de bewakers goed bewaakten en de arbeidslui goed en zorgvuldig werkten, weet ik niet. Ik ga er vanuit dat er ook in Frankrijk regels voor zijn en dat die regels naar eer en geweten worden nageleefd. Dat ook Franse werklui kwaliteit willen leveren. Dus dat die motivatie wel in orde is. Al dit kan echter niet voorkomen dat er een ongelukje gebeurt. Dat er bijvoorbeeld kortsluiting ontstaat en daardoor eeuwenoude en zeer droge balken vlam vatten. 

Dat hebzucht en consumentisme de ‘ziel van de Europeaan’ aantasten, zou best voor een deel waar kunnen zijn. Je kunt je echter wel de vraag stellen of die ‘hebzucht’ niet een gevolg is van de cultuur. De socioloog Max Weber zag Van Ackers geliefde protestantisme aan de basis staan van het kapitalisme. In zijn boek De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme betoogt Weber dat de protestantse ethiek van hard werken de ontwikkeling van de vrije markt juist heeft bevorderd. Om het cru te zeggen, leefden de protestanten om te werken. Luiheid is immers des duivels oorkussen. Alhoewel cru, tegenwoordig lijkt deze opvatting algemeen aanvaard. En die vrije markt heeft geleid tot het consumentisme. Als Weber gelijk heeft, dan is Van Acker een homeopaat die het consumentisme wil bestrijden door het bloot te stellen aan de ‘ziektekiem’: het protestantisme. Dat veroorzaakt echter geen brand in een kathedraal. Daar is toch echt vuur voor nodig.

Trouwens, met dat ‘patriotisme’ die verbondenheid en het verantwoordelijkheidsgevoel van de Fransen lijkt het wel snor te zitten. Een paar dagen na de brand is er al zo’n miljard euro verzameld voor de renovatie.

Denken over economie (deel 2)

Deel 1 handelde over de klassieke economie en het denken van Adam Smith en John Stuart Mill. Ik kondigde de hoofdpersoon van het tweede deel, Karl Marx, er al in aan.

Marx’s kijk op het kapitalisme 

Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Voor Marx is het kapitalisme een strijd tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen. 

Eigen foto

Marx’s denk was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelden die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). Het toenmalige kapitalisme was in zijn ogen ontstaan uit de strijd tussen het feodalisme en vroege kapitalisme, De strijd in Marx’s zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat).

Net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje leggen tegen de kracht van de arbeiders. Dan zou de socialistische samenleving zijn bereikt. De vrije concurrentie moest immers onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was, zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen. 

Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. Dat denken in een wetmatigheid die aan de geschiedenis ten grondslag ligt en haar voortdrijft naar een eindpunt, een eindpunt of toekomst die je kunt kennen door het verleden te bestuderen en die wetmatigheid door te trekken naar de toekomst, noemen we historicisme. Die manier van denken zit ook verpakt in de neoliberale manier van denken over economie en samenleving. Ook neoliberalen denken dat de geschiedenis een einde kent, alleen een ander einde zoals ik in een later deel zal betogen.

Marx was tevens de eerste die verder nadacht over de rol van het geld. Geld werd voor Marx vooral gezien als een ruilmiddel bedoeld om het ruilen te vergemakkelijken. Marx zag de eigenstandige macht van geld, geld als vermogen. Marx (geciteerd bij Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, pagina 198): “Wat door het geld van mij is, wat ik kan betalen, dat wij zeggen wat het geld kan kopen, dat ben ik, de bezitter van het geld zelf. Hoe groter de macht van het geld, des te groter mijn eigen macht. De eigenschappen van het geld zijn de eigenschappen en essentieel vermogens van mij – de bezitter van het geld. Wat ik ben en wat ik kan hangt dus allerminst af van mijn individualiteit.” Deze eigenstandige macht van het geld speelt nu een zeer belangrijke rol. Tegenwoordig lijkt iets pas waarde te hebben en lijkt het pas te bestaan en de moeite van het behouden waarde als het in geld is uit te drukken. Zo hebben bedrijven pas belangstelling getoond voor het verminderen van de uitstoot van kooldioxide sinds er wordt gewerkt met verhandelbare quota voor de uitstoot.

Het kapitalisme ‘verzamelde’ de proletariërs in grote aantallen in en rond de fabriekssteden en maakte zo ook haar tegenmacht mogelijk: politieke bewegingen en vakbonden die opkwamen voor de belangen en de emancipatie van de arbeiders. Ook enkele grootindustriëlen zagen dat er iets moest gebeuren, zij het vanuit een andere invalshoek. Om hun afzet te laten groeien en daarmee de mogelijkheden op winst, hadden zij nieuwe consumenten nodig en de arbeiders zouden dit kunnen worden. Voorwaarde hiervoor was dat zij een redelijk inkomen konden verwerven en in betere omstandigheden zouden leven. Zij gaven hieraan handen en voeten door fatsoenlijke huisvesting te verzorgen (met goede voorwaarden voor hygiene) en redelijke salarissen en zo hun arbeiders aan hen te binden. Daarbij werden vaak wel eisen gesteld op bijvoorbeeld drankgebruik.  De druk vanuit (en vaak ook de angst voor) de arbeidsbeweging en ook door de voorbeelden vanuit enkele ondernemers, ontkwamen de regeringen er niet aan om wetten op te stellen die aan de belangen en eisen van de arbeiders tegemoet kwamen.

Dit leidde vanaf het eind van de negentiende eeuw tot een groeiend stelsel van sociale wetgeving. De eerste wetten betroffen vaak verboden zoals het al eerder genoemde verbod op kinderarbeid maar ook het verbod op slavernij past in dit rijtje. Daarna volgden wet- en regelgeving met betrekking tot huisvesting en hygiene (denk hierbij aan het aanleggen van riolering) en arbeidstijden. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit uitgebreid met sociale zekerheidswetgeving, wetgeving die inkomen garandeerde bij ondermeer ouderdom, ziekte en arbeidsongeschiktheid en ook wetgeving die werknemers beschermt bij ontslag. Een stelsel dat zijn hoogtepunt bereikte eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Sindsdien staat dit stelsel onder druk. Die druk werd het eerst gevoeld bij de inkomensregelingen. Die zijn drastisch versoberd en de mogelijkheden om er gebruik van de te maken zijn drastisch beperkt. Maar ook andere regelingen staan onder druk en zijn beperkt. Denk hierbij aan de bescherming bij ontslag, de verschuiving van de pensioenleeftijd en de intrede van uitzendkrachten en zelfstandigen zonder personeel. Ook hier wordt de afbraak verkocht door deze in een positief frame te zetten: het heet modernisering en flexibilisering. Wie wil er immers ouderwets en star zijn.

Tot zover Marx. De volgende aflevering in deze reeks zal gaan over de Britse econoom John Maynard Keynes. Een bijzondere econoom.


Overheid, economie en samenleving

“Het socialisme is niet een goed plan dat slecht wordt uitgevoerd, het is gewoon een heel slecht plan,” zo betoogt Willem Melching in de Volkskrant. Socialisten maken, volgens Melching, twee denkfouten. Als eerste dat het kiezen voor collectief bezit en planning: “vanzelf een rationele en rechtvaardige maatschappij,” oplevertDe tweede denkfout: “Het socialisme gaat namelijk uit van het idee dat de mens van nature goed is. Maar dat is helemaal niet zo. De mens is een egoïst, die tot alle kwaad geneigd is.” Naast die structurele fouten zien socialisten ook de rol van crises in het kapitalisme verkeerd: “het kapitalisme verkeert in een permanente crisis. Maar daarom blijft het functioneren, daarom blijft het zich aanpassen en daarom wordt de mensheid elk jaar weer een beetje rijker en een beetje gezonder en een beetje knapper.” Melching sluit af met de opmerking dat: “Wie na 1989 nog steeds pleit voor meer planning en meer overheid in de economie moet wel een geweldig bord voor zijn kop hebben.”

bord voor de kop

Foto: Flickr

Bij deze solliciteer ik naar dat bord. Niet omdat ik pleit voor een ‘socialistische samenleving, maar omdat ik pleit voor meer overheidsingrijpen. Meer overheidsingrijpen omdat de mensheid wellicht rijker wordt van die permanente crisis, maar die rijkdom en de schade van die crisis erg slecht worden verdeeld. Zo zijn de banken en hun aandeelhouders na de laatste grote crisis gespaard en is het gelag betaald door de belastingbetalende  Jan met de Pet. Meer overheidsingrijpen dat zich richt op de bescherming van Jan tegen de Shells en Unilevers die via een ‘wetenschappelijk onderzoekje’ een belastingverlaging van anderhalf miljard afdwingen dat door Jan moet worden betaald. 

Meer overheidsingrijpen omdat de markt slecht is in fundamenteel onderzoek. Je weet daarvan immers niet op voorhand of en wanneer het iets gaat opleveren. Alle producten waar de Apple’s, Google’s en andere techgiganten nu mooie sier mee maken, zijn gebouwd op producten die met overheidsgeld zijn ontwikkeld, zoals Mariana Mazzucato laat zien.

Maar vooral meer overheidsingrijpen om de economie een veel minder prominente plek te geven in de samenleving. Veel recentelijk ‘vermarkte’ zaken verhouden zich slecht tot de markt. Neem de zorg, als je je been hebt gebroken, dan ga je niet eerst een marktonderzoek doen en offertes opvragen bij verschillende ziekenhuizen. Meer overheidsingrijpen dat ervoor zorgt dat ‘economie’ weer een middel wordt om iets anders te bereiken, een prettige samenleving voor iedereen, en niet het ‘heilige doel’ is.

Als dit een ‘bord voor de kop’ waard is, dan zal ik het met trots dragen.

De illusionist

Linkse partijen zouden niet moeten willen regeren, niet op nationaal niveau en niet op lokaal niveau. Dat standpunt bepleit Ewout van den Berg van de Internationale Socialisten bij Joop. Volgens Van den Berg is regeringsverantwoordelijkheid nemen voor links: “een gevaarlijke illusie. Binnen het kapitalisme stuit elke regering die principieel links beleid wil doorvoeren op grote weerstand vanuit het bedrijfsleven.” 

konijn in de hoed

Illustratie: Pixabay

Hij onderbouwt zijn betoog met de ervaringen van Allende in Chili, Mitterand in Frankrijk en recentelijk Syriza in Griekenland. Het alternatief van Van den Berg: “Socialisten zouden zich niet moeten opstellen als de beste manager van het kapitalisme, maar alles moeten doen om het einde te bespoedigen van een systeem dat winst boven mens en leefomgeving plaatst.” Van den Berg geeft geen beeld of schets van hoe dat nieuwe systeem eruit zou moeten zien en dat is jammer. Je inzetten voor een aansprekend alternatief trekt waarschijnlijk meer mensen dan alleen maar tegen iets zijn. Een alternatief zoals de verzorgingsstaat, een mooi voorbeeld van beteugeling van het, door Van den Berg gewraakte, kapitalisme. Alleen moet je daarvoor regeren. 

Dan het lokaal niveau. Door verantwoordelijkheid te nemen worden: “Linkse colleges (…) op deze manier verantwoordelijk gemaakt voor het doorvoeren van landelijk afbraakbeleid. Rutte III.” Een tip van Van den Berg: “Als antwoord op de decentralisering moet links niet pleiten voor meer bevoegdheid voor gemeenten om lokaal belasting te heffen, zoals bijvoorbeeld de Vereniging Nederlandse Gemeenten, maar juist een beweging bouwen die de dividendbelasting opnieuw invoert, en de vennootschaps- en vermogensbelasting weer verhoogd in plaats van verlaagd.” Dat de afschaffing van de dividendbelasting een foute keuze was en dat de vermogensbelasting, in iedere geval voor grote vermogens, moet worden verhoogd, laat ik even ‘links’ liggen. ‘Links’ liggen omdat je, om hier iets aan te doen, toch echt nationaal moet regeren. En om aan die door Van den Berg zo gehate decentralisaties wat te doen, moet je ook aan de Haagse knoppen zitten. De partijen die nu aan de knoppen draaien, zullen die decentralisatie niet terug willen draaien.

Zou, als dat het speelveld is, pleiten voor een groter gemeentelijk belastinggebied niet een interessant alternatief zijn? Een alternatief waar ook ‘rechtse’ partijen zich achter zouden kunnen scharen? Links dat als een volleerd illusionist rechts ‘betovert’? Een konijn bestaande uit mooie voorbeelden van een systeem dat ‘mens en leefomgeving boven winst’ stelt? Voorbeelden die nagevolgd kunnen worden? Had dan de door Van den Berg geciteerde Nijmeegse GroenLinks-informateur niet de vraag kunnen stellen: Bent u bereid de belastingen te verhogen om de oplopende tekorten te stoppen?”

Verkeerde vijand

Op Joop een artikel van Anousha Nzume waarin zij het ‘witte culturele superioriteitsgevoel’ aan de kaak stelt. Overdreven gezegd komt het erop neer dat alle ellende in de wereld een gevolg is van de ‘witte mensen’. In haar artikel waarin het denken over  ‘witte onschuld’ en ‘witte superioriteit’ waarover ik al eerder schreef op de achtergrond een belangrijke rol speelt, viel mij één passage op. Nzume: “Ik zie het in de ogen van journalisten tijdens interviews over mijn boek. “Hoe durf je de vrijspraak van OJ Simpson te omschrijven als een overwinning op het systeem?” Omdat het waar is. Een zwarte man wint terecht of onterecht van een corrupt en racistisch systeem omdat hij rijk genoeg en populair genoeg is. Naar goed westers gebruik.”

SimpsonIllustratie: Daily Mail

OJ Simpson ‘versloeg een corrupt en racistisch systeem en werd vrijgesproken terwijl alles erop wees dat hij schuldig was aan de moord op zijn ex-vrouw Nicole Brown en haar vriend. In een latere civiele procedure werd Simpson wel verantwoordelijk gehouden voor die moorden. Nzume is blij dat iemand niet wordt veroordeeld voor moorden die hij heeft gepleegd. Zij is blij omdat de ‘zwarte’ Simpson zoveel geld had, dat hij zijn ‘onschuld’ kon kopen en zo als ‘zwarte’ het ‘corrupte, racistische, witte systeem’ versloeg.

Toont de casus Simpson aan dat het systeem racistisch is? Dat: “Wij allen (…) nog steeds (praten) in dezelfde witte ruimtes waar diezelfde culturele aannames en codes leidend zijn,” dat:  Racisme (…) een tool (was) in de koloniale tijd en het (…) nog steeds een tool (is) in het huidige kapitalistische neoliberale systeem,” of dat: “witte westerse dominantie,” in stand wordt gehouden zoals Nzume schrijft?

Laat de de casus niet juist zien dat in het ‘kapitalistische neoliberale systeem’ vrouwe Justitia kleurenblind’ is? ‘Kleurenblind’ maar wel ‘te koop’ met geld en macht? Want won met OJ Simpson niet het geld en de macht? Is dergelijk machtsmisbruik niet iets van alle tijden, alle culturen en alle ‘kleuren’?  Hoe beoordeelt Nzume het Zuid-Afrika van Zuma, het Zimbabwe van Mugabe, het Egypte van Al Sisi, het Rusland van Poetin, het Turkije van Erdogan, het Saoedi-Arabië van Salman en zo zijn er veel meer te noemen? Hoe beoordeeld zij de manier waarop multinationals invloed kopen in Den Haag, Brussel, Washington, Lagos of Johannesburg? De manier waarop China invloed koopt in Afrika, maar ook in Europa, denk bijvoorbeeld aan de haven van Piraeus?

Allemaal praktijken waar mensen van alle kleuren de dupe van zijn. Mensen die het aan geld en macht ontbreekt om tegenwicht te bieden. Is het niet jammer dat Nzumes strijd juist verdeeldheid zaait tussen mensen die alleen tegenwicht kunnen bieden als ze eensgezind optrekken? Bestrijdt Nzume niet de verkeerde vijand?