Uitgelicht

Ideologische bril

Als u dat als beleidsadviseur niet begrijpt, dan hoort u de functie die u nu bekleedt niet te bekleden.” Met die reactie van Peter Elfrink en zijn aanbeveling om wat lessen bedrijfseconomie te volgen, kon ik het doen. Die reactie kreeg ik op een vraag die ik onder een bericht van Mona Keijzer op LinkedIn stelde. Een bijzondere reactie. Bijzonder om meerdere redenen. Keijzer schreef: “Wanneer ondernemers de rekening betalen, betaalt Nederland die ook. Want minder winst, minder belastingopbrengst, minder werkgelegenheid, minder innovatie. De bruggen zakken in. Er is hard geld nodig voor de wegen en bruggen. Dit land heeft duidelijk de verkeerde prioriteiten.” Op mijn vraag aan Keijzer om de relatie tussen winst, belastingopbrengst, werkgelegenheid en innovatie eens uit te leggen, kreeg ik de bovenstaande reactie.

Bron: Flickr

Voordat ik het bijzondere bespreek, moet me eerst iets van het hart. Ik ben het met Keijzer eens dat dit land de verkeerde prioriteiten heeft maar Keijzer is de laatste om anderen dat verwijt te maken. Keijzer kwam in 2012 voor het CDA in de Tweede Kamer. Tussen 2017 en 2021 was ze staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat namens het CDA. Tussen 2024 en 2026 was ze minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening namens de BBB in het kabinet Schoof. Ze zat mee aan de knoppen dus als ‘dit land duidelijk de verkeerde prioriteiten’ heeft, dan moet ze toch echt in de spiegel kijken. Dan heeft ze daar toch behoorlijk wat steken laten vallen. Daar komt bij dat ze een van de promotoren is van de belangrijkste ‘verkeerde prioriteiten’ : de asiel en de stikstof. Beide opgaven zijn uitgeroepen tot een ‘crisis’ om de echte crisis te maskeren: bestuurlijke onwil en onvermogen. Dit even terzijde. Terug naar het bijzondere van de reactie.

Een bijzondere reactie omdat mij altijd is geleerd dat er niets mis is met vragen stellen. Zelfs niet als je het antwoord op de betreffende vraag weet. Als dat niet mag dan horen leraren hun functie niet te bekleden, om Elfrinks woorden te gebruiken. Leraren stellen voortdurend vragen waarop ze het antwoord al weten.

Een bijzondere reactie omdat hoe mensen hun samenleven inrichten geen wet van Meden en Perzen is. De economie is geen motor die draait op de relatie tussen deze vier factoren, zoals Jeroen Koppenaal beweert in zijn bijdrage aan het gesprek onder het bericht. Die vergelijking gaat mank. Voor een motor geldt: als a dan volgt b. Voor de economie geldt dat niet. De economie is dat wat mensen met elkaar doen en daarbij heeft alles invloed op elkaar. Mensen passen hun gedrag aan waardoor b niet automatisch uit a volgt. Er is geen eenduidig antwoord op de vraag die ik Keijzer stel. Het antwoord dat iemand geeft is vooral een kwestie van ideologie. Een marxist geeft een ander antwoord op deze vraag dan een neoliberaal of een libertariër en die geven weer een ander antwoord dan een communitarist of een anarchistisch communist zoals Kropotkin waarover ik recentelijk schreef.

Het grote probleem is dat veel mensen zich niet bewust zijn van de ideologische bril waarmee ze naar de wereld kijken. Dat leidt ertoe dat ze metaforen als de motor gebruiken. Zo raakte ik ook op LinkedIn in gesprek met Marcel Melis, een investeerder zoals hij zichzelf noemt, die zich druk maakt om verhuurders die hun huizen verkopen en om de mogelijke veranderingen in Box 3 van ons belastingstelsel. Melis is, zo zegt hij zelf, een van de huizeneigenaren die hun bezit verkopen. Melis kijkt, naar eigen zeggen: “naar de feiten, niet naar motieven. Minder rendement leidt tot minder investeringen, minder nieuwbouw en minder huuraanbod. De rekening komt uiteindelijk terecht bij de woningzoekende. Dat zijn de feiten.” Want: “zonder rendement gebeurt er niets.” Hij vergeet dat dit vooral feiten zijn binnen een neoliberale marktideologie. Een anarchistisch communist zoals Kropotkin denkt niet in markttermen en rendement. Die stelt het recht op wonen centraal en ziet het als een taak van de gemeenschap om invulling te geven aan dat recht. Die maakt plannen voor de bouw van de benodigde huizen, vraagt de gemeenschap om de kosten ervan te dragen en bouwt die vervolgens. Die maakt zich ook niet druk om de grondprijs omdat de grond van de gemeenschap is en voor de gemeenschap wordt gebruikt. Voor de anarchistisch communist liggen ‘de feiten’ heel anders.

Dat veel mensen zich niet bewust zijn van de ideologische bril die ze dragen en het is meestal een neoliberale, beperkt de keuzemogelijkheden. Zo nam ik enkele jaren geleden deel aan een regionaal ambtenarenoverleg waar de opvang en hulp aan dak- en thuisloze mensen op de agenda stond. De deelnemende gemeente waren niet tevreden over de manier waarop het werd ingevuld. Dat gebeurde via een subsidie aan aan zorgorganisatie.’ Subsidie maakt sturing moeilijk,’ zo werd geconstateerd. Als oplossingsrichting werd aanbesteden voorgesteld. Dan kon er worden geselecteerd op innovatie want daaraan ontbrak het en zouden de gemeente beter kunnen sturen het. Toen ik voorstelde als gemeente de hiervoor benodigde mensen in dienst te nemen en de panden en benodigdheden zelf te organiseren als oplossingsrichting werd ik aangekeken alsof men water zag branden. ‘De gemeente is toch geen hulpverlener’, zo was de teneur. Nu kan ‘de gemeente ‘ alles zijn wat wij willen dat ze is. De andere deelnemers hadden niet in de gaten dat ze de wereld bekeken met de neoliberale ‘New Public Management’ bril op. Sterker, ze waren zich er niet van bewust dat ze ‘een bril droegen’. Dat er andere manieren zijn om naar de wereld te kijken.

Zo is communitarisme geen illusie of utopie. De mens leefde het grootste deel van haar geschiedenis in een of andere vorm van communitarisme. Onze huidige kapitalistische samenleving is vanaf de zestiende eeuw gegroeid. In tegenstelling tot ‘motor metafoor’ is kapitalisme : neither a state of nature nor a process whose internal logic determines its eventual outcome,” zoals Sven Beckert het terecht beschrijft in zijn boek Capitalism. A Global History. Kapitalisme: “is the result of a panoply of political choices and social conflicts, structured in miriad ways by society and state.”1 Kenmerk van het kapitalisme is dat het alles tot een handelsgoed maakt. Door ergens een ‘handelsgoed’ van te maken, wordt de mogelijkheid geschapen eraan te verdienen en zo kapitaal te vergaren. Het belangrijkste waar het kapitalisme een handelsgoed van heeft gemaakt is arbeid. Of we iets, bijvoorbeeld woningen, zien als aan handelsgoed, is een keuze, geen wetmatigheid of automatisme.

Dat is de reden waarom ik Keijzer vroeg naar de relatie tussen winst, belastingopbrengst, werkgelegenheid en innovatie. Een soort vraag die, in mijn ogen, ieder zichzelf respecterende beleidsadviseur zou moeten stellen. Helaas gebeurt dat tegenwoordig maar zelden want ook het gros van de beleidsambtenaren is zich er niet van bewust dat ze een ideologische bril dragen. Ik hoop dat deze Prikker dit verandert. Al is het maar een klein beetje.

1Sven Beckert,Capitalism. A Global History. Eerste citaat pagina 9-10, het tweede pagina 15

Punk en de boerka

In mijn jeugd, ja dat is lang geleden, vierde punk hoogtij. Punks waren in zwart geklede jongelui met allerlei ijzerwerk in en aan het lichaam. Een hanenkam op het hoofd en als aanhangers van het anarchisme wezen zij onze huidige samenleving af. De echte tenminste want voor de meeste van hen was het gewoon een manier om zich tegen hun ouders af te zetten. Zij waren enkele jaren punk, gingen vervolgens naar de kapper, legden het ijzerwerk af en gingen op in de menigte waartegen ze zich zo hadden afgezet. Een anarchist verzet zich tegen opgelegd gezag. Opgelegd gezag door individuen maar ook door de overheid. Een anarchist verwerpt democratie omdat het individu hierdoor gezag boven zich krijgt. 

Bron: Wikipedia

Waarom dit uitstapje via de punk naar het anarchisme? Ik maak dit uitstapje vanwege het meest besproken kledingstuk van de afgelopen periode, de boerka. Die boerka moet worden bestreden. Waarom? Omdat, zoals Martin Sommer het in de Volkskrant schrijft: “de boerkadraagsters een islam aan(hangen) die deze samenleving radicaal afwijst, zo niet daar actief tegen ten strijde trekt.” Daarom is Sommer: “voor een antiboerkawet maar het exemplaar dat we nu hebben, is een misbaksel.” Dit terwijl er nooit iemand vroeg om een verbod op ‘hanenkammen’.

Het is mij een raadsel hoe een beperkt verbod op een kledingstuk bijdraagt aan het bestrijden van een ideologie die onze samenleving radicaal afwijst. Zelfs bij een algeheel verbod kun je die vraag stellen. Die ideologie zit in de hoofden van mensen, de boerka erom. Tenminste bij het vrouwelijke deel van de aanhangers ervan. Als tegenstander van onze samenleving maken ze zich zo bekend en isoleren ze zich van de rest. Zij wijzen de samenleving af en een groot deel van de samenleving hen. Bovendien is het zo makkelijk om hen in de gaten te houden, zou ik denken. 

De vrijheid om te denken wat je wilt en je mening te uiten is een belangrijk goed in onze samenleving. Ook het denken dat het allemaal anders moet en het afwijzen van het bestaande hoort onder die vrijheid. Dat wordt anders als het denken wordt omgezet in geweldsdaden of het aanzetten daartoe. Dan wordt een grens overschreden en is het aan de overheid om op te treden en te straffen. De overheid treedt op tegen de daden, zij handhaaft de rechtstaat. 

Het is niet aan de overheid om op te treden tegen de woorden, tegen een ideologie. Dat is een taak van de samenleving, van haar inwoners, verenigingen, organisaties, partijen, media enzovoorts. Het is dus ook niet aan de overheid om een ideologie verwerpelijk te vinden. Dat die huidige wet een ‘misbaksel’ is, wordt erdoor veroorzaakt dat een klein deel van politiek Nederland via de wet symboolpolitiek wil bedrijven en een wat groter deel dat kleinere deel de wind uit de zeilen wil nemen. Daarom: “moesten de integraalhelmen en bivakmutsen erbij gesleept worden.” 

In een krachtige open democratische rechtstaat strijden ideologieën in een open debat met elkaar. De overheid ziet toe op het eerlijke verloop ervan. Door die strijd houden de uitersten elkaar in evenwicht. Geloven we nog wel in die kracht? Is het per wet verbieden van (symbolen van) een ideologie daarom niet een zwaktebod voor een open democratische rechtstaat? Duidt een ‘boerkawet’ niet op een gebrek aan geloof in de kracht ervan?

Zeep en zelfredzaamheid

“Cijfers zijn als zeepjes, schrijft Sanne in haar boek: knijp er te hard in en ze glippen uit je handen. We zijn soms zo obsessief bezig met meten dat de cijfers hun doel voorbijschieten.” Een citaat uit de aankondiging van een podcast bij de Correspondent. Een podcast met Sanne Blauw, een econometrist die het als haar doel ziet om: “cijfers weer op hun plek (te) zetten. Niet op een voetstuk. Niet bij het vuilnis. Maar waar ze horen: naast de woorden.” Aan dit citaat moest ik deze week denken. Ik moest eraan denken toen ik met enkele collega’s sprak over het boek De verhuizing van de verzorgingsstaat. Een boek waar ik vorige week ook al over schreef.

Bron: Wikipedia

“Beleid wordt niet gemaakt door beleidsmakers maar door uitvoerders. Politici noch ambtenaren op ministeries en in gemeentehuizen bepalen het beleid, maar de zorgverleners aan het bed en de politieagenten op straat.” Met die zin begint het laatste hoofdstuk. Het boek doet verslag van een onderzoek onder de uitvoerders van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de de Jeugdwet. Hoe vullen zij hun werk in en hoe verhoudt zich dat tot het beleid en daarin geformuleerde doelen? De onderzoekers concluderen dat er drie verschillende werelden zijn. De eerste wereld van de beleidsnota’s, de echte wereld van de uitvoerders en de derde wereld van de ‘verantwoording van de resultaten’.

Ik moest aan het citaat denken omdat de auteurs van het boek het fenomeen zelfredzaamheid-matrix onder de loep nemen. Een instrument waarmee je kunt “bijhouden hoe de zelfredzaamheid van cliënten zich ontwikkelt.” Een instrument om te kunnen meten of het beleidsdoel: een toename van de zelfredzaamheid kan worden bereikt. Nu is er met dat begrip zelfredzaamheid iets bijzonders aan de hand, aldus de auteurs. In de beleidsdocumenten zien zij twee betekenissen die haaks op elkaar staan. Een de ene kant: “Individuele zelfstandigheid – ook wel ‘eigen kracht’ en ‘zelfzorg’ genoemd,” en aan de andere kant: “het vermogen om informele hulp te vragen aan en te ontvangen van naasten, in ‘eigen netwerken’.” De auteurs vragen zich af: “hoe ze beide onder de term ‘zelfredzaamheid’ kunnen vallen.” Gelukkig geven ze ook het antwoord: “Het antwoord schuilt in wat beide betekenissen in negatieve zin verbindt: ze staan tegenover een beroep doen op professionele hulp. Zelfredzaamheid wordt dus niet positief gedefinieerd maar vooral in termen van wat het niet is, namelijk geen beroep op professionele hulp.” Dit even als redelijk relevant terzijde. Redelijk relevant omdat je de vraag kunt stellen welke ‘zelfredzaamheid’ er wordt gemeten? De resultaten lijken daarmee al op de ‘zeepjes’.

Het wordt echter nog glibberiger. Uit hun veldonderzoek onder de uitvoerders blijkt dat: “Verslaglegging (…) het werk van professionals zwaarder (heeft) gemaakt en meer bureaucratische rompslomp met zich meegebracht. Dat hoeft hun speelruimte echter niet in te perken: ze kunnen hun verslaglegging toeschrijven naar wat het beleid wil horen.” Met hun voeten ‘onder de keukentafel’ hebben de uitvoerders nog een, redelijk logische betekenis toegevoegd aan zelfredzaamheid: “professionele hulp zoeken (teneinde in een later stadium alsnog het zelf te kunnen doen of het netwerk te kunnen vragen).” Deze extra categorie maakt dat: “Bijna alles wat een wijkteamlid of een Wmo- consulent doet, (…) als toename van zelfredzaamheid gescoord (kan) worden. En dus kan beleid op papier succesvol zijn, bijna ongeacht wat er in de praktijk gebeurt.”

De auteurs concluderen hieruit dat: “Als we accepteren dat beleidsplan en verantwoording enerzijds en praktijk anderzijds verschillende werelden zijn, dan kunnen we constateren dat het met beide werelden best goed gaat.” Alleen leidt dat tot drie problemen. Als eerste wordt het zelfredzaamheidsideaal: “niet serieus ter discussie (…) gesteld noch nader (…) gepreciseerd; wat in de praktijk geleerd wordt, leidt niet tot reflectie in beleid en politiek.” Als tweede vraagt dit: “veel rituele handelingen (…) van professionals die het al heel druk hebben en weinig baat hebben bij de eindeloze verantwoordingsformulieren.” En als laatste: “kan beleid wél emotionele schade veroorzaken bij cliënten, juist wanneer de professionals beleidsopdrachten heel getrouw uitvoeren en zich dus niet als straatbureaucraten gedragen.” 

De ‘cijfers en woorden’, om het doel van Blauw te parafraseren, komen niet naast elkaar te staan. Niet alleen wordt zo het ‘zelfredzaamheidsideaal’ niet ter discussie gesteld, ook de ideologie waarop de drie genoemde wetten zijn gebaseerd, wordt niet getoetst en ter discussie gesteld. En, zoals ik al eerder schreef, is die ideologie een ‘kaartenhuis’ gebaseerd op aannames.


Bouwen aan de samenleving?

Volgens historicus Willem Melching in de Volkskrant, wil ‘de kiezer’ weten waaraan hij toe is. En als ze dat weten dan zijn: “Mensen (…) in staat tot grote opofferingen om een bepaald doel te bereiken.”  Melching geeft enkele voorbeelden: “het Britse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog, de krachttoer van de Delta-werken of de boycot van Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. Maar in al deze gevallen ging het om projecten met een duidelijk en concreet einddoel: de ondergang van Hitler, de aanleg van dijken en de afschaffing van een verfoeilijk politiek systeem.” Ontbreekt dat einde dan vervalt de ‘opofferingsbereidheid’: “In de gevallen ‘Europa’ en ‘multi-kulti’ bestaat er een groot psychologisch probleem. Deze projecten hebben namelijk geen concreet einddoel en zo blijft volstrekt onduidelijk wanneer ze af zijn. Daarom zijn veel kiezers zo ontevreden.” 

bouwen aanFoto: Pixabay

Klinkt logisch: schets een helder doel en ga aan de slag! Net zoals je een huis bouwt. Een goede bouwtekening en dan kunnen de bouwvakkers aan de slag. Er zijn ‘ideologieën’ die een ideale samenleving voor ogen hebben. Ideologieën die het heden en alle mensen die er nu leven, zien als middel om die ‘ideale samenleving’ te bereiken.

Werkt dat wel zo met een samenleving? Is een samenleving ooit af? Als dat zo is, wat moeten de mensen die deze samenleving vormen dan doen nadat die samenleving af is? Hebben we dan het Walhalla bereikt en slaat dan het grote niets doen toe? Met welk doel moet je dan ’s morgens opstaan?

Werk of bouw je echt aan de samenleving net zoals je aan een huis bouwt? Verandert de samenleving omdat mensen eraan werken? Of is een samenleving dynamisch en verandert zij constant? Ligt het net wat anders en verandert een samenleving omdat de mensen die samen een samenleving vormen, samen leven, samen dingen doen?

Moeten we niet oppassen voor mensen die een ‘ideale samenleving’ voor ogen hebben en daaraan willen bouwen? Samenlevingen die naar zo’n ideaal toewerken, zijn niet de meest prettige om in te wonen. Die zien mensen als een middel dat kan worden ingezet om een doel te bereiken.

Moeten we niet kiezen voor ‘leven in’ in plaats van ‘bouwen aan’ de samenleving?

Dwalende dwaallichten

In Dagblad de Limburger van 8 april 2016, betoogt Henk Steenbekkers dat, zoals de titel van zijn bijdrage luidt, (de) islam (een) bron van terreur is. In zijn betoog haalt hij onder ander Palestijnse lesboekjes aan en sluit hij af met de zin: Het fundament, de islam, de geloofsbeleving, de navolging van Mohammed uitroeien, is onmogelijk. Het is moeilijk te bevatten dat de politieke elite, wereldwijd, geen acht slaat op de ervaringen van de mensheid. Historisch besef ontbreekt vaak.” Dergelijke redeneringen of beweringen zijn tegenwoordig gangbaar en we kennen zelfs politieke partijen die deze uitdragen.

dwaallichtIllustratie: plazilla.com

Als er dan toch wordt gesproken over historisch besef. Hoe kan het dat de islamitische wereld en cultuur eeuwenlang niet gewelddadiger was dan de christelijke? Sterker nog, veel minder gewelddadig. Hoe kan het dan dat de islamitische wereld in haar eerste eeuwen onderdak en bescherming bood aan joden en christenen die de christelijke wereld ontvluchtten, omdat ze werden vervolgd door de katholieke kerk? Hoe kan het dat in die islamitische cultuur het denken en de wetenschap bloeiden terwijl het in de christelijke wereld onmogelijk was vanwege de geloofsdwang?

Die islamitische wereld volgde dezelfde Mohammed en dat leverde heel andere resultaten op. Hoe kan dat als het radicale jihadisme ingebakken zit in de leer van Mohammed? Hoe kan het dan dat er ook nu miljoenen moslims zijn die de leer en het leven van Mohammed heel anders uitleggen? Interpreteren deze moslims en de vroegere islamieten de leer verkeerd of zien de radicale islam en de radicale jihadisten het verkeerd? Of is die leer niet zo duidelijk als wordt beweerd en kun je er meerdere kanten mee op? Net zoals trouwens de christelijke leer op verschillende manieren kan worden uitgelegd. Een uitleg die ook tot vele godsdienstoorlogen, waanzin en extremisme heeft geleid.

De inquisitie beriep zich op de katholieke leer en was zelfs ingesteld door de kerk zelf, maakt dat het katholicisme tot een gewelddadig, wrede leer? Dat terroristen zich, gesanctioneerd door een of meerdere geestelijken, beroepen op de islam, maakt dat de islam tot een ‘terroristische leer’? Of zijn de radicalen dwalende dwaallichten? Dwalende dwaallichten gebaseerd op generalisatie? Generalisatie waaraan ook Steenbekkers zich schuldig maakt.