C’est le ton qui fait la musique

Beste Mitchell Esajas,

met veel belangstelling heb ik uw pleidooi bij Joop gelezen. Ik deel uw constatering dat het recht om je mening te laten horen door te demonstreren onder druk staat. Dat autoriteiten te snel en te veel gebruik maken van het argument dat de ‘openbare orde’ in gevaar is. Uw constatering dat vooral tegenstanders van zwarte piet zo monddood worden gemaakt, is niet geheel conform de werkelijkheid laat Bart de Koning bij De Correspondent zien. Die ‘overdrijving’ is u vergeven.

U sluit Uw pleidooi af met vijf punten die iemand concreet kan doen om jullie te steunen. Met het schrijven van dit stuk, voldoe ik al aan uw eerste suggestie, je stem laten horen door iets te schrijven. Zoals ik al schreef, wordt het recht om te demonstreren de laatste jaren te veel beperkt en beknot. Autoriteiten lijken bang en angst is volgens het gezegde, een slechte raadgever. Zeker in een democratie. Dat was niet altijd het geval. De Koning haalt in zijn artikel de liberale minister van Justitie uit de jaren zestig Carel Polak aan: “De democratie is niet een staatsvorm voor bange mensen, niet voor mensen die voor elke politieke beweging of elke politieke verandering angstig zijn. Wij mogen niet de orde en rust bij voorbaat stellen boven de vrijheid van het woord en de vrijheid van meningsuiting. Ook de vrijheid van degenen, die er prijs op stellen, dergelijke mensen te horen, moeten wij zo veel mogelijk eerbiedigen. In dit geval hebben wij dat gesteld boven bij voorbaat een vrees voor het verstoren van de orde.” Deze woorden zouden de huidige bestuurders zich goed in de oren moeten knopen.

Ik zou zelfs nog een stap verder willen gaan. In een sterke, vrije en democratische samenleving hoort het uiten van je mening in het openbaar, in de openbare ruimte tot de openbare orde. Het kan er dus nooit een verstoring van zijn. De eenzame ‘Erdogan-demonstrant’ en de zwarte sinterklaas die De Koning noemt, hadden nooit opgepakt mogen worden. Iets wat ook voor ‘anti-koningshuis-demonstranten’ geldt die bijvoorbeeld tijdens prinsjesdag in woord of op een bord laten horen dat zij tegen het koningshuis zijn. Met tweehonderd mensen door Rotterdam lopen en je mening laten horen, is geen verstoring van de openbare orde. Dat zou het wel worden, als die tweehonderd bijvoorbeeld blijven lopen op een rotonde, geweld gebruiken of zaken vernielen.

spijkers

Illustratie: DickStolk

Nog een stap verder, maar dit is puur gebaseerd op mijn gevoel. Om de openbare orde te handhaven, zet de politie bij demonstraties en ook bij risicowedstrijden in het voetbal (weet ik als vaste tribuneklant bij VVV-Venlo) zichtbaar veel politie en ME in. Juist die zichtbare macht, roept bij mij gevoelens van onveiligheid op. Omdat ik dat voel, kan ik mij voorstellen dat er meer mensen zijn die dat zo voelen. Ik hoop dat ik hiermee ook uw tweede suggestie, personen in machtsposities verantwoordelijk houden voor hun daden, heb getackeld.

Uw volgende twee suggesties sla ik even over en ga naar uw laatste, het verdedigen van het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting en betoging met alle benodigde middelen. Ook daar vindt u mij aan uw zijde als u bedoelt dat dit recht met alle vreedzame middelen moet worden verdedigd. Dat geweld slechts in uiterste noodzaak is toegestaan. Van een uiterste noodzaak is pas sprake als fouten van bestuurders niet meer door de rechter worden hersteld. Als kritiek op het optreden van bestuurders onmogelijk is en leidt tot gevangenisstraf.

Resten nog twee punten en hier wordt het iets problematischer.  De Kinderombudsman, de VN en het College voor de Rechten van de Mens hebben geoordeeld dat zwarte piet een discriminerende en raciale karikatuur is van zwarte mensen. Is dat wel zo? Neem de uitspraak van de Kinderombudsman, die concludeert dat: “… de huidige vorm van Zwarte Piet als onderdeel van het Sinterklaasfeest kan bijdragen aan pesten, uitsluiting of discriminatie en daarmee in strijd is met artikel 2, 3 en 6 IVRK. De Kinderombudsman concludeert daarom dat Zwarte Piet zodanig aangepast moet worden dat gekleurde kinderen geen negatieve effecten meer ervaren en dat ieder kind zich veilig en goed voelt bij het Sinterklaasfeest. Door Zwarte Piet te ontdoen van discriminerende en stereotyperende kenmerken kan er van hem een figuur gemaakt worden die recht doet aan het plezier dat zovelen beleven aan de Sinterklaastraditie en die tegelijk in overeenstemming is met de rechten van alle kinderen in Nederland.” het College voor de Rechten van de Mens komt tot een soortgelijke conclusie. ’Kan bijdragen’ is wat anders dan ‘is een raciale discriminerende karikatuur’. Ik lees hier dat zwarte piet zo kan worden opgevat, dat wil niet zeggen dat expliciet de bedoeling is. Dat geconstateerd hebbende, ben ik het met de Kinderombudsman en waarschijnlijk ook met u eens, dat zwarte piet moet worden aangepast. Want als iets kan bijdragen aan pesten, uitsluiting en discriminatie, ook al is dat niet de intentie ervan, dan moet er iets aan gebeuren. Dat iets lijkt een aanvang te hebben genomen er schijnen nu, naast zwarte, ook roetveeg- en kleurenpieten rond te lopen. Nog niet overal, maar het begin is gemaakt. Of dit (snel) genoeg is, daar kun je over twisten, dat het een begin is, niet.

In dit derde punt gebruikt u het begrip ‘witte privilege’, en uw vierde punt draait om dit begrip. Ik citeer: “Erken je witte privilege en gebruik het door in witte dominantie omgevingen (in je familie, op school, op werk) racisme en discriminatie ter discussie te stellen, juist als het oncomfortabel is.” Met dat ter discussie stellen van discriminatie en racisme, heb ik geen problemen, ook daar vindt u mij aan uw zijde. Dat nog niet iedereen gelijke kansen heeft en dat achtergrond (kleur, religie) daar een rol in speelt, daarvan ben ik me terdege bewust. Dat donker gekleurde mensen, maar ook bijvoorbeeld moslims het lastiger hebben dan mensen met een lichte huidskleur dat is zo en dat is lastig te doorbreken. Mensen zoeken immers naar herkenning, naar iets van zichzelf in de ander. Een andere huidskleur zet iemand dan al op een achterstand. Ik zeg bewust mensen, want dit is niet iets van alleen ‘witte’ mensen. Zo zoeken mensen met buitenlandse wortels bijna altijd een partner met dezelfde wortels. Dit moeten we samen veranderen door het inderdaad ter discussie te stellen en vooral door het gesprek erover aan te gaan.

Lastiger wordt als ik mijn witte privilege moet erkennen. Een privilege is een wettelijk toegestaan recht, een voorrecht aldus Vandale. Als ik erken dat ik zo’n privilege heb, dan erken ik meteen dat u dat (voor)recht niet heeft en daar wringt het. Onze wetgever geeft ons terecht allen dezelfde rechten, niemand heeft daarmee een privilege.

“Dat vele Nederlanders volhouden dat het Sinterklaasfeest in haar huidige hoedanigheid ondanks de schending van burgerrechten van vreedzame antizwarte pietdemonstranten, ondanks de racistische en agressieve bedreigingen van ‘Pietofielen’, ondanks oordelen van mensenrechtenorganisaties en ondanks de toenemende militarisering van het Sinterklaasfeest een onschuldig en gezellig kinderfeestje is, is het ultieme voorbeeld van witte onschuld.” Op het begrip ‘witte onschuld’ kom ik straks terug, nu deze passage. Vermengt u hier niet twee zaken die niets met elkaar te maken hebben behalve het moment waarop ze plaatsvinden? Dat bestuurders de rechten van demonstranten en het recht om te demonstreren schenden, heeft niets met het sinterklaasfeest te maken en zegt niets over het al dan niet racistisch zijn. Dat mensen die tegen zwarte piet demonstreren racistisch en agressief worden benaderd, zegt ook niets over het feest, het zegt iets over mensen die dat doen. In zijn bijdrage op JoopVijf feiten die aantonen dat Zwarte Piet racistisch is’ doet George Arakel hetzelfde. In mijn reactie op Arakel vroeg ik hem of: “de valse noten van een slechte saxofonist dan ook de verantwoordelijkheid (zijn) van het instrument.” Zo’n manier van argumenteren en onderbouwen is naar mijn stellige overtuiging contraproductief. Hierdoor worden vele goedwillende mensen in een de ‘racistische’ hoek gedrongen die er niet thuis horen en die zullen zich daar tegen verzetten. Het vergroot de afstand en maakt het daarmee moeilijker om gezamenlijke grond te vinden. Dat verzet begint immers met het afwijzen van alles wat u te zeggen heeft. En dat is precies wat er nu gebeurt. Dat racistisch en agressief benaderen zijn daar de extreme uitingen van.

Hiermee kom ik bij het begrip witte onschuld dat u van Gloria Wekker heeft overgenomen: “een dominant zelfbeeld van Nederlanders die zichzelf als open, tolerant en progressief zien en dus fundamenteel niet-racistisch. Dit terwijl Nederland 400 jaar een koloniale natie is geweest.” In januari van dit jaar zette mevrouw Wekker haar denkbeelden bij De Correspondent uiteen. Mevrouw Wekker schrijft daar in grote woorden en met ‘lange halen’ de Nederlandse geschiedenis en de gevolgen daarvan voor het heden. Met lange halen ben je snel thuis. Dat is ook bij haar het geval en dat gaat gepaard met een flinke versimpeling van het verleden. In een eerste reactie op dit artikel heb ik haar gewezen op het toch wat complexer zijn van de geschiedenis en op het niet typisch westers zijn van imperiale en koloniale neigingen en het superioriteitsdenken. In een tweede reactie stelde ik haar gebruik van de geschiedenis voor doelen in het heden ter discussie en concludeerde dat Wekker de geschiedenis aan lijkt te willen passen aan haar huidige mening over het heden.

Aan dat versimpelen van de geschiedenis, in dit geval van de slavernij tot ‘wit is dader en zwart is slachtoffer’, maakte ook documentairemaakster Sunny Bergman zich schuldig in haar ingekorte versie van haar Van der Leeuwlezing in de Volkskrant. In mijn open brief aan haar aanleiding hiervan beschreef ik het als volgt: “Slavernij is echter geen blanke uitvinding. Het is een menselijke uitvinding waaraan alle kleuren mensen zich schuldig maakten en het slachtoffer van waren. Ik weet niet of u nog weet van het Europese feodale stelsel, een stelsel met vele horigen en dat is een andere naam voor ‘slaaf’. Zo waren er ook vele blanke slaven in de Arabische wereld en werden vele donkere mensen door andere donkere mensen gevangen of ontvoerd en tot slaaf gemaakt. Ik weiger echter om de complexiteit van het verleden te vereenvoudigen tot ‘zwart’ tegen ‘wit’ met ‘wit’ als bij voorbaat fout.”

Wekker kent navolgers. Recent schreven Rufus Kain en Malique Mohamud artikelen  bij De Correspondent. Kain over bubbling en in de discussie met de lezers die erop volgde vertelde hij over de uitdaging waarvoor hij stond: “wereldmuziek, bubbling en westerse geschiedvervalsing samenbrengen in één essay.” Mohamud over de verklaringen van het verlies van Clinton. Hij miste de essentiële vragen: “Waar is het historische besef? Waar is de koloniale geschiedenis? En wat is de historische context van onze economische welvaart? Waarom concentreert die zich bij een minderheid?”

Beste meneer Esajas, zou het kunnen dat het terugbrengen van de complexe werkelijkheid tot zwart (goed) tegen wit (fout, tenzij je erkent dat je door ‘witte’ kleur schuldig bent want dan verlies je je witte onschuld), leidt tot een zwart-wit-discussie? Een discussie waarbij beide partijen zich ingraven en verharden in hun eigen gelijk? Een discussie waarbij verschillen worden uitvergroot en positieve ontwikkelingen als de roetveeg- en kleurenpieten van twee kanten de kop in worden gedrukt.

Een discussie waarbij mensen als ik, hun mond het liefst houden omdat ze door beide partijen worden geslagen en geschopt. Immers, omdat ik erken dat zwarte piet mensen kan kwetsen, krijg ik met dezelfde agressie te maken en wordt ik gezien als een overloper, een ‘collaborateur’ om deze beladen term te gebruiken. Omdat ik aan de andere kant mijn ‘witte privilege’ niet erken en beken dat ik schuldig ben aan het hebben van ‘witte onschuld’, behoor ik voor u tot het kamp van de vijand. Dit terwijl we hetzelfde doel voor ogen hebben: een samenleving waarbij ieder mens even veel waarde heeft, waar iedereen ongeacht afkomst, kleur of religie er mag zijn en van zich mag laten horen. Bovendien is de kans groot dat u mijn weigering zult uitleggen als juist het leiden aan die ‘witte onschuld’, want de redenering achter die ‘witte privilege’ of de ‘witte superioriteit’ is zodanig dat het onmogelijk is om aan te tonen dat ze nergens op is gebaseerd. Dat wordt in die redenering namelijk gezien als een symptoom van het hebben ervan. Dit schreef ik ook al in mijn brief aan mevrouw Bergman.

‘C’est la ton qui fait la musique’ aldus een mooi Frans spreekwoord. Zou het kunnen dat u met uw boodschap meer zou bereiken, dat die tot mooiere muziek zou leiden’ als u de ‘toon’ aanpast door oneigenlijke argumenten achterwege te laten en door ‘witte onschuld’ en ‘wit privilege’ achterwege te laten? Want naast verdeeldheid richten deze termen de aandacht op het verleden en dat is weinig productief. Wellicht zou u eens het interview met de filosoof Kwame Anthony Appiah met de Belgische wedsite MO moeten lezen? Ik schreef hier gisteren een artikel over op mijn website. Omdat ze passen in mijn brief aan u, herhaal ik de laatste zinnen: “Of zoals de filosoof Kwame Anthony Appiah het in een goed en verhelderend interview met de Belgische site MO zegt: “verbinding proberen creëren op basis van verleden, zorgen vandaag bijna altijd voor uitsluiting van minderheden. Moeten we niet met z’n allen werken aan de toekomst, aan nieuwe verhalen die ons binden in plaats van oude te herschrijven?  “Daarom zijn toekomstgerichte verhalen veel interessanter, omdat zo veel verschillende verledens er een plaats in kunnen vinden,” zoals Appiah het zegt.

Als het de bedoeling is om ieder mens als even waardevol individu te zien, is het dan verstandig om de nadruk op kleurverschil te leggen, dat gebeurt immers bij het gebruik van termen als ‘witte onschuld’ en ‘wit privilege’? Want wat gebeurt er met iets waar je de nadruk op legt?

Beste meneer Esajas, net zoals ik ook al aan mevrouw Bergman liet weten, wil ik graag met u werken aan een betere wereld die ieder mens als een even waardevol individu ziet. Dat wordt alleen moeilijk als ik mijn ‘witte privilege moet erkennen. Dan werken we naast en deels tegen elkaar aan dat goede doel en dat zou jammer zijn. Wilt u hierover het gesprek met mij aangaan?

Met vriendelijke groet, De Balonnendoorprikker

Boerkalogica

In Dagblad de Limburger van zaterdag 26 november 2016 zijn enkele brieven van lezers te vinden over een Boerka-verbod. Een van die brieven, van M.J.T. ten Haaf, bevat een bijzondere passage: “Net zoals wij, Nederlanders een sjaaltje om ons hoofd doen uit respect voor andersdenkenden in moskee, getuigt het volgens mij ook van respect dat andersdenkenden zich in ons land toch een beetje aanpassen met hun kledij.” Een bijzondere passage die vaker te horen valt in de discussie over de boerka. Laten we er eens wat langer bij stilstaan.

sfa003001960

Illustratie: Neon-pictura

Het eerste wat opvalt is dat de schrijver de huisregels in een gebouw (moskee) vergelijkt met de openbare ruimte. Staat het mij niet vrij in mijn huis mijn regels te hanteren voor zover ze binnen de wetgeving passen. Kan ik dus van mijn bezoekers eisen dat zij hun schoenen uittrekken of een gele trui dragen? Een moskee kan een bedekt hoofd eisen. Als ik die moskee wil bezoeken, dan moet ik mijn hoofd bedekken.

Een variant op deze uitspraak: ‘Westerse vrouwen in Saoedie Arabië moeten zich ook aanpassen en zich sluieren, dan mogen we van ‘hen’ ook verwachten dat zij zich aan onze Nederlandse (kleding)normen aanpassen.’ Inderdaad heeft Saoedie Arabië wettelijk vastgelegde kleding voorschriften, heeft Nederland ook wetten die voorschrijven welke kleding er gedragen moet worden? Wetten die regelen dat je een spijkerbroek moet dragen of een driedelig pak?

Ja, er zijn bedrijven met kledingvoorschriften. Geldt daar niet hetzelfde voor als mijn huisregels? Maar, wettelijk verplichte kledij? Is in Nederland niet iedereen vrij om zich te kleden zoals het hem of haar blieft? Maken de boerka-dragers niet gewoon gebruik van dat recht?

Gaat Nederland met een wettelijk verbod op het dragen van bepaalde soorten kleding, niet de kant van Saoedie Arabië op ? Wat is het verschil tussen een wet die bepaald wat je moet dragen en een wet die bepaald wat je niet mag dragen?

Mocht het zo zijn dat er vrouwen rondlopen die door iemand gedwongen worden om in een Boerka te lopen, dan moet die dwingeland worden aangepakt. Daar helpt een wettelijk boerkaverbod niet tegen. Want zal dat er niet alleen maar toe leiden dat die betreffende vrouw niet meer buiten komt? Zou zij daar bij gebaat zijn?

Logica

Op de opiniesite Joop reageert Tweede Kamerlid Selçuk Öztürk op een artikel van Joopcolumnist Han van der Horst. Onderwerp van hun meningsverschil is een wetsvoorstel van PvdA-kamerlid Yücel. Als dat wetsvoorstel wordt aangenomen dan moeten ondernemingen verantwoording afleggen aan de ondernemingsraad over het beleid dat ze hebben gevoerd om gelijke beloning tussen mannen en vrouwen te bevorderen. Öztürk heeft een amendement ingediend om die verantwoording te verbreden naar de afkomst van mensen. Volgens Van der Horst is dit: “extreem gevaarlijk.” 

logica

Illustratie: slides.com

Het gaat mij niet om het al dan niet gevaarlijk zijn van ‘etnische registratie’ door bedrijven. Het gaat mij om de logica achter het argument van Öztürk. Of eigenlijk het gebrek aan logica.  “Als men het geheel intersectioneel benadert zou een vrouw met een migrantenachtergrond dubbel benadeeld kunnen worden in haar loon: vanwege haar geslacht en vanwege haar afkomst,” stelt Öztürk. Klopt die redenering wel? Iedere werknemer in een bedrijf is man of vrouw, meer smaken zijn er niet (of is ‘onzijdig’ er ook? Dan is er een derde smaak). Als het doel van de wet is om ervoor te zorgen dat mensen die hetzelfde werk doen een gelijke beloning te laten krijgen, dan is het vergelijken van mannen en vrouwen meer dan voldoende. Alle werknemers vallen immers in die onderverdeling. Als er beloningsverschillen bij gelijk werk zijn, dan komen die zo naar boven.

Met dat naar boven komen verandert er echter niets en daar zit de zwakte van de wet.  Een ondernemingsraad moet instemmen met belonings- en functiewaarderingssystemen. Vervolgens gaat de leiding van het bedrijf aan de slag en is de rol van de Ondernemingsraad uitgespeeld. Welke ‘macht’ heeft de ondernemingsraad om op te treden en de bedrijfsleiding te dwingen zich aan het vastgestelde beleid te houden? Een Ondernemingsraad is geen parlement. Wie garandeert trouwens dat een ondernemingsraad de door de wetgever gewenste richting ondersteunt?

De directie moet afwijkingen in een jaarverslag motiveren. Is dat niet heel makkelijk? Je hoeft slechts te verwijzen naar de ‘kwaliteiten’ of een gebrek eraan van medewerkers. Beoordeling is altijd subjectief en gebeurt door … de bedrijfsleiding.

Sterker nog, zelfs het onderscheid ‘man’ versus ‘vrouw’ is overbodig. Het is voldoende om te kijken of de vervullers van eenzelfde functie gelijk worden beloond. Alle ongelijkheid in beoordeling wordt zo duidelijk. Maar ook zo verandert er niets, want nog steeds is er niemand die iets kan afdwingen.

Twee ei is een Halbe ei

Bied als winkelbedrijf ‘verstop-eitjes’ aan en spreek van ‘voorjaarsfeest’ en dat is het begin van het einde van: “waar we als land voor staan.” Een uitspraak van VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra. Dit naar aanleiding van reclame van de HEMA. Want: “Als de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam afscheid neemt van Pasen, dat onderdeel uitmaakt van onze maatschappij, dan glijden we langzaam af.” Want: “Pasen en Pinksteren hóren bij Nederland. Dat vind ik, ook al ben ik zelf niet religieus. Als je daar aanstoot aan neemt, dan ben je toch intolerant? Pasen hoort erbij, net als gelijkheid tussen man en vrouw en tussen homo’s en hetero’s.” Zijlstra maakt zich zorgen om de ondergang van een christelijke natie. De eitjes zijn voor hem een voorbeeld van een dreigende islamitische onderwerping.

paaseieren2Illustratie: koken.vtm.be

Beste meneer Zijlstra. Is de HEMA daadwerkelijk zo’n belangrijke poot ‘onder alles waar we als land voorstaan’? Waarom begint u dan geen actie om het bedrijf terug te kopen van de Britse eigenaar Lion Capital? Het zou immers toch niet mogen zijn dat deze belangrijke drager van ‘alles’ waar Nederland voor staat, in buitenlandse handen is? Want wat als de Britten de HEMA verkopen aan een sjeik uit een van de Golfstaten?

Is het huidige Pasen geen ‘verchristelijkte’ voortzetting van voorchristelijke lentefeesten, gewijd aan het leven en de vruchtbaarheid? Net zoals ook Kerst een ‘heidense’ geschiedenis kent. Zou de HEMA met haar voorjaarsfeest niet een verdere vernieuwing kunnen zijn? Of beter, een moderne manier van teruggrijpen op een oeroude traditie?

Meneer Zijlstra, als u Pasen en Pinksteren op gelijke hoogte stelt met de gelijkheid tussen man en vrouw en homo’s en hetero’s, waarom dan geen voorstel tot wijziging van de Grondwet? En vervolgens een Paas- en Pinksterenwet waarin formaat, smaak, gewicht etcetera van het paasei kan worden vastgelegd. De hoeveelheid spijs en suiker op een Paasbrood. Zou politieke bemoeienis dit Pasen en Pinksteren goed doen?

Moet de politiek zich niet verre houden van bemoeienis met tradities en volksfeesten, zeker als ze zijn gelieerd aan een godsdienst? Want loopt zij daardoor niet het risico de ene godsdienst boven de andere te plaatsen? En is dat niet in strijd met onze Grondwet.

Historische dementie

‘We moeten onze cultuur beschermen’, en ‘onze beschaving staat onder druk’, deze en soortgelijke uitspraken vallen tegenwoordig veel en vaak te lezen en te horen. Veel in verband met de instroom van vluchtelingen maar ook in in andere verbanden zoals de al bijna ‘traditionele’ Zwarte-Pietendiscussie.

Otgea y Gasset

Illustratie: www.lemniscaat.nl

In zijn boek De opstand van de massamens geschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw, behandelt de Spaanse denker José Ortega y Gasset dit thema ook. “Eén aspect, concreter gezegd, nauw verweven met de vaart der volkeren, en dat is de rijke ervaring waaruit men kan putten. Ik doel op het lange verleden dat de beschaving achter zich heeft, haar geschiedenis. Het ontwikkelen van historisch besef is een van de beste manieren om een geavanceerde beschaving in stand te houden. Niet zo zeer om ons positieve oplossingen te bieden voor de nieuwe problemen die het nieuwe leven opwerpt – het leven is immers altijd weer anders dan het was – maar om dezelfde naïeve dwalingen van vroeger te vermijden.”  Zo schrijft hij.

Normaal, aldus Ortega y Gasset, gaan beschavingen ten onder omdat beginselen waarop ze zijn gebaseerd niet meer toereikend bleken. In de jaren dertig van de vorige eeuw zag hij een andere mogelijke reden voor de ondergang van een beschaving: “Het leven wordt moeilijker naarmate je ouder wordt, maar dat wordt gecompenseerd door ervaring. Als je dan ook nog je geheugen bent kwijtgeraakt waardoor je er niet meer uit kunt putten, blijven alleen de nadelen over. Welnu, ik geloof dat Europa zich juist in die situatie bevindt. Zelfs de meest ‘gecultiveerde’ mensen van onze tijd lijden aan een ontstellend gebrek aan historisch besef.”

Onze beschaving wordt in vage termen beschreven; joods-christelijke cultuur. Waarbij men zich niet realiseert dat die christelijke cultuur de joodse eeuwenlang te vuur en te zwaard heeft bestreden. Daarnaast blonk die christelijke cultuur nu niet uit in eenheid.

Iets specifieker wordt het als er wordt gesproken over de gelijkheid van man en vrouw en gelijke behandeling van homo’s. Daarbij wordt voor het gemak vergeten dat hele volksstammen Europeanen die gelijkheid toch net wat anders zien.

Wat zijn de belangrijke waarden waarop de westerse samenleving is gebaseerd en hoe hebben die zich ontwikkeld? Waar komen ze vandaan? Hoe verhouden die waarden zich tot elkaar? Welke ‘naïeve dwalingen’ zijn begaan en  moeten worden vermeden? Tiert historische dementie niet welig?