Uitgelicht

Cultuur en diversiteit

Ik lees bij Joop dat de Amsterdamse kunstraad constateert dat de: “stad, ondanks zijn gekoesterde kosmopolitische zelfbeeld, ruim de helft van zijn bewoners in zijn culturele paleizen stelselmatig vergeet.”  Daarom moeten volgens de auteur, de socioloog, publicist en programmamaker, Nekuee: “Naast degene die met Joyce, Beckett en Reve als hun jeugdhelden zijn opgegroeid (…)  directeuren en bestuurders (worden aangesteld) met Yasar Kamal, Fatima Mernnissi of Ahmad Shamlu als hun jeugdhelden. Naast de bewonderaars van Mary Shelly en Shakespeare is het ook nodig dat kenners van Hafiz, Ibn-Arabi en Yunus Emre bepalende figuren worden aan de top van culturele instellingen.” Volgens de auteurs zal: “een grootschalige wisseling van de macht (…) aan de top van de sector,” zorgen voor: “een nieuwe balans (…) en meer representatie van een waar kosmopolitisme.” Een interessant idee. Maar toch … .

Concertgebouw Amsterdam. Bron: Flickr

Zou dit daadwerkelijk iets oplossen? Als we kijken naar het huidige culturele aanbod dat, in de woorden van Nekuee, niet divers genoeg is, dan is de publieke belangstelling daarvoor al niet groot. Zoveel mensen met Joyce, Beckett en Reven als helden zijn er niet en ook de bewonderaars van Shelley en Shakespeare zijn dun gezaaid. Zo dun dat een goede voorstelling van een stuk van Shakespeare, om maar eens iets te noemen, alleen in steden van redelijke omvang voldoende publiek trekt om de zaal te vullen. En zelfs dan kan die voorstelling alleen worden uitgevoerd met een flinke sloot subsidie.  

Hoeveel mensen met Yasar Kamal, Fatima Mernnissi of Ahmad Shamlu als held, zullen er zijn? Want in Amsterdam mogen de minderheden dan wellicht in de meerderheid zijn, dat maakt die minderheid nog niet meteen tot een eenheid. Die minderheid bestaat uit vele groepen en mensen met zeer diverse achtergronden. Hoeveel Afghanen, Ghanezen of Colombianen zullen de Turks-Koerdische schrijver Yasar Kamal als held hebben? Sterker nog, van de Turks-Koerdische Nederlanders zal een groot deel een stuk op basis van een boek van Kamal niet bezoeken. Net zoals de overgrote meerderheid van de Nederlanders een stuk van Reve links laat liggen. Hoeveel zalen zou je kunnen vullen met een voorstelling op basis van een boek van Kamal? 

Die nieuwe culturele top met Yasar Kamal, Fatima Mernnissi of Ahmad Shamlu als hun jeugdhelden zal toch rekening moeten houden met het publiek dat nu de voorstellingen en optredens bezoekt. Dat publiek zorgt voor de basis onder alle culturele instellingen. Als instellingen dat publiek van zich vervreemden, dan zal het cultureel aanbod voor iedereen enorm verschralen. 

Christenen avant la lettre

Ik raakte even in de war. We zitten weer in de paastijd. Een tijd waarin christenen het sterven van Jezus herdenken. Een beetje vreemd is wel dat de dag waarop hij aan het kruis werd gespijkerd en stierf, goede vrijdag wordt genoemd. Nee, daar raakte ik niet van in de war. Waarvan dan wel?

Fotot van de Tegelse Passiespelen. Bron: Wikimedia Commons

Ik dacht altijd dat het christendom haar oorsprong vond in het leven van Jezus Christus. Christus schijnt te hebben geleefd zo aan de begin van onze jaartelling. Een telling die op zijn geboorte in de kribbe in die stal in Bethlehem is gebaseerd. Op eerste kerstdag wordt zijn geboorte gevierd. Waarschijnlijk moeten we dat met een korreltje, of eigenlijk een kilootje, zout nemen. Als de jaartelling werkelijk bij zijn geboorte zou starten, waarom valt 1 januari dan niet op 25 december? Wellicht heeft dat ermee te maken dat die jaartelling ruim vijfhonderd jaar later pas is ingevoerd. Na zo’n tijd is het lastig om nog precies te achterhalen hoe het zat. Dat even terzijde.

Ik wijd uit. Ik raakte even in de war om een schrijven van Juliaan van Acker dat ik bij ThePostOnlie las. In een artikel met als titel Polarisatie is de kogel die van links komtbetoogt Van Acker dat alle ellende van links komt: “de ‘goede bedoelingen’ van links leiden tot polarisatie en in sommige gevallen tot massamoord. Stalin meende het goed en zag zich daardoor verplicht al wie hem tegenwerkte te vernietigen. Links gunt andersdenkenden niet het licht; daarin handelen zij stalinistisch. Linkse mensen denken verlicht te zijn, maar in feite brengen ze duisternis.” Erg kort door de bocht, maar dat zie je tegenwoordig wel vaker. 

Die goede bedoelingen van links zijn een gevolg van de visie van links dat: “de mens ziet als van nature goed en het is de samenleving die hem corrumpeert”  Volgens Van Acker is dat een: “herhaling van een ketterij uit de vijfde eeuw. Pelagius beweerde, in tegenstelling tot Augustinus, dat de mensen als goede mensen zijn geboren en de maatschappij maakt hen slecht. De mensen kunnen de hemel op aarde creëren, zonder de genade van God en zonder goddelijke interventie. Het linkse Utopia of het arbeidersparadijs is daar een kopie van.” Die linkse opvatting van de van nature goede mens, stelt hij tegenover de door hem aangehangen christelijke en dan vooral protestantse visie die “de mens als geneigd tot het kwaad” ziet.

“We hoeven niet gelovig of kerkelijk te zijn om in te zien dat de protestants-christelijke mensvisie en ethiek de mensheid kunnen behoeden voor dictatuur,” zo schrijft Van Acker. Het gaat mij er nu niet om dat Van Acker ieder pas geboren kindje belast met de ‘erfzonde’. Het gaat mij er ook niet om dat deze manier van denken het te verdedigen maakt om mensen dictatoriaal te ‘knechten’ zonder dat ze iets hebben gedaan. Dit om te voorkomen dat ze tot het ‘kwaad’ vervallen. Het gaat mij er ook niet om dat hij een karikatuur maakt van ‘links’.

Het gaat mij om het volgende, en dan komt mijn verwarring. Volgens Van Acker komen: “De belangrijkste elementen van een moderne democratie, zoals inclusiviteit, diversiteit, gelijkheid van man en vrouw, respect voor minderheden en afschaffing van de slavernij, (…) voort uit de christelijke ethiek.” Daarom is het: “van belang de christelijke ethiek die de grondslag vormt van de democratie te zien als protestants.” 

Bron: Wikipedia

Excuus? Was die christelijke ethiek inclusief? Ik meen me toch aardig wat godsdienstoorlogen tussen christenen onderling en pogroms tegen joden te herinneren. Dat lag, zo beweert Van Acker, dan vooral een de katholieke kerk want die: “poneerde zich als de ene ware kerk, wat betekent dat alle anderen vervloekt zijn. De kerk van Rome was een totalitaire instelling, die eeuwenlang zich gedroeg als een criminele organisatie.” De protestanten niet, die: “waren daarentegen principieel tolerant.” Die waren zo tolerant maar niet voor katholieken, die werden gewantrouwd en hoefden niet op veel respect te rekenen. Hoe gelijk man en vrouw voor protestanten waren en zijn, is nog steeds te zien in SGP kringen. En de gehele slavenhandel was in handen van Hollandse en Zeeuwse protestanten. Net als trouwens alle koloniën. Koloniën waarvan de inwoners toch net iets minder inclusief en gerespecteerd werden behandeld. Nee, die elementen, zoals inclusiviteit (aan de inclusiviteit van onze huidige democratische samenleving wordt trouwens door menigeen flink getwijfeld), diversiteit, gelijkheid van man en vrouw, select voor minderheden en de afschaffing van de slavernij, hadden een Verlichting nodig om tot bloei te komen. Een Verlichting die met aardig wat donderpreken werd bestreden. Zet Van Acker het christendom en vooral het protestantisme zo niet wat onverdiende veren op de hoed? 

Het wordt echter nog erger. Ik meen mij van mijn studie geschiedenis te herinneren dat de Atheners ruim vier eeuwen voordat Jezus werd geboren al een democratie hadden. Nu kun je daar allerlei kanttekeningen bij zetten omdat ze ook slaven hielden en vrouwen er niet echt meetelden. Dat kun je echter ook bij onze democratie. Maar om de Atheners als christenen avant la lettre te betitelen gaat wel erg ver. Dat is wel een erg bijzondere manier van het herschrijven van de geschiedenis.


Divers, diverser, diverst

In Amsterdam zijn nieuwe wethouders benoemd. Bij AT5 is te lezen dat het Amsterdamse BIJEEN-raadslid Sylvana Simons, het college niet divers genoegd vindt. Het college bestaat uit 3 mannen en vijf vrouwen, inderdaad een oververtegenwoordiging van vrouwen, maar dat bedoelt Simons niet. Dat maar één van de acht wethouders van kleur is, vindt Simons “ongehoord.” Als ik trouwens naar de ‘kleur van de acht bestuurders kijk, dan vraag ik mij af welke van die acht dan ‘van kleur’ is? Simons bedoelt waarschijnlijk Touria Meliani, maar zij heeft dezelfde kleur als  de andere zeven. 

Iamsterdam.jpg

Foto: Wikimedia Commons

“En dan heeft Simons het alleen nog maar over kleur, want als het gaat om diversiteit qua seksuele voorkeur of mensen met een beperking is het nieuwe college volgens haar ook niet divers,” zo lees ik. Toch zie ik acht personen met allemaal een eigen achtergrond, een eigen persoonlijkheid, een eigen verleden, eigen kenmerken en dus een heel ‘divers’ gezelschap. 

Beste mevrouw Simons, met acht personen de ideale mix vinden die precies de bevolking van Amsterdam weerspiegelt, lijkt mij erg lastig. Zeker als je je realiseert dat de stad al zo’n 180 nationaliteiten kent en dan zou het ook zomaar kunnen dat die nationaliteiten ook nog in verschillende culturen uiteen vallen en dan heb ik het nog niet eens over religies. Een Fries is immers ook anders dan een Zeeuw of een Limburger, een Vlaming is anders dan een Waal of Brusselaar, een Bask is anders dan een Catalaan en zo kunnen we doorgaan. De ene Fries, Zeeuw of Catalaan verschilt ook weer van de andere. Dat krijg je niet ‘afgespiegeld’ in een college van acht leden en ook niet in een raad van vijfenveertig.

Als u wilt dat het college een goede afspiegeling vormt van de bevolking, dan moet u  pleiten voor uitbreiding van dat college. Dan moet dat namelijk de gehele bevolking van de gemeente gaan omvatten. Dat maakt besturen echter wel lastig, want waar vind je een zaal waar de gehele Amsterdamse bevolking in past en dat is dan nog een van de minste problemen.

Maar, beste mevrouw Simons, dat is niet de functie van een raad of college. Die moeten de stad besturen en besluiten nemen die het algemeen belang het beste dienen. Daarop moeten ze worden beoordeeld, niet op hun sekse, seksuele voorkeur, religie, afkomst of kleur. 

Diverse, inclusieve samenleving

Diversiteit betekent een inclusieve samenleving waarin iedereen meedoet. Hoe kun je daar nou moe van worden?” De opening van een bijdrage van strategist Nadine Ridder bij Joop. Een bijzondere vraag, hoe kun je moe worden van diversiteit? Toch wil ik een poging doen om hier een antwoord op te geven. Dat doe ik aan de hand voor de woorden ‘diversiteit’, ‘inclusief’ en vooral ‘samenleving’.

people

foto: Flickr

Dat laatste woord, ‘samenleving’  staat centraal in mijn antwoord. Een antwoord dat begint met de beschrijving die Van Dale geeft van het woord samenleving: “het geheel van de met elkaar verkerende mensen.” Betrekken we dit op Nederland, dan bestaat de Nederlandse samenleving uit het geheel van de met elkaar verkerende mensen op het Nederlandse grond gebied. Dus van alle mensen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en met elkaar verkeren.

Wat gebeurt er als we hier het woord ‘inclusief’ aan toevoegen? Inclusief is volgens dezelfde Van Dale: “met insluiting van, met inbegrip van.” Als alle mensen die hier verkeren al tot de samenleving behoren, wie moet er dan nog worden ingesloten? De samenleving  is daarmee per definitie inclusief. Als we het andersom benaderen, wordt aan de groep die wordt ‘ingesloten’ of die wordt ‘inbegrepen’ zo niet een aparte positie gegeven? Zoiets van: je hebt de samenleving én de clubjes die we erbij moeten insluiten? 

Dan als laatste het woord diversiteit: “1. verscheidenheid, variatie; 2. het verschijnsel dat er ergens mensen zijn met verschillende etnische of culturele achtergronden,” weer volgens de Van Dale. Als de samenleving al bestaat uit alle mensen die ‘met elkaar verkeren’, dan bevat die toch de gehele verscheidenheid en variatie van al die mensen? Ook de verscheidenheid en  variatie in etnische of culturele achtergronden. Wat voegt het woord ‘diversiteit’ dan toe aan samenleving? Als we dit ook weer eens van de andere kant benaderen, maak je door te hameren op de diversiteit en daarbij te wijzen op ‘groepen’ geen onderscheid waar je dat niet zou moeten doen? 

Beste mevrouw Ridder, gebeurt door het gebruik van de woorden ‘diversiteit’ en ‘inclusief’ in combinatie met ‘samenleving’ niet precies dat wat we niet zouden moeten willen? Namelijk het maken van onderscheid tussen mensen en groepen mensen?

Rijkaardweg of Pônniewaeg

In mijn geboorteplaats fietste ik vroeger door de Jan Verschurensingel, over het Professor Jansenplein en allerlei andere straten vernoemd naar een pastoor of kapelaan uit vroeger jaren. Al die namen zeiden me niets, behalve dan dat wat het bordje vermeldde: pastoor in Velden van … tot …. Later bleek dat een van die namen, professor Jansen, nog een voorvader van me was. Nu loop ik door Venlo over het Mgr Nolensplein, in de volksmond het Gaasplein, omdat er vroeger een gasfabriek (zie foto) stond en over de Deken van Oppensingel ook wel bekend als de Pônniewaeg waarvan de geschiedenis wordt bezongen in het liedje Merieke en zienen Huzaar. Vanwaar deze tocht door mijn verleden en heden?

Gaasplein

Foto: SeniorPlaza

D66 Rotterdam, nu nog in coalitie met Leefbaar Rotterdam maar straks natuurlijk niet meer, wil geen straten meer vernoemen naar ‘witte mannen’. De PvdA in onze hoofdstad is het hier helemaal mee eens en wil straatnamen naar migranten vernoemen. Volgens raadslid Sofyan Mbarki is ‘een betere afspiegeling van de diversiteit van Amsterdam’ hierbij het devies.” Dit lees ik in een korte bijdrage van Ewout Klei bij Jalta. Bij het artikel zelfs een tweet van iemand die Nijmegen als goed voorbeeld geeft: straten vernoemd naar vooraanstaande mensen uit de Indische gemeenschap. Ondanks de manier waarop de discussie wordt gevoerd, voelt Klei er wel wat voor: “Migranten en hun afstammelingen moeten zich ook thuis kunnen voelen in Nederland. Het is immers ook hun land.” En daarom: “Dus graag een Donald Jones park, een Anil Ramdas boulevard en uiteraard een Ruud Gullitlaan en een Frank Rijkaardweg,” aldus Klei. Inderdaad moet iedereen zich in dit land thuisvoelen en als straatnamen voor Rijkaard, Gullit, Ramdas en anderen daaraan bijdragen, waarom niet?

Ja, waarom niet? Tegenover de straten van al die ‘oude blanke Nederlanders’ zetten we straten van ‘gekleurde wat minder oude Nederlanders’, ter compensatie en evenwicht. Misschien niet omdat er juist nu zo’n discussie is ontstaan over straatnamen van mensen die honderd jaar geleden werden toegejuicht en nu worden verguisd? Een Heutszplein, Witte de Withstraat of een Coentunnel, roepen tegenwoordig heftige reacties op en er wordt zelfs gepleit om er andere namen aan te geven. Zou dat niet ook met mensen kunnen gebeuren waarnaar we nu straten vernoemen? Neem Gullit, een geweldige voetballer, maar als trainer wel actief in Grozny bij de club van de omstreden Ramzan Kadirov. Nu al een vlekje en wat als we voetbal in de toekomst verwerpelijk gaan vinden? Wie garandeert ons dat die ‘helden van nu’ over een paar generaties niet ook van hun sokkel vallen?

Zouden we niet af moeten zien van het vernoemen van straten en pleinen naar personen?  Liever de Pônniewaeg dan de Rijkaardweg!

Roze olifant

‘Als ik zeg dat jullie niet moeten denken aan een roze olifant, waar denken jullie dan aan?’ Aan deze uitspraak dacht ik bij het lezen van een artikel van Emma Lesuis bij De Correspondent. Lesuis beëindigt haar artikel verzuchtend met de woorden: “Hoe vaak zal ik nog racistische opmerkingen krijgen? Hoe vaak en hoe lang zal ik nog die goedbedoelde diversiteitsstempel opgeplakt krijgen? Ik vroeg het me af.”

Elefante_rosado

Illustratie: Wikimedia Commons

Lesuis beschrijft het ongemak dat zij voelt als ze weer op haar ‘kleur’ wordt aangesproken. Een gevoel dat ze had toen ze tijdens een stage als voorbeeld werd aangehaald dat het goed ging met de diversiteit. Over toen ze werd gevraagd om te schrijven over Afro-Amerikaanse opera. Lesuis ging in op het verzoek  en vroeg zich af: “Toch apart, dacht ik, een schrijver te vragen die amper iets van opera weet.” Toen ze ernaar vroeg kreeg ze als antwoord: “We zijn bezig met diversiteit.”

Dat er mensen zijn die het moeilijker hebben in de Nederlandse maatschappij dan anderen, dat is een feit. Dat mensen van kleur en islamitische religie het extra lastig hebben, is ook een feit. Dat daar iets aan moet gebeuren, staat voor mij in ieder geval buiten kijf. In vroeger jaren werden daar ‘positieve discriminatie’ programma’s voor ontwikkeld. Tegenwoordig noemen we dat ‘diversiteitsprogramma’s’. Lesuis over dergelijke programma’s: “Het is bovendien door dit soort situaties, dit soort mensen en dit soort stempels dat ik soms niet weet waarom ik ergens überhaupt mag zijn.” 

Zou het kunnen dat dit een gevolg is van juist het zo de nadruk leggen op ‘diversiteit’? Zou het kunnen dat juist die nadruk op ‘diversiteit’ ertoe leidt dat ongeveer iedereen zich ongemakkelijk gaat voelen? Zou dat ongemakkelijke gevoel ertoe kunnen leiden dat mensen zich ‘ongelukkig’ uitdrukken? Zou dat ongemakkelijke gevoel Lesuis hebben belemmerd in het stellen van de vraag waarom men haar vroeg om ergens over te schrijven waar ze totaal geen verstand van had? Dat ze daar toch echt een musicoloog of operadeskundige voor moeten vragen?

Als een bedrijf of instelling zegt dat het diverser wil worden en daarom meer mensen van X wil binnenhalen, staat dan niet automatisch dat X-zijn van die mens in de belangstelling? Als datzelfde bedrijf diverser wil worden, maar er niets van zegt en die mens van X wordt aangenomen, zou het kunnen dat zijn X-zijn dan minder de nadruk krijgt? Dat de nadruk dan veel meer komt te liggen op het mens-zijn en de kwaliteiten die die mens inbrengt?

Is ‘diversiteitsbeleid’ niet een roze olifant?

Solidariteit en identiteit

Econome Heleen Mees houdt, in haar column in de Volkskrant, een warm pleidooi voor diversiteitsbeleid: “Neem bijvoorbeeld het controversiële voorkeursbeleid. Door meer minderheden aan te stellen bij de politie, het openbaar ministerie en de rechterlijke macht, neemt het vertrouwen in de rechtsstaat toe, en zullen de criminaliteit en het gevoel van onveiligheid afnemen.” Hiervan profiteren ook de ‘witte’ Amerikanen. Net zoals zij ook profiteren van laagopgeleide migranten: “Dankzij de goedkope arbeid van migranten gaan Amerikanen ook vaker uit eten dan Europeanen. Daardoor zijn er in de VS ook meer banen in restaurants.” 

solidairFoto: Vimeo

Volgens Mees moet ‘links’ niet terug naar: “de kernbeginselen van solidariteit en gelijke bescherming voor iedereen. … Dat zou immers betekenen dat misstanden als rassen- en seksediscriminatie zouden blijven voortbestaan zij het op een hoger welvaartsniveau. De uitdaging voor de linkse politiek is om een programma te ontwikkelen dat opkomt voor de legitieme belangen van minderheidsgroepen zonder de legitieme grieven van de witte arbeidersklasse uit het oog te verliezen.”  Volgens haar is ‘links’ nu te veel gericht op ‘identiteitspolitiek’ en geeft zo het belangrijke sociaal-economische terrein prijs aan ‘rechts’.

Ik moest het een paar keer lezen. Als de staat iedereen gelijk beschermt en solidariteit als uitgangspunt neemt, dan blijven rassen- en seksediscriminatie bestaan. Wat zegt Mees hier? Hoe kan rassen en seksediscriminatie blijven bestaan als iedereen op eenzelfde bescherming en solidariteit kan rekenen? Is welke vorm van discriminatie niet juist een gevolg van ongelijke bescherming? Van juist niet solidair met elkaar zijn en dus van het maken van onderscheid?

Is het zorgen voor een betere afspiegeling bij bijvoorbeeld de politie niet juist een voorbeeld van solidariteit? Net zoals het ook binnen laten van laagopgeleide migranten? Is de fout die ‘links’ maakt niet juist dat het solidariteit als diversiteit verkoopt? Dat die diversiteit-politiek tot in het extreme doortrekt tot de schadelijke identiteitspolitiek? Zou ‘links’ daarom niet juist voor solidariteit en gelijke bescherming moeten pleiten?