Uitgelicht

Corona-cijfers en letters

Bij het lezen van de titel van deze Prikker zal menigeen van middelbare leeftijd en ouder denken aan het televisieprogramma Cijfers en Letters. Een quiz uit het pre-commerciële televisietijdperk. Ik moest aan dit programma denken toen ik in de ‘papieren’ Volkskrant een kaartje zag met de coronacijfers voor Goes en Rotterdam. Al zoekend in de digitale versie, kwam ik iets soortgelijks tegen voor heel Nederland. Een kaartje waarbij elke gemeente een ‘kleur’ krijgt. Hoe hoger het aantal positief geteste personen per 100.000 de afgelopen twee weken, hoe donkerder de gemeente kleur.  Zo moet het kaartje inzicht geven in de ontwikkeling van de corona-epidemie. Biedt zo’n kaartje dat inzicht?

Bron: Beeld en geluid via Wikipedia

Even het voorbeeld uit de ‘papieren’ Volkskrant. In Goes zijn er 57,8 positief geteste personen per 100.000 inwoners. In Rotterdam 24,7. Daarmee lijkt Corona in Goes harder toe te slaan. Kijken we naar de werkelijke aantallen, dan kent Goes 22 positief geteste personen, Rotterdam 161. Dan ziet het er heel anders uit. Dus geen 57,8 positief geteste personen in Goes maar slechts 22. Dit omdat Goes geen 100.000 inwoners heeft, maar slechts 38.080. Rotterdam heeft 651.376 inwoners. Wat zegt een getal per 100.000 inwoners over de ernst van de epidemie?

Hoe kleiner het aantal inwoners van een gemeente, hoe groter de impact van één positief geteste persoon op het getal. Neem de Gelderse gemeente Rozendaal. Een gemeente die vooral bekend is van de ‘verkiezingsuitslagenavond’ omdat ze dan steevast met Vlieland strijdt om als eerste de uitslag te presenteren. Dat die strijd tussen die twee gemeenten gaat komt omdat beiden een gering aantal inwoners hebben. Rozendaal heeft er zo’n 1.705. Eén positief geteste persoon betekent voor deze gemeente dat ze veel donkerder gaat kleuren dan Goes en Rotterdam. Dat ene geval levert voor de gemeente een cijfer op van 58,7. Op basis van dit kleurenkaartje zou je constateren dat de ziekte heel hard toeslaat in de gemeente Rozendaal.

Nu zou het zomaar kunnen dat die ene persoon deel uitmaakt van een besmettingscluster waarvan er 30 in de aangrenzende gemeente Arnhem wonen en 12 in Velp (gemeente Rheden). Als dit de enige positief geteste personen zijn in deze gemeenten, dan is het cijfer 27,5 voor Rheden en 18,6 voor Arnhem. Als je puur op de kleur en het getal afgaat, zou je veel energie richten op Rozendaal. Dat heeft immers het hoogste cijfer. Dus alle tv-camera’s naar Rozendaal, die gemeente is het hardste getroffen! Allemaal naar … dat ene slachtoffer.

Met wat letters en uitleg erbij, kijk je heel anders naar de cijfers.

Uitgelicht

Eerdmans en een middelvinger

Als er niet wordt gevoetbald, moet je als supporter een andere bezigheid zoeken om je tijd door te komen. Je kunt dan een boek gaan lezen, rikken met je gezin, maar je kunt ook met je supportersvrienden het standbeeld van Pim Fortuyn in Rotterdam beschermen in tijden van een ‘beeldenstorm’. Bij De Dagelijkse Standaard een verslag van deze actie. Het beeld van Fortuyn werd eerder beklad. Daarom gaan deze: “Feyenoord supporters (zelf noemen ze zichzelf liever ‘Rotterdam hooligans’) (…) vanaf nu waken over het beeld van Fortuyn in de hoop dat nieuwe vernielingen uit zullen blijven.” Er is iets bijzonders met dit bericht en dat is niet dat ‘Rotterdam hooligans’ zich druk maken over de geschiedenis en het erfgoed.

Brin: Pixabay

Er is iets met de berichtgeving over deze actie. Een actie waarvan Joost Eerdmans, de leider van Leefbaar Rotterdam, zegt: “Het protest was een initiatief van de supportersvereniging van Feyenoord. Mooi dat het initiatief bij de bevolking ligt en niet bij de politiek.” Het bericht gaat vergezeld van een foto waarbij de ‘beschermers’, een mannetje of tachtig, zo lees ik, zich rond het beeld hebben verzameld. Een foto gemaakt door de auteur waarop de beschermers zich hebben verzameld rond het beeld. Op de foto is duidelijk te zien dat de tachtig man de anderhalve meter regel aan de laars lappen. En dat maakt het bijzonder.

Nee, niet dat die hooligans dat doen maar dat De Dagelijkse Standaard dit zonder kritiek publiceert en zelfs organiseert. Want als we een week of twee teruggaan in de tijd, naar tweede pinksterdag, dan lezen we in een artikel van Tim Engelbart op dezelfde site het volgende: “Als Amsterdam straks een massale uitbraak van het coronavirus heeft, weet heel Nederland vanaf vanavond wie we daar voor moeten bedanken. Nu, ja, al die knettergekke demonstranten, natuurlijk, die de Dam bezetten omdat ze zich in de Verenigde George Floyd Staten wanen in plaats van in Nederland.” In dat artikel kreeg burgemeester Halsema van Amsterdam de wind van voren en worden de demonstranten zo ongeveer een gevaar voor de volksgezondheid genoemd. Om de titel boven het artikel aan te halen: “Femke Halsema geeft middelvinger aan corona-doden.” Nu is tachtig wat minder dan een paar duizend. Anderhalve meter is en blijft echter anderhalve meter. Hoeveel zorgen maakt De Dagelijkse Standaard zich werkelijk over de Volksgezondheid? Of zou de ‘frustratie’ ergens anders door worden veroorzaakt?

Dat De Dagelijkse Standaard met twee maten meet is tot daaraan toe. Wat te denken van Eerdmans? In zijn hierboven geciteerde reactie op de actie van de hooligans, geeft hij aan te waarderen dat het initiatief bij de bevolking ligt. Daarmee suggereert hij dat het initiatief voor die ‘mooie’ demonstratie tegen racisme bij de politiek ligt. Maar wat belangrijker is, ook hij lijkt zich ‘als bij toverslag’ geen zorgen meer te maken over de volksgezondheid waarover hij zich op 2 juni druk maakte toen hij twitterde: “Burgemeester Halsema vindt een politiek standpunt belangrijker dan mensenlevens.” Steken De Dagelijkse Standaard en Eerdmans nu dan niet ook een middelvinger op naar de corona-doden?

Uitgelicht

Corona en etnisch profileren

Data-gedreven werken. ‘We moeten niet zomaar iets doen, we moeten ons baseren op data,’ Dat is het credo dat ik bij veel gemeenten hoor. Inderdaad moet je niet ‘zomaar’ iets doen. Dat ‘data-gedreven werken’ is een nieuwe wijn in oude zakken. Het is een nieuwe versie van wat eind jaren tachtig en begin jaren negentig ‘New Public Management’ werd genoemd. Een stroming die het bedrijfsmodel van de private sector toepast op de overheid. Burgers en patiënten werden klanten en cliënten. De ambtenarij moet denken en werken in ‘producten’ en op zoek naar zo efficiënt en goedkoop mogelijk het doel bereiken en daarbij is ‘meten weten’. Dus moet alles worden bijgehouden en gemeten. En tegenwoordig is ‘meten’ vooral grasduinen door ‘big data’ en zoeken naar correlatie. Waarbij vaak wordt vergeten dat correlatie niet betekent dat er sprake is van causaliteit zoals ik recentelijk schreef. Met dat efficiënt en goedkoop is niets mis, behalve als je vergeet dat de overheid draait op vertrouwen en draagvlak. En laat vertrouwen en draagvlak nu te paard gaan en te voet komen en op gespannen voet staan met efficiënt en goedkoop. Laten we wel wezen, een democratie is geen bedrijf.

Waarom ik hierover begin? Om twee redenen. Op de site dekantekening.nl las ik een artikel van Kaja Bouwman over ‘institutioneel racisme’. In dat artikel komt de casus ‘Belastingdienst’ aan de orde. Die profileert etnisch. Etnisch profileren is terecht verkeerd en verboden. Zou dat ‘profileren’ niet een gevolg zijn van het gebruik van die ‘big data’? Hoe meer gegevens je hebt, hoe meer correlaties je aantreft en bij gebrek aan kennis, hoe meer verbanden er worden gelegd. Zo typ ik deze Prikkers sinds kort op een nieuw apparaat. En het bedrijf van Bill Gates levert er gratis wat spelletjes bij. Zo af en toe speel ik dan patience en dan komt er af en toe reclame voorbij. Het valt me op dat ik in het kleine reclamevakje vaak berichten krijg als: ‘Vind vrouwen van boven de 50 jaar in de buurt van Arcen’, of: ‘In dit huis woont Paul McCartney’ of een of andere oude beroemdheid. Verwijzingen naar bijvoorbeeld het huis van Ariana Grande ontbreken. Of verwijzingen naar calcium gebrek en problemen met traplopen. ‘Bill’ weet op een of andere manier mijn leeftijd en woonplaats en waarschijnlijk nog veel meer en daarom krijg ik zaken waarvan hij denkt dat een man van boven de vijftig op zit te wachten. Hij ‘profileert mij’ en omdat de plaatjes van die vrouwen in de buurt van Arcen allemaal blank zijn, zal die profilering ook wel een etnische component bevatten.

Nu ik dit schrijf, vraag ik me af  waarom ‘Bill’ Arcen noemt . Zouden daar veel alleenstaande vrouwen van boven de vijftig wonen? Of ben ik nu een verband aan het zoeken dat er niet is? Maar ik dwaal af.

Als je ‘data gedreven’ wilt werken, dan profileer je. Dan maak je ‘klantenprofielen’ en liefst zo nauwkeurig mogelijk door zoveel mogelijk data te zoeken die correleren. Dan doe je net als ‘Bill’ en probeer je je acties af te stemmen op die profielen. Dat is precies wat de Belastingdienst doet. Ze maken ‘profielen’ op basis van correlatie tussen gegevensbestanden. Daarin is er geen verschil tussen de Belastingdienst en Google, Facebook en al die andere ‘Big Data bedrijven’. Big data nodigen uit tot het zoeken naar correlaties en dus tot ‘profileren’ en computers zijn daar heel goed in. Zonder profileren heb je niets aan ‘big data’. Dan zijn het slechts verzamelingen gegevens.

Echt bijzonder maakt socioloog Dirk Geldof het in een artikel in de Volkskrant. De tweede aanleiding voor deze Prikker. Geldof pleit juist voor etnisch profileren in de gezondheidszorg: “Nu het aantal besmettingen en doden in België en Nederland gelukkig dalen, is het hoog tijd om te onderzoeken of corona ook bij ons landgenoten met een migratieachtergrond zwaarder treft, zoals in Engeland, Zweden en de VS.” Dit is volgens Geldof van belang omdat: “Algemene maatregelen dreigen vaak kleurenblind te zijn, maar het virus is dat niet.” In de Verenigde Staten doen ze dit al, zo schrijft Geldof: “Begin juni beslisten de Centers for Disease Control and Prevention in de VS om bij testen ook systematisch de herkomst te registreren om deze ongelijkheid op te sporen.” Ik vrees dat ook in Nederland de uitkomst zal zijn dat migranten en mensen met een ‘migratie-achtergrond’ grotere kans hebben om slachtoffer van Covid-19 te worden. Gaan we dan het virus voor de rechter dagen vanwege racisme en discriminatie? Welke specifieke maatregelen kunnen we dan nemen die niet kleurenblind zijn? Of zitten we dan op het verkeerde spoor en verwart ook Geldof correlatie met causaliteit?

Dat er een correlatie is tussen ‘migrant’ en ‘migratie-achtergrond’ en slachtofferschap van het virus, geloof ik meteen. Daar is geen registratie voor nodig. Die registratie zal, net als de ‘daderprofielen’ bij de politie en de Belastingdienst, leiden tot discriminerende maatregelen. Precies datgene waar Black Lives Matter en alle ander bestrijders van institutioneel racisme zich zorgen om maken. Covid-19 correleert er dan wel mee, voor het beter voorkomen van uitbraken, moeten we toch echt zoeken naar causaliteit. Naar eigenschappen van het virus. Eigenschappen zoals de manier waarop het zich verspreidt. Dat de arbeiders, arbeidsmigranten, van de slachterij in Groenlo erdoor werden getroffen, werd niet veroorzaakt door hun ‘arbeidsmigrantschap’. Dat werd veeleer veroorzaakt door hun werk en leefomstandigheden. Migranten en mensen met een migratie-achtergrond zijn oververtegenwoordigd in vooral de sectoren die cruciaal zijn maar slecht betaald worden. Eigenlijk de enige cruciale sector waar ze ondervertegenwoordigd zijn, is de ‘effectenhandel’ en daarvan kun je je, zoals ik in een eerdere Prikker deed, afvragen waarom die cruciaal is. Zaken die een ‘(bedrijfs)economische’ oorzaak hebben. Of kijken naar de kenmerken en problematieken van de mensen die sterven of op de IC belanden door het virus. Naar de onderliggende problematiek en vooral naar de oorzaak van die onderliggende problematiek.

Dit is ook waar het bij een of andere gemeente die ‘data gedreven’ werkt een keertje fout gaat. Dan is er beleid gemaakt op basis van correlatie tussen gegevens en blijken die niets met elkaar vandoen te hebben. Want wat een computer niet kan, is interpreteren, causaliteit bepalen. Dat is nog steeds mensenwerk. En dat werk moet gebeuren voordat je gaat zoeken naar correlaties. Naar verbanden. Waar het fout gaat bij het gebruik van big data is dat er niet wordt gedacht voordat de computer aan het werk wordt gezet. Dan krijg je zaken zoals nu bij de belastingdienst en ‘Bill’ die mij een ‘vrouw in de buurt van Arcen’ probeert aan te smeren. Dit terwijl ik al tevreden en gelukkig ben met mijn vrouw en ‘in de buurt van Arcen woon’. Dan krijg je zaken waar mensen boos om worden.

‘Life’s not fair …

Gisteren schreef ik over de ‘intersectionele blik’ die OneWorld in al haar artikelen wil hebben. Dit naar aanleiding van een bijsluiter bij een artikel waarin de auteur, Amanda Govers, werd verweten dat die blik in haar artikel ontbrak. Ik moest aan die bijsluiter denken toen ik bij OneWorld een artikel las van Tamar Doorduin.

Bron: Public Domain Pictures

Bij het opheffen van de tegen de verspreiding van het coronavirus genomen maatregelen pleit Doorduin voor containment. Bij contaiment wordt: “éérst (…) ingezet op het zoveel mogelijk indammen van het virus en pas daarná op het versoepelen van maatregelen. Vlamt het virus toch weer ergens op, dan wordt het brandje zo snel mogelijk geblust door middel van bron- en contactonderzoek en een striktere vorm van quarantaine dan in Nederland nu gangbaar is.” Dit duurt langer: “Maar het is wel de eerlijkste strategie.”… Het doel van containment is immers om tot een situatie te komen waarin het voor iederéén veilig is om het huis te verlaten en mee te doen – dus ook voor mensen uit de risicogroepen.” Immers: “rampen vergroten de ongelijkheid niet, dat doen mensen. Het komt niet door het virus zélf dat zieke en gehandicapte mensen nog verder worden buitengesloten, maar door de politieke keuzes die het kabinet maakt.” Doorduin ziet het gebeuren dat de nu stikte maatregelen langzaam worden versoepeld: “Oudere, zieke en gehandicapte mensen moeten voor onbepaalde tijd thuis blijven.” Terwijl de ‘gezonde Nederlander’ al weer de straat en het terras op mag. Daardoor: “líjkt (het) misschien alsof het kabinet op deze manier rekening houdt met mensen die meer risico lopen: er wordt immers gesproken over het ‘beschermen van de kwetsbaren’. In de praktijk blijkt die bescherming neer te komen op opsluiting en uitsluiting.” Dit is niet eerlijk naar mensen die meer risico’s lopen, containment is dat, volgens haar wel. Het klinkt inderdaad eerlijk en democratisch om te wachten tot er een situatie is waarin het voor iedereen veilig is om het huis te verlaten. En vooral lijkt het artikel geschreven met een ‘intersectionele blik’. Doorduin maakt zich immers druk om mensen voor wie het virus extra gevaarlijk is.

Nu heb ik, als het over eerlijk gaat, de neiging om Scar uit The Lion King te citeren. Scar zit te mokken in een grot omdat Simba is geboren en die heeft hem verstoten van de positie als eerste gegadigde om koning Mufasa op te volgen. Tijdens dat mokken vangt hij een muis die hij wil verorberen en dan spreekt hij de woorden: “Life’s not fair you see. For I will never be king and you will never see the light of another day.” Een pijnlijke waarheid maar wel een waarheid als een koe. Trouwens ook een waarheid die van toepassing is op het opheffen van de beperkende maatregelen. Welke manier van ‘opheffen’ er ook wordt gekozen.

Inderdaad is het ‘not fair’ dat er: “een tweedeling ontstaa(t). In de meerderheid zijn de jonge, gezonde mensen voor wie de samenleving langzaam maar zeker weer opengaat. Oudere, zieke en gehandicapte mensen moeten voor onbepaalde tijd thuis blijven.” Maar maakt dat het alternatief van Doorduin, allemaal thuis totdat het voor iedereen veilig is, wel tot ‘fair’? Hoe ‘fair’ is zo’n ‘one size fits all’ oplossing? Hoe ‘fair’ is het voor ouders en kinderen om op drie hoog in een flatje opgesloten te zitten met drie kinderen? Hoe ‘fair’ is het om als kind opgesloten te zitten in een huis waar je ouders of verzorgers je fysiek of emotioneel mishandelen? Hoe ‘fair’ is het überhaupt om kinderen op te sluiten in een huis? Hoe ‘fair’ is het dat langer ‘opsluiten’ tot meer werkloosheid en verlies van inkomen leidt wat weer tot gezondheidsschade en sterfte kan leiden? Ook Doorduins oplossing vergroot ongelijkheid.

Welke oplossing er ook wordt gekozen, er zullen altijd mensen de dupe zijn. Er zullen altijd mensen zijn waarvoor de gekozen oplossing niet ‘fair’ is. Helaas komen deze ’intersecties’ in het artikel niet aan de orde en dat roept de vraag op hoe het zit met de ‘intersectionele blik’ van dit artikel maar ook van OneWorld.

‘Met dille tussen de billen …’

Binnenkort moeten we, als we met het openbaar vervoer willen reizen, gebruik maken van mondkapjes. Een effectief middel om de verspreiding van het corona-virus te voorkomen zegt de ene groep. ‘Het helpt niet’ zegt de andere groep en gaat verder: ‘het vergroot de schijnveiligheid’. Beide kampen beroepen zich op wetenschappelijk onderzoek. Reizend met het openbaar vervoer moet je er binnenkort dus echt een op. Alleen liefst niet van de betere, die moeten we ‘bewaren’ voor de zorg. We moeten immers niet met z’n allen gaan ‘concurreren met minister Van Rijn’. Na iedere reis moet je het kapje wassen. Lukt dat niet, dan moet je een tweede meenemen voor de reis naar huis. Dat lijkt me lastig te controleren.

Bron: wikipedia

Al sinds half maart horen we dat we anderhalve meter afstand van elkaar moeten houden. Nu denken de Fransen daar anders over. Daar is die anderhalve meter maar één meter. De Britten echter maken er twee van. Maurice de Hond, sinds de virusuitbraak naast opiniepeiler en ex-voetbalscheidsrechter ook viroloog, wil er van af en vindt het een: “wurgslang van anderhalve meter,” zo is te lezen bij De Dagelijkse Standaard. Volgens hem gaat het virus door de lucht en daarom is het niet nodig om afstand te houden.

Moeten we nu wel of niet chloroquine of hydroxychloroquine slikken? Een bekend viroloog woonachtig in een wit huis in Washington zweert erbij. Hij slikt het zelf. Maar of het werkt? “Zo blijkt uit een onderzoek onder 368 coronapatiënten in Amerikaanse veteranenziekenhuizen dat patiënten die met hydroxychloroquine werden behandeld relatief vaker overleden dan patiënten die alleen reguliere zorg kregen; 28 om 11 procent. In Brazilië liet een onderzoek grotere sterfte door chloroquine zien.” Zo is in het AD te lezen. Het kan in ieder geval ernstige bijwerkingen hebben. Inspuiting met een desinfectiemiddel zou volgens deze ‘’viroloog’ ook effectief zijn.

Al dit doet mij terugverlangen naar een bekende persoon uit de jaren negentig van de vorige eeuw. Naar het kruidenvrouwtje Berendien uut Wisp dat regelmatig optrad in Keek op de Week. In een legendarische uitzending over de werking van dille. Dille geeft je energie en houdt je wakker aldus Berendien. Het is ‘tegen de moe en de lusteloosheid.” In de uitzending wordt ze geconfronteerd met de mening van twee andere ‘kruidenvrouwtjes’. Als eerste de even bekende Klazien uut Zalk. Volgens Klazien wekt dille juist slaap op. Volgens een derde ‘kruidenvrouwtje, Rosalien uut Dost is dille een afrodisiacum. Ter onderbouwing haalt ze een, volgens haar, oud gezegde aan: “Met Dille tussen de billen zou zelfs Metusalem weer willen.”

Op de vraag van Bie waar die verschillende opvattingen over de werking van dille vandaan komen, geeft Berendien het simpele antwoord. “Ut zijn beunhaz’n. Ze zijn jaloers op mijn succes bij Keek op de Week.”

‘Until Death do us part’

“U hoort dat goed, wij dienen actief te eisen dat we als volwaardig Nederlander beschouwd worden en dat derhalve etnische registratie wordt afgeschaft.” Dit betoogt Karim Bettache bij Joop. Hierbij sluit ik mij van harte aan. Iedereen die voor de wet gezien een Nederlander is, is een Nederlander. Geen Nederlander met … afkomst, allochtoon, autochtoon of streepjes Nederlander. Nee, gewoon Nederlander. Het staat iedereen vervolgens erin om zichzelf te betitelen als een … Nederlander, Nederlander met … voorouders , gekleurde, witte of blanke Nederlander, Zeeuwse Nederlander of Venlose Nederlander. Dat is aan de persoon zelf, niet aan een ander en zeker niet aan de wetgever. 

Bettache strijdt tegen ‘systemisch racisme’ en in die strijd adviseert hij: “Gekleurde en multi-etnische Nederlanders (maar ook onze witte broeders en zussen) doen er goed aan financieel en sociaal niet meer bij te dragen aan de eigen onderdrukking.” Wat hij hiermee bedoelt? (G)een abonnementen meer op mainstream kranten/gidsen of andere media die weigeren diversiteit toe te laten boven het glazen plafond en daarnaast in hun berichtgeving een generaliserende (witte) kijk communiceren naar u en andere Nederlanders.” En ook niet meer stemmen op: “linkse partijen die enkel mooie praatjes verkopen maar qua beleid niets voor u doen. … Beter is het om op een pluriforme partij als Bij1 te stemmen.” 

Nu las ik bij dekantekening.nl iets bijzonders. In een artikel bespreekt Ewout Klei het al dan niet ‘wit’ zijn van de Nederlandse corona-aanpak. In het artikel staat de vraag centraal: “Worden Afro-Nederlanders harder getroffen door het coronavirus dan witte Nederlanders?” Vanuit het buitenland, en dan vooral Groot Brittannië en de Verenigde staten blijkt dat gekleurde mensen vaker sterven aan corona. Een voorbeeld: “In de stad Chicago is 30 procent van de bevolking Afro-Amerikaans, maar 70 procent van de coronadoden is zwart.” Voor Nederland kan die vraag niet worden beantwoord: “Nederland houdt niet bij wat de etniciteit van coronapatiënten en -doden is.” En dan komt het bijzondere: “BIJ1, de partij van Sylvana Simons, is om deze reden voor het registreren van etniciteit van coronaslachtoffers.” Dat is volgens woordvoerder Quinsy Gario wel nodig: “Deze gegevens zijn noodzakelijk voor het opstellen van een gemeenschappelijk plan van aanpak. Nu worden gemeenschappen buitengesloten van het plan dat is opgesteld omdat er geen gegevens zijn over de schade dat het virus bij hen aanricht. Als je de mogelijkheid om de schade te bepalen bemoeilijkt voor een bepaalde groep ben je bezig met ongelijkwaardige behandeling. En dat is in strijd met artikel 1 van onze grondwet.” 

Zou het werkelijk zo zijn dat ‘gemeenschappen worden buitengesloten omdat er geen gegevens zijn over de schade die het virus bij hen aanricht’? Ik waag het te betwijfelen. Het ‘plan’ is erop gericht de besmetting met het virus zo te controleren dat onze gezondheidszorg niet overbelast raakt. Belangrijk daarin is het voorkomen van besmetting. En als iemand toch besmet raakt, dan wordt die persoon zo goed mogelijk geholpen op basis van de beschikbare kennis. Dat het virus vooral schadelijk is voor mensen aan de onderkant van het loongebouw, is ondertussen al bekend. Dat is ook de oorzaak van de overmatige sterfte van gekleurde mensen in de VS en Groot Brittannië. Dit zal voor Nederland niet veel anders zijn. Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou wel eens een middel kunnen zijn om dit, ongeacht de huidskleur, te bestrijden. Dit even terzijde. 

Bij1 wil de etniciteit van corona-doden registreren. Een registratie waar Bettache, met recht en reden, voor de levenden van af wil. Bij leven één bij sterven gescheiden: ‘Until death do us part’.  Wellicht toch even overwegen of Bij1 dan wel de juiste keuze is? 

Von Schlieffen en corona

Op de site Opiniez wordt veel geschreven over het verlaten van de Europese Unie, het afschaffen van de euro en weer een ‘sterk en onafhankelijk’ land worden. In deze bijzondere herdenkingstijd moest ik bij het lezen van een artikel van Jan Gajentaan bij Opiniez denken aan de Eerste Wereldoorlog. Ik moest denken aan het Schlieffenplan. 

Het plan is genoemd naar de Duitse generaal Alfred von Schlieffen die leefde van 1833 tot 1913. Het was de tijd van de Frans-Duitse rivaliteit. Rivaliteit die een enorme boost had gekregen na de door de Duitsers gewonnen Frans-Duitse oorlog van 1871. Een oorlog die een belangrijke rol speelde in de Duitse eenwording, maar dat is een ander verhaal. Sinds die oorlog van 1871 wilde Frankrijk revanche en vreesde Duitsland voor die revanche. Voor het Duitse Keizerrijk werd de situatie nijpend toen de Fransen in de jaren negentig van de negentiende eeuw een alliantie met het Tsaristische Rusland afsloten. In geval van een oorlog zat Duitsland nu ingesloten tussen Frankrijk en Rusland en zou het op twee fronten een oorlog moeten voeren. Om die dreiging het hoofd te bieden, bedacht Von Schlieffen een plan.

Hij ging ervan uit dat zij niet sterk genoeg waren om op twee fronten tegelijk te strijden. Daarom moest er een plan worden bedacht om dat te voorkomen. Aan de basis van dit plan lag de veronderstelling dat het Russische rijk tenminste zes weken nodig zou hebben om haar leger te mobiliseren en in stelling te brengen. Die zes weken moesten worden gebruikt om Frankrijk te verslaan. Dat kon, zo berekende Von Schlieffen, als de Duitse troepen door het neutrale België zouden trekken. Hierbij hoopten de Duitsers dat de Belgen hen ‘vrije doortocht’ zouden geven. In dat geval zouden de Engelsen zich er niet mee bemoeien. De Engelsen stonden immers garant voor de neutraliteit van België en bij een vrije doortocht werd die niet geschonden. Die tocht door België was nodig om de Franse troepenmacht ‘langszij’ te passeren, in te sluiten en zo vrije doortocht te hebben naar Parijs. De Fransen zouden hun troepen immers concentreren langs de grens tussen de beide landen tussen Belfort en Sedan. Om de Fransen in die illusie te laten zou in dat gebied een schijnaanval worden uitgevoerd. 

Voor die hele operatie inclusief intocht in Parijs stonden zo’n vier weken. Dan restten nog twee weken om het hele leger vanuit Frankrijk te verplaatsten naar de Oostgrens om de dan gemobiliseerde Russen af te stoppen. Via de het spoorwegennet moest dat kunnen. Om dit alles te bereiken werd bijna tot ‘op de minuut’ uitgewerkt hoever welk deel van het leger moest zijn.

Helaas voor de Duitsers liep het in werkelijkheid anders dan op papier. De Belgen gaven geen vrije doortocht en verzetten zich hevig. Daardoor restte de Engelsen niets anders dan deel te nemen aan de oorlog. Bovendien bleken de Russen al veel eerder in staat tot een aanval en moest een deel van het leger al eerder van West naar Oost. Uiteindelijk duurde de oorlog meer dan vier jaar en stierven miljoenen soldaten in de loopgraven. 

Terug naar Gajentaan waarmee ik begon. In zijn artikel stelt hij ons Denemarken ten voorbeeld. Dat land is lid van de EU en kan op drie punten afwijken: de euro, daar hoeft het niet aan mee te doen, aan defensie- en justitie-initiatieven en voor wat betreft de open grenzen binnen de Unie evenmin. Daar gaat het mij nu even niet om. Het gaat mij om de volgende passage: “Ook bij de corona-crisis was dat merkbaar. Waar in Nederland het woord grenscontrole voor iemand als Rutte vloeken in de kerk is, sloot Denemarken op 14 maart de grenzen. En omdat het land ruim een week eerder dan Nederland in lockdown ging en de scholen sloot, lopen ze nu twee weken op ons voor bij het verlaten van de lockdown.” En dan gaat het mij niet om de vraag naar de relatie tussen het sluiten van de grenzen en de strijd tegen corona. Sluiten behalve natuurlijk voor landgenoten in het buitenland, voor de in- en export van goederen en voor mensen die in dat buitenland werken waardoor alleen de vakantieganger thuis moet blijven. Het gaat mij om die twee weken die ze op ons voorlopen bij het verlaten van de lockdown.   

Hoe weet Gajentaan of Denemarken ‘twee weken voorloopt’? Heeft Gajentaan net als Von Schlieffen een plan waarin precies staat welke maatregel op welk moment genomen moet worden? Dat suggereren deze woorden wel. Dat China en Wuhan nu weer ‘open’ zijn, geeft geen enkele garantie dat het virus er niet meer kan oplaaien. Dat Denemarken nu ‘twee weken’ voorligt kon over zes maanden wel eens tot een ‘achterstand’ leiden. Het virus is nog steeds onder ons op deze wereld, in dit land en ook onder de Denen. We hebben nog steeds geen vaccin noch een geneesmiddel. Pas als er een vaccin is en dat voor iedereen beschikbaar is, kunnen we deze pandemie achter ons laten. Tot die tijd zijn uitspraken over ‘voor’ en achter’ evenveel waard als het Plan van Von Schlieffen.

Klus gezocht

Ik ben nog steeds op zoek naar een opdrachtgever waarmee ik de volgende salarisafspraak kan maken voor een klus van dertig dagen. Voor de eerste dag een salaris van € 0,01 en dat verdubbelt iedere dag. Wellicht helpt deze Prikker bij het vinden van die opdrachtgever. Al denk ik dat die er na het lezen van deze Prikker anders over denkt. 

Ik moest hier weer aan denken na het lezen van het Commentaar van Sander van Walsum in de Volkskrant. Van Walsum: “Maar inmiddels kan ook worden vastgesteld dat de afbouw van preventieve maatregelen geen lineair proces is, maar een processie van Echternach: drie stappen vooruit, twee stappen achteruit.”  Zo wordt er de laatste dagen weer een stijging van het aantal ziekenhuisopnamen gemeld in Duitsland maar ook in Brabant. Dit terwijl de druk op de regering om de teugels te laten vieren, toeneemt. Die druk heeft er al toe geleid dat de basisscholen weer opengaan en dat kinderen weer mogen sporten.

“Om te kunnen voorzien in de toenemende behoefte aan meer bewegingsvrijheid heeft de Nederlandse overheid de testcapaciteit voor de vaststelling van corona al drastisch uitgebreid,” schrijft Van Walsum. Wat echt zou helpen: “handhaving of uitbreiding van de ic-capaciteit. Met het oog daarop zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold.” Dat lijkt een goed advies. De curve moest immers worden afgevlakt om de zorg niet te overbelasten en daarbij waren het aantal ic-bedden de beperkende factor. Meer bedden betekent dat er op een hoger niveau afgevlakt kan worden. Dan zou het kabinet zich, zo betoogt Van Walsum, meer rust in de besluitvorming kunnen veroorloven. Leveren meer ic-bedden werkelijk rust?

Meer ic-bedden betekent dat er meer corona-patiënten in een ic-bed kunnen. Op een ic-bed kom je als je er erg slecht aan toe bent, maar er nog wel hoop is dat je de ziekte overleeft. Als we er vanuit gaan dat onze zorg is gebouwd als een piramide met de ic-bedden als top. Dat de top en de basis in evenwicht zijn. Een evenwicht waarbij zelfs is gerekend met enige overcapaciteit. Dan leidt meer ic-bedden tot een veel grotere top die alleen in tijden van nood, zoals nu, gebruikt kan worden. In ‘normale tijden’ staan er dan, net zoals nu in Duitsland, veel ic-bedden onbenut. Wat gebeurt er dan in tijden van crisis, bijvoorbeeld een opleving van de corona-pandemie? 

Er is dan meer ic-capaciteit. De rest van het ziekenhuis ligt dan nog steeds vol met corona-patiënten. Meer corona-patiënten op de ic betekent immers dat er ook meer patiënten in de rest van het ziekenhuis liggen. Net zoals de afgelopen anderhalve maand het geval was, is dan de hele rest van de piramide nodig en ligt alle andere zorg stil. 

Als we even een week of vier, vijf terugkijken in de tijd. De periode dat het erom spande of er snel genoeg ic-bedden konden worden gecreëerd en het uiteindelijk net lukte om er voldoende beschikbaar te hebben. Op dat moment stierven er zo’n 180 mensen per dag. Tenminste volgens de RIVM cijfers. Volgens de berekeningen van het Centraal Bureau voor Statistiek waren dat er ongeveer het dubbele, dus zo’n 360. De ‘rust’ die een verdubbeling oplevert, betekent dat er wekelijks het dubbele aantal mensen sterven, dus ruimt 700 per dag.

Hoe ‘rustig’ zou een kabinet kunnen besluiten met een dubbelde ic-capaciteit? Rust die per dag het dubbel aantal mensen het leven kost. Die de complete Nederlandse zorginfrastructuur lam legt en die roofbouw pleegt op de medewerkers in de zorg. Het enige probleem wat met bijvoorbeeld een verdubbeling van de ic-capaciteit wordt opgelost is het keuzedilemma tussen twee patiënten voor één ic-bed. Alhoewel opgelost, het duurt langer voordat we dat punt bereiken.

Als er geen maatregelen worden genomen dan verspreidt het corona-virus zich exponentieel. Omdat niet iedereen even ziek wordt en het zelfs kan zijn dat je al mensen kunt besmetten voordat je ook maar ziekteverschijnselen hebt, zijn er op het moment van de eerste geconstateerde besmette persoon, waarschijnlijk al meer personen besmet. We zagen bijvoorbeeld een verdubbeling van het aantal besmettingen, ziekenhuisopnamen en doden in ongeveer drie dagen. Dit betekent dat er drie weken na de eerste besmette persoon 32 mensen besmet zijn. Na zes weken zijn dat er al 1.024 en na twaalf weken zo’n 67.000.000. En daarmee kom ik terug bij mijn zoektocht naar een opdrachtgever waarmee ik deze Prikker begon. Die zes weken komen overeen met 28 dagen. Mijn salaris op die 28ste dag bedraagt dan € 671.088,64. Het salaris op de laatste van de dertig werkdagen is dus vier keer zoveel en wel € 2.684.354,56. En mijn totale beloning voor die dertig dagen het dubbele van dit bedrag minus 1 cent. 

We moeten dus verspreiding van het virus voorkomen. Dat kan door de mensen waarmee een besmette persoon in aanraking is gekomen in beeld te brengen, te testen op de ziekte en ze te adviseren (of verplichten) om gedurende een week of twee in quarantaine te verblijven. Die ‘drastische uitbreiding van de testcapaciteit’ is daarom belangrijk. Voor verdubbeling van de ic-bedden: “zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold,” aldus van Walsum. Het lijkt mij slimmer om te werven en om- of bij te scholen in dit ‘opsporingswerk’. Dan zijn die extra bedden niet nodig, voorkomen we dat de zorg-piramide overbelast raakt en als belangrijkste, worden er minder mensen ziek en sterven er minder aan de gevolgen van het virus. En, maar dat is van minder belang, kan het kabinet zich meer rust veroorloven in de besluitvorming.

App en/of enkelband

“Wanneer in een stad de pest uitbrak, moesten volgens een reglement uit het einde van de zeventiende eeuw de volgende maatregelen worden getroffen. Allereerst een rigoreuze parcellering: de stad en haar ‘ommeland’ worden afgegrendeld, het is verboden de stad te verlaten op straffe van de dood, en alle zwerfdieren worden afgemaakt. De stad wordt opgedeeld in verschillende wijken die elk onder gezag van een intendant worden geplaatst. Iedere straat komt onder toezicht te staan van een syndicus die met de dood wordt gestraft als hij straat verlaat. Iedereen krijgt het bevel zich op een vastgestelde dag in zijn huis op te sluiten en het is verboden het te verlaten op straffe van de dood. De syndicus komt eigenhandig de deur van iedere woning van buitenaf vergrendelen; hij overhandigt de sleutel aan de wijkintendant, die hem bewaart tot de opheffing van de quarantaine.” 

Zo begint het hoofdstuk Panoptisme van het boek Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis van de Franse filosoof Michel Foucault. Foucault haalt dit uit een reglement uit de zeventiende eeuw. We zijn nu een kleine vier eeuwen verder en de manier waarop het coronavirus wordt bestreden, lijkt hier niet veel van af te wijken. Opsluiten in huis, contact vermijden en straffen bij overtreding. Geen doodstraf, tenminste niet in dit deel van de wereld. In andere streken, zoals de Filippijnen, ligt dat anders. Ik moest aan dit boek denken toen ik bij De Correspondent een artikel  van Dimitri Tokmetzis en Morgan Meaker las over de inzet van surveillancetechnologie om: “verspreiding van het virus te onderdrukken maar toch lockdowns te versoepelen”. De beide auteurs volgen: “het scala aan bewakingstechnologieën dat wereldwijd wordt ingezet.” En door dat woord ‘bewakingstechnologieën’ moest ik aan Foucault denken. 

Foucault beschrijft de geschiedenis van het omgaan met misdadigers. Het boek begint met het beschrijven van de ten uitvoerlegging van de straf van Damiens. Damiens pleegde een mislukte aanslag op de Franse koning Lodewijk XV. Damiens wordt op een kar naar de plek gereden waar zijn straf, een openbare schuldbelijdenis, wordt voltrokken. “Daarna, “op genoemde kar, en op een schavot dat op de Place de Grèves opgericht, zal met tangen het vlees van zijn borst, zijn armen, dijen en kuiten worden gerukt; zijn rechterhand, met daarin het mes waarmee hij de vadermoord heeft begaan, zal met brandende zwavel worden verschroeid, de plekken die met de tangen zijn bewerkt, zullen met gesmolten lood, kokende olie, gloeiende spiegelhars en een mengsel van gesmolten zwavel en was worden overgoten; zijn lichaam zal vervolgens door vier paarden uiteen getrokken worden en in stukken gereten worden, zijn romp en leden door vuur verteerd en zijn as in de wind verstrooid.” Nu bleek dat vierendelen lastig vanwege het ontbreken van de juiste paarden. Daarom werden het zes paarden en dan nog ging het allemaal maar moeizaam.

Deze brute manier van straffen voor het oog van ‘het volk’, riep in de tweede helft van de Achttiende eeuw steeds meer weerstand en protest op: “de straffen moeten gematigd worden en in verhouding staan tot de delicten, de doodstraf mag slechts worden opgelegd aan schuldig bevonden  moordenaars, en de mensonwaardige lijfstraffen moeten worden afgeschaft,” aldus een samenvatting van een lijst met grieven in 1787 en 1788 ingediend bij de Franse Staten Generaal. Als alternatief kwam dwangarbeid op en in de loop van de negentiende eeuw ontstonden de gevangenissen zoals we ze nu nog steeds kennen. Een correctioneel instituut gericht op het verbeteren van de misdadiger zodat die na het uitzitten van zijn straf niet meer in de fout gaat. Hen moet discipline worden bijgebracht. Discipline ontstaat niet via het vertoon van macht, maar via observatie en kleine interventies.

De Brit Jeremy Bentham over wie ik al vaker schreef maar dan als ‘uitvinder’ van het utilitarisme, speelde hierin een belangrijke rol. Bentham ontwierp het Panopticum. Een gebouw met een centrale hal met daar rond ringen van cellen over verschillende verdiepingen gestapeld. Een cel heeft twee ramen: één naar buiten en één op de centrale hal gericht. Vanuit die centrale hal kan een persoon alles overzien zonder dat de persoon zelf gezien wordt. Bentham voorzag toepassing als gevangenis, school, ziekenhuis maar ook als bedrijfsgebouw. Koepelgevangenissen zijn volgens dit principe gebouwd. De camerabewaking van de openbare ruimte en de enkelband om thuis je straf uit te zitten, zijn eigentijdse varianten hiervan. 

‘Disciplinering’ van gevangenen kwam niet uit de lucht vallen. De opkomende industrie en het leger vroeg ook om disciplinering van mensen. Disciplinering was en is een belangrijk doel van ons onderwijs. En die disciplinering is bijzonder succesvol geweest. De manier waarop de ‘corona-maatregelen’ worden nageleefd, laten dit zien. De apps waarover nu wordt gesproken zijn een volgende stap in deze disciplinering. Als ze een verplichting worden, zijn die apps niet te vergelijken met de enkelband. Trouwens ook al ze niet worden verplicht, maar het niet hebben ervan je beperkt in je beweging?

Mens natuur(lijk) dier

“Door de bevolkingsgroei dringen mensen steeds verder door in leefgebieden van dieren.” Een uitspraak van viroloog Wim van der Poel in een interview in de Volkskrant. Een bijzondere zin. Bijzonder omdat deze zin de aarde verdeelt in twee werelden: aan de ene kant hebben we de leefwereld van de dieren, de ‘natuur’. Aan de andere kant de leefwereld van de mens, de ‘mensenwereld’. Dat zijn twee verschillende werelden die ‘toevallig’ eenzelfde planeet bewonen. En omdat ‘de mens’ zich steeds meer in ‘de natuur’ begeeft, kunnen nare ziektes van mens op dier worden overgedragen. Dat wordt zoönose genoemd. Zou het omgekeerde ‘mensonose’ ook kunnen? In deze wat langere Prikker bestudeer ik die ‘twee werelden’.

Als een van die twee ‘werelden’ al buitenaards zou zijn en we nemen de ondertitel van het boek Oorsprong. Hoe de aarde de mens heeft gevormd  van Lewis Dartnell als leidraad, dan is de natuur ‘buitenaards’. De Aarde vormde dan immers de mens. Het vreemde is dan wel dat de huidige en nu enige mens op deze aardbol, de Homo sapiens de ‘wijze, verstandige’ mens, volgens Duitse paleontoloog Madeleine Böhme, pas zo’n 300.000 jaar op deze aardbol rondloopt. De ‘natuur’ is al veel ouder. Bovendien: “was hij bij lange na niet de enige mensensoort. Hij deelde de wereld van Eurazië en Afrika volgens de huidige stand van de wetenschap met zeven andere mensensoorten” aldus Böhme in haar boek Hoe we mensen werden. Andere soorten zoals de Neanderthaler en de Denisovamens.

Dat leven, alle leven, een buitenaardse oorsprong heeft, kan kloppen. Want, zoals Lewis Dartnell schrijft, zonder water was het leven zoals we dat op aarde kennen, onmogelijk. En dat water: “is dus na de geboorte van de aarde op onze planeet terecht gekomen. Dat gebeurde door een bombardement van met ijs bedekte kometen en asteroïden uit de koudere, verder gelegen delen van het zonnestelsel, als een sneeuwballenregen uit de ruimte.”  Want: “toen uit een wervelende om de protonen draaiende schijf van stof en gas de aarde werd gevormd, was het er juist erg droog. De aarde stond zo dicht bij de zon dat de samenklontering van rotsachtig materiaal waaruit zij is ontstaan sowieso maar weinig water kan hebben bevat, en bij dat ontstaan werd het zo heet dat al het water en alle vluchtige stoffen moeten zijn verdampt.” Leven zonder water kan niet en het water heeft een buitenaardse oorsprong. 

Böhme gaat in haar boek op zoek naar de voorouders van ons, de Homo sapiens. En die: “speurtocht naar onze wortels leidt daarom ver terug in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Hominoidae,” de mensachtigen. Een groep waartoe op dit moment naast de mens ook de gibbon, de orang-oetan, de gorilla, de bonobo en de chimpansee behoren. Die laatsten plaatsen we graag in ‘de natuur’ maar daarmee hebben we tussen de 95 en bijna 99% van ons DNA gemeen. De mens deelt echter nog veel meer met de natuur. Die Hominoidae zijn weer afstammelingen van de eerste ‘primaten’, zoogdieren die zo’n 56 miljoen jaar geleden ontstonden. Nee, de mens maakt onderdeel uit van de natuur. Een bijzonder onderdeel omdat hij die natuur deels naar zijn hand leerde zetten. Böhme vertelt, net als Dartnell, de geschiedenis van de mens als onderdeel van de natuur.

Een geschiedenis waarin drie zaken centraal staan: herseninhoud, rechtop, en dus op twee benen, lopen en communicatie. Drie zaken die elkaar versterken. Laat ik beginnen met herseninhoud. Van alle energie die een mens op een dag verbruikt gaat een kwart naar zijn hersenen. Dit terwijl die, als je niet bovenmatig dik bent, maar 2% van het lichaamsgewicht uitmaken. Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen?

“Als pure rauwkosteters zouden onze menselijke voorouders zulke uiterst productieve hersenen die in de loop van de evolutie zijn uitgegroeid tot een volume van 1300 kubieke centimeter, met meer dan 80 miljard zenuwcellen, niet eens hebben kunnen voeden. Als onze voorouders alleen maar van rauw vlees en rauwe planten hadden geleefd, waren onze hersenen nooit ontstaan.” Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen? Die hersenen hebben zo kunnen groeien omdat onze voorouders vuur leerden gebruiken waarmee ze kookten. Want door groenten te koken verliest het zetmeel in de planten: “zijn kristalstructuur en wordt het bijna volledig verteerbaar.” Door vlees te bakken komen de erin opgeslagen voedingsstoffen vrij. Toen onze verre voorgangers vuur leerden te gebruiken, creëerden zij de kans om meer energie te halen uit eenzelfde hoeveelheid voedsel. Dat schiep de randvoorwaarde voor het laten groeien van onze hersenen.

Op het punt van de herseninhoud legde de Homo sapiens het echter af tegen de Neanderthaler. Trouwens ook op het punt van lichaamskracht. Toch heeft dat de Neanderthaler niet gered. Dat heeft met de andere twee aspecten te maken. En daarmee kom ik bij het lopen. “Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem (Pheidippides) in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelooflijke prestatie. Waarom werd er geen bode te paard gestuurd?” vraagt Böhme zich af. Het antwoord geeft ze er meteen achteraan: “omdat geen enkel paard tot die prestatie in staat zou zijn geweest.” Böhme geeft dit voorbeeld om een van de sterke punten van de mens te laten zien: zijn uithoudingsvermogen zonder oververhit te geraken. Dit stelde ons Homo sapiens in staat om op veel snellere, grotere en sterkere dieren te jagen. Jagen door ze, net als wolven, op te jagen en uit te putten totdat ze niet meer verder kunnen. Omdat mens en wolf die eigenschap deelden, was de wolf waarschijnlijk ook het eerste dier dat de mens domesticeerde. 

De Homo sapiens was in dat lopen nog beter dan die andere zeven mensensoorten en dus ook dan de Neanderthaler. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de sapiens als enigen zijn overgebleven. Dat en het derde aspect, de communicatie. Böhme: “Door de samenwerking van spraak en bewustzijn ontwikkelde zich nog een ander aspect van de menswording, die Homo sapiens definitief boven het dierenrijk uittilde: de mogelijkheid tot culturele evolutie. Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in een biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie uiterst snel.”  Dit vermogen had zonder die grote herseninhoud nooit ontwikkeld kunnen worden want : “Om duidelijk gearticuleerde, goed van elkaar te onderscheiden klanken te kunnen vormen is een fijn gereguleerd samenspel van middenrif, tong, tanden, gehemelte, neus, strottenhoofd, stembanden, lippen en meer dan honderd spieren nodig.”  En daarvoor heb je een flinke herseninhoud nodig. Die inhoud werd mogelijk gemaakt door gebruik van vuur.

Een culturele evolutie met volgens Dartnell de Aarde als belangrijkste vormgever. Een culturele evolutie, tenminste als je het bekijkt op een mensenleven. Als je het op evolutionaire schaal bekijkt, dan was het een revolutie. Een revolutie die het de Homo Sapiens mogelijk maakt om zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden. In eerste instantie door zich als jager-verzamelaars over een steeds groter gebied te verspreiden en door zich de planten en dierenwereld van die nieuwe gebieden eigen te maken. Die tocht begon zo’n 60.000 jaar geleden toen de Homo sapiens hun woongebied begonnen uit te breiden. Waarschijnlijk omdat het in het oorspronkelijke ‘thuis’ te druk werd. In die tijd, de laatste ijstijd, was het op Aarde een stuk kouder dan nu. De zeespiegel stond fors lager dan nu en de nu ondiepe zeeën stonden voor een groot deel droog. De Britse eilanden waren verbonden met Europa, net zoals Siberië en Alaska en de Indonesische eilanden met Azië. Om in Australië te komen hoefde je maar een klein stukje zee over te steken. Als eerste vestigden onze voorouders zich in gebieden waar het qua klimaat en landschap te vergelijken was met Oost Afrika, zoals het Zuiden van Azië en Australië. Zo’n 25.000 jaar geleden bereikten ze Alaska en 11.000 jaar geleden uiteindelijk het zuidelijkste deel van Zuid-Amerika. Inmiddels was de ijstijd voorbij. Op de evolutionaire schaal is dit heel snel en bewust, maar zoals Dartnell schrijft: “Het was eerder een soort verstrooiing. Kleine groepjes jagers-verzamelaars bestreken een groot gebied (de bevolkingsdichtheid was erg laag), en met de seizoenen en met de jaren schoven ze geleidelijk op. Als het klimaat ter plaatse veranderde zochten ze het verderop om kou en droogte te ontlopen en warmer en natter leefgebied te vinden waar meer voedsel was. Elke generatie trok daarbij weer een stukje verder. De gemiddelde snelheid waarmee de eerste mens van het Arabische schiereiland langs de zuidkust van Eurazië naar China zijn getrokken, lag op ongeveer een halve kilometer per jaar.”

In tweede instantie pasten onze voorvaderen de natuur in hun voordeel aan. Die wolf die werd gedomesticeerd omdat het beest goed van pas kwam bij de drijfjacht, was de eerste in een lange rij die binnenkort hopelijk ook een vaccin tegen COVID-19 bevat. Een rij die zich niet alleen tot de dieren beperkt. Nee, een enorm belangrijke stap in die evolutie was het ‘domesticeren’ van planten, dat wat we nu de landbouw noemen. Onze voorvaderen kregen in de gaten dat de zaden van verschillende grassoorten erg voedzaam waren. Door zaden te malen nam het lichaam ze beter op. Door ze te mengen met wat water en ze vervolgens te verhitten kon je er brood van maken. Zo’n 10.000 jaar geleden ontdekten onze voorouders dat een stuk vruchtbaar land: “Zelfs met primitieve landbouwtechnieken (…) tien keer meer voedsel (kan) opleveren dan als het wordt gebruikt voor jagen of verzamelen,” Ze gingen zich permanent vestigen. “Maar,” aldus Dartnell: “landbouw is ook een valkuil. Als een samenleving eenmaal op landbouw is overgestapt en de bevolking is gegroeid, is het onmogelijk om terug te keren naar een eenvoudigere levensstijl: de bevolking is te talrijk en volledig afhankelijk van landbouw om genoeg voedsel voor iedereen te kunnen  produceren.”  

Vanaf de eerste landbouwers tot nu ging het snel en ontstonden er steden. Zo’n 5000 jaar geleden begon de mens met metaalbewerking: de bronstijd was aangebroken en 2000 jaar later gevolgd door ijzer en nu? Dartnell: “Het zal je verbazen dat alleen al in een smartphone ruim zestig verschillende metalen zijn verwerkt.” Of zoals hij het ook beschrijft: “ tussen het moment waarop de eerste homininen stenen werktuigen begonnen te hakken en het moment waarop Homo sapiens koper begon te smelten, verstreken drie miljoen jaar; tussen de ijzertijd en de eerste ruimtereizen maar drie millennia.”

Die grotere hersenen en het communicatieve vermogen heeft de mens veel gebracht. Het is op dit moment de meest dominante diersoort. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens de natuur voor een deel naar zijn handen kan zetten. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens bewustzijn en zelfbewustzijn heeft. Zelfbewustzijn dat het de mens mogelijk maakt om, zoals ik in een eerdere Prikker schreef, ‘imaginaire constructen’ te verzinnen. Constructen zoals bedrijven en landen met grenzen die voor de mens betekenis hebben maar voor een vlieg onbekend zijn. Een van die ‘constructen’ is het zichzelf niet zien als dier en als ‘apart van de natuur’.