Herstelbetalingen

Het eerste wat ik dacht na het lezen het artikel  in de Volkskrant van econoom en beleggingsexpert, Peter M. Wolff was: ‘hopelijk heeft hij meer verstand van beleggen.’ Zijn kennis van de geschiedenis laat te wensen over. Wellicht een gevolg van, zoals hij het zelf schrijft: “het feit dat er slechts summier over deze periode is onderwezen in Nederland.” De periode waarop Wolff doelt is de periode van de trans-Atlantische slavenhandel. In zijn artikel pleit Wolff voor herstelbetaling. Niet in de vorm van een persoonlijke uitkering maar een ontwikkelingsfonds om: “de ontwikkeling, opbouw en heling van en in Suriname en het Caribische deel van het koninkrijk te initiëren,” en om te investeren: “ in het onderwijs in Suriname, in Caribisch Nederland en in Nederland, om het slavernijverleden nou eindelijk de plek te geven die het verdient.”

Volgens Wolff ligt het aan: “het gebrek aan onderwijs en kennisdeling over de echte geschiedenis van Nederland” dat er “binnen de autochtone Nederlandse gemeenschap …  aversie en onbegrip bestaat over het excuus en het slavernijverleden.” Aan welke negatieve gevolgen we dan moeten denken: “Denk hierbij aan hedendaags institutioneel racisme, dat soms moeilijk te bewijzen is. De ‘black tax’ waarbij iemand met een kleurtje twee keer harder zijn best moet doen om hetzelfde te bereiken als een autochtone Nederlander. Denk hierbij aan de kwetsende invloed en polarisatie die de sinterklaasviering met Zwarte Pieten, jaarlijks veroorzaakt binnen de Nederlandse gemeenschap. Denk hierbij aan eerdere voorbeelden van etnische profilering door de politie, de inzet van het omstreden controlesysteem Syri door gemeenten en de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst.” Dat algoritmes die aan de basis liggen van Syri, politie acties en de toeslagenaffaire verkeerd uitwerken en hoe dat kan, daar heb ik al eerder over geschreven. Dit koppelen aan het slavernijverleden is, om Wolff te citeren: “moeilijk te bewijzen.” Bewijzen is tegenwoordig echter van minder belang. Het zeggen is al voldoende om het veel mensen uiteindelijk te laten geloven. Maar hier gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de geringe kennis van de geschiedenis die Wolff de ‘autochtone Nederlander’ verwijt. Door dat gebrek aan onderwijs weet die ‘autochtone Nederlander, zo betoogt Wolff,  niet dat hij: “de eeuwenlange opbrengsten van de slavernij, ook zijn geherinvesteerd in aandelen, vastgoed, infrastructuur en allerlei andere sectoren in Nederland. Al deze financiële injecties hebben ervoor gezorgd dat Nederland zich zo uitmuntend heeft kunnen ontwikkelen tot wat het vandaag is.” Want: “Een niet te verwaarlozen deel ervan is afkomstig van de offers die met het bloed, zweet en tranen van de tot slaaf gemaakten is opgebracht. Die hebben al die eeuwen nooit salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd gekregen. Deze tegoeden zijn aantoonbaar succesvol geherinvesteerd in de Nederlandse samenleving. Zo hebben het koningshuis, De Nederlandsche Bank en andere grootbanken hun opbrengsten uit de slavernij in de Nederlandse maatschappij gestoken. Deze tegoeden vormen heden ten dage nog steeds de basis van het rijke Nederland van vandaag, waar wij allemaal gebruik van maken in de vorm van sociale zekerheden die hieruit voortvloeien.”

Nu even voor Wolff. In dezelfde periode dat de slaven geen: “salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd,” kregen de Nederlandse arbeiders dat ook niet. Tenminste, op salaris na. Dat kregen ze maar daar werkten ze, man, vrouw en kinderen, een uur of zestien per dag, kinderen als ze een jaar of zes waren tussen de twaalf en veertien voor. In al die uren kregen ze net voldoende bijeen om het hoofd boven water te houden. Hadden ze een dag geen werk of waren ze ziek, dan hadden ze geen inkomen en geen eten. Waren ze werkloos dan hadden ze ook geen woning. ‘En pak preugel’ zoals mijn vader het zou noemen, behoorde bij de managementtools. Die woning had de keuterboer en zijn gezin wel al was het vaak niet veel meer dan een plaggenhut. Het harde werken was er ook voor die voorvaderen niet minder om. Het arbeiden van kinderen tot twaalf jaar werd pas in 1874, met het Van Houtens beroemde Kinderwetje afgeschaft. Echter niet voor ieder kind, de kinderen van die keuterboer mochten gewoon verder werken.

Als ze het geluk hadden om oud te worden en niet meer konden werken, dan was er geen pensioen maar armoe, overleven van de bedeling of creperen van ellende. Pas na de Tweede Wereldoorlog met de Noodwet van Drees kreeg je na je 65ste een basispensioentje. Met een gemiddelde levensverwachting voor mannen van 70 en vrouwen van 72 haalden velen, vooral zij die zware arbeid moesten verrichten bijvoorbeeld in de mijnen, nooit hun pensioen. Ziekengeld werd pas in 1929 ingevoerd en vakantie vierde de arbeider in de negentiende eeuw zeker niet, daar had hij geen tijd voor want er moest worden gewerkt. Geleidelijk kwam er tijd voor iets anders omdat de werkdag en de werkweek werden begrensd. Het Kinderwetje was een eerste stap hierin. Tijd alleen maakt nog niet dat je vakantie kunt vieren. Vakantie werd in 1929 in de CAO opgenomen waarbij de werknemer vakantiebonnen kreeg.

De opbrengsten uit de slavernij werden inderdaad geïnvesteerd in vastgoed. In die fraaie grachtenpanden, niet in huizen voor het gewone volk. En nu we het toch over panden hebben. Daar waar je Suriname en de Antillen de woon- en leefomstandigheden van de slavenhouders en de slaven nog met elkaar kunt vergelijken en schande kunt spreken van het verschil, kan dat in Nederland niet. De krotten en plaggenhutten zijn er niet meer. Hier resten alleen de mooie (grachten)panden in de binnensteden. Dit maakt die vergelijking hier onmogelijk. Maar voor wie er een beeld van wil krijgen kan ik de achtste aflevering van Het verhaal van Vlaanderen aanbevelen. In die aflevering wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel krotten er in een Belgische stad stonden en hoeveel mensen er in die krotten woonden.

Waar de opbrengsten zeker niet in werden geïnvesteerd is in die sociale zekerheid waar we, zoals Wolff nu terecht constateert, allemaal gebruik van maken. Die hele sociale zekerheid is van na de afschaffing van de slavernij. Die begon met dat Noodwetje van Drees die in 1947 in werking trad en die in 1957 werd vervangen door de Algemene ouderdomswet. Wat onze gehele sociale zekerheid kenmerkt, is dat deze wordt betaald uit belastingen en premies. De werkenden betalen via die belastingen en premies de AOW van de gepensioneerde, de ww van de werkloze en de bijstand van de bijstandstrekker. Daar komt geen ‘slavengeld’ aan te pas.

Dit laat onverlet dat investeren in de woon- en leefomstandigheden vooral op de Antillen maar ook in Suriname, net zoals trouwens in andere landen waar mensen het minder goed hebben, niet verkeerd is. Dat was ook het idee bij de onafhankelijkheid van Suriname. Het land kreeg na gesteggel over de hoogte ervan 3 ,5 miljard gulden aan ontwikkelingshulp toegezegd. Omgerekend naar nu is dat meer dan € 6,27 miljard. Dat is meer dan het Surinaamse BBP, dat bedroeg in 2022 $ 2,9 miljard. Het Surinaams BBP heeft  tot nu toe in geen enkel jaar de omvang van dat bedrag bereikt.

Dat laat onverlet dat de ongelijke behandeling van onze Bonairiaanse landgenoten die de bijstand die slechts 1/3 bedraagt van de Nederlandse een schande is die moet worden aangepakt. Net zoals de pensioenproblemen van Surinamers om een rechtvaardige oplossing schreeuwen. Dat iemand ‘met een kleurtje’ twee maal zo hard zijn of haar best moet doen, moet aanleiding zijn om hier wat aan te doen. Daarbij maakt het niet uit of die ‘een erfenis is van het slavernijverleden’ zoals Wolff betoogt of dat er sprake is van ‘nieuwkomers nadeel’ zoals ik het eerder heb genoemd.

En ja, ook investeren in het (geschiedenis)onderwijs is een goed idee. Daarbij zou het niet verkeerd zijn, te investeren in het volledige historische beeld. Daarbij hoort de trans-Atlantische slavenhandel en de behandeling van slaven maar daar horen zeker ook de woon- leef-, en werkomstandigheden van voorouders in Nederland bij die ik hierboven in het kort heb geschetst. Daar hoort ook het ontstaan van onze democratie bij. Toevallig las ik in dezelfde Volkskrant een artikel van Remieg Aerts over het ontstaan van het modern koningschap en de rol van Thorbecke hierin. Immers met de Grondwet van 1848 werd het koningschap ceremonieel. Daarvoor was de koning het hoofd van de regering en sturend en dwingend. Die sturende en dwingende koning: “leidde bijna tot een staatsbankroet, fnuikte de civil society en maakte het land slecht bestuurbaar. De koningen voerden een niet-omschreven ‘opperbestuur’ over de koloniën,” aldus Aerts. Daar waar de koning voor 1848 boven de wet stond, werd hij met die Grondwet van 1848 gebonden in de wet. Gebonden in die ceremoniële rol terwijl de macht bij het parlement, de vertegenwoordiging van het volk, kwam te liggen. Vrij snel na de aanname van de Grondwet van 1848 werd de slavernij afgeschaft. Dit ondanks het gegeven dat het overgrote deel van het volk, onder andere die arbeiders en keuterboeren, geen enkele invloed op hun vertegenwoordiging had. Zij hadden geen kiesrecht omdat ze geen of niet voldoende belasting betaalden.

Bestudering van de geschiedenis laat  een veel ander beeld zien dan Wolff in zijn artikel schetst. Zou de ‘aversie en het onbegrip over het excuus en het slavernijverleden’ niet ook worden veroorzaakt door de karikatuur die mensen als Wolff van de geschiedenis maken? Voor mij geldt dat in ieder geval wel.

Keti koti

Als je nu nog niet weet dat we op 1 juli herdenken dat de slavernij de jure 160 geleden werd afgeschaft, dan heb je onder een steen gelegen. Onder een steen gelegen omdat de media het afgelopen jaar en culminerend in de laatste week voor de 1ste juli 2023, veel aandacht hieraan hebben besteed. Op de dag voor die 1ste juli las ik bij De Correspondent een artikel van Karin Amatmoekrim dat aandacht vraagt voor deze herdenking en waarom die ons allen aangaat. Terecht want dit was een belangrijk moment in de geschiedenis en het moet aanleiding zijn om de schijnwerpers vol te richten op hedendaagse slavernij. Want nog steeds leven zo’n 40 miljoen mensen in slavernij. Dus op 1 juli herdenken en de rest van het jaar bestrijden. Toch knelt er iets in haar betoog.

Bron: flickr

Natuurlijk kan het dat je denkt ‘het is toch 150 jaar?’ En ja het is de facto 150 geleden dat aan de arbeidsplicht die bij de afschaffing aan voormalige slaven werd opgelegd een einde kwam. Die arbeidsplicht werd door de overheid opgelegd om de voormalige slavenhouders te compenseren in het verlies dat ze leden omdat hun ‘bezit’ werd afgenomen. Een vergoeding aan de voormalig slavenhouders klinkt ons vreemd in de oren toch was en is het nog steeds heel gebruikelijk dat je wordt gecompenseerd als je bezit wordt afgenomen door een overheidsmaatregel. De Britten compenseerden nog ruimer. De slavenhouders kregen in totaal 20 miljoen pond (vergelijkbaar met nu € 19 miljard) en de status van de voormalige slaven werd zonder hun instemming omgezet in een contract als ‘leerknecht’. Dit betekende dat ze nog zes jaar onbetaald hetzelfde werk moesten blijven doen. Dit even terzijde. Terug naar Amatmoekrim.

Volgens Amatmoekrim, en dat kan ik alleen maar ondersteunen, moet iedereen: “lezen over de Surinaamse schrijver en verzetsheld Anton de Kom, de Amerikaanse, Nederlandssprekende abolitionist Sojourner Truth  en al die andere tot de verbeelding sprekende voorouders. Er moeten romans  en films over komen, die ons onderwijzen in belangrijke lessen, die ons kippenvel geven en handvatten bieden voor een betere toekomst, zodat iedereen zich aan hen kan spiegelen en zich in hen kan herkennen.” Bijzonder wordt als ze haar betoog vervolgt: “Vandaag, op de drempel van Keti Koti 2023, wil ik aan iedereen die aarzelt om samen met bruin en zwart Nederland het slavernijverleden te herdenken, omdat hij denkt dat het niet zijn plek is, zeggen: onze helden zijn óók jullie helden. Ja, zij stonden ooit recht tegenover de Europese mens, maar door hun leven te vieren, vieren we onszelf zoals we nu, in dit heden zijn: een samenleving die tegen wil en dank versmolten is met een uiterst pijnlijke en schaamtevolle geschiedenis.” Hier gebeurt iets bijzonders.

Hier wordt een verkeerd perspectief geschetst. ‘Zij’ stonden niet tegenover de ‘Europese mens’. ‘Zij’ stonden, net als de overgrote meerderheid van de ‘Europese mensen’ tegenover de machtigen die hun leven bepaalden. Door het te stellen zoals in het citaat wordt miskend dat het overgrote deel van de voorouderlijke Europese mensen part nog deel hadden aan slavernij en de slavenhandel. Slavernij was niet iets van ‘…’ tegenover de ‘Europese mens’. Het was iets van mensen met macht tegenover machtelozen. Net zoals het nu nog steeds iets is van mensen met macht tegenover machtelozen. De ‘vrije’ Europese arbeider werd niet beter en soms nog slechter behandeld dan iemand in slavernij. De overgrote meerderheid van de toenmalige ‘Europese mensen’ en ook de bewoners van het gebied dat nu Nederland is, hadden totaal geen invloed op de acties en besluiten van de koninkrijken en steden waar ze woonden. Pas in 1917 konden alle Nederlandse mannen van 25 en ouder gaan stemmen, twee jaar later ook alle vrouwen. In andere Europese landen zijn de jaren wat anders, maar wat ze allemaal gemeen hebben is dat dit ver na de afschaffing van de slavernij was.

Het is nogal cru om de ‘nazaten’ van die uitgebuite ‘Europese mens’ nu op één hoop te vegen met de toenmalige machtigen en van hen ‘deemoed, bescheidenheid en schaamte’ te verwachten voor iets waar zelfs hun voorouders part nog deel aan hadden anders dan dat ze door dezelfde personen werden uitgebuit.

Holdomor

“De hongersnood in Oekraïne van de jaren 30 zou door de Tweede Kamer kunnen worden bestempeld als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’. Dat adviseert de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) in een rapport over de Holodomor, zoals de hongersnood wordt genoemd.” Zo lees ik op de site van de NOS. Geïnteresseerd, zocht ik het genoemde rapport erbij en sloeg aan het lezen. Het blijkt toch net wat anders te liggen.

Daily Express 6 augustus 1934. Bron: Wikipedia

Voor dat anders hoef je niet ver te lezen: “Voorop wordt gesteld dat de CAVV niet aan feitenonderzoek doet. Dit betekent dat de CAVV niet nagaat of de gebeurtenissen in 1932-1933 als genocide kunnen worden gekwalificeerd,” aldus de eerste zin van de tweede alinea. De Commissie heeft dus niet onderzocht of er in het betreffende geval sprake is van genocide. Wat heeft ze dan wel onderzocht? Het volgende: “De Tweede Kamer heeft de CAVV gevraagd de tijdsdimensie te onderzoeken en daarbij in te gaan op het toepasselijk recht ten tijde van de Holodomor, in het licht van de omstandigheid dat het Genocideverdrag pas in 1948 is aangenomen.” Deze zinnen volgden op die eerste zin. De Commissie heeft onderzocht of je een gebeurtenis die plaatsvond voordat het woord genocide bestond, genocide kunt noemen. Daarop kwam het antwoord dat je iets in het verleden een ‘genocide naar hedendaagse maatstaven kunt noemen. Of zoals de Commissie het formuleert in haar advies: “Hoewel genocide ten tijde van de Holodomor nog niet als internationaal misdrijf was erkend, kan de Tweede Kamer zich op het standpunt stellen dat de Holodomor naar hedendaagse maatstaven als genocide (dan wel misdrijf tegen de menselijkheid) kan worden beschouwd, voor zover de Holodomor inderdaad aan de vereisten van deze misdrijven voldoet.” Een cruciale stukje tekst ontbreekt in de berichtgeving van de NOS en dat is de tekst vanaf ‘voor zover’.

Genocide, een woord dat we te danken hebben aan de Pools-joodse rechtsgeleerde Raphael Lemke en dat in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide als volgt is gedefinieerd als: “een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep, het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep, het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging,het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen en  het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.”  Als hier in het geval van de Holdomor sprake van is, dan zou je dit, zo adviseert de commissie als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’.

Wat gebeurde er in de Sovjetrepubliek Oekraïne? Waarom vielen er in de periode 1932-1933 miljoenen doden door honger? Dat is eigenlijk de verkeerde vraag. Want wat er gebeurde, gebeurde niet alleen in de Sovjetrepubliek Oekraïne maar in de gehele Sovjet Unie. De leiders van de Sovjet Unie wilden  in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw, de boeren, het grootste deel van de inwoners van het land was boer, naar het socialisme toe laten groeien door ze er de voordelen van te laten ervaren en ze wilden de landbouwproductie verhogen. Dit met de hongersnood van 1922 en het terugvallen van de graanoogst tot slechts twee derde van wat het voor de Eerste Wereldoorlog was. Dat toegroeien betekende ze te bewegen in de richting van coöperatieve organisatievormen. Echter, om de voedselproductie niet in gevaar te laten komen mochten boeren eigen bedrijfjes hebben en na betaling van belasting in nature, mochten ze het overschot op de markt verkopen. Hierbij bepaalde de markt de prijs van de producten. De belangrijkste koper van de landbouwproductie was echter de staat. Die kocht in 1925 55% en twee jaar later zelfs 85% van de oogst op.

Midden jaren twintig werd de markt echter weer losgelaten en werd de graanprijs met 20-25% verlaagd. Daarop gingen de boeren minder voor de markt produceren en meer als veevoer. “De graanproductie ten behoeve van staatsaankopen zakte eind 1927 met dertig procent in. Stalin cum suis namen alleen dat laatste gegeven serieus en concludeerden ten onrechte dat de boeren het weer lieten afweten,”  aldus Ditrich en van Goudoever in hun boek de geschiedenis van de Sovjet Unie. Stalin cum suis: “gingen tot de aanval over en lieten graan net als in de tijd van het oorlogscommunisme in beslag nemen.”  De graanproductie daalde hierdoor nog verder en daarop koos de partijleiding: “voor de grootschalige landbouw, de collectivisatie. Was in 1928 en 1929 al op enige schaal gecollectiviseerd, vanaf eind 1929 geschiedde dit massaal. De boeren werden gewelddadig en collectieve eenheden samengedreven door tienduizenden arbeiders en partijfunctionarissen. De meesten kwamen in collectieve boerderijen, de kolchozen, een klein deel in staatslandbouwbedrijven, de sovchozen, terecht. Wie zich verzette heette een koelak te zijn en werd gedeporteerd.” Dit leidde tot: “tussen de een en twee miljoen slachtoffers. Op korte termijn leidde de collectivisatie tot ernstige productievermindering, massale vee slachting en uiteindelijk in 1932-1933 opnieuw tot een vreselijke hongersnood die acht à tien miljoen mensenlevens vergde. Daartegenover stond het papieren succes van een schier totale collectivisatie. [1]

Ja, slachtoffers van de collectivisatie van de landbouw ondervonden ‘ernstig lichamelijk of geestelijk letsel’. De collectivisatie van de landbouw in de Sovjet  had niet  tot doel ‘om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep’.  Nationale etnische groepen en rassen waren tijdens de Holdomor zowel dader als slachtoffer en ook godsdienst speelde geen hierin geen enkele rol. De leiders van de Sovjet Unie waren Rus zoals Molotov en Kamenev, Georgiër zoals Stalin en Beria en ook Oekraïner zoals Zinovjev en Trotski. De slachtoffers van de collectivisatie waren Rus, Georgiër, Oekraïner, Litouwer, Kazach, Armeniër. De ‘nationale etniciteit’ was niet de reden van hun slachtofferschap van de collectivisatie. Een verschrikking die Oekraïne hard trof maar dat had niets met hun nationaliteit of etniciteit te maken. De reden was hun verzet tegen de collectivisatie. In Oekraïne was die groot omdat het gebied pas in 1922 onder Sovjet controle kwam en daarmee de verplichte graanlevering onder het oorlogscommunisme niet hadden meegemaakt en dat had in de rest van het land al tot die hongersnood van 1922 geleid. Er is daarmee ook met de huidige maatstaven geen sprake van genocide.

Dat de Oekraïense ambassade, zoals is te lezen in een bericht van een jaar geleden bij de NOS: “ hoopt dat ook Nederland “deze belangrijkste stap zal zetten,”  omdat, zo betoogt die ambassade:  “Juist nu (…) de internationale erkenning van historisch belang (is), omdat Oekraïners opnieuw heldhaftig de vrijheid verdedigen ten koste van hun eigen leven,” doet daarbij niet ter zaken. Ja, wat Oekraïne nu overkomt is verschrikkelijk. En ja wat de slachtoffers van de collectivisatie overkwam was ook verschrikkelijk. Die collectivisatie was en is, hoe graag de Oekraïense regering het ook wil, geen ‘heldhaftige strijd van Oekraïners voor hun vrijheid.’ Het zo willen zien is het herschrijven van de geschiedenis voor gebruik in het heden. Dat is iets waar deze historicus grote moeite mee heeft.


[1] Z.R. Ditrich en A.P. van Goudoever, de geschiedenis van de Sovjet Unie, pagina 63

Lichte identiteit

“Wat doen sociale media met het zelfbeeld van meisjes? Wat betekent het om voortdurend in contact te staan met een wereld vol onrealistische ideaalbeelden.”  Met die woorden opent een artikel bij De Correspondent van Veerle van Herk. Want: “Het gaat niet goed met de mentale gezondheid van meisjes.” Een artikel met als titel Wat meisjes in de spiegel zien. Eigenlijk is het geen artikel maar een fotorapportage van een groep van meisjes tussen de 11 en 14 waarbij Ven Herk een tekstuele toelichting geeft. Ik moest bij het lezen van de vragen denken aan de tegenwoordige fascinatie met ‘identiteit’. Zou de nadruk op ‘identiteit’ en dan vooral de ‘eigen’ variant ervan een van de oorzaken van de ‘geestelijke gezondheidsepidemie’ zijn? zo vroeg ik me af.

Aanpassen

Een paar jaar geleden schreef ik een Prikker over ‘misgenderen’. Dit naar aanleiding van een klein artikeltje op de site OneWorld. Zelfs na die Prikker liet één zin in het artikel me niet los. De zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Als ik die zin en de context waarin de zin wordt gebruikt goed begrijp, dan is identiteit gelijk aan je eigen genderkeuze. ‘Identiteit’ een woord dat tegenwoordig zeer veel wordt gebruikt: de ‘Nederlandse identiteit’,  de ‘moslim identiteit’ en hier dus de ‘gender identiteit’. Eenzelfde woord dat wordt gebruikt in zoveel verschillende contexten, dat moet wel tot verwarring leiden. Wat is ‘identiteit’ en waarom maken we ons er druk om? En waarom zou je er onzeker van worden

Ik begin waar ik vaker begin, de Van Dale. Die geeft twee betekenissen: gelijkheid: je identiteit bewijzen bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Hoe komen we van het individu naar een groep?

Dan maar even Wikipedia geraadpleegd. “ Identiteit is de eenheid van wezen, volkomen overeenstemming en gelijkheid. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is het zelfbeeld of zelfconcept.”  De trans persoon die niet met het juiste voornaamwoord wordt aangesproken stemt niet overeen met het door de ander opgemerkte beeld. Met zijn imago of image, om die reclameterm te gebruiken, de: “indruk die de buitenwereld heeft van iemand of iets.” Die kunnen verschillen. Wikipedia gaat verder: “Er zijn verschillende soorten van het begrip identiteit te onderscheiden, zoals persoonlijke, genetische, sociale, culturele en nationale identiteit.” En daarmee komen we van het individu bij de groep: de culturele en nationale identiteit.

We komen er, maar het wordt er niet duidelijker op. “Een culturele identiteit ontstaat als een samenleving kiest voor een groepsverbondenheid die deze zelf definieert op grond van gemeenschappelijke waarden en normen en op grond van een gemeenschappelijk verleden. Culturele identiteit is een toeschrijvingsproces dat wortelt in een historisch continuïteitsbesef.” Zoals het hier is geformuleerd lijkt het alsof er sprake is van een bewuste keuzeproces waarbij men kiest welke normen en waarden er wel bij horen en welke niet. Een soort ‘vergadering’ van alle leden van de samenleving die gaan stemmen wat wel en niet tot die ‘culturele identiteit’ behoort. Maar wat als ik dan een minderheidsstandpunt vertegenwoordig? Hoor ik dan niet meer bij die culturele identiteit?

Als een culturele identiteit ontstaat door een keuze van een samenleving, waarin verschilt die culturele identiteit dan van de nationale identiteit. Een nationale identiteit is: “de collectieve identificatie met de natiestaat. De nationale identiteit is onderdeel van de sociale identiteit.” De sociale identiteit: “is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een gewenst zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes.” Tot zover gaat het nog wel, maar dan: “De sociale identiteit is opgebouwd uit de identiteit van groepen waartoe iemand kan behoren, zoals de nationale, culturele, geslachts-, politieke of stedelijke identiteit.” Alle mogelijke andere identiteiten bepalen de sociale identiteit van een persoon. Daarbij de aantekening dat ‘identiteit’, zoals de Van Dale aangeeft, een zelfbeeld is. Dat zelfbeeld hoeft niet overeen te stemmen met het beeld dat anderen hebben van de persoon, cultuur of natie.

Identiteit lijkt daarmee, zoals de Vlaamse psycholoog Paul in zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.[1]” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Daarmee kan identiteit niet los worden gezien van imago. De trans persoon die ‘anders’   wordt waargenomen dan gewild, kijkt in Verhaeghes beeldscherm en moet daar iets mee. Een steen door dat beeldscherm werpen is dan een weinig succesvolle strategie. Identiteit is, volgens Verhaeghe niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.[2]” Zou een onveranderlijke nationale of culturele identiteit dan niet even twijfelachtig zijn?

Een paar bladzijden verder, schrijft Verhaeghe iets waarmee we de stap maken naar het waarom ‘we’ ons zo druk maken om de ‘identiteit’. Verhaeghe ziet “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.[3] Voor het bij een groep horen hebben we de ‘culturele’ en ‘nationale’ identiteit’, die we onderdeel laten uitmaken van onze individuele ‘sociale identiteit’. Onze individuele identiteit maakt echter ook deel uit van die sociale identiteit en door die individuele identiteit: “kan men zich onderscheiden binnen een groep”, om Wikipedia aan te halen. 

Zou die grote belangstelling voor ‘identiteit’ te maken hebben met wat er in het ‘verschuivende beeldscherm’ te zien is? Dat beeldscherm laat ons steeds meer van de buitenwereld (dichtbij en veraf) zien. Steeds meer ‘beelden’ waartoe je je als individu moet verhouden. Maar ook omgekeerd, steeds meer ‘buitenwereld’ die jou via een beeldscherm ziet en zich ook weer tot jou moet verhouden. En op collectief, cultureel- of nationaal niveau, gebeurt precies hetzelfde. Francis Fukuyama lijkt ook in die richting te denken in zijn recente boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Volgens Fukuyama staat Maarten Luther aan het begin van het begrip identiteit of zoals hij het zelf schrijft op pagina 48: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.”  Luther was, zo betoogt hij, de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen. [4]

 Dat het onderscheid tussen het innerlijke en het uiterlijke in Europa ontstond was volgens Fukuyama geen toeval: “De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.[5] Welke veranderingen dat waren: “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën. [6] 

Om het wat duidelijker te maken, het voorbeeld dat Fukuyama geeft: “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[7]” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Het tijdperk van ‘Hans’ werd gekenmerkt door grote sociale en maatschappelijke verandering. De samenleving veranderde van een agrarische naar een industriële. Nieuwe ‘banen’, andere maatschappelijke verhoudingen, nieuwe onzekerheden en het wegvallen van bestaande zekerheden. Iets wat ook voor het huidige tijdsgewricht lijkt op te gaan. Voor velen is niet duidelijk of het werk dat ze nu doen er over vijf jaar nog is. Een robot kan het zomaar overnemen of er ontstaat ineens een ander alternatief voor je werk en dan ben je net zo overbodig als de ‘hoefsmid’. De vraag op wie je kunt terug kunt vallen bij pech is ook weer actueel. Die was vanaf de jaren vijftig beantwoord: op sociale regelingen. Alleen zijn die sinds de jaren tachtig flink ingekrompen en van karakter veranderd. Net als Hans zien we mensen uit andere streken met een andere taal en gebruiken. En net als Hans zien we nu politici, zelfs van over de hele wereld, die ons allemaal voor zich proberen te winnen maar waarvan we ons afvragen of ze werkelijk met ons lot zijn begaan. 

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama: “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[8]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.

Het antwoord dat Hans kreeg wordt door politici als Wilders en Baudet nog steeds gegeven: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Het bijzondere hierbij is dat Baudet terug lijkt te verlangen naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Alleen lopen er tegenwoordig veel Nederlanders rond die zich hierin niet herkennen. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden. Of, om een citaat van Verhaeghe dat ik hierboven al gebruikte te herhalen: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” 

Naast dit ‘oude’ antwoord op de vraag ‘wie ben ik’, is er tegenwoordig een andere manier van beantwoorden van deze vraag. In de eerste zin van een artikel bij Oneworld benoemde Saeda Nourhussen die manier: “In-ter-sec-tio-na-li-teit.” Dat woord liet ze volgen door: “Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” Om het vervolgens uit te leggen: “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse). Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken.

Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site. Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleiding scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft de meeste privileges?

Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel: “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”  Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”  Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.

Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af.  Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd. Stukjes waaraan waarde en eigenschappen worden toegerekend. Die je worden toegedicht ook al herken je je zelf er niet in. Eigenschappen die via digitale kanalen worden bevestigd. Kanalen die je verketteren, of om het hedendaags uit te drukken, ‘cancellen’ als je er niet aan voldoet

Ik begon met het verwijzen naar de vorige Prikker en de zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Ik hoop dat de trans persoon zich veel meer voelt dan trans persoon. Dit terzijde. Er is meer. De regering werkt aan een vereenvoudiging van de Transgenderwet en rond die nieuwe wet wordt flink gediscussieerd door voor- en tegenstanders. “Het meest gehoorde argument is dat mannelijke verkrachters zich straks toegang kunnen verschaffen tot vrouwen-wc’s en -kleedkamers.”  Zo lees ik in een artikel van Valentijn de Hingh bij De Correspondent. De discussie draait om zelfidentificatie en de gevolgen hiervan. Ik moest daarbij denken aan een cursus public relations die ik ooit heb gevolgd en daarmee kom ik bij het meer.

Het was in die cursus dat ik voor het eerst kennis maakte met het begrip ‘identiteit’. Het kwam in de titel voor van een boek van C.B.M van Riel. Een boek met als titel Identiteit en Imago. Een inleiding in de corporatie communication. Wat ik me nog van het boek herinnerde was dat ‘identiteit’ dat is wat je zelf vind dat je bent en ‘imago’ is hoe anderen je waarnemen. Ik stipte het hierboven al even aan. Maar om het zeker te weten zocht ik het boek. Dat moest ergens op de vliering in een doos of kist liggen. En even later stond ik met het boek in mijn handen op zoek naar de betekenis van de twee begrippen. Van Riel: “Imago en identiteit zijn veelvuldig gebruikte begrippen geworden als het gaat om het vaststellen van de communicatiestrategie van een onderneming. Geleidelijk aan is het algemeen geaccepteerd dat imago ‘het beeld is van een organisatie in de perceptie van de doelgroepen’, terwijl identiteit veelal wordt geassocieerd met ‘de wijze waarop het bedrijf zich profileert ten opzichte van haar doelgroepen.[9]” Mijn herinnering had mij niet in de steek gelaten. ‘Identiteit is wat je wilt zijn’ en die ‘je’ kan ook een bedrijf zijn. Dit sluit aan bij de definitie die de Van Dale geeft: “eigen karakter van een persoon of groep.” In het huidige tijdsgewricht lijkt het erop dat ‘identiteit’ de betekenis die Van Riel aan ‘imago’ geeft, heeft aangenomen.

Als we naar het identiteitsbegrip van Van Riel en Nourhussen kijken, dan lijken beiden het over iets anders te hebben. Van ‘wat je zelf vindt dat je bent’ naar een verzameling van kenmerken waaraan ‘privileges’ die meer of minder ‘privilege’ opleveren, hangen. Als ik het op mezelf betrekt dan zou ik mijn identiteit op Van Riels manier als volgt beschrijven: “Ik ben een energieke creatieve vrijdenkende historicus met een zeer brede maatschappelijke interesse en een drive om de wereld te verbeteren. Te verbeteren door mensen los te laten komen van vaste denkpatronen en zo fungeer ik als luis in de pels. Ik kom met onconventionele, creatieve, goed onderbouwde en beargumenteerde plannen, ideeën voor de problemen van vandaag, gericht op de uitdagingen van morgen en goed geworteld in het verleden. Voor mij is het glas altijd vol. Ik schrijf stukjes op mijn eigen site.” Op basis van Nourhussens intersectionele manier van denken over identiteit ziet de beschrijving van mijn identiteit er heel anders uit: “Ik ben een hetero man met een blanke huidskleur. Ik ben cis-gender. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben theoretisch opgeleid en als zzp’er actief is in overheidsland.”  Twee compleet verschillende omschrijvingen. Met de ‘Van Riel’ omschrijving zou je moeite hebben om mij te herkennen in een rij bij een kassa. Dat lukt met de ‘Nourhussen’ omschrijving beter. Terwijl als je met mij in gesprek zou willen gaan de ‘Van Riel’ omschrijving een veel beter beeld geeft wat je te wachten staat.

Het begrip ‘zelfidentificatie’ komt daarmee overeen met Van Riels identiteitsbegrip. Je identiteit is jouw kijk op jezelf en die kan niemand je afnemen. Niemand kan zeggen dat het niet klopt. Dus als ik als blanke cis-gender hetero man mezelf omschrijf als lesbische, vrouwelijke Klingon, dan ben ik dat voor mezelf. Voor degenen onder mijn lezers die het niet weten, Klingons zijn de humanoïde bewoners van de planeet Kronos. Tenminste, in de serie Star Trek[10]. Ze staan bekend om hun strijdlust en moed en hebben een uitgesproken en geribbeld voorhoofd. Als ik je dat vertel, denk je vast dat ik niet goed spoor. Je ziet immers iemand die voldoet aan de Nourhussen identiteitsbeschrijving die ik hierboven van mezelf gaf. En met dat niet overeenstemmen met mijn beschrijven van mezelf en jouw waarneming van mij, komen we bij imago. Want jouw waarneming van mij, is het imago dat jij aan mij toekent. Hoe ik jou waarneem hoeft niet hetzelfde te zijn als de hoe jij jezelf ziet. Ik kan je als mens zien terwijl jij je Klingon voelt.

Zoek hier als tiener, meisje of jongen maar eens je weg in. Zou dat de oorzaak ervan zijn dat het: “niet (gaat) goed met de mentale gezondheid van meisjes,” zoals Van Herk schrijft? In een interview in de Volkskrant een paar jaar geleden, gaf de filosoof Kwame Anthony Appiah een interessante bespiegeling die een uitweg kan bieden: “Identiteit is vaak gebaseerd op leugens. Maar: we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.” Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur? En ook op de kruispunten van Nourhussen verschillen de daar bivakkerende mensen op vele manieren van elkaar.

 “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen…,” aldus Appiah. Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’. En ja, ook op de Nourhussens kruispunten gebeurt iets bijzonders. De intersectionele theorie beoogt verschillen in macht te verklaren. Als ze wordt gebruikt om de identiteit van levende mensen te beschrijven, dan wordt ze zwaar.

Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”

Een lichte identiteit op het niveau van een samenleving, maar ook op persoonlijk niveau. Het citaat van Appiah over licht dragen van je identiteit gaat verder: “ …maar sommige van die bewegingen zijn zwaar. Ze trekken mensen in een identiteit waar ze helemaal geen zin in hebben. Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in een homo-enclave in de stad willen wonen, maar zelf wil ik dat niet. Ik voel me aangetrokken tot mannen, maar de laatste dertig jaar slechts tot één man, Henry. Henry is een groot feit in mijn leven, niet mijn homoseksualiteit. Laten we mensen niet in categorieën persen.” 

Deze prikker is een combinatie van drie eerdere prikkers: Hans en de vraag ‘Wie ben ik?’, Verdwalen tussen kruispunten en Identiteit, imago en de transgenderwet.


[1] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 14

[2] Idem, pagina 15

[3] Idem, pagina 19

[4] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 48

[5] Idem, pagina 55

[6] Idem, pagina 57

[7] Idem, pagina 89

[8] Idem, pagina 91

[9] C.B.M. van Riel, Identiteit en imago, pagina 30

[10]  https://nl.wikipedia.org/wiki/Klingon_(Star_Trek)

Grijze cellen

Op de verschillende sociale media sturen mensen berichten de wereld in die zij belangrijk vinden. Zo bereikte mij via LinkedIn een bericht van iemand die een artikel van De Correspondent deelde. Een artikel met als titel Als de BBB haar stikstofplannen doorduwt, zullen de meeste boeren verdwijnen. Een artikel waar de auteur, Thomas Oudman, betoogt dat de ‘technische aanpak’ van het stikstofprobleem waar ook de BBB voor pleit, leidt tot verdere schaalvergroting en het verdwijnen van ongeveer een derde van de huidige boeren. Nu gaat het mij niet om dit artikel, maar om de reactie van iemand onder het bericht.

Bron: Flickr

“We blijven geloven dat het draait om de terugdringing van stikstof deposities maar dat is een jingle …..ze willen je grond en veranderen er direct de bestemmingsplannen op….agrarisch eraf en bouw of industrie erop…..grondprijs x 4 waarde toename minstens ……”  Op de vraag wie de ‘we’ zijn komt het antwoord: “Alles wat om EU en WHO hangt als vliegen om een koeien vlaai en dram fransje heeft dat absurde kasteel ook vast van zijn minister salaris gekocht.
Het is 1 grote beerput en het wordt elke dag gekker als je dat echt niet ziet of wil zien blijf dan vooral tukken dat hebben ze het liefste!”
  Een bijzonder betoog omdat ‘dram fransje’ Timmermans  nu juist de grootste moeite heeft om een Europese natuurherstelwet aangenomen te krijgen. Een wet die (economische) activiteiten in de buurt van natuurgebieden lastig tot onmogelijk maakt. Als het ‘dram fransje en de EU’ werkelijk te doen was om grond in waarde te vermeerderen en dan te verkopen, dan is zo’n wet in mijn ogen niet de beste manier om dit te bereiken.

Het kan aan mijn grijze cellen liggen dat ik het niet zie. Het kan echter ook dat het aan de grijze cellen van de persoon die deze reactie plaatste liggen. Wellicht ziet die spoken die er niet zijn. Ik denk dat dit laatste het geval is. Dat maakt dan wel meteen dat ik me zorgen maak of die aantasting van de grijze cellen ook invloed hebben in het dagelijkse werk van deze persoon. De persoon geeft aan dat hij hogere veiligheidskundige is en werkt aan ‘Safety at the highest level’. Dat geeft me dan toch een beetje een unheimisch gevoel, om een germanisme te gebruiken.

Trouwens germanisme. Van een ander, aanverwant iets voel ik me nog unheimischer. In een interview met de Volkskrant betoogt fractieleider Manfred Weber van de Europese Volkspartij, dat de Europese Natuurherstelwet waaraan Eurocommissaris Frans Timmermans werkt, naar de prullenbak moet. Een bijzonder interview. Bijzonder vanwege de logica, of beter het gebrek eraan in de redeneringen van Weber. “Het idee voor de natuurherstelwet – alsook de halvering van het gebruik van pesticiden – stamt uit het begin van deze Commissie. Dat was een andere wereld. We hebben inmiddels een pandemie gehad en een recessie en nu zitten we met de grootste oorlog sinds 1945 aan onze buitengrens. Inflatie is de grootste zorg van de burger en die inflatie wordt aangejaagd door hoge voedselprijzen, niet langer door dure energie. Daarom zeggen wij ‘nee’ tegen alle wetten die leiden tot minder voedselproductie in Europa en daardoor hogere prijzen.”  Ja, er was een pandemie en een recessie al viel die laatste behoorlijk mee. De economische coronadip is inmiddels al meer dan goed gemaakt. En ja, er is een oorlog aan onze buitengrens.

Wat niet is veranderd, is de achteruitgang van ecosystemen en de biodiversiteit. “De natuur in de EU gaat hard achteruit: meer dan 80% van de habitats verkeert in een slechte staat. Veengebieden, graslanden en duinen zijn het zwaarst getroffen. In West-, Centraal- en Oost-Europa is het aantal wetlands sinds 1970 met 50% verminderd. Tot 70% van de EU-bodems verkeert in een ongezonde toestand. Ernstig geërodeerde akkers dragen naar schatting bij tot een verlies aan landbouwproductiviteit van 1,25 miljard euro per jaar in de EU. In de afgelopen tien jaar is 71% van de vispopulaties en 60% van de amfibieënpopulaties achteruitgegaan. Er is een afname van een op de drie bijen- en vlindersoorten, en een op de tien soorten staat op het punt uit te sterven.”  Zo is te lezen op de Nederlandse EU-site. Daar wil de Natuurherstelwet iets aan doen. Herstellen van de biodiversiteit en de ecosystemen. Dit om de voedselvoorziening voor onze kinderen en kleinkinderen veilig te stellen.

Weber heeft een heilig vertrouwen in boeren: “Wij luisteren naar de boeren. Die weten wat ze doen. Zij vertellen ons: deze wet dwingt ons 10 procent minder land te gebruiken. Dat betekent 10 procent minder voedselproductie – of je moet de overige 90 procent grond intensiever gebruiken, maar dat gaat niet samen met een halvering van het pesticidengebruik.”  Zijn vertrouwen in de EU-ambtenaren is een stuk kleiner en zelfs afwezig: de EU-ambtenaren die deze wet schrijven hebben geen flauw benul van wat biodiversiteit is.” De boer als alwetende. Maar als die boeren weten wat ze doen, hoe zijn we dan in de huidige ellende terecht gekomen? Waarom verkeert dan 70% van de bodem in de Europese Unie in een ongezonde toestand? Vreemd trouwens dat bedrijven waar boeren aan leveren, bedrijven zoals Nestlé, Danone en Rémy Cointreau de wet aanbevelen met de woorden: “ The EU Nature Restoration law is a generation’s opportunity to take concrete and effective action to reverse the biodiversity and climate crises by restoring EU land and sea areas at large scale.” Zij en nog meer dan zestig andere bedrijven. Of zouden die uit zijn op die 10% grond?

Even ervan afziend dat 10% minder land niet meteen 10% minder voedsel betekent. In de Europese Unie gooien we jaarlijks 88 miljoen ton voedsel in de afvalbak. Wereldwijd is dat trouwens 1,3  miljard ton en dat is een derde van het geproduceerde voedsel. Als Weber zich zorgen maakt over de voedselzekerheid en -prijs laat hem zich daar dan op richten. Alleen zal dat aan Weber niet besteed zijn. “Ik ga niet steggelen over de precieze percentages, maar deze wet leidt tot minder voedselproductie.” Reageert hij op de constatering van de interviewer dat: “Ondanks de pandemie, de oorlog, andere keuzes van de consument en klimaatverandering, zal de voedselproductie blijven toenemen in Europa. De groei is alleen wat minder groot.”

“Ik ken die rapportage maar ze schiet tekort. Ik tast nog steeds in het duister wat de precieze gevolgen zijn.” Zo reageert Weber op de constatering dat er een effectrapportage ligt waaruit blijkt, zo geeft de interviewer aan dat: “de opbrengsten van de wet vele malen groter zijn dan de kosten. Niets doen, zoals u voorstelt, kost 1.700 miljard euro.”  Natuurlijk heeft hij een punt dat de precieze gevolgen niet bekend zijn. Precieze gevolgen zijn in geen enkele rapportage of onderzoek te vangen. Met dit argument zal de partij ook tegen het nieuwe Europese asielakkoord zijn. Over de ‘precieze gevolgen’ ervan tasten we immers in het duister. Nu zijn er goede redenen om hier tegen te zijn. We kennen de precieze gevolgen niet, wat we wel weten is dat het geen antwoord is op de vraag van de vluchteling of migrant.

“‘Eerlijk gezegd, en dat wil ik hier graag benadrukken: ik heb niet het idee dat de Commissie beseft dat we in een nieuwe wereld leven. De EVP vraagt om een realitycheck.” Het lijkt mij dat de grijze massa van Weber en zijn partijgenoten en de partijen, waaronder het Nederlandse CDA, die samen de EVP vormen, een realitycheck nodig hebben. In de zesde aflevering van Marcel en Gijs complimenteerde Marcel van Roosmalen BBB-leider Van der Plas dat het haar was gelukt om de sores van de boeren (en dan nog niet eens alle boeren), een heel klein groepje Nederlanders, te verheffen tot een nationaal probleem. Het lijkt erop dat Weber dit kunstje op Europees niveau probeert te herhalen. En nu maar hopen dat de grijze massa van de overgrote meerderheid van de Europeanen dit doorziet. Als de reactie op de LinkedIn post hiervoor maatgevend is, dan moeten we ons zorgen maken

Premiersverkiezingen

Eind vorig jaar startte er een actie met als doel om de kiesdrempel te verhogen. Inmiddels hebben 42.000 mensen de petitie ondertekend, zo is op de betreffende site te lezen. De initiatiefnemers willen een kiesdrempel van 3 zetels wat betekent dat een partij ongeveer 2% van de kiezers achter zich moet krijgen om in de Tweede Kamer te komen. De initiatiefnemers en ondertekenaars verwachten dat hiermee het vertrouwen in de politiek wordt vergroot en omdat ze van mening zijn: “dat de huidige versplintering in de Tweede Kamer afbreuk doet aan de kwaliteit van de besluitvorming voor de langere termijn.” In zijn column van 20 mei in de Volkskrant betoogt Frank Kalshoven dat een kiesdrempel wel zou helpen maar er toch niet gaat komen. Het zou helpen omdat versplintering tot slechte kabinetten leidt. Een bijzondere discussie.

Bron: Oncyclopedia

De verkiezingen van 2021 zorgde voor 17 partijen in de Tweede Kamer en dus 17 fracties. Inmiddels zijn dat er door wat afsplitsingen alweer enkele meer. Als we met die ‘3 zetelnorm’ naar de uitslag van 2021 kijken, dan zouden alleen BIJ1, 50PLUS en BBB niet in de Kamer zijn gekomen. Dan waren er 14 partijen verkozen en zouden de drie zetels van de drie partijen die het niet hebben gehaald, zijn verdeeld over de 14 andere. Zou dat werkelijk tot ‘kwalitatief betere besluitvorming’ leiden? Wel zou dit besluit waarschijnlijk een zeer grote invloed hebben gehad op de talkshows en de provinciale verkiezingen van maart dit jaar. Dit omdat BBB voorvrouw Van der Plas dan niet met de trekker haar opwachting had gemaakt bij haar installatie. Ze was dan niet interessant geweest waardoor de talkshows een andere ‘vaste gast’ hadden moeten zoeken. Zonder al die publiciteit had de partij naar alle waarschijnlijkheid niet zo goed gescoord bij de recente provinciale verkiezingen en dus nu geen 16 zetels in de nieuwe Eerste Kamer. Dus ja, zo’n drempel heeft invloed. Het bemoeilijkt de toegang tot het politieke Walhalla voor nieuwkomers. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom of een drempel de ‘kwaliteit van de besluitvorming’ verbetert en tot betere kabinetten leidt zoals Kalshoven betoogt.

Volgens Kalshoven veroorzaakt versplintering slechte kabinetten: “hoe meer deelnemers aan een kabinet, des te groter het aantal compromissen dat gesloten moet worden. Met een goed compromis is niets mis, maar er zijn ook slechte compromissen, en die tieren weliger.”  Als tweede dwingt versplintering, zo betoogt hij: “partijen tot profilering, ook in de Kamer, en vermindert de capaciteit voor inhoudelijk Kamerwerk.” Als laatste: “politieke versplintering veroorzaakt houtrot binnen de overheid. Steeds meer beleidsambtenaren moeten de minister ‘beschermen’ en ‘uit de wind houden’. En de uitvoering is het kind van de rekening.”  

Die laatste reden zijn er eigenlijk twee, de eerste de minister uit de wind houden en ‘de uitvoering als kind van de rekening’ als tweede waarbij die tweede eerder een gevolg is de eerste reden die Kalshoven noemt. Daarover dadelijk meer. De minister uit de wind houden is in de basis geen taak van ambtenaren. Hun taak is het adviseren van de minister en de uitvoering van genomen besluiten. De minister ‘uit de wind houden’ hoort daar niet bij. Als een minister bomen met de ‘wortels naar boven’ wil laten planten, dan is het aan de ambtenaar om te adviseren en aan te geven dat bomen groeien met de wortels in de grond en dat ze kapot gaan met de ‘wortels in de lucht’ en dat dit dus geld verspilling is. Als dan toch wordt besloten de bomen met de ‘wortels naar beneden te planten’, dan wordt dat uitgevoerd en zijn de gevolgen daarvan een verantwoordelijkheid voor de minister. Dan is het niet aan de ambtenaar om voor de minister te gaan staan zodat die niet wordt getroffen door de wind. Nee, het is juist de minister die voor de ambtenaren moet gaan staan en moet zeggen: ‘dit is een gevolg van mijn besluit en hiervoor ben ik dus verantwoordelijk’.

Nu wil Kalshoven een hogere kiesdrempel. Hij wil naar een Kamer van vijf of zes partijen. Nu is ‘vijf of zes’ lastig. Als je met de uitslag van 2021 de zetels gaat verdelen over de zes grootste partijen dan wordt ongeveer 52% van de kiezers niet vertegenwoordigd. Vertalen ‘vijf of zes zetels’ naar een percentage kiezers dat je moet halen om in aanmerking te komen voor een zetel, dan hebben we het over 3,5% van de kiezers. Met dit als drempel zaten er nu negen partijen in de Tweede Kamer. Dan nog zouden er drie partijen nodig zijn om een coalitie te vormen. Een kiesdrempel van 5% zou er één partij in de Kamer minder opleveren en er zouden nog steeds drie partijen nodig zijn om een coalitie te vormen. Ja, het leidt tot iets minder ‘versplintering’ en tot iets meer capaciteit voor inhoudelijk Kamer werk. Of dit tot minder ‘slechte compromissen’ zou leiden zoals Kalshoven betoogt? Wel bijzonder trouwens dat Kamerleden tijd moeten vinden voor ‘inhoudelijk Kamerwerk’ terwijl dat toch is waarvoor ze worden gekozen.

Het meest bijzondere aan de hele discussie is dat er om de bestuurbaarheid van het land te verbeteren alleen wordt gekeken naar de manier waarop de Tweede Kamer wordt samengesteld. Waarom niet kijken of een andere manier om tot ons bestuur (de regering) te komen het probleem niet kan oplossen? Daar zijn wij als kiezer slechts indirect bij betrokken. Wij stemmen voor de Tweede Kamer en na die verkiezing wordt er een regering gezocht die op de steun van de Tweede Kamer kan rekenen. Wat als we de regering rechtstreeks kiezen? Dat zou via maximaal twee rondes kunnen. In de eerste ronde kan iedereen meedoen als kandidaat-premier met een programma en mocht dat niet leiden tot één kandidaat met meer dan 50% van de stemmen, dan volgt een tweede ronde waarin de twee kandidaten met de meeste stemmen het tegen elkaar opnemen. De winnaar vormt de regering en zit er voor vier jaar. De winnaar moet wel met het op de huidige manier gekozen parlement in de slag om een meerderheid te verwerven voor de plannen en het geld. Die regering legt haar plannen voor en zoekt. De daarvoor benodigde compromissen worden dan per onderwerp in het parlement afgesloten wat de Kamerleden voldoende mogelijkheden biedt zich te profileren maar dan wel op inhoud en zijn eigenlijke werk en niet op vorm.

Of, en dan gaan we nog een stap verder, we kiezen ook onze volksvertegenwoordigers op een andere manier. Als we dit anders willen, dan moeten we de manier waarop we Kamerleden kiezen veranderen. Dan moeten we de Kieswet veranderen. Dat is de wet waarop politieke partijen rusten. Die spreekt over ‘kandidatenlijsten’. En dat zijn nu vooral politieke partijen. ‘Vooral’ omdat de ‘bv Wilders’ geen partij is maar een ‘zelfstandige met personeel dat hij door anderen laat betalen’. Als die lijsten uit de Kieswet verdwijnen en je je als individu kandidaat kan stellen, dan zijn we de partijen kwijt. Op deze manier worden politieke partijen overbodig omdat burgers zich drempelloos verkiesbaar kunnen stellen. Dan staan er individuen op het stembiljet en komen de individuen die de meeste stemmen halen, in de Kamer. Dat zou dan ook via een districtenstelsel kunnen waarbij een Kamerlid voor een district in maximaal 2 ronden wordt gekozen. Om te worden verkozen moet de kandidaat dus minstens de helft plus één van de uitgebrachte stemmen hebben. Zo wordt het parlement min of meer als vanzelf het ‘burgerberaad’ waar menigeen nu zo voor pleit.

BBB opportunisme

Begin 2016 overleed Antonin Scalia een van de negen opperrechters in de Verenigde Staten. Volgens de regels van het Amerikaanse spel was het aan toenmalig president Barack Obama om een opvolger te benoemen. Die poging werd gefrustreerd door de Republikeinse senatoren. Zij gaven hiervoor als reden dat Obama was begonnen aan zijn laatste jaar als president en het benoemen van een rechter zou moeten overlaten aan zijn opvolger die toen nog onbekend was. Zij hielden voet bij stuk en uiteindelijk benoemde Trump Neil Gorush als opvolger. Ik moest hieraan denken toen ik las dat de BBB wil dat de oude Eerste Kamer niet meer stemt over twee wetsvoorstellen.

Het betreft hierbij een voorstel om de Wet publieke gezondheid te veranderen en zo een wettelijke basis te bieden voor een deel van de maatregelen die werden benut bij de bestrijding van de Covid-19 pandemie en de nieuwe Pensioenwet. De partij is tegen deze wetten en omdat ze succesvol was in de recente verkiezingen groeit haar gewicht in de nieuwe Eerste Kamer. “Resultaten van onderzoeken over het vertrouwen in de politiek vragen juist nu om zorgvuldige processen en volledige erkenning van de laatste verkiezingsuitslag,” zo onderbouwt de partij haar betoog. Nu wordt die verkiezingsuitslag door niemand betwist en door iedereen erkend, dus dat hoeft geen belemmering te zijn. Ook wordt de wet geheel volgens de geldende procedure behandeld. Het proces is daarmee zorgvuldig.

De partij ziet het anders: “Wij hebben bij deze gang van zaken grote bedenkingen: ingrijpende besluiten worden op de valreep genomen en bij de pensioenwet is de stemming nu gepland NA de verkiezingen voor de Eerste Kamer en VOOR benoeming van de nieuwe Eerste Kamer leden die hun eerste vergadering hebben op 13 juni 2023. Dit is ongepast en berooft onze toekomstige fractie om bij belangrijke besluiten voor Nederland het democratisch mandaat uit te oefenen. Wij verzoeken u dus de behandeling van deze beide wetsvoorstellen niet af te ronden in de samenstelling van de oude Kamer.”  En omdat het bij Tweede Kamerverkiezingen gebruikelijk is dat de: “oude Kamer na de verkiezingen geen enkel besluit van enige importantie meer,” neemt, wil de partij dit ook toepassen op de Eerste Kamer. Op het eerste gezicht een plausibel pleidooi maar is het dat ook?

Inderdaad is het gebruik dat er tijdens een verkiezingsperiode voor de Tweede Kamer geen zwaarwegende zaken meer worden voorgelegd aan de Tweede Kamer. De BBB stelt nu voor dit ook voor de Eerste Kamer te laten gelden. Er is echter één groot verschil tussen de Tweede en de Eerste Kamer en dat is de manier waarop haar leden worden gekozen. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks door de kiezer gekozen. Die verkiezingen vormen tevens de basis voor het vormen van een regering. Partijen en haar leden profileren zich in die verkiezingen met een programma waarin ze aangeven wat zij vinden dat het beste is voor het land.

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de  Provinciale Staten van de twaalf Nederlandse provincies en sinds dit jaar een dertiende provincie bestaande uit kiesgerechtigde Nederlanders in het buitenland. Dit gebeurt zo’n twee maanden nadat wij als kiezers die leden van Provinciale Staten hebben verkozen. Aan die verkiezingen voor Provinciale Staten nemen andere partijen deel maar dat is nog niet eens zo belangrijk. Belangrijker is dat de aan de provinciale verkiezingen deelnemende partijen, zich profileren op provinciale thema’s, niet op landelijke thema’s. Pensioenen en publieke gezondheidszorg zijn geen thema’s voor provinciale verkiezingen simpelweg omdat de provincies hier niet over gaan. Dat zijn thema’s voor landelijke verkiezingen en dat waren het ook bij de verkiezingen van maart 2021. Zou het voor het vertrouwen in de politiek en de zorgvuldigheid van procedures helpen om de uitstel van de behandeling van wetten op te schorten?

Er is meer. BBB betoogt dat een Eerste Kamer in de periode tussen de verkiezingen van Provinciale Staten en de benoeming van de nieuwe Eerste Kamer, geen zwaarwegende besluiten meer mag nemen. Die periode is drie maanden want de nieuwe Eerste Kamer wordt in de tweede helft van juni benoemt Dit analoog aan de gang van zaken bij de Tweede Kamer. De partij heeft hierbij de klok horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt. Kenmerkend voor Tweede Kamerverkiezingen is dat een kabinet dan demissionair is, het heeft geen missie meer. Dat kan omdat het kabinet is gevallen, de breuk niet meer te lijmen is en er geen andere regering geformeerd kan worden, maar ook omdat haar wettelijke termijn van vier jaar is verstreken en de verkiezingen zijn uitgeschreven. Dan is het gebruik dat het kabinet geen besluiten meer neemt over zwaarwegende, controversiële zaken en de Tweede Kamer eenzelfde houding hanteert. Dat ligt bij de Eerste Kamer anders. Er is nog steeds een kabinet met een missie, of het een goede missie is daarover kun je van mening verschillen maar dat doet er voor het proces niet toe. Ook is er nog steeds een rechtstreeks door de kiezer gekozen Tweede Kamer, een Kamer met missie. Er is dus geen reden om het wetgevende werk ‘on hold’ te zetten.

Belangrijkste bezwaar is dat met gehoorgeven aan de wens van BBB een hellend vlak wordt betreden. Een hellend vlak dat de bestuurbaarheid van Nederland aantast. En daarmee kom ik uiteindelijk bij de opvolging van Scalia. Bij navolging van het idee van BBB ontstaat er een tweede moment dat er in ons land niet wordt besloten. Nu is dat alleen rond de landelijke verkiezingen. Dat moment duurde na de verkiezingen van 2021 meer dan een jaar. Het kabinet Rutte 3 viel op 10 januari 2021 en de opvolger Rutte 2 stond precies een jaar later op het bordes. De BBB wil daar nu de periode tussen de provinciale verkiezingen en de verkiezing van de Eerste Kamer aan  toevoegen. Dat zijn drie maanden maar wat let een partij die er in ‘de peilingen’ goed voorstaat om die periode niet op te rekken tot de verkiezingsstrijd en zelfs nog verder?

Het hellende vlak kan ook tot andere ellende leiden. Namelijk tot opportunisme en als de oproep van BBB ergens van getuigt dan is het opportunisme en daarmee ben ik bij de opvolging van Scalia. Obama mocht niet ‘over zijn graf regeren’ door in zijn laatste jaar nog een rechter te benoemen. Een rechter die voor de rest van zijn of haar leven wordt benoemd. Iets meer dan vier jaar later op 18 september 2020 overleed Ruth Bader Ginsburg, ook opperrechter, minder dan twee manden voor de verkiezingen. Dit keer zagen de Republikeinen onder leiding van Trump geen reden om de benoeming uit te stellen tot na de verkiezingen.

Eén en één is twee

“De complexe aard van het probleem vereist actie en leiderschap van individuen en organisaties in alle sectoren van de samenleving. Deze cursus zou op maat worden gemaakt voor elk studieprogramma, met ten minste de basiswetenschap over de opwarming van de aarde en de gevolgen daarvan, en het bespreken van haalbare mitigatietrajecten en vragen over wereldwijde rechtvaardigheid.” Een passage uit een open brief van Scientist Rebelion Nederland en Scientist for Future Nederland aan de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs. Een bijzondere brief.

Bron: Flickr

In de open brief pleiten ze om: “verplicht klimaatonderwijs op te nemen in alle curricula om studenten vertrouwd te maken met de systemische aard van de klimaat- en ecologische crisis en hen in staat te stellen actie te ondernemen.”  En ze zijn niet de eersten: “Universiteiten in Frankrijk en Spanje hebben al de nodige stappen gezet om een ​​verplichte klimaatcursus in te voeren. Het Nederlandse hoger onderwijs mag niet achterblijven. Studenten in Nederland en de rest van de wereld eisen verandering en het is tijd voor een doortastende reactie.” Ze: “benadrukken dat dit onderwijsvoorstel niet gaat over het promoten van een politieke agenda. De wetenschappelijke consensus over de ernst en de oorzaken van de klimaat- en ecologische crisis is goed ingeburgerd, zoals gedocumenteerd in het IPCC-rapport.”  Geen politieke agenda?

De hele brief is het ‘promoten van een politieke agenda’. Het woordgebruik is politiek geladen. Woorden als klimaat- en ecologische crisis en rechtvaardigheid zijn door en door politiek. Wat rechtvaardig is, hoe een rechtvaardige samenleving eruit ziet en hoe je die moet bevorderen is bij uitstek politiek. Daar zijn, ondanks alle pogingen van filosofen door de eeuwen heen, geen objectieve maatstaven voor. Het woord ‘crisis’ is een waardeoordeel en waardeoordelen zijn bij uitstek politiek. En nee, dit is geen ontkenning van het opwarmen van de aarde noch van de menselijke hand hierin. Hoe anderhalve graad opwarming wordt beoordeeld, of dat een bedreiging is en wat daaraan gedaan moet worden, is bij uitstek politiek. Of daarvoor alle fossiele brandstof moet worden verboden en ingezet op ‘wind en zon’, of er ‘nucleair’ gegaan moet of wat dan ook en of er überhaupt iets moet gebeuren, zijn bij uitstek politieke keuzes.  

Bijzonder is dat de ondertekenaars hetzelfde lijken te willen als de BBB, namelijk iets uit onze democratie halen, zoals ik recentelijk betoogde. Voor BBB hoort landbouw niet op de politieke agenda, dat moet je overlaten aan boeren en agrarische belangenbehartigers want die weten wat goed is. Het is, zoals de partij in haar programma schrijft: onwenselijk om alleen politieke agenda’s te laten beslissen over voedselproductie en waterbeheer. Inhoudelijke (hydrologische) kennis en verstand van zaken is van groot belang. Burgers moeten op de kennis van eigenaren van gronden kunnen vertrouwen.” Deze studenten lijken hetzelfde. Ze: “eisen verandering en het is tijd voor een doortastende reactie.” Ze willen het klimaat uit de politiek halen en overlaten aan de wetenschappers. Die cursus moet namelijk tot die doortastende reactie leiden. Hoe? Nou die komt via die verplichte cursus vanzelf, zo lijken de studenten te denken. Die: “moet een uitgebreid overzicht bieden van de systemische oorzaken en gevolgen van de klimaat- en ecologische crisis en mogelijke oplossingen.” Dit op basis van: De wetenschappelijke consensus over de ernst en de oorzaken van de klimaat- en ecologische crisis”,” want die: “is goed ingeburgerd, zoals gedocumenteerd in het IPCC-rapport.”  Dan is het promoten van een politieke agenda overbodig want op basis van dat IPCC rapport moet iedereen op basis van dezelfde logica wel tot dezelfde conclusie komen. Eén en één is immers twee.

Wellicht is het aan te bevelen om in alle curricula een verplicht deel over de werking van politiek in verschillende samenlevingsvormen op te nemen? Dan wordt duidelijk dat politiek geen natuurwetenschap is en dat in de politiek één plus één tot verschillende tweeën leidt. Dit afhankelijk van de opvattingen van degene die de som maakt.

Dictatuur van de landbouw

“Als we willen dat alles hetzelfde blijft, moet alles veranderen,” aldus een zin uit het boek Il Gattopardo (De Tijgerkat) van de negentiende-eeuwse auteur Giuseppe Tomasi di Lampedusa die een belangrijke rol speelde in mijn vorige prikker. Ik gebruikte deze zin die ik tegenkwam in het boek De Droom van Odyseusvan José Enrique Ruiz-Domènec om te laten zien dat er sinds de Krimoorlog van 1853-1856 veel is veranderd, maar toch verdacht veel hetzelfde is gebleven. Die zin liet me niet los en bracht me bij de recente Nederlandse politiek in het algemeen en de BBB in het bijzonder.

Bron: Wikipedia

‘Als we willen dat alles hetzelfde blijft, moet alles veranderen’ Neem de strijd tegen de elite die de PVV en het FvD voeren. Is het werkelijk een strijd tegen ‘dé elite’ of een strijd tegen ‘deze elite’? Baudet was daar, in een interview met een Zwitserse krant van enkele jaren gelden, heel duidelijk in toen hij zei: “society needs an elite that leads the way.” Dus weg met ‘deze’ elite op naar de mijne! Hij denkt daarbij aan een soort achttiende-eeuwse bourgeoisie want dat was de tijd met: “a proper society ,” die zich kenmerkt, aldus Baudet door: “an equilibrium (…), a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” Dus wil hij terug naar de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” Dat de overgrote meerderheid van onze voorouders niet tot die bourgeoisie behoorden en niets te vertellen hadden, zegt hij er niet bij.

Dan naar de BBB. Dat er iets moet veranderen in de manier waarop de landbouw in Nederland is vormgegeven, is al heel lang bekend. Het mestprobleem is al een bekende sinds het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Boeren produceerden veel meer mest dan goed was voor hun eigen grond. Als ze al grond hadden. Die problematiek leidde in 1984 tot de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen ingediend door de minister van Landbouw, de CDA-er Gerrit Braks. Een noodwet die de bouw van nieuwe varkens- en kippenstallen verbood. Hiermee moest de groei van de veestapel worden voorkomen. Het werd geen succes, er kwam steeds meer in plaats van minder vee en de stallen werden steeds groter. De techniek, betere voeding, betere apparatuur zou de problemen wel oplossen. Een patroon dat zich sindsdien heeft herhaald en dat culmineerde in de Programmatische Aanpak Stikstof  (PAS). Een toverregeling omdat er werd vooruitgelopen op ‘technologische ontwikkelingen’ die er in de toekomst voor zouden zorgen dat alles weer binnen de normen zou komen. Onderdeel van deze aanpak was een vrijstelling van de vergunningsplicht voor een grote groep ondernemers, vooral agrarische bedrijven met vee. Voor deze bedrijven volstond een melding (PAS-melders). Die Aanpak werd in 2019 door de Raad van State ongeldig verklaard waardoor die PAS-melders toch een vergunning moesten aanvragen voor een bedrijf dat er al stond. Dit was trouwens niet de eerste keer dat een rechter een aanpak naar de prullenbak wees. In 2003 werd Nederland door het Europees Hof van Justitie veroordeeld voor het niet naleven van de nitraatrichtlijnen. Dit ondanks de mest en mineralenboekhoudingen waar sinds 1987 mee werd gewerkt.

Veertig jaar lang hebben de agrarische bedrijven, hun vertegenwoordigers en onze overheid er alles aangedaan om de cirkel (het importeren van extra mineralen via veevoer) een vierkant te laten lijken (verminderen van de ‘uitstoot’ van die mineralen). Wat gebeurt er na die veertig jaar? Een agrarisch communicatiebedrijf dat zaken doet met grote partijen in de agrarische sector begint een politieke partij: de Boer Burger Beweging. Ze zoeken er een persoon bij, Caroline van der Plas, die ‘normaalheid’ uitstraalt en goed uit haar woorden komt. Goed uit haar woorden komt zonder werkelijk iets te zeggen. Een partij die van dubbelzinnigheid in elkaar hangt. Want aan de ene kant betoogt de partij in haar programma; “Elke boer wil voedsel- of bloemenboer zijn en geen energieboer.”  Om iets verder te betogen dat: “Het stroomnetwerk van de netbeheerders op het platteland moet worden aangepast, zodat boeren en burgers volop de daken kunnen vol leggen met zonnepanelen en ook in staat zijn de energie terug te leveren aan het elektriciteitsnet.”  Of neem de volgende passage: “Natuur en milieu, stoppen niet bij de grens. Er komen Europese doelstellingen en samenwerkingen bij het behoud en verbetering van natuur en milieu. Dit in plaats van bovenwettelijke Nederlandse doelstellingen en eisen.” Die Europese doelstellingen zijn er al. Die zijn vastgelegd in die nitraatrichtlijnen en in de regelgeving rond de Natura 2000 gebieden. Die zogenaamde ‘bovenwettelijke Nederlandse doelstellingen en eisen’ zijn opgesteld op basis van die Europese doelstellingen.

Aan de ene kant betoogt de partij: “Rechtstreekse verkiezingen maken een einde aan de partijpolitieke benoemingen in de achterkamers. BBB is voor meer transparantie en meer democratie.” Om aan de andere kant te bepleiten dat de: “Geborgde zetels bij de waterschappen (natuurorganisaties, bedrijfsleven en boeren) blijven behouden.” Dit omdat het: “onwenselijk (is) om alleen politieke agenda’s te laten beslissen over voedselproductie en waterbeheer. Inhoudelijke (hydrologische) kennis en verstand van zaken is van groot belang. Burgers moeten op de kennis van eigenaren van gronden kunnen vertrouwen.” Maar ook: “Agrarische belangenbehartigers krijgen de vrijheid om te komen tot een praktisch werkbaar systeem dat goed is voor dieren. Er komt geen verplichte reductie van eiwit in veevoer.” En: “De wetenschappelijke onderbouwing van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) bepaalt de toelating van ontsmettingsmiddelen en niet de emotie van de politiek. De politiek wisselt elke vier jaar, dit is geen garantie voor consistent beleid met kennis van zaken.” Het meest bijzondere is nog wel de wet Recht op Landbouw die de partij wil: “Deze wet waarborgt het bestaansrecht van boeren, vissers en tuinders in Nederland. Zo wordt voorkomen dat mensen en organisaties, die geen directe belangen hebben bij uitbreiding of modernisering van wettelijk toegestane agrarische bedrijven, jarenlange procedures gaan voeren tegen boeren, alleen maar omdat ze tegen een bepaalde bedrijfstak zijn.” De partij lijkt de landbouwsector uit de democratie te willen halen. Ze wil een ‘dictatuur van de landbouw’.  Een landbouw waarvoor andere of geen wetten en regels gelden. Eigenlijk precies zoals het de afgelopen veertig jaren ook al was.

Een slimme zet van dat door de agrarische industrie gesteunde communicatiebureau om te roepen dat alles moet veranderen terwijl het doel is om alles hetzelfde te laten. Alles tot zo ongeveer op de personen die ‘de verandering om alles hetzelfde te laten’ moeten vormgeven. Die zijn immers vooral afkomstig uit CDA- en in mindere mate VVD-kringen. Partijen die verantwoordelijk zijn voor ‘hetzelfde’ dat vooral ‘hetzelfde’ moet blijven.

De demagogie van Omtzigt

Wellicht is het jullie ontgaan. Wellicht ook niet. Het jaarlijkse Thorbecke-debat georganiseerd door de stichting Thorbecke Zwolle. Een debat waarin een lezing centraal staat. Deze keer werd die lezing verzorgd door Kamerlid Pieter Omtzigt. Een interessante lezing met demagogische trekjes en een, moet ik zeggen, bijzondere kijk op democratie.

Johan Rudolph Thorbecke. Bron: WikimediaCommons

Omtzigt start zijn lezing in het ‘revolutiejaar 1848’. Als je denkt dat we tegenwoordig in roerige tijden leven, kijk dan even mee terug op het jaar 1848. Een jaar van sociale ellende door hoge voedselprijzen. Een oorzaak hiervan was de beroemde aardappelziekte die ervoor zorgde dat de aardappeloogst mislukte. Een jaar met vele protesten en revolutionaire activiteiten in diverse landen, in februari in Frankrijk en in maart in diverse Duitse staten. Op het Italiaanse schiereiland woedde een oorlog tussen het Oostenrijk -Hongaarse rijk en het koninkrijk Sardinië. Al die revoluties liepen op niets uit, maar dat wisten de revolutionairen tijdens hun acties nog niet, zoals Omtzigt terecht schrijft. 1848 is het jaar dat onze huidige Grondwet het levenslicht zag. Omtzigt houdt een lofzang op die Grondwet maar vooral op de belangrijkste geestelijk vader ervan, de in Zwolle geboren Johan Rudolph Thorbecke.

Thorbeckes voorstel voor een Grondwet werd niet helemaal overgenomen. Op een aantal punten werden, tegen zijn zin, zaken geschrapt en gewijzigd. Zo werd er een passage toegevoegd die toetsing van wetten aan de Grondwet onmogelijk maakte. Ook werd de mogelijkheid om wetten niet geheel of meteen  in te laten gaan erin gefietst. Verder werd Thorbeckes voorstel zo gewijzigd dat de regering geld kon uitgeven zonder dat dit in de algemene begroting is opgenomen. Als vierde werd de plicht van de regering om de Kamer informatie te verstrekken over alle onderwerpen afgezwakt. En dat zijn, zo betoogt Omtzigt, precies die zaken waar we nu last van hebben en waar Thorbecke in 1848 al voor waarschuwde. Voor wie er meer over wil weten, lees Omtzigts betoog want op dit punt is hij bijzonder scherp.

Dat wordt anders als hij over democratie spreekt: “In een democratie controleert de bevolking de regering. Zonder open besluitvorming en transparantie is een democratie hol en leeg: als je niet weet wie het besluit genomen heeft – welke minister, welke partij in het kabinet – op wie moet je dan stemmen bij een verkiezing?”  Een wel erg smal begrip van democratie. In een artikel in de Volkskrant met een verkorte versie van zijn lezing, formuleert hij het nog strakker: “De essentie van een democratie is dat burgers en journalisten de totstandkoming van besluiten van bestuurders kunnen controleren. Op basis daarvan kunnen zij bij verkiezingen stemmen.”  Om het cru te zeggen, ook een dictatuur kan een burger of journalist de totstandkoming van besluiten van bestuurders controleren. De essentie van democratie is niet de controle van de regering door de bevolking en dus transparante besluitvorming zoals Omtzigt beweert. Kern van democratie is dat het, om de Van Dale aan te halen, ‘een staat(svorm) is die aan het hele volk invloed op de regering toekent.

Omtzigt lijkt de overheid in het algemeen en de regering in het bijzonder, als een aparte niet te vertrouwen entiteit te zien en daar wordt het demagogisch. “De ontwikkelingen in gebrek aan openbaarheid de afgelopen jaren baren grote zorgen: de Nederlandse regering laat zich steeds moeilijker controleren …. Tegelijkertijd zijn er steeds nieuwe ongekende mogelijkheden waarmee de overheid alles kan bijhouden of opvragen over burgers: van telecomgegevens tot passagiersgegevens.  En binnenkort ook elke banktransactie boven de 100 euro. De massale afluisterpraktijken en verzamelwoede van de Amerikaanse overheid kwam al aan het licht door klokkenluider Edward Snowden. En recent hebben ook vele westerse regeringen software zoals Pegasus gekocht waarmee zij niet alleen criminelen afluisteren via hun mobiel, maar ook politieke tegenstanders in landen als Spanje, Griekenland en Polen. … Deze processen bieden een kwaadwillende regering ongekende mogelijkheden, zoveel is wel duidelijk. Als wij deze dreigingen niet serieus nemen en mensen die zich druk maken om QR-codes wegzetten als wappies, dan hoeven we het vooral niet over de argumenten te hebben. Dat kan ons duur komen te staan.”  Door al deze zaken uit verschillende contexten op een hoop te vegen, wordt de suggestie gewekt dat overheden bewust een ‘kwaadwillend’ strategie hanteren en in sommige landen zal dat best zo zijn.

Omtzig trekt de regering uit onze democratie. Hij plaats de regering tegenover, om een demagogische term te gebruiken, het volk. In onze democratie zijn wij in de basis zelf die regering. We zijn er zelf bij. Als je dan toch zoekt naar een verbetering voor onze democratie, zoek er dan een die het fundament ervan versterkt. Eentje die de invloed van de bevolking op de regering direct versterkt. Pleit dan, in plaats van de huidige getrapte vorm, bijvoorbeeld voor een direct door de bevolking gekozen regering. Het gebrek aan vertrouwen in de overheid waarvan ook Pieter Omtzigt getuigt zit hem, naar mijn mening, niet in de Grondwet, maar in de dominante ‘cultuur’ in onze huidige samenleving die niet meer van ‘WIJ’ uitgaat maar van ‘IK’. Het is een probleem dat Alessandro Baricco in zijn boek The Game aan de orde stelt. Hij onderzoekt als een soort archeoloog de ontstaansgeschiedenis van de nieuwe wereld en probeert er als het ware aan landkaart van te maken of, zoals het op de kaft kort wordt omschreven: “de digitale revolutie en de gevolgen daarvan voor de mens.” Baricco vergelijkt de digitale revolutie met een game, een computerspel, vandaar de titel. In een game gaat het om problemen en snelle oplossingen, om actie en reactie, en om een score. Die eigenschappen vormen, zo betoogt Baricco, de kern van de hele digitale revolutie. Hij gaat terug naar de beginperiode van de die revolutie. Een revolutie die ontstond in de jaren zeventig in Californië waar een: “aparte mensheid, waarin informatica-ingenieurs, hippies, politieke militanten en geniale nerds samenvielen onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was,” zich had verzameld. Zij wilden een andere wereld.

“Het waren mensen op de vlucht. Ze probeerden te ontsnappen aan de eeuw die de gruwelijkste in de geschiedenis van de mensheid was geweest, en die niemand had gespaard.” Wat die gruwelijke eeuw kenmerkte? “De obsessie met grenzen, de verafgoding van alle mogelijke scheidslijnen, de drang om de wereld in te delen in beschermde zones die niet met aldaar in contact stonden.[1] Een wereld die werd gedomineerd door ideologie. Zij wilden geen ideologie maar waren in de kern bijzonder ideologisch. Ze predikten het anarchisme en de meeste van hen een zeer bijzondere vorm van anarchisme, het libertarisme. Een politiek filosofische stroming die de nadruk legt op de vrijheid van het individu waarbij de rol van de overheid zo klein mogelijk is. Deze stroming heeft als uitgangspunt dat iedereen vrij is om te doen en laten wat hij wil, zolang hij geen geweld gebruikt tegen zijn medemens en haven en goed van die medemens. Deze stroming heeft belangrijke raakvlakken met het objectivisme van Ayn Rand. Het libertarisme put daarmee uit eenzelfde bron als het neoliberalisme, maar is nog wat extremer. De rol van de mens als burger bestaat voor het libertarisme eigenlijk niet. De mens is consument en de markt is de democratie. Of om de voormalig Britse premier Thatcher aan te halen: ‘who is society? There is no such thing’. Weg van het WIJ en naar het IK, de op zichzelf aangewezen mens. Een IK die de andere IKKEN in toenemende mate met wantrouwen bejegend. Eigenlijk een strijd van allen tegen allen om Hobbes te parafraseren, maar dan zonder fysiek geweld. Zo is wantrouwen de basis geworden van onze samenleving terwijl een democratie floreert bij vertrouwen.


[1] Alessandro Baricco, The Game, pagina 98