Onder de knie krijgen

Bij De Kanttekening las ik een wel heel bijzondere column van hoogleraar radicaliseringsstudies in Leiden Tahir Abbas. Volgens Abbas brengt: “Het verbranden van een koran (…) niet alleen tekortkomingen in het Zweedse rechtssysteem aan het licht, maar laat ook de uitdagingen zien waarvoor de Zweedse overheid staat in een steeds diverser wordende samenleving.” Het land: “dat voorheen bekend stond om zijn diplomatieke en pragmatische aanpak, worstelt met zijn identiteit.” Ik verslikte me pardoes in mijn kopje thee toen ik dit las.

Abbas: “De koranverbrandingen brengen het ontbreken van een duidelijke visie op de multiculturele samenleving aan het licht, de veranderende demografie en integratieproblemen waarmee West-Europese landen worden geconfronteerd.” De schuld van het ontbreken van zo’n visie: “kun je toeschrijven aan de bredere tekortkomingen van de neoliberale economie, die in haar streven om globalisering te bevorderen onbedoeld sociaaleconomische ongelijkheden heeft aangemoedigd, de effectiviteit van regeringen heeft ondermijnd en het geloof in de ongereguleerde markten heeft bestendigd.” Ja, de: “vrijheid van meningsuiting is absoluut noodzakelijk; maar je mag de vrijheid van meningsuiting niet misbruiken om te beledigen of om haat te zaaien. De vrijheid van meningsuiting mag alleen bestaan in combinatie met inspanningen om empathie, begrip en de bloei van diversiteit te bevorderen.” 

Identiteit doet er hier niet toe. Wat er toe doet is dat Zweden, net als Nederland trouwens, een democratische rechtstaat is. Een staat met een grondwet die ons rechten geeft en wetgeving die aangeeft waar die rechten worden begrensd. Een van de belangrijkste van die rechten is het recht van vrije meningsuiting, artikel 7 van onze Grondwet. Dat recht wordt hier in Nederland wettelijk begrensd via artikel 137d dat het Wetboek van strafrecht stelt dat: “het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft.” Ook de artikelen 131 en 132 die het tot oproepen tot geweld verbieden.

Volgens Abbas onderstrepen: “De koranverbrandingen en de verontwaardiging hierover, in Zweden en wereldwijd, (…) dat je rekening moet houden met culturele en religieuze gevoeligheden en de fijne kneepjes hiervan onder de knie moet krijgen. Tevens weerspiegelt de situatie in het land de moeilijkheid waarmee veel landen momenteel worden geconfronteerd bij hun pogingen om binnen de complexiteit van diversiteit, integratie en identiteit te navigeren.”  Het verbranden of verscheuren van een heilig boek als een manier om je mening te uiten, is geen aanzetten tot discriminatie of haat.

Er is in deze geen sprake van: ‘rekening houden met culturele en religieuze gevoeligheden en de fijne kneepjes hiervan onder de knie krijgen.’ Daarvoor pleiten richting overheid, is pleiten voor speciale behandeling van specifieke groepen. Wat er ‘onder de knie gekregen’ moet worden, is dat onze mores zijn dat je iedere godsdienst naar keuze mag aanhangen, artikel 6 van onze Grondwet. Dat recht geldt voor iedereen en dat betekent dat je buurman een heel andere godsdienst mag aanhangen. Dat allemaal binnen de grenzen van de wet. Je mag een godsdienst aanhangen, je hoeft het niet dus. Jij mag openbaar verkondigen dat jouw god de enige is en dat de rest een stelletje ongelovigen zijn. Je buurman met die andere godsdienst mag dat ook en die ongelovige mag tegen jullie allebei zeggen dat jullie, om het in goed Venloos te zeggen ‘en pan aaf hebbe’. Voor degenen die het Venloos niet machtig zijn, dat jullie niet goed bij jullie hoofd zijn. Dat mag allemaal. Of het slim is om elkaar zo te bejegen, is een tweede.

Er hoeft niet ‘genavigeerd te worden binnen de complexiteit van diversiteit, integratie en identiteit.’ Er moet genavigeerd worden binnen de wettelijke grenzen van ons bestel en binnen de grenzen van het fatsoen. Dat er mensen onder ons zijn, zoals Pegida voorman Edwin Wagensveld, die voor wat dit betreft geen grenzen van fatsoen hebben, maakt nog niet dat de ‘overheid’ iets moet. Die moet pas iets als de wet wordt overtreden en als iemand denkt dat dit gebeurt dan moet die persoon aangifte doen. Die grenzen van fatsoen en wellicht ook nog enkele wettelijke grenzen, worden ook overschreden als anderen iemand bekogelen met stenen uit protest tegen het verscheuren van een heiligboek.

Even een tip voor Abbas en anderen, vooral mensen die werkzaam zijn bij de media. De beste manier om met acties als die van Wagensveld om te gaan, is er geen aandacht aan te besteden. Media hebben niet de plicht om van iedere oprisping van elke idioot verslag te doen. Ik ben geen kenner van heilige boeken maar ik denk dat ze allemaal wel een of andere passage bevatten waarin staat dat het goed is om iemand die je iets aandoet of kwetst te vergeven en/of iets zoals ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’.

Sorry, …?

‘Zo komen we nooit verder.’ Dat dacht ik na het lezen van een interview met psychiater Glen Helberg in Trouw. “Met die excuses erkent Nederland het leed. Maar ik heb nog niet gehoord dat de excuses aangenomen zijn. Daar zijn we nog niet aan toe. Ik zeker niet.” Zo beantwoordt Helberg de vraag of na de excuses van de koning voor het slavernijverleden de heling is begonnen.

 Ja, wie moet die excuses ‘aannemen’? En wanneer kan die heling dan beginnen? Kan dat pas als de laatste betrokken persoon ze heeft aangenomen of kan er ook al eerder mee worden begonnen? Als we moeten wachten op de laatste betrokken persoon moeten wachten, dan komt er nooit een einde aan. Iedere dag worden er immers nieuwe ‘laatst betrokkenen’ geboren. Op deze manier wordt het een ‘neverending story’ of om er een andere metafoor tegenaan te gooien, een perpetuum mobile. Op deze manier blijven we in het verleden steken. Blijven we steken in een omgekeerd soort Stockholmsyndroom, het psychologisch verschijnsel dat soms optreedt tijdens een gijzeling. waarbij de gegijzelde, de machteloze sympathie voor de gijzelnemer, de machthebber. Omgekeerd omdat in de machthebber er nu alles aan lijkt te doen om de sympathie en goedkeuring van de machteloze te krijgen. Op die manier komen we nooit  toe aan het vervolg van de zin achter die spreekwoordelijke komma van premier Rutte.

Mochten we dan uiteindelijk uit die klem komen dan is er weer een ander iets uit het verleden dat vraagt om eerst bezinning, dan erkenning, dan excuses en als die er zijn dan moet die historische schade worden vergoed. Want volgens Helberg zijn: “excuses van de regering een wassen neus. “In de VN heeft de Derde Wereld gevraagd de schade die het Westen heeft aangericht, te vergoeden. Dat gaat om tientallen miljarden. De westerse landen, ook Nederland, hebben die resolutie verworpen, twee maanden voor de excuses werden uitgesproken. Nederland had hier een gidsland kunnen zijn, maar Rutte zegt: hier heb je 200 miljoen, doe het daar maar mee. Hij heeft een gebrek aan moreel besef.”

Als historicus juich ik aandacht voor het verleden toe. Historici die op basis van nieuwe bronnen een ander perspectief openen op het verleden, ik verwelkom ze met open armen en kritische blik. Ik vraag me af of de manier waarop er nu met slavernij en kolonialisme uit het verleden wordt omgegaan, constructief is? Of die manier ons verder helpt? Wat er ook aan ‘herstel’ wordt gedaan, het verleden verandert er niet door. De verre voorouder die als slaaf werkte op een plantage, verkrijgt er niet ineens de vrijheid door en de kapitein van een achttiende-eeuws slavenschip ziet er niet ineens het licht door. Wat ‘we’ nu ook doen, onze (verre) voorouders hebben er niets aan: ‘What’s done is done.’

Wie wel ‘iets’ met onze acties moeten, zijn onze kinderen en kleinkinderen. Zij moeten leven met de gevolgen van keuzes die wij nu maken. Net zoals wij moeten leven met de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt. Zij zullen onze keuzes bestuderen en wegen. Sommige zullen zij als ‘verwerpelijk’ bestempelen en anderen toejuichen. Zij zullen ons beoordelen op ons handelen en de motivering ervan. Zij zullen kijken naar onze omgang met vluchtelingen, hoe we om zijn gegaan met de klimaatverandering en wellicht met zaken waarvan wij nu niet weten dat zij die dan belangrijk vinden. Hoe ze over ons zullen denken weten we nu niet. Ook niet hoe ze over ons zullen oordelen.

Ik hoop dat ze ons niet beoordelen door ons langs de maatstaven van ‘hun gelijk’ te leggen en zich klem zetten in zo’n ‘omgekeerd Stockholmsyndroom’ zoals nu rond slavernij gebeurt. Ik hoop dat ze zien dat wij worstelen met onderwerpen als migratie, klimaat maar ook nog steeds met arbeid. Ik hoop dat ze een productievere manier van omgang met het verleden zoeken dan pogingen om het verleden in het heden recht te zetten. Ik hoop dat ze op de lijn van Nelson Mandela zitten in zijn toespraak ter gelegenheid van de viering van 10 jaar democratie in Zuid-Afrika in 2004:  “Let us never be unmindful of the terrible past from which we come – using that memory not as a means to keep us shackled to the past in a negative manner, but rather as a joyous reminder of how far we have come and how much we have achieved.”

 Want ja, we kunnen schande spreken over het slavernijverleden van de wereld. We kunnen ons echter ook realiseren dat onze voorouders het besluit hebben genomen om slavernij af te schaffen. En ja, dat had veel eerder kunnen gebeuren. Daarbij is het goed om je te realiseren dat het ook niet had kunnen gebeuren.  Dan kan de VN wel vragen aan het westen om de schade die het heeft aangericht te vergoeden. Het was wel juist het westen dat het voortouw nam in de afschaffing van de slavernij. Het was niet in het Afrikaanse Ashanti rijk, het Chinese keizerrijk of het Arabische sultanaat Oman dat de barbaarsheid van het instituut slavernij ter discussie werd gesteld.

Wakanda

Bij De Kanttekening las ik een interview met Ritania Wirht. In het interview vertelt ze over haar leven in Nederland en Suriname en dat ze zich al op jonge leeftijd bewust was van racisme. “‘Vóór de slavenhandel was Afrika een ontwikkeld continent. De Egyptische piramiden zijn gebouwd door gekleurde mensen met kennis van wiskunde. De gaper bij de drogist is een Moor: zwarten legden de basis voor de geneeskunde. Maar dat weet bijna niemand!”  Aldus Wirht. Een bijzondere uitspraak om meerdere redenen.

Welke huidskleur de bouwers van de piramiden hadden, weet ik niet, ik was er niet bij en Wirht ook niet, maar bij het lezen ervan moest ik denken aan het boek The Lies that Bind. Rethinking Identity van Kwame Anthony Appiah. Appiah behandelt vijf thema’s die in het identiteitsdebat centraal staan: religie, land, huidskleur, klasse en cultuur. En om het kort samen te vatten, de tekst op de kaft: “Appiah laat zien hoe collectieve identiteiten die onze wereld vormgeven doorspekt zijn met tegenstrijdigheden.” Appiah betoogt dat identiteiten van welke soort dan ook, zich, altijd in een tweestrijd ontwikkelen en ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Ik moest aan het laatste thema denken: cultuur.

Appiah behandelt cultuur in het zesde hoofdstuk en gaat opzoek naar de oorsprong van wat nu ‘het westen’ en de ‘westerse cultuur’ wordt genoemd. Volgens Appiah is dat iets van zeer recente datum: “Als de notie van het christendom een artefact was van een lange reeks militaire gevechten tegen de moslimmacht, dan kreeg ons moderne concept van de westerse cultuur zijn huidige vorm grotendeels aan het eind van de jaren veertig en vijftig, tijdens de Koude Oorlog. In het heetst van de strijd smeedden we een groots Plato-to-NATO-verhaal over de Atheense democratie, de Magna Carta, de Copernicaanse Revolutie enzovoort. De westerse cultuur was in de kern individualistisch, democratisch, vrijheidslievend, tolerant, progressief, rationeel en wetenschappelijk.[1]” Dat verhaal van het westen ontstond in een tweestrijd met de Sovjet Unie. Die werd, beginnend met de val van de Berlijnse muur en eindigend met de implosie van de Sovjet Unie in 1992 beëindigd.

Dat artefact, die notie van het christendom, waar Appiah over schrijft duidt op een eerdere ‘identitaire tweestrijd’. In de periode na de opkomst van de islam stond de scheidslijn tussen de islam en het christendom centraal. Of zoals de islamieten het noemen, de Daral-Islam, het huis van de islam en de Dar al-Kufr, het huis van de ongelovigen. Aan het einde van de achttiende eeuw veranderde hier iets in. Wat er veranderde was dat het Ottomaanse rijk, de mogendheid die christenen als het gezicht van de islam zagen, begon af te brokkelen. Met dat afbrokkelen verdween ook die tweestrijd. Van iets zoals ‘het Westen’ was toen nog zeker geen sprake. Belangrijke landen die nu tot ‘het Westen’ worden gerekend, ontwikkelden in de negentiende eeuw juist hun eigen nationale identiteit in zo’n ‘identitaire competitie’ met elkaar. Een competitie die leidde tot de Napoleontische oorlogen, de Frans-Duitse oorlog en uiteindelijk tot de twee die we nu wereldoorlogen noemen.

Met de implosie van de Sovjet Unie verdween dus het contrapunt van de ‘westerse cultuur’.  Wat niet verdween was de ‘westerse cultuur’ als contrapunt van mogelijke andere groepen die hun eigen identiteit wilden ‘afbakenen’. Groepen zoals moslimextremisten maar ook ‘afrocentristen’. En die heb je in grofweg twee soorten. Aan de ene kant afrocentristen die claimen zat ‘de ‘Grieks-Romeinse cultuur’, waarop de ‘westerse cultuur’ zich beroept Afrikaanse wortels heeft. Appiah haalt Cheik Anta Diop aan als een van de vaders van dat denken, die: “hield vol dat de verworvenheden voortkwamen uit een meer geavanceerde Egyptische beschaving en dat de oude Egyptenaren zwart waren.” Een theorie met: “ bepaalde onhandige implicaties.” Immers: “Als het Westen is voortgekomen uit Griekenland, dat is voortgekomen uit Egypte, erven zwarte mensen dan niet de meer morele aansprakelijkheid van de erfenis van etnocentrisme?” Aan de andere kantafrocentristen die blij zijn om: “Griekenland te veroordelen, terwijl ze de beschavingsprestaties die typisch Afrikaans waren, ophemelden.[2]”  

Je kunt de twee kanten natuurlijk ook combineren en dat is wat Wirht doet. Ze claimt de geneeskunde en bouwkunst voor een oude ontwikkelde zwarte Afrikaanse beschaving die de piramides bouwde en aan de wieg stond van de geneeskunde. Een soort antiek ‘Wakanda’ uit de Marvelfilm Black Panther. Slavernij daarentegen, hoorde daar niet bij want dat ‘ontwikkelde continent’, die ‘ontwikkelde beschaving’ was van voor de slavenhandel. Als Wirht met slavenhandel de Trans-Atlantische slavenhandel tussen pak weg 1500 en midden van de negentiende eeuw bedoelt, dan was die beschaving van voor die ‘slavenhandel’. Als ze bedoelt voordat er in slaven werd gehandeld, dan slaat ze de plank behoorlijk mis. Zo was er de Arabisch-Afrikaanse slavenhandel die begint in de negende eeuw en eindigde, met de kolonisatie van Afrika door Europese landen aan het einde van de negentiende eeuw. Vanaf de 17e eeuw was het eiland Zanzibar, dat viel onder het sultanaat Oman, hierin de belangrijkste schakel.  Ja, niet alleen Europeanen handelden in die tijd slaven en deden aan kolonies in die tijd.

Nu zijn de piramides ook van voor die tijd. De oudste piramides stammen uit de tijd van de eerste dynastie (3150 – 2639 BCE). In tegenstelling wat lange tijd werd gedacht, werden ze niet door slaven gebouwd. Dat betekent echter niet het oude Egypte geen slavernij kende. Die kenden ze zeker: “In het oude Egypte kwamen verschillende vormen van dwangarbeid voor. Egyptische dwangarbeiders werden met minimale middelen in hun levensonderhoud voorzien. Krijgsgevangenen van buiten Egypte werden ook aan gedwongen arbeid onderworpen. Daarnaast bestond er slavernij in het oude Egypte: mensen werden als het bezit van andere mensen verhuurd en verkocht.[3]” Dus ook in de tijd dat de mensen die piramides bouwden leefden ook mensen in slavernij en konden slaven worden gekocht en verkocht en kon er dus in slaven worden gehandeld.

Dat antieke ‘Wakanda’ moet dan van voor die tijd zijn geweest. Helaas ontbreekt daarvoor elke vorm van bewijs. Nu is het ontbreken van bewijs, geen bewijs van het ontbreken van zo’n antieke ‘Wakanda’. Totdat er bewijs is dat de antiek versie heeft bestaan, is het net zo’n fantasie als de Marvelvariant. Of zou Wirht met die beschaving onze verre voorouder Homo sapiens bedoelen die zo’n 70.000 jaar geleden begon en die er uiteindelijk voor zorgde dat ‘ons soort mensen’ de hele planeet koloniseerde.


[1] Kwame Anthony Appiah, The Lies that Bind. Rethinking Identity, pagina 201. Eigen vertaling

[2] Idem , pagina 203

[3] https://www.rmo.nl/tentoonstellingen/web-exposities/werk-in-het-oude-egypte/

Populistische paniekzaaierij

“Wat een nachtmerrie die zich in het mooie Ierland ontvouwt! De Ierse regering heeft het bizarre en ronduit verwoestende plan aangekondigd om meer dan 1 miljoen stuks vee te ruimen. Je leest het goed, een miljoen! Het vee dat de ruggengraat van de Ierse landbouwsector vormt, wordt zonder pardon op het slachtblok gelegd.” Zo lees ik in een artikel van Mark Jongeneel bij De Dagelijkse Standaard. “Als deze plannen doorgang vinden, kunnen we niet anders dan cynisch grijnzen wanneer de Ieren zich de komende jaren afvragen wie de schuldige is van de opkomende hongersnood. Het antwoord zal dan voor de hand liggen. Niet de natuur, niet de economie, maar hun eigen overheid. De overheid die met haar roekeloze beslissingen haar eigen landbouw heeft vernietigd.”  Een dreigende hongersnood in Ierland?

Bron: Flickr

Jongeneel: “Wat een ironie! Ierland, dat in de 19e eeuw werd geteisterd door de Grote Hongersnood, waarbij een miljoen mensen stierven door mislukte oogsten, wordt nu opnieuw bedreigd door honger. En deze keer is het niet door een mislukte oogst, maar door de opzettelijke destructie van hun landbouwsector.”  Nee, opzettelijk en nog schokkender: “deze ontwrichtende plannen lijken te zijn opgetrokken uit de blauwdruk van het World Economic Forum (WEF). De beruchte ‘Great Reset’, met zijn streven naar een globaal gecontroleerde economie en bevolking.”  Helaas, zo betoogt Jongeneel, blijft de Ierse regering doof voor protesten tegen deze maatregel want die is: “te druk bezig met hun eigen agenda. Die agenda is even simpel als schokkend: een massale toename van de bevolking door middel van immigratie in de komende twee decennia. De groene heuvels van Ierland, ooit bezaaid met grazende koeien, dreigen te veranderen in een dichtbevolkte menselijke jungle. Het is een scenario dat ons koude rillingen geeft, maar de regering omarmt dit als een ambitieus toekomstbeeld.”

Nu even naar de geschiedenis. Die Grote Hongersnood, of zoals de Ieren zeggen An Gorta Mór. Een hongersnood die het land tussen 1845 en 1852 trof. De directe aanleiding was de aardappelziekte die Phytophthora infestans. Een schimmel die de aardappelen aantast en oneetbaar maakt en die in die jaren de aardappeloogsten in heel Europa trof. Aangezien het grootste deel van de Ieren leefde van de aardappel, werd het land hard getroffen. Directe aanleiding wil zeggen dat er ook andere oorzaken zijn die bijdroegen aan de ellende. Nee, het verminderen van de veestapel in de voorafgaande jaren was niet een van die die indirecte oorzaken. De ellende was niet zo groot geweest als de Ieren gewoon het graan dat in Ierland werd geteeld, hadden kunnen opeten. Helaas lag dat in de schuren van de Engelse landheren en die verkochten het liever voor veel geld op de wereldmarkt dan dat ze de Ieren van de hongerdood redden.

Het huidige Ierland telt ongeveer 5 miljoen inwoners. In 1840 woonden er zo’n 6,5 miljoen mensen in Ierland. Het land moet toen dan wel een ‘dichtbevolkte menselijke jungle’ zijn geweest om Jongeneels woorden aan te halen.  Er stierven tijdens An Gorta Mór zo’n miljoen Ieren van de honger. En dat niet alleen. Nog eens zo’n 2,1 miljoen Ieren verlieten hun land en trokken naar Engeland, Schotland en de Verenigde Staten. Aan het begin van de  twintigste eeuw woonden er nog  zo’n 3,5 miljoen mensen in Ierland. Er moeten dus nog ongeveer 1,5 miljoen mensen bij komen voordat Ierland de bevolkingsomvang van 1840 evenaart.

En nu even naar die koeien. In Ierland lopen zo’n 6,5 miljoen koeien rond. Het land produceert 1,14 miljoen ton rundvlees per jaar. Dat is zo’n 230 kilo per Ier. Als de Ieren dit allemaal zelf op zouden eten, dan konden ze 630 gram rundvlees per dag eten Alleen de Denen en Nieuw-Zeelanders scoren hier hoger. De Nederlandse vleeskoeien produceren ongeveer 170 kilo rundvlees per hoofd van de bevolking. Als de Nederlanders dit alleen zelf zouden opeten, dan moesten ze 466 gram rundvlees per dag eten. Die Ierse koeien produceren ook melk. In 2019 was dat ongeveer 8.000.000.000 liter melk. Dat is 1.600 liter per Ier per jaar, dus meer dan vier liter per dag. Even ter vergelijking. De Nederlandse koeien produceerden in 2021 14.2 miljard kilo melk. Aangezien 1 liter 1,032 kilo weegt, zijn dat 13, 76 miljard liter en dat is 786 liter per Nederlander, iets meer dan 2 liter per dag.

Als de Ieren werkelijk verhongeren als de Ierse Koeienstapel met 1 miljoen dieren wordt verkleind dan moeten we in Nederland inmiddels al lang zijn gestorven van de honger. Het artikel van Jongeneel is niets meer en niets minder dan populistische paniekzaaierij.

Niet-links links

In mijn vorige prikker besteedde ik al aandacht aan het boek Left Is Not Woke van de filosoof Susan Neiman. Ik moest aan haar boek denken bij het lezen van een artikel van Chris Keulemans bij OneWorld. Ik moest eraan denken bij het lezen van de volgende passage: “Een heel onschuldig voorbeeld: betreedt een witte cis hetero een zaaltje vol mensen van kleur die klaar zitten voor een discussie, dan vraagt de nieuwe code dat hij een plek achterin kiest, niet direct zijn hand opsteekt als het tijd is voor vragen uit het publiek en komt hij toch aan het woord, dat hij dan geen als vraag vermomde oratie houdt.”

“Ik heb in mijn leven veel witte gezichtsbepalers in de wereld van kunst en media leren kennen, van wie ik velen min of meer als gelijkgezinden beschouwde. Maar ik zie er steeds meer de rechterkant op glibberen.” Zo begint Keulemans zijn betoog. Hij licht die ‘ruk naar rechts’ toe aan de hand van enkele voorbeelden: “De wethouder had er opnieuw op gehamerd dat de culturele sector een betere afspiegeling van de stad moest worden, in programma, publiek en organisatie. De respons: sikkeneurig. Al dat gehamer. Bij voorbaat vermoeid over hoe ze deze politieke agenda nu weer in hun subsidieaanvragen moeten verwerken.” Verzuchtend vraagt hij zich af: “Was het dan al die tijd zo’n dun laagje, hun linksheid, meer gewoonte dan overtuiging? Links is altijd, in welke vorm dan ook, gebaseerd op solidariteit.”

‘Woke’: “Wakker blijven van onrecht, op je hoede zijn voor tekenen van discriminatie – wat kan daar mis mee zijn?[1]” vraagt Neiman zich af. Niets, zo is ook haar antwoord. De bedoeling is goed. Maar zoals het spreekwoord zegt is de weg naar de hel geplaveid met goede bedoelingen. Keulemans’ artikel laat precies zien hoe die goede bedoelingen plaveisel voor de weg naar de hel worden.

Volgens Neiman, en daarin kan ik haar goed volgen, is dit een gevolg van het intersectionele denken. Neiman: “Het idee van intersectionaliteit zou de manier waarop we allemaal meer dan één identiteit hebben, kunnen hebben versterkt. In plaats daarvan concentreert het zich op die delen van de identiteit die het meest gemarginaliseerd zijn, en vermenigvuldigt ze in een woud van trauma’s.”  Dit leidt ertoe dat: “Het de nadruk legt op de manieren waarop bepaalde groepen gerechtvaardigd zijn en probeert de schade te herstellen. Met de focus op ongelijkheden van macht wordt het begrip rechtvaardigheid vaak buiten beschouwing gelaten.[2]” Een goed voorbeeld hiervan geeft de Amsterdamse fractie van de partij BIJ1. Een partij die helemaal is gebaseerd op het intersectionele denken. De raadsleden zijn uit de partij gestapt want de partij is: “een “toxische, structureel onveilige omgeving” (…), vol wantrouwen, machtsmisbruik en “gebrek aan transparantie en interne democratie,” aldus de opstappende raadsleden. Niet vreemd voor een partij die een ideologie van macht, want dat is het intersectionele denken, als basis heeft en dan vooral de macht van de meest achtergestelde wil verbeteren. Dan ontstaat er een strijd om de hoogste treden van, zoals ik het in een eerdere prikker heb genoemd, de ellende-ladder. Iedereen wil de meest ellendige zijn omdat die de macht krijgt.

Keulemans is een perfect voorbeeld van iemand die ‘links’ verwart met wat Neiman ‘woke’ noemt. Neiman: “Wat mij hier het meest bezighoudt, zijn de manieren waarop hedendaagse stemmen die als links worden beschouwd, de filosofische ideeën hebben verlaten die centraal staan in elk links standpunt: een toewijding aan universalisme boven tribalisme, een stevige scheiding tussen rechtvaardigheid en macht en een geloof in de mogelijkheid van vooruitgang.[3]” Links ónderscheid zich met het idee van universalisme, internationale solidariteit: “Dit was precies wat het onderscheidde van rechts, dat geen diepe connecties en weinig  echte verplichtingen toekende aan iedereen buiten zijn eigen kring.[4]” Keulemans lijkt zich het universalisme van links nog wel te herinneren: “Links is altijd, in welke vorm dan ook, gebaseerd op solidariteit. Daar heb je massa voor nodig. En die ontstaat alleen maar als er onder die solidariteit genoeg eigenbelang zit – een zichtbaar en makkelijk uit te leggen voordeel voor iedereen die zich solidair verklaart.”  Alleen vult hij het op een zeer bijzondere manier in.

En daarmee kom ik bij de ‘witte cis hetero’. Een intersectionele beoordeling van iemand op basis van twee dimensies. Neiman: “Het tegenovergestelde van universalisme wordt vaak ‘identitarisme’ genoemd, maar het woord is misleidend, want het is zo dat onze identiteit hooguit tot twee dimensies kan worden gereduceerd. In feite hebben we er allemaal velen, waarvan het belang gedurende hun hele leven in ruimte en tijd zal variëren.[5]”  Waarom mag een ‘witte cis hetero’ niet vooraan in de zaal zitten of op welke plaatst die er nog vrij is waar de persoon maar wil? Waarom mag deze persoon niet meteen zijn hand opsteken en het verhaal in een monoloog verpakken? Waarom mag deze persoon dat niet en mogen de ‘mensen van kleur’ dat wel? Hoe verhoudt zich dit tot het universalisme dat zo eigen is aan links? Dit is tribalisme dat Neiman omschrijft als: “een beschrijving van afbraak van een samenleving die optreedt wanneer mensen, van de welke aard dan ook, het fundamentele menselijke verschil zien als dat tussen onze soort en alle anderen.[6]” Keulemans kiest het tribale boven het universele.

Neiman herleidt het intersectionele machtsdenken naar twee twintigste-eeuwse ‘machtsdenkers’.  Op het denken van de Franse filosoof Michel Foucault. Bij Foucault draait alles om macht zelfs rechtvaardigheid. Of zoals hij het zelf zei: “Als rechtvaardigheid in een strijd op het spel staat, dan is het een machtsinstrument. Het is niet in de hoop dat mensen op een dag, in deze of een andere samenleving, beloond zullen worden op basis van hun verdiensten, of gestraft zullen worden op basis van hun fouten.[7]”  Foucault zag rechtvaardigheid daarmee als een middel terwijl ‘links’ het als een doel ziet. Links koestert juist wel de hoop dat die samenleving er op een dag ergens is. Links gelooft in vooruitgang waarin Foucault niet gelooft. En geloof in vooruitgang betekent niet dat die er vanzelf komt. Nee daarvoor moet hard worden gewerkt en daarvoor is waakzaamheid nodig. Waakzaamheid omdat rendementen van vroeger die we vandaag koesteren als we niet waakzaam zijn, morgen verloren kunnen zijn. De tweede machtsdenker waarop het intersectionele denken teruggrijpt is de Duitse politiek filosoof en rechtsgeleerde Carl Schmidt. Het ‘vriend versus vijand’ schema staat centraal in het denken van Schmitt: “ Oorlog en politiek zijn een kwestie van de meest extreme en intense tegenstellingen… De begrippen vriend, vijand en strijd krijgen hun werkelijke betekenis voor zover ze betrekking hebben op en de reële mogelijkheid van politieke vernietiging in stand houden.[8]”  En de ‘vriendenkant’ van Schmitt was Nazi-Duitsland. Wat beide denkers interessant en aantrekkelijk maat: “voor progressieve denkers van vandaag is hun gedeelde vijandigheid tegenover het liberalisme en hun inzet om liberale hypocrisie te ontmaskeren.” En ‘liberale hypocrisie’is er voldoende te vinden.

Keulemans lardeert zijn artikel met voorbeelden van mensen die: “een stompzinnig grapje (…) maken (‘Ze heeft zo’n ingewikkelde Turkse naam, dus ik noem haar gewoon Turkie’).” Zaken die niet goed te praten zijn. Dat laat onverlet dat er inderdaad wordt weg geglibberd. De mensen met die grapjes glibberen weg van fatsoen. Keulemans glibbert samen met ‘woke’weg van links naar … naar ‘niet-links links’.


[1] Susan Neiman, Left Is Not Woke, pagina 4. Eigen vertaling.

[2] Idem, pagina 5. Eigen vertaling

[3] Idem, pagina 2. Eigen vertaling

[4] Idem, pagina 11. Eigen vertaling

[5] Idem, pagina 12. Eigen vertaling

[6] Idem, pagina 20. Eigen vertaling

[7] Geciteerd bij Susan Neiman, Left Is Not Woke, pagina 65. Eigen vertaling.

[8] Idem, pagina 73

Keti koti

Als je nu nog niet weet dat we op 1 juli herdenken dat de slavernij de jure 160 geleden werd afgeschaft, dan heb je onder een steen gelegen. Onder een steen gelegen omdat de media het afgelopen jaar en culminerend in de laatste week voor de 1ste juli 2023, veel aandacht hieraan hebben besteed. Op de dag voor die 1ste juli las ik bij De Correspondent een artikel van Karin Amatmoekrim dat aandacht vraagt voor deze herdenking en waarom die ons allen aangaat. Terecht want dit was een belangrijk moment in de geschiedenis en het moet aanleiding zijn om de schijnwerpers vol te richten op hedendaagse slavernij. Want nog steeds leven zo’n 40 miljoen mensen in slavernij. Dus op 1 juli herdenken en de rest van het jaar bestrijden. Toch knelt er iets in haar betoog.

Bron: flickr

Natuurlijk kan het dat je denkt ‘het is toch 150 jaar?’ En ja het is de facto 150 geleden dat aan de arbeidsplicht die bij de afschaffing aan voormalige slaven werd opgelegd een einde kwam. Die arbeidsplicht werd door de overheid opgelegd om de voormalige slavenhouders te compenseren in het verlies dat ze leden omdat hun ‘bezit’ werd afgenomen. Een vergoeding aan de voormalig slavenhouders klinkt ons vreemd in de oren toch was en is het nog steeds heel gebruikelijk dat je wordt gecompenseerd als je bezit wordt afgenomen door een overheidsmaatregel. De Britten compenseerden nog ruimer. De slavenhouders kregen in totaal 20 miljoen pond (vergelijkbaar met nu € 19 miljard) en de status van de voormalige slaven werd zonder hun instemming omgezet in een contract als ‘leerknecht’. Dit betekende dat ze nog zes jaar onbetaald hetzelfde werk moesten blijven doen. Dit even terzijde. Terug naar Amatmoekrim.

Volgens Amatmoekrim, en dat kan ik alleen maar ondersteunen, moet iedereen: “lezen over de Surinaamse schrijver en verzetsheld Anton de Kom, de Amerikaanse, Nederlandssprekende abolitionist Sojourner Truth  en al die andere tot de verbeelding sprekende voorouders. Er moeten romans  en films over komen, die ons onderwijzen in belangrijke lessen, die ons kippenvel geven en handvatten bieden voor een betere toekomst, zodat iedereen zich aan hen kan spiegelen en zich in hen kan herkennen.” Bijzonder wordt als ze haar betoog vervolgt: “Vandaag, op de drempel van Keti Koti 2023, wil ik aan iedereen die aarzelt om samen met bruin en zwart Nederland het slavernijverleden te herdenken, omdat hij denkt dat het niet zijn plek is, zeggen: onze helden zijn óók jullie helden. Ja, zij stonden ooit recht tegenover de Europese mens, maar door hun leven te vieren, vieren we onszelf zoals we nu, in dit heden zijn: een samenleving die tegen wil en dank versmolten is met een uiterst pijnlijke en schaamtevolle geschiedenis.” Hier gebeurt iets bijzonders.

Hier wordt een verkeerd perspectief geschetst. ‘Zij’ stonden niet tegenover de ‘Europese mens’. ‘Zij’ stonden, net als de overgrote meerderheid van de ‘Europese mensen’ tegenover de machtigen die hun leven bepaalden. Door het te stellen zoals in het citaat wordt miskend dat het overgrote deel van de voorouderlijke Europese mensen part nog deel hadden aan slavernij en de slavenhandel. Slavernij was niet iets van ‘…’ tegenover de ‘Europese mens’. Het was iets van mensen met macht tegenover machtelozen. Net zoals het nu nog steeds iets is van mensen met macht tegenover machtelozen. De ‘vrije’ Europese arbeider werd niet beter en soms nog slechter behandeld dan iemand in slavernij. De overgrote meerderheid van de toenmalige ‘Europese mensen’ en ook de bewoners van het gebied dat nu Nederland is, hadden totaal geen invloed op de acties en besluiten van de koninkrijken en steden waar ze woonden. Pas in 1917 konden alle Nederlandse mannen van 25 en ouder gaan stemmen, twee jaar later ook alle vrouwen. In andere Europese landen zijn de jaren wat anders, maar wat ze allemaal gemeen hebben is dat dit ver na de afschaffing van de slavernij was.

Het is nogal cru om de ‘nazaten’ van die uitgebuite ‘Europese mens’ nu op één hoop te vegen met de toenmalige machtigen en van hen ‘deemoed, bescheidenheid en schaamte’ te verwachten voor iets waar zelfs hun voorouders part nog deel aan hadden anders dan dat ze door dezelfde personen werden uitgebuit.

Holdomor

“De hongersnood in Oekraïne van de jaren 30 zou door de Tweede Kamer kunnen worden bestempeld als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’. Dat adviseert de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) in een rapport over de Holodomor, zoals de hongersnood wordt genoemd.” Zo lees ik op de site van de NOS. Geïnteresseerd, zocht ik het genoemde rapport erbij en sloeg aan het lezen. Het blijkt toch net wat anders te liggen.

Daily Express 6 augustus 1934. Bron: Wikipedia

Voor dat anders hoef je niet ver te lezen: “Voorop wordt gesteld dat de CAVV niet aan feitenonderzoek doet. Dit betekent dat de CAVV niet nagaat of de gebeurtenissen in 1932-1933 als genocide kunnen worden gekwalificeerd,” aldus de eerste zin van de tweede alinea. De Commissie heeft dus niet onderzocht of er in het betreffende geval sprake is van genocide. Wat heeft ze dan wel onderzocht? Het volgende: “De Tweede Kamer heeft de CAVV gevraagd de tijdsdimensie te onderzoeken en daarbij in te gaan op het toepasselijk recht ten tijde van de Holodomor, in het licht van de omstandigheid dat het Genocideverdrag pas in 1948 is aangenomen.” Deze zinnen volgden op die eerste zin. De Commissie heeft onderzocht of je een gebeurtenis die plaatsvond voordat het woord genocide bestond, genocide kunt noemen. Daarop kwam het antwoord dat je iets in het verleden een ‘genocide naar hedendaagse maatstaven kunt noemen. Of zoals de Commissie het formuleert in haar advies: “Hoewel genocide ten tijde van de Holodomor nog niet als internationaal misdrijf was erkend, kan de Tweede Kamer zich op het standpunt stellen dat de Holodomor naar hedendaagse maatstaven als genocide (dan wel misdrijf tegen de menselijkheid) kan worden beschouwd, voor zover de Holodomor inderdaad aan de vereisten van deze misdrijven voldoet.” Een cruciale stukje tekst ontbreekt in de berichtgeving van de NOS en dat is de tekst vanaf ‘voor zover’.

Genocide, een woord dat we te danken hebben aan de Pools-joodse rechtsgeleerde Raphael Lemke en dat in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide als volgt is gedefinieerd als: “een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep, het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep, het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging,het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen en  het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.”  Als hier in het geval van de Holdomor sprake van is, dan zou je dit, zo adviseert de commissie als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’.

Wat gebeurde er in de Sovjetrepubliek Oekraïne? Waarom vielen er in de periode 1932-1933 miljoenen doden door honger? Dat is eigenlijk de verkeerde vraag. Want wat er gebeurde, gebeurde niet alleen in de Sovjetrepubliek Oekraïne maar in de gehele Sovjet Unie. De leiders van de Sovjet Unie wilden  in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw, de boeren, het grootste deel van de inwoners van het land was boer, naar het socialisme toe laten groeien door ze er de voordelen van te laten ervaren en ze wilden de landbouwproductie verhogen. Dit met de hongersnood van 1922 en het terugvallen van de graanoogst tot slechts twee derde van wat het voor de Eerste Wereldoorlog was. Dat toegroeien betekende ze te bewegen in de richting van coöperatieve organisatievormen. Echter, om de voedselproductie niet in gevaar te laten komen mochten boeren eigen bedrijfjes hebben en na betaling van belasting in nature, mochten ze het overschot op de markt verkopen. Hierbij bepaalde de markt de prijs van de producten. De belangrijkste koper van de landbouwproductie was echter de staat. Die kocht in 1925 55% en twee jaar later zelfs 85% van de oogst op.

Midden jaren twintig werd de markt echter weer losgelaten en werd de graanprijs met 20-25% verlaagd. Daarop gingen de boeren minder voor de markt produceren en meer als veevoer. “De graanproductie ten behoeve van staatsaankopen zakte eind 1927 met dertig procent in. Stalin cum suis namen alleen dat laatste gegeven serieus en concludeerden ten onrechte dat de boeren het weer lieten afweten,”  aldus Ditrich en van Goudoever in hun boek de geschiedenis van de Sovjet Unie. Stalin cum suis: “gingen tot de aanval over en lieten graan net als in de tijd van het oorlogscommunisme in beslag nemen.”  De graanproductie daalde hierdoor nog verder en daarop koos de partijleiding: “voor de grootschalige landbouw, de collectivisatie. Was in 1928 en 1929 al op enige schaal gecollectiviseerd, vanaf eind 1929 geschiedde dit massaal. De boeren werden gewelddadig en collectieve eenheden samengedreven door tienduizenden arbeiders en partijfunctionarissen. De meesten kwamen in collectieve boerderijen, de kolchozen, een klein deel in staatslandbouwbedrijven, de sovchozen, terecht. Wie zich verzette heette een koelak te zijn en werd gedeporteerd.” Dit leidde tot: “tussen de een en twee miljoen slachtoffers. Op korte termijn leidde de collectivisatie tot ernstige productievermindering, massale vee slachting en uiteindelijk in 1932-1933 opnieuw tot een vreselijke hongersnood die acht à tien miljoen mensenlevens vergde. Daartegenover stond het papieren succes van een schier totale collectivisatie. [1]”

Ja, slachtoffers van de collectivisatie van de landbouw ondervonden ‘ernstig lichamelijk of geestelijk letsel’. De collectivisatie van de landbouw in de Sovjet  had niet  tot doel ‘om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep’.  Nationale etnische groepen en rassen waren tijdens de Holdomor zowel dader als slachtoffer en ook godsdienst speelde geen hierin geen enkele rol. De leiders van de Sovjet Unie waren Rus zoals Molotov en Kamenev, Georgiër zoals Stalin en Beria en ook Oekraïner zoals Zinovjev en Trotski. De slachtoffers van de collectivisatie waren Rus, Georgiër, Oekraïner, Litouwer, Kazach, Armeniër. De ‘nationale etniciteit’ was niet de reden van hun slachtofferschap van de collectivisatie. Een verschrikking die Oekraïne hard trof maar dat had niets met hun nationaliteit of etniciteit te maken. De reden was hun verzet tegen de collectivisatie. In Oekraïne was die groot omdat het gebied pas in 1922 onder Sovjet controle kwam en daarmee de verplichte graanlevering onder het oorlogscommunisme niet hadden meegemaakt en dat had in de rest van het land al tot die hongersnood van 1922 geleid. Er is daarmee ook met de huidige maatstaven geen sprake van genocide.

Dat de Oekraïense ambassade, zoals is te lezen in een bericht van een jaar geleden bij de NOS: “ hoopt dat ook Nederland “deze belangrijkste stap zal zetten,”  omdat, zo betoogt die ambassade:  “Juist nu (…) de internationale erkenning van historisch belang (is), omdat Oekraïners opnieuw heldhaftig de vrijheid verdedigen ten koste van hun eigen leven,” doet daarbij niet ter zaken. Ja, wat Oekraïne nu overkomt is verschrikkelijk. En ja wat de slachtoffers van de collectivisatie overkwam was ook verschrikkelijk. Die collectivisatie was en is, hoe graag de Oekraïense regering het ook wil, geen ‘heldhaftige strijd van Oekraïners voor hun vrijheid.’ Het zo willen zien is het herschrijven van de geschiedenis voor gebruik in het heden. Dat is iets waar deze historicus grote moeite mee heeft.


[1] Z.R. Ditrich en A.P. van Goudoever, de geschiedenis van de Sovjet Unie, pagina 63

Lichte identiteit

“Wat doen sociale media met het zelfbeeld van meisjes? Wat betekent het om voortdurend in contact te staan met een wereld vol onrealistische ideaalbeelden.”  Met die woorden opent een artikel bij De Correspondent van Veerle van Herk. Want: “Het gaat niet goed met de mentale gezondheid van meisjes.” Een artikel met als titel Wat meisjes in de spiegel zien. Eigenlijk is het geen artikel maar een fotorapportage van een groep van meisjes tussen de 11 en 14 waarbij Ven Herk een tekstuele toelichting geeft. Ik moest bij het lezen van de vragen denken aan de tegenwoordige fascinatie met ‘identiteit’. Zou de nadruk op ‘identiteit’ en dan vooral de ‘eigen’ variant ervan een van de oorzaken van de ‘geestelijke gezondheidsepidemie’ zijn? zo vroeg ik me af.

Aanpassen

Een paar jaar geleden schreef ik een Prikker over ‘misgenderen’. Dit naar aanleiding van een klein artikeltje op de site OneWorld. Zelfs na die Prikker liet één zin in het artikel me niet los. De zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Als ik die zin en de context waarin de zin wordt gebruikt goed begrijp, dan is identiteit gelijk aan je eigen genderkeuze. ‘Identiteit’ een woord dat tegenwoordig zeer veel wordt gebruikt: de ‘Nederlandse identiteit’,  de ‘moslim identiteit’ en hier dus de ‘gender identiteit’. Eenzelfde woord dat wordt gebruikt in zoveel verschillende contexten, dat moet wel tot verwarring leiden. Wat is ‘identiteit’ en waarom maken we ons er druk om? En waarom zou je er onzeker van worden

Ik begin waar ik vaker begin, de Van Dale. Die geeft twee betekenissen: ‘gelijkheid: je identiteit bewijzen bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, ‘figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Hoe komen we van het individu naar een groep?

Dan maar even Wikipedia geraadpleegd. “ Identiteit is de eenheid van wezen, volkomen overeenstemming en gelijkheid. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is het zelfbeeld of zelfconcept.”  De trans persoon die niet met het juiste voornaamwoord wordt aangesproken stemt niet overeen met het door de ander opgemerkte beeld. Met zijn imago of image, om die reclameterm te gebruiken, de: “indruk die de buitenwereld heeft van iemand of iets.” Die kunnen verschillen. Wikipedia gaat verder: “Er zijn verschillende soorten van het begrip identiteit te onderscheiden, zoals persoonlijke, genetische, sociale, culturele en nationale identiteit.” En daarmee komen we van het individu bij de groep: de culturele en nationale identiteit.

We komen er, maar het wordt er niet duidelijker op. “Een culturele identiteit ontstaat als een samenleving kiest voor een groepsverbondenheid die deze zelf definieert op grond van gemeenschappelijke waarden en normen en op grond van een gemeenschappelijk verleden. Culturele identiteit is een toeschrijvingsproces dat wortelt in een historisch continuïteitsbesef.” Zoals het hier is geformuleerd lijkt het alsof er sprake is van een bewuste keuzeproces waarbij men kiest welke normen en waarden er wel bij horen en welke niet. Een soort ‘vergadering’ van alle leden van de samenleving die gaan stemmen wat wel en niet tot die ‘culturele identiteit’ behoort. Maar wat als ik dan een minderheidsstandpunt vertegenwoordig? Hoor ik dan niet meer bij die culturele identiteit?

Als een culturele identiteit ontstaat door een keuze van een samenleving, waarin verschilt die culturele identiteit dan van de nationale identiteit. Een nationale identiteit is: “de collectieve identificatie met de natiestaat. De nationale identiteit is onderdeel van de sociale identiteit.” De sociale identiteit: “is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een gewenst zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes.” Tot zover gaat het nog wel, maar dan: “De sociale identiteit is opgebouwd uit de identiteit van groepen waartoe iemand kan behoren, zoals de nationale, culturele, geslachts-, politieke of stedelijke identiteit.” Alle mogelijke andere identiteiten bepalen de sociale identiteit van een persoon. Daarbij de aantekening dat ‘identiteit’, zoals de Van Dale aangeeft, een zelfbeeld is. Dat zelfbeeld hoeft niet overeen te stemmen met het beeld dat anderen hebben van de persoon, cultuur of natie.

Identiteit lijkt daarmee, zoals de Vlaamse psycholoog Paul in zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.[1]” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Daarmee kan identiteit niet los worden gezien van imago. De trans persoon die ‘anders’   wordt waargenomen dan gewild, kijkt in Verhaeghes beeldscherm en moet daar iets mee. Een steen door dat beeldscherm werpen is dan een weinig succesvolle strategie. Identiteit is, volgens Verhaeghe niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.[2]” Zou een onveranderlijke nationale of culturele identiteit dan niet even twijfelachtig zijn?

Een paar bladzijden verder, schrijft Verhaeghe iets waarmee we de stap maken naar het waarom ‘we’ ons zo druk maken om de ‘identiteit’. Verhaeghe ziet “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.[3]” Voor het bij een groep horen hebben we de ‘culturele’ en ‘nationale’ identiteit’, die we onderdeel laten uitmaken van onze individuele ‘sociale identiteit’. Onze individuele identiteit maakt echter ook deel uit van die sociale identiteit en door die individuele identiteit: “kan men zich onderscheiden binnen een groep”, om Wikipedia aan te halen. 

Zou die grote belangstelling voor ‘identiteit’ te maken hebben met wat er in het ‘verschuivende beeldscherm’ te zien is? Dat beeldscherm laat ons steeds meer van de buitenwereld (dichtbij en veraf) zien. Steeds meer ‘beelden’ waartoe je je als individu moet verhouden. Maar ook omgekeerd, steeds meer ‘buitenwereld’ die jou via een beeldscherm ziet en zich ook weer tot jou moet verhouden. En op collectief, cultureel- of nationaal niveau, gebeurt precies hetzelfde. Francis Fukuyama lijkt ook in die richting te denken in zijn recente boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Volgens Fukuyama staat Maarten Luther aan het begin van het begrip identiteit of zoals hij het zelf schrijft op pagina 48: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.”  Luther was, zo betoogt hij, de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen. [4]”

 Dat het onderscheid tussen het innerlijke en het uiterlijke in Europa ontstond was volgens Fukuyama geen toeval: “De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.[5]” Welke veranderingen dat waren: “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën. [6]” 

Om het wat duidelijker te maken, het voorbeeld dat Fukuyama geeft: “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[7]” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Het tijdperk van ‘Hans’ werd gekenmerkt door grote sociale en maatschappelijke verandering. De samenleving veranderde van een agrarische naar een industriële. Nieuwe ‘banen’, andere maatschappelijke verhoudingen, nieuwe onzekerheden en het wegvallen van bestaande zekerheden. Iets wat ook voor het huidige tijdsgewricht lijkt op te gaan. Voor velen is niet duidelijk of het werk dat ze nu doen er over vijf jaar nog is. Een robot kan het zomaar overnemen of er ontstaat ineens een ander alternatief voor je werk en dan ben je net zo overbodig als de ‘hoefsmid’. De vraag op wie je kunt terug kunt vallen bij pech is ook weer actueel. Die was vanaf de jaren vijftig beantwoord: op sociale regelingen. Alleen zijn die sinds de jaren tachtig flink ingekrompen en van karakter veranderd. Net als Hans zien we mensen uit andere streken met een andere taal en gebruiken. En net als Hans zien we nu politici, zelfs van over de hele wereld, die ons allemaal voor zich proberen te winnen maar waarvan we ons afvragen of ze werkelijk met ons lot zijn begaan. 

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama: “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[8]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.

Het antwoord dat Hans kreeg wordt door politici als Wilders en Baudet nog steeds gegeven: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Het bijzondere hierbij is dat Baudet terug lijkt te verlangen naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Alleen lopen er tegenwoordig veel Nederlanders rond die zich hierin niet herkennen. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden. Of, om een citaat van Verhaeghe dat ik hierboven al gebruikte te herhalen: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” 

Naast dit ‘oude’ antwoord op de vraag ‘wie ben ik’, is er tegenwoordig een andere manier van beantwoorden van deze vraag. In de eerste zin van een artikel bij Oneworld benoemde Saeda Nourhussen die manier: “In-ter-sec-tio-na-li-teit.” Dat woord liet ze volgen door: “Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” Om het vervolgens uit te leggen: “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse). Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken.

Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site. Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleiding scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft de meeste privileges?

Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel: “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”  Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”  Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.

Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af.  Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd. Stukjes waaraan waarde en eigenschappen worden toegerekend. Die je worden toegedicht ook al herken je je zelf er niet in. Eigenschappen die via digitale kanalen worden bevestigd. Kanalen die je verketteren, of om het hedendaags uit te drukken, ‘cancellen’ als je er niet aan voldoet

Ik begon met het verwijzen naar de vorige Prikker en de zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Ik hoop dat de trans persoon zich veel meer voelt dan trans persoon. Dit terzijde. Er is meer. De regering werkt aan een vereenvoudiging van de Transgenderwet en rond die nieuwe wet wordt flink gediscussieerd door voor- en tegenstanders. “Het meest gehoorde argument is dat mannelijke verkrachters zich straks toegang kunnen verschaffen tot vrouwen-wc’s en -kleedkamers.”  Zo lees ik in een artikel van Valentijn de Hingh bij De Correspondent. De discussie draait om zelfidentificatie en de gevolgen hiervan. Ik moest daarbij denken aan een cursus public relations die ik ooit heb gevolgd en daarmee kom ik bij het meer.

Het was in die cursus dat ik voor het eerst kennis maakte met het begrip ‘identiteit’. Het kwam in de titel voor van een boek van C.B.M van Riel. Een boek met als titel Identiteit en Imago. Een inleiding in de corporatie communication. Wat ik me nog van het boek herinnerde was dat ‘identiteit’ dat is wat je zelf vind dat je bent en ‘imago’ is hoe anderen je waarnemen. Ik stipte het hierboven al even aan. Maar om het zeker te weten zocht ik het boek. Dat moest ergens op de vliering in een doos of kist liggen. En even later stond ik met het boek in mijn handen op zoek naar de betekenis van de twee begrippen. Van Riel: “Imago en identiteit zijn veelvuldig gebruikte begrippen geworden als het gaat om het vaststellen van de communicatiestrategie van een onderneming. Geleidelijk aan is het algemeen geaccepteerd dat imago ‘het beeld is van een organisatie in de perceptie van de doelgroepen’, terwijl identiteit veelal wordt geassocieerd met ‘de wijze waarop het bedrijf zich profileert ten opzichte van haar doelgroepen.[9]” Mijn herinnering had mij niet in de steek gelaten. ‘Identiteit is wat je wilt zijn’ en die ‘je’ kan ook een bedrijf zijn. Dit sluit aan bij de definitie die de Van Dale geeft: “eigen karakter van een persoon of groep.” In het huidige tijdsgewricht lijkt het erop dat ‘identiteit’ de betekenis die Van Riel aan ‘imago’ geeft, heeft aangenomen.

Als we naar het identiteitsbegrip van Van Riel en Nourhussen kijken, dan lijken beiden het over iets anders te hebben. Van ‘wat je zelf vindt dat je bent’ naar een verzameling van kenmerken waaraan ‘privileges’ die meer of minder ‘privilege’ opleveren, hangen. Als ik het op mezelf betrekt dan zou ik mijn identiteit op Van Riels manier als volgt beschrijven: “Ik ben een energieke creatieve vrijdenkende historicus met een zeer brede maatschappelijke interesse en een drive om de wereld te verbeteren. Te verbeteren door mensen los te laten komen van vaste denkpatronen en zo fungeer ik als luis in de pels. Ik kom met onconventionele, creatieve, goed onderbouwde en beargumenteerde plannen, ideeën voor de problemen van vandaag, gericht op de uitdagingen van morgen en goed geworteld in het verleden. Voor mij is het glas altijd vol. Ik schrijf stukjes op mijn eigen site.” Op basis van Nourhussens intersectionele manier van denken over identiteit ziet de beschrijving van mijn identiteit er heel anders uit: “Ik ben een hetero man met een blanke huidskleur. Ik ben cis-gender. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben theoretisch opgeleid en als zzp’er actief is in overheidsland.”  Twee compleet verschillende omschrijvingen. Met de ‘Van Riel’ omschrijving zou je moeite hebben om mij te herkennen in een rij bij een kassa. Dat lukt met de ‘Nourhussen’ omschrijving beter. Terwijl als je met mij in gesprek zou willen gaan de ‘Van Riel’ omschrijving een veel beter beeld geeft wat je te wachten staat.

Het begrip ‘zelfidentificatie’ komt daarmee overeen met Van Riels identiteitsbegrip. Je identiteit is jouw kijk op jezelf en die kan niemand je afnemen. Niemand kan zeggen dat het niet klopt. Dus als ik als blanke cis-gender hetero man mezelf omschrijf als lesbische, vrouwelijke Klingon, dan ben ik dat voor mezelf. Voor degenen onder mijn lezers die het niet weten, Klingons zijn de humanoïde bewoners van de planeet Kronos. Tenminste, in de serie Star Trek[10]. Ze staan bekend om hun strijdlust en moed en hebben een uitgesproken en geribbeld voorhoofd. Als ik je dat vertel, denk je vast dat ik niet goed spoor. Je ziet immers iemand die voldoet aan de Nourhussen identiteitsbeschrijving die ik hierboven van mezelf gaf. En met dat niet overeenstemmen met mijn beschrijven van mezelf en jouw waarneming van mij, komen we bij imago. Want jouw waarneming van mij, is het imago dat jij aan mij toekent. Hoe ik jou waarneem hoeft niet hetzelfde te zijn als de hoe jij jezelf ziet. Ik kan je als mens zien terwijl jij je Klingon voelt.

Zoek hier als tiener, meisje of jongen maar eens je weg in. Zou dat de oorzaak ervan zijn dat het: “niet (gaat) goed met de mentale gezondheid van meisjes,” zoals Van Herk schrijft? In een interview in de Volkskrant een paar jaar geleden, gaf de filosoof Kwame Anthony Appiah een interessante bespiegeling die een uitweg kan bieden: “Identiteit is vaak gebaseerd op leugens. Maar: we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.” Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur? En ook op de kruispunten van Nourhussen verschillen de daar bivakkerende mensen op vele manieren van elkaar.

 “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen…,” aldus Appiah. Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’. En ja, ook op de Nourhussens kruispunten gebeurt iets bijzonders. De intersectionele theorie beoogt verschillen in macht te verklaren. Als ze wordt gebruikt om de identiteit van levende mensen te beschrijven, dan wordt ze zwaar.

Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”

Een lichte identiteit op het niveau van een samenleving, maar ook op persoonlijk niveau. Het citaat van Appiah over licht dragen van je identiteit gaat verder: “ …maar sommige van die bewegingen zijn zwaar. Ze trekken mensen in een identiteit waar ze helemaal geen zin in hebben. Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in een homo-enclave in de stad willen wonen, maar zelf wil ik dat niet. Ik voel me aangetrokken tot mannen, maar de laatste dertig jaar slechts tot één man, Henry. Henry is een groot feit in mijn leven, niet mijn homoseksualiteit. Laten we mensen niet in categorieën persen.” 

Deze prikker is een combinatie van drie eerdere prikkers: Hans en de vraag ‘Wie ben ik?’, Verdwalen tussen kruispunten en Identiteit, imago en de transgenderwet.


[1] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 14

[2] Idem, pagina 15

[3] Idem, pagina 19

[4] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 48

[5] Idem, pagina 55

[6] Idem, pagina 57

[7] Idem, pagina 89

[8] Idem, pagina 91

[9] C.B.M. van Riel, Identiteit en imago, pagina 30

[10]  https://nl.wikipedia.org/wiki/Klingon_(Star_Trek)

BBB opportunisme

Begin 2016 overleed Antonin Scalia een van de negen opperrechters in de Verenigde Staten. Volgens de regels van het Amerikaanse spel was het aan toenmalig president Barack Obama om een opvolger te benoemen. Die poging werd gefrustreerd door de Republikeinse senatoren. Zij gaven hiervoor als reden dat Obama was begonnen aan zijn laatste jaar als president en het benoemen van een rechter zou moeten overlaten aan zijn opvolger die toen nog onbekend was. Zij hielden voet bij stuk en uiteindelijk benoemde Trump Neil Gorush als opvolger. Ik moest hieraan denken toen ik las dat de BBB wil dat de oude Eerste Kamer niet meer stemt over twee wetsvoorstellen.

Het betreft hierbij een voorstel om de Wet publieke gezondheid te veranderen en zo een wettelijke basis te bieden voor een deel van de maatregelen die werden benut bij de bestrijding van de Covid-19 pandemie en de nieuwe Pensioenwet. De partij is tegen deze wetten en omdat ze succesvol was in de recente verkiezingen groeit haar gewicht in de nieuwe Eerste Kamer. “Resultaten van onderzoeken over het vertrouwen in de politiek vragen juist nu om zorgvuldige processen en volledige erkenning van de laatste verkiezingsuitslag,” zo onderbouwt de partij haar betoog. Nu wordt die verkiezingsuitslag door niemand betwist en door iedereen erkend, dus dat hoeft geen belemmering te zijn. Ook wordt de wet geheel volgens de geldende procedure behandeld. Het proces is daarmee zorgvuldig.

De partij ziet het anders: “Wij hebben bij deze gang van zaken grote bedenkingen: ingrijpende besluiten worden op de valreep genomen en bij de pensioenwet is de stemming nu gepland NA de verkiezingen voor de Eerste Kamer en VOOR benoeming van de nieuwe Eerste Kamer leden die hun eerste vergadering hebben op 13 juni 2023. Dit is ongepast en berooft onze toekomstige fractie om bij belangrijke besluiten voor Nederland het democratisch mandaat uit te oefenen. Wij verzoeken u dus de behandeling van deze beide wetsvoorstellen niet af te ronden in de samenstelling van de oude Kamer.”  En omdat het bij Tweede Kamerverkiezingen gebruikelijk is dat de: “oude Kamer na de verkiezingen geen enkel besluit van enige importantie meer,” neemt, wil de partij dit ook toepassen op de Eerste Kamer. Op het eerste gezicht een plausibel pleidooi maar is het dat ook?

Inderdaad is het gebruik dat er tijdens een verkiezingsperiode voor de Tweede Kamer geen zwaarwegende zaken meer worden voorgelegd aan de Tweede Kamer. De BBB stelt nu voor dit ook voor de Eerste Kamer te laten gelden. Er is echter één groot verschil tussen de Tweede en de Eerste Kamer en dat is de manier waarop haar leden worden gekozen. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks door de kiezer gekozen. Die verkiezingen vormen tevens de basis voor het vormen van een regering. Partijen en haar leden profileren zich in die verkiezingen met een programma waarin ze aangeven wat zij vinden dat het beste is voor het land.

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de  Provinciale Staten van de twaalf Nederlandse provincies en sinds dit jaar een dertiende provincie bestaande uit kiesgerechtigde Nederlanders in het buitenland. Dit gebeurt zo’n twee maanden nadat wij als kiezers die leden van Provinciale Staten hebben verkozen. Aan die verkiezingen voor Provinciale Staten nemen andere partijen deel maar dat is nog niet eens zo belangrijk. Belangrijker is dat de aan de provinciale verkiezingen deelnemende partijen, zich profileren op provinciale thema’s, niet op landelijke thema’s. Pensioenen en publieke gezondheidszorg zijn geen thema’s voor provinciale verkiezingen simpelweg omdat de provincies hier niet over gaan. Dat zijn thema’s voor landelijke verkiezingen en dat waren het ook bij de verkiezingen van maart 2021. Zou het voor het vertrouwen in de politiek en de zorgvuldigheid van procedures helpen om de uitstel van de behandeling van wetten op te schorten?

Er is meer. BBB betoogt dat een Eerste Kamer in de periode tussen de verkiezingen van Provinciale Staten en de benoeming van de nieuwe Eerste Kamer, geen zwaarwegende besluiten meer mag nemen. Die periode is drie maanden want de nieuwe Eerste Kamer wordt in de tweede helft van juni benoemt Dit analoog aan de gang van zaken bij de Tweede Kamer. De partij heeft hierbij de klok horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt. Kenmerkend voor Tweede Kamerverkiezingen is dat een kabinet dan demissionair is, het heeft geen missie meer. Dat kan omdat het kabinet is gevallen, de breuk niet meer te lijmen is en er geen andere regering geformeerd kan worden, maar ook omdat haar wettelijke termijn van vier jaar is verstreken en de verkiezingen zijn uitgeschreven. Dan is het gebruik dat het kabinet geen besluiten meer neemt over zwaarwegende, controversiële zaken en de Tweede Kamer eenzelfde houding hanteert. Dat ligt bij de Eerste Kamer anders. Er is nog steeds een kabinet met een missie, of het een goede missie is daarover kun je van mening verschillen maar dat doet er voor het proces niet toe. Ook is er nog steeds een rechtstreeks door de kiezer gekozen Tweede Kamer, een Kamer met missie. Er is dus geen reden om het wetgevende werk ‘on hold’ te zetten.

Belangrijkste bezwaar is dat met gehoorgeven aan de wens van BBB een hellend vlak wordt betreden. Een hellend vlak dat de bestuurbaarheid van Nederland aantast. En daarmee kom ik uiteindelijk bij de opvolging van Scalia. Bij navolging van het idee van BBB ontstaat er een tweede moment dat er in ons land niet wordt besloten. Nu is dat alleen rond de landelijke verkiezingen. Dat moment duurde na de verkiezingen van 2021 meer dan een jaar. Het kabinet Rutte 3 viel op 10 januari 2021 en de opvolger Rutte 2 stond precies een jaar later op het bordes. De BBB wil daar nu de periode tussen de provinciale verkiezingen en de verkiezing van de Eerste Kamer aan  toevoegen. Dat zijn drie maanden maar wat let een partij die er in ‘de peilingen’ goed voorstaat om die periode niet op te rekken tot de verkiezingsstrijd en zelfs nog verder?

Het hellende vlak kan ook tot andere ellende leiden. Namelijk tot opportunisme en als de oproep van BBB ergens van getuigt dan is het opportunisme en daarmee ben ik bij de opvolging van Scalia. Obama mocht niet ‘over zijn graf regeren’ door in zijn laatste jaar nog een rechter te benoemen. Een rechter die voor de rest van zijn of haar leven wordt benoemd. Iets meer dan vier jaar later op 18 september 2020 overleed Ruth Bader Ginsburg, ook opperrechter, minder dan twee manden voor de verkiezingen. Dit keer zagen de Republikeinen onder leiding van Trump geen reden om de benoeming uit te stellen tot na de verkiezingen.

Van je familie moet je het hebben …

“Nu denk ik niet dat Máxima zich hiermee verraadt als lid van een gluiperig en geheim globalistenclubje – ik dicht leiders en royals niet zo’n groot organisatievermogen toe – maar haar bemoeienis geeft wel een slinger aan de complotmolentjes.” Aldus Emma Curvers in haar column de Volkskrant. Dat ‘gluiperig en geheim globalistenclubje’ is voor menigeen het World Economic Forum dat afgelopen week weer de jaarlijkse bijeenkomst in Davos hield. Het ‘hiermee’ verwijst naar ‘Máxima’s uitspraken over een digitale munt die een ‘powerful tool’ kan zijn voor ‘financiële inclusie’.

Vele regeringsleiders en topmensen van bedrijven ontmoetten elkaar daar de afgelopen week weer en bespraken van alles en nog wat. In hun kielzog een grote schare journalisten en ook de grote criticaster van de in Davos ‘complotterende elite’ Forum voor Democratieleider Thierry Baudet toog die kant op om verslag te doen en het ‘great reset complot’ te ontmaskeren. Maar vooral omdat ook die ‘digitale munt’ op de agenda stond en dat is, als Curvers hem goed citeert, volgens Baudet: “Het afpakken van ons geld.”  Nu dacht ik altijd dat complottisten er alles aan doen hun complot geheim te houden en dus pottenkijkers zouden weren. Dat is bij die bijeenkomst niet het geval. Zelfs als je, zoals Baudet, het complot wilt blootleggen, ben je er welkom. Dat lijkt me niet iets voor complottisten. Maar hier gaat het mij nu niet om. Het gaat mij er nu ook niet om dat de discussie over nut en noodzaak van een digitale munt steeds meer de complothoek wordt ingetrokken waardoor het steeds lastiger wordt om er legitieme vragen bij te stellen. Vragen zoals ik ze recentelijk in “Giro blauw past bij jou” stelde.

Het gaat mij om het niet zo grote organisatievermogen van leiders en royals. Ik denk dat Curvers daar een punt heeft. Het gros van de regeringsleiders die de jaarlijkse bijeenkomsten bezoeken, zijn democratisch gekozen. Ze zijn er daarmee niet zeker van dat ze er na de volgende verkiezing nog zitten. Een Amerikaanse president zit er maximaal acht jaar. Dat komen en gaan van ‘leiders’ maakt het erg lastig bij het smeden van een ‘complot’. Zo zou het kunnen, ik hoop van niet, dat Baudet na de volgende verkiezingen premier is. Dan zou het complot met hem gesmeed moeten worden.

Nee, dan stonden de tekenen in vroeger tijden veel gunstiger. In tijden dat Europa nog werd geregeerd door ‘royals’. Royals die door huwelijken met elkaar waren verbonden. “Men heeft Edward, wiens begrafenis het doel was van deze weergaloze bijeenkomst, dikwijls de ‘oom van Europa’ genoemd. Ten aanzien van de regerende Europese families was deze betiteling letterlijk juist. Hij was niet alleen de oom van keizer Wilhelm, maar ook, door de zuster van zijn vrouw, van de keizerin-weduwe van Rusland. De tsarina was zijn eigen nicht Alix; zijn dochter Maud was koningin van Noorwegen, een andere nicht, Ena, koningin van Spanje en een derde, Marie, zou al gauw koningin van Roemenië worden. De Deense familie van zijn vrouw bezette niet alleen de troon van Denemarken, maar had ook nog koningen geleverd voor Griekenland en Noorwegen. Andere familieleden, afstammelingen in verschillende graden van de negen zoons en dochters van koningin Victoria, kon men in overvloed aan alle hoven van Europa ontmoeten.[1]”  Een passage uit het eerste hoofdstuk van het boek De Kanonnen van Augustus van de historica Barbara Tuchman. Een passage die de begrafenis van de op 6 mei 1910 overleden Engelse koning Edward VII beschrijft. In vroeger eeuwen was het niet anders dan nu en liggen er familiebanden tussen de royals. Dat bleek recentelijk weer toen Constantijn, de voormalige koning van Griekenland, werd begraven. Ja, de royals probeerden het ‘all-in the family’ te houden.

Helaas boden die familierelaties geen garantie op succes. In haar boek beschrijft Tuchman de mislukking. En dat is wat de Engelse The Great War en wat wij sinds 1945 de Eerste Wereldoorlog noemen. Als je naar de royals kijkt van de deelnemende landen, dan was het een uit de zeer hand gelopen familieruzie. De Duitse keizer Wilhelm II was een volle neef van tsaar Nicolaas II van Rusland.  Dat weerhield hen er niet van om de wapens tegen elkaar op te nemen. Alexander II kreeg hierbij de steun van  zijn volle neef George V, de opvolger van de in 1910 begraven Edward VII. Een oorlog die voor twee van hen, Wilhelm en Nicolaas, het einde van hun carrière als heerser betekende en voor Nicolaas zelfs het einde van zijn leven en dat van zijn familie. In dat laatste speelde George nog een rol omdat hij zijn neef Nicolaas geen asiel verleende. Behalve in dat laatste, was de invloed van George V op keuzes van de Britten zeer beperkt. Dat kan niet worden gezegd over Wilhelm en Nicolaas. Die stonden werkelijk aan het hoofd van de regering.

Dit was niet de enige, wel de laatste keer dat royals zich zo lieten gelden en zoveel invloed hadden. Ook in nog vroeger tijden lukte het de royals niet om als één club de wereld te regeren. Waarom niet? Ook daarop geeft Tuchman het antwoord vanuit de belevingswereld van de Duitse keizer Wilhelm II: “Hij was immers gekomen om Edward te begraven, Edward de vloek van zijn leven, Edward de aartsintrigant, die zoals Wilhelm het zag, de hoofdschuldige was van Duitslands “Einkreisung”. Edward de broer van zijn moeder, die hij nooit had kunnen intimideren of imponeren en wiens dikke lichaam een schaduw over Duitsland had geworpen. “Hij is een satan. U kunt zich niet voorstellen wat voor een satan hij is!” Deze uitspraak, door de keizer gedaan in 1907 tijdens een diner voor 300 gasten, was ingegeven door Edwards reizen door het vasteland van Europa, ondernomen met de kennelijke duivelse bedoeling de politiek van omsingeling nog verder door te voeren.[2]”

Zou het tegenwoordig anders zijn? Zouden al die ‘captains of industry’ maar ook de al dan niet gekozen regeringsleiders samen streven naar ‘werelddominantie’? Het lijkt mij dat ze veeleer denken zoals Wilhelm en de ander als een bedreiging zien. De ‘rakettenrace’ tussen Musk, Bezos en Branson wijst in ieder geval die kant op. Die wijst niet op eenzelfde belang want dan zouden ze hun middelen bundelen en die voegen bij die van de NASA en de ESA. Dat zou meer resultaat opleveren voor veel minder geld. Het lijkt me veeleer dat ze ook doen wat Wilhelm deed tijdens de begrafenis van zijn ‘satan’ oom George en dat is in het openbaar keurig je rol volgens het protocol spelen en intern, net zoals Wilhelm tijdens het diner in 1907, de ander verketteren.


[1] Barbara Tuchman, De kanonnen van Augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914 pagina 10.

[2] Idem, pagina 8

.