Zaanstad, de Rotterdamwet en Genooi

Ik moest denken aan de Venlose wijk Genooi. In mijn jeugd een beruchte wijk met als bijzondere attractie dames achter ramen met rode verlichting. Die ‘beruchtheid’ maakte dat de gemeente Venlo deze wijk ging verbeteren. Als je nu door de wijk loopt dan moet je erkennen dat dit is gelukt. Veel huizen zijn gesloopt en vervangen door moderne nieuwe huizen. Markante oude zoals het Agnes Huijn Carré is in oude glorie hersteld, maar wel met slechts de helft van het oorspronkelijke aantal woningen. Het gemiddelde inkomen is flink gestegen en ‘berucht’ is de wijk niet meer, het is nu eerder een rustige ‘slaapwijk’.

Agnes Huijn Carre

Ik moest hieraan denken toen ik in de Volkskrant het streven van Jeroen Olthof van Zaanstad las: “Als je ziet dat nu 33 procent van de kinderen in deze wijken in armoede opgroeit, dan is de kans groot dat zij zelf ook in armoede zullen leven. Wij willen dat deze kinderen een mooie toekomst tegemoet gaan.” De gemeente Zaanstad wil dat bereiken door de “Rotterdamwet’ in te zetten. Hoe dat werkt: “Werklozen en uitkeringsgerechtigden maken op basis van de wet geen aanspraak op een vrijgekomen huurwoning in de wijken. Ook mensen met een strafblad of een aantekening van de politie kunnen worden geweigerd. Daar staat tegenover dat bepaalde maatschappelijke beroepsgroepen, zoals agenten en verpleegkundigen, juist voorrang krijgen op een woning.” Zouden die kinderen door het beleid van wethouder Olthof een mooie toekomst tegemoet gaan?

Met deze maatregel zal het ongetwijfeld lukken om het percentage kinderen die in die wijk in armoede opgroeien, naar beneden te brengen. De agenten, verpleegkundigen en andere beroepsgroepen die voorrang krijgen, zullen ervoor zorgen dat het gemiddelde inkomen in de wijk stijgt. Als zij kinderen krijgen, dan zullen deze kinderen niet in armoede opgroeien, die kinderen zullen ‘een mooie toekomst tegemoet gaan. Dat resulteert een een daling van het percentage kinderen in die wijk dat in armoede opgroeit. Hoera! Het beleid is succesvol want de doelstelling wordt gehaald.

Zou het aantal kinderen dat in armoede opgroeit door deze maatregel kleiner worden? De kinderen die al in de wijk wonen en in armoede opgroeien, zullen niet profiteren van de toename van het gemiddelde inkomen in die wijk. Hun armoede zal daar niet door worden aangepakt. De kinderen van de mensen die geen aanspraak kunnen maken op een woning in die wijk zullen elders moeten huren. Hun ‘armoedesituatie’ zal niet veranderen behalve als de huur daar wat hoger is.

Terug naar Venlo. De mensen (met kinderen in armoede) waarvoor geen plek meer was in Genooi, verhuisden naar Venlo-Zuid en Vastenavondkamp. Wijken die, zeker Vastenavondkamp, net zo berucht zijn als het vroegere Genooi. Een ander huis in een andere wijk maar nog steeds in armoede.

Spekken aandeelhouders

Als begunstiger van De Correspondent krijg je iedere dag een berichtje over nieuwe en soms ook wat oudere artikelen die op dit medium zijn verschenen. Vandaag las ik het volgende in dat bericht: “Het Europees Parlement wil de Europese begroting flink laten groeien, merkte correspondent Tomas Vanheste. Mede om – voor het eerst in de geschiedenis van de Unie – de defensie-industrie een impuls te geven.” Het artikel meldt dat de Europese begroting  met 30% groeit. Een belangrijk deel van dat geld is bestemd voor defensie en voor komende twee jaar is alvast 500 miljoen uitgetrokken voor steun aan de Europese defensie-industrie.

war-618899_960_720

Foto: Pixabay

Vanheste: “Voor Europese samenwerking op defensiegebied is zonder twijfel iets te zeggen. Zolang je geen volbloed pacifist bent, lijken zaken als gezamenlijk inkopen van materieel en slim verdelen van de taken zeer verstandig. Maar moet je daarvoor een financiële injectie geven aan de wapenindustrie? Is die dan niet winstgevend genoeg om de eigen research te financieren, waar het geld voor bedoeld is?” Terechte vragen lijkt mij. Zeker als je bedenkt dat het Europese project tot nu toe geen defensiepoot had.

Nu moest ik bij het lezen van dit artikel denken aan het boek De onzichtbare hand van Bas van Bavel, dat ik gisteren besprak. Van Bavel onderzocht markteconomieën en zag dat ze allemaal ten onder gingen en dat in de fase voor de neergang, kapitaal vooral in de financiële markten wordt geïnvesteerd. Vooral, maar niet als enige. Een andere sector die het in deze fase voor de wind gaat, is de militaire sector. Om hun machtspositie te behouden investeerden de overheden van die markteconomieën veel geld in oorlogen, onderdrukking en bewapening. Die investeringen bekostigden ze met leningen op de kapitaalmarkt en die leningen werden terugbetaald uit belastinginkomsten. Gevolg hiervan was dat er nog meer geld uit de reële economie werd getrokken en via de rente op de leningen ten goede kwam aan de extreem vermogenden.

Zou het kunnen dat dit ook in de Europese Unie aan de hand is? Dat de gewone belastingbetaler de beurs moet trekken om de rendementen van de vermogende aandeelhouders nog verder te spekken?

Markteconomieën

De afgelopen weken maakte politiek en opiniërend Nederland zich druk om de salarissen van topmensen uit het bedrijfsleven. Dit keer was een forse verhoging van het salaris van ING topman Hamers de aanleiding. Dat salaris moest ‘promoveren van de eerste naar de eredivisie’. Ik moest hieraan denken toen ik het naschrift bij het boek De onzichtbare hand van Bas van Bavel las.

Schema Van Bavel.jpg

Illustratie: Bas van Bavel, De onzichtbare hand, pagina 384-385

“Gevoelsmatig is deze aandacht (voor dergelijke salarisverhogingen die ‘graaien’ en ‘immoreel’ worden genoemd) misschien begrijpelijk, maar voor de grote fundamentele ontwikkelingen is deze focus grotendeels misplaatst,” aldus Van Bavel. Hij ziet een breder probleem dan immoreel handelen van individuen. Het is “een probleem dat eigen is aan de dynamiek van de markteconomie zelf, dus aan het systeem als geheel.” 

Waar de focus wel op zou moeten liggen? “Vermogensongelijkheid krijgt nauwelijks publieke aandacht, maar is voor de fundamentele ontwikkeling van economie en samenleving zeer relevant, niet vanwege de oneerlijkheid, maar vanwege de cruciale rol in de verwerving van maatschappelijke en politieke macht door de nieuwe marktelite.” Eenzelfde boodschap verkondigt de Amerikaans econoom Joseph Stiglitz in zijn boek The Price of Inequality.

Van Bavel voegt er een historische dimensie aan toe. In zijn boek onderzoekt Van Bavel markteconomieën uit het verleden en zoekt en vindt er een patroon in. Al deze markteconomieën doorliepen een soortgelijke cyclus. Gedurende de fases groeit het aantal armen en daalt het aantal vermogenden. Het vermogen van die vermogenden neemt wel steeds sneller toe.

Die cyclus (zie illustratie) begon met onrust en opstanden die leidden tot een grote mate van gelijkheid, vrijheid, zelforganisatie en sociale verbondenheid. Na verloop van tijd worden die zelforganisaties ondermijnd en wordt de markt de dominante manier voor het toewijzen van grond, arbeid en kapitaal. Mensen worden afhankelijk van de markt. Uiteindelijk gaat de financiële markt overheersen en wordt kapitaal vooral geïnvesteerd in financiële producten zoals staatsschulden. Die financiële producten leveren meer rendement op dan investeringen in de ‘productieve’ sector.

Via de staatsschuld hebben die vermogenden een stevige invloed op het bestuur van stad of land. Invloed die wordt vergroot door het ‘kopen’ van overheidsposities. Posities die vervolgens worden gebruikt om de regels van het spel naar eigen voordeel aan te passen. Daarnaast besteedt die nieuwe marktelite haar geld aan uiterlijk vertoon zoals grote huizen en kunst. “De marktelite is,” zo omschrijft Van Bavel het, “praktisch gezien de nieuwe feodale elite geworden. Machtsmiddelen worden ingezet om markten te vervormen naar eigen belang.”

Een interessante analyse waardoor je met andere ogen naar het heden kijkt.

Burgerbetrokkenheid

Komende woensdag mogen we ons voorlopig voor de laatste keer in een referendum ergens over uitspreken. Het raadgevend referendum wordt immers afgeschaft en een andere vorm van referendum hebben we niet. Het afschaffen van dit referendum en de manier waarop dit gebeurt, heeft veel mensen in de pen doen klimmen en het spreekgestoelte doen bestijgen. “Dat is een lange neus naar de kiezer. Het kabinet had ook kunnen zeggen: we gaan proberen de jonge wet te verbeteren en meer ervaring opdoen met het instrument referendum. Kijken of we de vraagstelling voortaan kunnen verbeteren bijvoorbeeld,” aldus Marc Chavannes bij De Correspondent.

exchange-of-ideas-796139_960_720

Illustratie: Pixabay

Chavannes besteedt aandacht aan de onderzoeken en de pogingen om de democratie aan te vullen. Hij constateert een: “groeiende behoefte van kiezers om meer betrokken te zijn bij het vaststellen van een probleem en bij het bepalen van de oplossing. Die behoefte aan meer invloed wordt gevoed door ontevredenheid over hoe gekozen politici luisteren en vertegenwoordigen.” Invloed die verloren is gegaan door: “depolitisering van het politieke debat…, het ontdoen van scherpe, tegengestelde standpunten in een politiek debat,” waardoor: “het heeft ontbroken aan open politiek debat, dat kiezers een gevoel van vertegenwoordigd zijn zou kunnen geven.” 

Laten we deze interessante analyse eens voor waar aannemen. Wat zou dan een passende manier zijn om te voldoen aan de groeiende behoefte van de kiezers om meer betrokken te zijn? Laten we de ‘sleepwet’ van nu eens als voorbeeld nemen. Die wordt nu als ‘eindproduct’ waaraan jaren werk is besteed, voorgelegd terwijl het gesprek over de belangrijkste keuze, de afweging tussen ‘veiligheid’ en ‘privacy’ nooit openlijk is gevoerd.

Zou die betrokkenheid dan niet veel beter vorm en inhoud krijgen als er eerst een brede maatschappelijke discussie zou worden gevoerd over het onderwerp en vooral over de hierboven beschreven afweging? Zou er met de uitkomst van die discussie niet naar mogelijke oplossingen gezocht moeten worden? Oplossingen die daarna op hun draagvlak worden getoetst?

Met andere woorden, zou die betrokkenheid niet veeleer aan de voorkant plaats moeten vinden en niet aan het einde? Zouden onze gekozen volksvertegenwoordigers de discussie niet moeten organiseren en faciliteren in plaats van ze te voeren? Zouden ze niet veel meer moeten luisteren in plaats van te spreken? Dit allemaal zodat ze op het einde als vertegenwoordiger namens ons een keuze kunnen maken?

l’Histoire se répète

“Hoe harder de politiek probeert mensen in hun eigen kracht te zetten, hoe schrijnender de realiteit dwingt tot de conclusie dat niet iedereen eigen kracht heeft.” Een uitspraak van Mieke Smilde in de Volkskrant in een artikel waarin zij de pogingen: “grip te krijgen op het probleem van mensen die lijden aan psychiatrische ziektebeelden.” Dit zonder veel succes want: “welke nieuwe woorden men ook verzint, welke bekostigingssystematiek wordt ontworpen of welke verantwoording men ook optuigt, de problemen blijven bestaan.” Problemen die vragen dat er: “gewoon moet worden ingegrepen. Niet door een indicatie aan te vragen, maar door een dak boven iemands hoofd te regelen.” Smilde signaleert op dit gebied een gebrek aan lef: “Verantwoordelijkheid nemen alvorens verantwoording af te leggen. Niet andersom.” One flew

Foto: Flickr

Vanuit mijn ervaringen als beleidsadviseur in het sociale domein, moet ik Smilde gelijk geven. Hoe lastiger de zaak, hoe meer er wordt gedraald en geschoven. Toch is er iets in Smildes betoog waar ik wat vragen bij heb. Smilde: “Mensen die roepen dat we daarmee teruggaan naar de paternalistische beter wetende psychiaters van vroeger, kennen de praktijk niet. Er komen geen Broeders van Liefde meer die twintig patiënten dagenlang op bed vasthouden. Patiënten kunnen hun rechten doen gelden.”

Zouden die ‘broeders van de liefde’ en die beter wetende psychiaters’ werkelijk niet terug kunnen komen? Zouden patiënten werkelijk hun rechten kunnen doen blijven gelden? Zou het werkelijk zo zijn dat zaken van vroeger die zijn ‘afgezworen’ niet meer terug kunnen komen? Dat ontwikkeling werkelijk alleen maar ‘vooruit’ kan gaan en niet achteruit? Dat bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting die wij nu hebben voor eeuwig blijft bestaan?

Dat die broeders niet onder die naam en precies zo terug komen, dat is bijna zeker, maar zou hun manier van werken werkelijk voor eeuwig verleden tijd zijn? Is de geschiedenis niet een aaneenrijging van zich steeds net iets anders herhalende gebeurtenissen?

Vrijheid en slavenmoraal

“Door het ontstaan van fusiepartijen als het CDA, Christen Unie en GroenLinks zijn de onderlinge verschillen tussen de politieke partijen verdwenen. Er is een sociaal-liberaal midden ontstaan dat ons land al een halve eeuw regeert, waarbij het weinig uitmaakt of dat uit centrumlinkse of centrumrechtse partijen bestaat.” Zo begint Henk Strating zijn betoog op de site Opiniez. Als Strating bedoelt dat de vele partijen weinig van elkaar verschillen, dan heeft hij een punt.

Nietzsche-Denkmal_Naumburg_2013

Foto: Wikipedia

Gelukkig zijn er sinds de eeuwwisseling alternatieven, aldus Strating: “Fortuyn, Wilders en Baudet hebben er met hun LPF, PVV en Forum voor Democratie een bres in geslagen.” Die hebben, zo beweert Strating, het lef om zich te onderscheiden. De essentie van dat onderscheiden vat Strating in één woord samen: “vrijheid. En dan vooral het vrije denken en de vrijheid van meningsuiting. Pim Fortuyn sprong daarvoor in de bres en wilde daarom het verbod op belediging en discriminatie afschaffen. De PVV voert vrijheid zelfs in de naam van de partij. Maar het meest duidelijk is het bij Thierry Baudet van het Forum voor Democratie.” 

Heb ik het dan helemaal verkeerd gezien, gelezen en gehoord de afgelopen jaren? Verkeerd gezien dat de partij die vrijheid in haar naam voert, wel heel erg vaak het woord verbieden in de mond neemt. Bijvoorbeeld als het gaat over een hoofddoek, de bouw van een moskee of het bezoek van een imam. Verkeerd gelezen dat diezelfde partij en ook nieuwkomer Baudet wel erg vaak pleiten voor het optreden tegen, of het ontslag van bijvoorbeeld een politieagent, leerkracht en anderen als die hun mening uiten en die mening niet overeenkomt met hun mening. Verkeerd gehoord dat als er iets wordt gezegd dat de ‘leiders’ van deze partijen onwelgevallig is, het woord ‘demoniseren’ heel snel valt. Dit met de bedoeling om die ander de mond te snoeren. Dat het bovendien niet bij woorden alleen blijft, nee er worden aangiftes gedaan.

Is dit in lijn met de uitspraak waarmee Strating eindigt en die aan de Franse denker Voltaire wordt toegeschreven: “Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen?” Of is dat een kenmerk van wat Nietsche, zoals Strating hem parafraseert: “een slavenmoraal (noemt), waarin vrije geesten verstikken, omdat afwijkende meningen taboe verklaard zijn?” 

Burgers en macht

Bij Joop maken Werner de Gruijter en Elisa Klaus zich druk om het onderwijs: “Het Nederlandse (en Europese) hoger onderwijs biedt de student in toenemende mate slechts het ogenschijnlijk noodzakelijke, namelijk het instrumenteel aanleren van een bepaalde vaardigheid in een zo kort mogelijke tijd. Dat het overige is wegbezuinigd of ingekort, laat zien dat culturele en geestelijke vorming dat zo noodzakelijk is voor de individuele ontplooiing, tegenwoordig onvoldoende op waarde wordt geschat.” Iets waar ik, zoals ik al eerder schreef, me wel in kan vinden.

euro-1144835_960_720

Foto: euro-bankbiljetten-handdruk-1144835

Ik wil het hebben over hun eerste alinea: “De macht in het Westen verschuift richting een nieuw soort feodalisme, ook wel neoliberalisme genoemd. Onder het mom van marktwerking verdween de macht uit handen van de burger en kwam terecht bij investeerders die met geld invloed hebben uitgeoefend op het (Europese) onderwijsbeleid.” Een interessante passage waarin zij betogen dat door de marktwerking de macht van burgers naar ‘ investeerders’, mensen met veel geld die invloed kopen, verschuift. Gevolg hiervan is een soort feodalisme. Nu niet via de grond en fysieke arbeid maar via het aanleren van ‘instrumentele vaardigheden’ die nodig zijn voor bedrijven. Dat klinkt mooi, maar….

Macht die verschuift van burgers naar investeerders, dit suggereert dat die macht ooit in handen was van die burgers en op dit punt zitten mijn vragen. De auteurs constateren zelf al dat: “In de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog … te veel macht in te weinig handen,” lag. Als we kijken naar de invoering van het algemeen kiesrecht, dan valt op dat dit pas in het eerste kwart van de twintigste eeuw haar beslag kreeg. Dit betekent dat, als er een moment was dat de burger de macht had, dit moment ergens na de Tweede Wereldoorlog lag.

Als het neoliberalisme de oorzaak is van het verschuiven van die macht, dan moeten we de tijd van ‘burgermacht’ vóór begin jaren tachtig van de vorige eeuw zoeken. Vanaf dat moment werd het neoliberale marktdenken dominant. Die periode moet dus ergens tussen 1945 en 1985 liggen. Hiervan kunnen we de eerste twintig, vijfentwintig jaar gerust afschrijven. De protesten in de jaren zestig waren immers gericht tegen de regenten. Blijven vijftien jaar over. De jaren van de Lockheed affaire met ‘schelm van Oranje’ Bernhard in de hoofdrol. Een affaire waarbij een bedrijf een besluit probeert te ‘kopen’. Precies dat wat de ‘investeerders met geld’ nu doen.

Met de auteurs maak ik me er zorgen omdat: “een uitgebalanceerde en kritische levenshouding steeds minder aan de volgende generaties (wordt) doorgegeven in het (hoger) onderwijs” Of de macht ooit echt in de handen van de burgers heeft gelegen?

Ik doe niet mee!

Identiteit, door de Van Dale omschreven als “eigen karakter.”  Identiteit, het staat tegenwoordig centraal in zo ongeveer elk politiek debat, want dan wordt identiteit van het individuele naar het collectieve niveau getild, naar het niveau van de ‘Nederlandse identiteit’ bijvoorbeeld. De regeringspartijen besteedden er al aandacht aan in hun regeerakkoord en daar heb ik me al eerder over uitgelaten omdat het woord wordt gebruikt om mensen buiten te sluiten. Nu las ik iets bijzonders op de site Opiniez, de site die lastig omgaat met een weerwoord.

holle-bolle-gijs-339478_960_720

Foto: pixabay.com

Op deze site een artikel van Robert Bor. “De beroepsdrammers beitelen zeer succesvol aan het fundament van de Nederlandse identiteit. Telkens weten ze er een stuk af te houwen. Langzaamaan verdwijnen eeuwenoude tradities en wordt de geschiedenis net zo lang herschreven totdat zij past in het utopische streven.” Wat is dan die Nederlandse identiteit? volgens Bor wordt die gevormd door zwarte piet, monsieur Cannibale in de Efteling, cowboys en indianen, Jan Pieterszoon Coen en een film over Michiel de Ruyter. Nu valt er veel te zeggen over de criticasters van al deze zaken. Dat enkelen er bijzondere theorieën op na houden, dat er zijn die in fabeltjes geloven en dat er zijn die de geschiedenis plooien naar het heden.

Nu ben ik Nederlander en vier ik sinterklaas, heb ooit wel eens de Efteling bezocht, cowboy en indiaantje gespeeld, geschiedenis gestudeerd en tijdens die studie kwamen De Ruyter en Coen voor. Dat de Nederlandse identiteit daarmee bestaat uit zwarte piet, en Monsieur Cannibale, de cowboys en indianen, Coen en De Ruyter tot de ‘fundamenten van de Nederlandse identiteit’ behoren, gaat dat niet wat ver?

Volgens Bor verdienen die beroepsdrammers: “een krachtig antwoord van trotse, Nederlandse burgers, verenigd in hun afkeer van de ondermijning van onze gekoesterde identiteit.” Beste meneer Bor, als Nederlander kan ik u zeggen: ik doe niet mee!

Voor mij wordt het fundament van de Nederlandse identiteit niet gevormd door voorgeschreven ‘belangrijke tradities’ of historische figuren’. Voor mij wordt die gevormd door de ruimte die onze rechtstaat biedt om jezelf te zijn en je eigen inspiratiebronnen te kiezen. Door de vrijheid om af te wijken van de ander. De vrijheid om je eigen ‘identiteit’ te bepalen en evenzoveel ruimte voor een ander om zijn ‘identiteit’ te bepalen.

Rijkaardweg of Pônniewaeg

In mijn geboorteplaats fietste ik vroeger door de Jan Verschurensingel, over het Professor Jansenplein en allerlei andere straten vernoemd naar een pastoor of kapelaan uit vroeger jaren. Al die namen zeiden me niets, behalve dan dat wat het bordje vermeldde: pastoor in Velden van … tot …. Later bleek dat een van die namen, professor Jansen, nog een voorvader van me was. Nu loop ik door Venlo over het Mgr Nolensplein, in de volksmond het Gaasplein, omdat er vroeger een gasfabriek (zie foto) stond en over de Deken van Oppensingel ook wel bekend als de Pônniewaeg waarvan de geschiedenis wordt bezongen in het liedje Merieke en zienen Huzaar. Vanwaar deze tocht door mijn verleden en heden?

Gaasplein

Foto: SeniorPlaza

D66 Rotterdam, nu nog in coalitie met Leefbaar Rotterdam maar straks natuurlijk niet meer, wil geen straten meer vernoemen naar ‘witte mannen’. De PvdA in onze hoofdstad is het hier helemaal mee eens en wil straatnamen naar migranten vernoemen. Volgens raadslid Sofyan Mbarki is ‘een betere afspiegeling van de diversiteit van Amsterdam’ hierbij het devies.” Dit lees ik in een korte bijdrage van Ewout Klei bij Jalta. Bij het artikel zelfs een tweet van iemand die Nijmegen als goed voorbeeld geeft: straten vernoemd naar vooraanstaande mensen uit de Indische gemeenschap. Ondanks de manier waarop de discussie wordt gevoerd, voelt Klei er wel wat voor: “Migranten en hun afstammelingen moeten zich ook thuis kunnen voelen in Nederland. Het is immers ook hun land.” En daarom: “Dus graag een Donald Jones park, een Anil Ramdas boulevard en uiteraard een Ruud Gullitlaan en een Frank Rijkaardweg,” aldus Klei. Inderdaad moet iedereen zich in dit land thuisvoelen en als straatnamen voor Rijkaard, Gullit, Ramdas en anderen daaraan bijdragen, waarom niet?

Ja, waarom niet? Tegenover de straten van al die ‘oude blanke Nederlanders’ zetten we straten van ‘gekleurde wat minder oude Nederlanders’, ter compensatie en evenwicht. Misschien niet omdat er juist nu zo’n discussie is ontstaan over straatnamen van mensen die honderd jaar geleden werden toegejuicht en nu worden verguisd? Een Heutszplein, Witte de Withstraat of een Coentunnel, roepen tegenwoordig heftige reacties op en er wordt zelfs gepleit om er andere namen aan te geven. Zou dat niet ook met mensen kunnen gebeuren waarnaar we nu straten vernoemen? Neem Gullit, een geweldige voetballer, maar als trainer wel actief in Grozny bij de club van de omstreden Ramzan Kadirov. Nu al een vlekje en wat als we voetbal in de toekomst verwerpelijk gaan vinden? Wie garandeert ons dat die ‘helden van nu’ over een paar generaties niet ook van hun sokkel vallen?

Zouden we niet af moeten zien van het vernoemen van straten en pleinen naar personen?  Liever de Pônniewaeg dan de Rijkaardweg!

Trumponomics

Stel de Trump-hotels komen erachter dat de goedkoopste lakenfabrikant veel minder geld aan hotelkamers bij Trump-hotels besteedt, dan dat hij lakens levert en de hotels besluiten er geen lakens meer af te nemen. De hotels geven die, bijvoorbeeld 10 miljoen, niet meer uit. Volgens hun eigenaar winnen ze daarmee. Gevolg is wel dat de gasten  moeten slapen op bedden zonder lakens. Natuurlijk kunnen de hotels zelf een ‘lakenfabriek’ beginnen voor eigen gebruik. Alleen zal de prijs van die lakens ook moeten worden doorberekend in de kamerprijs. Die zullen stijgen want als eigen lakens het goedkoopste zouden zijn, dan zouden de Trump-hotels al altijd zelf lakens hebben gemaakt. Die lakenfabrikant zal minder of zelfs niet meer overnachten in de Trump-hotels en dat betekent minder omzet voor de Trump-hotels. De, door de eigen lakens, duurdere kamers zullen minder worden geboekt. Zou ‘hotelmanager’ Trump deze keuze maken?

march-for-science-2252981_960_720

Foto: pixabay.com

President Donald J. Trump wel “When a country (USA) is losing many billions of dollars on trade with virtually every country it does business with, trade wars are good, and easy to win. Example, when we are down $100 billion with a certain country and they get cute, don’t trade anymore-we win big. It’s easy!” Een tweet waarmee hij zijn plannen voor het invoeren van importheffingen verdedigt. Plannen die een handelsoorlog kunnen ontketenen.

Ik moest het een paar keer lezen, maar het staat er echt: als je een handelstekort hebt en je stopt met die handel dan win je. Inderdaad houd je het geld dat met die handel is gemoeid dan in je zak. Daar staat tegenover dat je het product ook niet krijgt. Wat als je dat product vervolgens toch nodig hebt en je moet op zoek naar een alternatief? Als er een goedkoper alternatief was, bijvoorbeeld kwalitatief evenwaardig staal uit het eigen land, dan had je dat waarschijnlijk al afgenomen, dan had je dat niet uit het buitenland gehaald. Betekent dat niet dat je alternatief altijd duurder is, ook maken in eigen land? Als je dat duurdere product, bijvoorbeeld weer dat staal, verwerkt in andere producten, worden die producten dan niet ook duurder? Verkoop je die producten in je eigen land, dan zijn je inwoners duurder uit en kopen ze er wellicht minder van. Verkoop je ze ook nog in het buitenland, dan verkoop je daar ook minder of wellicht niets meer. Inderdaad blijft al je geld in eigen land als je niet met het buitenland handelt, maar zijn veel hogere prijzen en dalende koopkracht daarvan niet het gevolg?

Trumponomics, economie volgens Trump, begint vorm te krijgen. Het ‘trickle down’ geloof, het geloof dat belastingverlaging voor de rijken ‘naar beneden druppelt’ en ervoor zorgt dat ook de armen rijker worden, is al gereanimeerd via de belastingplannen. Nu het geloof dat handelsoorlogen te winnen zijn, terwijl ervaringen uit het verleden uitwijzen dat handelsoorlogen alleen maar verliezers kennen. De rijken, zoals Trump, zal het niet zo veel deren. De rekening zal worden betaald door Jo Sixpack en Jan Modaal.