Centraal Bureau voor Filosofie en Geschiedenis

Vandaag las ik een artikel van collega Mattie Peeters met als titel ‘Toeval en ons mensbeeld. Peeters concludeert: “Gedrag, handelen en de gevolgen ervan worden stevig beïnvloed door toevalsfactoren.” Waarom? “Ik word wie ik ben niet door ‘mijn’ uitzonderlijke capaciteiten en competenties maar door toeval en geluk die massief mijn levensloop bepalen. Mijn identiteit blijkt welbeschouwd een narratief. Bovendien heb ik die capaciteiten en competenties zoals talent, intellect, doorzettingsvermogen, emotionele stabiliteit, sociale wendbaarheid, slagkracht, machtsstreven enzovoort, niet ‘zelf’ verdiend maar zijn ze mij toevallig bij geboorte gegeven.”  De Ballonnendoorprikker kan dit alleen maar onderschrijven. Het ligt in de lijn van zijn recentelijke betoog met als titel De geschiedenis wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard en een van zijn eerste Prikkers Toeval en geluk. Peeters eindigt met de zin: “De sociale en morele implicatie van dit mensbeeld lijkt mij verstrekkend.”  

Bron: Wikimedia Commons

Vervolgens moest ik denken aan het RTL-verkiezingsdebat. De titel boven de Volkskrant column van Bert Wagendorp vatte het goed samen: “Het RTL-verkiezingsdebat was een afzichtelijke vertoning die je alleen met ware doodsverachting en een teiltje kon uitzitten.” Hij vraagt zich af: “Wanneer (…) er een politicus op(staat) die weigert zich nog langer te laten vernederen voor de armzalige natte droompjes van tv-makers die alle kijkers aanzien voor randdebielen die alles mooi en prachtig vinden, zolang er maar lichtjes gaan branden en er een vrolijk muziekje klinkt?” Politiek en het besturen van een land als een verbaal kooigevecht met de diepgang van een platbodem. Zonder enig besef van de sociale en morele implicaties van het door Peeters geschetste mensbeeld.

Neem het debat over migratie. De stelling luidde: “het kabinet moet immigratie nog verder beperken.” Niemand die zich inleefde in de wereld van de migrant. Die zich afvroeg waarom een Afrikaan deze kant op komt? Wat er wellicht gedaan kan worden om ervoor te zorgen dat de noodzaak om weg te gaan kleiner wordt. Niemand die erop wijst dat migranten voor verreweg de grootste stroom aan ‘ontwikkelingshulp’ zorgen. Niemand die zich realiseert dat de migrant er niet voor heeft gekozen in Gabon te worden geboren. Net zoals Dijkhoff en zijn collega’s van geluk mogen spreken dat ze hier zijn geboren. Dat was niet hun eigen verdienste. 

Zou het helpen als de programma’s van politieke partijen niet alleen worden doorgerekend door het CPB en en Planbureau voor de Leefomgeving, maar ze ook worden doordacht door een ‘Centraal Bureau voor Filosofie en Geschiedenis?

The unbearable whiteness of being

“De witheid van linkse politiek vernauwt antiracisme uiteindelijk tot een bevoogdend emancipatiedenken.” Dit schrijft universiteit docent Rogier van Reekum in een artikel op de site Oneworld. Gevaarlijk volgens Van Reekum: “Juist voor ecologische politiek is de witheid van linkse politiek dodelijk.” ‘Witheid van politiek’?

Bron: PxHere

Van Reekum: “Ecologische politiek laat namelijk zien hoe ons leven gebaseerd is op extractie, op het toe-eigenen, exploiteren en onder dwang gebruiken van wat ‘de natuur’ genoemd wordt.”  Vervolgens trekt hij een parallel: “Mensen leven zelf ook onder extractie, ook zij worden toegeëigend, uitgebuit en onder dwang gebruikt, beschikbaar gemaakt om te werken.” Van Reekum noemt dit, in navolging van een zwarte feministische denker ‘white-supremacist-capitalist-patriarchy’. Vervolgens concludeert Van Reekum: “De extractie van de aarde, waar ecologische politiek tegen strijdt, is dan ook geheel afhankelijk van de manier waarop racisme werkt en mensenlevens inricht.”Want: “Voor uitbuiting zijn namelijk de verschillen in menselijke waardigheid nodig die racisme tussen ons creëert.” Dit is onhoudbaar want: “Europa, witte mensen en witheid zelf zullen niet ontastbaar blijken voor de destructieve gevolgen van een orde die gebouwd is op extractie.”

Daar sta je dan als blanke, in de ogen van Van Reekum witte man van middelbare leeftijd. Alle ellende in de wereld is jouw schuld. Jouw schuld en je ‘witheid’ verhindert het werken aan oplossingen. Hindert en zelfs nog erger, je maakt fascisme mogelijk: “Fascisme drijft op de belofte van witte bescherming en gedijt bij linkse schuilkelderpolitiek die weigert te breken met die belofte. Witte onaantastbaarheid zal moeten worden overwonnen.” Maar je kunt er iets aan doen: “naar buiten (komen) en (je aan)sluiten bij iedereen voor wie de schuilkelders van witheid überhaupt nooit een veilige schuilplaats waren.” Grote woorden en  ronkende termen om jou een schuldcomplex aan te praten.

Zou het kunnen, beste meneer Van Reekum, dat de muren van die ‘schuilkelder’ door u en de uwen wordt opgetrokken? Ondoordringbare muren gebouwd van grote woorden en redeneringen zoals u in uw artikel gebruikt? Ondoordringbaar omdat u met dergelijke woorden en redeneringen mensen afstoot. Afstoot door mensen zoals mij tot boeman te benoemen? Een boeman die moet smeken om vergiffenis en die moet bekennen dat hij leidt aan die enge ziekte van ‘witte onschuld’. Dat denkkader dat zowel door bevestiging als ontkenning wordt bevestigd.  Jammer, want in de strijd voor een eerlijkere en minder vervuilende samenleving zouden we best kunnen samenwerken.

Als we Van Reekum moeten geloven, leidt de hele wereld, om de titel van het bekende boek van Milan Kundera wat te verhaspelen, aan ‘the unbearable witheness of being’

Denken over economie (deel 4)

Vandaag het vierde deel in de reeks Denken over economie. In het eerste deel stond de klassieke economie met Adam Smith in de hoofdrol centraal. Het tweede deel handelde over de invloed van Karl Marx. In het derde deel stond de opmerkelijke econoom John Maynard Keynes centraal. Daarmee zijn we aangekomen bij het denken over economie dat tegenwoordig dominant is, het neoliberalisme. Maar voordat ik dat ga behandelen, een korte uitweiding over rationalisme en empirisme.

Eigen foto

Naar het nu

In de vorige drie delen heb ik aan de hand van vier belangrijke denkers het denken over economie op hoofdlijnen kort besproken. Wat hierbij opvalt is dat er twee uitersten aan denkers over de economie te onderscheiden zijn. Aan de ene kant de wensdenkers, die hebben een visie op de werkelijkheid en proberen de werkelijkheid vervolgens in die visie te passen. Deze manier van denken hindert bij het zoeken naar oplossingsrichtingen voor de problemen. Die manier doet denken aan de manier waarop de Europese landen zich voorbereidden op de Eerste Wereldoorlog. Zo hadden de Duitsers het Schlieffenplan om te voorkomen dat ze op twee fronten moesten vechten. Hierbij zou eerst in een snelle slag Frankrijk verslagen moeten worden om vervolgens de energie op Rusland te richten. Dit in de verwachting dat de Russische mobilisatie zeer traag zou verlopen. Dit plan schreef dag voor dag voor wat er moest gebeuren en waar de legers op het einde van die dag zouden moeten zijn. Ook de andere landen hadden dergelijke plannen. Bij het uitbreken van de oorlog werden die plannen in werking gesteld. De oorlogsleiding was er zo van overtuigd dat de werkelijkheid zich volgens hun plan zou ontwikkelen, dat de werkelijkheid in het plan werd geperst totdat het niet meer kon. Aan de andere kant economen die uitgaan van de werkelijkheid en vervolgens naar oplossingen zoeken. Keynes was een econoom van dit soort. Veel van zijn navolgers vertonen echter hetzelfde gedrag als de ‘oorlogsplanners’ en zien overheidsinvesteringen altijd als dé oplossing voor een crisis. Dit verschil is ingebakken in het denken en de wetenschap. Het is de eeuwenoude strijd tussen rationalisten (hier de wensdenkers) en empiristen. Rationeel staat dus niet tegenover irrationeel. Rationeel heeft hier de betekenis van een theoretisch denkkader dat de werkelijkheid moet benaderen. Dat staat tegenover empirisme, een manier van denken die de waarneming centraal stelt en die probeert te verklaren.

Volgens de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček (De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, pagina 206 – 218) is de economische wetenschap in de ban van het rationalisme en heeft de Franse filosoof René Descartes hier een belangrijke rol in gespeeld. Net zoals hij die rol voor alle andere wetenschappen heeft gespeeld. Sedláček geeft de kern van dat denken als volgt weer (pagina 209):”De reductie van de menselijke antropologie gaat hand in hand met de reductie van intellect tot wiskunde. In die wereld is er geen ruimte voor emotie, kans of lege ruimte. Alles grijpt met deterministische gestrengheid en de precisie van een horloge in elkaar.” Het voorbeeld Keynes leert ons dat het anders kan als we tenminste kijken naar wat er werkelijk gebeurt. Dit is de belangrijkste les die we van Keynes kunnen leren. Veel navolgers van Keynes lijken meer op rationalisten die de werkelijkheid door hun ‘Keynesiaanse’ model of systeem willen gieten. Sedláček over dit denken in systemen en ‘wiskundige modellen (pagina 213):”Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.”

Met het behandelen van deze denkrichtingen hebben we alle ingrediënten die nodig zijn om, zoals Keynes ons leert, de huidige situatie te bestuderen. De klassieke economen introduceerden het eerste ingrediënt, de belangrijke rol van de markt in de economie en de samenleving. Een markt die in hun ogen vrij moet zijn, dus zonder door de overheid opgeworpen belemmeringen. Vrij maar niet ten koste van alles zoals we bij Mill zien. Marx wees erop dat geld meer was dan alleen een ruilmiddel en dat het een eigenstandige macht heeft als vermogen of kapitaal, het tweede ingrediënt. Daarnaast introduceerde Marx het doelgericht denken, de teleologie. Volgens Marx is de ontwikkeling die de mens doormaakt gericht op een doel of eindstadium. Voor Marx was dat de socialistische samenleving. Keynes wees op de belangrijke rol die de overheid in de economie kan en moet spelen, het derde ingrediënt. Keynes benadrukte ook het psychologische van de economie, het vierde en laatste belangrijke ingrediënt. Keynes onderkende dat het handelen van mensen wellicht wel rationeel is maar dat die rationaliteit niet altijd tot de beste resultaten leidt. 

Hayek: de wieg van het neoliberalisme

In de jaren zeventig kreeg een nieuwe stroming meer en meer aanhang onder economen en politici, het neoliberalisme. Een stroming die, als we het heel kort willen beschrijven, teruggrijpt op het werk van de klassieke economen maar dan in de overdrive. De uitgangspunten van de klassiek economen zijn dogma’s voor de neoliberalen. In de roman Het Gelijk van Heisenberg vat de Venlose auteur Frans Pollux het neoliberale denken kort en krachtig samen (pagina 15-16):“Als het al bestaat kan geluk alleen maar gevonden worden in die prachtige natuurlijke balans tussen vraag en aanbod. Ik heb iets wat jij wilt + jij hebt iets wat ik wil = geluk. Hoe vrijer de markt, hoe meer ik wil; hoe meer ik wil, hoe meer ik heb; hoe meer ik heb, hoe groter mijn geluk.” Dit in een roman die door Hans Achterhuis als volgt wordt beschreven: ”Geleidelijk ontdekt de lezer … dat dit utopisch principe tot de ondergang van een groot deel van de wereld leidt.” Dit utopisch principe is het neoliberale geloof in de absoluut vrije markt.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw verdween het gedachtengoed van de klassiek economen geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich A. von Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt. Hij bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. Hij beschreef het zelf als volgt (geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt pagina 52): ”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af.  De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren moraalfilosofen.  Voor de neoliberalen is de economie de samenleving.

Eigen foto

Zoals hierboven beschreven verdween het gedachtengoed van de klassiek economen vanaf het begin van de twintigste eeuw geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Niet omdat het geen aanhangers meer had maar omdat het aan invloed verloor. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich A. Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt en bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. hij beschreef het zelf als volgt (geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt pagina 52):”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af.  De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren zoals we hebben gezien moraalfilosofen. Voor de neoliberalen ís de economie de samenleving.

Hayek zet dit ‘telecommunicatiesysteem’ af tegen de planeconomie van collectivisten. Planeconomie die succesvol leek en daardoor ook in westerse landen aanhangers had. In zijn boek Road to Serfdom gaat hij uitgebreid in op de mankementen van een centraal geleide planeconomie en dan met name voor wat betreft de gevolgen voor de samenleving. Hij schreef dit boek tijdens de Tweede Wereldoorlog en gebruikt Nazi-Duitsland als voorbeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat hij socialisme, communisme, nationaal-socialisme en facisme allemaal ziet als leden van dezelfde familie van collectivisten. Volgens Hayek is het streven naar democratische vormen van collectivisme en dus ook socialisme niet mogelijk is (Hayek, Road to Serfdom. Text en Documents. The definitive Edition): “That democratic socialism, the utopia of the last few generations is, is not only unachievable , but that to strive for it produces something utterly different that few of those who now wish it would be prepared to accept the consequences, many will not beliefe it units the connection has been laid bare in all its aspects.” En die gevolgen zijn volgens Hayek een totalitaire regeringsvorm waar de vrijheid van mensen het kind van de rekening is, zoals Duitsland onder Hitler en de Sovjet Unie.

De collectivisten doen dit onder de vlag van de vrijheid, maar dit is volgens Hayek een ander vlag dan de liberale vrijheidsvlag. Die liberale vlag zet zich in voor politieke vrijheid (Hayek: “… freedom from coercion, freedom from arbitrary power of other men, release from the ties which left the individual no choice but obedience to the orders of a superior to whom he is attached.” Dit sluit aan bij wat de filosoof Isaiah Berlin in zijn boek Twee opvattingen over vrijheid  negatieve vrijheid noemt. Berlin onderscheidt daarnaast positieve vrijheid. Hayek noemt dit socialisme en omschrijft het als volgt (pagina 77):“… freedom from necessity, release from the compulsion of the circumstances… .” Volgens Berlin gaat het hierbij niet om twee verschillende interpretaties van vrijheid maar om (Berlin pagina 75):“… twee sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.” En: “beide houdingen maken absolute aanspraken en het is niet mogelijk ze allebei volledig te bevredigen.”  

De neoliberale religie van de vrije markt maakt hierbij de radicale keuze voor maximale politieke en economische vrijheid voor het individu. De vrijheid van het een individu botst echter altijd op de vrijheid van het andere individu. Die botsing vindt, volgens de neoliberalen, plaats op de markt. Daar wordt de prijs van een product of dienst bepaald en daar wordt dus bepaald hoeveel vrijheid kost. “It (de liberale overtuiging,) is based on the conviction that where effectieve competition can be created , it is a better   way of guiding individual effect than any other,” aldus Hayek. Op de markt ontmoeten de individuen elkaar die ieder hun eigen belang najagen en zo doende wordt ook het algemeen belang gediend. Hayek had een groot, maar geen onbeperkt, vertrouwen in de markt, alleen als “… it is impossible to create the conditions necessary to make competition effective, we must resort to other methode of guiding economic activity.” En dan moeten we denken aan: “… the provison of the signposts on the roads nor, in most circumstances, that of the roads themselves can be paid for by every individual user. Nor can certain harmful effects of deforestation, of some methode of farming, or the smoke and noise of factories be confined to the owner of the property in question or to those who are willing to submit to the damage for an agreed compensation.” In deze gevallen kan de overheid een rol krijgen en die rol zit volgens Hayek vooral in wet- en regelgeving want: “An effective competitie system needs an intelligently designed and continuously adjusted legal framework as much as any other.” De citaten zijn te vinden bij Hayek pagina 85-88.

Friedrich A. von Hayek. Bron: Flickr

Hayek beschreef wat de gebreken waren van een collectivistische planeconomie en betoogt krachtig dat die ertoe leidt dat de vrijheid van ieder individu in het gedrang komt. Hij was echter blind voor de gebreken van de vrije markt en ziet die als een perfect mechanisme. Een mechanisme waar de overheid niet moet ingrijpen want dat verergert de zaken alleen maar. Hayek vertrouwde erop dat de markt alles goed regelt. Het algemeen belang was immers niets meer dan een optellingen van de individuele belangen en als iedereen op de markt zijn eigen belang najaagde, dan komt het vanzelf goed met de samenleving. Hier zat Hayek er echter naast. De filosoof John Gray verwoordt de misser van Hayek in zijn boek Zwarte mis. Apocaliptische religie en de moderne utopieën op pagina 131 als volgt:” Er is niets aan marktprocessen dat ervoor zorgt dat ze zich automatisch stabiliseren op het gewenste niveau. Hayek verdienste is erin gelegen dat hij aantoonde dat een succesvolle planeconomie een utopie is. Hij zag echter over het hoofd dat dat ook geldt voor de zelfregulerende markt.” Die blindheid voor de gebreken van de vrije markt, hebben zijn navolgers overgenomen. 

In een volgende deel pakken we de draad weer op bij Nobelprijswinnaar Milton Friedman, de belangrijkste leerling van Hayek.

Chroom-6, goede bedoelingen en vierkante wielen

“Wat zijn volgens jullie de lessen van de chroom-6-zaak over de omgang met langdurig werklozen?” Die vraag stelt Vera Mulder bij de Correspondent. In haar artikel een korte bloemlezing van de manier waarop de gemeente Tilburg werklozen verplicht liet werken bij de werkplaats van de NS. Daar hebben deze werklozen, zo bleek later, blootgesteld gestaan aan het kankerverwekkende Chroom-6. Mulder concludeert: “Volgens mij ligt de sleutel van het antwoord bij het volgende: het is makkelijker laks te zijn wanneer het gaat om mensen van wie je geen weerstand hoeft te verwachten. Bij langdurig werklozen dus, wier bestaanszekerheid afhing van dit gevaarlijke werk.” 

Bron: Flickr

Op de site Binnenlandsbestuur een artikel van Louis van Overbeek over deze affaire en dan vooral de commissie die het heeft onderzocht. “Deze aanpak paste binnen de dan geldende Wet werk en bijstand. Tilburg legde binnen die wet eigen accenten. Met goede bedoelingen, stelt de Commissie vast.” Volgens Van Overbeek is er nogal wat af te dingen op die ‘goede bedoelingen’. “Voor wie de berichtgeving over de ‘hervormingen’ in de sociale zekerheid enigszins heeft gevolgd kan het geen nieuws zijn dat gedwongen arbeid voor bijstandsgerechtigden in Nederland al sinds 2004 staande praktijk is, ondanks het feit dat deze in strijd is met artikel 4 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.” Die bedoelingen waren in strijd met wet- en regelgeving. Van Overbeek pleit voor een parlementaire enquête. 

De ‘lessen’ van deze affaire en dus de uitkomsten van de parlementaire enquête zijn al bekend. In zijn boek 1000 jaar Vaderlandse geschiedenis besteedt historicus Peter W. Klein een hoofdstuk met als titel Het hemd, de rok en de mantel van sint Maarten aan de armenzorg. En armenzorg en omgang met ‘werkschuw tuig’ zijn twee zijden van dezelfde medaille. In die duizend jaar is al van alles geprobeerd, ook het ‘tewerkstellen’ van armen in spin- en rasphuizen in de hoogtijdagen van de Republiek. Daar moesten ze werken voor te weinig eten en onder erbarmelijke omstandigheden. Lutheraan, calvinist, katholiek, humanist, het maakt niet uit dwangarbeid en opsluiting was het devies. Of zoals dichter Pieter Cornelisz Hooft in 1643 als motto dichtte voor het herbouwde Amsterdamse Spinhuis: ‘Schrik niet ik wreek geen quaat maar dwing tot goet. Straf is myn hant maar lieflyk myn gemoet.’

Aan het begin van de negentiende eeuw waren we nog niet veel opgeschoten. Toenmalige hervormers, zo schrijft Klein, beijverden zich voor: “disciplineren, straffen en opvoeden van onwillige, onkundige of onbekwame arbeiders.” Hoe werd dat vertaald: “ Werkinrichtingen! Werkinrichtingen moesten er komen! Werkinrichtingen kwamen er!”  Neem de ‘koloniale vestigingen’ van de Maatschappij van Weldadigheid. Armen uit het westen werden ernaartoe verplaatst en moesten werken voor de kost. Toen dat wat minder liep werden er strafkoloniën opgericht zoals Veenhuizen. Zo nieuw zijn die Tilburgse praktijken niet.

Sterker nog, een van de meest invloedrijke liberalen, Jeremy Bentham, gooide er een utilitaristisch sausje over. Utilitarisme is een stroming die streeft naar het vergroten van het geluk. Bentham wilde de problemen met armen en bedelaars aanpakken. Hij stelde voor om ze in werkhuizen op te sluiten alwaar ze konden verblijven en werken voor hun kost en inwoning. Het geluk zou hierdoor toenemen omdat de aanblik van een bedelaar bij teerhartige zielen de pijn van het medeleven veroorzaakt en bij hardvochtigere mensen de pijn van walging. In beide gevallen vermindert de ontmoeting met bedelaars het welbevinden van het publiek op straat. Haal ze van straat en het probleem is opgelost. Wat dat betreft is een deel van het liberalisme nog niet veel opgeschoten. Vrijheden zijn er alleen maar voor mensen die werken.

Gedurende een kort moment in de geschiedenis lag het in Nederland anders. Gedurende de korte periode na het sluitstuk van de verzorgingsstaat, de Algemene bijstandswet van 1965. Armenzorg en ondersteuning bij werkloosheid was veranderd van een gunst naar een recht. Een periode die in de jaren tachtig van de vorige eeuw weer op z’n einde liep. Het recht is weer een gunst aan het worden waarvoor je dankbaar moet zijn. En gedwongen werken voor die gunst behoort tot die dankbaarheid.

Zo in met midden van het hoofdstuk (op pagina 98) staat de conclusie van de parlementaire enquête waar Van Overbeek voor pleit. Klein is bij de behandeling van het thema armoede aanbeland aan het begin van de negentiende eeuw: “‘Armoede, die verschrikkelijke bron van alle mogelijke ondeugden, blijft de verpestende kanker der maatschappij …’ heette het mistroostig in 1815. Het probleem was te groot en te ingewikkeld om te beheersen, laat staan op te lossen. De indruk bestaat dat toen – en niet alleen in Nederland! – het wiel wel duizend keer is uitgevonden. Het is – ongeacht alle energie – vierkant gebleven. een enkele keer was het ovaal. Een herhaling van zetten bracht stapvoets verandering.” 

Grenzen, grensgebieden en grenzenloos

“Grensgebieden zijn poreus, grenzen zijn dat niet. Bij de grens eindigt alles … . Een grensgebied is minder hard.” Een passage uit het boek Stadsleven. Een visie op de Metropool van de toekomst van Richard Sennett dat ik al eerder als inspiratie gebruikte. Een passage waaraan ik moest denken toen ik een betoog van SP’ers Lilian Marijnissen en Arnout Hoekstra in de Volkskrant las.

Bron: Wikimedia Commons

“Deze oneerlijke concurrentie moet stoppen: het slepen met werknemers zet juist mensen tegen elkaar op,” betogen de SP’ers. Want, ‘ongebreidelde arbeidsmigratie’ zet mensen tegen elkaar op en heeft: “ontwrichtende gevolgen… eenderde van de jongeren is uit het land vertrokken. Jongeren die in Letland werden opgeleid, werken in Nederland voor het minimumloon.” Daarom: “pleit de SP al jaren voor een vergunningplicht voor uitzendbureaus zodat we malafide bureaus eindelijk kunnen aanpakken. Daarnaast moeten we arbeidsmigratie beter reguleren om grootschalige uitbuiting en verdringing te voorkomen. Er dient een einde te komen aan de subsidiemaatregelen en fiscale routes waardoor lonen kunstmatig laag blijven.” Immers: “Echte internationale solidariteit bestrijdt uitbuiting, ontwrichting en verdringing hier én daar, en stopt de concurrentie op onze arbeidsvoorwaarden die door Brussel is gestart.”

Echt internationale solidariteit. Mooie woorden, maar wat betekenen ze? De SP’ers pleiten voor begrenzing van de mobiliteit van arbeid. Het (grotendeels) sluiten van de grenzen door de ‘arbeidsmigratie te reguleren’ zal er best voor zorgen dat de Letse bevolking in Letland blijft. Of het de levens van deze Letten zal verbeteren, kun je afvragen. Die Letten komen hier immers niet uit weelde werken voor het minimumloon. Die komen hier voor dat minimumloon werken omdat het ze in Letland een beter leven oplevert. Van het geld dat ze hier in een half jaar verdienen, kunnen ze daar een paar jaar leven. En als ze dat een paar keer doen, dan kunnen ze in Letland iets beginnen.

Zou er na het sluiten van de grenzen ook geld naar Estland verplaatsen? Nu is geld sinds het einde van de afspraken van Bretton Woods heel mobiel geworden. Geld kent geen grenzen en ‘flitst’ zoekend naar rendement en dus meer geld in enkele seconden de wereld over. Ook goederen zijn, door het wegnemen van handelsbelemmeringen, steeds mobieler geworden. Dus geld zou zomaar naar Letland kunnen ‘flitsen’. Het ‘flitst’ er echter niet naar toe en dus moeten de Esten, net als vele anderen, naar de plekken waar het geld wel naartoe ‘flitst’.  

Zou de uitbuiting, ontwrichting en verdringen geen gevolg zijn van de grenzeloze wereld van het geld en de begrensde wereld van mensen zonder geld? Immers, mensen met geld zijn overal welkom zelfs zonder enige vorm van ‘inburgering’. Die mogen overal hun ‘geluk’ zoeken.

Denken over economie (deel 3)

Na een eerste deel over de klassieke economen met Adam Smith in de hoofdrol en een tweede deel over Karl Marx, staat in dit derde deel John Maynard Keynes centraal.

Keynes, een bijzondere econoom

De klassieke economen en de angst voor het marxisme hebben het denken over economie en samenleving tot de jaren dertig van de twintigste eeuw beheerst en gedomineerd. De grote economische depressie van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bood de klassieke economen een uitdaging die ze niet opgelost kregen. De werkelijkheid paste niet in de toekomstmodellen van de klassieke economen en vroeg om een andere aanpak. Klassieke economen en ook de marxisten gaan ervan uit dat de toekomst zich ontwikkelt volgens een vooropgezette te kennen route. Volgens John Maynard Keynes is de toekomst onkenbaar en onvoorspelbaar. Effecten van keuzes zijn in de ogen van Keynes maar in beperkte mate te voorspellen. Keynes: “In de regel hebben we slechts een zeer vaag idee van de rechtstreekse gevolgen van ons handelen.” Handelen dat als we het op economische beslissingen in crisistijd betrekken, vaak een eenmalig karakter heeft en waartoe met worden besloten in omstandigheden die afwijken van wat normaal gangbaar is. 

De werkelijkheid knelde flink met de vooronderstellingen van de klassieke economen.  De eerste vooronderstelling, de mens kiest en besluit rationeel, schoot hij aan flarden op basis van zijn ervaringen als belegger. Een activiteit waarin hij redelijk succesvol was. Het was en is niet de ratio die op de mens als deelnemer op de markt regeert maar de emotie en het sentiment (geciteerd bij Jonn Cassidy, Wat als de markt faalt? pagina 191): “De markt zal onderworpen zijn aan golven van optimistische en pessimistische sentimenten, die enerzijds onredelijk zijn, maar die tegelijkertijd in zekere zin wel legitiem zijn, aangezien er geen solide basis is waarop een rationele berekening kan worden gemaakt.” Vanuit zijn ervaring als belegger had hij geleerd dat succesvol beleggen een gevolg is van de anderen te slim af zijn en veel minder van door rationeel te kiezen. Het gaat er bij beleggen volgens hem om (Cassidy pagina 192): “de massa te slim af te zijn en het slechte, of gedevalueerde, muntstuk door te schuiven naar een andere knaap.” Als we vertalen naar de de markt van gebundelde hypotheken dan zien we dat de waardevolle bundels in handen zijn gebleven van de banken en dat de overheden de ‘bagger’ hebben overgenomen, dit in hoop deze in de toekomst weer te kunnen verkopen. Keynes benaderde de economie dus veel meer vanuit de psychologie en wat later de speltheorie is gaan heten. Speltheorie is een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat. De speltheorie biedt een raamwerk waarbinnen strategische interactie tussen ‘spelers’ bestudeerd wordt. Met behulp van modellen wordt geprobeerd de onderliggende interactie van ‘spelers’ die beslissingen nemen te begrijpen.

Ook de tweede vooronderstelling, dat al die rationale keuzes op de markt zouden leiden tot een voor de samenleving beste resultaat, staat daarmee op losse schroeven. Met een treffend voorbeeld wist hij ook het ‘welbegrepen eigenbelang’ van de slager, bakker of brouwer van Smith aan de kaak te stellen. Keynes deed dit aan de hand van een voorbeeld. India bezat begin twintigste eeuw vrijwel het monopolie op de handel in jute. En zoals altijd zijn er dan ondernemers die meer willen verdienen en de kwaliteit stiekem verminderen en dus jute aan te bieden die minder lang meegaat. Volgens Smith zou het eigenbelang van de ‘slager’ ervoor zorgen dat de de ‘fraudeurs’ door de afnemers gestraft zouden worden omdat die zouden weglopen. Keynes zag in de praktijk een andere mogelijkheid: de andere producenten apen de fraudeurs na omdat ze marktaandeel verliezen (Cassidy pagina 194) : “Terwijl vervalsing duidelijk ingaat tegen het belang van de handel als geheel, is het niettemin in het belang van elke individu om eraan mee te doen.” Ook in dit geval, een voorbeeld van het speltheoretische prisoner’s dilemma, pleitte Keynes voor overheidsingrijpen via wetgeving.

Het is daarom niet meer dan logisch dat ook de derde vooronderstelling, de overheid moet niet ingrijpen, door Keynes naar de prullenbak werd verwezen. Dat blijkt al uit zijn pleidooi voor wetgeving met betrekking tot de kwaliteit van jute maar wordt nog duidelijker aan de hand van zijn analyse en voorgestelde aanpak van de economische depressie. Volgens de klassieke economen wordt een crisis bestreden door loonsverlaging aan de ene kant en door grotere besparingen die via renteverlagingen ondernemers er vanzelf toe zouden aanzetten om weer te investeren aan de andere kant. Het eerste zou leiden tot een nieuw evenwicht op de arbeidsmarkt, het tweede tot een nieuw evenwicht op de financiële markten. Dit allemaal door de onvolprezen ‘onzichtbare hand’.

Die hand liet het echter af weten. Waar de klassieke economen vanuit hun ideologische standpunten hun oude mantra bleven herhalen en met name de vakbanden ervan beschuldigden de lonen hoog te houden en zo de vrije markt te verstoren, keek Keynes naar wat er werkelijk aan de hand was en kwam met alternatieven. Keynes zag een uitval van de vraag en die leidde tot minder investeringen. Het verlagen van de lonen leidde tot nog verdere terugval van de vraag en zo ontstond een neerwaartse spiraal. Op grond van wat hij zag pleitte hij voor direct overheidsingrijpen. Omdat de markt niet investeerde, zou de overheid het zelf moeten doen. Met Keynes als belangrijkste adviseur zette de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt zijn omvangrijke “New Deal” programma op. Dit bestond uit forse investeringen in de energievoorziening en de  infrastructuur. Investeringen die mensen werk boden en via die weg tot toenemende vraag en zo tot het weer toenemen van investeringen door de marktpartijen zou leiden. Hoe succesvol de New Deal is, zullen we nooit precies weten omdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en die zorgde voor een heel andere dynamiek. Ook in andere landen werd over een keynesiaanse aanpak nagedacht. De Duitse crisisaanpak van investeringen in autowegen en de wapenindustrie vertoont ook keynesiaanse trekken.

De Tennessee Valley Autority. Een van de publieke werken van ROoseveldts New Deal. Bron: Picryl

Keynes en zijn denken heeft de westerse wereld gedomineerd in de periode vanaf de Tweede wereldoorlog tot begin jaren zeventig van de afgelopen eeuw. Samen met Amerikaan Harry Dexter White stond hij aan de wieg van het Bretton Woods stelsel. Een stelsel dat voor de uitdaging stond om, zoals Dani Rodrik het in zijn boek The Globalization Paradox. Democracy and the Future of the World Economy beschrijft (pagina 69):” … allow enough international discipline and progress toward trade liberalization to ensure vibrant world commerce, but give plenty of space for governments to respond to social en economic needs at home.” Een stelsel van vaste wisselkoersen waarbij alleen de Amerikaans dollar aan het goud werd gekoppeld. de overige munten werd gekoppeld aan de dollar en waren daardoor in waarde gegarandeerd.

Omdat Amerika veruit de dominantste economie had met een flinke voorsprong op alle andere, was dit in die tijd een passend systeem. Een  tweede onderdeel van de afspraken betrof de handel bekend onder de naam General Agreement on Tarifs and Trade (GATT). Deze omvatte alle handel behalve die in agrarische producten. Deze afspraken werd in diverse rondes aangepast aan de eisen van de tijd. Ter ondersteuning van landen in ontwikkeling of in crisis werden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de International Bank of Reconstructie (nu deel van de Wereldbank) opgericht. Internationale instituties met eigen bevoegdheden en macht om los van welk land dan ook te opereren. Hiermee regelden de industriële westerse landen  financiële en handelsrelaties.

Het door Keynes en White ontworpen systeem ondersteunde de economische wederopbouw na de vernietigende Tweede Wereldoorlog. Het bood landen ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. Het systeem functioneerde tot midden jaren zeventig en zorgde voor flinke groei van de economieën van de westerse landen. Toch liep het vast, achteraf bezien in het eigen succes. Het paste in een tijd waarin één land economisch met kop en schouders boven de rest uitstak, de Verenigde Staten waarvan de munt aan het goud was gekoppeld en dat over het grootste deel van de financiële reserves beschikte. Dit was de spil waarop het systeem draaide. Toen in de jaren zestig de economie van de andere landen weer op toeren kwamen leidde dat tot druk op de dollar omdat de reserves van de Europese landen en Japan nu die van de Verenigde Staten overtroffen en ook de economie van deze landen sterker groeide. Dat leidde tot ontevredenheid bij deze landen met de rol van de Verenigde Staten als wereldbankier. Uiteindelijk stond of viel het systeem met de bereidheid van andere landen om dollars aan te houden als reserve. Deze bereidheid verminderde door de grote uitgaven van de Verenigde Staten (Vietnamoorlog en het sociale programma the Great Society van president Johnson) waarvoor extra dollars werden bijgedrukt. Daarop wisselden steeds meer landen hun dollarvoorden in tegen goud en koppelden hun munten los van de dollar. In 1971 beëindigde president Nixon van de Verenigde Staten de inwisselbaarheid van de dollar voor goud en ontstond het systeem van zwevende wisselkoersen. Dit betekende het einde van het bouwwerk van Keynes en White.

Keynes en zijn Amerikaanse tegenvoet Harry Dexter White. Bron: Wikimedia Commons

Dit was het begin van het einde van het keynesianisme als leidende economische stroming. Die leidende positie werd verder aangetast door de economische crisis van eind jaren zeventig. Een crisis waar het ‘wondermiddel’ van Keynes uit de jaren dertig, overheidsinvesteringen in tijden van crisis, niet werkte. De economie stagneerde en er was sprake van flinke inflatie (samengevoegd tot stagflatie). Die inflatie zorgde vervolgens weer voor loonsverhogingen om de gestegen prijzen te compenseren en dus de koopkracht op peil te houden. Extra overheids investeringen wakkerden de inflatie aan, zorgden voor opwaartse druk op de lonen en zo tot vermindering van investeringen door het bedrijfsleven. Het keynesianisme bood hiervoor geen oplossing.  Zijn succesvolle methode om de economie te stimuleren bij vraaguitval, is door zijn navolgers tot een soort dogma verheven: een aanpak die in iedere crisis toepasbaar is. Wellicht zou Keynes, indien hij nog had geleefd, wel met oplossingen zijn gekomen. De kern van zijn denken bestond eruit om te kijken naar wat er aan de hand is en daar een praktische oplossing bij zoeken.

Tot zover Keynes en de keynesiaanse economie. De volgende keer maken we de overstap naar het sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw dominantie neoliberale denken over economie.


Politieke partijen, wat moeten we ermee?

“Partijen zijn nog steeds de belangrijkste kanalen voor vorming en verspreiding van politieke ideeën. …Gezien hun cruciale functie is het opmerkelijk dat er weinig over is geregeld in de wet.”  Dit schrijft Marc Chavannes bij de Correspondent. En dat kan niet: “Tijd voor actie. En beter laat dan te laat. Politieke partijen vervullen essentiële taken in een vertegenwoordigende democratie en daarom mogen aan die verenigingen extra eisen worden gesteld.” Eisen op het gebied van de interne partijdemocratie. Een idee, maar.…

Bron: Picryl

Politieke partijen selecteren de volksvertegenwoordigers waaruit de kiezer kan kiezen. Zij selecteren ze uit de 289.276 Nederlanders die, volgens Chavannes, nu nog lid zijn van een politieke partij. Die partijen maken verkiezingsprogramma’s waarmee zij richting proberen te geven aan het debat. Hierbij worden zij beïnvloed door een heel circus aan lobbyisten. Op basis van die programma’s wordt een ‘regeerakkoord’ opgesteld dat vervolgens wordt uitgevoerd. En, zoals er wordt gezegd, het debat moet in het parlement worden gevoerd.

Zouden we het politieke primaat niet weg moeten halen bij het parlement en haar leden? Is het beperken van ‘politiek’ tot de activiteiten in het parlement, niet een erg beperkte uitleg van politiek. Is politiek niet alles wat wij als inwoners van een bepaald gebied met elkaar bespreken en doen? Zou het debat, over welk onderwerp dan ook, niet in de samenleving gevoerd moeten worden? Zouden de parlementsleden dat debat niet goed moeten volgen en vragen stellen aan de samenleving? Zouden zij niet veel meer moeten luisteren in tegenstelling tot praten? Luisteren, verduidelijkende vragen stellen en vooral gaan praten met mensen die zich minder laten horen. Zouden zij vervolgens niet een keuze moeten maken waarbij ze alles wat ze hebben gehoord, afwegen? Een keuze zonder er in de kamer nog een debat over te voeren? Dat debat is immers in de samenleving gevoerd. En zouden zij vervolgens niet hun keuze moeten verklaren?

Zou dit, kijkend naar onze Grondwet, niet een alternatieve invulling van onze democratie kunnen zijn?  Een alternatief waarbij de Kamer de rol van ‘beslisfabriek’ vervult en het politieke primaat terug gaat naar de samenleving. Een variant die zonder politieke partijen kan. Ja, zelfs zonder verkiezingen want die kamerleden kunnen ook worden geloot voor een bepaalde periode. Waarna weer nieuwe worden geloot.

Imperialistische privileges

Op de opiniesite JOOP een artikel van student Marc van Waarden. Van Waarden pleit voor het erkennen van de omvang en de gruwelijkheid van de Nederlandse koloniale geschiedenis. Van Waarden: “350 jaar onderdrukking en vernietiging verdwijnen niet als sneeuw voor de zon en hoewel witte Nederlanders zich niet schuldig hoeven te voelen om het koloniaal verleden, moeten (we) de invloed van dat verleden en de onderdrukkingen en privileges die onze erfenis zijn erkennen en bestrijden.” Als historicus doet het mij deugd dat u zich interesseert voor de geschiedenis. Daarom een aanvulling op uw betoog.

De moderne zijderoute. Bron: Wikipedia

Koloniaal en imperialistisch gedrag is van alle tijden. Daaraan maakten en maken alle landen die op enig moment tot de machtigsten behoorden en behoren, zich schuldig. In mijn artikel Wat was en IS besteedde ik er al aandacht aan. Trouwens ook de minder machtigen. De Verenigde Staten doen het nu nog steeds, lees de brief van hun ambassadeur in Nederland Hoekstra er maar eens op na. Of neem de Chinese ‘plannen’ met de nieuwe zijderoute. De plannen van Erdogan om hier weekendscholen op te zetten. Het Nederlandse ontwikkelingshulpgeld waarvoor ‘Nederlandsche waar’ moet worden gekocht. Allemaal voorbeelden van imperiaal en koloniaal gedrag. En ja, dat leverde en levert voordelen op, in uw termen ‘privileges’. Een eventuele toekomstige Afrikaanse wereldmacht zal dat ook doen. 

Trouwens, die Republiek die in 1815 koninkrijk werd, zoals u schrijft,  kende ook ‘Europese koloniën’. Die noemden ze ‘ Generaliteitslanden’ Limburg en grote delen van Noord-Brabant behoorden hiertoe. Ja, imperialisme werd ook binnen Europa bedreven. 

En ja, de transatlantische slavernij was erg. Net als trouwens slavernij in Europa, alleen werd die lijfeigenschap en horigheid genoemd. In het grootste deel van Europa werd die ook pas aan het eind van de negentiende eeuw afgeschaft. Die Transatlantische slavernij past in een triest rijtje met een variëteit in daders en slachtoffers

Nu kunnen we ons heel druk maken over wat er 300 jaar geleden gebeurde. Dat kunnen we echter niet meer veranderen. Waar we wel wat aan kunnen doen, is het imperialisme, kolonialisme en de slavernij van tegenwoordig. Als we dit vergeten dan zitten onze kleinkinderen in hetzelfde parket als wij nu. Dan zullen ‘uw kleinkinderen’ zeggen dat we ‘privileges’ hebben gebaseerd op het imperialistische verleden dat ons heden is. Dan kunnen ‘mijn kleinkinderen’ reageren zoals ik nu reageer. 

Wat we nu wel kunnen doen is het verleden bestuderen. Dan ontdekken we patronen zoals het imperialistische gedrag van machtigen. Bestuderen maar niet misbruiken voor onze ‘politieke doelen’ in het heden. Iets waar uw betoog naar neigt. Het Forum voor Democratie en hun leider Baudet geven daar op de website van de partij een ‘mooi’ voorbeeld van. Een voorbeeld dat vroeg om een reactie.  

Zwijgen over de ander

Integratie van ‘nieuwkomers’ in de Nederlandse samenleving is een belangrijk item en onderwerp van menig discussie. Van die nieuwkomer wordt verwacht dat hij zich aanpast en gaat ‘doen als wij doen’. Het inburgeringsexamen is erop gericht om de nieuwkomer te leren hoe wij hier doen en handelen. Van de nieuwkomer wordt verwacht dat hij deelneemt aan het verenigingsleven, contact zoekt met anderen in dit land en actief wordt in zijn buurt. In die discussie wordt benadrukt dat die nieuwkomer anders is en afwijkt van ‘de norm’. Is al die nadruk op dat inburgeren en het ‘worden zoals wij’, als al duidelijk is wie die wij zijn, wel verstandig? 

Eigen foto

Ik stel die vraag omdat ik halverwege het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst van de socioloog Richard Sennett ben. Hoe het ‘afloopt’ kan ik jullie nog niet vertellen. Dat komt vast nog wel een keer. Zo ongeveer op de helft, op pagina 182, constateert Sennett iets waarbij ik aan het Nederlandse beleid over integratie en inburgering moest denken. Sennett: “Meer in het algemeen kun je zeggen dat gemengde gemeenschappen alleen goed functioneren als het bewustzijn van de Ander niet al te zeer op de voorgrond staat. Als het door een bepaalde gebeurtenis wel op de voorgrond komt te staan, wordt de last van het anders-zijn sterker gevoeld en kan het wantrouwen intreden.” 

Zwijgzaamheid baart vertrouwen, aandacht versterkt wantrouwen, constateert Sennett. Dat ergens de nadruk op leggen betekent dat het gaat opvallen, klinkt niet vreemd in de oren. Als de nadruk wordt gelegd op die ‘roze olifant’ al is het maar door te zeggen dat je er niet op moet letten, ga je er juist op letten. Zou Sennett een punt hebben? 

Als dat zo is, zouden we dan met al die aandacht en nadruk op inburgering en integratie niet juist het paard achter de wagen spannen? Door erop te hameren, worden we ons bewust van het ‘anders’ zijn van de nieuwkomer. Leidt dit beleid er niet toe dat verschillen worden uitvergroot? Zou dat dan niet alleen voor de nieuwkomer gelden maar ook voor ‘niet nieuwkomers’ die ‘anders’ zijn dan de norm?

Zwijgzaamheid baart vertrouwen,” schrijft Sennett. Zwijgzaamheid en wat hij het “oppervlakkig ritueel” noemt: “Je vraagt de buurman hoe het met hem gaat, ook als je het niet zo nodig hoeft te weten. Je doet het als teken van erkenning.” Zullen we het eens gaan doen: zwijgen over de ‘ander’ en oppervlakkige gesprekken met elkaar voeren?

De tragedie en de klucht

The Tragedy of the Commons. Ik heb er al vaker over geschreven. De teloorgang van de gemeenschappelijke gronden, ook wel de meent. De boeren uit vroeger tijden die hun eigen land bewerkten en daarnaast gebruik mochten maken van weide, water en bos. Weide, water en bos dat aan de landheer toebehoorde. De boeren overleefden omdat ze gebruik konden maken van die meent.

Bron: Flickr

Volgens de munter van het begrip ‘tragedy of the commons’, Gareth Hardin, kwam hier een einde aan door boeren die hun eigen belang najoegen. Door meer schapen te laten weiden, put de weide langzaam uit, maar in het begin heb je een hogere opbrengst. Nu wil het dat het systeem van de meent eeuwen heeft bestaan zonder dat het instortte. En het is ook niet ingestort door ‘zelfzuchtige’ boeren die meer schapen namen. Het is ingestort door zelfzuchtige landheren. Landheren die het gewoonterecht onder de meent niet konden veranderen. Dat kon alleen een ‘hogere macht’ en dat werd de landsregering. In Engeland het parlement en dat nam wetten aan die het de landheer toestond om zijn bezit te omheinen zodat niemand het kon betreden. De landheren konden het land vervolgens gebruiken en er schapen op weiden of graan op telen. De arme boeren verloren zo hun levensonderhoud en dat kwam de landheer wel goed uit. Hij had immers werk en een deel van die boeren konden nu het land van de landheer bewerken. De overigen werden pauper en konden in de fabrieken gaan werken die in die tijd, eind achttiende eeuw, op begonnen te komen.

Maar wie denkt dat dit iets is uit de oude doos, vergist zich. Op de Belgische site MO een artikel over de hedendaagse tragedie van de gemene gronden. “In 2006 verloren bijvoorbeeld tweehonderd families de toegang tot hun land in het district Sre Ambel in Cambodja om plaats te maken voor een suikerplantage. In Liberia werden boeren geëvacueerd nadat de regering 350.000 hectare toewees aan de Maleisische multinational Sime Darby, wat tot onenigheid en conflict in de regio heeft geleid.” Nu zijn het niet de lokale landeigenaren, maar grote (multinationale) bedrijven. “Dit is een gevolg van een wereldwijd gebrek aan overheidsbeleid en de opkoopstrategie van bedrijven die de soms eeuwenoude aanspraak van gemeenschappen op bepaalde stukken land gewoon negeren.” En net als in de achttiende eeuw, leidt dit tot toenemende landbouwopbrengsten, toenemende armoede en een toenemende stroom van migranten.

Volgens MO is het: “essentieel de eigendomsrechten voor inheemse bevolkingsgroepen te waarborgen.” Hierbij wordt verwezen naar voorbeelden waarbij “het verwerven van land als eigendom heeft geleid tot meer duurzaam bos- en landbeheer en -gebruik. Zo bleken bijvoorbeeld kleine boeren in Ethiopië die land hadden kunnen verwerven, 60 procent vaker te investeren in de preventie van bodemerosie.” In Europa begonnen de problemen juist met de vestiging van ‘eigendomsrechten’, daarmee werd de markt en de kapitalistische productiewijze omarmd. Dat was het begin van de intensieve landbouw. L’Histoire se répète, zo zeggen de Fransen. En Marx vulde aan: eerst als tragedie en daarna als klucht….