De luxevalkuil

In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid spreekt de historicus Yuval Noah Harari over de luxevalkuil. Ik moest hieraan denken tijdens het lezen van het artikel Op naar het tijdperk van negatieve vooruitgang van Thalia Verkade bij De Correspondent. Waarbij ze het boek The Retro Future van de Amerikaan John Michael Greer als denkkader gebruikt. Verkade: “Greer beargumenteert overtuigend dat je de huidige tijd, waarin we vrijwel ongelimiteerd energie gebruiken, heel goed kan zien als een anomalie.  Een uitzonderlijke fase voor de mensheid, tussen het pre-industriële tijdperk en gede-industrialiseerde tijdperk in.”

Colossus. Foto: Wikipedia

Als ik Verkade en Greer goed begrijp, dan moet de huidige tijd een anomalie blijven. “Wat doet Greer? Die vraagt zijn lezer om zich voor te stellen dat we teruggaan naar de jaren vijftig, als een vorm van vrijwillige technologische regressie. Computers waren zeldzaam, vliegen was onbetaalbaar, sommige nare ziekten konden nog niet worden genezen, maar antibiotica waren er wel al en bibliotheken barstten uit hun voegen.” Dit niet om terug te gaan naar die tijd, maar om te begrijpen dat we met minder ook prima kunnen leven. Een interessante vraag met als antwoord: inderdaad kunnen we met minder ook goed leven. Daarvoor hoeven we niet terug naar de jaren vijftig, maar moeten we kiezen welke technologie wel en welke niet: “Technologische regressie. De-industrialisatie. Daarvoor durven kiezen: daar is het Greer om te doen. Niet om de jaren vijftig terug te halen, of het Victoriaanse tijdperk, maar om te durven begrijpen dat we dertig jaar geleden ook prima zonder e-mail en smartphones konden. Dat het idee dat we daar nu niet meer zonder kunnen, een geloof is, en geen gegeven.”

Inderdaad heeft de mensheid het gros van haar tijd op deze planeet geleefd zonder industrie en met een heel laag energie gebruik. Als je die hele bijna 300.000 jarige geschiedenis van de Homo sapiens bekijkt en de nog langere geschiedenis van de andere mensensoorten die onze planeet hebben bevolkt, dan lijkt onze huidige ‘energieslurpende industriële samenleving’ een uitzondering. Maar is onze huidige tijd wel een anomalie?

Wat bestudering van het verleden laat zien, is dat de mens steeds meer energie is gaan gebruiken, steeds naar manieren heeft gezocht om de beschikbare energie efficiënter te gebruiken. En dat is niet iets van de laatste honderd jaar. Het begon al bij Lucy, een van onze verre voorouders. De journalist en cabaretier Tom Phillips (hij studeerde archeologie, antropologie en geschiedenis) beschrijft het in zijn boek De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups op een komische wijze het leven van Lucy. “Lang, lang geleden, toen de zon op een dag opging boven de weidse rivierdalen en vlakten van Ethiopië, hing een jonge mensaap wat rond in een boom. Wat ze die dag precies dacht of deed zullen we wel nooit weten. Waarschijnlijk zat ze te bedenken hoe ze iets te eten kon vinden, of een partner, of misschien tuurde ze nieuwsgiering naar de boom ernaast om te kijken of dat een betere boom was. Ze wist hoe dan ook niet dat de gebeurtenissen van die dag haar het beroemdste lid van haar soort zouden maken, en zelfs als je haar dat op een of andere manier kon vertellen, dan nog zou het concept ‘roem’ haar niets zeggen. Ze wist ook niet dat ze in Ethiopië zat, want dit alles gebeurde miljoenen jaren voordat iemand op het lumineuze idee kwam om lijnen op een kaart te tekenen en de aldus ontstane vormen namen te geven waar we oorlog om konden voeren.” Wat die jonge mensaap zo bijzonder maakte, was dat zij en haar soortgenoten iets andere heupen en benen hadden dan andere mensapen. Dit maakte het mogelijk om te lopen. Waarom werd deze mensaap zo beroemd? Phillips vervolgt: “Toen viel ze uit de boom en was op slag dood.”  Dat maakt haar niet speciaal. Het volgende wel: “Pak ‘m beet 3,2 miljoen jaar later zou een andere groep mensapen – deels inmiddels in bezit van een doctorstitel – haar gefossiliseerde botten opgraven. Omdat het in de jaren zestig gebeurde en ze op dat een moment luisterden naar een populair liedje van een tamelijk stonede groep Liverpoolers, besloten ze haar Lucy te noemen. Ze was een gloednieuw soort – de soort die we nu Australopithecus afarensis noemen  – en ze werd ingehaald als de ‘missing link’ tussen mensen en apen.[1]Nou ja gloednieuw. De soort was al miljoenen jaren geleden uitgestorven, ze was wel ‘nieuw’ in de keten van de menselijke soorten waarvan er tot dan toe resten waren gevonden.

Bron: Flickr

Nu zal je je afvragen wat dit met energie en het efficiënter gebruiken ervan te maken heeft. Er waren nog een paar miljoen jaar evolutie nodig om die heupen, benen en de rest van het lichaam zo ‘aan te passen’ voor we ons ‘hemerodromen’ konden noemen. Een woord dat Madeleine Böhme en haar coauteurs gebruiken in hun boek Hoe wij mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mens. Een woord waarmee zij uitlegt wat dit met energie te maken heeft. ““Hemerodromen of ‘daglopers’ heetten in het klassieke Griekenland de ijlbodes die in enkele uren grote afstanden konden afleggen om belangrijke berichten over te brengen. De beroemdste ijlbode was Pheidippides. Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelofelijke prestatie. Waarom werd er geen paard gestuurd?[2]Een interessante vraag: waarom geen bode te paard gestuurd? Een paard rent veel sneller.  Gelukkig geven ze ook het antwoord op deze vraag. De mens is de meest efficiënte duurloper op deze aardbol. Pheidippides liep 246 kilometer in twee dagen door bergachtig terrein. Topatleten leggen tegenwoordig nog grotere afstanden af dan Pheidippedes: “Simpel gezegd is hardlopen een soort voortdurend naar voren vallen en het lichaam steeds weer opvangen. De vorm van rennen met hogere snelheid is verrassend energetisch efficiënter dan het pendelsysteem van gewoon lopen.[3]Een voorbeeld van efficiënter energiegebruik. Dit maakte onze voorouders tot succesvolle jagers en maakte het mogelijk dat ze zich over de Aarde verspreidden en in omvang groeiden.

Dan La Guerre du Fue. De titel van een Frans-Canadese film uit 1981 in het Engels vertaald als Quest for fire. In de film heeft een stam cro-magnon mensen een kleine vlam die ze altijd brandend moeten houden. Dooft de vlam, dan hebben ze geen vuur meer omdat ze niet weten hoe ze vuur moeten maken. Als het vuur toch dooft, moeten ze eropuit om vuur bij een andere stam te stelen. De film speelt zich zo’n 80.000 geleden af zo tegen het einde van het midden paleolithicum (3000.000 tot 35.000 jaar geleden). Een periode dat meerdere mensensoorten de aarde bewoonden. Op het belangrijkste punt gaat de film echter mank. “Een internationaal gezelschap van onderzoekers ontdekte achter in de grot – ongeveer dertig meter van de ingang en twee meter onder de bodem – talrijke overblijfselen van verschroeide botten en plantenresten, direct naast vuistbijlen en andere vroeg-menselijke werktuigen die van de vertegenwoordigers van de Homo eregaster afkomstig zouden kunnen zijn. Uit de ligging van de vondsten en de structuur van de achtergebleven asresten konden de archeologen aflezen dat het vuur in de grot niet door een bosbrand was veroorzaakt, maar aangestoken werd. Uit de dikte van de aslaag bleek bovendien dat er steeds opnieuw op dezelfde plek vuur werd gemaakt.[4] Een passage uit Hoe wij mensen werden van Madelaine Böhme, Rúdiger Braun en Florian Beier. Nu leefde Homo eregaster in het vroege Pleistoceen, tussen de 1,9 en 1,4 miljoen jaar geleden. Dus die stammen uit La Guerre du Feu hebben nooit ‘gezocht’ noch ‘gevochten’ om vuur. Ze konden het zelf maken, die innovatie hadden ze te danken aan die Homo eregaster. Met dat onder de knie krijgen van het vuur maken, zijn we aanbeland bij wellicht de belangrijkste innovaties uit de geschiedenis van de mensheid. Vuur geeft energie. Zonder deze innovatie zouden wij, de Homo sapiens waarschijnlijk niet hebben bestaan. Die innovatie was cruciaal voor de ontwikkeling van de mens. Cruciaal omdat beheersing van het vuur de mens bescherming bood in de nacht. Vuur houdt immers dieren op afstand.

Belangrijker echter, vuur zorgde ervoor dat onze verre voorouders gingen koken. “Gegaard voedsel is (…) beter en sneller te verteren en heeft meer voedingswaarde. Daardoor valt er meer energie te halen uit een portie eten. Uit zetmeel houdende voedingsmiddelen als granen en aardappelen komt door koken dertig tot vijftig procent meer energie ter beschikking en uit eieren meer dan veertig procent extra bruikbaar eiwit.”[5] Want toen de mens het koken van voedsel onder de knie had, veranderde er wat in zijn biologie: “De verkleining van de gebitselementen, de aanwijzingen voor een verbeterde beschikbaarheid van energie, de aanwijzingen voor een korter spijsverteringskanaal en het vermogen om nieuwe milieus te exploiteren ondersteunen de gedachte dat het bereiden van voedsel beslissend was voor de evolutie van Homo erectus. En, als we iets verder vooruit kijken, ook voor het ontstaan van het grote hersenvolume van de moderne mens. De grote, complexe menselijke hersenen hebben zoveel energie nodig dat het lichaam daarvoor meer dan twintig procent van de dagelijkse energiebehoefte en zestig procent van de in het bloed opgeloste glucose gebruikt, ook al maken de hersenen maar ongeveer twee procent van ons lichaamsgewicht uit. Een dergelijk luxueus orgaan kan een organisme zich alleen veroorloven als het constant voldoende brandstof tot zijn beschikking heeft.[6]Die brandstof kwam vrij door het koken van voedsel en dan vooral van groenten. Koken dat werd mogelijk gemaakt door het kunnen maken van vuur.

Zonder koken en vuur, geen groot hersenapparaat. Maar ook omgekeerd: een groot hersenapparaat betekent dat er meer energie nodig is en dat er gekookt moet worden. Want zonder koken zouden we met onze huidige herseninhoud veel langer moeten eten: “Tot dat resultaat kwamen Braziliaanse onderzoeksters nadat ze het eetgedrag van moderne mensapen en de energiebehoefte van de hersenen van deze dieren nauwkeurig hadden bestudeerd. Een volwassen gorilla die zich hoofdzakelijk voedt met bladeren, bloemen en vruchten, zou dagelijks meer dan twee uur langer moeten eten om een in verhouding even grote hersenmassa als de onze te verzorgen. Omdat gorilla’s sowieso al bijna acht uur lang eten en voedsel verteren is dat vrijwel onmogelijk. De dagen zijn daarvoor eenvoudig niet lang genoeg.[7]  

En die hersens werden gebruikt. De eigen spierkracht werd al snel aangevuld met hulpmiddelen waardoor er met die spierkracht meer gedaan kon worden. De vuistbijl maakte het ontvellen van het hert makkelijker. Een speer maakte het doden van dat hert makkelijker en de pijl en boog betekende een volgende verbeterslag. De spierkracht van de hond, os, ezel en het paard werden ingeschakeld. Het wiel maakte dat met de spierkracht van zowel mens als deze dieren meer materiaal verplaatst kon worden. Een zeil om de wind te gebruiken om een boot te laten varen. Dezelfde wind of stromen en vallend water om een molen aan te drijven.

De stoommachine van Heron. Bron: Wikipedia

En toen was daar de stoommachine. Nee, die werd niet uitgevonden door James Watt maar door de Griekse wetenschapper Heron van Alexandrië: “Zijn uitvinding bestond uit een holle metalen bal die op een eveneens holle metalen as gemonteerd was. De as eindigde aan beide kanten in een waterreservoir, dat door middel van een vuurtje verhit werd. De bal had aan twee kanten gebogen pijpjes, waardoor de stoom naar buiten blies. Hierdoor werd de bol, net als een raket, voortgestuwd en ging deze draaien.”  Enigst probleem: “Heron had echter geen praktische toepassing aan zijn vinding kunnen koppelen. Daarnaast waren er in de 1e eeuw na Christus voldoende slaven beschikbaar om werk te verzetten, waardoor zijn uitvinding nooit in de praktijk gebruikt werd.” Dus raakte zijn vinding in de vergetelheid. Vanaf de zestiende eeuw werkte de Spanjaard Blasco de Garay aan een met stoom aangedreven schip maar of dat een succes werd is niet duidelijk. In 1690 ging de Fransman Denis Papin ermee aan de slag en vond de zuigerstoommachine uit. De Engelsman Thomas Savery vond een stoommachine uit om water uit de mijnen te pompen: “Helaas werkte zijn machine zeer inefficiënt en verbruikte deze bijna meer kolen dan dat het apparaat opleverde.” Thomas Newcomen combineerde die twee en James Watt verbeterde die weer en maakte er een bruikbaar apparaat van[8]. Het apparaat was veel efficiënter en praktische dan de voorgangers: Met minder energie kreeg je meer resultaat. Positief, maar dat leidde er wel toe dat er veel meer werden gebruikt en dat leidde weer tot meer energiegebruik.

Na de stoommachine ging het snel. In 1806 ontwikkelde de Zwitser Isaac de Rivaz de verbrandingsmotor met als brandstof een mengsel van waterstof en zuurstof. En aan het einde van de eeuw kenden we de benzinemotor van Gottlieb Daimler en de dieselmotor van Rudolf Diesel[9]. Motoren die een transportrevolutie ontketenden wat zorgde voor een forse toename van het energiegebruik. Energiegebruik dat ook toenam door allerlei andere uitvindingen die gebruikmaken van elektriciteit zoals bijvoorbeeld de gloeilamp. Elektriciteit ook een oude uitvinding waarvoor in de negentiende-eeuw praktische toepassingen werden gevonden. In het midden van de twintigste eeuw ontplofte de eerste atoombom waarmee er een nieuw hoofdstuk werd toegevoegd aan het opwekken van energie. Al die energie werd gebruikt om steeds meer zaken te vergemakkelijken en door dat vergemakkelijken werd er juist weer steeds meer energie gevraagd. Elektriciteit maakt een wasmachine mogelijk en door het wasplank te vervangen door die machine schoot het energie verbruik omhoog. Een auto maakt reizen makkelijker, wat weer tot meer reizen leidt en dus meer energiegebruik. De computer maakte zaken makkelijker, dus gingen we meer computers gebruiken en dat ging zo ver dat we er nu een in onze broekzak hebben. Die in onze broekzak gebruikt veel minder energie dan Colossus, de eerste elektronische computer uit 1943, alleen zijn er zoveel ‘broekzakken’ dat ze samen veel meer energie gebruiken.

Een pleidooi om de auto of die ‘computer uit de broekzak’ weer te ‘ont-uitvinden’ lijkt mij gezien onze geschiedenis, erg lastig. En bij dat ‘ont-uitvinden’ moest ik aan de ‘luxevalkuil van Harari denken. In een hoofdstuk over de uitvinding van de landbouw, die hij: “de grootste zwendel van de geschiedenis,” formuleert hij: “Een van de weinige ijzeren wetten van de geschiedenis.” Namelijk: “dat luxe zich vaak ontwikkelt tot noodzaak en dan weer nieuwe verplichtingen schept. Zodra mensen gewend raken aan een bepaalde luxe, gaan ze die voor lief nemen. Daarna gaan ze erop rekenen. Uiteindelijk bereiken ze het punt dat ze niet meer zonder kunnen.[10]  Zo is het volgens Harari ook met de landbouw gegaan. “De agrarische revolutie luidde geen nieuw tijdperk van het goede leven in, maar gaf boeren een leven dat doorgaans zwaarder en onbevredigender was dan dat van verzamelaars. Jager-verzamelaars brachten hun dagen op interessantere, gevarieerdere manier door en liepen minder kans op honger en ziekte. Het staat buiten kijf dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel, het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.[11] Dit ging niet in één slag, maar was een geleidelijk proces waarbij, wat eerst een verbetering van de levensomstandigheden leek, later toch wat negatieve kanten bleek te hebben. Alleen was teruggaan was niet meer mogelijk vanwege de toegenomen bevolking en het verloren gaan van specifieke kennis. De vuistbijl en pijl en boog maakten het jagen makkelijker, maar ook de oorlogsvoering.

Dus nee, de huidige tijd is geen anomalie, ze past in het pad dat de mensheid al een paar miljoen jaar volgt. Namelijk het pad van toenemend energieverbruik. Maar aan energie is geen gebrek. De Aarde krijgt dagelijks 9.000 keer meer nieuwe energie dan we nu gebruiken. Die energie komt van een bron die voorlopig nog lang niet is uitgeput, de zon. Als we erin slagen om die goed te benutten dan hebben we de veelal ‘oude energie’ die we nu gebruiken, niet meer nodig. Vooral echter past onze huidige tijd in het pad van de luxevalkuil. Van verbeteringen die later flinke nadelen blijken te hebben maar dan is het te laat.


[1] Tom Phillips, De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups, pagina 11-12

[2] Böhme c.s, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 193

[3] Idem, pagina 194

[4] Idem,pagina 201

[5] Idem, pagina 203

[6] Idem, pagina 203-204

[7] Idem, Pagina 205

[8] https://isgeschiedenis.nl/nieuws/historie-van-de-stoommachine

[9] https://www.historamarond1900.nl/uitvindingen/aandrijving/verbrandingsmotor

[10] Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 100

[11] Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 91-92

Status quo of new order?

Op 1 april is het 550 jaar geleden dat de geuzen Den Briel in namen. In de geschiedenis van Nederland neemt deze gebeurtenis een belangrijke plek in. Sommigen zien het als de geboorte van ‘Nederland’. De gebeurtenis wordt ieder jaar herdacht. Als je dit zou vertellen aan de toenmalige inwoners van Den Briel, dan hadden ze je voor gek verklaard. Voor hun poorten stonden een stel plunderende geloofsfanaten. Een situatie vergelijkbaar met de aanhangers van IS voor de poorten van de Iraakse stad Mozul in 2014. Ook zouden ze je vragend aankijken als je ‘Nederland’ zou zeggen. “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1]Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet. Dit beeld zou bij die zestiende-eeuwse inwoner van Den Briel meer herkenning oproepen.

De Geuzen veroveren Den Briel. Bron: Flickr

In dat jaar 1000 bestond Nederland nog niet. Van de later machtigste van de Verenigde Provinciën was ook nog geen sprake, Holland bestond nog niet. Holland was vooral Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2]  Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland, Dirk III, behaalde in 1018, zo beschrijft Klein het, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want, zo beschrijft Klein het: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West-) Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-) Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3]  Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…)  Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daaraan: “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas, ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht. Iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd. De graaf van Holland was niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen en elkaar. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[5]zo beschrijven Palmer en Colton in hun A history of the Modern World de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders. Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden.

Ik moest aan Den Briel denken bij het lezen van een artikel van Rob Vreeken in de Volkskrant. “Naast de belaagde Oekraïense steden is er nog een tweede slagveld: dat van het internationaal recht,” zo luidt de titel van het artikel. Vreeken: “Het inpikken van de Krim, het erkennen van separatistische regio’s, de invasie: het zijn stuk voor stuk flagrante schendingen van kernwaarden van het internationaal recht, om te beginnen het geweldsverbod uit het VN-Handvest.”  Als dat VN-Handvest en het internationale recht er in de zestiende eeuw ook al waren geweest, dan was het ontstaan van wat nu Nederland is een flagrante schending van dat recht. Een regio scheidde zich af van een rijk en pikte ook nog even wat gebied in. Dit gebeurde op gewelddadige wijze in een oorlog die 80 jaar duurde als we even afzien van het bestand van 12 jaar van 1609 tot 1621.

 ‘Nederland’ is niet het enige land dat is ontstaan uit een schending van die moderne rechten. Laten we wel wezen het gros, zo niet alle, landen van de wereld zijn ontstaan uit schendingen van die moderne rechten. Als we ruim 2.500 jaar Europese geschiedenis bezien, dan zien we uitsluiten schendingen van deze rechten. En daarmee ben ik waar ik naar toe wil. Na de Eerste en in versterkte mate na de Tweede Wereldoorlog is er gewerkt aan een indrukwekkend bouwwerk van internationale rechten. Met het niet mogen erkennen van ‘separatistische regio’s wordt het heden als einddoel gezien: anders kan en mag het niet meer worden. Hoe reëel is dit streven?

Niet erg reëel zoals we sinds het invoeren van die rechten kunnen zien. Als we de wereldkaart van 1945 vergelijken met de huidige, dan vertoont die grote verschillen. De grote koloniale rijken bestaan niet meer. Joegoslavië en de Sovjet Unie zijn uiteen gevallen in verschillende delen. Al die ‘separatistische regio’s’ zijn, in strijd met het internationale recht, door het grootste deel van de landen van de wereld erkend als nieuwe landen.

De regel dat je je niet mag afscheidden en dat andere een afgescheiden gebied niet mogen erkennen, is inmiddels zo vaak geschonden dat er weinig ‘zekerheid’ vanuit gaat. We moeten ons afvragen of een regel die zo vaak wordt geschonden wel zinnig is. Maar belangrijker, wie zijn wij om voor onze kinderen en kleinkinderen vast te leggen hoe hun wereld eruit moet zien? Om de namen van twee popbands uit verschillende genres te gebruiken: wie zijn wij om hen te verbieden om een New Order na te streven en onze Status Quo te verwerpen?


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

De Russische mentaliteit

“Het is uitermate naïef te denken dat de Russische samenleving zelf het moeras waar ze in zitten zal droogleggen – daarvoor hebben ze noch de wil, noch de kunde, noch de traditie.” Aldus de Litouwse schrijfster Kristina Sabaliauskaite in een artikel in de Volkskrant. Sabaliauskaite wil ons waarschuwen voor de Russische agressie en dat is haar goed recht. De inval in Oekraïne laat zien dat er reden is voor bezorgdheid. Daarom moet er hard worden opgetreden tegen Rusland: “Als buren kennen wij de Russische mentaliteit en daarom hebben wij een eenvoudig advies: wees onbevreesd. Denk erom dat iedere Westerse verzoeningspoging richting Rusland, elk zwijgen, elk wegkijken door de Russen wordt gezien als een teken van zwakte, en Russen hebben nooit enige respect gehad voor zwakkelingen.” Twee bijzondere uitspraken waar de Russen het mee kunnen doen maar waarmee ze ook meteen worden ‘verontschuldigd’, ze zijn immers zo en dat zal nooit veranderen. Bijzonder.

Demonstranten op bloedige zondag. Bron: Wikipedia

Op het ontbreken van de ‘traditie van verzet’ die Sabaliauskaite constateert bij de Russen, valt het nodige af te dingen. De tsaren werden geregeld geconfronteerd met boerenopstanden. Die opstanden waren voor tsaar Alexander II mede aanleiding om in 1861 het lijfeigenschap af te schaffen. Dat dit opstanden niet kon voorkomen, liet de mislukte revolutie van 1905 zien. Boeren en arbeiders kwamen in opstand tegen de erbarmelijke omstandigheden en liepen op 9 januari 1905 (bloedige zondag en nee, niet die waar U2 over zingt) 150.000 man sterk naar het Winterpaleis van de tsaar om hem een petitie te overhandigen. Ze werden ontvangen met een kogelregen. Dit leidde tot vele protestmarsen en opstanden overal in het Rijk met tienduizenden doden tot gevolg en uiteindelijk tot de oprichting van het eerste Russische parlement. Erg democratisch was dit echter niet want de tsaar benoemde de helft van de leden en de andere helft werd door de grootgrondbezitters gekozen. Niet veel later, in 1917 tijdens de Eerste Wereldoorlog brak een opstand uit die het einde van de tsaar betekende, de Februarirevolutie die ruim een half jaar later werd gevolgd door de Oktoberrevolutie. Die laatste werd gevolgd door een burgeroorlog tussen de ‘witten’ en de ‘roden’. En ook als we de recente geschiedenis bezien dan valt er het nodige af te dingen op ‘het ontbreken van de wil, traditie en de kunde’ van de Russen’ om zaken te veranderen. Zo verhinderden ze in 1991 de coup van militairen. De coup die bijdroeg aan het snelle uiteenvallen van de Sovjet Unie. En sinds die tijd zijn er vele protesten geweest van delen van de bevolking tegen de regering van Poetin.

Bijzonder ook omdat de eerste uitspraak het Russische volk, cru gezegd, wegzet als een stelletje slaven en dombo’s die niet in staat zijn tot leren. In de Russische cultuur: “wordt de mens altijd beschouwd als een stuk gereedschap, alleen geschikt om te lijden”, zo schrijft Sabaliauskaite. “We hebben te maken met een staat die in de geschiedenis nooit een politiek pluriforme samenleving of enige vorm van zelfbestuur heeft gekend, zelfs niet op kleine schaal (gemeentelijk of universitair) – het is altijd alleen maar een piramide van macht geweest, macht die met extreem geweld werd uitgeoefend over de onderdanen, die tot blinde gehoorzaamheid werden onderworpen.” Inderdaad ging de autocratische heerschappij van de tsaar bijna naadloos over in de communistische dictatuur van het proletariaat en die ging bijna naadloos over in de heerschappij van ‘tsaar Poetin’. “De grootste vergissing die de Westerse landen hebben begaan, is te denken dat Rusland deel uitmaakt van de Europese beschaving,” aldus Sabaliauskaite. De Rus heeft door de eeuwen heen veel ‘geleden’ en het overzicht hier is nog niet eens compleet. Zo ontbreken de tochten van Dzjengis Kahn en zijn opvolgers en de rooftochten van de Noormannen die via de Russische rivieren op jacht gingen naar slaven voor de verkoop aan de Rijken langs de Zijderoute. De geschiedenis van de gewone Rus van de laatste vierhonderd jaar verschilt echter niet zoveel van die van de gewone Litouwer. Beiden waren tot 1861 vooral lijfeigenen die door de grondeigenaren bruut werden behandeld en onderdrukt. En nee, dat was geen ‘uitvinding’ van de Russische tsaar die sinds 1795 ook heerser werd over een flink deel van het Pools-Litouwse rijk, dat op haar hoogtepunt grote delen van Polen en Oekraïne omvatte en alle Baltische staten, Wit Rusland, Kaliningrad en nog een stuk van het huidige Rusland. Dat rijk werd toen verdeeld tussen tsaristisch Rusland, het Pruisisch koninkrijk en het keizerrijk Oostenrijk. Nee, dat extreem onderdrukkend lijfeigenschap van de boeren werd gewoon overgenomen met de verdeelde boedel en verschilde in niets van het Russische. De Litouwse boer zal aan de manier waarop hij werd behandeld, niet hebben gemerkt dat de tsaar toen de baas werd.

Ook de korte periode tussen de onafhankelijkheid in 1918 en de Russische bezetting in 1939 was nu niet het toonbeeld van een rechtschapen democratie. Alleen tussen 1920 en 1927 was er iets wat op een parlementaire democratie leek maar die verviel in 1926 in anarchie en in december van dat jaar ontbond president Antanas Smetona het parlement en werd alleenheerser. Een alleenheerser die in 1940 door de Sovjets werd verjaagd als uitvloeisel van het Molotov-Ribbentroppact waarmee Hitler-Duitsland en de Sovjet-Unie Polen en de Baltische staten tussen zich verdeelden. De relatie tussen het nieuwe Litouwen en het nieuwe Polen, twee volkeren die eeuwenlang onderdeel uitmaakten van dat ene Pools-Litouwse Rijk waren niet al te best en op het vijandige af. Nog geen jaar later vielen de Duitsers binnen en die werden in 1944 weer door de Sovjets verjaagd. Litouwen werd toen een onderdeel van de Sovjet Unie en dat bleef het tot 1991 toen het weer zelfstandig werd. De geschiedenis van de gemiddelde Rus verschilde dus niet zoveel van die van de gemiddelde Litouwer of Pool. Die Litouwer hoorde en hoort, als we Sabaliauskaite mogen geloven, wel tot de Europese beschaving en de Rus niet. Dat lijkt me dan iets van de laatste dertig jaar. De periode daarvoor leek de Litouwse beschaving veel meer op de Russische dan op de West-Europese. Veel meer op: “een piramide van macht (…), macht die met extreem geweld werd uitgeoefend over de onderdanen, die tot blinde gehoorzaamheid werden onderworpen,” dan op: “een politiek pluriforme samenleving.” Dat roept de vraag op waarom de Rus niet eenzelfde verandering zou kunnen doormaken als de Litouwer?

Echt bijzonder wordt het als je de uitspraken combineert. Aan de ene kant zijn Russen slaafse dombo’s zonder vaardigheid om te leren en aan de andere kant zijn Russen een stelletje machtswellustelingen die alles pakken wat ze kunnen en alleen de taal van macht en geweld begrijpen.

Dat er is veel mis in het huidige Rusland, dat staat buiten kijf. De grootste vergissing die wij kunnen maken in de omgang met Rusland lijkt mij het afschrijven en ontmenselijken van de Rus als waardeloos en niet lerend zoals Sabaliauskaite in haar artikel doet. Dat Litouwen nu deel uitmaakt van de Europese beschaving daar zal het feit dat Litouwen lid werd van de EU voor een zeer groot deel aan hebben bijgedragen. Voor een duurzaam vredig Europa zou de oplossing wel eens kunnen liggen in een Russisch lidmaatschap van de EU. Daarvoor zal er in dat land zeer veel moeten veranderen. Wellicht dat het bieden van dit perspectief aan de Russen die veranderingen kan versnellen.

Liberale democratie

Bij De Correspondent steekt Rutger Bregman de loftrompet over de Europese Unie. Bregman over gesprekken met Oekraïense jongeren:  “Toen ik vertelde dat de meeste Nederlandse jongeren de EU vooral slaapverwekkend vinden, reageerden de Oekraïense studenten vol ongeloof.  … Wat wij vanzelfsprekend vinden, daar willen zij voor sterven.” Wat ‘wij’ slaapverwekkend vinden en waar ‘zij’ voor willen sterven is: “het liberale, democratische model van de EU.” Wij vallen erbij in slaap en zij willen ervoor sterven. Zou het werkelijk? Of willen zij sterven voor een ideaal en vallen wij in slaap bij de realiteit van dat ideaal?

Eigen foto

In zijn boek Globalist: The end of empire and the birth of neoliberalisme geeft de historicus Quinn Slobodian een geschiedenis van het ontstaan van het neoliberalisme. In zijn inleiding maakt Slobodian duidelijk waar het vervolg over gaat: ‘What follows is a story, not of a victory, but an ongoing struggle to determine which principles should govern the world economy, and, by extension, all our lives.[1]Daar waar velen, waaronder Bregman in een artikel uit 2014, Friedrich Hayek en Milton Friedman centraal stellen in het ontstaan van het neoliberalisme, kijkt Slobodian verder. Hij begint bij Ludwig von Mises die in 1881 in Lviv dat toen Lemberg werd genoemd, werd geboren. Belangrijkste gebeurtenis in het leven van Mises was het uiteenvallen van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk in 1918. Uit het rijk ontstonden Oostenrijk, Hongarije, Tsjecho-Slowakije en delen van het rijk gingen op in Joegoslavië, Roemenië, het herrezen Polen en Italië. Door het uiteenvallen van dat oude Rijk werden oude economische banden vernield. Al die nieuwe soevereine vaak democratische landen waren baas in eigen huis en streefde zoveel als mogelijk naar economische onafhankelijkheid, naar autarkie. Mises zag dit met lede ogen aan omdat hierdoor het kapitaal en dus de bezitter ervan werd begrensd. Verhuizen van het ene naar het andere land betekende niet automatisch dat het bezit (kapitaal) mee kon verhuizen. Wat vooral stak was dat regeringen, vooral democratisch gekozen regeringen, zo maatregelen namen die de vrijheid van het individu en het kapitaal van het individu begrensden.

Mises en zijn volgelingen zoals de Duitse econoom Wilhelm Röpke zochten, zo betoogt Slobodian, niet naar manieren om markten vrij te maken, maar om de macht van regeringen over de economie in te perken. In de ogen van de neoliberalen waren democratie en kapitalisme (liberalisme) niet twee elkaar versterkende grootheden: “democracy meant successive waves of clamering demanding masses, always threatening to push the functioning market economy off its tracks.[2] Voor Mises en Röpke was het een strijd tussen twee werelden. Aan de ene kant de wereld van imperium, de wereld van de economie en aan de andere kant de wereld van het dominium, de macht van een regering om zaken binnen haar grenzen te bepalen. De belangen van die twee werelden konden, zeker in democratische landen, wel eens met elkaar conflicteren. Neoliberalen zochten daarbij naar manieren om de wereld van het imperium te beschermen tegen dominium. Röpke: “To diminish national sovereignty is most emphatically one of the urgent needs of out time.” En daarbij was het vormen van een wereldregering, niet de weg: “the axcess of sovereignty should be abollished instead of being transferred to a higher political and geografical unit.[3]

Slobodian doet uitgebreid verslag van de neoliberale zoektocht naar manieren om juist dat te bereiken. De meest succesvolle manier hierbij bleek het afsluiten van handelsovereenkomsten tussen twee of meer landen. Met die verdragen beperken de ondertekenende landen de in- en exporttarieven en regelen ze het vrije verkeer van goederen en kapitaal tussen de landen. Maar belangrijker voor de neoliberalen zijn de Investor-State Dispute Settlements, een zoals Wikipedia het formuleert: “voorziening in internationale handelsverdragen en internationale investeringsovereenkomsten die de investeerder het recht geeft om zelfstandig een arbitragezaak tegen een vreemde overheid aanhangig te maken op basis van internationale wetgeving. Bijvoorbeeld: een investeerder investeert in land A, dat deelnemer is van een internationaal handelsverdrag dat een ISDS-clausule bevat. Als land A een wet aanneemt die het verdrag schendt, kan de investeerder een schadeclaim indienen bij de overheid van land A. Deze schadeclaim wordt vervolgens behandeld door een daarvoor opgericht tribunaal.” Hiermee worden de mogelijkheden van landen om hun wetten te wijzigen bezwaard.

Nu is de EU in de basis een economisch samenwerkingsverband tussen de deelnemende landen. Dit begon met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die met het Verdrag van Parijs werd opgericht waarnaar er meerdere Europese gemeenschappen volgden die uiteindelijk allemaal opgingen in de Europese Unie. Dit met het verdrag van Lissabon. Verdragen waarmee de deelnemende landen het imperium overdroegen aan de EU. Nu hoeft dat geen probleem te zijn als het democratische dominium van de landen op dat terrein op een of andere democratische manier ook overgaat naar de EU. Helaas is dat niet gebeurt. De EU kent wel een Europees Parlement waarvan de leden gekozen worden door de inwoners van de Europese Unie maar dat parlement heeft geen enkele zeggenschap over het economische beleid. Die democratische controle berust bij de nationale parlementen. Die kunnen hun vertegenwoordigers aanspreken op het resultaat, maar hebben geen macht om het resultaat te wijzigen.

“Voor deze jongeren stond de EU gelijk aan democratie en mensenrechten, vrijheid en vooruitgang – verworvenheden die velen van ons vanzelfsprekend vinden, maar dat helemaal niet zijn.” Zo schrijft Bregman. Dat is het fictionele beeld waarmee de EU zich graag afficheert. Dat je hiervoor, als je het niet hebt of dreigt te verliezen, wilt sterven, is invoelbaar. Dat Nederlandse jongeren en ook jongeren uit andere EU-landen niet voor de reële EU willen sterven, is ook invoelbaar. Het democratische dominium, moet in de EU immers nog worden bevochten op het liberale imperium dat de schaapjes in de EU goed op het droge heeft.


[1] Quinn Slobodian, Golbalists. The end of empire an the birth of neoliberalism, pagina 26

[2] Idem, pagina 17

[3] Idem, pagina 11

Het oog van de naald

Vergeltungswaffe 2, beter bekend als de V2, zou je kunnen zien als de eerste ‘kruisraket’. De raket werd in Nazi-Duistland ontwikkeld door Werner van Braun en ingezet als lange afstandswapen. Het Nederlandse Wassenaar komt, zo lees ik op Wikipedia, de dubieuze eer toe om de plek te zijn van waaruit de eerste raket naar London werd verzonden. Van Braun werd na de oorlog door de Amerikanen ingelijfd en vervulde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Amerikaanse raket- en ruimtevaartprogramma. Hierbij werd voortgeborduurd op de ervaringen met de V2. De keuze voor Wassenaar had ermee te maken dat de eerste versies van de raket zo’n 350 kilometer konden afleggen. Ik moest aan de V2 denken toen ik bij de NOS las over een Russische raketaanval op een Oekraïens militair trainingscentrum nabij de Poolse grens.

“Rusland neemt groot risico met raketaanval vlakbij Poolse grens.” Aldus de kop boven het artikel. We zijn dus door het oog van de naald gekropen. Polen is immers een NAVO-land en als er een of meerdere raketten op Pools grondgebied terecht zouden zijn gekomen, dan had het tot escalatie kunnen leiden: “In theorie kan een afzwaaier van Russische kant de hele NAVO bij het conflict betrekken.” Gelukkig zou dat niet automatische gebeuren aldus de geraadpleegde militair deskundige Oud-commandant Landstrijdkrachten Mart de Kruif: “Als er wat fout was gegaan had president Poetin vast een excuus achter de hand.” Rusland speelde met vuur en we kropen door het oog van de naald.

Dat Rusland met vuur speelt, staat buiten kijf. Het is een oorlog begonnen en oorlog is spelen met vuur. Maar hoe groot waren nu die risico’s die het land nam met deze raketaanval? En daarvoor moest ik aan het V2 denken. De eerste versies hadden, zoals gezegd, een bereik van zo’n 350 kilometer, de latere zo’n 450 kilometer. De raket bereikte een hoogte tot 93 kilometer, de maximale kruissnelheid bedroeg ruim 4.800  kilometer per uur en stortte verticaal neer met een snelheid van 3.600 kilometer per uur. De grootste risico’s op een misser, liep men in de buurt van de plek van lancering. Daar was de kans het grootst dat het mis ging. Eenmaal in de lucht was dat risico beperkt. Maar hoe nauwkeurig was het ding? Hoe kleiner de vluchtafstand, hoe nauwkeuriger de raket. Bij vluchten tegen de maximale lengte was, aldus weer Wikipedia waar ik al deze informatie vandaan heb gehaald, de afwijking tussen doel en inslagpunt maximaal 17 kilometer.

Nu is er sinds die eerste ‘kruisraket’ veel veranderd en verbeterd. Als we de fabrikanten van de nieuwe generatie kruisraketten mogen geloven dan kun je zo’n ding door mijn brievenbus deponeren. Voor het eerst zagen we er beelden van tijdens operatie Dessert Storm. De Amerikaanse opperbevelhebber Norman Schwarzkopf steeds beelden zien waarbij zo’n raket precies op het ‘kruisje’ insloeg en grapte daar een keer bij over de meeste gelukkige man van Irak. Die was net van de brug af toen de kruisraket de brug vernietigde. Dat er nog steeds zaken misgaan, blijkt uit de berichten over getroffen huizen van burgers die dan eufemistisch collateral damage worden genoemd. Meestal staan die huizen geen 17 kilometer van het doel maar om de hoek.

Nu lees ik in het NOS-artikel dat de basis met de naam International Peacekeeping and Security Center (IPSC) bij Yavoriv op zo’n 25 kilometer van de Poolse grens ligt. Zelfs met een ouderwets Duits V2 was Polen niet geraakt. Het oog van de naald waar we door kropen was zo groot dat we het onmogelijk konden missen. De oorlog erg genoeg, maar laten we alsjeblieft een beetje bij de feiten blijven.

Inter arma enim silent leges

“The way we selected these targets was determined by the VC. They chose the battleground and we really had no choice where we put the target.” Deze woorden sprak majoor James K. Gibson een Amerikaanse piloot die deelnam aan de slag om Ben Tré, een Vietnamees stadje ingeklemd tussen twee takken van de Mekong. Het stadje dat: “became necessary to destroy the town to save it.”  Volgens de woorden die de toen nog jonge journalist Peter Arnett in 1968 optekende uit de mond van een Amerikaanse officier. Die officier stond uit te leggen waarom de Amerikaanse troepen stadje hadden gebombardeerd ondanks de aanwezigheid van vele burgers in de stad. Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van Rosan Smits bij De Correspondent met als titel: “In Poetins oorlog wordt alles een wapen. Zelfs een humanitaire corridor.”

Ben Tré na de bombardementen. Bron: Flickr

Smits lijkt zich te verwonderen over de Russische manier van oorlog voeren. “De kern: Rusland zet álles in om te winnen. Van een nieuw wapenarsenaal tot clustermunitie, van cyberaanvallen tot economische druk. Zelfs humanitaire corridors en vredesbesprekingen zijn voor Poetin militaire tactieken. Of anders gezegd: Rusland maakt geen onderscheid tussen diplomaten en soldaten.”  Ik verbaas me over Smits verwondering hierover. Ik verbaas me over de, in mijn ogen, naïviteit die hieruit blijkt. Naïviteit dat er zoiets zou zijn als een ‘schone oorlog’ zonder burgerslachtoffers.

Als je een oorlog begint, doe je er immers altijd alles aan om te winnen. Dan gebruik je alle middelen die tot je beschikking staan. En ja, daar horen sinds twee decennia ook cyberaanvallen bij. En ja, dan zet je ook clusterbommen in. Nu zul je denken: ‘maar die zijn toch verboden?’ En ja inderdaad is er een verdrag waarin wordt gesteld dat het inzetten van clusterbommen verboden is. Dat verdrag is ook getekend door een honderdtal landen, ook door Nederland. Zij hebben zich met dat verdrag gebonden. De andere landen niet, en bij die landen hoort Rusland. Ook onder andere de Verenigde Staten, China, India, Pakistan, Turkije en Israël hebben het verdrag niet getekend. De Russen hebben zich niet gebonden en kunnen die spullen gebruiken. Ook economische druk op de vijand en landen die de vijand steunen is niet verbazingwekkend.

Daar hoort ook bij dat je de strijd probeert de voeren op plekken waar je de grootste kans hebt om de tegenstander te verslaan. Iets dat Saddam Hoessein niet goed leek te begrijpen. Die probeerde in 1992 de tegenstander te verslaan door de confrontatie in open terrein aan te gaan door de vijand met zijn tanks tegemoet te treden. Dodelijk als de tegenstander over beter en meer materieel beschikt. Dat doen de Oekraïners slimmer, ze hebben de les van Gibson geleerd. Die vermijden de directe aanval en voeren strijd op plekken waar het materiele overwicht van de tegenstander het minste gewicht in de schaal legt. Dat zijn precies ook de plekken waar de kans op burgerslachtoffers het grootste is, namelijk de bebouwde omgeving. En hoe grotere en onoverzichtelijker die omgeving, hoe gelijker het speelveld. Sterker nog, hoe groter de puinhoop, hoe gelijker het speelveld. De eerste granaten op een flatgebouw tasten de structurele integriteit van het gebouw aan. Als het gebouw is vervallen tot een hoop beton en steen met hier en daar een ruimte waarin zich iemand kan verschuilen, richten granaten niet zoveel schade meer aan. Ter vergelijking. Een kogel doorboort gemakkelijk een pagina van een krant. Je erachter verschuilen heeft niet zoveel zin. Dat wordt anders als het een ouderwets telefoonboek betreft.

Strijden in steden heeft in deze moderne tijd nog een ander voordeel. Een van de manieren om steun voor je kant te verwerven, is via de publieke opinie in landen die niet aan de strijd deelnemen. Daarvoor zijn beelden die de gruwelijke daden van je tegenstander laat zien een goed middel. In de moderne tijd met een camera op elke straathoek en in iedere broekzak, zijn er beelden te over die de gruwelijkheid van de tegenstander laten zien. Beelden zoals de auto op een kruispunt die wordt getroffen door granaten uit een Russische pantserwagen. Of een door granaten getroffen ziekenhuis. Als ik ‘baas’ van Oekraïne was, dan zou ik het ook zo doen als ik werd aangevallen door een veel sterkere tegenstander zoals de Russen. Al die zaken zou ik breed uitmeten. Dat zouden mijn ‘kogels’ in de strijd om de ‘harts and minds’ van de rest van de wereld zijn.

Als ik daarentegen ‘baas van Rusland’ was. Dat ben ik niet want als ik het was geweest dan was er nu geen oorlog, maar even fort he sake of the argument. Als ik ‘baas van Rusland’ was, dan zou ik er in de strijd om diezelfde ‘harts and minds’ alles aan doen om de ander zo schadelijk mogelijk te laten overkomen. Dan zou ik ook reppen over biologische en chemische wapens en vooral een link leggen met de VS. Dat land heeft immers een verleden met het liegen over dergelijke wapens[1]. Dan zou ik de bom op dat ziekenhuis betreuren maar erop wijzen dat de tegenstander de stad en dus ook het ziekenhuis en die moskee gebruikt als een menselijk schild. Je geeft, geheel in lijn met majoor Gibson, de tegenstander de schuld. Die koos er uit ‘lafheid’ immers voor om Ben Tré en nu Marioepol tot de plek te maken om het gevecht aan te gaan en niet te kiezen voor een ‘eerlijke strijd’ op de open vlakte. En ja, dan kunnen er burgers sneuvelen en dan kan het wel eens noodzakelijk zijn om een stadje te vernietigen om het te redden uit handen van die laffe vijand.

Bij het winnen van die oorlog, hoort ook het ‘spelen’ met vredesbespreking. Als het voorspoedig gaat, dan heb je er geen behoefte aan en traineer je ze. Zit je in het nauw dan is het aantrekkelijk om ze tot een succes te maken. Probleem is dan dat de ander aan de ‘voorspoedige kant’ zit en er geen behoefte aan heeft. Vredesbesprekingen hebben de meeste kans op succes als er evenwicht is. Als voor beide partijen verdere inspanning meer kost dan het oplevert.

Humanitaire hulp en corridors zijn iets van recente datum. De Romeinen en Dzjengis Kahn kenden ze niet. Een land was in oorlog en dat betekende dat alle inwoners in oorlog waren. Rusland gebruikt humanitaire corridors, zo schrijft Smit: “Niet zozeer om burgers in veiligheid te brengen, maar om de inname van de stad te vergemakkelijken.” Dat zou betekenen dat ook dit nieuwe al een middel wordt om het doel, het winnen van een oorlog, te bereiken. Dat kun je next level, cynisch of misdadig noemen, verbazen hoeft het niet. Alles wordt in een oorlog gebruikt om hem te winnen.

Dat kun je vervelend vinden en daarbij vind je mij aan je zijde. Het verandert er echter niets aan. ‘Inter arma enim silent leges’, of in Nederlands: ‘In tijden van oorlog zijn de wetten stil.’ Hoe graag we het ook anders zouden willen.


[1] Voor de VN betoogde de VS in 2003 dat Irak ‘weapons of mass destruction’ had, waaronder chemische en biologische. Dit terwijl jarenlange inspectie onder auspiciën van de VN er geen had gevonden. De VS gebruikte de aanwezigheid van die wapens om het land binnen te vallen. Na die inval zijn dergelijke wapens niet aangetroffen.  

Si vis pacem, para bellum?

Si vis pacem, para bellum’Ofwel: als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog. Die spreuk heb ik de afgelopen weken al verschillende keren voorbij zien komen. Ik moest hierbij denken aan het vak polemologie dat ik tijdens mijn studie geschiedenis volgde. Polemologie is de studie naar de oorzaken van oorlog en vrede. Ik moest vooral denken aan de docent die het vak gaf, Leon Wecke. Die trok tijdens een van de colleges een pistool, richtte het op de zaal en zei iets als: ‘als je dreigt moet je ook geloofwaardig overkomen, dan moet je je dreigement ook waar durven maken.’ Waarna hij de trekker overhaalde en een losse flodder afvuurde. Hij deed dat ieder jaar weer en gelukkig is het nooit fout gegaan. Dat zoiets fout kan gaan, laat het incident rond Alec Baldwin zien.

‘Si vis pacem, para bellum’ dus, als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog. En nog weer wat anders geformuleerd: er is geen vrede zonder effectieve afschrikking. Zo is hij tegenwoordig bekend. Flavius Vegetius Renatus schreef de spreuk in het jaar 390 net iets anders: ‘Qui desiderat pacem, bellum praeparet.’Een Latijnse spreuk die terug gaat op De Wetten van de Athener Plato. ‘Si vis pacem, para bellum’ en dan steeds gevolgd door zoiets als ‘Europa (of Nederland) is naïef geweest door haar defensie te verwaarlozen. Daarom zijn we nu een speelbal van de grote machten die zich wel op oorlog voorbereiden’. Het was ook het motto van de in 1896 opgerichtte Deutsche Waffen und Munitionsfabriken zo is te lezen op Wikipedia.

Een oude Latijnse spreuk met Antiek Atheense wortels heeft al snel iets waars. En inderdaad komt het geregeld voor dat landen (vroeger rijken) zich door een oorlog lieten verrassen. Dus voorbeelden genoeg van ‘naïeve landen’. Neem Nederland in de jaren dertig. Voorbereiden op een oorlog was niet nodig want we waren een neutraal land. Die gebrekkige voorbereiding maakte dat de Duitsers maar vijf dagen nodig hadden om de zaak onder de voet te lopen. En nu heeft bijna heel West-Europa zich laten verrassen door het Rusland van Poetin. Er is teveel ‘vredesdividend’ genoten. Dus als je vrede wilt, moet je je op oorlog voorbereiden zodat je eventuele aanvallers afschrikt. Als je de stappen rond een oorlog beziet, voorbereiden, beginnen, winnen en de naoorlogse vrede, dan richt de Romeinse spreuk zich in de basis op die voorbereiding, die moet voorkomen dat je wordt getroffen door stap twee. Mocht je dan toch worden getroffen dan betreed je goed voorbereid het slagveld.

Als de Romeinen ergens goed in waren, dan was het om zich voor te bereiden op oorlog. Alleen leidde die voorbereidingen pas tot vrede na een oorlog. Dan werd het veroverde gebied onder de Pax Romana, de Romeinse orde gebracht. Afgezien wellicht van de Mongoolse horden onder de grote Khan Dzjengis en zijn opvolgers, heeft de wereld geen oorlogszuchtiger volk gekend dan de Romeinen. Je werd geen groot rijk omdat anderen bij je wilden horen maar door anderen te veroveren en de veroverden in slavernij af te voeren. Ik ken maar één rijk waar anderen graag bij willen horen en dat noemt zichzelf geen rijk. Een rijk waar je zelfs uit kunt treden en waar inwoners van de onderdelen daar ook hartstochtelijk voor pleiten. Dat rijk is de Europese Unie. De geschiedenis laat zien dat landen en rijken die zich voorbereiden op oorlog krijgen waarop ze zich voorbereiden en dat is oorlog. Neem de hegemoniale macht van de afgelopen dertig jaar, de VS. Dat land was en is zo machtig dat geen enkel ander land het in het hoofd zal halen er een oorlog tegen te beginnen. De VS bereiden zich nog steeds voor op oorlog en voeren die ook met grote regelmaat. Vooral tegen landen die een bedreiging vormen voor de Pax Americana. Dat maakt het twijfelachtig of de strategie om vrede na te streven door je voor te bereiden op oorlog een goede is. Je gaat immers al snel op iemands tenen staan.

Op dezelfde Wikipedia-pagina is ook te lezen dat als Napoleon een kenner van het Latijn was geweest, hij er ‘si vis bellum, para pacem’ van zou hebben gemaakt zo schreef zijn biograaf De Bourienne. Of te wel ‘als je oorlog wilt, bereid je voor op vrede.’ Nu kun je hier op twee manieren naar kijken. Als eerste als een ironische versie van het origineel: zoiets als een naïeveling die vrede wil en zich ontwapent of niet bewapent, krijgt oorlog.

Interessanter is de tweede manier: bereid je voor op de wereld na de oorlog. Die voorbereiding kent twee kanten en daarvoor weer even terug naar de stappen in een oorlog en dan vooral de derde stap. De tweede stap is niet interessant in deze. Een oorlog beginnen is makkelijk. Je valt een ander aan en je hebt oorlog. De derde stap, de oorlog winnen is wat moeilijker. Beste voorbeeld hiervan is de Eerste Wereldoorlog. Alle strijdende partijen dachten dat ze een makkelijke en snelle overwinning zouden halen. In alle betrokken landen werd afscheid genomen van de soldaten die naar het front moesten in de veronderstelling dat ze voor de Kerst weer thuis zouden zijn met de overwinning op zak. En bij die Kerst werd niet gedacht aan de Kerst 1918, maar die van 1914. Bovendien kwam niet iedereen als winnaar uit het strijdperk. Je voorbereiden op de vrede na de oorlog betekent dat je voorbereid moet zijn op winst maar ook op verlies.

Dat laatste zal zelden (ik denk zelfs nooit) gebeuren, dat staat immers gelijk aan defaitisme en daarvan wil je niet worden beschuldigd. Bovendien stond in het grootste deel van de geschiedenis vast wat er met je gebeurde als je verloor, dan werd je gebied geplunderd en werden de overlevenden in slavernij afgevoerd en als het vrouwen waren vaak ook nog verkracht. Het veroverde gebied werd eigendom van de winnaar en die gaf zijn getrouwen er delen van voor hun bewezen en in de toekomst nog te leveren diensten. Zo betaalden de overwonnenen de kosten van de oorlog. Tegenwoordig ligt dat wat gecompliceerder. Slavernij is afgeschaft en bevolkingen zijn zo talrijk dat het afvoeren naar andere delen van je gebied een lastige optie is. Waar vind je ruimte om ze te hervestigen? Dat betekent dat je je moet voorbereiden op bezetting van het gebied dat je verovert.

De recente geschiedenis laat zien dat bezetting geen stabiele situatie oplevert. Sterker nog, de verloren oorlog en het opgelegde bezettende regime leiden onder de bevolking van het overwonnen gebied al snel tot haat tegen de bezetter en/of diens vertegenwoordigers. Haat die zich uit in tegenwerking en al dan niet gewapend verzet. De Israëliërs kunnen erover meepraten en ook de ervaringen van de Amerikanen in Vietnam, Irak en Afghanistan en de Sovjets in hetzelfde Afghanistan spreken voor zich. Trouwens ook de Nederlandse koloniale ervaring laat, net als die van andere voormalige koloniale mogendheden, zien dat bezetten geen garantie is voor stabiliteit en rust.

Wie er ook wint, het winnen van de vrede na het einde van oorlog in Oekraïne zal een gigantische opgave zijn. Ik hoop dat de leiders in Rusland, maar ook in het Westen zich realiseren dat het winnen van vrede na de oorlog lastiger is dan het winnen van een oorlog. Ik hoop dat ze zich hierbij niet laten leiden door een Latijnse spreuk die teruggaat op het denken van een oude Athener en zelfs niet van de Napoleontische variatie erop. Ik hoop dat ze duurzame vrede willen en zich daar ook op voorbereiden. Oftewel: si vis pacem, para pacem.

Practice what you preach

De ‘nucleaire sanctie-optie’ zo wordt het genoemd. Daarmee wordt bedoeld een land, in dit geval Rusland, afsluiten van het SWIFT systeem. “Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication, kortweg SWIFT, is een in 1973 opgerichte internationale coöperatieve organisatie voor het verzenden van financiële berichten. Meer dan 8.000 financiële instellingen uit circa 200 landen zijn bij SWIFT aangesloten. Middels het zogenaamde SWIFT-adres, tegenwoordig beter bekend als de Business Identifier Code (BIC), wordt onder andere grensoverschrijdend betalingsverkeer gefaciliteerd.” Zo is te lezen op Wikipedia. Een goed idee? Deze keer hoeven jullie niet te wachten op een antwoord. Nee, ik denk dat het geen goed idee is.

En nee, dat zeg ik niet omdat ik een Poetinaanhanger ben. Ja, ik heb een voorliefde voor Rusland maar dat is niet vanwege het leiderschap van dat land. Dat heeft me nooit kunnen bekoren. Niet gedurende de Tsarentijd, niet tijdens de communistische periode, niet tijdens het presidentschap van ‘drankorgel’ Jeltsin en ook de afgelopen 23 jaar Poetin hebben mij niet kunnen bekoren. Verre van dat zelfs.

Ik zeg dat omdat ik denk dat het een slecht idee is. Rusland van SWIFT koppelen maakt handelen lastiger. Lastiger maar niet onmogelijk. Het land kan nog steeds producten verkopen en zo geld verdienen aan de export van vooral olie en gas. Poetins geldkraan blijft nog steeds geopend. Om het land te treffen zijn er andere, doeltreffendere manieren. Rusland, kan de gas- en oliekraan dichtdraaien, maar daarin is hij niet de enige. Dat kunnen wij ook. Wij kunnen per direct besluiten om geen Russische producten meer te kopen. Aangezien het overgrote deel van de Russische export naar de Europese Unie gaat, wordt Poetins geldkraan een flink eind dicht gedraaid. Nu heeft het land flinke reserves waarmee het een flinke tijd vooruit kan. Een veel effectievere sanctie dan betalen moeilijker maken. Je zegt er immers mee: wij hoeven jullie spullen niet en dat zeggen we niet met de afkoppeling van het land van SWIFT.

Ook kunnen we alle bezittingen van het land en haar inwoners in de landen van de Europese Unie confisqueren. Eigendommen zoals de dure Londense huizen, de brievenbusbedrijven op de Amsterdamse Zuidas, de jachten in de havens, de voetbalclubs zoals Chelsea en Vitesse. Ook de verstrekte westerse paspoorten van de eigenaren kunnen worden ingetrokken. Als vervolgens de vrede weer is uitgebroken en de onafhankelijkheid van Oekraïne is hersteld, dan kan het worden teruggegeven mits de voormalig eigenaar zich in woord en daad heeft verzet tegen de oorlog. Is dat niet het geval dan wordt het verkocht en worden de opbrengsten gebruikt om Oekraïne weer op te bouwen.  

Mijn belangrijkste bezwaar is echter een ander. Sindsdien zijn er andere landen die werken aan hun macht en invloedssfeer om juist die westerse en vooral Amerikaanse macht en raketten op afstand te houden.” Schreef ik in Een westerse droom, een Prikker van net voor de Russische inval in Oekraïne. Een Prikker waarin ik het opportuinisme van het Westen in de omgang met de rest van de wereld aankaartte aan de hand van de begrippen zelfbeschikkingsrecht en territoriale integriteit. SWIFT presenteert zich als een neutraal systeem dat door alle financiële instellingen gebruikt kan worden voor het doen van internationale betalingen. Met het woord neutraal, kom ik bij mijn belangrijkste bezwaar. Door zich SWIFT toe te eigenen zal het vertrouwen in dat systeem verloren gaan. En niet alleen het vertrouwen in SWIFT. Andere landen, zoals China, zullen hieruit concluderen dat er geen neutrale systemen zijn. Dat er alleen systemen zijn die ten dienste staan van de eigen macht. En dus dat je zo machtig wordt dat je anderen kunt dwingen om met jou systeem te werken. Dat lijkt mij een niet wenselijke situatie. Als deze optie nucleair is, dan is ze nucleair voor de internationale samenwerking en niet alleen voor de samenwerking met Rusland.

In de hierboven genoemde Prikker citeerde ik Jonathan Holslag: “Het buitenlands beleid van het Westen was een en al tegenstrijdigheid.[1] Het afkoppelen van Rusland van SWIFT is een voorbeeld van tegenstrijdig handelen. Aan de ene kant wordt er een beroep gedaan op het internationale recht dat is geschonden, een terechte constatering en verwijt aan Rusland. Zo’n verwijt maakt minder indruk als je vervolgens je macht gebruikt om het internationale recht naar je hand te zetten. Want dat is wat er gebeurt als SWIFT als sanctie wordt gebruikt. Dan gebruikt het Westen een neutraal iets voor haar doelen. Als je het internationale recht werkelijk centraal stelt, dan leg je een verzoek om afsluiting van een land, in dit geval Rusland, voor aan de algemene vergadering van Verenigde Naties.

Een langer en omslachtiger traject maar wel een waarmee je in woorden en daden hetzelfde zegt. Namelijk dat je de internationale samenwerking en het internationale recht echt centraal stelt. Voor de korte termijn (en ook voor de langere) is het stoppen van import uit Rusland veel efficiënter. Het is bovendien iets waarmee je de internationale (rechts)orde niet verstoort.  


[1] Jonathan Holslag, Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989, pagina 133-134.

Directe democratie

“Welke maatregel zou jij nemen om de Tweede Kamer beter in staat te stellen om zijn werk goed uit te voeren?” Die vraag stelt Simon van Teutem onder een artikel bij De Correspondent waarin hij concludeert dat de Kamer geen tanden heeft. Zelf stelt hij het volgende voor: “ Verdubbel daarom het aantal leden en vervijfvoudig stapsgewijs de ondersteuning. Ook zouden we serieus moeten nadenken over een kiesdrempel, om de wildgroei aan minifracties tegen te gaan. Bovendien hebben partijen zelf een verantwoordelijkheid – zij zouden meer moeten doen om hun meest ervaren volksvertegenwoordigers in de Kamer te houden.” Een goed idee?

Pericles in gesprek met de Atheners. Bron: Flickr

Om te beoordelen of het een goed idee is, moeten we eerst een beeld van het probleem hebben waarvoor het een oplossing moet zijn. “De Tweede Kamer moet het beleid van de regering controleren en wetten maken,” zoals Van Teutem terecht schrijft. “Een Kamerlid heeft gemiddeld twee medewerkers,” aldus Van Teutem terwijl de regering wordt gesteund door zo’n 124.000 fte aan ambtenaren. Dat is, zo schrijft Van Teutem:“ Alsof je het leger van Luxemburg vraagt om de grens van Oekraïne te bewaken tegen een aanval van de Russen.” Wat daarbij niet helpt is dat het aantal fracties steeds talrijker en kleiner wordt: “Door de wildgroei aan kleine partijen is het gemiddelde zetelaantal per fractie de afgelopen twintig jaar gehalveerd.” De steeds grotere rol van sociale media maakt het er niet makkelijker op. Die zorgen ervoor dat een Kamerlid meer bezig is met beeldvorming: “Steeds meer tijd besteedt de moderne politicus aan het markeren en uitstallen van ideeën, steeds minder aan het opbouwen van dossierkennis.” Dat gebeurt vooral door het stellen van vragen en indienen van kansloze moties: “Ooit waren moties bedoeld om inhoudelijk beleid te beïnvloeden, maar nu worden ze gretig gebruikt om de eigen standpunten te etaleren. Slaagt de motie, dan is dat mooi meegenomen. Wordt de motie geblokkeerd, dan kan de initiatiefnemer de concurrent publiekelijk aanvallen op haar stemgedrag. Een screenshot van de uitslag en 280 tekens aan geveinsde verontwaardiging zijn voldoende.” Ook neemt de tijd dat een Kamerlid in functie is af: “Het ambt verandert langzaam in een springplank voor andere beroepen. Bijna de helft (!) van de voormalig Tweede Kamerleden gaat aan de slag als belangenbehartiger of lobbyist.” Concluderend sluit hij af met: “Het speelveld van de machtscontrole staat op dit moment niet scheef, maar verticaal. Dat verander je niet met gerommel in de marge.” Zouden de oplossingen die Van Teutem voorstelt de verticale machtscontrole weer horizontaal kunnen krijgen?

Daarom even terug in de tijd. In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923.

De volksvertegenwoordiging is een oplossing voor een probleem uit de negentiende eeuw. Maar wat was dat probleem? Of beter wat waren die problemen? Het eerste probleem was dat het lastig was om het gehele kiesgerechtigde volk met elkaar in gesprek te laten gaan en vervolgens een besluit te laten nemen, ondanks dat het in eerste instantie slechts een beperkte groep was. Lastig omdat je met een diligence er al gauw een dag over deed om van Maastricht in Den Haag te komen. Dat maakte het kiezen van vertegenwoordigers een goede optie. Zeker als de belangen van kiezer en gekozene redelijk één op één lopen.

Uit de manier waarop het volk dat mocht kiezen is gegroeid, kun je opmaken dat het belangrijkste probleem eruit bestond dat de machtigen hun macht wilden behouden. Het volk dat waren de gegoede burgers en niet het gepeupel en de keuterboeren. Dus werd het kiesrecht beperkt. Door druk vanuit vooral de emancipatiebewegingen van arbeiders en vrouwen in de negentiende eeuw, werd het recht om te mogen stemmen steeds verder uitgebreid totdat in 1923 voor het eerst iedereen mocht stemmen. Met het groter worden van de groep kiezers moesten de rijken en machtigen op zoek naar een andere manier om hun rijkdom en macht te beschermen. Dat werd, wat we nu de verzuilde samenleving noemen. Via de pastoor en de dominee werden de machtelozen opgeroepen om op geloofsgenoten te stemmen en niet op die goddeloze socialisten. In de top van die zuilen zaten de ‘edelen en notabelen’ die ervoor zorgden dat hun belangen goed werden beschermd. Daar waar ze hun ‘kiesvolk’ zoveel mogelijk probeerden te behoeden voor contacten met de andere ‘geloven’, gold dat niet voor henzelf. Zo konden de ‘edelen en notabelen’ hun belangen goed borgen en de macht behouden en bleven de machtelozen wat ze waren machteloos. Na de Tweede Wereldoorlog en zeker vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw werd dat ‘bekonkelen’ steeds lastiger. De kerken liepen leeg, de ‘kiezer’ werd steeds mobieler en daarmee werden de partijen van de notabelen steeds kleiner en de mogelijkheid  om hun belangen via de democratie te beschermen steeds geringer. De huidige vrijhandelsverdragen en het vrij laten bewegen van kapitaal over de wereld kun je zien als een manier van de huidige ‘edelen en notabelen’ om hun belangen veilig te stellen. Die verdragen en de bijbehorende organisaties vallen onder geen enkele vorm van democratische controle. Hierop kom ik binnenkort een keer terug want dat gaat voor waar ik het nu over wil hebben te ver. Voor nu is het genoeg dat we ons realiseren dat de volksvertegenwoordiging zoals die in de negentiende eeuw in het leven is geroepen vooral een construct was om het volk machteloos te houden. Dus om de democratie zoveel mogelijk te beperken.

Onze voorouders in de negentiende eeuw hebben een parlementaire democratie gevormd waarin: “de regering verantwoording verschuldigd is aan een parlement van door het volk gekozen vertegenwoordigers,”  zoals de Van Dale het omschrijft. Ze hebben niet gekozen voor een directe democratie. Een getrapte democratie vanwege de voor die tijd grote afstand tussen Groningen en Den Haag. Maar vooral omdat de ‘edelen en notabelen’ hun macht wilden behouden. Dat is makkelijker als je gelijken tot de volksvertegenwoordigers behoren. Het afstandscriterium is inmiddels achterhaald. In drie uur ben je van Groningen in Den Haag en via de digitale snelweg is het slecht één muisklik. Dus dat staat een directe democratie niet meer in de weg.

‘Maar je kunt toch niet met 13 miljoen[1] mensen tegelijk in debat over een onderwerp? Als je al een zaal kunt vinden waar zoveel mensen in kunnen.’ Zo’n grote zaal vinden is lastig en als je al zo’n zaal vindt dan zal het nagenoeg onmogelijk zijn om in die zaal een fatsoenlijk gesprek te voeren. Laat staan een gesprek dat moet leiden tot een besluit. De moderne informatie en communicatietechnologie maakt het echter in toenemende mate overbodig om allemaal op een zelfde plek te zijn om een gesprek te voeren. Die techniek maakt het ook in toenemende mate mogelijk om met veel mensen in gesprek te gaan.

Begin dit jaar schreef ik een Prikker met als titel In defence of democracy. Aanleiding voor die Prikker was de vraag (h)oe bescherm je de democratische rechtsstaat tegen hen die haar af willen schaffen?” Die vraag stelde GroenLinks leider Jesse Klaver zich op de website van zijn partij. Klaver pleitte onder meer voor een zo groot mogelijk democratisch ‘WIJ’. Iets waar ik me in kan vinden maar dan wel aangevuld met het versterken van dat WIJ door ons onderwijs te richten op het versterken van democratische vaardigheden. Toen ik die Prikker schreef, wist ik niet dat de Canadees Ierse Roslyn Fuller een boek had geschreven met dezelfde titel. Een boek waarin ze een vlammend betoog houdt voor directe democratie en waarin ze de bezwaren hiertegen fileert.

Directe democratie lost het probleem dat Van Teutem signaleert ook op. Directe democratie lost trouwens verschillende problemen van onze vertegenwoordigende democratie op. Politici willen worden herkozen en hebben daarom een fixatie op de korte termijn. Directe democratie lost dit probleem op, zo betoogt Fuller terecht omdat: “it does not have electoral cycles and therefore no arbitrary deadlines by when a policy needs to be a proven succes.[2] Directe democratie maakt de echte verhoudingen met betrekking tot een onderwerp duidelijk. Nu stemmen we op een partij maar niemand is het eens met alles wat die partij verkondigd. Zelfs de meest verstokte leden van een partij denken op punten anders. Dit zorgt ervoor dat er zaken gebeuren waarvoor in de samenleving geen meerderheid is en dat andere zaken niet gebeuren terwijl er wel een meerderheid voor is. In een directe democratie gebeurt dat niet: “voters don’t need the approval of others in order to cast their own votes, nor are they obliged to agree with others on a long list of issues in order to have an impact. If you want to be tough on crime but don’t include drug possession in that, that’s up to you.[3]Ook voorkomt het abrupte wijzigingen van beleid na verkiezingen.

Ook het probleem dat Van Teutem signaleert, is in één klap opgelost. Opgelost omdat het niet meer bestaat. Opgelost omdat de macht dan bij het volk ligt en het volk de regering controleert. Van Teutem wil het aantal Kamerleden verdubbelen en hun ondersteuning vervijfvoudigen. Dat betekent van 150 naar 300 Kamerleden en van 300 naar 1.500 ondersteuners. Een verviervoudiging van de ‘regeringscontrole. Vier keer zoveel is flink. Ik denk dat iedereen blij zou zijn met een verviervoudiging van zijn salaris. Een directe democratie betekent een toename van de ‘regeringscontrole’ van 450 naar 13.000.000, dat is bijna 28.900 keer zo veel. Ik denk dat de toeslagenaffaire dan veel eerder aan de orde zou zijn gesteld. Sterker nog, het zou zomaar kunnen dat die niet eens had plaatsgevonden.

Wordt het niet eens tijd dat we de slag naar directe democratie gaan maken? Daarbij meteen aangetekend dat we dit niet van de ene op de andere dag moeten doen. In haar boek beschrijft Fuller verschillende interessante technische hulpmiddelen die directe democratie kunnen ondersteunen. Hiermee moeten we experimenteren zodat we die technieken kunnen verbeteren. Zou het klimaatbeleid niet een interessant onderwerp zijn om hiervoor als pilot te dienen? Dus geen burgerberaad met 1.000 via het lot geselecteerde burgers, maar een beraad met 13.000.000 burgers van dit land? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.[4] Zo sprak Pierre Rosanvallon in zijn Spinozalezing van 2012. Via de directe democratie geven we daar op de meest uitgebreide manier handen en voeten aan. Op die manier vergroten we het WIJ maximaal en versterken we ook onze democratie maximaal. De moeite van het proberen waard!


[1] Nederland kent ruim 13 miljoen kiesgerechtigde inwoners. Bron:  https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2021/09/kiesgerechtigden-2021

[2] Roslyn Fuller, In defence of democracy, pagina 211

[3] Idem

[4] Pierre Rosanvallon, Democratie en tegendemocratie, pagina 76

Een westerse droom

In de Volkskrant een interessante ingezonden brief van Armand Leenaers naar aanleiding van een artikel van Arie Elshout in dezelfde krant. Volgens Leenaers constateert Elshout terecht : “dat door toedoen van de Russische president Poetin de geschiedenis terug is in Europa.” Hij verhaalt vervolgens van neutrale bufferstaten die na de val van Napoleon in 1815 door de toenmalige grootmachten in het leven werden geroepen. Als eerste het Verenigd koninkrijk der Nederlanden: “Door toedoen van een autoritaire vorst ging dat niet lang goed (1815-1830).” Als tweede het bufferstaatje Moresnet: “een ministaatje met kaarsrechte grenzen ten zuiden van Vaals, gelegen rond een rijke zinkgroeve waar zowel koning Willem I als zijn Pruisische evenknie op aasden. België trok uiteindelijk in 1920 aan het langste eind.” Daarom geen gekonkel immers: “Als Europa zijn eigen waarden serieus neemt, moet het erop aansturen dat de Oekraïners hun eigen toekomst kunnen bepalen.” Dit verwijst naar het zelfbeschikkingsrecht. Naast ‘zelfbeschikkingsrecht’ is ‘territoriale integriteit’ een tweede argument dat wordt gebruikt. De territoriale integriteit van Oekraïne mag niet worden aangetast aldus premier Rutte.

Het voormalige Joegoslavië en haar deelrepublieken. Kosovo en Vojvodina waren autonome gebieden binnen de deelrepubliek Servië. Bron: WikimediaCommons

Iets meer en recentere geschiedenis. 1992, het jaar van het Deense voetbalzomersprookje. In de halve finale van het Europees kampioenschap versloegen de Denen het Nederlands elftal. Dit gebeurde na verlenging met strafschoppen. De grote Marco van Basten, de held van het Nederlandse voetbalzomersprookje van vier jaar eerder, miste een strafschop. In de finale werd wereldkampioen Duitsland met 2-0 verslagen waarmee de Denen Europees kampioen werden. Wat het sprookje nog sprookjesachtiger maakte, was dat de Deense spelers vlak voor de start van het toernooi van ‘het strand werden geplukt’ omdat ze pas een week voor de start van het toernooi in Zweden wisten dat ze mee mochten doen. In 1991 plaatste de waarschijnlijk talentvolste generatie Joegoslavische voetballers zich namelijk ten kosten van de Denen voor dat Europees kampioenschap. De Joegoslaven, met in hun midden Zvonimir Boban en Robert Prosinečki die zes jaar later ten kosten van het Nederlands elftal derde werden op het Wereld Kampioenschap van 1998 en Dragan Stojković de Maradonna van de Balkan en nog meer bijzondere voetbaltalenten, werden uitgesloten van deelname en vervangen door de Denen. In het jaar voor dat kampioenschap, op 25 juni 1991, scheidden twee opstandige deelrepublieken, Slovenië en Kroatië zich zeer tegen de zin van de centrale regering in Belgrado af van Joegoslavië. Op 23 december 1991 erkende de Duitse regering als eerste de twee landen, in januari 1992 gevolgd door de andere landen van de Europese Gemeenschap. De Duitsers beriepen zich hierbij op het zelfbeschikkingsrecht van landen[1]. Een bijzondere redenering omdat Slovenië en Kroatië pas ‘ land’ werden nadat ze door andere landen werden erkend. De afscheiding van Slovenië en Kroatië tastte de territoriale integriteit van Joegoslavië aan. In dit geval werd zelfbeschikking van deelrepublieken van een land belangrijker gevonden dan de territoriale integriteit van het hele land. Het geweld waarmee de federale Joegoslavische regering het uiteenvallen van het land wilde voorkomen, was aanleiding om de Joegoslavische voetballers te weren van het Europees Kampioenschap.

Het voormalige Joegoslavië viel daarop met veel geweld steeds verder uit elkaar. De tot nu toe laatste ‘splinter’ die onafhankelijk werd, was Kosovo, een deel van de voormalig Joegoslavische republiek Servië. De Albanese UÇK militie onder leiding van Ibrahim Rugova verzette zich tegen de centrale Servische regering. Dat verzet ging gepaard met geweld en dat werd door de Servische regering onder leiding van Slobodan Milošević beantwoord met keihard geweld. Die harde aanpak was een doorn in het oog van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten. De VS haalden de UÇK van de ‘terreurlijst’ en uiteindelijk greep de NAVO in en bombardeerde doelen in Servië. Dit ondanks dat geen van de landen van deze defensieve verdragsorganisatie werd aangevallen of bedreigd, zonder instemming van de Verenigde Naties en zeer tegen het zere been van Rusland. Dit leidde ertoe dat Kosovo uiteindelijk onder beheer van de Verenigde Naties kwam. Op 17 februari 2008 riep het Kosovaarse parlement vervolgens de onafhankelijkheid uit. Die is door ongeveer de helft van de landen erkend[2]. Zelfs een viertal landen binnen de Europese Unie hebben de onafhankelijkheid niet erkend. Ook in dit geval tastte de afscheiding van Kosovo de territoriale integriteit van Servië aan. Die integriteit werd ook door de NAVO bombardementen geweld aangedaan. Ook hier vonden de VS en het gros van de landen van de Europese Unie de zelfbeschikking van de bewoners van het gebied Kosovo belangrijker dan de territoriale integriteit van Servië. Rusland maakte in deze precies de omgekeerde afweging en woog de territoriale integriteit van Servië zwaarder dan de zelfbeschikking van de Kosovaren. Rusland bezat echter niet de macht om dit te voorkomen.

Spanje was en is een van de landen van de Europese Unie die de onafhankelijkheid van Kosovo niet heeft erkend. En daarmee zijn we in 2017 aanbeland. In 2017 hield de regionale overheid van de Catalonië een referendum over het uitroepen van de onafhankelijke Catalaanse Republiek. De Spaanse overheid verzette zich fel tegen dit referendum en verbood het. Van de 42% van de stemmers die op kwamen dagen, stemde 90% voor onafhankelijkheid. Op 27 oktober 2017 werd de Catalaanse Republiek uitgeroepen waarop de Spaanse regering reageerde door het zelfbestuur van de regio op te schorten en een arrestatiebevel uit te vaardigen tegen de voltallige Catalaanse regioregering en andere actief bij het referendum betrokken personen. Tot op heden is die ‘Catalaanse Republiek’ door geen enkel land erkend, zelfs niet door Duitsland dat in 1991 het zelfbeschikkingsrecht van landen zo belangrijk vond. Hier woog de territoriale integriteit zwaarder dan het zelfbeschikkingsrecht van de Catalanen. Het niet erkennen van Kosovo door Spanje zou zomaar eens als reden kunnen hebben dat de Spaanse overheid vreesde dat erkenning voor Spaanse regio’s zoals Catalonië maar ook het Baskenland aanleiding zou kunnen zijn om hun vinger op te steken en te zeggen: als zij, dan wij ook!

Nu hebben twee gebieden hun onafhankelijkheid uitgeroepen en die worden door Rusland erkend. En daarmee kom ik bij de uitspraak van Leenaers dat: Als Europa zijn eigen waarden serieus neemt, (…) het erop (moet) aansturen dat de Oekraïners hun eigen toekomst kunnen bepalen.” Een redenering geheel in lijn met de Duitse regering in 1991 die ook het zelfbeschikkingsrecht van landen zo belangrijk vond. Rusland beoordeelt nu dat het zelfbeschikkingsrecht van de veelal Russische bewoners van deze gebieden zwaarder weegt dan de territoriale integriteit van Oekraïne. Het Westen weegt nu juist de territoriale integriteit van Oekraïne zwaarder dan het zelfbeschikkingsrecht van een deelgebied.  

‘Zelfbeschikkingsrecht’ en ‘territoriale integriteit’ zijn gelegenheidsargumenten die al naar gelang het eigen inzicht en vooral het eigen belang worden gebruikt om dat inzicht en belang goed te praten. En dat belang en inzicht draait om macht. “Wij zijn niet bereid om weer a la negentiende eeuw te gaan spreken over invloedssferen en de soevereiniteit van landen niet meer te respecteren,” sprak PvdA-Kamerlid Kati Piri bij Buitenhof. Daarmee zegt ze in feite dat Rusland ouderwets is en het Westen modern. Elshout deed dat in de Volkskrant ook door te zeggen dat door Rusland de geschiedenis terug is. Die invloedssferen zijn, en ook de geschiedenis is, nooit weggeweest. Het draaide altijd al en draait nog steeds om macht en dus om invloedsferen. En aan die van de Verenigde Staten en het Westen wordt flink geknibbeld. Niet vreemd want na de val van de Berlijnse muur en de instorting van de Sovjet Unie was er één dominante macht en één wereldwijde invloedsfeer, die van de Verenigde Staten en de rest van het Westen liftte mee op die macht.

Dat Piri het niet wil hebben over invloedssferen en dat Elshout beweert dat de geschiedenis weg was, wijst erop dat zij die Amerikaanse en in het verlengde Westerse macht en invloedssfeer zo vanzelfsprekend vonden dat ze haar niet meer zagen. Jonathan Holslag vat die westerse macht in zijn boek Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989 kort samen: “Het buitenlands beleid van het Westen was een en al tegenstrijdigheid.”  Om te vervolgen met wat voorbeelden: “Het Westen droeg uit dat het de democratie wilde bevorderen, maar de crises in Haïti en veel Afrikaanse landen lieten zien dat het Westen niet bereid was tot langdurige, uitgebreide steun om die democratie een kans te geven. Zo namen in de jaren negentig de bedragen die voor ontwikkelingshulp werden uitgetrokken af. Dat was een eerste tegenstrijdigheid. Een tweede was dat de westerse regeringen hadden beloofd de mondiale markt een menselijker gezicht te geven. Daar was weinig van terecht gekomen. En hun strijd om maatschappelijk verantwoord en milieuvriendelijk te werken was met veel minder inzet gevoerd dan hun streven om bindende regels op te leggen aan het liberaliseren van de handel en de kapitaalmarkten. Een volgende tegenstrijdigheid was dat het Westen zich wel de rol van wereldleider aanmat, maar steeds vaker alleen op afstand bij dingen betrokken was en zich steeds vaker op langeafstandsraketten en sancties verliet, in plaats van waarachtig engagement ter plaatse, ook al vergde dat offers. Het Westen bekeek de wereld vooral via de lenzen van satellieten en spionagevliegtuigen en had veel minder belangstelling voor diepgaande inzichten in de historische ontwikkelingen, maatschappelijke structuren en economische realiteiten van een land.[3]

De rest van de wereld zag die macht en invloedssfeer maar al te goed. Zij hadden ‘last’ van die invloedssfeer en van de grillen van de ‘machthebbers’. Landen die via de lenzen van die satellieten en spionagevliegtuigen werden beloerd en de kans liepen om te worden, en in sommige gevallen zelfs werkelijk werden, beschoten met die langeafstandsraketten. Sindsdien zijn er andere landen die werken aan hun macht en invloedssfeer om juist die westerse en vooral Amerikaanse macht en raketten op afstand te houden. Landen zoals China en Rusland, maar ook Turkije, Iran en Saoedi-Arabië. Het zijn niet de geschiedenis en de invloedssferen die terug zijn in het heden, het is het Westen dat na een mooie droom over een idyllische en utopische wereld terug is in de werkelijkheid. De werkelijkheid van macht en invloedssferen.


[1] https://duitslandinstituut.nl/artikel/2948/de-duitse-erkenning-van-kroatie-en-slovenie

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Internationale_erkenning_van_de_onafhankelijkheid_van_Kosovo

[3] Jonathan Holslag, Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989, pagina 133-134.