Morele chantage

Ik moet ‘schuld’ bekennen. Tenminste om een succesvolle klimaat activistische beweging te kunnen laten ontstaan. Zo langzamerhand ben ik schuldig aan alle ellende op deze wereld. 

Nou ja alle. Ik neem geen drugs dus de ‘ondermijning’, criminaliteit en milieuvervuiling’ als gevolg van drugs, kunnen mij niet in de schoenen worden geschoven. Die ellende is immers een gevolg van de uitgaander die soms een pilletje neemt. Tenminst, als we minister Grapperhaus, het kabinet en vele politici en beleidsmakers moeten geloven. Zoals Gerard Drosterij in de Volkskrant terecht constateert, is dat wel erg gemakkelijk. Of zoals hij het zegt: “als er een zondebok voor de ontspoorde drugscriminaliteit nodig is, dan toch zeker de overheid. Ik zou zeggen: trek lekker zelf het boetekleed aan in plaats die om de schouders van burgers te hangen. Wat meer zelfkritiek zou je sieren. ” Dat even terzijde.

Bron: pxhere

Terug naar dat waar ik wel schuldig aan ben. Tenminste als ik activist Chihiro Geuzebroek moet geloven die in een artikel van Emma Meelker bij Oneworld wordt opgevoerd. Geuzebroek hoopt: “dat westerse klimaatactivisten snel erkennen dat het Westen een schuld heeft te vereffenen op klimaatgebied. Pas dan kan er verzoening ontstaan en krijgt de klimaatbeweging tanden.” Want: “Het klimaatprobleem is er natuurlijk een van de westerse industrie. Een wit project dat met kolonialisme overal is uitgerold. Dat is de eerste laag van klimaatracisme.” En: “Het gesprek gaat over ‘vrijwillige hulp’ aan die landen, niet over het vereffenen van een schuld.” Daarvoor moet ik mijn excuses maken en vervolgens de schuld vereffenen want: ik ‘koloniseer de atmosfeer.’ 

Zo die kan ik in mijn zak steken. Want wat die westerse ‘witman’ allemaal heeft uitgespookt en gedaan, daar deugt geen hout van. Afgezien van het feit dat deze Westerse ‘witman’ verdomde weinig invloed heeft op bedrijven als Shell net zoals zijn voorouders niets te vertellen hadden over de koers van de VOC, zou ik Geuzebroek iets willen vragen. Als ik alle ellende die de Westerse manier van leven heeft veroorzaakt op mijn schouders moet nemen, mag ik dan ook de complimenten ontvangen van u en anderen die mij dit verwijten, voor het goeds dat die manier heeft opgeleverd? 

De complimenten voor bijvoorbeeld de parlementaire democratie en de vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld of voor het ontsnappen aan het juk van de religie en de Verlichting? Die komen immers uit dezelfde bron als die westerse industrie. Op de foto bij het artikel staat Geuzebroek met een megafoon in haar handen. Die megafoon is slechts een van de vele vindingen van die industrie. Net als de filmcamera en de telefoon.

Mag ik dan ook de complimenten ontvangen voor de penicilline, de antibiotica en de vaccins? En dan wil ik best erkennen dat we daarbij te weinig aandacht hebben bestaat aan bijvoorbeeld de sikkelcelziekte. Maar ja, die kwam in onze contreien ook niet veel voor, dus die had geen prioriteit. Andere delen van de wereld, waar deze ziekte wel veel voorkomt, hebben het op dit punt niet veel beter gedaan. Sterker nog, die zijn vooral afhankelijk van en bouwen voort op juist de vindingen van die ‘westerse industrie’.

Nu zit ik echt niet op die complimenten en bedankjes te wachten. Ik heb er immers niets aan bijgedragen, dat hebben anderen uit de ‘westerse wereld’ gedaan en ik vind het nogal overdreven om met hun veren te gaan pronken. Dan eigen ik mij iets toe wat mij niet toekomt. En dat geldt voor mij ook met negatieve zaken zoals kolonialisme en milieuvervuiling door industrieën waar ik geen invloed op heb. Daar wil ik niet verantwoordelijk voor worden gehouden en daar ga ik mij niet voor verontschuldigen. Pronken doe ik met mijn eigen veren en verontschuldigen doe ik mij voor mijn eigen daden. Voor de rest probeer ik zo te leven dat ik anderen, ook op het gebied van milieuvervuiling, zo min mogelijk schade toebreng. Ik hoop dat anderen dat ook doen. Als ik hierbij dingen fout doe, dan mag men mij daar gerust op aanspreken. 

Als mijn weigering om me te verexcuseren ervoor zorgt dat mijn streven om het milieu te beschermen: “zo moeilijk aansluiting kan vinden met mensen van kleur,” dan is dat maar zo. Ik weiger te buigen voor deze vorm van morele chantage.

Déjà Vu

U hebt het vast ook wel eens. Dan gebeurt er iets en denkt u: ‘maar dat heb ik toch al eens gezien.’Een déjà vu om het in goed Nederlands te zeggen. “In de jeugdzorg moeten we bijsturen. Een sterke basis ontwikkelen, met stevige scholen en wijken met zorg dichtbij. Maar ook gewoon nuchter kijken naar verantwoordelijkheid van ouders zelf. En voor grote problemen snel de juiste hulp. Dán heb je maatwerk en werken we vanuit de bedoeling.”  De laatste alinea van een artikel van Lian Smits en Rene Peters in Trouw. Ik dacht, of ik heb een déjà vu of ik ben tien jaar jonger. Toen ik vervolgens mijn sokken aantrok wist ik het: een déjà vu.

Bron: Pixabay

“Ouders/opvoeders zijn er natuurlijk in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor dat hun kinderen kunnen opgroeien in een gezonde, veilige en stimulerende omgeving met uitzicht op maatschappelijke participatie. …. De school wordt gezien als een plek waar professionals zicht hebben op de ontwikkeling van kinderen. Daarmee zijn scholen vindplaatsen van kinderen die zorg nodig hebben..” Dit constateerde de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg in 2010. 

We zijn nu bijna tien jaar verder en Smits en Peters concluderen hetzelfde. Tien jaar verder en niets opgeschoten? Nou ja niets. Inmiddels is de gemeente verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Dat was ‘logisch’ want de gemeente staat toch het dichts bij de burger. Daarom kan zij het beste die zorg organiseren. Een aanname die ik al eerder ter discussie stelde.

Nou ja niets? Marktwerking is ver doorgedrongen in de jeugdzorg. Heel veel zorg of ondersteuning wordt ‘aanbesteed’, er wordt een markt van gemaakt. Waarom? Niet omdat de wet hen ertoe verplicht. Doorzoek de wet op het woord inkoop en je krijgt nul resultaten. Idem voor het woord ‘aanbesteden’. Nee de wet verplicht de gemeenteraad (artikel 2.2 eerste lid) “een plan vast (te stellen) dat richting geeft aan de door de gemeenteraad en het college te nemen beslissingen betreffende preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.” De wet verplicht het college (2.4 eerste lid) om: “Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.” Het staat gemeenten vrij om te bepalen hoe zij die wettelijke opdracht invullen. 

Nou ja niets? Door er een markt van te maken, krijg je ook de normale verschijnselen van een markt. Verschijnselen zoals concurrentie op prijs en als de ‘opdracht’ eenmaal binnen is op allerlei manier ‘meerkosten’ opvoeren. Via de markt wordt er gestuurd op concurrentie en dan vooral op concurrentie op prijs. Iets wat je via de markt niet krijgt, is samen werken aan die ‘sterke basis’ waar de beide auteurs het over hebben. Als je samenwerking wil dan moet je op samenwerking sturen. Dan moet je zoeken naar andere manieren dan ‘aanbesteden’ en ‘marktwerking’.

Nou ja niets? Sinds die tijd hebben veel goede en ervaren medewerkers de zorg voor de jeugd verlaten. Moe van de hoge werk-, en vooral administratieve druk. Moe van de immer durende onzekerheid, ‘hebben we nog een contract volgend jaar’. Moe van de inhoudelijke bemoeienis door gemeenten met hun werk, dit terwijl de wet onder andere werd ‘verkocht’ met de kreet ‘ruimte voor de professional’. De plekken die ze achterlieten zijn niet ingevuld of worden bezet door, zoals iemand het mij laatst vertelde, ‘jonge möpkes’ nauwelijks ouder maar vaak veel minder streetwise dan de jongeren die ze moeten begeleiden.

Nou ja niets? Van de twaalf verantwoordelijke provincies met daarnaast nog twee ministeries en de zorgverzekeraars die vroeger verantwoordelijk waren, zijn we gegaan naar één verantwoordelijke overheid: de gemeente. Een klein dingetje. Daarvan zijn er zo’n 380 in Nederland. Omdat de wetgever dit ook wel wist nam hij in artikel 2.8 op dat de colleges met elkaar moeten samenwerken: “Indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is.” En dat doen die colleges dan ook. Alleen lijkt die samenwerking het meest op zo dicht mogelijk naast elkaar heen werken.

Vanuit het dominante ‘marktdenken’ logische en rationele stappen maar met een weinig logisch en rationeel resultaat. Een mooi voorbeeld van rationele irrationaliteit?

De morele toren

Als ik ze al had geambieerd, dan zou ik een politieke carrière wel op mijn borst kunnen schrijven. Niet omdat ik er niet over de juiste kwaliteiten beschik of er niet slim genoeg voor zou zijn. Of ik de juiste kwaliteiten heb of er slim genoeg voor ben,  doet er niet toe. Waarom dan toch geen politieke carrière?

Bron: Wikimedia Commons

Omdat er foto’s van mij zouden kunnen gaan opduiken. Foto’s waarop ik als kind van zeven of acht verkleed ga als indiaan of cowboy. Van iets latere leeftijd kunnen er foto’s opduiken van mij als janitsaar. Voor degenen die niet weten wat janitsaren waren, het was het elitecorps in het Ottomaanse Rijk. Ook zullen er foto’s opduiken van mij als Schot en afhankelijk van het camera standpunt compleet met zonder onderbroek. Want ja, je verkleed je en dan doe je het goed. Ook zal ‘Jabbar el Goojegabber’, de Arabische sjeik, op kunnen duiken. Mijn alter ego tijdens de Vasteloavend van 1994. Want ja, als ‘Vasteloavesvierder’ verkleed je je als iemand anders. 

En als dergelijke foto’s opduiken dan ben je ongeschikt. Dan heb je andere culturen belachelijk gemaakt of je misschien wel schuldig gemaakt aan ‘culturele toe-eigening’. En in het ergste geval ben je hypocriet. Hoe kun je immers pleiten voor gelijkwaardigheid van mensen als je als zevenjarige met een indianentooi op je hoofd liep? Dat gebeurde de Canadese premier Trudeau deze week. Eerst dook er een foto op van een themafeest in 2001 waar hij met een zwart geschminkt gezicht rondliep en er schijnt ook een video uit het begin van de jaren negentig te zijn. Dan deug je niet meer en moet je diep door het stof. 

Of zoals Trudeau het zei, zo lees ik in de Volkskrant: “Ik had toen beter moeten weten, maar ik deed het toch. Het spijt me ten zeerste.” Maar ja, ook dat is niet genoeg want er zijn altijd mensen die je niet geloven: “Zijn politieke uitdager, Andrew Scheer, trekt de oprechtheid van de premier in twijfel. Het feit dat er nu een nieuwe video van hem is opgedoken, verspreid door de Conservatieven, is voor hem koren op de molen. Die bewijst volgens Scheer dat Trudeau een ‘leugenaar’ is.” Zo die kan Trudeau zich in zijn zak steken. Wanneer zou het dan wel ‘genoeg’ zijn? Voor zijn tegenstanders waarschijnlijk nooit.

Deze affaire kent twee bijzonder invalshoeken. De eerste is een tegenwoordig heel populaire, leg het verleden langs de maatlat van het heden. Acties, gebeurtenissen en daden uit het verleden worden langs de huidige morele maatlat gelegd en beoordeeld. Dit terwijl ze stammen uit een tijd met een andere morele maatlat. Dat maakt deze handelingen al heel snel ‘fout’ of nog erger ‘moreel verwerpelijk’. Het heden wordt zo gepresenteerd als dé absolute norm waaraan alles wordt afgemeten. Als de hoogste ‘morele toren’ Maar hoe kon iemand toen weten wat die huidige ‘hoogste morele standaard’ is waar de criticasters nu van blazen?

De tweede invalshoek haakt aan bij waarmee ik begon. Er blijft niemand over als geschikt politicus. Iedere daad of actie van jou uit het verleden kan immers in de toekomst ‘moreel verwerpelijk’ zijn. Iedereen heeft een verleden en heeft in dat verleden gehandeld. Handelen dat naar de toekomstige morele standaarden niet kan deugen maar op het moment van handelen wel deugde. Zouden die ‘blazers’ zich realiseren dat hun geblaas wel eens van een te lage toekomstige toren kan zijn?

NEE is JA?

Kan NEE ook JA betekenen? In het kader van #MeToo duidelijk niet. NEE is NEE en geen versluierd JA. In mijn dagelijkse werk stootte ik vandaag op iets bijzonders. Iets waarbij NEE ineens JA lijkt te zijn. Dat bijzondere heeft te maken met beschermd wonen. Omdat ‘decentraliseren’ naar gemeenten omdat die het ‘dichtst bij de burger’ staan tegenwoordig mode is, moet ook zorg voor mensen die beschermd moeten wonen een verantwoordelijkheid worden van de gemeente. Hierbij stuitte ik op het woord ‘vermaatschappelijken’. 

Bron: Pixabay

Eerst even wat achtergrond bij dat ‘beschermd wonen’. Nu is deze zorg georganiseerd op grotere schaal. In het land zijn er zo’n 43 centrumgemeenten belast met deze opdracht. Wat meer regio’s in druk bevolkte gebieden en wat grotere regio’s in dun bevolkte gebieden. Daarvoor is ooit gekozen omdat enige omvang nodig is om hiervoor iets te regelen. Dat was vroeger zo en als daarin niets is gewijzigd, waarom dan veranderen?  

Ja, waarom? Omdat: “Er is in de samenleving een brede consensus over de wenselijkheid en noodzaak van een vermaatschappelijking van ondersteuning en zorg voor kwetsbare mensen. Deze trend is ook buiten de grenzen van Nederland duidelijk zichtbaar. In diverse sectoren (geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg, maatschappelijke opvang, ouderenzorg, etc.) zijn de opvattingen de kant op gegaan van inbedding van zorg in de samenleving, versterking van zelfregie en eigen kracht.” Zo schrijft de Advies Commissie Toekomst Beschermd Wonen op pagina 12 van haar rapport met als titel Van beschermd wonen naar een beschermd thuis. Het streven is om de mensen die nu beschermd wonen in een huis bij u of mij in de buurt een ‘beschermd thuis’ te bieden. En daarmee ben ik aanbeland bij het woord ‘vermaatschappelijken’. Daaruit kun je opmaken dat ‘vermaatschappelijken’ betekent ‘de-instiututionaliseren’. 

Alleen raakte ik verward toen ik Wikipedia raadpleegde voor het begrip maatschappelijk: “Het begrip maatschappij valt grotendeels samen met de notie samenleving, maar legt meer de nadruk op de institutionele, ordenende aspecten van de samenleving: de staat en de staatsapparaten. Daarmee is het ook een meer territorium gebonden begrip dan samenleving.” We gaan ‘de-institutionaliseren’ en noemen dat ‘vermaatschappelijken’ terwijl ‘vermaatschappelijken’ eigenlijk ‘institutionaliseren’ is.

Het begrip ‘vermaatschappelijken’ lijkt qua betekenis een draai van honderdtachtig graden te hebben gemaakt. Het wordt nu gebruikt om iets af te breken dat met hetzelfde woord is opgebouwd. NEE is op wonderbaarlijke wijze JA geworden.

De ‘Gouden Eeuw’

“De term Gouden Eeuw is op zichzelf gebouwd op geschiedvervalsing en op een achterhaald 19e eeuws beeld van het verleden.” Dit schrijft Lasse van Dikkenberg bij Joop naar aanleiding van het besluit van het Amsterdams Museum om de term ‘Gouden Eeuw’ in de ban te doen. “De term Gouden Eeuw is in de 19e eeuw ontstaan vanuit een nostalgische verering van het koloniale verleden. Het ging hier specifiek om de zaken die wij nu als negatief ervaren, zoals bijvoorbeeld de VOC en de WIC. De term kon alleen ontstaan doordat niet-elitaire perspectieven, zoals die van arbeiders of slaven, werden genegeerd.” 

De rode lijnen geven de grens van ‘t nieuwe koninkrijk België aan vóór de erkenning door Nederland in 1839.

Zou er iemand in de Gouden Eeuw op het idee zijn gekomen om die eeuw de Gouden Eeuw te noemen? Ik denk het niet. Het is niet uitzonderlijk dat tijdperken pas nadien worden geduid en benoemd. Sterker nog, het is regel. Een middeleeuwer zou zijn tijd zelf nooit middeleeuwen noemen. Hij leefde toen, net als wij nu, aan het ‘einde’ van de geschiedenis. Na hem was er niets. Om zijn tijd middeleeuwen te kunnen noemen, zou hij moeten weten waartussen ‘zijn eeuwen’ het midden waren. Zo noemen we nu het tijdperk tussen de twee wereldoorlogen het interbellum. Die naam konden ze er in 1929 nog niet aan geven. Er was immers pas één wereldoorlog geweest.

Als geschiedkundige heb ik het altijd al bijzonder gevonden dat na de middeleeuwen de nieuwe tijd en daarna de nieuwste tijd kwam. Immers wat zou er dan na de nieuwste tijd moeten komen? De allernieuwste tijd? Nee, historische tijdperken krijgen hun naam en betekenis altijd pas achteraf. Die naam en betekenis houden altijd verband met de tijd die erna kwam, met het heden dus. Het is daarom niet vreemd dat de negentiende-eeuwers de periode voor hen benoemden in het licht van hun heden. Voor iedereen die leeft is zijn tijd de ‘nieuwste tijd’. Een nog nieuwere is er immers niet. 

Inderdaad zal dit zijn gedaan als een ‘nostalgische verering van het verleden’, zoals Dikkenberg schrijft. In die negentiende eeuw ontstond er immers ineens een land: het koninkrijk der Nederlanden (het grondgebied omvattend van de huidige landen België, Luxemburg en Nederland). Een land dat door het ‘gesol’ der grootmachten ontstond, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Een land waar delen iets met elkaar hadden en delen ook niets. Zo hadden de oude zeven provinciën iets samen, maar hadden ze ondertussen niets meer met het Zuidelijk deel en dat bleek nog geen twintig jaar later. Het Zuidelijke deel kwam in opstand en scheidde zich af. Een deel van de opstandige gebieden, het grootste deel van de huidige Nederlandse provincie Limburg dat de Belgische kant had gekozen, ging weer terug naar Nederland. Het Noordelijke deel en de koning hadden dit maar te slikken omdat de grootmachten de kant van de Belgen kozen.

Dat gebrek aan zeggenschap en het ‘verlies’ van het zuiden, moest worden gecompenseerd en die compensatie werd gezocht in het verleden. Laat dat nu de zeventiende eeuw zijn, een tijdperk dat de ‘Hollanders’ solden en een belangrijke macht waren. Door een beroep te doen op de ‘glorie van weleer’ en personen die daarin een rol hebben gespeeld tot held te verklaren, werd dat verleden nog wat verder opgepoetst.

Je beroepen op een ‘glorieus verleden’ om meer te lijken dan je bent is een vrij normaal mechanisme om dat tegenwoordig ook nog zijn werk doet. Zo zie je in Rusland een toenemende trots op het Sovjet verleden en de ‘Grote Vaderlandse oorlog’ waarbij de ‘grootsheid van de Sovjet Unie op de huidige Russen en vooral hun leider moet stralen. Bij de Engelsen zie je ook nostalgie naar de tijd dat ‘Brittannia’ over ‘the waves’ regeerde en Europa verdeelde zodat het kon heersen, zoals ik in die vorige Prikker schreef. Veel Brexeteers willen dat dit verleden weer heden wordt.  


Europese spoken

Volgens Jelte Wiersma is wat er met de Britten gebeurt van groot belang voor de toekomst van Nederland: “Stel dat het Verenigd Koninkrijk wel in de Europese Unie blijft. Dan heeft het als niet-euroland per definitie een tweederangs status. Lid van de eurozone zal het niet worden. Aangezien de eurozone dé motor is waarmee macht naar Frankrijk wordt overgeheveld, wint Nederland weinig met dit scenario. Of stel dat het Verenigd Koninkrijk een Theresa May-achtig akkoord met de EU sluit en zo een EU-kolonie wordt – ook dat lost het probleem niet op van een verdergaande machtsoverdracht naar Frankrijk.” Zo schrijft hij in Elsevier. “Leedvermaak en schamper doen over premier Boris Johnson en de in veler ogen clowneske politiek in het Lagerhuis (…) vanuit Nederlands perspectief geen enkele zin.” Aldus Wiersma, die vervolgt: “Langzaam laat Nederland zich zo tot provincie van Frankrijk (en Duitsland) vormen.” Volgens Wiersma is Frankrijk de ‘baas’ in de Europese Unie. Nog niet zo lang geleden zeiden we hetzelfde over de Duitsers. Of de angst van Wiersma terecht is, zal de toekomst uitwijzen. 

Bron: Wikipedia

Bijzonder in het betoog van Wiersma is dat hij de werkelijkheid om lijkt te draaien. Wiersma: “Macron wil voorkomen dat het Verenigd Koninkrijk lid van de EU blijft en in de Unie de hoeder van de belangen van kleinere landen en vrijhandel is. Macron wil ook dat het Verenigd Koninkrijk geen prettig handelsverdrag met de EU kan sluiten, waardoor ook andere lidstaten zouden kunnen besluiten onder het Franse EU-gezag uit te willen, of in elk geval EU-integratie ten bate van de Franse macht te voorkomen.” Pardon? De Britten, met de ‘clowneske’ Johnson als boegbeeld, willen toch de Unie verlaten? Als de Britten willen blijven dan hebben de Fransen geen poot om op te staan.  Ze zijn immers lid van de Unie en niemand kan hen eruit gooien. Dat kunnen ze alleen zelf doen. Als de Britten als nog kiezen voor blijven dan zijn er alleen drie jaar verspeeld met niets. 

Ook het beeld van de Britten als hoeder van de kleine landen geeft hen erg veel krediet. Als we terugkijken dan zien we dat de Britten vooral opkwamen voor hun eigen belang. Denk maar aan het ‘I want my money back’  van Tatcher. Ze kreeg haar geld terug ten koste van, ja van de andere landen zoals het kleine Nederland. 

Als ik het betoog van Wiersma goed lees, dan is Nederland ontstaan als een soort provincie van de Britten: “Het Koninkrijk der Nederlanden met een Oranje op de troon – waarop zoveel Nederlanders zo dol zijn – is zelfs een Britse uitvinding.” Daar heeft Wiersma een punt. Zonder het ‘Concert van Europa’ in 1814 had ons land niet bestaan. In Wenen beslisten de toenmalige grootmachten dat de ‘Franse ambities’ ingetoomd moesten worden. Oostenrijk, Pruisen, Rusland en de Britten tekenden daar de nieuwe kaart van Europa. Een kaart waarop ten Noorden van Frankrijk ineens het ‘Koninkrijk der Nederlanden’ verscheen met een ‘Oranje’ op de troon.

Inderdaad paste dit in het Britse Europa-beleid dat Wiersma goed omschrijft: “we moeten voorkomen dat één macht het Europees continent domineert. Waarom? Omdat het Verenigd Koninkrijk zelf Europa niet kan domineren en geconfronteerd met één continentale grootmacht daarvan een kolonie dreigt te worden.” Het paste echter ook naadloos in dat van de andere winnaars. Die waren beducht voor elkaar en daarom moest Frankrijk als een ‘macht’ blijven bestaan daarin paste een nieuw ‘koninkrijk der Nederlanden’. Al eerder schreef ik een Prikker over dit sollen en het daaruit ‘ontstaan’ van het ‘koninkrijk der Nederlanden’. Maakt dit de Britten tot ‘hoeder’ van de kleine landen? Nee, die kleine landen waren nodig om te voorkomen dat zij hun machtspositie in Europa en in het verlengde daarvan in de wereld verloren.

Een provincie van zowel Frankrijk als Duitsland. Dat roept ‘spoken’ uit het verleden op. Zeker in een jaar dat we herdenken dat we vijfenzeventig jaar geleden werden bevrijd van het zijn van een ‘Duitsche’ provincie. Wat verder terug, ten tijde van Napoleon, waren we een Franse provincie. Met de ‘kennis’ van nu, moeten we daar niets van hebben. Nu was het gebied waar wij wonen wel vaker een ‘provincie van’. Bijvoorbeeld van de Romeinen, de Franken, de Bourgondiërs, de Spanjaarden en delen van ons land ook nog van de Oostenrijkers en de Pruisen. Met het zijn van provincie hebben we genoeg ervaring.        

Als de geschiedenis iets leert dan is het dat de machtigen sollen met de minder machtigen. En ja, daar heeft Wiersma een punt, dat gebeurt ook binnen de Europese Unie. Sterker nog dat gebeurt ook binnen Nederland. Zo gebruiken de vier grote steden hun ‘macht’ om extra voordelen binnen te halen. Dat even ter zijde. Als er in 1814 wat anders was gesold, dan was het gebied waar ik woon al een Duitse ‘provincie’. Was er na 1830 wat anders gesold dan was ik Belg geweest. Maar ja, dat was dan wellicht ook een Duitse, Franse of eigenlijk Britse provincie. Want Die Britten garandeerden de Belgische neutraliteit. Als Nederland haar zin had gekregen na afloop van de Tweede Wereldoorlog dan voetbalde Borusia Mochengladbach is de eredivisie. Dan had de grens een kilometer of veertig oostelijke gelegen. Maar ja, Nederland was machteloos er werd mee gesold.

Als het verleden iets laat zien dan is dat machthebbers sollen en dat grenzen tijdelijk zijn. Ook de huidige. Trouwens het verleden laat nog iets zien. Namelijk dat Nederland ook zonder de Britten in de Europese samenwerking kon. De Britten werden immers pas in 1973 lid. Nederland was er al vanaf het begin bij. 

Professor Cliteur en de wetenschap

  Van vraag via een insinuatie naar een stellige uitspraak in een paar zinnen. Dat gaat wel erg snel. Zeker voor iemand die zich tooit met de titel professor. Maar ja, als je vervolgens politicus wordt, zou het dan kunnen dat je het wetenschappelijke deel van je brein ‘uitschakelt’? Een vraag waarop ik geen antwoord geef en op basis waarvan ik zeker geen beschuldiging ga uiten. Wat is er aan de hand?

Bron: Wikipedia

Bij ThePostOnline een artikel van professor en Eerste Kamerlid namens het Forum voor Democratie, Paul Cliteur. Een artikel naar aanleiding van het bericht dat salafistische weekendscholen er wel een heel bijzonder lesprogramma op na houden. Daarop reageren politici als VVD-er Dijkhoff en CU-er Gert-Jan Segers geschokt. “En dan realiseer je je ineens dat we al twintig jaar dit soort onthullingen horen. Al twintig jaar brengt de AIVD rapporten uit met min of meer dezelfde strekking.. … Al twintig jaar zijn politici daarover ‘geschokt’ en ‘geschrokken’, maar die schrik leidt nooit tot maatregelen die een verandering brengen in de situatie.,” zo schrijft Cliteur.  Tot zover niets bijzonders.

“Intussen proberen de topambtenaren van het ministerie van Justitie hun collega’s van het OM te bewerken om toch vooral Geert Wilders te vervolgen.” En dat mag niet. Justitie mag het OM niet beïnvloeden als de minister van niets weet en: “De voormalige minister van Justitie (Opstelten) blijkt dat niet te weten.” Dus hebben die ambtenaren dat op eigen houtje gedaan. Als dat zo is dan is dat verkeerd en dan heeft Cliteur een punt en dan: “kan (de minister president) toch aangeven dat ambtenaren geen mailtjes mogen schrijven naar het OM zonder hun goedkeuring?”  Nog steeds niets bijzonder behalve dan dat ministers wel vaker iets niet weten, zich iets niet meer kunnen herinneren of iets cruciaals ‘kwijtraken’.  

Dan stelt Cliteur de vraag: “Zou het kunnen dat het ‘racismegedram’ van onze ‘topambtenaren’ toch een onvoorzien effect heeft? En dat de overgrote meerderheid van onze politici denkt: laat ik me maar stil houden. Laat die salafisten hun gang maar gaan. Wie er iets van zegt, wordt voor racist uitgemaakt en als je pech hebt krijg je nog een procedure aan je broek.” Een vraag met daarin een insinuatie: topambtenaren vertonen ‘racismegedram’ wat dat ook zijn mag.

En meteen erachteraan de beschuldiging: “Als dat zo is dan betekent het dat we een ambtenarenprobleem hebben. Een probleem van De Vierde Macht. De ambtenaren hebben politiek correcte rommel tussen hun oren en dat maakt een consistent integratiebeleid onmogelijk. Al twintig jaar lang. Minstens.” 

Beste professor Cliteur, als wetenschapper bent u er toch mee bekend dat u begrippen moet definiëren, begrippen als ‘racismegedram’ en ‘politiek correcte rommel’? Als wetenschapper bent u er vast ook mee bekend dat u bewijzen moet aandragen voordat u  topambtenaren verwijt zich schuldig te maken aan ‘racismegedram’ en dat ambtenaren ‘politiek correcte rommel’ tussen de oren hebben? Ook zult u als wetenschapper weten dat u daarbij moet verklaren hoe u vanuit specifieke gevallen tot dergelijke algemene uitspraken komt. Ook zult u weten dat u moet kunnen aantonen dat het aan die ‘politiek correcte rommel’ tussen hun oren ligt dat ‘consistent integratiebeleid onmogelijk is.’ Daarbij zult u ook aannemelijk moeten maken dat dit geen andere oorzaken kan hebben. Beste professor, ik wacht op uw onderbouwing.

Overheidstaak

Voor degenen die het nog niet wisten in Venlo ligt de Brightlands Campus Greenport. Op de campus zitten start-ups, ondernemers, kennisinstellingen en onderzoeksinstituten die zich richten op de voedselsector. Ze werken samen aan, zoals het op de site van de campus staat beschreven: “innovaties op het gebied van gezonde voeding, future farming en bio-circular economy.” De campus is gevestigd in de twee blikvangers van het voormalige Floriade-terrein: de Innovatoren en Villa Flora. En het is een succes.

Innovatoren. Bron Wikipedia

Ja, want die gebouwen zitten vol. Daarom wordt er op de campus een Brighthouse gebouwd. “Op dit moment zijn er op de Venlose campus zestig organisaties en zestien R&D-faciliteiten gevestigd. Er werken ruim 650 mensen,” zo lees ik op de site van Omroep Venlo. Dat is: “een kopie van de twee Bright Houses die in het voorjaar in gebruik zijn genomen op de  Brightlands Chemelot Campus in Geleen. Door die gebouwen te kopiëren zijn de kosten lager, is er minder kans op fouten en kan de bouw sneller plaatsvinden.” Met dat Brighthouse: “moet er ruim 8.600 vierkante meter vloeroppervlakte worden toegevoegd .” Dat allemaal voor € 22 miljoen en daar kunnen dan weer nieuwe bedrijven en start-ups in. Tot zover niets bijzonders.

“De Provincie Limburg levert de grootste bijdrage: 17,6 miljoen euro. De gemeente Venlo draagt 4,4 miljoen bij aan de ontwikkeling.” Wat? Gaan we dat bedrijfsverzamelgebouw, want dat is het, met overheidsgeld bekostigen? Is het een taak van de overheid om bedrijfsgebouwen te betalen en ‘huurbaas’ te worden voor bedrijven? Als er werkelijk vraag is voor meer bedrijfsterrein op die plek, dan moet er toch vast wel een projectontwikkelaar zijn die er brood in ziet. Dan moet het toch niet zo moeilijk zijn om een investeerder te vinden die het zaakje wil betalen? Is dit een gat waar de overheid in moet springen? Zeker een overheid die zo slecht bij kas zit als de gemeente Venlo. Een gemeente met forse tekorten oude zorg van jeugdigen en ouderen die ondersteuning nodig hebben.

A propos zorg en jeugdigen. Een groot probleem voor veel jeugdigen is het vinden van een woning. Vooral voor jeugdigen die hierbij extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben, is er geen woonruimte te vinden. Jeugdigen die zonder die woning of in te dure zorgvoorzieningen blijven hangen of op straat wonen en leven. Behalve ellende voor de jeugdigen kost dit de samenleving in het algemeen en de gemeenten in het bijzonder veel geld. De ‘woningmarkt’ voor jeugdigen wordt vooral overgelaten aan huisjesmelkers zoals onze race-prins-van-Oranje, die woningen opsplitsen en er kamers van maken. Kamers die ze duur verhuren.

Zouden de twee overheden en vooral de gemeente Venlo hun geld niet beter kunnen investeren in het bouwen van goede betaalbare woningen voor jeugdigen in het algemeen en voor jeugdigen die extra ondersteuning nodig hebben?

Een ‘gewoon’ gesprek

“Mogen we het hier over hebben?” Die vraag stelt student Brent Hadderingh bij Opiniez. Waarover? Over: “een demografische transformatie van Nederland.” Wat? Over het feit dat de Nederlandse bevolking alleen maar groeit door immigratie. Zonder immigratie zou de bevolking krimpen omdat er te weinig kinderen worden geboren en dat is al lange tijd het geval. Gevolg? “De inheemse bevolking neemt af en de niet-inheemse bevolking neemt toe.” En daarom vraagt Hadderingh zich af of we dit niet moeten: “vaststellen als een feit en een normaal politiek debat over deze ontwikkeling en zijn gevolgen (moeten) voeren?” Een debat zonder: “schrikreacties over dogwhistles, Nazi’s en terroristen? Kunnen we stoppen met elke benoeming van een demografisch feit proberen weg te zetten als een complottheorie?

House of Commons 1834. Bron: Wikipedia

Ja meneer Hadderingh, daar kunnen we best over praten. We kunnen overal over praten. Om het gesprek te openen, een paar vragen. Als eerste de vraag wanneer ben je inheems? Ik stel die vraag omdat u het CBS aanhaalt dat voor 2050 een krimp voorspelt van de bevolking met 1 miljoen en een stijging van mensen met een migratieachtergrond van 50%. Waarop u aanvult: “Neem hierin mee dat met de afbakening die CBS gebruikt, ook mensen tot “Nederlandse achtergrond” gerekend worden, zelfs als zij misschien niet tot de inheemse bevolking horen.” Wanneer verwordt een ‘migratieachtergrond’ tot een ‘Nederlandse achtergrond’ en waarin verschilt die van ‘inheems’ zijn? Dit zijn geen “verboten woorden” zoals u ze noemt, ze zijn wel beladen omdat ze mensen verdelen in drie hiërarchisch, door u verschillend, gewaardeerde groepen.

In uw laatste alinea schrijft u: “Is het nu eindelijk mogelijk om over dit feit een gewoon gesprek te hebben met bepaalde kanten van het politiek spectrum?” Deze zin is op meerdere manieren te begrijpen. Zo kan eruit worden begrepen dat dit gesprek alleen met die bepaalde kanten van het politieke spectrum gevoerd moet worden. Dat roept dan de vraag op: welke kanten? En als vervolg daarop: waarom alleen met die kanten? Er kan ook uit worden begrepen dat hierover met ‘bepaalde kanten’ nu geen gewoon gesprek kan worden gevoerd. Dat roept weer de vraag op welke kanten dat zijn en waarom er met die kanten geen gewoon gesprek is te voeren? Door de manier waarop u ze gebruikt, claimt u morele superioriteit: ‘met mij is wel een gewoon gesprek te voeren’. Sterker nog, het suggereert dat uw gesprekken altijd ‘normaal’ zijn en dat u geen politiek bedrijft.

Daarmee kom ik op een volgende punt. Wat is een gewoon gesprek hierover? Uit uw betoog meen ik op te kunnen maken dat dit een politiek debat is en wel een ‘normaal’ politiek debat. Als ik dit combineer met de ‘bepaalde kanten van het politieke spectrum’ dan lijkt u te zeggen dat met die ‘bepaalde kanten’ geen ‘normaal politiek debat’ is te voeren. Hoe ziet een ‘normaal politiek debat’ eruit? Een politiek debat in onze Tweede Kamer verloopt geheel anders dan in het Engelse Lagerhuis. Trouwens een Kamerdebat van vijftig jaar geleden verschilt wezenlijk van de huidige manier van debatteren. Voor mij is een gewoon gesprek iets anders dan een politiek debat.

Als laatste de belangrijkste vraag. Waarom wilt u dat gesprek voeren? Met andere woorden wat is het doel van een dergelijk gesprek? Omdat u het ‘gewone gesprek’ op een lijn lijkt te stellen met een ‘normaal politiek debat’ wordt die vraag nog belangrijker. In een politiek debat, normaal of abnormaal, hebben de deelnemers altijd een politiek doel. Daarom met welk doel moet dit gesprek of debat worden gevoerd? Ik ben benieuwd naar uw antwoorden

Punk en de boerka

In mijn jeugd, ja dat is lang geleden, vierde punk hoogtij. Punks waren in zwart geklede jongelui met allerlei ijzerwerk in en aan het lichaam. Een hanenkam op het hoofd en als aanhangers van het anarchisme wezen zij onze huidige samenleving af. De echte tenminste want voor de meeste van hen was het gewoon een manier om zich tegen hun ouders af te zetten. Zij waren enkele jaren punk, gingen vervolgens naar de kapper, legden het ijzerwerk af en gingen op in de menigte waartegen ze zich zo hadden afgezet. Een anarchist verzet zich tegen opgelegd gezag. Opgelegd gezag door individuen maar ook door de overheid. Een anarchist verwerpt democratie omdat het individu hierdoor gezag boven zich krijgt. 

Bron: Wikipedia

Waarom dit uitstapje via de punk naar het anarchisme? Ik maak dit uitstapje vanwege het meest besproken kledingstuk van de afgelopen periode, de boerka. Die boerka moet worden bestreden. Waarom? Omdat, zoals Martin Sommer het in de Volkskrant schrijft: “de boerkadraagsters een islam aan(hangen) die deze samenleving radicaal afwijst, zo niet daar actief tegen ten strijde trekt.” Daarom is Sommer: “voor een antiboerkawet maar het exemplaar dat we nu hebben, is een misbaksel.” Dit terwijl er nooit iemand vroeg om een verbod op ‘hanenkammen’.

Het is mij een raadsel hoe een beperkt verbod op een kledingstuk bijdraagt aan het bestrijden van een ideologie die onze samenleving radicaal afwijst. Zelfs bij een algeheel verbod kun je die vraag stellen. Die ideologie zit in de hoofden van mensen, de boerka erom. Tenminste bij het vrouwelijke deel van de aanhangers ervan. Als tegenstander van onze samenleving maken ze zich zo bekend en isoleren ze zich van de rest. Zij wijzen de samenleving af en een groot deel van de samenleving hen. Bovendien is het zo makkelijk om hen in de gaten te houden, zou ik denken. 

De vrijheid om te denken wat je wilt en je mening te uiten is een belangrijk goed in onze samenleving. Ook het denken dat het allemaal anders moet en het afwijzen van het bestaande hoort onder die vrijheid. Dat wordt anders als het denken wordt omgezet in geweldsdaden of het aanzetten daartoe. Dan wordt een grens overschreden en is het aan de overheid om op te treden en te straffen. De overheid treedt op tegen de daden, zij handhaaft de rechtstaat. 

Het is niet aan de overheid om op te treden tegen de woorden, tegen een ideologie. Dat is een taak van de samenleving, van haar inwoners, verenigingen, organisaties, partijen, media enzovoorts. Het is dus ook niet aan de overheid om een ideologie verwerpelijk te vinden. Dat die huidige wet een ‘misbaksel’ is, wordt erdoor veroorzaakt dat een klein deel van politiek Nederland via de wet symboolpolitiek wil bedrijven en een wat groter deel dat kleinere deel de wind uit de zeilen wil nemen. Daarom: “moesten de integraalhelmen en bivakmutsen erbij gesleept worden.” 

In een krachtige open democratische rechtstaat strijden ideologieën in een open debat met elkaar. De overheid ziet toe op het eerlijke verloop ervan. Door die strijd houden de uitersten elkaar in evenwicht. Geloven we nog wel in die kracht? Is het per wet verbieden van (symbolen van) een ideologie daarom niet een zwaktebod voor een open democratische rechtstaat? Duidt een ‘boerkawet’ niet op een gebrek aan geloof in de kracht ervan?