Uitgelicht

De simpele wereld van Plasterk

En tenslotte moet er in Europa en in Nederland echt opeens zo enorm veel geld naar defensie, of kan dat een snippertje minder?” Met die terechte vraag sluit Ronald Plasterk in De Telegraaf een column van zijn hand1. Een terecht vraag waaraan ik in een eerdere Prikker al aandacht besteedde. En bijzondere column over de oorlog in Oekraïne en de gevolgen die dit heeft in Nederland.

Rusland is de oorlog begonnen en dat is fout want een ander land binnenvallen mag niet. Maar het wordt complexer, zo betoogt hij: “als je de geschiedenis erbij pakt.” Complexer want: “Ten eerste is het oostelijke deel Oekraïne qua cultuur meer Russisch dan Oekraïens: de meeste mensen op de Krim spreken Russisch. Oekraïne was volledig onderdeel van de Sovjet-Unie. Tot het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 werden de aanduidingen Rusland en Sovjet-Unie steevast door elkaar gebruikt. De precieze indeling binnen de Sovjet-Unie werd door de rest van de wereld als een interne kwestie beschouwd. Oekraïne was zelfs binnen de Sovjet-Unie onderdeel van Rusland totdat de opvolger van Stalin, Chroesjstjov, zelf geboren Oekraïner, het in 1954 als geste indeelde bij Oekraïne.”

Uit de film 300: De Spartanen onder Leonidas bij Thermopylae. Bron: Flickr

Voor wat betreft het laatste, de Krim was tot 1954 onderdeel van de Sovjetrepubliek Rusland en werd toen inderdaad door Chroesjstjov ingedeeld bij de Sovjetrepubliek Oekraïne, een republiek waarvan in 1917 voor het eerst sprake was. En ja, dat indelen van de Krim was een interne aangelegenheid van de Sovjet-Unie. Deze vergissing is Plasterk vergeven. Voor wat betreft het belangrijkste, de constatering dat de Russische inval in Oekraïne fout is, die verandert niet met de door Plasterk geconstateerde complexiteit van de geschiedenis. Die inval blijft nog steeds fout.

Wat ook fout is, is de manier waarop Plasterk de door hem geschetste historische complexiteit gebruikt om die fout begrijpelijk te maken. Dat er culturele verwantschap is of dat men eenzelfde taal spreekt, maakt nog niet dat het ene land het recht heeft om die delen van dat andere land in te nemen. Dat Nederlanders, volgens de Duitsers, tot de Germaanse volkeren behoorde, maakte nog niet dat ze in 1940 het recht hadden Nederland binnen te vallen. Met dit argument zouden de Spanjaarden hun voormalige wereldrijk terug kunnen veroveren. Er is immers culturele en taalkundige verwantschap. En geeft die spraakverwarring waarbij de Sovjet-Unie en Rusland door elkaar werden gebruikt, de Verenigde Staten het recht om heel Noord-, Midden en Zuid-Amerika te bezetten omdat het land wel eens wordt ‘verward’ met Amerika. Een ‘spraakverwarring’ waaraan Plasterk zich in zijn column ook schuldig maakt?

Dan het ‘volledig onderdeel zijn van de Sovjet-Unie’. Dat lijkt verdacht veel op Poetins argument dat hij het ‘groot Rusland” van weleer nastreeft. Dan kunnen de andere voormalige Sovjetrepublieken hun borst wel nat maken. Met zo’n redenering kan Nederland ook weer beslag leggen op Indonesië en als we toch bezig zijn het voormalige Nieuw Amsterdam. Maar, pech voor Nederland want Frankrijk kan zich Nederland dan weer toe-eigenen en een broer van Macron als ‘koning’ op de troon zetten. Alleen zullen de al eerder genoemde Spanjaarden daar tegen inbrengen dat de Nederlanden toch echt ooit van hen waren. Behalve dan dat de Italianen daar weer tegenin kunnen brengen dat dit toch allemaal bij het Romeinse Rijk hoort.

Volgens Plasterk is de weg via het Internationaal Strafhof heilloos: Dat Strafhof huist in Den Haag en geen enkele grote wereldmacht is er lid van: de Verenigde Staten, China, Rusland en India zijn allemaal geen lid. Het oordeel over Poetin toont vooral aan hoe relatief nutteloos het Strafhof is; niemand denkt dat politieagenten naar het Kremlin gaan met een arrestatiebevel.”De kans op dat laatste is inderdaad klein en inderdaad zijn er landen die geen lid zijn van het Strafhof. Dat maakt een veroordeling echter nog niet nutteloos. Met een veroordeling wordt een daad tot een misdaad verklaard. En mocht het onverwachte toch gebeuren en er een geslaagde opstand tegen Poetin komen, dan biedt die veroordeling een mooie weg om het probleem het land uit te krijgen. Iets waar de Duterte, de voormalig president van de Filipijnen over mee kan praten. Het recht is het enige wat ons behoed voor het recht van de sterkste.

Doorvechten en Poetin verslaan (is) onrealistisch,” aldus de titel van de column. “Wat moet je je daarbij voorstellen: Zelenski die optrekt naar Moskou en de Oekraïnse vlag plant op het Kremlin?” Dat Zelenski die vlag gaat planten is niet realistisch maar er zijn meer overwinningen mogelijk dan de totale overwinning gesymboliseerd door het planten van die vlag. Zo zat Xerxes I de heerser van het Perzische rijk nog steeds stevig op zijn troon na de vernederende nederlaag tegen de veel geringere Griekse strijdkrachten onder leiding van de Spartaanse koning Leonidas en zijn 300 hoplieten in de slag bij Termopylae en de vernietiging van zijn vloot door de Grieken onder leiding van de Atheners aangevoerd door Themistocles in de slag bij Salamis. Xerses droop af want een grootse overwinning zat er niet meer in. Het restant van zijn troepen, onder leiding van Mardonius werd in de slagen bij Plataeae en Mycale verslagen. De Perzen waren verslagen zonder dat er ook maar één Griekse vlag op een van de Perzische koningssteden werd geplaatst. Het rijk bleef nog bestaan totdat Alexander de Grote zo’n 150 jaar later Darius III versloeg en het hele Perzische rijk veroverde. Om een oorlog te winnen, hoef je de vijand niet te verslaan. Voor degenen die een recenter voorbeeld willen. De Verenigde Staten verloren de oorlog in Vietnam zonder dat er een Vietnamese vlag op het Witte Huis werd geplaatst. Of de nederlaag van de Sovjets en recentelijk ook de Verenigde Staten en de NAVO in Afghanistan.

Er zijn maar twee realistische mogelijkheden: heel veel geld verschaffen voor zoveel mogelijk wapens, om het bloedvergieten te verlengen: of op zo kort mogelijke termijn een vredesakkoord,” zo vervolgt Plasterk. En is: “het kleinste kwaad (…) om zo snel mogelijk te stoppen met bloedvergieten op basis van ongeveer de status quo.” Zou hij er hetzelfde over denken als zijn buurman 20% van Plasterks tuin zou annexeren omdat die ‘cultureel’ altijd al veel op de tuin van de buurman leek. Er stonden immers voor het grootste deel dezelfde planten in en de schaduw van die mooie eik viel toch vooral in de tuin van de buurman.

Natuurlijk wil bijna iedereen bloedvergieten stoppen. Maar net zoals er tussen een overwinning en een totale overwinning hele werelden zitten, zitten er hele werelden tussen een akkoord om bloedvergieten te stoppen en een vredesakkoord. Daarvoor hoeven we alleen maar naar die andere oorlog te kijken, de al meer dan honderd jaar durende oorlog tegen het Palestijnse volk. In die honderd jaar zijn er al verschillende akkoorden gesloten om het bloedvergieten te stoppen. Van vrede is echter nog steeds geen sprake. Of neem de bijna tweehonderd jaar durende Frans-Duitse strijd. In die strijd werden verschillende akkoorden gesloten. Zo beëindigde de Vrede van Frankfurt de oorlog van 1870-1871. Dat akkoord bleek geen beletsel voor een nieuwe oorlog die in 1914 startte. Een oorlog die in 1918 met de vrede van Versailles werd beëindigd. Weer een akkoord dat niet voorkwam dat er in 1939 een nieuwe oorlog uitbrak. Die Frans-Duitse strijd werd pas beëindigd toen er na de vernietigende Tweede Wereldoorlog voor een andere oplossing dan een akkoord werd gekozen namelijk Europese samenwerking in plaats van rivaliteit. Om de oorlog in Oekraïne te beëindigen is meer nodig dan een akkoord om de wapens neer te leggen. Namelijk een gedeelde visie op dewereld waarin beide partijen zich zonder rancune kunnen vinden en die verder gaat dan het neerleggen van de wapens. Zolang die er niet is wordt huidig bloed gespaard ten koste van toekomstig bloed en wordt er veel geld verschaft voor het kopen van wapens om dat toekomstige bloed te vergieten.

Plasterk gaat verder: Van oudsher was links tegen militarisme tegen kruisraketten, voor het gebroken geweertje, voor dienstweigeren. Links was veel pacifistischer dan rechts. Nu zien we een omkering: links wil de defensiebudgetten snel verhogen. Het is niet duidelijk tegen welke vijand Nederland zich opeens enorm zou moeten bewapenen. Amerika zal het niet zijn. China is heel ver weg, dus kan het alleen gaan over Rusland, maar we zien dat Rusland al moeite heeft om zijn voormalig stukje Oekraïne te verdedigen.” Even voor Plasterk, Rusland verdedigt dat stukje Oekraïne niet, het valt het aan. En ja, het heeft daar moeite mee. Voor wat betreft tegen welke vijand we ons zouden moeten bewapenen is het antwoord simpel, tegen iedere mogelijke vijand, ook mogelijk de Verenigde Staten. Hoe dit moet, weet ik niet maar dat het zorgvuldig moet, heb ik al eerder betoogd. De sneer naar links is bijzonder. Bijzonder omdat de strijd tegen de kruisraketten zich in een heel andere tijd afspeelde dan nu. Een tijd waarin twee ideologisch met elkaar in conflict zijnde supermachten die elkaar en de rest van de wereld vasthielden in de MAD-doctrine: Mutual Assured Destruction. Nog meer kernwapens veranderden daar niets aan. De wapens om elkaar en de wereld gegarandeerd te vernietigen hebben ze nog steeds. Van een bipolaire wereld is echter geen sprake.

Rechts in het politieke spectrum staat Trump. In de Nederlandse media is geen sympathie voor Trump te vinden. Zijn botte stijl geeft ook geen aanleiding tot warmte. Maar juist in deze kwestie is deze voorman van politiek rechts nu de vredes duif.” Aldus Plasterk. Trump als vredesduif, een heel bijzondere constatering. Ja, bij zijn inauguratie sprak hij uit de geschiedenisboeken in de willen gaan als ‘peace maker’ en klopte zich op de borst voor het eerste wapenfeit in die richting: een wapenstilstand in Gaza. Die wapenstilstand is al weer langer voorbij dan hij heeft geduurd en Israël maakt zich op voor het ‘innemen’ van delen en wellicht zelfs de gehele Gaza-strook, zo bericht de NOS. De zelfverklaarde ‘peace maker’ staat instemmend te knikken en wil het gebied, nadat het is ontdaan van de bevolking, wel als een bouwproject ontwikkelen tot een oord voor rijke patsers zoals hijzelf. Zijn acties om tot vrede te komen tussen Rusland en Oekraïne richten zich vooral op het afpersen Oekraïne en met stroop om de mond smeren van Rusland. Daar komt bij dat het juist Plasterks ‘vredesduif’ is die aandringt op Europese bewapening en het verhogen van de defensiebudgetten.

1 Zie voor de column dit bericht op LinkedIn

Uitgelicht

Herdenken, gedenken en her-denken

Morgen is 4 mei. In Nederland de dag van de Nationale Dodenherdenking. “Ieder jaar staan we tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei stil bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en van oorlogssituaties en vredesoperaties daarna. Om 20.00 uur is het in heel Nederland twee minuten stil,” zo is te lezen op de site van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Het Comité heeft als taak om: “richting, inhoud en vorm te geven aan herdenken en vieren en de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend te houden.” En zoals al vaker is gebeurd, is er weer discussie over hoe en wat er wordt herdacht. Mogen we ook Gazanen herdenken of bij hun leed stilstaan?

De binnenstad van Venlo aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Bron WikimediaCommons

Herdenken: “(op plechtige wijze) stilstaan bij iets uit het verleden,” aldus de digitale Van Dale. Herdenken heeft twee kanten. De ene kant is dat we iets gedenken: “Zich herinneren, in ere houden,” aldus dezelfde digitale Van Dale. Dat eerste, zich herinneren, kan alleen als je het zelf hebt meegemaakt. Zo kan ik me niets herinneren van de Tweede Wereldoorlog want ik was er niet bij. In ere houden kan ik wel. Dat kan ik door met eerbied en respect over hen en hun daden te spreken opdat zij niet vergeten worden. Spiegel van in ‘ere houden’ en dus de tweede kant van herdenken is dat wat we in ere houden daarmee wordt afgezet tegen iets wat minder of zelfs geen eer verdient. Zo staat tegenover de verzetsheld uit de Tweede Wereldoorlog de collaborateur die dienst nam bij de Schutzstaffel, de SS. En tegenover beiden staat de overgrote meerderheid van de toenmalige mensen die zo goed en zo kwaad als mogelijk probeerden te overleven.

In deze ‘herdenkingsperiode’ bezocht ik de voorstelling Eindelijk Vrij. Een openluchtvoorstelling ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog in Venlo en omgeving en aanloop ernaartoe. Plaats van handelen de Venlose Grote Heide. Op die Grote Heide en het aangrenzende Duitse gebied, bouwden de Duitsers in 1941 een groot militair vliegveld: Fliegerhorst Venlo. Lopend over de Grote Heide zie je de restanten ervan. Sommige goed bewaard, zoals de verkeerstoren waar nu een klimclub haar domicilie heeft. Andere minder verborgen, zoals de hangaar waar de voorstelling plaatsvond, waar nieuw met oud is verbonden en waar nu een zweefvliegclub gebruik van maakt. Weer andere meer verborgen, zo moet je om de startbanen te onderscheiden toch echt het luchtruim kiezen. Een voorstelling met jeugdige Venlose toneelspelers die al naar gelang de rol verzetsheld, Duitser, Joodse vluchteling, Venlonaar of de in Venlo en omstreken beruchte collaborateur Berendsen spelen afgewisseld met liedjes en filmbeelden van overlevenden, die over hun ervaringen vertelden.

Drie verhalen uit dit geheel van verhalen, maakten bijzondere indruk op mij. Het eerste een oudere dame die vertelde over haar familie. Een familie waarvan de ene helft in Nederland woonde en de andere helft in Duitsland. De familie van deze oudere dame zal niet de enige zijn geweest. De grens speelde geen belangrijke rol in het leven van de grensbewoners. Ze woonden in hetzelfde ‘cultuurgebied’. De familie kon makkelijk bij elkaar op de koffie en communiceerde in de streektaal met elkaar. Vanaf midden jaren dertig werd dat anders. De grens werd een echte grens. Een bezoek aan de familie aan de andere kant van de grens drie kilometer verderop, werd moeilijk tot onmogelijk. Naar elkaar zwaaien vanaf de eigen kant ging nog, praten was lastig want tussen de twee grensposten lag niemandsland. Dit verhaal maakte indruk omdat het laat zien dat je veel in het leven niet in eigen handen hebt. Het belangrijkste van dat veel, is de plek waar je wordt geboren.

Daarmee kom ik bij het tweede verhaal. Het verhaal van een Duitse man die tijdens bij het begin van de oorlog hooguit een peuter was. Zijn toeval had bepaald dat hij in Nazi-Duitsland was geboren. Voor hem betekende dat in 1944 en 1945 het overleven van geallieerde bombardementen, later honger en opgroeien in een vernielde omgeving. De man, toen kind, woonde, zoals we in Venlo zeggen ‘aan de verkierde kant van de paol’ maar dat maakt de ellende die hij moest doorstaan nog niet zijn eigen schuld.

Hij kon er net zo min iets aan doen als de verteller van het derde verhaal. Deze verteller, slachtoffer en overlevende van een van de dertien geallieerde bombardementen op Venlose Maasbruggen van oktober en november 1944. Zonder succes, de brug bleef bruikbaar maar een flink deel van de Venlose binnenstad lag in puin en daarbij vonden vele Venlonaren de dood. Op een in 2024 onthulde plaquette op de achterzijde van de Minderbroederskerk aan het Arsenaalplein zijn hun namen te vinden. Uiteindelijk bliezen de Duitsers de brug op om te voorkomen dat de geallieerden die zouden gebruiken. De man was ten tijde van de bombardementen baby en de jongste van een gezin met zeven kinderen. Tijdens het fatale bombardement zaten de zes andere kinderen al in de kelder. Moeder was hem, de baby, op de bovenverdieping aan het pakken toen het huis een voltreffer kreeg te verwerken. De bom ontplofte in de kelder en dat betekende de dood van zijn zes broers en zussen. Hij werd gevonden in de armen van zijn moeder. Zijn moeder overleed drie dagen later in het ziekenhuis alwaar de baby vocht voor zijn leven met zijn vader aan zijn zijde. Vader was niet thuis op het noodlottige moment.

Drie verhalen die vanuit verschillende invalshoeken een blik werpen op de Tweede Wereldoorlog. Wat deze verhalen zo sterk maakt is een andere betekenis van het woord herdenken. Een betekenis afkomstig van de Britse historicus en filosoof Robin George Collingwood (1889-1943). Voor Collingwood is Rankes meer dan een beschrijving van ‘hoe het geweest is’. Dat levert alleen een reeks feiten zoals 10 mei 1940 de Duitser vallen Nederland binnen. 1941 Duitsers bouwen Fliegerhorst Venlo enzovoorts. Collingwood wilde het verleden begrijpen. Begrijpen, niet om er onvermijdelijke wetmatigheden in te ontdekken en zo de toekomst te voorspellen. Nee, hij wilde begrijpen waarom mensen in het verleden handelden zoals ze handelden. Voor Collingwood is alle geschiedenis, geschiedenis van denken, van gedachten. Hoe dat werkt? Collingwood: “De historicus van de filosofie probeert bij het lezen van Plato te weten wat Plato dacht toen hij zichzelf in bepaalde woorden uitdrukte. De enige manier waarop hij dat kan doen, is door het zelf te denken. Dit is in feite wat we bedoelen als we spreken van het ‘begrijpen’ van de woorden. Zo probeert de historicus van de politiek of oorlogvoering die een verslag van bepaalde handelingen van Julius Caesar onder ogen krijgt, deze handeling te begrijpen, dat wil zeggen door te ontdekken welke gedachten in Caesars geest hem ertoe brachten ze te verrichten. Dit houdt in dat hij voor zichzelf de situatie onder ogen ziet waarin Caesar zich bevond en voor zichzelf te denken wat Caesar omtrent de situatie dacht en de mogelijke manieren om zich ermee in te laten. De geschiedenis van gedachten en daarom alle geschiedenis, is de heropvoering van verleden gedachten in de eigen geest van de historicus.1

Alle geschiedenis is de geschiedenis van gedachten en bij het bestuderen van de geschiedenis is het de kunst om te her-denken. Her-denken is daarbij iets anders dan herdenken. Herdenken is gedenken, her-denken is je proberen te verplaatsen in die voorvaderen en proberen te denken wat zij dachten. Her-denken wat de Duitsers dachten toen ze de stadsbrug opbliezen, maar ook her-denken wat de geallieerden dachten toen ze de Venlose binnenstad tot puin bombardeerden. Bij dat her-denken helpt feitelijke informatie. Als je wilt her-denken wat Plato dacht toen hij bepaalde woorden sprak dan is het van belang om te weten wie Plato was en hoe hij in het leven stond. Het is van belang om te weten wie er aanwezig waren toen hij sprak en in welke omstandigheden. Als je wilt weten wat Caesar dacht toen hij de Rubicon overstak, moet je hetzelfde doen. Waar kwam hij vandaan, wie waren er bij hem, wat waren de bijzondere omstandigheden, wat was zijn inschatting dat er allemaal kon gebeuren en wat hoopte hij te bereiken met zijn daad?

Her-denkend wat de dame als kind dacht en voelde toen ze ineens haar neefjes en nichtjes niet meer kon bezoeken. Wat de Duitse man als kleuter dacht en voelde tijdens de bommenregen of toen hij honger leed. Wat de man als baby dacht, her-denken is, denk ik, niet mogelijk, maar her-denken wat zijn vader dacht en voelde daar kan ik wel een goede slag naar slaan. En al doende gaan mijn gedachten onherroepelijk ook uit naar mensen die zich op dit moment in een soortgelijke situatie bevinden. Dan kan ik de Duitse man als kind, of de Venlose man als baby en zijn vader, niet los zien van mensen in Oekraïne, Darfur en ook Gaza en de gegijzelde Israëliërs en hun familie. Dan kan ik de les die het verhaal van de dame leert dat toeval waar je wordt geboren een grote rol speelt, niet los zien van het heden. Dan kan ik de gedachte dat we dit toeval geen grote rol mogen laten spelen, niet van me af zetten.

Door te her-denken tijdens het herdenken kan het niet anders dat ik aan de Oekraïners, de mensen uit Darfur, de Israelische gijzelaars en hun familie en de Gazanen moet denken. Dan kan het niet anders dan dat ik bij hun leed stil sta. Herdenken en gedenken zonder dit te betrekken op het heden, is een zinloze bezigheid. Een zinloze bezigheid waarvan ik, als ik een verzetsheld zou zijn geweest, schande van zou spreken. Immers wat ik niet wil dat mij geschied, moet ook die ander niet geschieden.

1 R.G. Collingwood, The idea of history, pagina  215 (vertaling Van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis. Een inleiding, pagina 147)

Uitgelicht

Soevereiniteit terugwinnen of uitoefenen?

Als de vraag is hoe we de neoliberale wereldorde achter ons kunnen laten, dan is terugwinnen van nationale soevereiniteit inderdaad waar het om draait. Ironisch, omdat veel brexiteers geen benul hadden wat ze met die soevereiniteit wilden. Maar zelfs dan hebben de Britten nu tenminste de democratische mogelijkheid om die soevereiniteit te gebruiken om de noden van burgers te lenigen. Wat meer is dan je van de lidstaten van de EU kunt zeggen.” Woorden van de Duitse socioloog Wolfgang Streeck in een interview dat Ewald Engelen met hem heeft bij De Groene Amsterdammer. Moeten we soevereiniteit terugwinnen?

Volgens Streeck, zo is te lezen: “staan we op een kruispunt. Of we leggen ons neer bij de valse noodzakelijkheden van de neoliberale globalisten en gaan voort op het pad dat naar een wereldregering voert,” of: “we keren terug op onze schreden en leggen ons oor te luisteren bij wijze denkers uit het interbellum, zoals de Hongaars-Oostenrijkse antropoloog Karl Polanyi en de Britse econoom John Maynard Keynes, die snapten dat er geen alternatief bestaat voor de natiestaat en betoogden dat het kapitalisme daaraan moest worden aangepast in plaats van de natiestaat aan het kapitalisme.”

Het betoog van Streeck sluit aan bij The Glabalization Paradox waar politiek econoom Dani Rodrik in zijn gelijknamige boek over schrijft. In dat boek schetst Rodrik ‘The Political Trilemma of the World Economy’ beschrijft de spanning tussen de natiestaat, (hyper)globalisatie en democratie. De economie van landen zijn via de wereldmarkt steeds meer met elkaar verbonden. Handel levert welvaart op en hoe minder kosten ermee zijn gemoeid (handelsbelemmeringen), hoe meer welvaart het oplevert. Daarom worden er diverse vrijhandelsverdragen afgesloten. Hoe meer van dergelijke afspraken en hoe opener een land zich hierin opstelt, hoe aantrekkelijker het is voor bedrijven. Rodrik noemt dit hyperglobalization. Een nieuwe vorm van globalisatie waarbij het managen van de binnenlandse economie ondergeschikt is aan de internationale handel en de kapitaalmarkt. De keerzijde hiervan is dat de welvaart die een gevolg is van deze vrijhandel, scheef wordt verdeeld. De rijkste 1% profiteert, terwijl het grootste deel van de bevolking van een land er de nadelen van ondervindt. Die nadelen zijn minder werk, lagere salarissen, afbrokkelende sociale zekerheid en grotere onzekerheid voor werknemers. Door diezelfde internationale handelsverdragen nemen de mogelijkheden van landen om mensen te beschermen af. Dit terwijl die landen onder democratische druk worden gezet door haar bevolking om die bescherming wel te leveren en aan de andere kant door de multinationals onder druk worden gezet om nog meer belemmeringen weg te nemen. Dit zou opgelost kunnen worden door een democratische wereldregering maar dat is voorlopig een utopie. Dan blijft de natiestaat als enige over om de gewone burger tegen de de zich globaliserende economie te beschermen1. Denkend vanuit de systeemwereld lijkt dat inderdaad de enige oplossing en dan is ‘soevereiniteit terugwinnen’. Dan is bevoegdheden terughalen en barrières opwerpen tegen de ‘boze buitenwereld’ een logische keuze. Dat is de keuze die Trump maakt met zijn tarievenpolitiek. Dat ligt ook aan de basis van het geroep op een ‘Nexit’.

In dezelfde systeemwereld betekenen deze keuzes dat het leven duurder wordt. De markt werkt er minder efficiënt door en dat vertaalt zich in hogere kosten. Dat duurdere leven staat op gespannen voet met het doel waarvoor de ‘soevereiniteit’ wordt teruggewonnen: de bescherming van de burgers. Er wordt soevereiniteit teruggehaald om de burgers uit de gure wind van de globalisatie te halen en dat doe je door ze in de gure wind van stijgende prijzen te zetten. Om die laatste wind af te zwakken, zijn aanvullende maatregelen nodig. Maatregelen die de koek herverdelen van rijk naar arm. Zo raken we van de regen in de drup. Kunnen we op een andere manier ons ‘leven’ terugwinnen opdie neoliberale wereldorde’?

Wat als we het ‘systeemdenken’ laten voor wat het is en naar de mensenwereld kijken? Mensen hebben behoeften. Ze moeten eten en drinken, willen graag veiligheid en zo zijn er nog veel meer. Je kunt er, in navolging van Maslow, piramides van bouwen. De afgelopen vijftig jaar is de markt de manier geworden waar mensen bevrediging voor hun behoeften zoeken. Ze kopen er hun eten en drinken net als energie, kleding en vervoersmogelijkheden. Ze kopen er bijvoorbeeld hun ‘veiligheid’ bij Verisure en ‘gezondheid’ bij Prescan. Overal is een markt van gemaakt en dat heeft ervoor gezorgd dat het bruto binnenlands product stevig is gegroeid. En die groei hebben we nodig om dit allemaal te kunnen blijven betalen.

De markt is echter niet de enige manier voor mensen om in hun behoeften te voorzien. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten beschrijven Hans Achterhuis en Nico Koning 6 manieren om in je behoeften te voorzien. De zes manieren waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Die manieren zijn achtereenvolgens:

1 de individuele productie: dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt.

2 de huishouding: de gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden. Hierbij moeten we het huishouden niet eng opvatten, het huishouden kon bestaan uit het dorp, de clan de groep. Ook de groep die gebruik maakt van de meent (dus de gemene gronden) kan worden gezien als een huishouden.

3 toedeling: de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.

4 schenking: met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. de relatie wordt verzwaard.

5 handel: kenmerk van ruil is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie.

6 roof: de laatste vorm waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwang-arbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof2.

Neoliberalen zien de markt als de enige en ook perfecte manier van toe-eigening of verwerving. Het neoliberalisme ziet de mens als een homo-economicus die via rationele keuzes zijn eigen belang najaagt. Dit doet die mens via de vrije markt waar hij handelt met andere mensen die ook rationeel hun eigen belang najagen. En als we dat maar vrij laten dan wordt in alle wensen voorzien, krijgt ieder zijn deel en hebben we de perfecte samenleving. Helaas blijkt, dat zien we nu dat die ‘perfecte samenleving’ voor het grootste deel van ons, verre van perfect is.

Streeck wil de markt breken door soevereiniteit te ‘nationaliseren’. Door een krachtige nationale overheid die de mogelijkheid heeft om de markt de wil op te leggen. Zou het versterken van de andere manieren waarop we in onze behoeften kunnen voorzien ook een optie kunnen zijn? En dan vooral van de tweede manier, het huishouden maar dan wel het huishouden als groep, dorp of clan of om het in moderne termen te gieten, als gemeenschap. Door nieuwe ‘meenten’, gemeenschappelijke samenwerkingsverbanden in het leven te roepen of door oude weer tot leven te wekken? Nieuwe ‘meenten’ waarmee we ons onafhankelijk maken van de markt en de grote bedrijven die daar de scepter zwaaien. De manier waarop onze voorouders de stroom, gas en watervoorziening vormgaven. Die richtten daarvoor gemeentelijke bedrijven op die ervoor zorgden dat iedereen in de gemeente deze producten tegen dezelfde voorwaarden kreeg. Door bijvoorbeeld energie-, zorg- en voedselcoöperaties op te richten. Door via broodfondsen ons met elkaar te verzekeren tegen tegenslag. Door deze en andere zaken te regelen in corporaties waar alle deelnemers lid van zijn en in mee kunnen beslissen en die corporatie kan ook een gemeente zijn. Door veel meer gemeenschap te worden en minder consument. Door meer wij en minder ik

Door niet de soevereiniteit terugwinnen, maar deze uit te oefenen.

1 Dani Rodrik, The Globalization Paradox. Democracy and the Future of World Economy, pagina 200-205

2 Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten, pagina 406-412.

Uitgelicht

Crypto: second cousin to Harvey the Rabit

‘Alles van waarde is weerloos’. Een regel uit een gedicht van Lucebert. Ik moest eraan denken toen ik in de Volkskrant een artikel van Bram Vermeulen las over ‘crypto-mijnen’ in Ethiopië. In het artikel speelt de uit het Noord-Hollandse Wormeerveer komende Nick Quivooy de hoofdrol. Ik moest aan Lucebert denken en aan het boek Slow Down van de Japanse filosoof Kohei Saito. In dat boek spreekt Saito over het verschil tussen use value, gebruikerswaarde en value de geldelijke waarde van zaken.

Twintig cryptobedrijven uit vier continenten zijn in een zoektocht naar goedkope stroom in Ethiopië neergestreken. Chinezen, Russen, Amerikanen, Venezolanen, Nederlanders. Ze komen in een lange traditie van avonturiers op zoek naar fortuin in Afrika. Moderne David Livingstones. ‘Ethiopië is hot. Trending in de cryptowereld’, zegt Quivooy. ‘We betalen hier nog geen 10 procent van de prijs in Nederland.’ In zijn universum, planeet bitcoin, is goedkope stroom kassa.” Aldus het artikel. En iets verder het contrast: “In Ethiopië heeft de helft van de inwoners geen stroom aan huis.” En: “Twintig miljoen Ethiopiërs hebben dringend voedselhulp nodig, als gevolg van de conflicten binnen en over de grenzen. Miljoenen anderen zijn ontheemd en zitten door het stopzetten van USAID door de regering-Trump ook zonder hulp.”

Maar, aldus Quivooy zichzelf een veer in zijn achterste stekend: “Ik ben wel van mening dat de infrastructuur die we opbouwen juist kan bijdragen aan het aanleggen van stroom. Ook voor de bevolking.”En hij is niet de enige: “Bitcoin: een duurzame oplossing voor minder Amerikaanse ontwikkelingshulp voor Ethiopië.’ Een voormalig Irak-veteraan uit de VS, Robert Luft, neemt het woord. ‘We zijn ons er allemaal van bewust dat de ontwikkelingshulp uit rijke landen wordt gestopt. Bitcoin kan een katalysator zijn, een kans voor Ethiopië en andere Afrikaanse landen om hun natuurlijke bronnen in geld om te zetten. Dit moet gebeuren. Dit is het moment voor bitcoin.’”

Use value, gebruikswaarde, zo spreekt Saito Karl Marx na: ‘”Indicates the quality in something – for example, air or water- that satisfies a human need of desire.” Wat is de gebruikswaarde van crypto’s zoals de bitcoin? Ik kan het niet eten of drinken. Ik kan er geen huis mee bouwen. Ik kan me er niet aan warmen. Ik kan me geen probleem voorstellen waarvoor het een oplossing is. Het is, zo lees ik ook in het artikel: “een geloof, een ideologie.” En net zoals alle geloven is het, om de al genoemde Marx aan te halen, opium van het volk. Het is iets dat de mens zelf heeft gecreëerd. Maar daar waar een geloof tot doel heeft de mens in een roes te brengen om het aardse leven draaglijk te maken of om Marx te parafraseren, om de ‘arbeidersklasse dom te houden zodat ze zich makkelijk laat uitbuiten’, zie ik niet dat de crypto een dergelijke capaciteit heeft. Zelfs al betaalmiddel is het uiterst gemankeerd. Daar waar de Euro ook een fysieke vorm heeft die je in je ‘overlevingspakket’ kunt stoppen om drie dagen te overleven, zoals het huidige kabinet ons adviseert, lukt dat met een bitcoin niet. Bij stroomuitval, zoals recent in Spanje en Portugal, heb je niets aan je ‘crypto -wallet’. Crypto’s: “don’t exist outside a market economy,” ze worden alleen: “Measured in money. They’re based on calculating the ‘value’ of commodities,”om Sato beschrijving van value aan te halen1. Bitcoin is: “a phantom, an apperition. Second cousin to Harvey the Rabbit,” om een quote van Andy Dufresne gespeeld door Tim Robbins uit de film The Shawshank Redemption, aan te halen.

Maar die achterneef van Harvey het konijn verbruikte in 2023: “volgens de Cambridge Bitcoin Electricity Consumption Index (CBECI) tussen de 80 en 120 TWh (terawattuur) doorheen. Dat is omgerekend maximaal 120 miljoen kWh. Vergelijkbaar met wat ons eigen landje of een land als Argentinië in een heel jaar verbruikt aan elektriciteit!2En dat is een: “een doelbewuste ontwerpkeuze. Het is een feature, niet een bug,” zo is te lezen op de site Bitcoin.nl. Die elektriciteit is nodig om ingewikkelde puzzels op te lossen. Die elektriciteit kan ook voor iets met nut, met use value, gebruikt worden. In het geval van Ethiopië bijvoorbeeld de helft van de bevolking die nog niet op het elektriciteitsnet is aangesloten ermee van stroom voorzien, zodat ze op stroom kunnen koken en niet meer op hout.

Maar dat niet alleen. Om die puzzels op te kunnen lossen zijn computers nodig. In het geval van Quivooy: “de veertienhonderd computers die onder een dak van golfplaten staan te puffen in een walm van warme lucht.”In die computers zitten kostbare grondstoffen verwerkt zoals goud, platina en palladium. Computers en dus ook grondstoffen die ook voor iets anders dan het oplossen van puzzeltjes, iets met nut of use value gebruikt kunnen worden.

Bitcoin is geen ‘katalysator’ en ook geen ‘kans’ voor Ethiopië, noch voor enig ander land. Het is een zeer kostbaar en energieverslindend speeltje ter bevrediging van een ‘kriebel’ van een enkeling. Het is nog minder dan die containers vol met ‘hebbedingetjes’ die Ali-express en al die andere Chinese webwinkels, deze kant op sturen omdat wij heel graag in een paar tellen onze ‘shopbehoefte’ willen bevredigen. Minder omdat je die ‘hebbedingetjes’ tenminste nog even vast kunt houden. Even, voordat ze van ellende uiteen vallen. Net zoals met die containers met hebbedingetjes’ zijn crypto munten zoals bitcoin iets waar we als mensheid snel mee moeten stoppen. Het levert niets op. Het levert ‘value’ zonder ‘use’ voor enkelen op tegen zeer grote kosten. Een goed elektriciteitsnetwerk aanleggen in Ethiopië kan veel beter zonder de verspillende crypto mijnbouw.

1Kohei Saito, Slow Down. How Degrowth Communism Can Save the Earth, pagina 157

2Bron: https://www.anwb.nl/energie/energieverbruik/hoeveel-stroom-verbruikt-bitcoins-minen

Uitgelicht

Het Russische gevaar

Ondanks dat de oorlog in onze voortuin volop gaande is, willen we de verdediging niet in onze achtertuin,”aldus Tom Lash in een artikel bij De Correspondent. Lash maakt zich zorgen over de vele bezwaren en beren op de weg naar een sterk leger. “Het gaat niet om netjes. Het gaat om snel.” Zo eindigt hij zijn betoog. Want: “Wil Europa zelf ook nog iets te zeggen hebben, dan moeten we ook op militair gebied op eigen benen kunnen staan. Om dat voor elkaar te krijgen moeten we in Nederland echt anders gaan kijken naar hoeveel we bereid zijn op te offeren voor onze eigen veiligheid. Dat hoeven geen Noord-Koreaanse toestanden te worden, maar iets minder polder, en iets meer loopgraaf, kan geen kwaad.” En snel betekent dat ‘heilige huisjes’ soms wat minder ‘heilig’ zijn. Dat gaat mij toch iets te snel.

Het klopt, zoals Lash schrijft dat het gros van de politieke partijen aan boord is voor een groter leger. Zelfs de Partij voor de Dieren. En ik ben ook aan boord voor een Europa, of beter gezegd een Europese Unie, die militair op eigen benen staat. En ja: “Terwijl in het oosten een gevaarlijke gek een land platwalst,” zit er, “in het westen een gevaarlijke gek (die) betwijfelt of hij nog zin heeft ons te helpen.” Dat vraagt om actie, maar dan wel de juiste actie. Die juiste actie moet beginnen met een goede analyse van de bedreigingen. Die goede analyse begint niet met het roepen dat er 3, 4 of 5% van het bruto binnenlands product aan defensie uitgegeven moet worden. Dat een secretaris generaal van de NAVO of een president van de Verenigde Staten dat roept, wil niet zeggen dat het moet. Geld moet niet het beginpunt zijn maar het sluitstuk. Door met geld te beginnen, kunnen we, in de huidige constellatie met private wapenfabrikanten, minder kopen voor dat geld.

De Charge of the Light Brigade. Een aanval van de Britse lichte cavalerie op de Russische troepen tijdens de Slag om Balaclava (Krimoorlog van 1854). De Britse dichted Alfred, Lord Tennyson schreef hier een beroemd gedicht over dat hier te lezen is: https://www.poetryfoundation.org/poems/45319/the-charge-of-the-light-brigade.

Die analyse begint met het in kaart brengen van de bedreigingen en het beoordelen hoe groot die bedreiging is. Wat zien we dan? Dan zien we die ‘gevaarlijke gek’ in het oosten die een land platwalst. Bij een goede analyse laat je waardeoordelen en dus in dit geval ‘gevaarlijke gek’ om Poetin te beschrijven, achterwege en probeer je je in te leven in het denken van de ander. Waarom handelt en spreekt de ander op die manier? Poetin en de rest van het Russische leiderschap is daar al jaren erg duidelijk in. Hij ziet dat een mondiale tegenstrever de grenzen van zijn land steeds dichter nadert. Die tegenstrever zit in zijn ‘achtertuin’ te ‘stoken en te spelen’. De NAVO en daarmee de Verenigde Staten staan op plekken aan de Russische grens en sluiten Rusland langzaam in. Dat een dergelijke manier van denken niet vreemd is, laat de Amerikaanse president Trump nu zien met zijn uitspraken over Panama, Canada en Groenland. Die horen in de ogen van Trump tot de invloedssfeer van de Verenigde Staten. Trump is hierin niet de eerste Amerikaanse president die zo denkt. Menig Midden- en Zuid-Amerikaans land kan getuigen van wat het betekent om in de Amerikaanse invloedssfeer te liggen. Het land Panama is bijvoorbeeld een resultaat van die bemoeienis door de VS want die zorgde ervoor dat het werd afgesplitst van Colombia. Maar denk ook aan Cuba en de rakettencrisis, de staatsgreep tegen Allende in Chili, het steunen van de Contra’s in Nicaragua in de jaren tachtig, de invasie van Grenada. Dit alles gaat terug op de Monroedoctrine van 1823 toen president Monroe elke vorm van Europese bemoeienis op het westelijk halfrond taboe verklaarde in de pas kort onafhankelijke naties in Zuid-Amerika. Taboe voor iedereen dus, behalve voor de Verenigde Staten.

‘Maar’, kun je nu tegenwerpen, ‘de mensen in die landen willen bij de NAVO want ze zijn bang voor de Russen en de geschiedenis geeft hen gelijk. Bovendien is de NAVO een verdedigend bondgenootschap.’ En dat is bijna allemaal feitelijk juist, maar niet de hele werkelijkheid. Het enige wat feitelijk discutabel is, is het verdedigende karakter van de NAVO. Daartoe is de NAVO inderdaad opgericht maar voor het eerst in 1992, in voormalig Joegoslavië deed de organisatie meer dan alleen verdedigen. Het bemoeide zich met een oorlog in een land dat geen van de leden van de organisatie had aangevallen. In 1999 herhaalde de organisatie dit met de oorlog met Servië en daar bleef het niet bij. Vanaf 2009 jaagt de organisatie op piraten bij de Hoorn van Afrika en in 2011 werd Libië gebombardeerd en Gadaffi verdreven. Dan naar niet de hele werkelijkheid. De geschiedenis laat inderdaad zien dat Rusland en vooral haar voorlopers, de Sovjet Unie en Tsaristisch Rusland, expansionistisch gedrag vertoonde. Wat de geschiedenis ook laat zien, is dat Rusland niet het enige land is dat dergelijk gedrag vertoonde. Als we ons beperken tot de afgelopen 250 jaar, dan kregen de Russen verschillende keren onverwacht bezoek vanuit het Westen. In 1812 kwam Napoleon op bezoek. Tussen 1853 en 1856 (de Krimoorlog) bemoeiden vooral de Fransen en Britten zich met een conflict tussen Tsaristisch Rusland en het Ottomaanse Rijk dit in een poging om te voorkomen dat de Russen de Middellandse zee zouden bereiken en daarmee een gevaar zouden vormen voor de Franse en met name de Britse imperiale aspiraties. In 1914 de As-mogendheden maar vooral het Duitse keizerrijk en de navolger van dat keizerrijk, nazi-Duitsland kwam in 1941 nogmaals op bezoek. Dit behoort ook tot de werkelijkheid. Net zoals het ook tot de ‘werkelijkheid’ behoorde dat de Chilenen in meerderheid op Allende hadden gestemd en niet op Pinochet. De werkelijkheid kan van meerdere zijden worden bekeken en vooral beoordeeld. Bij een goede analyse moet met al die zijden rekening worden gehouden en moeten ze allemaal als even ‘werkelijk’ worden beoordeeld.

Dan het ‘platwalsen’. Die Russische wals staat al zo’n twee jaar met een vastgelopen motor op de plaats te ronken. Het leger van die ‘gevaarlijke gek’ verbruikt meer wapens dan het land kan produceren en gebruikt ‘oude’ spullen om de gaten te vullen. En ook die ‘oude’ spullen raken op, net als de mankracht om te vechten. Hoe reëel is onze vrees? Bezien vanuit Nederland is die vrees niet reëel. De kans op een ‘Rus in de keuken’ om het laatste deel van de slogan waarmee de komst van kernbommen naar Nederland door de voorstanders werd verdedigd, is heel klein. Behalve wellicht als vluchteling voor het regime van Poetin. Voor een inwoner van een klein land als Letland dat grenst aan Rusland, is die kans veel groter. Voor een Pool, al zal die er emotioneel anders over denken, is die kans redelijk klein. Voor een inwoner van de Europese Unie, als die Unie zich niet uit elkaar laat spelen, is die kans iets groter dan voor een Nederlander. Iets groter maar niet zoveel. De EU heeft ongeveer 450 miljoen inwoners en dat aantal neemt nog ieder jaar toe. Rusland heeft er 145 miljoen en dat worden er ieder jaar minder. De Purchasing Power Parity bruto binnenlands product van de EU landen is bijna vier keer zo groot.

Nu zegt dat niet alles. Rusland heeft nu meer soldaten en vooral kernwapens dan de EU. Maar dan toch even voor het perspectief. 20 maart 2003, de zon stond op het punt om de Evenaar te passeren en de lente aan te kondigen op hetzelfde noordelijk halfrond. Op die dag zetten bijna 310.000 soldaten zich in beweging om Irak binnen te vallen om Saddam Hoessein uit het zadel te wippen. Operatie Iraqi Freedom lukte, een kleine twintig dagen later, op 9 april 2003, viel Bagdad in handen van de onder Amerikaanse leiding staande troepen. Dat betekende echter niet dat de strijd was gestreden. Het bezette gebied moest worden gecontroleerd en beheerst. Dat vergde tussen de 100.000 en 176.000 Amerikaanse troepen aangevuld met meer dan miljoen agenten en soldaten van Iraakse origine. Dat bleek een opdracht van een andere orde. Een orde waar we, en vooral de inwoners van Irak, nu nog steeds de gevolgen van ondervinden. Die liep uit op een mislukking net zoals in Vietnam en in Afghanistan. Met dat laatste land delen de Verenigde Staten en Sovjet Unie die ervaring. Mochten de Russen de Oekraïners werkelijk verslaan, dan is de kans zeer groot dat de bezetting hen de nek omdraait. De kans op een Russische winst op de gezamenlijke EU landen is zeer klein en mocht dat toch gebeuren dan zal bezetting onmogelijk blijken.

Betekent dit dat we achterover kunnen leunen alsof er niets aan de hand is? Vanuit Nederlands of Spaans perspectief zou dat kunnen. Vanuit Ests perspectief is dat een groot risico. Als je het puur militair bekijkt tenminste. Maar er is meer en daarvoor richten we ons op die ‘gevaarlijke gek’ in het westen. Ook hier moeten we voor een goede analyse de waardeoordelen opzij zetten. Dan zien we een land dat tot voor kort de enige werkelijke supermacht van de wereld was, dat zich ook zo gedroeg. Alleen is de economische en militaire macht van dit land tanende. De kosten van haar militaire apparaat zijn enorm. Daar heeft het land zelf voor gekozen. Het heeft er zelf gekozen om een keur aan militaire bases over de wereld te hebben, ook in Europa. Dat deed het land niet om ons een plezier te doen, al wordt dat nu wel zo verkocht. Dat deden de VS omdat ze overal invloed wilden. Het is het goed recht van de VS om daar een einde aan te maken en zich uit landen terug te trekken en bases op te geven. Als de landen waaruit wordt teruggetrokken zich dan ‘te zwak’ vinden, dan moeten die landen daar zelf naar handelen en zich versterken. Daarbij is het voor de landen van de EU slim en verstandig om die gaten gezamenlijk op te vullen. Zo lijkt me het ontwikkelen van een satelliet informatiesysteem iets wat we beter één keer goed kunnen doen dan 27 keer een beetje. Voor tanks en schepen geldt hetzelfde. Militair hoeven we, als we als EU landen onze samenwerking uitbreiden naar het militaire gebied, Rusland niet te vrezen. In samenwerking kunnen we veel meer bereiken met de bestaande middelen en menskracht. En met iets meer middelen en menskracht maakt Rusland geen schijn van kans meer. Zeker niet als we die middelen besteden aan een sterke Europese defensie industrie. En zeker als we de ‘markt’ uit die industrie halen.

Uitgelicht

It takes a village

“Dit is een terugkerend patroon. Gemeenten beloven hervormingen en accepteren dat daardoor geld bespaard kan worden, maar als puntje bij paaltje komt keren ze zich tegen de bezuinigingen en eisen ze meer geld.” Dit schrijft Wim Groot in een artikel bij Wynia’s Week. Zo, daar kunnen de gemeenten het mee doen. Dat, en het verwijt dat ze: sinds ze in 2015 verantwoordelijk werden voor de Jeugdhulp: “de sluizen open zetten voor het beroep op de jeugdzorg.” Een bijzonder betoog.

Een bijzonder betoog om meerdere redenen. Als eerst adviseert Groot: “leg het rapport van de commissie-Van Ark in een diepe la en stel een commissie van echte deskundigen in om advies te geven over de aanpak van de problemen in de jeugdzorg.” Dat advies moet in de la want: “Wat opvalt aan de leden van de deskundigencommissie is dat het geen experts zijn op het terrein van de jeugdzorg. Naast voormalig zorgminister Van Ark zitten in de commissie twee topambtenaren van Financiën en Onderwijs, een voormalig commissaris van de Koning en een directeur van een onderzoeksinstituut.”Zo adviseert een … hoogleraar economie.

bron: Flickr

Een tweede bijzonderheid is dat Groot, om het met enige overdrijving te zeggen, suggereert dat de wereld pas sinds 1 januari 2015 bestaat. “Sinds in 2015 de gemeenten verantwoordelijk werden voor de jeugdzorg, zijn het gebruik en de kosten explosief toegenomen. Tussen 2015 en 2022 is het aantal jongeren in de jeugdzorg met een kwart gestegen. De kosten stegen zelfs met 81 procent. In 2022 werd ruim 6,5 miljard euro uitgegeven aan jeugdzorg.” Vandaar Groots ‘constatering’ dat de gemeente de sluizen hebben opengezet. Gemeenten hebben er, zo betoogt Groot, een puinhoop van gemaakt.

Dan even voor Groot. Laten we eens ruim vijftien jaar teruggaan in de tijd, naar 2010. Vijf jaar vóór de decentralisatie waarnaar Groot verwijst. Dat prachtige jaar waarin ‘we’ bijna wereldkampioen werden. Bijna, want na een prachtige pass van de op dat moment in topvorm zijnde Wesley Snijder, stoof Arjen Robben op het Spaanse doel af. Helaas voor ‘ons’ zat ‘de teen van Casillas’ er nog tussen. Dat was ook het jaar dat de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg verslag uitbracht. “De werkgroep constateert dat de afgelopen jaren sprake is van een gestage toename van de vraag naar jeugdzorg. Hiervoor worden verschillende oorzaken genoemd, die niet allemaal even volledig, betrouwbaar en wetenschappelijk onderbouwd zijn. Voor de goede orde: onder jeugdzorg verstaat de werkgroep in beginsel de zorg die boven preventie uitstijgt, en meer is dan een eenvoudig advies of lichte opvoedondersteuning. De werkgroep vindt de toename van de vraag een zorgelijke ontwikkeling. Daarom vindt zij het van belang om inzicht in de oorzaken van de groei te vergroten, zodat gerichte maatregelen mogelijk zijn.” Zo is te lezen in het rapport van deze commissie. Het beroep op de jeugdhulp steeg ook voor 2015. Dat was juist een van de redenen achter de decentralisatie.

Dat, en opvatting van die Werkgroep: “dat het voorkomen van dreigende ernstige gedragsproblematiek en vroegtijdige interventie bij bestaande ontwikkelingsstoornissen de kansen van kinderen op maatschappelijke participatie in de toekomst sterk kan vergroten. De kern van veel problemen op latere leeftijd dienen zich immers aan in de eerste levensjaren. Problemen worden op dat moment nog te vaak niet of te laat onderkend.” De oplossing: zo vroeg mogelijk signaleren en helpen om ellende later te voorkomen. Maar wat gebeurt er als je ‘vroeg gaat signaleren’? Dan vind je zaken die totproblemen kunnen leiden. Kunnen leiden maar dat is geen wetmatigheid. Problemen kunnen ook ‘vanzelf’ overgaan of kinderen en ouders vinden hun eigen weg om ermee om te gaan. Door het vroege signaleren ontvangen bijna al die kinderen nu een of andere manier van jeugdhulp. Bovendien vinden ze er nog veel meer want, zo constateerde de Werkgroep in 2010: “Er bestaat een lagere acceptatie bij zowel de burger als de samenleving van afwijkend gedrag” Gevolg is dan dat er bij elke afwijking wordt ingegrepen om te voorkomen dat er later ‘ellende ontstaat ook al is de kans dat die ellende optreedt, beperkt. Zo ontstaat langzaam ‘a perfect storm’ of beter gezegd een wicked problem: “een probleem dat moeilijk of onmogelijk oplosbaar is door onvolledige, tegenstrijdige en veranderende voorwaarden voor probleemoplossing die veelal moeilijk te identificeren zijn. Vanwege de interdependenties (samenhang) kan een poging tot oplossing van een deel van een ongestructureerd probleem resulteren in andere problemen,” zoals Wikipedia het omschrijft.

Dat het een wicked problem is, wordt duidelijk als we nog wat verder teruggaan in de tijd, naar 2005. Toen werd de voorganger van de huidige Jeugdwet 2015 aangenomen, de Wet op de jeugdzorg. Een wet die er lang over deed om uiteindelijk wet te worden, want het wetsvoorstel werd in 2001 ingediend. Die wet was nodig, zo is te lezen in de memorie van toelichting omdat de toen geldende wet, de Wet op de jeugdhulpverlening van 1989, onvoldoende: “mogelijkheden voor een eenduidige aansturing en financiering,” bood. “Ter bevordering van de samenhang op uitvoeringsniveau geeft de Wet op de jeugdhulpverlening regels omtrent de samenwerking tussen uitvoerders van voorzieningen,” aldus de memorie van toelichting. Toen mankeerde er dus ook al wat aan de samenwerking. De wet moest invulling geven aan vier doelstellingen: “het versterken van de voorliggende voorzieningen, de totstandkoming van één centrale herkenbare, bekende, laagdrempelige toegang tot de jeugdzorg, zijnde het bureau jeugdzorg, de totstandkoming van een passend en samenhangend zorgaanbod en het versterken van de positie van de cliënt.” Het was aan de provincies om het Bureau Jeugdzorg vorm te geven. De ‘toestanden’ waaraan de Wet op de jeugdzorg een einde moest maken, waren dezelfde die de Kamer-werkgroep in 2010 beschreef en die nu nog steeds bestaan. Naast die bureaus jeugdzorg werden in 2007, op aandringen van minister Rouwvoet ook nog de Centra voor Jeugd en Gezin toegevoegd.

Nu waren de provincies al langer verantwoordelijk voor een deel van de jeugdzorg. Namelijk sinds in 1989 de al eerder genoemde Wet op de jeugdhulpverlening in werking trad. Die wet moest een einde maken aan de sterk verzuilde en verkokerde jeugdhulpverlening. Die ‘sterke verzuiling en verkokering’ werd in de jaren zeventig geconstateerd. En een Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnswerk adviseerde in 1976 om de jeugdhulp ‘regionaal en in samenhang’ te organiseren. Dit advies werd niet meteen door de regering overgenomen. Twee nieuwe werkgroepen moesten verder onderzoek doen. Die werkgroepen namen er hun tijd voor en in 1984 publiceerden zij hun bevindingen. En wat adviseerden de werkgroepen: hulp moet zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm1. Drie keer ‘zo’ maar eigenlijk vijf, want ook zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Dit leidde uiteindelijk tot die Wet op de jeugdhulpverlening van 1989.

En daarmee is de cirkel rond. De ‘5 keer zo’ van 1984 werden dertig jaar later verwerkt in de volgende uitgangspunten voor het inrichten van de jeugdhulp. Normaliseren: problemen met opvoeden en opgroeien horen erbij en daarbij hulp en ondersteuning vragen en krijgen is normaal. Je helpt elkaar en als je er samen niet uitkomt, dan komt iemand je helpen met specifieke kennis en vaardigheden. Dichtbij: hulp moet dichtbij zijn. Ont-bureaucratiseren: een hulpverlener is er om hulp te verlenen en niet om lijstjes in te vullen. Alleen dat wat voor zijn werk nodig is, wordt bijgehouden. Eigenkracht: vertrouw en versterk de kracht van kind en opvoeder. En als laatste vertrouwen in de professional. Al enkele decennia wordt hetzelfde geconstateerd , wordt de verantwoordelijkheid steeds bij een andere overheid neergelegd en worden er nieuwe instituten toegevoegd om dezelfde problemen op te lossen. Nieuwe toegevoegd terwijl de oude gewoon blijven bestaan.

Volgens Groot schuift de door hem bekritiseerde commissie-Van Ark zaken weg: “Zo zegt de commissie dat de oplossing voor de grote vraag naar jeugdhulp vooral buiten de jeugdzorg ligt: in het gezin, op school en in de samenleving. De rol die gemeenten en jeugdzorgaanbieders hierbij hebben, wordt door de commissie voor het gemak maar vergeten. Gezin, school en samenleving waren er ook al vóór de gemeenten de jeugdzorg gingen uitvoeren en het gebruik en kosten de pan uit gingen rijzen.” Wat het probleem nog meer ‘wicked’ maakt, is dat de commissie-Van Ark hier de spijker op z’n kop slaat. De oorzaak van problemen met jeugdigen zijn niet altijd en zelfs vaak niet problemen van de jeugdigen. Hierdoor is jeugdhulp dus ook niet de meest passende oplossing. Ja, gezin, school en samenleving waren ook al voor 2015 een probleem, zoals ik in de historische beschouwing hierboven beschreef. Dat probleem werd met de decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten niet opgelost. De invloed van gemeenten op het beleid van scholen was en bleef beperkt. Ja, beleid moet wederzijds worden besproken in een OOGO, een Op Overeenstemming Gericht Overleg. En nee, dat betekent niet dat ‘overeenstemming’ het eindresultaat moet zijn. Als er maar ‘overlegt’ is. Zo groot is die rol van gemeenten en vooral van jeugdzorgaanbieders niet.

Dat is echter klein bier vergeleken met het grootste probleem. Het grootste probleem heeft te maken met onze samenleving. Niet alleen het aantal jeugdigen dat jeugdhulp krijgt neemt toe. Ook het aantal volwassenen met een burn-out of soortgelijke klachten. Net zoals het aantal volwassenen met geestelijke problemen dat een beroep doet op de geestelijke gezondheidszorg of alternatieve varianten. Het aantal mensen dat zich eenzaam voelt. Weer even terug in de geschiedenis, naar de Memorie van toelichting bij de Jeugdwet 2015. Daarin is het volgende te lezen: “Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen.” Of, om een naar het schijnt Afrikaans gezegde aan te halen: It takes a village to raise a child. Het grootste probleem wordt in de zin erna aangestipt. Die luidt: Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap.Het ultieme doel is dat iedereen het zelf rooit. Dat je van niemand afhankelijk bent. Waar dit toe leidt, tekent zich duidelijk af: een land vol met ‘villages’ zonder ‘villages’. Een land vol ‘dorpen’ zonder gemeenschap. Dorpen waar al die ‘economisch onafhankelijke’ individuen wonen en vooral fulltime werken en waar ze na het werk consumeren en aan ‘zichzelf’ werken. Waar naast elkaar wordt gewerkt en geleefd en waar bij moeilijkheden, problemen en onenigheid naar de overheid wordt gekeken want: ‘daar betalen we immers belasting voor.’

Zolang we de basis van onze samenleving en het democratisch burgerschap bouwen op economische zelfstandigheid van eenieder en daarmee individualisme stimuleren, zal de oorzaak van de toegenomen vraag naar jeugdhulp niet worden aangepakt. Ja, we moeten investeren in positieve opvoeding, talentontwikkeling en een succesvolle schoolloopbaan. Maar dan wel zodat onze kinderen een plek vinden in onze samenleving. Een plek waar ze worden gewaardeerd om wat ze voor anderen betekenen en wat ze bijdragen aan de samenleving als geheel. Die plek is meer, veel meer, dan een betaalde baan en belasting betalen.

1 https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_jz/details_verwant.php?cps=2&verwant=251

Uitgelicht

Weer wereldkampioen worden

“Nederland was ooit de wereldkampioen in weg- en waterbouw dankzij de Zuiderzee- en Deltawerken.” Dit schrijft Peter de Waard in een column in de Volkskrant. “Maar die glorietijd is allang voorbij,” Zo kreeg: “ProRail geen enkele inschrijving (…) op de aanbesteding van de vernieuwing van de economisch zo belangrijke Betuweroute. Aannemers vinden het spoorproject te complex en te risicovol. De enige oplossing is het project nu maar in stukjes op te knippen en die allemaal apart uit te gaan besteden.”De oorzaak: “Overheden werden steeds handiger in het tegen elkaar uit spelen van aannemers bij aanbestedingen. Nu haken ze massaal af.” Zou dat werkelijk te oorzaak zijn?

De Oosterschelde dam. Bron: Flickr

Even een stukje geschiedenis. Net zoals we de burgerlijke stand aan Napoleon te danken hebben, is ook Rijkswaterstaat een product van de ‘kleine keizer’. In 1798, toen Lodewijk Napoleon, de jongere broer van Napoleon, koning van Nederland was, richtte hij het Bureau voor de Waterstaat op. Dit bureau kreeg als belangrijkste taken de aanleg, beheer en onderhoud van rivieren, kanalen, waterkeringen en polders. Die naam bleef bestaan tot 1848 toen de organisatie werd hernoemd tot Rijkswaterstaat. Die taak werd in de loop van de negentiende eeuw uitgebreid tot het ontwikkelen van het spoornet en de aanleg en het onderhoud van wegen en bruggen. Tussen 1820 en 1880 was de organisatie zelfs Rijksbouwmeester en dus verantwoordelijk voor het ontwerpen van overheidsgebouwen en andere gebouwen met een openbare functie.

Dat Nederland ‘wereldkampioen in weg- en waterbouw’ was, zoals De Waard schrijft, was de verdienste van Rijkswaterstaat. De dienst was het kenniscentrum voor weg- en waterbouw. De organisatie was, zoals ze het zelf schrijven: “allesbepalend in infrastructurele werken.” Dat is de organisatie allang niet meer want vanaf de jaren zeventig verandert de rol van de organisatie van: “van bouwer naar beheerder en van maker naar manager.” Dat houdt in dat: “De regie van een project, zoals het aanleggen of onderhouden van een weg of viaduct, (…) in handen (blijft) van Rijkswaterstaat. De uitvoering daarentegen is zo veel mogelijk in handen van de markt.1

Gevolg hiervan is dat de organisatie geen kenniscentrum meer is en de kennis is vervlogen. Die is nu versnipperd over architectenbureaus, bureaus van bouwkundigen, aannemers en andere bedrijven die hier een rol in spelen. En aangezien deze bedrijven zich ook beperken tot hun ‘kerntaken’ zijn dat veel verschillende organisaties tot en met zzp-ers en uitzendbureaus voor goedkoop personeel toe.

De Waard: “Als zich maar één gegadigde meldt is dat slecht voor de concurrentie en innovatie. En als niemand zich meer meldt, zal moeten worden uitgeweken naar het buitenland, met het risico dat Nederland zijn kennis op het gebied van weg- en waterbouw kwijtraakt. Bouwbedrijven zouden de durf moeten tonen zich in te schrijven bij aanbestedingen. En overheden moeten beseffen dat in de uiteindelijke prijs ook de risico’s zijn ingecalculeerd.”Of zou het helpen om Rijkswaterstaat weer tot dat kennisinstituut te maken en van beheerder en manager weer bouwer en maker? In het verleden werkte dat heel goed en was Nederland ‘wereldkampioen’.

1 Alle informatie over de geschiedenis en het heden van Rijkswaterstaat is afkomstig van de site van de organisatie https://www.rijkswaterstaat.nl/over-ons/onze-organisatie/onze-historie

Uitgelicht

Het oog op de bal

Deskundig gelul of gelul van een deskundige? Die vraag stelde ik me toen ik hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans bij BarLaat het volgende hoorde zeggen over het vonnis dat de Franse politica Marine Le Pen trof:Hier komen dus de rechter en de democratie tegenover elkaar te staan en je wilt de ruimte zo open mogelijk houden voor het publieke debat. Iedereen moet zich kandidaat kunnen stellen want de kiezer moet als rechter optreden en niet de rechter.1Ik viel van mij stoel.

bron: Flickr

De rechter en de democratie tegenover elkaar? Ik dacht het niet. Democratie en rechtsstaat botsen hier niet. Stel ze had een moord gepleegd. Is het dan ook aan de kiezer om hierover te oordelen? Als politici de wet overtreden, en dat deed Le Pen volgens de Franse rechter, dan moeten ze gestraft worden net als iedere andere burger. Voor het vervolgen van misdrijven hebben we in Nederland het openbaar Ministerie en in Frankrijk het Bureau du Procureur. Die klagen namens de staat aan en vervolgens is het in Frankrijk net als in Nederland aan de rechter om een uitspraak te doen. Als de wetgever ontzegging van het passief en/of kiesrecht onderdeel van die straf heeft gemaakt, dan kan de rechter dit als straf opleggen. Stel ze had een moord gepleegd op. Als de procedure Voermans gevolgd zou zijn, dan zou er een snaar zijn geraakt. Namelijk een rechtsstatelijke en grondwettelijke. Dan zouden voor politici andere regels gelden dan voor iedere andere burger. Dan betekent populariteit onschendbaarheid. Dat lijkt me niet de kant die we op moeten.

Toen ik weer op was gekrabbeld viel ik stijl achterover toen ik op LinkedIn een post van de faculteit Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit van Leiden zag. Een post waarin Voermans uitspraken zonder commentaar en kritische kanttekening worden aangehaald. Bijzonder!

Enigszins hersteld van die val achterover las ik het Commentaar van Peter Giesen in de Volkskrant. Terecht constateert hij dat: “ Het (…) de rol van de rechter (is) om wetten toe te passen, niet om aan politiek te doen. Als een scheidsrechter van een voetbalwedstrijd in de tweede minuut een zware overtreding constateert, zal hij de rode kaart moeten trekken, ook al beïnvloedt hij daarmee het verloop van de wedstrijd.” Bijzonder in zijn betoog is dan weer dat hij het discutabel vindt dat: “Le Pen is uitgesloten op basis van het oordeel van één rechter, wiens oordeel in hoger beroep ongedaan kan worden gemaakt.” Dit is niet discutabel. Daar is die rechter voor aangenomen en de wetgever heeft dat zo bepaald. En ja, in hoger beroep kan er anders worden besloten. Als dat gebeurt, dan is dat de nieuwe situatie en moeten we van daaruit verder. Daarop vooruitlopen heeft geen zin want het zou net zo goed kunnen dat de rechters in hoger beroep het vonnis bekrachtigen of zelfs nog zwaarder straffen.

Het zijn bijzondere tijden. Tijden waarin het lastig is om het oog op de bal te houden. Zelfs voor mensen wiens werk het is.

1 Vanaf ongeveer minuut 14.54.

Uitgelicht

Von Kreyfelts’ stropop

“Dus laten we stoppen met het heilige aura rond ‘de pers’ alsof die vanzelfsprekend boven alle kritiek verheven is. Journalisten zijn geen priesters. En wie de vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt zolang het uit zijn eigen kring komt, is niet voor vrijheid, maar voor controle.” aldus Max von Kreyfelt in een artikel op LinkedIn. Bij het lezen van het artikel moest ik denken aan een stropop en dat schreef ik er ook onder. Een stropopredenering of stropop is een manier van redeneren waarbij je niet het werkelijke standpunt van je tegenstander weerlegt, maar een karikaturale variant ervan. Het is een drogredenering, een redenering die niet correct is maar wel aannemelijk lijkt.

bron: Flickr

Volgens Von Kreyfelt, zo begint hij zijn artikel, is: “Vrijheid van meningsuiting is geen persvrijheid—en het wordt tijd dat we dat hardop zeggen.” Volgens Von Kreyfelt leidt dit: “tot een hardnekkige verwarring in het publieke debat.” En dat is dat : “vrijheid van meningsuiting (…) hetzelfde als persvrijheid,” is. Vrijheid van meningsuiting is er voor iedereen en dat is, volgens Von Kreyfelt: “het fundamentele recht om iets te vinden, iets te zeggen, te choqueren, te verwarren, te confronteren. Zonder voorafgaande toestemming, zonder angst voor vervolging.” Deze definitie is correct op de woorden ‘zonder angst voor vervolging’ na. Persvrijheid is zo betoogt Von Kreyfelt: “een professioneel privilege: de ruimte voor journalisten en mediakanalen om te publiceren zonder staatsinmenging, zonder censuur, zonder dreiging. Het is een noodzakelijke pijler onder een gezonde democratie.” En hij vervolgt: “Maar het is géén schild tegen kritiek, géén vrijbrief voor misleiding, en zéker geen eigendomsrecht op de waarheid.”

Dit lijkt het een feitelijk verhaal. Artikel 6 eerste lid van onze Grondwet stelt dat: “Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren,” en lid 2 en 3 verbreden dit tot alle mogelijke middelen waarmee je je gedachten of gevoelens kunt openbaren. Het eerste lid gaat echter nog verder: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Door deze toevoeging kun je wel worden vervolgd voor de gedachten of gevoelens die je uit. Welke geuite gedachten of gevoelens strafbaar zijn, wordt geregeld in het Wetboek van strafrecht. Zo zijn smaad, laster en het oproepen tot geweld strafbaar. Het wordt je niet vooraf verboden om je mening te uiten, je kunt er na het uiten echter wel voor worden bestraft.

Von Kreyfelt: “Willen we een volwassen democratie, dan moeten we dit onderscheid scherp trekken. De vrije meningsuiting hoort bij de burger. De persvrijheid hoort bij een beroepsgroep. De eerste is een mensenrecht. De tweede is een beroepsvoorrecht. En de één mag nooit worden ingezet om de ander te beperken.” Dit is onzin. De vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid zijn één en dezelfde. Ze stoelen allebei op hetzelfde artikel 6 van de Grondwet en zijn allebei een grondrecht. De vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid zijn twee kanten van dezelfde medaille. Zonder vrijheid van meningsuiting is er geen vrijheid van pers en zonder vrijheid van pers en dus ook radio of televisie (artikel 6 tweede lid) of welk ander middel dan ook (artikel 6 derde lid) wordt het uiten van een mening erg lastig. Dan rest alleen je eigen stem. Persvrijheid is een grondrecht geen beroepsvoorrecht. Persvrijheid is er voor iedereen. Iedereen, niet alleen een journalist, kan publiceren zonder staatsinmenging. Journalisme is geen recht, het is een manier van werken voor het verzamelen, beoordelen en publiceren van informatie.

Volgens Von Kreyfelt: “gedragen veel gevestigde media zich alsof hun persvrijheid hen automatisch tot hoeder van de meningsvrijheid maakt. Alsof kritiek op hén gelijkstaat aan een aanval op de democratie. Ze framen zichzelf als het baken van redelijkheid en ratio, en iedereen die daar buiten valt—te radicaal, te ongehoord, te ongefilterd—wordt weggezet als bedreiging.” En hij gaat verder: “juist in naam van “de vrije pers” worden tegenwoordig meningen onderdrukt. Schrijvers worden geweerd van podia. Academici worden gecanceld. Onafhankelijke platforms worden weggezet als gevaarlijk, omdat ze zich onttrekken aan de codes van de institutionele journalistiek. En ironisch genoeg zijn het vaak journalisten zelf die oproepen tot het deplatformen van andere stemmen.” Dat journalistieke media schrijvers of wetenschappers niet vragen om deel te nemen aan een praatprogramma of hun artikelen niet plaatsen, wil niet zeggen dat de vrijheid van meningsuiting wordt onderdrukt of dat zij ‘gecanceld’ worden. Mijn vrijheid om een stuk te schrijven betekent niet automatisch dat een krant dat stuk moet plaatsen. Het is aan het medium om te bepalen wat het plaatst en wat niet. Als mijn bijdrage daar buiten valt, wil dat nog niet zeggen dat het betreffende medium mij als een bedreiging van haar redelijkheid ziet.

Ik ben trouwens erg benieuwd welk platform dan ‘onafhankelijk is’? Een vraag die ik Von Kreyfelt ook stelde maar waarop ik tot op heden nog geen antwoord heb. En ja, platforms die zich onttrekken aan de journalistieke codes en die kunnen gevaarlijk zijn. Door dit woord te gebruiken wekt Von Kreyfelt de suggestie dat een journalistiek medium afhankelijk is en dat klopt. Maar dat geldt voor ieder platform of medium. Daarin verschilt Twitter niet van de Volkskrant of de Ballonnendoorprikker. Ja ook de Ballonnendoorprikker is afhankelijk. Het hangt namelijk af van mij, de schrijver die de Ballonnendoorprikker als pseudoniem gebruikt. Zonder die schrijver was er geen Ballonnendoorprikker.

En daarmee hebben we de stropop: de karikaturale vertekening van de werkelijkheid. Van de grondwettelijke werkelijkheid en van de journalistieke werkelijkheid. In onze Grondwet zijn de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van pers twee kanten van deze medaille. Ze staat niet tegenover elkaar. Het is van tweeën een. Kranten die iets niet plaatsen of talkshows die iemand niet uitnodigen maken zich niet schuldig aan het beperken van de vrijheid van meningsuiting. Er is geen plicht voor een medium om alles wat wordt ingezonden, te plaatsen. Het staat ieder medium daarin vrij eigen keuzes te maken. De suggestie dat er ‘onafhankelijke platforms’ zijn, en dat die tegenover de ‘afhankelijke journalistieke platforms’ staan, is onzin. Het zal best dat een enkele journalist zich ‘boven alle kritiek verheven’ vindt. Het beeld dat de complete journalistieke wereld zich zo ziet, is een zeer grote vertekening van de werkelijkheid. Deze karikatuur schets Von Kreyfelt omdat hij vindt dat journalistieke media te weinig aandacht besteden aan bepaalde gedachten en gevoelens. Dat kan en mag hij vinden en die gedachte of mening mag hij uiten en dat doet hij ook. Net zoals ik hem erop mag wijzen dat hij hierbij gebruik maakt van een stropop, mag vragen naar onderbouwing en ik het gebruik van een stropopredenering schadelijk mag vinden.

Uitgelicht

Wilders en de waarheid

“Het is schandalig wat hier gebeurt. Minister Keijzer kondigde in februari al een wetsvoorstel aan om de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen af te schaffen, een maatregel die rechtvaardig is en de Nederlandse woningzoekenden eindelijk een eerlijke kans geeft. Maar wat doen die linkse, eigenwijze gemeenten? Ze negeren het simpelweg.“Zo lees ik in een artikel van Michael van der Galien bij De Dagelijkse Standaard. Bij dat bericht een tweet van enigst PVV-er van Nederland Geert Wilders met de boodschap: “Roep die gemeenten tot de orde @minister_vro Keijzer het is totaal onaanvaardbaar dat ze dwars gaan.” Want zo sluit hij af: “De afspraak is dat de voorrang voor statushouders voor huurwoningen verdwijnt en met minder nemen we geen genoegen.” Die stoute gemeenten. Of ligt het anders?

De vraag stellen is hem beantwoorden. Het ligt anders. Het bijzondere is dat Wilders in de tweede vragende zin die tussen de beide genoemde zinnen staat, al aangeeft dat hij met die eerste de plank mis slaat. Die zin luidt: En waarom duurt het zo lang met die wet?” Er is geen sprake van een schandaal omdat niets gemeenten belet om statushouders voorrang te geven.

Ja, minister Keijzer heeft een plan en dat is die voorrangspositie van statushouders wettelijk te verbieden. Daartoe heeft ze een wetsvoorstel opgesteld. Met het opstellen van een wetsvoorstel verandert er niets. Er verandert pas iets als dat wetsvoorstel door de Tweede – en Eerste Kamer is aangenomen, de koning het heeft bekrachtigd en als het vervolgen is bekendgemaakt in de Staatscourant. Dan is een wet pas een wet. Zo is het bepaald in hoofdstuk 5 eerste paragraaf van onze Grondwet. Tot die tijd is de oude wet van kracht en onder huidige wet staat het gemeente vrij om statushouders voorrang te geven.

Dat Van der Galien dit niet weet kan, want ondanks dat iedere Nederlander geacht wordt de wet te kennen, zijn er maar weinig Nederlanders die aan deze voorwaarde voldoen. En bij die weinigen hoor ik niet. Ook ik ken niet alle wetten. Van der Galien en Wilders verspreiden misleidende en onjuiste informatie. Doen ze dat omdat ze de Grondwet echt niet kent, dan verspreiden ze misinformatie. “Bij misinformatie draait het om valse of misleidende informatie die niet goed wordt begrepen en wordt verspreid zonder verdere schadelijke bedoelingen. De verspreider is er niet van op de hoogte dat de informatie onjuist is, maar het effect van de verspreiding kan nog steeds schadelijk zijn voor de samenleving.” Wilders laat dan zien dat hij niet geschikt om als Kamerlid te fungeren. Niet geschikt omdat je mag verwachten dat een Kamerlid dat informatie naar buiten brengt naar vermogen controleert of die informatie juist is of niet. Dat was in dit geval heel eenvoudig. Een blik in onze Grondwet en het was duidelijk. Dat niet alleen. Wilders, en Van der Galien in zijn kielzog, maken zich schuldig aan smaad, het: “opzettelijk iemands eer of goede naam aanrand(en), door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.” Aldus artikel 261 eerste lid van het Wetboek van strafrecht.

Doen ze dat bewust, en in het geval Wilders kan ik me niet voorstellen dat Wilders dit niet weet, dan is er sprake van een bewuste actie. Dan is hij te kwader trouw en dan verspreidt hij desinformatie: “doelbewust misleidende informatie,” die: met kwade bedoelingen,” wordt verspreid met de intentie: om willens en wetens meningen te beïnvloeden, geld te verdienen of de samenleving, democratie of volksgezondheid te schaden.” In dit geval om onze democratie te schaden. Schaden door mede-overheden in een kwaad daglicht te zetten waardoor het vertrouwen in de overheid wordt ondermijnd. Die worden als onbetrouwbaar weggezet. Wilders maakt zich dan schuldig aan laster, zo is te lezen in artikel 262 eerste lid van het Wetboek van strafrecht. Hij pleegt: “het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is,”

Het wachten is op een gemeente die aangifte doet. In dat geval kan de straf die op smaad of laster staat met een derde worden verhoogd, zo regelt artikel 267 van het Wetboek van strafrecht.