Kruitdampen in het hoofd

  In mijn vorige Prikker schreef ik over de vergelijking tussen drugs en vuurwerk van Wouter Roorda. Ik concludeerde dat die vergelijking mank ging. Vandaag nogmaals het thema vuurwerk. Dit naar aanleiding van een bijzonder betoog van Sid Lukkassen bij TPO. Volgens Lukkassen kunnen we zonder ‘vuurwerkvrijheid’ niet bestaan. “Vuurwerkvrijheid is existentieel,” schrijft hij. Dat lijkt me bijzonder. De mensheid geeft immers millennia lang goed kunnen bestaan zonder vuurwerk. Overdrijven is een kunst en het lijkt alsof Lukkassen er meester in is. Laten we zijn betoog eens volgen.

Bron: Pixabay

Vuurwerk is existentieel om drie redenen. “Ten eerste, alles wegreguleren wat jongens en mannen leuk en spannend vinden. Ten tweede worden we een norse brompotsamenleving die geen spektakel en risico’s meer aandurft: dit komt neer op het uitdoven van de levensfelheid. Ten derde, we noemen het beestje niet bij de naam – namelijk de specifieke overlastgevende groepen waar het in de kern om draait – maar spreken in termen van een algemeen verbod. Dit is niet alleen laf en een teken van karakterzwakte: het wijst op een regelmanie waarbij de goeden onder de kwaden lijden.” 

Om met dat laatste te beginnen. Lukkassen ziet twee groepen. Aan de ene kant de ‘goede vuurwerk afsteker’ en aan de andere kant de groepen die door middel van vuurwerk overlast bezorgen. Hij lijkt een groep te vergeten en dat zijn mensen die geen vuurwerk afsteken. Dit is geen homogene groep van alleen maar ‘tegenstanders’ van  vuurwerk. Die zullen er zeker ook en misschien zelfs wel veel, bij zitten. Nee, die groep bevat ook mensen die het niets kan schelen of het al dan niet verboden is en mensen die er zelf niets aan vinden maar die anderen het plezier wel gunnen. Dit is de groep die geen vuurwerk koopt, die wel belasting betaalt voor handhaving en het opruimen van de troep en die wellicht een hogere zorgpremie moet betalen om de schade door vuurwerk te vergoeden. Een verbod op vuurwerk treft deze groep niet. Een verbod treft alleen de andere twee groepen. Om dan te concluderen dat bij een verbod de goeden onder de kwaden lijden, is nogal een bewering. Of hoort deze groep niet bij de ‘goeden’?

Volgens Lukkassen is het: “hoe dan ook idioot om ook maar te overwegen ons eigen volksfeest af te schaffen, omdat er groepen zijn die zich kennelijk niet in de hand kunnen houden en we niet in staat blijken hen te bedwingen.” Maar beste meneer Lukkassen, de viering van de jaarswisseling wordt niet afgeschaft. Dat is het feest dat er wordt gevierd, niet ‘het afsteken van vuurwerk’. Een deel van de Nederlanders ‘viert’ dit door vuurwerk af te steken en ander deel viert op een andere manier met bijvoorbeeld een oudjaarsconference, een oliebol en een glaasje champagne. Of door gezellig met familie en/of vrienden bijeen te komen. 

(V)uurwerk verbroedert alle lagen en klassen van de samenleving. In mijn jeugd was het vuurwerk een van de weinige momenten waarop de allochtone en autochtone jeugd samen optrok.” Om even terug te gaan naar mijn jeugd. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was ‘sintermerte’ een belangrijke gebeurtenis in mijn geboortedorp Velden. Na het verstrijken van de zomervakantie, die leek vroeger ‘eeuwig’ te duren, begonnen we met het verzamelen van dode takken uit de bossen die op een hoop werden gegooid. Na verloop van tijd kwamen daar pallets bij aangeleverd door een transportbedrijf van een van de ouders. En, nu helemaal niet meer voor te stellen, autobanden. Wij waren niet de enigen. Bij iedere boerderij en in iedere buurt, bouwde de jeugd een hoop. Een hoop die dan op de 10e november werd opgestookt. Die hoop verbroederde iedereen die eraan meebouwde en zorgde voor rivaliteit tussen de verschillende groepen. ‘Onze’ hoop moet het grootste worden, het laatste worden aangestookt en liefst ook het langste branden. Sommigen gingen de strijd ‘oneerlijk’ aan door spullen bij een andere hoop weg te halen. En soms werd een rivaliserende hoop zelfs een dag eerder al in brand gezet. Dat is nu verleden tijd. De jeugd in het dorp kent de traditie niet meer. Maar ik dwaal af. Vuurwerk afsteken, en ook andere van dergelijke activiteiten, zoals sintermerte, kunnen inderdaad verbroederen. Ze ‘verbroederen’ vooral binnen eigen groepen en wakkeren rivaliteit aan met hen die daar niet bijhoren. Net zoals sport, muziek en cultuur verbroederen maar ook kunnen aanzetten tot rivaliteit. Trouwens ook criminaliteit verbroedert. Dat iets ‘verbroedert’ is geen reden om het ‘heilig’ te verklaren.

Lukkassen: “Je moet natuurlijk veilig omgaan met vuurwerk en bijvoorbeeld een vuurwerkbril dragen. Maar sluipenderwijs en in de greep van angst voor risico’s zijn we alles aan het verbieden. Totdat er niets leuks overblijft.” Is angst werkelijk een van de redenen om voor een vuurwerkverbod te pleiten? Dat iemand zijn oog kwijtraakt of een halve hand vanwege verkeerd gebruik van vuurwerk, is voor een enkeling een reden om voor een vuurwerkverbod te pleiten. De schade aan het oog, de hand, de auto of het huis van een ander is echter een veel belangrijkere reden. De schade en overlast die de groep die zelf niets met vuurwerk heeft, is het argument voor een verbod. Een, zoals ik gisteren ook al aangaf, heel liberaal argument om rechten van mensen in te perken. Al lijken de huidige ‘liberalen’ daar heel anders over te denken.  

Lukkassen haalt VVD-voorman Dijkhoff aan: “Fatsoenlijke vuurwerkliefhebbers ergeren zich ook kapot aan het tuig dat oud & nieuw elk jaar weer verpest, maar dreigen met een totaalverbod zelf gestraft te worden. Terwijl ze niets verkeerd doen. Zij vragen zich af waarom politici hun brave in Nederland gekochte sierpotten willen verbieden, terwijl net over de grens veel zwaarder spul gewoon in de winkels ligt.” Tja, die grens waarachter grotere ellende te koop is. Nu wil het geval dat de regels voor vuurwerk in onze buurlanden niet zoveel afwijken van de Nederlandse. Ook daar mag een particulier alleen f1 en f2 vuurwerk kopen en is het aan de verkoper om de leeftijd te controleren. Wat verder over de grens, via het Web, is veel meer te verkrijgen en is het toezicht afwezig of beperkt.

Vanwege dat ‘buitenland’ is een totaalverbod zinloos, zo betoogt Lukkassen en haalt CDA-kamerlid Chris van Dam aan: “Dat is niet te handhaven.” Het lijkt mij dat een totaalverbod makkelijker is te handhaven dan de huidige situatie. Nu hebben we legaal en illegaal vuurwerk. Ook zijn er tijden waarop het mag en tijden waarop niet. En, hoe toon je aan dat de ‘knal’ afkomstig was van illegaal vuurwerk? Bij een totaalverbod is immers iedere ‘knal’ of ‘pijl’ strafbaar. Dat lijkt mij stukken eenvoudiger te handhaven. 

Bron: PXhere

Nog bonter wordt het als Lukkassen VVD-burgemeester Antoinette Laan-Geselschap aanhaalt: “Dat er problemen zijn, ligt niet aan het vuurwerk, maar aan het gedrag van mensen. Een landelijk verbod is een te draconische maatregel. Het gedrag van een aantal klojo’s moet niet de maatstaf worden.” Woorden die zo afkomstig zouden kunnen zijn van Wayne LaPierre, de voormalig voorzitter van de Amerikaanse National Rifle Association: ‘geweren doden geen mensen, mensen doden mensen.’ Waarom dan niet meteen een pleidooi om alles toe te staan? Dat iemand wellicht een tankgranaat naar het Binnenhof schiet maakt toch nog niet dat de goedwillende ik niet meer in mijn M1 Abrams tank mag rijden! 

“Het is een reflex geworden om bij alles wat er misgaat de staat ter verantwoording te roepen en te pleiten voor een verbod. Dit is een zieke ontwikkeling die aantoont dat de sociale cohesie wegvalt en we er niet meer samen uitkomen: mensen ontwikkelen een afwachtende en staatsaanhankelijke basishouding.” Een wel heel bijzondere manier van redeneren. De overheid is juist het medium dat maakt dat we er samen uitkomen. De overheid is namelijk van de samenleving en is aan zet als de vrijheid van de een tegen de schade van de ander moet worden afgewogen. En de vrijheid van Lukkassen om rotjes af te steken, moet worden afgewogen tegen de overlast en de beperking van de keuze vrijheid van de tegenstander van vuurwerk. Want ja, het afsteken van vuurwerk kan de vrijheid van anderen beperken. Als mensen niet meer de straat op durven omdat ze als de dood zijn voor vuurwerk, dan beperkt Lukkassens recht om een rotje af te steken, de vrijheid van een ander. De overheid is er om juist dan de zaken tegen elkaar af te wegen.

Lukkassen vervolgt zijn betoog: “Ook de gedachte dat het volk zomaar bij kruit kan is voor de elite een beangstigende gedachte, zeker nu ze merken dat hun beleid steeds minder populair is. Mede hierom willen sommige bestuurders ervan af. Juist dit is een reden – voor wie wil dat het volk uiteindelijk de baas is in een land en niet een technocratische regentenklasse – om vóór vuurwerk te zijn.” En daar is ze weer; de tegenstelling tussen volk en elite. Alleen lijkt het alsof ‘het volk’ alleen maar bestaat uit ‘afstekers van vuurwerk’. Tegenstanders van vuurwerk behoren bij de ’elite’. Als we trouwens wat beter lezen, pleit Lukkassen dan voor het inzetten van ‘kruit’ om ‘minder populair beleid’ omver te ‘knallen’? Want zegt hij niet dat de toegang tot vuurwerk moet blijven om het volk de mogelijkheid te geven om het beleid van de ‘elite’ tegen te kunnen gaan?

Lukkassen sluit af met een advies: “als je huisdieren last hebben van vuurwerk, neem ze dan mee naar een vuurwerkvrije camping, of breng ze naar een opvang speciaal hiervoor. Ook dit is weer business voor kleine ondernemers.” Dus om u uw pleziertje te gunnen, moeten anderen extra kosten maken? En dat is volgens u niet erg want dat is ‘business voor kleine ondernemers’. Even terug naar de vrijheid van de een en de overlast voor de ander. Beste meneer Lukkassen, bent u bereid om de kosten voor die camping of die dierenopvang voor die mensen te betalen? U zult het toch vast niet erg vinden om de extra kosten die de dierenbezitters moeten maken, te vergoeden? Het is immers ‘business voor kleine ondernemers’? En dan nog vraagt u iets bijzonders van deze mensen. U vraagt hen namelijk om hun viering van het feest van de jaarwisseling aan te passen aan uw ‘vuurwerkplezier.’

Zou Lukkassen last hebben van kruitdampen in het hoofd?

‘Feestzaal Nederland’

Volgens Constanteyn Roelofs gaat het slecht met de traditie. Bij Elsevier schrijft hij: “Over de nationale mythes hoeven we het niet eens te hebben: een systeembombardement van postmoderne ideologen heeft verklaard dat alles wat waarde, structuur en zingeving geeft racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch is.” In zijn artikel maakt Roelofs zich zorgen over die tradities maar vooral over het conservatisme. Conservatisme is: “het behouden, doorgeven en versterken van deze elementen.” Gevolg hiervan: “Nederlanders zijn eenzamer dan ooit, in toenemende mate ongeletterd en hoewel de bevolking hoger is opgeleid dan ooit leest niemand meer een boek.” En dat conservatisme hangt in de touwen. Dit terwijl het conservatieve verhaal nodig is: “het liberalisme vertelt maar het halve verhaal, namelijk dat van vrijheid en economie, maar niet van de zaken die een natie bindt.”

Jocushaan. Bron Wikipedia

Nu is er net een nieuw jaar begonnen. De dagen lengen weer en we kunnen verlangend uitkijken naar wat er komen gaat. In de Volkskrant schrijft Iñaki Oñorbe Genovesi over de stortvloed aan themadagen die het jaar 2020 ons te bieden heeft. Zo er een Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van Slavernij en de trans-Atlantische Slavenhandel. Goed dat we hier aandacht aan besteden al vraag ik me wel af waarom de trans-Atlantische slavenhandel apart wordt genoemd? Dan lijkt het alsof er slaven en slaven waren. Ik zou liever aandacht besteden aan hedendaagse slavernij. Want, ondanks dat slavernij in de hele wereld is afgeschaft, zijn er nog zo’n 21 miljoen slaven. Tenminste, dat las ik in het boek Het kwaad van Julia Shaw. Daarin las ik ook dat een slaaf tegenwoordig zo’n $ 90 kost en zijn eigenaar gemiddeld  $ 36.000 oplevert. Dan hebben we meteen ook de reden waarom slavernij nog bestaat. Naast nuttige zaken om aandacht aan te besteden zijn er ook volkomen nutteloze zaken die met een dag worden ‘gevierd’. Neem Wereld Nutelladag (5 februari) of de dag van de komkommer (1 juli). 

Bij verlangend vooruit kijken denk ik echter meer aan Vastelaovend en het Venlose Zomerparkfeest. Gebeurtenissen die een jaar kleur en vooral vaste ankerpunten geven. Je verheugt je erop. Nadeel van dat ‘verlangen’ is dat de tijd er sneller door lijkt te gaan. Twee gebeurtenissen die mij en met mij vele andere mensen ‘waarde, structuur en zingeving’ bieden. Het Zomerparkfeest sinds 1977. De Vastelaovend wordt al heel lang gevierd. Als we ‘osse Venlose Jocus’ mogen geloven werd het al 1349 gevierd. Het is dus al eeuwen oud.

Geen ‘nationale myhen’ want de feesten worden niet in het gehele land gevierd. Bovendien zou ‘nationale mythe’ geen juiste benaming zijn voor Vastelaovend omdat de ‘mythe’ ruim aan de ‘natie’ vooraf ging. Nu is dat laatste niet uitzonderlijk. Veel tradities die binnen een natie worden gevierd, zijn ouder dan de natie. Naties zijn trouwens niet de enigen die deze ‘techniek’ gebruiken. Het christendom is groot geworden door deze ‘culturele toe-eigening’ avant la lettre. Zo is de kerstboom die we nu weer het huis uit kieperen, overgenomen van de Germanen en Romeinen. “De groene boom kondigde ook de nieuwe lente aan, een tijd van bloei. Daarom zetten de Germanen tijdens de midwinternacht, de kortste dag van het jaar, een groene boom neer. Vaak in het midden van het dorp. Deze werd dan versierd met appeltjes en andere attributen, die het begin van een nieuw seizoen aanduidden.” Zo is te lezen op de site Historiek. Of neem de naamdagen van katholieke heiligen die ‘toevallig’ samenvielen met een ‘heidens feest’. Dat maakte het accepteren van het geloof wat makkelijker.

Als er iets bijzonder is aan ‘tradities’ dan zijn het wel de ontwikkelingen die ze door maken. Een traditie die zich niet aanpast, is gedoemd te verdwijnen. Neem de Vastelaovend. Die is in de basis nog steeds hetzelfde maar als er niets aan was veranderd, toegevoegd dan was uitgekomen wat in het liedje 2011 uit 1998 werd bezongen: “2011 – Ik bin de nieje prins, ik bin de ganse raod. D’n optoch bin ik ouk, en staon ik langs de straot, dan speul ik muzikant en bin ik mien publiek. Ik lach en böëk as kloon, det mak mich gans allein uniek. 2011, Vastelaovend bin ik zelf.” Het lied werd geschreven in een tijd dat de traditie werd ‘bedreigd’. De schrijver vreesde dat hij in 2011 de enige was die nog Vastelaovend viert.- Daarvan is nu geen sprake meer, de traditie heeft zich vernieuwd zonder het oude te verwerpen. Nieuwe activiteiten waarvan het lijkt alsof ze al ‘eeuwen’ worden gevierd, hebben hun plek gekregen. De muziek vernieuwde zich naar de smaak van de jeugd zonder oude helden als de vorig jaar overleden Sjraar Peetjens te vergeten. We zullen hem zondag 23 februari 2020 missen. Dan verzamelen we ons weer bij Motown om te luisteren naar, maar vooral mee te zingen (of wat daarvoor door moet gaan) met Minsekinder. 

En ja, alle verwijten: “racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch” worden ook over deze traditie uitgestort. Die begrijpen echter de kern van de Vasteloavend niet. Twee jaar geleden liep er een hele reeks ‘prinsessen’ mee in de optocht. Zij vonden het tijd worden voor een ‘prinses’ als leider van de de Venlose Vasteloavend. Dan kun je twee dingen doen. Je proberen ‘in te vechten’ om de woorden van premier Rutte aan te halen. Dan zou het kunnen dat je op weerstand stuit. De tweede optie is veel eenvoudiger. Niets weerhoudt hen ervan om een ‘prinses’ uit te roepen en zo de traditie uit te breiden en te vernieuwen. De deelname van de groep prinsessen zou hier een eerste stap in kunnen zijn. Het ‘nieuwe’ en het ‘oude’ zullen zich dan tot elkaar moeten verhouden en dat zal de traditie verrijken.

Het Zomerparkfeest laat zien dat “de xtc-festivals van de D66-liberalen van nu,” uit kunnen groeien tot veel meer dan dat. Het is een evenement van verbroedering en ‘samen’. De hele zaak draait op vrijwilligers en laat zien wat je door samen te werken kunt bereiken. Begonnen als een klein feestje in de Heutszstraat. Ja ook in Venlo is een straat vernoemd naar Heutsz. Het feest verhuisde al snel naar het Julianapark alwaar wat ‘obscure’ bandjes ‘herrie’ maakten op een oplegger. De woorden ‘obscuur’ en ‘herrie’ werden gebezigd door het overgrote deel van de ‘Venlonaere’. Die moesten in de beginjaren niets hebben van dat feest voor ‘hanenkammen’ en ‘losgeslagen’ jeugdigen. Inmiddels is het niet meer weg te denken en zal het park vanaf 13 augustus 2020 weer vier dagen volstromen en zal ‘jong en oud’ genieten van muziek, dans, theater, literatuur, film en natuurlijk een hapje en een drankje. Maar vooral genieten van elkaar omdat we elkaar weer zullen ontmoeten. Ik verheug me al op de zondag onder die grote boom aan die tafel met vrienden. In die veertig jaar heeft het Zomerparkfeest zich ontwikkeld tot een ‘traditie’ die Venlo (ver)bindt. Van een ‘xtc-festival van D66-liberalen’ naar iets van en voor iedereen.

Zomerparkfeest 2016. Eigen foto

Tradities beginnen ergens en ontwikkelen zich of ze worden vergeten. Ze behouden dat wat goed wordt gevonden, hun kern, want die vervult een behoefte. Ze passen hun ‘uiterlijk vertoon’ aan aan de tijd. Doen ze dat niet dan verworden ze tot een anachronisme. Dan verdwijnen ze en worden ze vervangen door iets nieuws wat de achterliggende behoefte vervult. Met tradities die verdwijnen hoeven we geen medelijden te hebben. Nu zijn het Zomerparkfeest en ook Vastelaovend tradities die mensen binden, maar niet alle mensen. Lang niet alle ‘Venlonaere’ hebben iets met deze ‘tradities’. 

Terug naar Roelofs. Hij mist ‘zaken die de natie binden’. Hij lijkt het ‘bindmiddel’ van een natie in het verleden en in ‘gedeelde tradities’ te zoeken. In een gezamenlijke geschiedenis en het ‘samen’ dezelfde feestjes op steeds dezelfde manier vieren. Nu zijn naties van zeer recente datum. De meeste zijn nog geen tweehonderd jaar oud. Als je hun verhalen hoort, lijken ze echter al eeuwen oud. Alles wat er ooit op het grondgebied is gebeurd, zeker als dat groots is of positief, wordt al snel tot de ‘geschiedenis’ van de natie gerekend. Zo maakt het ‘VOC-gebeuren’ een belangrijk deel uit van de geschiedenis van Nederland. Dit terwijl de VOC al was opgeheven voordat Nederland als huidige natie ontstond. Die verhalen en erbij horende ‘rituelen’ zijn bedoeld om mensen te binden en liefst nog ‘trots’ te laten zijn op de natie. En ja, die verhalen staan onder druk. Tegenover die positieve verhalen worden negatieve verhalen verteld. Heutsz, van die straat waar het eerste Zomerparkfeest werd gehouden, werd van held een volkerenmoordenaar. Iets soortgelijks als Coen overkwam. Een ‘natie’ baseren op dergelijke verhalen, maakt haar kwetsbaar en ‘uitsluitend’ en is dat niet wat er nu gebeurt? Door te hameren op de ‘leidende joods-christelijke’ cultuur worden mensen buiten gesloten. Mensen die hier al lang wonen, deel uitmaken van de samenleving en ook niet meer weg willen. Bovendien wordt daarbij vergeten dat de grootste vervolgers van de joden christelijke wortels hadden.

Een paar Prikkers geleden schreef ik over identiteit. Ik haalde daar de filosoof Kwame Anthony Appiah aan. Appiah adviseerde landen om een ‘productieve identiteit’ te formuleren. Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Een ‘nationaal bindend verhaal’ dat niet is gebaseerd op ‘duizend jaar geschiedenis’ en ‘tradities’ maar op waarden. Appiah noemde er een: “Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.” Een waarde die rechtstreeks uit onze Grondwet (artikel 6) komt. En laat er daarin nog een paar meer staan. In Nederland is iedereen gelijk (artikel 1), komt iedereen in aanmerking voor een publieke functie (artikel 3), heb je stemrecht om volksvertegenwoordigers te kiezen (artikel 4)), mag iedereen vrij zijn mening uiten (artikel 7), mag je je eigen ‘clubje’ beginnen (artikel 8) en kijken we naar elkaar om (artkel 20). Zouden dit niet betere aanknopingspunten zijn om een ‘natie te binden’? Betere aanknopingspunten dan een geïdealiseerd en geromantiseerd verleden en een feestje als ‘koningsdag’, een feestje zonder verdere inhoudt. Zijn deze waarden niet eigenlijk de kern van de ‘traditie Nederland’? Onder deze waarden kan iedereen zijn ‘naaldboom’ het huis in slepen om iets te vieren. Kerstmis, chanoeka, het suikerfeest en de Venlose Vastelaovend, het kan allemaal in ‘ons land’. Net zoals het ook kan dat je je tot geen van die ‘feesten’ verhoudt. Nederland als een ‘feestzaal’, die iedereen de ruimte biedt om ‘zijn eigen feestje’ te vieren.  Maar wel verwacht dat iedereen zijn eigen ‘slingers’ ophangt.

Fijne feestdagen meneer Rutte

Beste premier Rutte,

ik hoorde dat ik politiek correct ben en dat ik de Nederlandse identiteit te grabbel gooi of me ervoor schaam. Waarom? Omdat ik u en alle andere mensen op deze wereld fijne feestdagen wil wensen. Het zijn volgens u geen feestdagen, we zijn immers in Nederland en daar vieren kerst. Dat hoort, volgens u, bij de Nederlandse traditie en cultuur en dus moeten we elkaar fijne Kerstdagen wensen.

kersteiFoto: https://www.facebook.com/happyei.bv/?fref=nf

Laten we het religieuze aspect even buiten beschouwing. Al kan ook dat ter discussie worden gesteld omdat onze zeer verre nog heidense voorvaderen rond deze tijd ook een feest vierden. Een feest verbonden met de lichtwende, u weet wel dat de dagen weer langer gaan worden. Laten we het daar niet over hebben. Dan raken we de joods-christelijke wortels van onze cultuur zoals we het nu zien. Als historicus weet u vast ook wel dat daar vroeger heel anders over werd gedacht en dat joden en christenen niet veel met elkaar ophadden. Bovendien is ons heden beïnvloed door veel meer zaken dan het joodse en christelijke.

Beste meneer Rutte, wat er nu wordt gevierd is het kerstfeest en dat duurt twee dagen. Als ik u fijne feestdagen toewens, wens ik u dan niet hetzelfde toe als wanneer ik u een fijne kerst wens? In het eerste geval benadruk ik de twee dagen die het feest duurt, in het tweede geval het feest dat wordt gevierd. Het wordt door menigeen ook wel gecombineerd en die wensen je dan fijne kerstdagen. Wellicht zijn er zelfs mensen, ik ben ze nog niet tegengekomen maar wil het niet uitsluiten, die je fijne kersfeestdagen toewensen. Waarom gooi ik de ‘Nederlandse cultuur’ te grabbel als ik u fijne feestdagen toewens en niet als ik u fijne kerstdagen toewens?

Beste meneer Rutte, maakt u zo niet van een mug een olifant? Of beter gezegd van niets een complete theatervoorstelling? Draagt u met uw uitspraken niet juist bij aan het ter discussie stellen van een traditie? Want wordt iets niet juist als een traditie betiteld als het ter discussie staat?

Beste meneer Rutte, als u zich toch zorgen maakt over ‘tradities’ wilt u uw partijgenoot Halbe Zijlstra er dan op attenderen dat de traditie van het paasei te grabbel wordt gegooid. Nee, niet door de HEMA die er ‘verstopeitjes’ van maakte, dit tot groot ongenoegen van Zijlstra. Meneer Rutte, de kerstdagen worden overspoeld met ‘paaseitjes in kerstversiering’ en die drukken zo de ‘traditionele kerstkransjes weg.