‘Ut is auk noejt good of ut deug neejt

“In 2019 vierden we honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland. In 1919 werd namelijk het woord ‘mannelijk’ uit de Kieswet geschrapt. Door dat ene woordje te verwijderen, gold de Kieswet voortaan ook voor vrouwen.” Zo begint het artikel van Devika Partiman en Rachel Rumai Diaz bij OneWorld. “Maar de viering is geen inclusieve. De veranderde Kieswet gold namelijk niet voor álle vrouwen” Zo vervolgen de auteurs hun artikel. Een bijzonder artikel. Bijzonder omdat de auteurs concluderen dat de viering ‘niet inclusief’ is.  Mijn moeder zou verzuchtend hebben gezegd: ‘Ut is auk noejt good of ut deug neejt.’

Bron: Wikipedia

Eerst even een aanvulling op de strijd om het kiesrecht. Inderdaad mochten vrouwen in Nederland in 1922 door het schrappen van het woord ‘mannelijk’ voor het eerst stemmen voor de Tweede Kamer. Het woord ‘mannelijk’ stond pas sinds 1887 in de wet. Dit nadat een poging van Aletta Jacobs om zich op de Amsterdamse kieslijst te laten plaatsen door de Hoge Raad werd afgewezen. Jacobs voldeed aan alle vereisten van de Kieswet. Die vereisten bestonden uit het betalen van een bepaald bedrag aan belastingen. Door die ‘belastingeis’ was het ook voor veel mannen niet mogelijk om te stemmen. Ter verduidelijking werd in 1887 het woord ‘mannelijk’ toegevoegd. Het algemeen kiesrecht voor mannen is slechts twee jaar ouder dan dat voor vrouwen. Dat werd namelijk pas in 1917 ingevoerd. Tegelijkertijd werd de leeftijdsgrens voor het kiesrecht verhoogd van 23 jaar naar 25 jaar. In 1946 werd die leeftijd weer verlaagd naar 23 jaar, in 1965 naar 21 en in 1972 naar de huidige 18 jaar. Voor geïnteresseerden in de ontwikkeling van het kiesrecht in Nederland, op de site parlement.com staat die goed beschreven. 

“De feministische golf die had geleid tot het kiesrecht, spoelde namelijk niet aan in de overzeese gebieden die destijds nog in bezit waren van het Koninkrijk: Suriname, Nederlands-Indië en de Nederlandse Antillen.” Zo schrijven de auteurs terecht. In de toenmalige koloniën liep het allemaal anders. Daar moeten vrouwen nog jaren strijden voor kiesrecht. “De viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht in 2019 draagt hier opnieuw niet positief aan bij, omdat het de verhalen van deze vrouwen wederom uitsluit,” zo schrijven de auteurs. “Op zoek naar verhalen over de vrouwen die in de voormalige koloniën vochten voor het vrouwenkiesrecht, zijn we afhankelijk van de huidige geschiedschrijving, en die is beperkt. Dit gebrek aan kennis zorgt ook voor een gebrek aan rolmodellen; niet omdat ze er niet zijn, maar omdat we hun historische waarde niet erkennen.” Het lijkt mij erg lastig om de waarde van iets te erkennen wat je niet kent. Met hun artikel dragen de auteurs bij aan het kennen zodat de lezer de waarde kan erkennen. Laten de auteurs niet juist zien dat herdenken wel positief bijdraagt? Zouden ze dit artikel ook zonder die herdenking hebben geschreven?

Echt bijzonder wordt het in de laatste zinnen van het artikel: “Pas als we deze geschiedenis accepteren als onderdeel van ons erfgoed, kunnen we de uitwassen van het classicisme, racisme en seksisme achter de ongelijke politieke vertegenwoordiging aanpakken. En pas dán kunnen we werkelijk juichen om honderd jaar inclusief vrouwenkiesrecht.”  Ongelijke politieke vertegenwoordiging die, zo is erboven te lezen, een gevolg is van een: “dominante groep die nog altijd overheerst.” Die zorgt voor een gemankeerde politieke cultuur: “die allesbehalve een weerspiegeling is van onze samenleving.” Gevolg hiervan is: “Dat er ook anno 2019 nog weinig vrouwen politiek actief zijn, de meeste politici een universitair diploma hebben, overwegend wit en hetero zijn, en uit rijkere milieus komen. … De cultuur is nog steeds niet gericht op vrouwen, en al helemaal niet op vrouwen van kleur of mensen uit armere milieus (of mensen met een beperking, mensen uit de lhbti+-gemeenschap).” 

Beste auteurs, als de politiek een weerspiegeling moet zijn van de samenleving dan moeten we allemaal in de politiek. Dan is het spiegelbeeld immers pas gelijk aan de werkelijkheid. De enige getrouwe afspiegeling van mij dat ben ik immers zelf. In een representatieve democratie is die afspiegeling onmogelijk. De volksvertegenwoordiging is ook niet bedoeld om ons af te spiegelen. Ze is bedoeld om ons te vertegenwoordigen en namens ons besluiten te nemen.

Maar wat belangrijker is, moeten we werkelijk wachten met het aanpakken van uitwassen van racisme en seksisme totdat de geschiedenis van vrouwen, mensen van kleur, mensen met een beperking, armen of lhbti+ wordt geaccepteerd? Classicisme laat ik maar even buiten beschouwing, want ik geloof niet dat er werkelijk mensen zijn die terug willen naar de klassieke periode? Naar het Rome van keizer Augustus of het Athene van Pericles. Ik neem aan dat jullie hier klasse bedoelen. Waarom is het van belang om alle te onderscheiden groepen in een samenleving als groep te erkennen en dan vooral hun rol als ‘slachtoffer’ van een ‘meerderheid’. Een meerderheid die er ook niet zelf heeft gekozen voor de situatie waarin ze ter wereld kwam? Hoe reëel is het om mensen de daden van hun verre voorvaderen aan te rekenen? Wanneer hebben we trouwens alle groepen gehoord, erkend en gewaardeerd? Moeten ook de geschiedenis van Trekkies, de aanhangers van de serie Start Trek worden meegenomen? En hoe verhoudt zie zich tot de aanhangers van Star Wars? Zouden we dan niet verder moeten totdat ieders geschiedenis en de individuele verklaring ervan bij alle anderen bekend en erkend is? Het individuele niveau is immers het kleinste te onderscheiden deel van een samenleving. Even afziend van mensen met een dissociatieve persoonlijkheidsstoornis.

Natuurlijk is het goed om het verleden te bestuderen vanuit diverse perspectieven. Als historicus kan ik dat alleen maar toejuichen. ‘acceptatie van al deze geschiedenissen als onderdeel van ons erfgoed’ is niet nodig om nu te pleiten voor een belastingverhoging voor rijken om te herverdelen naar de armen. Ook niet om nu maatregelen te nemen om racisme te bestrijden en discriminatie te voorkomen. 

‘Cultureel systeem’

Afgelopen zondag zat ik weer op de tribune bij mijn clubje VVV-Venlo. Dat ‘Venlo’ erachter is trouwens dubbel omdat de eerste V voor Venlose staat, dat even terzijde. Gelukkig speelde Opoku mee. Dat biedt altijd voer voor een gesprek met een van mijn medesupporters. Die zeurt steevast dat Opoku er niets van kan. Vervolgens scoort hij of is hij betrokken bij een beslissende actie. Ook deze keer liep het weer zo. Hij leidde met een prachtige actie de 1-0 in. Maar ook daar gaat het mij nu niet om. Nee, een andere vaste bezoeker vond dat de scheidsrechter wel erg pietluttig floot en riep: “ut is gen wievevoetbal.” Ik keek hem aan zei, met de ‘racisme polemiek van de afgelopen weken in het achterhoofd: “det kin se neet zegge. Mietjes trouwes ok neet.” Aan deze gebeurtenis moest ik denken toen ik een artikel van Karim Bettache bij Joop las.

Stadion de Koel. Bron: Wikipedia

Volgens Bettache kenmerkt Nederland zich door een: “kolon(a)ial(.) culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties huidskleur … een absurde, arbitraire manier van het indelen van mensen en het maakt de samenleving voor veel mensen een hel op aarde.” Zo die zit. Hoe kwam Bettache tot die conclusie? Die conclusie trok hij uit: “een filmpje van een klein meisje in Nederland dat volgens de clip door twee volwassen ‘keurig uitziende’ witte Nederlanders uitgemaakt wordt voor Zwarte Piet.” Volgens Bettache ging er door dat filmpje een schok door de ‘wereld’: “Geschokt was men dat dit in het land gebeurde waarvan de meeste mensen een beeld hadden (dat) het een vrijdenkende, open samenleving is.” Bettache redeneert vervolgens: “De ontmenselijking zit er diep ingebakken als je een klein hulpeloos meisje zo kunt vernederen, zonder ook maar een greintje empathie te voelen voor dat kind. Dan mankeert er echt wat daar in de bovenkamer. Toch ga ik die mensen niet de schuld in de schoenen schuiven, want dat is het trucje dat al te lang is gebruikt. Racisme in de schoenen schuiven van individuen die eruit blaten wat de samenleving vaak diep daarbinnen denkt.”

Nu heb ik dat ‘filmpje’ van anderhalve minuut ook gezien. Nergens in dat filmpje wordt een kind voor ‘zwarte piet’ uitgemaakt. Wat we zien zijn een oudere man en vrouw die worden gefilmd door iemand die tegen hen staat te tieren. We horen de tierende mevrouw zeggen dat haar dochtertje door de oudere vrouw ‘zwarte piet’ zou zijn genoemd. Dat dit is gebeurd, wil ik best geloven. Maar of dat op een ‘ontmenselijkende en diepvernederende’ manier gebeurde, zoals Bettache betoogt, dat blijkt niet uit het filmpje. En de intentie maakt voor mij nogal wat uit. 

Mijn eerste gedachte, en daarom moest ik aan het voorval op de tribune denken, was dat de tierende mevrouw wel erg lange tenen moest hebben. Hoe ik tot die conclusie kwam? Mijn natuurlijke reactie als iemand tegen mijn kind iets zou zeggen wat mij niet aanstaat, dan zou ik ze op een rustige toon aanspreken en aangeven dat ik daar niet van gediend ben. Ik zou het vervolgens aan de ander laten om daar dan iets mee te doen en zich te verontschuldigen of niet. Ik zou zeker niet mijn telefoon pakken, de camera aanzetten en vervolgens gaan schreeuwen tegen die persoon. 

Tot zover het filmpje, terug naar de redenering van Bettache. Hij trekt een conclusie voor de samenleving als geheel uit één voorval. ‘Ho, ho’, zal hij daarop zeggen ‘er zijn veel meer van dergelijke voorvallen, neem het gebeuren bij FC Den Bosch.’ Inderdaad, er zijn meer van dergelijke voorvallen. Er zijn echter ook vele ‘voorvallen’ die in een andere richting wijzen. Alleen worden deze voorvallen niet gefilmd en komen ze niet in het nieuws. Goed nieuws is immers geen nieuws. Net zoals het merendeel van de supporters die niet meedoet aan ‘gescheld’ tegen spelers en scheidsrechter geen ‘nieuws’ zijn. Die negatieve voorvallen zijn volgens Bettache een gevolg van dat ‘koloniale culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties in huidskleur’. Hoe zijn die positieve ’voorvallen’ te verklaren als het niet aan individuen ligt maar aan dat ‘koloniale culturele systeem’? 

Kleurrijke mensen

In zijn column in de Volkskrant schrijft Stephan Sanders over de film Get Out. Ik heb de film zelf niet gezien dus ik kan er niet over meepraten. Wel stelt Sanders een interessant punt aan de orde: “We spreken hier over de ‘bounty’, de namaak zwarte, die eigenlijk van binnen ‘wit’ is. De aantijging is niet alleen populair in zwarte kring, ook steeds meer witte mensen menen dat ze onderscheid mogen maken tussen ‘echte’ en ‘onechte’ zwarten.” Echte en onechte witten en zwarten suggereert dat er een norm is waaraan je moet voldoen om wit of zwart te zijn.

Bron: Pexels.com

Daarmee zijn we er nog niet. Er is nog een ander onderscheid, zo las ik in een artikel van So Roustayar bij Joop. Roustayar maakt zich in zijn artikel druk over de laatste Amsterdamse Pride. Die blonk, aldus Roustayar, uit door hypocrisie. In zijn betoog spreekt hij over: “twee trans-sekswerkers van kleur die de Pride begonnen.” Het logische deel van mijn brein ging met deze uitspraak aan de slag. Als er ‘mensen van kleur’ zijn dan zijn er dus ook mensen zonder kleur, de ‘kleurlozen’. Van Dale geeft twee betekenissen voor kleurloos, als eerste de logische ‘zonder kleur’ en als tweede ‘Saai: een kleurloos bestaan.’ Door de manier waarop Roustayar het opschrijft zet hij mensen bewust of, en dat hoop ik voor hem, onbewust, weg als ‘saai’. Benieuwd naar deze categorie mensen, stelde ik die vraag aan de auteur. Alleen kwam die op een of andere reden niet door de censuur van de Joop-redactie.

De manier waarop het is geformuleerd geeft echter wel een indruk wie die ‘kleurlozen’ moeten zijn, dat moeten de ‘witte’ mensen zijn. Als dit is wat Roustayar bedoelt, dan krijg ik daar niet zo’n prettig gevoel bij. Als ik niet tot de categorie ‘van kleur’ behoor dan voel ik mij hierdoor behoorlijk op mijn edele deel getrapt. ‘Witten’ zijn de vroegere ‘blanken’. Het woord ‘blank’ kan niet meer omdat het de ‘blanken’ op een voetstuk plaatst, zo betogen de voorstanders van het woord ‘wit’. ‘Blank’ zou immers rein en onbedorven zijn. Maar behoren daartoe dan ook de zwarten die ‘wit’ van binnen zijn? En hoe zit het met de witten die van binnen ‘zwart’ zijn? 

Ik word moe van en mijn haren gaan steeds meer rechtop staan van ergernis van dergelijk hokjesdenken. Hokjes waarin mensen worden gestopt op basis van kleur, seksuele voorkeur of het ontbreken ervan, dichtbij of ver af van de ‘grachtengordel’ enzovoorts. Maar ja, volgens de aanhangers van de ‘intersectionaliteit’ is het nodig omdat dit je ‘identiteit’ bepaalt daarmee ook de eventuele voorsprong (privilege) of achterstand.  Dat is allemaal in assen weer te geven en je identiteit wordt bepaald door de plek waar die assen zich kruisen. Zo wordt bepaald wie jij bent en wat je waarom moet vinden. Voldoe je er niet aan dan kun je een ‘bounty’ zijn. 

De aanhangers van dit ‘kruispuntdenken’ strijden voor de gelijkheid, gelijke behandeling en tegen racisme en discriminatie. Een goede strijd waarbij ze mij aan hun kant vinden. Alleen vraag ik me af of hun middel, deze theorie, wel bijdraagt aan dat doel? Zou je gelijkheid bereiken door iedereen te verdelen in hokjes? Nee, ik ga er toch maar vanuit dat ieder mens kleurrijk is. Een unieke persoon die vanuit dat kleurrijke kleur geeft aan zijn leven en zo ook aan dat van een ander.  

The unbearable whiteness of being

“De witheid van linkse politiek vernauwt antiracisme uiteindelijk tot een bevoogdend emancipatiedenken.” Dit schrijft universiteit docent Rogier van Reekum in een artikel op de site Oneworld. Gevaarlijk volgens Van Reekum: “Juist voor ecologische politiek is de witheid van linkse politiek dodelijk.” ‘Witheid van politiek’?

Bron: PxHere

Van Reekum: “Ecologische politiek laat namelijk zien hoe ons leven gebaseerd is op extractie, op het toe-eigenen, exploiteren en onder dwang gebruiken van wat ‘de natuur’ genoemd wordt.”  Vervolgens trekt hij een parallel: “Mensen leven zelf ook onder extractie, ook zij worden toegeëigend, uitgebuit en onder dwang gebruikt, beschikbaar gemaakt om te werken.” Van Reekum noemt dit, in navolging van een zwarte feministische denker ‘white-supremacist-capitalist-patriarchy’. Vervolgens concludeert Van Reekum: “De extractie van de aarde, waar ecologische politiek tegen strijdt, is dan ook geheel afhankelijk van de manier waarop racisme werkt en mensenlevens inricht.”Want: “Voor uitbuiting zijn namelijk de verschillen in menselijke waardigheid nodig die racisme tussen ons creëert.” Dit is onhoudbaar want: “Europa, witte mensen en witheid zelf zullen niet ontastbaar blijken voor de destructieve gevolgen van een orde die gebouwd is op extractie.”

Daar sta je dan als blanke, in de ogen van Van Reekum witte man van middelbare leeftijd. Alle ellende in de wereld is jouw schuld. Jouw schuld en je ‘witheid’ verhindert het werken aan oplossingen. Hindert en zelfs nog erger, je maakt fascisme mogelijk: “Fascisme drijft op de belofte van witte bescherming en gedijt bij linkse schuilkelderpolitiek die weigert te breken met die belofte. Witte onaantastbaarheid zal moeten worden overwonnen.” Maar je kunt er iets aan doen: “naar buiten (komen) en (je aan)sluiten bij iedereen voor wie de schuilkelders van witheid überhaupt nooit een veilige schuilplaats waren.” Grote woorden en  ronkende termen om jou een schuldcomplex aan te praten.

Zou het kunnen, beste meneer Van Reekum, dat de muren van die ‘schuilkelder’ door u en de uwen wordt opgetrokken? Ondoordringbare muren gebouwd van grote woorden en redeneringen zoals u in uw artikel gebruikt? Ondoordringbaar omdat u met dergelijke woorden en redeneringen mensen afstoot. Afstoot door mensen zoals mij tot boeman te benoemen? Een boeman die moet smeken om vergiffenis en die moet bekennen dat hij leidt aan die enge ziekte van ‘witte onschuld’. Dat denkkader dat zowel door bevestiging als ontkenning wordt bevestigd.  Jammer, want in de strijd voor een eerlijkere en minder vervuilende samenleving zouden we best kunnen samenwerken.

Als we Van Reekum moeten geloven, leidt de hele wereld, om de titel van het bekende boek van Milan Kundera wat te verhaspelen, aan ‘the unbearable witheness of being’

Normale proporties

Als voetballer op bescheiden niveau kan ik me een voorval herinneren waarbij ik zeer boos werd om een in mijn ogen onrechtvaardige beslissing. Wat gebeurde er? Als rechtsbuiten ging ik een bal halen die de achterlijn ver had overschreden. Ik gooide die in de richting van de keeper van de tegenstander. Die moest immers de doeltrap nemen. De keeper liet de bal doorrollen en op mijn weg terug naar mijn plek als rechtsbuiten, trapte ik de bal weer in de richting van de keeper. Die liet de bal weer passeren zodat die weer over de achterlijn rolde. Daarop stuurde de scheidsrechter me eruit met de woorden: ‘Ga de bal maar achterna.’ Ik begreep er niets van en daarop kwamen allerlei verwensingen uit mijn mond. Daarvoor heb ik na de wedstrijd overigens mijn excuses aan de scheidsrechter aangeboden.

Wimbledonchair_frontview

Foto: Wikimedia Commons

Ik kan me dan ook heel goed inleven in de boosheid van tennisster Serena Williams en haar gevoel dat ze werd bestolen. Haar coach gaf haar aanwijzingen maar of zij die heeft gezien, weet alleen Williams. Als dat niet het geval was, dan is haar boosheid zeer begrijpelijk. De straf die de scheidsrechter haar gaf, is ook te begrijpen. Williams ging immers flink tekeer en slingerde diverse verwijten naar het hoofd van de scheidsrechter. Een gemiddelde voetbalscheidsrechter had er een rode kaart voor getrokken.

Wat mij verbaast is de commotie er omheen. In de Volkskrant lees ik: “De scène raakte echter een gevoelige snaar bij sommige zwarte vrouwen in de VS. Zij nemen het op voor de zwarte tennisster en zien de handelwijze van de scheidsrechter en sommige publieke reacties op Williams’ tirade als bevestiging van een stereotype dat teruggaat tot de tijd van de slavernij: de ‘angry black woman’ als redeloze, hysterische heks.” Bij het artikel een stukje van een Amerikaanse tv-show waarin er van alles bij wordt gehaald door Williams en diverse duiders van het voorval. Seksisme omdat dit ‘nooit’ bij de mannen gebeurt. Racisme: angry black woman, een beeld of stereotype dat ik niet ken. Dat de scheidsrechter begrip moet hebben voor de situatie van Williams als moeder en voorvechtster voor de rechten van vrouwen.

Zien we niet een tennisspeelster die zich onheus bejegend voelt, boos wordt en verbaal zwaar over de schreef gaat? In de emotie van het spel kan dat gebeuren, maar dat kan ook gevolgen hebben. Die gevolgen liggen vast in de regels. Het is aan de scheidsrechter om de regels toe te passen. De scheidsrechter is er immers om ervoor te zorgen dat de wedstrijd eerlijk verloopt. Niet om zijn ‘fluiten’ af te laten handen van de psyche van de spelers. Dat scheidsrechters daar niet allemaal even consequent in zijn, is een gegeven. 

Zou het niet verstandig zijn om dit voorval terug te brengen tot deze, normale proporties?

Realisme

Volgens Geerten Waling worden we doodgegooid met ‘ismen’. Tenminste als we de titel boven zijn bijdrage bij Elsevier mogen geloven. ’Ismen’ die je niet zelf voert, maar die je door anderen worden opgeplakt.

exchange-of-ideas-222788_960_720

Illustratie: Pixabay

In zijn artikel haalt hij drie ‘ismen’ aan. Als eerste neoliberalisme: “een term die moet verwijzen naar een ongebreideld marktdenken door grootkapitalisten die zich niet bekommeren om de arme burger die het slachtoffer wordt van hun privatiseringen, handelsverdragen en marktliberalisatie.” Kritiek op die marktwerking snijdt best hout, maar het woord is: “een etiket dat we graag plakken op beleid dat ons niet bevalt (of dat anders uitpakt dan we hadden gehoopt).” Ook een ander ‘isme’, het populisme vertroebelt het debat. Het is: “een scheldwoord, dat bedenkelijke motieven suggereert bij je tegenstander, zoals volksmennerij, simplisme en opportunisme,” aldus Waling. Als laatste het ‘islamisme’. Waling: “Hoewel zo’n ‘islamist’ zichzelf eerder zal kwalificeren als ‘goede moslim’, niet als aparte categorie binnen de islam, helpt het onderscheid om een militant deel van de gelovigen te onderscheiden, zonder de andere moslims van de samenleving te vervreemden.” Om die reden heeft dat woord nog enig nut, volgens Waling.

Inderdaad worden er veel ‘isme’-etiketten geplakt. Zo wordt racisme te pas en te onpas gebruikt om iemand te diskwalificeren. Of neem Sid Lukkassen, die heeft het vaak over cultuurmarxisme. Een plakkertje dat hij, en met hem Paul Cliteur en Thierry Baudet, graag op andersdenkenden plakt. Een vasthoudend iemand met een uitgesproken mening is al snel een ‘fundamentalist’. Een woord waar je weer allerlei woorden voor kunt zetten zoals milieu of islam. Allemaal ‘ismen’ die je door anderen opgeplakt krijgt om je in een hoek te zetten. In een hoek te zetten zodat de ‘plakker’ niet op je argumenten hoeft in te gaan. 

Eén ‘isme’ past niet in deze rij, het ‘realisme’. Het past niet omdat je het niet opgeplakt krijgt, maar het jezelf opplakt. Het woord wordt door velen gebruikt om hun eigen standpunten kracht bij te zetten. Kracht bij te zetten omdat het suggereert dat iemand die het niet met je eens is, irreëel is. Irreëel of nog erger, een idealist. Een zwever of dromer en op diens argumenten hoef je ook niet te reageren. Moeten we niet juist oppassen voor mensen die zichzelf de stikker ‘realisme’ opplakken? 

Olie-racist?

“Burgemeester Krikke heeft handen vol aan ‘Racistische’ aanvallen,” de kop boven een artikel bij Elsevier. Die aanvallen vinden plaats in de wijk Duindorp. Die aanvallen betroffen : “ruzies rond een Marokkaanse bruiloftsstoet en deze week is een hindoetempel in de Schilderswijk voor de zoveelste keer vernield.” Schandelijk natuurlijk maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om het staatje met de wijksamenstelling van Duindorp bij het artikel. ‘Bevolking Den Haag naar etniciteit per wijk’ luidt de kop erboven.

olie industrie

Foto: PxHere

In het staatje zien we dat ‘Nederlands’ de grootste groep is. Nu kun je je afvragen of Nederlands een ‘etniciteit’ is of een ‘nationaliteit’. Ik hou het op het laatste. Je kunt het ook anders zien. Etnisch, “Wat een volk betreft,” aldus VanDale. “ Het concept etniciteit wortelt in het gegeven dat de leden van bepaalde bevolkingsgroepen zich identificeren met gezamenlijke kenmerken, zoals nationaliteit, stamverwantschap, religie, taal, cultuur of geschiedenis en de daaraan ontleende normen en waarden.,” zo vult Wikipedia aan. Volgens die definities is ‘Nederlands’ een etniciteit, net als ‘Turks’, ‘Marokkaans’ en ‘Surinaams’. Een Koerd uit Turkije die zo ‘Turks’ en een Berber uit Marokko die ‘Marokkaans’ worden genoemd, zullen daar zeker anders over denken. 

Ook worden ‘Antilliaans en Arubaans’ onderscheiden. Nu heb ik vroeger altijd geleerd dat Aruba ook bij de Antillen hoorden. Dus waarom dit onderscheid? En, als je dan toch onderscheid maakt, zou je dan niet alle zes eilanden apart moeten benoemen? Dan wordt de vergaarbak nog groter: Zuid-Europees. Is dat een ‘etniciteit’? Als we het dan over taal, cultuur, geschiedenis en stamverwantschap hebben, verschillen de diverse landen uit Zuid-Europa enorm.

De laatste twee ‘etniciteiten’ zijn werkelijk bizar. de eerste “Overige geïndustrialiseerd’ en de tweede ‘Overige niet-geïndustrialiseerd’. Wie herkent zich in de etniciteit ‘geïndustrialiseerd”? Wat is het etnische kenmerk van industrie? Is er dan wellicht ook een verschil tussen ‘staalindustrie’ en ‘auto-industrie’? Kan ik dan ook van Olie-racisme worden beschuldigd als ik tegen de olie-industrie ben? 

Moreel ver plassen

De campagne voor de komende gemeenteraadsverkiezingen is nogal surrealistisch. De kranten staan vol met uitspraken van politici die verkiesbaar zijn en dan ook nog partijen waar het grootste deel van Nederland niet op kan stemmen. Baudet, Wilders, Buma en Pechtold zijn niet verkiesbaar. Het Forum voor Democratie, NIDA, de PVV, Denk en Bij1 doen slecht in een handvol en soms maar één gemeente mee. In de Volkskrant reageert Martin Sommer op een ‘klacht’ van politicoloog Tom van der Meer dat er te weinig over waarden wordt gediscussieerd: “Me dunkt, in Amsterdam en Rotterdam gaat het alleen maar over waarden. Racisten buiten de deur houden, is er iets hogers? Dat begon al bij het debat van de landelijke lijsttrekkers in De Balie. Het was een potje moreel verplassen tussen Pechtold, Klaver en Asscher.”

manneken-pis-1535118_960_720

Foto: pixabay.com

Nu is Nederland veel groter dan Amsterdam en Rotterdam en de rest van Nederland komt er nogal bekaaid vanaf. Als inwoner van welke plaats dan ook hoef je niet echt moeite te doen om niets te merken van de komende gemeenteraadsverkiezingen.

Terug naar Sommer. Inderdaad als het over racisme gaat, dan gaat het over waarden. Racisme raakt aan waarden als vrijheid, rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en broederschap. Een debat over racisme biedt een goede mogelijkheid om te bekijken hoe partijen en politici deze waarden interpreteren en invullen. Hoe breed of smal zien zij vrijheid? Hoe vullen zij rechtvaardigheid in? Daar kun je een aardige boom over opzetten. Hoe wordt gelijkwaardigheid ingevuld en wat betekent dat voor het samen leven, voor broederschap?

Gaat de discussie, het debat, daar ook over? Als deze waarden conflicteren, welke waarde weegt voor een politicus het zwaarste? Voor een VVD-er zal vrijheid belangrijk zijn. Een GroenLinkser zal daarin bijvallen, alleen hebben ze het over hetzelfde als ze het over vrijheid hebben? Vrijheid kun je immers, in navolging van de filosoof Berlin, positief en negatief uitleggen. Gaat de discussie hierover of blijft het debat hangen in het elkaar beschuldigen en het jij-bakken?

Als je het zo bekijkt, heeft Van der Meer dan niet ook een punt en wordt er niet over waarden gesproken?

Hiddema, het parlement en de rechter

“Als wij dat debat willen, is het prettig dat je met een rechterlijk vonnis kunt komen. Want die rechter oordeelt niet langs politieke voorkeuren.” Dit zegt de tweede man van het Forum voor Democratie, Theo Hiddema, zo lees ik bij Elsevier. Dat debat zou dan moeten gaan over het al of niet racistisch zijn van uitspraken van leden van het Forum voor democratie. Over die uitspraken en het al of niet racistische karakter ervan wil ik het niet hebben.

Hiddema

Foto: Wikimedia Commons

Waarover wel? Over het alleen willen voeren van een debat over de gedane uitspraken als er een rechterlijke uitspraak ligt. Is dat niet een zeer bijzondere opvatting voor een lid van het parlement? Zijn het niet juist de leden van het parlement die voorop moeten gaan in het voeren van het debat? Kiezen wij de leden van het parlement niet juist om het maatschappelijk debat te voeren, om daarin voor te gaan en vervolgens op basis van dat debat te besluiten of en zo ja hoe er gehandeld moet gaan worden?

Hoeveel vertrouwen heeft het Forum voor Democratie in de democratie als zij pas een debat wil voeren na een rechterlijke uitspraak? Welk nut heeft een debat nog wanneer eerst de rechter om een uitspraak wordt gevraagd?

Wat fundamenteler. Als we de redenering van Hiddema doordenken, pleit hij dan niet gewoon voor een samenleving waarin rechters bepalen wat er moet gebeuren? En zijn redenering helemaal doorvoerend, pleit hij hier voor afschaffing van het parlement? Immers een debat voeren waarvan de uitkomst al vaststaat, de rechter heeft immers ‘zonder politieke voorkeuren’ besloten wat we moeten vinden, lijkt zinloos. Als hij het dan toch zo ziet, waarom stapt Hiddema niet gewoon uit het parlement en probeert het gehele partijprogramma van het Forum via de rechter gerealiseerd te krijgen?

Een laatste vraag aan Hiddema. Wat als de rechter anders oordeelt dan u hoopt? Als de rechter u ongelijk geeft en er geen sprake is van smaad of laster? Als de rechter Ollongren naspreekt en zegt: “De partij van Baudet lijkt geobsedeerd te zijn door één van de weinige taboes …, het praten over rassen in het politieke debat?”  Wat doet u dan? Beschuldigt u dan, in navolging van Wilders, de rechters van het hebben van ‘politieke voorkeuren? Van het behoren tot het ‘elite-kartel’ dat het volk eronder houdt?

Beste Tahir Ramdjan,

Met veel interesse heb ik uw brief in de Volkskrant gelezen. Uw oproep om: “elkaars opiniestukken lezen, ons verdiepen in elkaar, oprechte interesse en empathie tonen naar elkaar,” onderschrijf ik van harte. Als ik u goed begrijp, dan verschilt ons doel niet. Ik streef naar een wereld waarin iedereen gelijkwaardig is en ook op een gelijkwaardige manier wordt behandeld en gelijke kansen heeft. Volgens mij is dat ook uw doel.

beach-14119_640

Foto: Pixabay

Zoals u aangeeft heeft een: “beschaafde dialoog (…) nog nooit slachtoffers, ordeverstoring en leed veroorzaakt.” Die dialoog wil ik met u aangaan. In uw brief signaleert u twee fouten. Over die eerste van die twee fouten wil ik het met u hebben. Zoals u schrijft is voor de wet iedereen gelijk, de wet maakt geen onderscheid. Terecht constateert u dat we er daarmee niet zijn. Dat komt, volgens u, door het: “institutioneel racisme: een onbewust racisme dat zich heeft vastgeroest in ons doen en laten, van zowel witte als donkere mensen.” Door hier de term ‘racisme’ aan te koppelen, geeft u het een zware lading. Een lading die mensen als een oordeel of beter nog een veroordeling kunnen opvatten. Een lading waarvan je je kunt afvragen of die wel terecht is. Bent u bereid om hier op een andere manier, met een ander frame dan het frame van het ‘institutioneel racisme’ naar te kijken? Mag ik een ander ‘frame’ met u delen?

Gelijkwaardig worden behandeld en gelijke kansen krijgen is lastig te realiseren. Volgens mij is het zeer menselijk om mensen die op een punt anders zijn, anders te behandelen en te benaderen. Dat is niet iets van een specifieke kleur mensen, het is iets van alle mensen. Ik ben de eerste om toe gegeven dat die menselijke eigenschap tot maatschappelijk ongewenste resultaten leidt. Als we ons hier allemaal van bewust zijn, dan kunnen we dat ‘menselijke gedrag’ veranderen, ter discussie stellen en zo maatschappelijk wenselijkere resultaten bereiken.

Een frame waarin we hetzelfde constateren, maar er geen oordeel of veroordeling op plakken. Zou zo’n frame tot een constructiever gesprek en tot betere resultaten kunnen leiden? Belangrijker nog, zou zo’n frame een bredere gemeenschappelijke basis bieden om die maatschappelijk ongewenste resultaten aan te pakken? Zou zo’n frame de tweede, door u geconstateerde, fout kunnen voorkomen? De fout dat: “de donkere mens (…) deze machtsstructuren eerder door (heeft), omdat die daar dagelijks feller mee geconfronteerd wordt, en beschuldigt vervolgens de witte mens van racistisch, fout handelen. Maar laatstgenoemde heeft zichzelf nooit als racist gezien. Zijn intuïtieve reactie: terugvechten.”