Pensioen, economie en beleggingsproblemen

“Als bij een stijgende vraag het aantal aandelen krimpt, zal de koers van een willekeurig aandeel uiteindelijk ergens eindigen bij de prijs voor een Leonardo da Vinci.” Zo schrijft Peter de Waard in de Volkskrant. Als je zijn artikel leest zou je bijna medelijden krijgen met de beleggers. “Een pensioenfonds dat rendement wil halen, is aangewezen op aandelen.” veel andere mogelijkheden ziet hij niet: “Vastrentende waarden zoals obligaties leveren niets meer op. Vastgoed is te weinig liquide. En cryptovaluta zijn voor serieuze beleggers nog een no-goarea.”

Barcelona.jpg

Foto: Wikimedia Commons

Alleen kennen aandelen ook zo hun beperkingen. Het aantal beursgenoteerde bedrijven waarin kan worden belegd daalt wereldwijd. Alleen in opkomende markten stijgen de beleggingsmogelijkheden, maar: “Voor veel professionele instituten, zoals verzekeraars en pensioenfondsen, zijn die markten moeilijk te betreden. Als er voor buitenlandse beleggers al juridisch geen belemmeringen zijn, is het riskant geld te steken in totaal onbekende bedrijven waar nauwelijks analistenrapporten over bestaan.” Blijven de westerse aandelen markten over, maar ook daar is de keus beperkt: “Beleggen in wapen- of sigarettenfabrikanten, bedrijven die lak hebben aan het milieu of bedrijven die mogelijk ergens kinderhandjes misbruiken, kan niet meer. De bedrijven moeten voldoen aan het ESG-label, waarmee de milieu-, sociale- en governance-aspecten zeker zijn gesteld.” Die arme beleggers!

Maar wacht eens even. Ik ben een van die beleggers. Niet direct, maar via een pensioenfonds waaraan ik verplicht jaren heb bijgedragen. Een pensioenfonds dat ooit aan mij gaat uitkeren zodat ik van mijn oude dag kan genieten. Een, liefst onbezorgde, oude dag waarbij ik voldoende te eten heb een dak boven mijn hoofd en af en toe wat leuks kan doen. Daarvoor is pensioen bedoeld. Zou er een andere mogelijkheid zijn om dit te bereiken?

Eten kan ik nu nog niet gaan sparen. De bloemkool, paprika of het stukje vlees houden niet zolang. Nu al boeken en betalen voor dat reisje naar Barcelona over twintig jaar? Nee, liever niet, wie weet haal ik dat niet meer of kan ik tegen die tijd niet meer reizen.

Blijft over, het wonen. Voor een fonds is vastgoed wellicht niet liquide genoeg, voor mij als individu is dat geen probleem. Wat als ik mijn pensioeninleg kan gebruiken om mijn huis af te betalen? Dan breng ik nu mijn woonlasten omlaag en woon ik als pensionado gratis. Het bedrag wat ik nu bespaar, spaar ik zodat ik over twintig jaar, als ik het in goede gezondheid haal, om dat reisje naar Barcelona te betalen. En als ik zou huren, zou me dit wellicht de mogelijkheid bieden om een huisje te kopen dat dan bij mijn pensionering is afbetaald.

Snijdt het mes zo niet aan twee kanten. Aan de ene kant die van het individu dat zich voorbereidt op zijn oude dag. En aan de ander kant de economie als geheel. Laten we zo niet op een gecontroleerde manier overtollige lucht (geld) uit de economie lopen? Overtollige lucht die tot luchtbellen (bubbels) en tot crises leiden?

Pensioenpotje

De Sociaal Economische Raad broeit op een nieuw pensioenstelsel, zo valt te lezen in de Volkskrant. De kern ervan: “Iedereen een eigen pensioenspaarpot. En pas zekerheid over de hoogte van de oudedagsuitkering als de pensioendatum in zicht is, afhankelijk van een positief of negatief beleggingsresultaat.” Dit zou blijken uit een vertrouwelijk conceptadvies van de Raad. Hoe vertrouwelijk is zo’n advies als het de voorpagina van een krant haalt? Een vraag ter verdieping hierbij: hoe ‘te vertrouwen’ zijn de SER-mensen dan? Dat even terzijde.

pensioenIllustratie: TRABVV

Mijn pensioenpremie wordt, als deze plannen werkelijkheid worden, gestort op een individuele pensioenrekening vergelijkbaar met een ‘gewone beleggingsrekening’. Als het goed gaat groeit die rekening omdat ik iedere maand bijstort en door de mogelijke rendementen die mijn centen opleveren. Het geld op al die individuele rekeningen, wordt door pensioenfondsen belegd. Zo’n tien jaar voor mijn pensionering krijg ik ‘duidelijkheid’ over de hoogte van mijn pensioen.

Waarin verschilt dit eigenlijk van het huidige stelsel? Wat maakt die ‘individuele’ rekening waarop het wordt gestort uit, als aan de achterkant het geld op één hoop wordt gegooid en belegd? Of kan ik zelf kiezen hoeveel risico er met mijn geld wordt genomen en waarin het wordt belegd? Wordt ook in het huidige stelsel niet pas korte tijd voor de pensionering duidelijk hoe hoog het pensioen werkelijk zal zijn?

Zou u dertig tot vijfendertig jaar geld in een zwarte doos gooien, zonder tussendoor enig zicht te willen hebben op wat het oplevert? Want daar lijkt het op als je pas tien jaar vóór je pensionering enig inzicht krijgt. Wat als het dan tegenvalt en je ingelegde geld voor een belangrijk deel is verdampt? Als het fonds er een potje van maakt? Welke mogelijkheid heb je dan om de schade te herstellen? Nu dragen mijn werkgever en ik ruim twintig procent van mijn bruto salaris af als pensioenpremie. Het fonds belegt en ieder jaar krijg ik de stand van zaken. Ik kan ieder jaar kijken of ik iets aanvullends moet doen.

Waarom wordt mij, als het pensioen dan toch ‘geïndividualiseerd’ moet worden, niet de mogelijkheid geboden om de premie te gebruiken om bijvoorbeeld een huis te kopen of een gekocht huis af te betalen? Daarmee beperk ik mijn uitgaven nu en in de toekomst. Nu betaal ik minder rente en in de toekomst woon ik ‘gratis’. Zou de SER daar niet eens naar moeten kijken?

Klijnsma’s pensioenprobleem

Pensioenen, ze houden de gemoederen flink bezig en met de verkiezingen van volgend jaar in aantocht zal er alleen maar meer aandacht voor komen. In de Volkskrant valt te lezen dat staatssecretaris Klijnsma twee problemen ziet in het huidige stelsel: Eén: jongeren subsidiëren in feite de pensioenopbouw van ouderen. Zij krijgen te weinig pensioen toegekend voor hun premie, ouderen teveel. … .Twee: Laagopgeleiden subsidiëren door hun lagere levensverwachting hoger opgeleiden die een langere levensverwachting hebben en daardoor langer pensioen krijgen.” Het eerste lijkt op het eerste gehoor logisch. Is het echter wel zo logisch?

PensioenIllustratie: beleggenopdegolven.blogspot.com

Krijgen jeugdigen te weinig pensioen toegekend voor hun premie en ouderen teveel? De basis van het pensioen is dat je spaart voor je oude dag. Je betaalt een premie, die wordt belegd en van de inleg en het resultaat krijg je na je pensionering in delen uitbetaald. Hierbij wordt gerekend met gemiddelden voor bijvoorbeeld de levensverwachting en rendementen op beleggingen. Die gemiddelden worden geregeld bijgesteld op basis van de laatste ervaringen. Je spaart voor jezelf. Als je vroeg sterft heb je pech, je hebt veel betaald en weinig ‘genoten’. Word je oud, heb je geluk. Bij de AOW is dit anders, daar betaal je premie waarmee de huidige AOW-ers worden betaald.

Hoe kan een jongere dan voor de oudere betalen? Klijnsma: “De honderd euro die een 20-jarige aan pensioenpremie betaalt, kan nog bijna 50 jaar belegd worden voordat het als pensioen wordt uitbetaald. In de praktijk krijgt de 20-jarige uiteindelijk te weinig pensioen toegekend voor zijn inleg. De 100 euro van een 60-jarige werknemer kan nog maar 7 jaar belegd worden, maar toch krijgt deze werknemer onevenredig veel pensioen toegekend voor dit bedrag.” Dat klopt, op ieder moment, maar toch klopt het ook niet. Die twintigjarige blijft geen twintig. Subsidieert hij als eenentwintigjarige dan niet ook al een nieuwe twintigjarige? Als hij niet sterft wordt hij uiteindelijk ook zestig.

De premie die een twintigjarige betaalt en die bijna vijftig jaar kan worden belegd, compenseert de premie die hij als vierenzestigjarige betaalt en die maar een paar jaar kan worden belegd. Subsidieert de nu twintigjarige niet zichzelf als zestigjarige en niet een huidige zestigjarige? Krijgt iedereen zo over zijn hele leven gezien niet zijn gelijke deel?

Ziet Klijnsma problemen waar er geen zijn of moet dit zogenaamde probleem een ander probleem verdoezelen?

Zijn in de tijd

Als jullie dit lezen, is hij weer voorbij en duurt het weer vier jaar tot de volgende. De schrikkeldag. En zoals tegenwoordig bij alles, moeten ook de kosten van een schrikkeldag worden berekend. €60 extra uitgaven en €47 extra inkomsten voor een gezin en dus kost die dag €13, aldus het NIBUD. We vinden tijd belangrijk en willen er het liefst meer van hebben. Zeker omdat we tegenwoordig het maximale moeten halen uit de schaarse tijd die ons is gegeven. Tijd is immers geld en je mag geen kostbare tijd verloren laten gaan.

SchrikkeldagIllustratie: nl.dreamstime.com

In Trouw besteedt Ger Groot er een column aan en concludeert dat met tijd niet valt te manipuleren. Wel constateert hij dat we collectief de grootste tijdswinst hebben geboekt met de spectaculaire stijging van de levensverwachting. Maar hoe spectaculair die stijging ook is, als je tijd is gekomen ontsnapt je niet. Geniet van de tijd die je is gegeven en bekommer je niet teveel om de prijs ervan, zo concludeert Groot. Een wijze raad?

Tijd vervult een belangrijke rol in onze samenleving en ons leven. Zou dat altijd zo zijn geweest? Of zouden onze voorvaderen een heel ander begrip van tijd hebben gehad? Of wellicht wel helemaal geen?

Volgens Hannah Arendt (The Human Condition) vormde, vóór de komst van het christendom, de samenleving (stam, familie) de kern van het denken. De stam of familie en het overleven ervan, stond centraal en daarop was alle actie gericht. Ook acties die een einde maakten aan het leven van een individu. Die stierf in het belang van het voortbestaan van de familie of stam. Min of meer vergelijkbaar met het huidige ‘vallen voor het vaderland’. En stammen en families hebben generaties de tijd. Het christendom daarentegen plaatste het (leven van het) individu centraal. Dit betekende een flinke beperking van de tijdshorizon en maakte tijd schaars. Die is immers beperkt tot één mensenleven. Daarin moet hét gebeuren.

Genieten we dan het meeste van betaald werk, de scholing ervoor of de zoektocht ernaar? Want besteden we daar niet het grootste deel van onze tijd aan? Door toegenomen levensverwachting wordt immers ook de pensioenleeftijd steeds hoger. “In de ene helft van ons leven offeren we ons leven op om geld te verdienen, in de andere offeren we geld om weer gezond te worden. En al die tijd gaan gezondheid en leven er zachtjesaan van door”,  zo omschreef de achttiende-eeuwse Franse filosoof en schrijver Voltaire het. Hollen we zo niet onze eigen staart achterna?