Uitgelicht

Kapen, kaapte, in beslag genomen

‘Al die willen te kaap’ren varen, moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden. Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden zij varen mee.’ Woorden uit het volkslied Al Die Willen Te Kaap’ren Varen. Ik weet niet of de leden van de Iraanse Revolutionaire Garde aan deze beschrijving voldoen, toch worden ze beschuldigd van het kapen van een Britse olietanker. In de Nederlandse pers, bijvoorbeeld de Volkskrant, ‘kapen’ de Iraniërs een schip, terwijl de Britten vorige maand bij Gibraltar een schip ‘in beslag namen’. 

Hr.Ms. Piet Hein. Vernoemd naar de ‘kaper’ Piet Hein. Bron Wikipedia

In Iran zien ze het waarschijnlijk net andersom. Daar is hun schip gekaapt en hebben zij er een ‘in beslag genomen’. ‘In beslag nemen’ klinkt vriendelijker dan ‘kapen’. ‘In beslag nemen’ is een juridische term en door die term te gebruiken wordt aan de daad de suggestie van rechtmatig handelen verleend. Om ‘kapen’ hangt een zweem van criminaliteit, het heeft een negatieve bijsmaak. 

Dat was niet altijd het geval. Ook een bekend volkslied waarin de daden van Piet Hein worden bezongen: “Piet Hein!, Piet Hein!, Piet Hein zijn naam is klein. Zijn daden bennen groot, zijn daden bennen groot. Hij heeft gewonnen de zilveren vloot. Die heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot.” Een lied dat ongeveer tweehonderd jaar na de daadwerkelijk daad werd gecomponeerd en dat was bedoeld om mensen trots te laten zijn op Nederland. Een land dat toen pas net bestond en in die korte tijd al een trauma had moeten verwerken, het trauma België. Het lied bezingt Piet Hein die de Spaanse schepen die het zilver en goud van Zuid Amerika naar Spanje vervoerden, kaapte. De Spanjaarden zullen Hein een zeerover hebben genoemd. 

Dat de Britten en Iraniërs elkaar beschuldigen van kaperij is vanuit hun standpunt te begrijpen. Is het ook te begrijpen dat Nederlandse media beide identieke daden op een andere manier beschrijven? De Britse daad wordt beschreven als ‘in beslag nemen’, de Iraanse als ‘kapen’. Voor de schepen en haar bemanning maakt het geen verschil. Voor objectiviteit in de berichtgeving wel.

Eieren en de omelet

Wat zou u doen als u voorzitter was van een sportvereniging en een lid wil geen contributie meer betalen, niet meer trainen, maar wel als het uitkomt wedstrijden meespelen en meedelen in de feestvreugde bij een kampioenschap? Ik zou hem de deur wijzen. Immers om de club te laten draaien, moet iedereen commitment aangaan en dat betekent contributie betalen, trainen en wedstrijden spelen, ook als dat eens niet zo goed uitkomt. Ik moest hieraan denken toen ik Martin Sommers bespreking van de ‘Brexit-chaos’ in de Volkskrant las.

kitchen-775746_960_720

Foto: Pixabay

Sommer lijkt zich vooral te storen aan de ‘onbuigzame houding’ aan Europese kant. Een onbuigzame houding die, als ik Sommer goed begrijp, vooral is ingegeven door angst: “Ook andere landen, lees Denemarken, mogen niet in de verleiding ­komen om op te stappen. Vandaar het gehamer op de EU als één combinatiemenu waar geen gerecht apart mag worden besteld.” Zou angst werkelijk een van de motieven zijn om streng te zijn? Als ‘strengheid’ moet voorkomen dat anderen ook uitstappen, waarom verzetten die anderen zich dan niet tegen die strengheid? Waarom horen we dan niet luid geschreeuw uit bijvoorbeeld het Deense regeringskamp? 

Sommer vindt die angst vreemd: “Je mag toch veronderstellen dat landen lid zijn van de EU omdat ze dat willen, er voordeel in zien en erin geloven. Kennelijk is men daar in de omgeving van onderhandelaar Barnier en EU-president Tusk zo weinig van overtuigd, dat twijfelaars met dreigementen binnenboord gehouden moeten worden.” Laten we eens meegaan in de redenering. Alle andere EU-landen weten dat ze ‘contributie’ moeten betalen en soms een ‘wedstrijd moeten spelen’ die hen niet uitkomt. Ze doen dat omdat het hen groot voordeel brengt. Zij zijn bereid om soms wat lasten te nemen wetende dat die lasten in het niet vallen bij de lusten. 

Mag je dan niet ook concluderen dat de Britten de voordelen van het lidmaatschap kennelijk niet meer zien? Dat ze er niet meer in geloven? Een legitieme houding, maar die heeft wel gevolgen. Is de logische consequentie daarvan dan niet dat je de nadelen van het eruit stappen neemt omdat je die kleiner vindt dan de voordelen van het lidmaatschap?  Of is het eigenlijke probleem dat de Britten wel de omelet willen maar niet bereid zijn om de eieren te breken?  Is een deurwijzing daarop niet de enige en logische reactie van de ‘club’? 

“Nog afgezien van onze handelsbelangen: willen we over vijf jaar een verarmd, rancuneus, door en door anti-Europees Verenigd Koninkrijk, op een paar uur varen van Rotterdam? Ik dacht toch van niet.” zo sluit Sommer zijn artikel af. Rancuneus lijkt een groot deel van de Britten nu al en veel Britten zijn al verarmd. Of dat over vijf jaar nog erger is, daar gaan vooral de Britten zelf over. Niemand verplicht hen de EU te verlaten, dat willen ze zelf. En ‘Actions have consequences.’ zoals de Britten zeggen.  

Een pleidooi voor bureaucratie

Een van de zaken waar Groot Britannië binnen de Europese Unie wat aan wil doen, is het verminderen van de bureaucratie en dus de regels. Die werken immers verstikkend, hinderen ondernemers en zorgen er zo voor dat de verdiencapaciteit voor bedrijven  flink slinkt. De Britten staan daarin niet alleen, ook in Nederland wordt steen en been geklaagd over de Brusselse regelzucht. Goed dus dat daarvoor aandacht is en dat bureaucratische belemmeringen worden weggesneden. Dit leidt tot meer ruimte, meer ondernemen en dus meer economische groei.

chang

Illustratie: www.flipkart.com

Tot zover de populistische opvatting over regelgeving en bureaucratie. Een opvatting die veel aanhang heeft. Laten we er eens op een andere manier naar kijken. Met de ogen van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Die haalt in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme een voorbeeld aan van een zakenblad dat zich erover verbaasde dat “… hoewel er tot wel 299 vergunningen nodig waren van wel 199 instanties om in het land een fabriek neer te zetten, Zuid-Korea in de drie voorafgaande decennia met 6 procent was gegroeid.” Flinke groei met zeer forse regelgeving. Aan de andere kant: “Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd… . Maar op raadselachtige wijze groeiden zij in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” Meer regels met als resultaat meer groei en minder regels met als resultaat minder groei? Vanwaar dit vreemde, niet in het ‘bureaucratie snijden’ discours passende resultaat? Hoe kunnen we dit verklaren?

Chang geeft de volgende antwoorden. Als eerste stappen ondernemers over die regels heen als er aan het einde maar voldoende te verdienen is.  Daar komt, volgens Chang, bij dat veel van die regels goed zijn voor de bedrijven. Veel van die regels beperken de winst op korte termijn, maar behouden winstkansen op lange termijn. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat hulpbronnen niet worden verwoest. Denk bijvoorbeeld aan vangstquota in de visserij. Ook kan regelgeving bedrijven dwingen dingen te doen die niet in hun individueel belang zijn, maar die op den duur wel de productiviteit van de hele bedrijfstak vergroten. Bijvoorbeeld investering in de training van medewerkers.

Regels helpen aldus Chang: “Alleen als we dat onderkennen, kunnen we zien dat het niet om de absolute hoeveelheid regels gaat, maar om wat ermee beoogd wordt en wat ze behelzen.” Toch maar voorzichtig zijn met het schrappen van regels?