Uitgelicht

In defence of democracy

Op de site van GroenLinks reflecteert de leider van die partij, Jesse Klaver, op de ontwikkelingen in Nederland een jaar na de bestorming van het Capitool in de Verenigde Staten. Hij stelt zich de vraag: “Hoe bescherm je de democratische rechtsstaat tegen hen die haar af willen schaffen?”  Een interessante vraag.

Hij ziet een partij in onze volksvertegenwoordiging die oproept tot het omverwerpen van onze democratie. Die partij is het Forum voor Democratie. Klaver: “Door te zeggen dat ‘het regime ten val’ gebracht moet worden, impliceert FvD dat we de democratische verkiezingsuitslag naast ons neer moeten leggen. Niet alleen een specifieke regel moet worden gewijzigd, het hele stelsel van democratische besluitvorming moet overboord. … Ze roept op tot de oprichting van nieuwe tribunalen. Tot nieuwe rechtbanken, die niet langer de regels van onze rechtsstaat volgen. Maar die achteraf, op basis van andere uitgangspunten bepalen wat legaal en illegaal is. Ook hier richt hun aanklacht zich niet tegen een specifieke regel. Ook hier wordt de remedie niet gezocht binnen ons democratische systeem. De hele rechtsstaat wordt ongeldig verklaard en moet worden vervangen.”

In een eerdere Prikker concludeerde ik hetzelfde als Klaver nu schrijft. Voor wat betreft de vraag met betrekking tot de bescherming van onze democratie, komt Klaver met meer dan Kamervoorzitter Bergkamp die een gesprek met de fractievoorzitters wilde voeren over de omgangsvormen in de Tweede Kamer. Klaver komt tot de volgende ‘beschermingsconstructies: “Door tegengeluid te geven. Door grenzen te trekken. Door niet alleen geschokt te reageren op incidenten, maar het monster in het gezicht te kijken en te zien voor wat het is: een doelbewuste en stelselmatige bedreiging van de maatschappelijke vrede.” Als tweede: “Door hard te zijn tegen politici met een gevaarlijke agenda. Door hen het woord te ontnemen als de plenaire zaal van het parlement gebruikt wordt om de rechtsstaat te ondermijnen.” Ten derde: “Door van social media-bedrijven te eisen dat ze hun verantwoordelijkheid nemen en hun platforms niet laten misbruiken voor een aanval op de democratie.” En als laatste door: “zacht te zijn voor elkaar. Door het ‘wij’ zo groot mogelijk te maken. Door onderling het gesprek te blijven zoeken en mensen met oprechte vragen en twijfels niet in het kamp van populisten te duwen. Door een krachtig verbond te vormen, van goedwillende burgers.” Laten we die verdedigingslinie eens nader beschouwen.

Tegengeluid geven en in de Kamer bij ondermijnende uitspraken het woord ontnemen. Nu is juist de Kamer een plek om dat tegengeluid te geven. Een mooi voorbeeld van hoe dat kan, gaf Pieter Omtzigt in een Kamerdebat in november toen hij FvD Kamerlid Van Meijeren aansprak op een van zijn uitspraken in een betoog. Een betoog dat aanleidingen bood voor meer van deze gesprekken dan de ene die Omtzigt koos. Omtzigt sprak Van Meijeren aan op de suggestie dat er sprake was van landverraad door de drie aanwezige bewindspersonen. Na een paar simpele vragen, bleek er sprake van ‘gebakken lucht’. Omtzigts voorbeeld vraagt om consequente navolging en de Kamervoorzitter moet dit faciliteren. Of beter nog, de Kamervoorzitter had dit gesprek moeten voeren. Bij een dergelijke beschuldiging moet de Kamervoorzitter vragen naar ‘man en paard’. Worden die niet genoemd dan eist de voorzitter die uitspraak terug te nemen. Bij weigering zou verwijdering uit de vergadering dienen te volgen en bij herhaling, schorsing voor langere tijd.

Als zijn collega Pepijn van Houwelingen in de Kamer roept dat er tribunalen komen, dan verwacht ik niet dat dat woord in de Kamer wordt verboden. Dan verwacht ik een voorzitter en als die het nalaat Kamerleden die vragen welk bijzonder misdrijf er is gepleegd dat het niet via de normale rechtsgang kan worden bestraft? Wat er zo bijzonder is aan dat misdrijf? Wat er schort aan ons rechtssysteem dat er een bijzondere rechtbank moet worden opgericht? Helaas gebeurt dat niet.

Een dergelijke werkwijze mogen we ook verwachten van de media. Als de leider van het FvD in een Zwitserse krant zegt dat in een goede samenleving: “there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” En vervolgens zegt: “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century.” Dat hij terug wil naar de verhoudingen in die tijd. Want wat er sinds die tijd is afgebroken de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.”  Dan verwacht ik dat de betreffende journalist, of een andere die het leest, Baudet vraagt of hij terug wil naar die achttiende eeuw? Of hij zich realiseert dat de gewone mensen in die tijd niet in die bourgeoisie te vinden waren? Of hij terug wil naar de elitaire en door de adel gedomineerde samenleving van de achttiende eeuw en dus het gros van de inwoners van het land het stemrecht wil ontnemen? Of hij de democratie wil afschaffen? Hoe dit streven zich verhoudt tot zijn strijd tegen de huidige elite die hij ‘het kartel’ noemt?

Dan komen we er echter niet met: “van social media-bedrijven te eisen dat ze hun verantwoordelijkheid nemen en hun platforms niet laten misbruiken,” zoals Klaver aandraagt. Dan moeten we de ‘wij, ‘waar Klaver over spreekt niet alleen zo groot mogelijk maken maar ook zo sterk mogelijk. En daarmee kom ik bij een gat in Klavers verdedigingslinie. Een gat waarop Martha Nussbaum in haar boek Not for Profit uit 2011 wees: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling).” Dat gat bestaat uit een hartstochtelijk pleidooi voor onderwijs gericht op het versterken van die democratische vaardigheden. Een pleidooi om het onderwijs te richten op het aanleren van vaardigheden die nodig zijn om, zoals Nussbaum schrijft, de democratie levend te houden in plaats van het opleiden van ‘bruikbare machines’ voor de ‘economie’. Het zou zomaar kunnen dat dergelijk onderwijs ook leidt tot ‘zelflerende en denkende machines’ waarvan naast de democratie ook onze samenleving en zelfs de economie profijt hebben.

Uitgelicht

Democratie en omgangsvormen

“Democratie betekent dus zeker niet dat alles is toegestaan.[1] Aan die zin uit het boek Morele vooruitgang in duistere tijden van Markus Gabriel moest ik denken toen ik bij Joop las dat FvD-Kamerlid Gideon van Meijeren blij is dat aanhangers van zijn partij haatmails sturen naar Volt-Kamerlid Nilüfer Gündoğan en zelfs naar haar naasten. Van Meijeren:“Ik ben trots op onze achterban dat zij alles op alles zetten om mevrouw Gündoğan ervan te overtuigen dat ze met haar absurde beleid moet stoppen.” En zijn partijgenoot Van Houwelingen D66 Kamerlid Sjoerdsma dreigend toesprak met de woorden:“Uw tijd komt nog wel, bij de komende tribunalen.”

Eigen foto

Waarom moest ik aan die passage denken? Het lastigvallen met haatmails is binnen een democratie geen geoorloofd middel om je gelijk te krijgen en iets wat we niet moeten toestaan. Van een in onze democratie zo belangrijke functionaris als een Kamerlid mogen we een scherpe veroordeling van dit soort praktijken verwachten. Ook het bedreigen van collega Kamerleden met tribunalen is niet iets wat binnen onze democratie past. Onze democratie kent geen tribunalen. Als je vindt dat iemand iets verkeerd heeft gedaan dan doe je aangifte waarmee je het Openbaar Ministerie vraagt om de zaak te onderzoeken. Vind je als Kamerlid dat de regering iets niet goed doet, dan gebruik je de middelen die een Kamerlid ter beschikking staan om dat aan te kaarten.

Ik moest aan die passage denken omdat Van Meijeren de democratie lijkt te gebruiken om haar af te schaffen en, zoals ik al eerder schreef, dood te verklaren. Een gekozen Kamerlid en een partij die opereren in het hart van onze democratie die zoiets zeggen, wat moeten we daarvan denken? Gabriel behandelt dat onderwerp. Volgens Gabriel is: “de democratie (…) gerechtvaardigd en zelfs moreel geroepen om haar eigen voortbestaan te verzekeren[2].” Dit omdat de waarden die eraan ten grondslag liggen universeel geldend zijn omdat ze: “tot doel (hebben) om acceptabele en in het ideale geval gunstige institutionele kaders te bieden voor de ontwikkeling van alle menselijke persoonlijkheden die denkbaar zijn binnen het kader van de morele legitimiteit.” De uitspraken van Van Meijeren en Van Houwelingen zetten de bijl in dat doel.

‘Maar we hebben toch vrijheid van meningsuiting en ook dit geluid moet gehoord worden en een plek krijgen? Zou je kunnen tegenwerpen’ Ja, je mening mag je uiten. Maar, zo betoogt Gabriel: “We kunnen minderheden lang niet altijd het recht geven om gehoord te worden en deel te nemen aan besluitvormingsprocessen.” Vervolgens geeft hij wat voorbeelden: “Kindermisbruikers, antidemocraten, duidelijke tegenstanders van de Grondwet, moordenaars enzovoorts hebben gewoon vanwege hun morele tekortkomingen (wat daarvoor verder ook de verklaring mag zijn) niet het recht om als minderheden te worden beschermd tegen institutionele onverbiddelijkheid.[3]

De Kamerleden van het Forum voor Democratie geven er blijk van dat zij de basisregels van onze democratie aan de laars lappen. Niet alleen met deze, maar ook met eerdere uitspraken. Ze doen dat zelfs in het hart van onze democratie en nemen daar deel aan de besluitvormingsprocessen. ‘Maar in de Kamer moeten men toch vrijuit kunnen spreken?’ Het antwoord op die vraag is JA. Maar weer met een grens. Niet iedere mening is het waard gehoord te worden en moet meegewogen worden in de besluitvorming. Mensen die de democratie aanvallen, hoeven niet gehoord te worden. Getuigen de fractieleden van het Forum voor Democratie hier niet van hun morele tekortkoming, om die woorden van Gabriel te gebruiken? Moeten we in het hart van onze democratie een partij tolereren die diezelfde democratie ondergraaft? Staat hier niet veel meer op het spel dan de ‘omgangsvormen waarover Kamervoorzitter Bergkamp naar aanleiding van deze uitlatingen een gesprek wil voeren?


[1] Marcus Gabriel, Morele voortuitgang in duistere tijden, pagina 47

[2] Idem, pagina 46

[3] Idem, pagina 45

Uitgelicht

In het verleden behaalde resultaten…

“Het is tijd voor opstand. Een regering die op zoveel fronten faalt en bezopen maatregelen uitvaardigt teneinde haar eigen incompetentie te verbloemen, verdient het niet om gehoorzaamd te worden.” Dit schrijft iemand die zich Me, myself and I noemt, onder een artikeltje bij Joop. Het artikel handelt over de dwangsom van € 2.500 die de gemeente Haarlem heeft opgelegd aan theater De Liefde. In dat theater bezochten teveel mensen een try-out van cabaretier Theo Maassen. Toen ik dit las moest ik denken aan het gesprek dat ik vlak voordat ik dit las, had met mijn vrouw.  Als ‘eindredacteur’ leest mijn vrouw al mijn Prikkers als eerste en ze haalde na het lezen van mijn laatste prikker aan dat het al de derde keer was dat ik schreef dat we zuinig moeten zijn op onze overheid en democratie en dat we beiden zelfs moeten versterken. ‘Wat verliezen we dan?’ Schrijf daar maar eens over’. Een mooie koe om bij de hoorns te vatten.

Tiananmen Square protests of 1989 | As seen on en.wikipedia.… | Flickr
Bron: flickr

Hoe ziet die koe die we kunnen verliezen eruit? Daarvoor een uitstapje naar De oorsprong van onze politiek een boek in twee delen van de Amerikaan Francis Fukuyama. Hij geeft een ‘geschiedenis van de ‘wereldpolitiek’. Hij beschrijft die geschiedenis aan de hand van drie eigenschappen. De eerste eigenschap is de moderniteit van de staat. De tweede eigenschap betreft de rechtsorde en als laatste de verantwoordelijkheid. Als we Nederland langs de drie eigenschappen van Fukuyama leggen, wat zien we dan?

Dan zien we een moderne staat en overheid. Een overheid die haar dienaren selecteert op basis van hun kwaliteiten en kennis en niet op basis van hun ouders of kennissen zoals in patrimoniale en tribale samenlevingen om twee andere samenlevingsvormen die Fukuyama onderscheidt te noemen. Dat we een moderne staat zijn is veel waard want dat is niet overal in deze wereld zo. In een moderne staat spelen nog steeds ‘tribale’ en vooral familiaire krachten een belangrijke rol en vooral in tijden van crisis worden die sterker. Dan vertrouwen we onze ‘eigen stam’ meer en de eigen familie nog meer. Dat Nederland een moderne staat is, biedt geen garantie dat dit altijd zo zal blijven. Want ‘in het verleden behaalde resultaten …’. Zo kun je beargumenteren dat Turkije onder president Erdogan van een moderne een patrimoniale staat aan het worden is en ook de Verenigde Staten onder Trump kregen trekken van een patrimoniale staat. Trouwens, over dat verleden gesproken, de ‘moderniteit’ van onze samenleving is pas de laatste paar honderd jaar gegroeid en dus van vrij recente datum.

Dan de tweede eigenschap. Nederland is een rechtsstaat met een sterke rechtsorde waaraan iedere inwoner, bedrijf, instelling maar ook de overheid ondergeschikt is. Iets wat niet vanzelfsprekend is en wat ook niet als vanzelf samen gaat met het zijn van een moderne staat. Zo was de eerste moderne staat, het Qin China van 2.200 jaar geleden. Een rechtsorde was het echter niet omdat de wil van de keizer wet was. Het verschilt hierin niet van het huidige communistische China. Dat heeft dan wel een grondwet en wetten maar die binden de nieuwe keizer, de communistische partij, niet. Die staat boven de wet. Dat Nederland nu een rechtsorde is heeft het, zo betoogt Fukuyama, te danken aan de strijd tussen de kerk en de staat. Maar hier ook geen garantie dat het altijd zo zal blijven. Ook hier weer: ‘in het verleden behaalde resultaten…’. Een rechtsorde kan worden afgebroken en ondermijnd. Zo kun je beargumenteren dat de activiteiten van Erdogan in Turkije, Orbán in Hongarije en de Poolse PiS partij de rechtsorde ondermijnen.

Daarmee komen we bij de derde eigenschap de verantwoordelijkheid of beter gezegd: de verantwoordelijke overheid. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[1] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch. Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en regelmatig, in ieder geval een keer per vier jaar, voor het gehele volk. Ook de landen om ons heen kennen een soortgelijke manier van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd. Ook die verantwoordelijke overheid is van recente datum. Ze ontwikkelde zich zo vanaf 1500. Al moeten we ons bij ‘het volk’ in die begintijd niet al te veel voorstellen. Dat bestond uit de hoge adel. Pas in de negentiende eeuw ging het grotere delen van de bevolking omvatten en pas sinds begin twintigste eeuw (in Nederland sinds 1917) omvatte het volk alle volwassen mannen en vrouwen. Maar ook hier bieden de ‘in het verleden behaalde resultaten, …’.

Wij mogen ons gelukkig prijzen met een moderne overheid in een land met een rechtsorde waar de regerenden verantwoording afleggen en weggestuurd kunnen worden door de geregeerden. En alhoewel niet perfect, het mag voor ons dan vanzelfsprekend zijn, dat is het niet. Dit hele huis is gebaseerd op jaren en op sommige gebieden eeuwenlang opgebouwd vertrouwen. En zoals het spreekwoord luidt: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. En het lijkt het erop het vertrouwen gestopt is met lopen en bezig is het paard te zadelen. Een burger die oproept tot een opstand is tot daaraantoe. Maar partijleiders die niet verliezen bij de volgende verkiezingen belangrijker vinden dan het besturen van het land en daarom het vormen van een nieuwe regering traineren maar onderwijl wel gewoon door regeren, vormen wel een bedreiging. En nog veel erger PVV-leider en enigst lid die al jaren roept dat onze rechtspraak een farce is en de Kamer een ‘nepparlement. Kamerleden zoals Gideon van Meijeren van het FvD die onze democratie dood verklaart en goedkeurend wordt gadegeslagen door zijn politiek leider Baudet.’ Dit draagt niet bij aan het versterken van vertrouwen. Het lijkt erop dat het vertrouwen al op het paard zit en de draf versnelt.

Een moderne overheid kan nog zonder vertrouwen, maar ik weet niet of dat zo’n prettige landen zijn om in te wonen. Zonder vertrouwen echter geen verantwoordelijke overheid. Zonder vertrouwen geen rechtsorde. En als het vertrouwen eenmaal weg is, dan is het zomaar nog niet terug. Een moderne democratische rechtstaat met een verantwoordelijke overheid afbreken is snel gedaan, er eentje opbouwen is veel lastiger zoals de casus Afghanistan laat zien. Dat vergt een lange, heel lange wandeling zonder garantie op succes. Immers ‘in het verleden behaalde resultaten …’.


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

Uitgelicht

Vrijheid en vrijheid

“DIT ZIJN ZE DAN. Een heel groot deel van die 1,8 mln waar Huug angst over zaait. Vrienden collega’s, familieleden, buren die straks niet zomaar deel mogen uitmaken van die samenleving. Die niet alleen graag zelf op vakantie willen kunnen, maar opkomen voor de vrijheid van ons ALLEMAAL. Die zich uitspreken tegen medische apartheid en uitsluiting. Die zien wat onze democratische grondrechten nog waard zijn en die niet wegkijken of leven in angst.” Een stukje tekst van Mariël van der Lee dat me via LinkedIn bereikte en dat een serie foto’s begeleidde van de demonstratie tegen van alles en nog wat die op 5 september door Amsterdam trok. Een demonstratie die zichzelf afficheerde als ‘de grootste vrijheidsdemonstratie ooit’. Een bijzonder bericht.

Mill
Eigen foto

Ik was er niet bij. Ja, ik vind dat er iets aan de woningnood gedaan moet worden, dat de Groningers die schade aan hun huis hebben door de winning van aardgas goed geholpen moeten worden en dat de overheid daar op dit moment steken laat vallen. Ik nam niet deel. Ik nam niet deel omdat het toch eerst en vooral een demonstratie was tegen de corona-maatregelen van onze regering. Maatregelen die niet altijd even consequent zijn, waar zeker het een en ander op aan te merken is en die erg slecht worden gecommuniceerd door de betreffende bewindspersonen waaronder ‘Huug’. Maar om de situatie, zoals Nederland in Verzet een van de organisatoren doet, te beschrijven als: “Een Zomer vol Fake nieuws, Fake nieuws van onze eigen overheid. Fake news van alle wereldleiders. The Great Reset. Mensonterende vaccinaties, criminele testresultaten en medische apartheid. Maar ook VacciNazi spijt en verzwegen VacciNazi doden,” dat gaat mij te ver en niet een klein beetje te ver.

Met mensen die dergelijke onzin uitkramen wil ik niet geassocieerd worden. Sterker nog, als we ergens niet van weg moeten kijken, dan is het van mensen die dergelijke onzin uitkramen. Die moeten we aan de kaak stellen. Die moeten we ontmaskeren voor wat ze zijn: volksmennende charlatans. En als er iets is dat onze vrijheid bedreigt, dan zijn het wel volksmennende charlatans. Volksmennende charlatans zoals FvD Kamerlid Gideon van Meijeren die in alle vrijheid staat te demonstreren dat hij zijn vrijheid terug wil. Die als charlatan grossiert in allerlei complotten. Die als gekozen Kamerlid onze democratie dood verklaart maar daar niet de consequentie aan verbindt om dan de Kamer maar te verlaten en vervolgens ook af te zien van het wachtgeld. Zoals zijn fractievoorzitter, Thierry Baudet, die het ‘gebral’ van zijn partij- en fractiegenoot instemmend aanhoort en die conclusie ook niet trekt. Nee, ze blijven als ‘subsidieslurpers’ op kosten van het volk zitten en gebruiken hun positie om hun zakken te vullen.

Ja, ik heb me laten vaccineren. Daar heeft niemand mij toe gedwongen. Dat heb ik gedaan om dat ik ervan overtuigd ben dat dit op dit moment de beste manier is om zoveel mogelijk mensen te beschermen tegen het coronavirus. En nee, niet beschermen zodat ik het niet meer krijg, maar beschermen zodat als ik het krijg er niet te ziek van word en in het ziekenhuis beland. Ik heb me laten vaccineren zodat we corona daadwerkelijk kunnen gaan zien als een soort griep. Een soort griep die je ziek maakt. Een soort griep die enkelen van ons in het ziekenhuis doet belanden maar niet in die mate dat onze gezondheidszorg vastloopt. Dat heb ik in vrijheid gedaan.

En daarmee kom ik bij het citaat waarmee ik begon en de naam die de organisator aan de demonstratie gaf en dus bij het woord vrijheid. Van der Lee en de organisatoren doen het voorkomen alsof vrijheid aan hun kant staat. Alsof die andere ruim 15 miljoen Nederlanders staan voor onvrijheid. Of sterker nog alsof die willoos als een zombie achter ‘Huug’ aanlopen. Ook ik, een van die 15 miljoen anderen sta voor vrijheid en ik denk het overgrote deel van de rest ook. Al kan ik natuurlijk niet voor hen spreken. Net zoals Van der Lee niet kan weten of al die demonstranten hetzelfde denken of voor, of correcter tegen hetzelfde streden als zij. Alleen ziet mijn definitie van vrijheid er iets anders uit dan die van Nederland in Verzet en dan die van de ‘subsidieslurpers’ van het Forum voor Democratie.

Mijn definitie van vrijheid heeft niets te maken met ‘op vakantie gaan’ of naar festivals of de Dutch GP of een voetbalwedstrijd gaan. Vrijheid is niet van het hedonistische ‘doen en laten wat ik wil’. In mijn definitie van vrijheid vervult de ander een belangrijke rol. Mijn vrijheid is onlosmakelijk verbonden met de vrijheid van die ander. Om John Stuart Mill te citeren: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.[1]Als we met deze uitspraak naar het vaccinatiedebat kijken dan heeft mijn vrije keuze en de keuze van die 15 miljoen andere voor vaccinatie geen nadelige gevolgen voor een ander en dus ook niet voor die 1,8 miljoen ‘anderen’. De keuze van de 1,8 miljoen om zich niet te vaccineren kan daarentegen wel negatieve gevolgen hebben voor mij en die 15 miljoen anderen. Mill volgend valt die keuze daarmee dus onder de jurisdictie van de maatschappij.


[1] John Stuart Mill, Over Vrijheid¸ pagina 127