Imperialistische privileges

Op de opiniesite JOOP een artikel van student Marc van Waarden. Van Waarden pleit voor het erkennen van de omvang en de gruwelijkheid van de Nederlandse koloniale geschiedenis. Van Waarden: “350 jaar onderdrukking en vernietiging verdwijnen niet als sneeuw voor de zon en hoewel witte Nederlanders zich niet schuldig hoeven te voelen om het koloniaal verleden, moeten (we) de invloed van dat verleden en de onderdrukkingen en privileges die onze erfenis zijn erkennen en bestrijden.” Als historicus doet het mij deugd dat u zich interesseert voor de geschiedenis. Daarom een aanvulling op uw betoog.

De moderne zijderoute. Bron: Wikipedia

Koloniaal en imperialistisch gedrag is van alle tijden. Daaraan maakten en maken alle landen die op enig moment tot de machtigsten behoorden en behoren, zich schuldig. In mijn artikel Wat was en IS besteedde ik er al aandacht aan. Trouwens ook de minder machtigen. De Verenigde Staten doen het nu nog steeds, lees de brief van hun ambassadeur in Nederland Hoekstra er maar eens op na. Of neem de Chinese ‘plannen’ met de nieuwe zijderoute. De plannen van Erdogan om hier weekendscholen op te zetten. Het Nederlandse ontwikkelingshulpgeld waarvoor ‘Nederlandsche waar’ moet worden gekocht. Allemaal voorbeelden van imperiaal en koloniaal gedrag. En ja, dat leverde en levert voordelen op, in uw termen ‘privileges’. Een eventuele toekomstige Afrikaanse wereldmacht zal dat ook doen. 

Trouwens, die Republiek die in 1815 koninkrijk werd, zoals u schrijft,  kende ook ‘Europese koloniën’. Die noemden ze ‘ Generaliteitslanden’ Limburg en grote delen van Noord-Brabant behoorden hiertoe. Ja, imperialisme werd ook binnen Europa bedreven. 

En ja, de transatlantische slavernij was erg. Net als trouwens slavernij in Europa, alleen werd die lijfeigenschap en horigheid genoemd. In het grootste deel van Europa werd die ook pas aan het eind van de negentiende eeuw afgeschaft. Die Transatlantische slavernij past in een triest rijtje met een variëteit in daders en slachtoffers

Nu kunnen we ons heel druk maken over wat er 300 jaar geleden gebeurde. Dat kunnen we echter niet meer veranderen. Waar we wel wat aan kunnen doen, is het imperialisme, kolonialisme en de slavernij van tegenwoordig. Als we dit vergeten dan zitten onze kleinkinderen in hetzelfde parket als wij nu. Dan zullen ‘uw kleinkinderen’ zeggen dat we ‘privileges’ hebben gebaseerd op het imperialistische verleden dat ons heden is. Dan kunnen ‘mijn kleinkinderen’ reageren zoals ik nu reageer. 

Wat we nu wel kunnen doen is het verleden bestuderen. Dan ontdekken we patronen zoals het imperialistische gedrag van machtigen. Bestuderen maar niet misbruiken voor onze ‘politieke doelen’ in het heden. Iets waar uw betoog naar neigt. Het Forum voor Democratie en hun leider Baudet geven daar op de website van de partij een ‘mooi’ voorbeeld van. Een voorbeeld dat vroeg om een reactie.  

Zwijgen over de ander

Integratie van ‘nieuwkomers’ in de Nederlandse samenleving is een belangrijk item en onderwerp van menig discussie. Van die nieuwkomer wordt verwacht dat hij zich aanpast en gaat ‘doen als wij doen’. Het inburgeringsexamen is erop gericht om de nieuwkomer te leren hoe wij hier doen en handelen. Van de nieuwkomer wordt verwacht dat hij deelneemt aan het verenigingsleven, contact zoekt met anderen in dit land en actief wordt in zijn buurt. In die discussie wordt benadrukt dat die nieuwkomer anders is en afwijkt van ‘de norm’. Is al die nadruk op dat inburgeren en het ‘worden zoals wij’, als al duidelijk is wie die wij zijn, wel verstandig? 

Eigen foto

Ik stel die vraag omdat ik halverwege het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst van de socioloog Richard Sennett ben. Hoe het ‘afloopt’ kan ik jullie nog niet vertellen. Dat komt vast nog wel een keer. Zo ongeveer op de helft, op pagina 182, constateert Sennett iets waarbij ik aan het Nederlandse beleid over integratie en inburgering moest denken. Sennett: “Meer in het algemeen kun je zeggen dat gemengde gemeenschappen alleen goed functioneren als het bewustzijn van de Ander niet al te zeer op de voorgrond staat. Als het door een bepaalde gebeurtenis wel op de voorgrond komt te staan, wordt de last van het anders-zijn sterker gevoeld en kan het wantrouwen intreden.” 

Zwijgzaamheid baart vertrouwen, aandacht versterkt wantrouwen, constateert Sennett. Dat ergens de nadruk op leggen betekent dat het gaat opvallen, klinkt niet vreemd in de oren. Als de nadruk wordt gelegd op die ‘roze olifant’ al is het maar door te zeggen dat je er niet op moet letten, ga je er juist op letten. Zou Sennett een punt hebben? 

Als dat zo is, zouden we dan met al die aandacht en nadruk op inburgering en integratie niet juist het paard achter de wagen spannen? Door erop te hameren, worden we ons bewust van het ‘anders’ zijn van de nieuwkomer. Leidt dit beleid er niet toe dat verschillen worden uitvergroot? Zou dat dan niet alleen voor de nieuwkomer gelden maar ook voor ‘niet nieuwkomers’ die ‘anders’ zijn dan de norm?

Zwijgzaamheid baart vertrouwen,” schrijft Sennett. Zwijgzaamheid en wat hij het “oppervlakkig ritueel” noemt: “Je vraagt de buurman hoe het met hem gaat, ook als je het niet zo nodig hoeft te weten. Je doet het als teken van erkenning.” Zullen we het eens gaan doen: zwijgen over de ‘ander’ en oppervlakkige gesprekken met elkaar voeren?

De tragedie en de klucht

The Tragedy of the Commons. Ik heb er al vaker over geschreven. De teloorgang van de gemeenschappelijke gronden, ook wel de meent. De boeren uit vroeger tijden die hun eigen land bewerkten en daarnaast gebruik mochten maken van weide, water en bos. Weide, water en bos dat aan de landheer toebehoorde. De boeren overleefden omdat ze gebruik konden maken van die meent.

Bron: Flickr

Volgens de munter van het begrip ‘tragedy of the commons’, Gareth Hardin, kwam hier een einde aan door boeren die hun eigen belang najoegen. Door meer schapen te laten weiden, put de weide langzaam uit, maar in het begin heb je een hogere opbrengst. Nu wil het dat het systeem van de meent eeuwen heeft bestaan zonder dat het instortte. En het is ook niet ingestort door ‘zelfzuchtige’ boeren die meer schapen namen. Het is ingestort door zelfzuchtige landheren. Landheren die het gewoonterecht onder de meent niet konden veranderen. Dat kon alleen een ‘hogere macht’ en dat werd de landsregering. In Engeland het parlement en dat nam wetten aan die het de landheer toestond om zijn bezit te omheinen zodat niemand het kon betreden. De landheren konden het land vervolgens gebruiken en er schapen op weiden of graan op telen. De arme boeren verloren zo hun levensonderhoud en dat kwam de landheer wel goed uit. Hij had immers werk en een deel van die boeren konden nu het land van de landheer bewerken. De overigen werden pauper en konden in de fabrieken gaan werken die in die tijd, eind achttiende eeuw, op begonnen te komen.

Maar wie denkt dat dit iets is uit de oude doos, vergist zich. Op de Belgische site MO een artikel over de hedendaagse tragedie van de gemene gronden. “In 2006 verloren bijvoorbeeld tweehonderd families de toegang tot hun land in het district Sre Ambel in Cambodja om plaats te maken voor een suikerplantage. In Liberia werden boeren geëvacueerd nadat de regering 350.000 hectare toewees aan de Maleisische multinational Sime Darby, wat tot onenigheid en conflict in de regio heeft geleid.” Nu zijn het niet de lokale landeigenaren, maar grote (multinationale) bedrijven. “Dit is een gevolg van een wereldwijd gebrek aan overheidsbeleid en de opkoopstrategie van bedrijven die de soms eeuwenoude aanspraak van gemeenschappen op bepaalde stukken land gewoon negeren.” En net als in de achttiende eeuw, leidt dit tot toenemende landbouwopbrengsten, toenemende armoede en een toenemende stroom van migranten.

Volgens MO is het: “essentieel de eigendomsrechten voor inheemse bevolkingsgroepen te waarborgen.” Hierbij wordt verwezen naar voorbeelden waarbij “het verwerven van land als eigendom heeft geleid tot meer duurzaam bos- en landbeheer en -gebruik. Zo bleken bijvoorbeeld kleine boeren in Ethiopië die land hadden kunnen verwerven, 60 procent vaker te investeren in de preventie van bodemerosie.” In Europa begonnen de problemen juist met de vestiging van ‘eigendomsrechten’, daarmee werd de markt en de kapitalistische productiewijze omarmd. Dat was het begin van de intensieve landbouw. L’Histoire se répète, zo zeggen de Fransen. En Marx vulde aan: eerst als tragedie en daarna als klucht…. 

Denken over economie (deel 1)

Zoals in twee eerdere twee prikkers toegezegd, een reeks over economisch denken. Dat doe ik aan de hand van belangrijke denkers over economie en het kapitalisme uit de moderne geschiedenis. Deze behandeling is niet uitputtend. Er zijn meer denkers die zich in de moderne tijd over de economie hebben gebogen en ook in de pre-moderne tijd werd er al over de economie nagedacht.

De economische wetenschap is een bijzondere soort wetenschap. Een bijzonder soort wetenschap waarvan een van haar beoefenaren, de Koreaan Ha-Joon Chang in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme zegt dat het (pagina 16): ”…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering, zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” Een bijzondere uitspraak voor een econoom omdat veel van zijn vakgenoten het juist doen voorkomen dat het anders ligt. Zij schermen met ingewikkelde wiskundige modellen waarover ik al eerder schreef.   

Eigen foto

In de economie staan menselijke beslissingen centraal. Beslissingen van ons allemaal individueel maar vooral beslissingen van diegenen die de regels kunnen bepalen. Beslissingen leiden niet altijd tot de gewenste resultaten. En zoals bij alle beslissingen zijn, en waren, er ook andere keuzes mogelijk. Andere keuzes die tot andere gewenste of ongewenste resultaten leiden. Bij het nemen van die beslissingen worden wij mensen en dus ook degenen die de regels bepalen, geleid door onze visie op de werkelijk. Niet iedereen is zich bewust van zijn visie op de werkelijkheid. Bij dit weten hoort kennis hebben van het verleden, de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt en de achtergronden bij die keuzes. Hierbij moeten we die keuzes proberen te zien met de ogen van mensen uit die tijd. Daarbij is inzicht in het denken over onze economie en het kapitalisme onontbeerlijk. 

Het klassiek economisch denken

Als we het over economie en het kapitalisme hebben dan kunnen we niet om Adam Smith en John Stuart Mill heen. Bij het schrijven over Smith baseer ik me voornamelijk op De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy. 

Adam Smith schreef over de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van eerst één product of productsoort en in toenemende mate zelfs alleen maar een deel van een product. Smith gebruikt het voorbeeld van de speld. Een speldenmaker kan er slechts een beperkt aantal per dag maken. Door het werk te verdelen in kleinere stappen, een persoon knipt de draad, een tweede maakt de speldenknop, de derde zet de knop op de speld en een vierde slijpt de punt, kunnen er veel meer dan vier keer zoveel spelden worden gemaakt. Deze specialisering leidt tot een toename van de totale productie. Het surplus wordt verkocht op de markt. Met het geld dat daarmee wordt verkregen, kunnen producten worden gekocht. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaalt niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hun het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith (de Utopie van de vrije markt pagina 181): “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigenbelang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.” Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren. 

Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen belang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt tot het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.

Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden dus een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkende John Stewart Mill, een andere bekende klassiek liberaal, dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid (zie J.S. Mill, Over de vrijheid pagina 126-127) Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.” Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belasting ontwijker die zegt alles binnen de bestaande wet- en regelgeving te doen (en daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook) en aan de andere kant Mill die de ontwijken zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen.  Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt  van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen. 

Eigen foto

De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. We zullen later zien dat deze vooronderstelling bij de neoliberalen dogma’s worden. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein en was Mill een filosoof en politiek theoreticus. 

Mill was, in navolging van zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn. Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Het Bruto Binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld.  Utilitarisme kan niet zonder een instantie die ervoor zorgt dat die stappen worden gezet die het meeste geluk of genot brengen. 

Dit denken bevat de kiem van politiek gericht op meer solidariteit en bekommering om elkaar. Die bekommering om elkaar, die solidariteit  met elkaar kreeg een grote boost door een andere denker en groot kenner van het kapitalisme: Karl Marx. Marx beschreef de werking van het kapitalisme en de ‘gebreken’ ervan. Die gebreken kwamen in de loop van de negentiende eeuw aan het licht. In een volgende deel staat Marx centraal.

Hey teacher …

“Ut is ok noeit good of ut deugd neet,” zei mijn moeder vaak. Aan die uitspraak moest ik denken toen ik een artikel van Tim Engelbart bij De dagelijkse Standaard las. Wat is er aan de hand? “Ondanks dat Nederland als geheel flink naar rechts getrokken is, blijkt het onderwijs als geheel nog een uitermate links bolwerk waar Karl Marx tevreden op kan neerkijken vanaf zijn wolk. Van alle leraren is namelijk 33% (!) van plan op GroenLinks te stemmen in maart. Nog eens 17% wil voor de PvdA gaan, terwijl SP (12%) en D66 (13%) het ook zeer goed doen. In totaal halen linkse partijen maar liefst 80% van alle stemmen onder onderwijzers.” Zetten al die ‘linkse gekkies’ zich in voor de kinderen van Engelbart en andere ‘rechtse ballen’, is het nog niet goed.  

Bron: Sketchport

Volgens Engelbart is er: “Voor Geert Wilders en Thierry Baudet (…) dus nog een wereld te winnen op zowel de basis- als de middelbare school. Niet alleen voor zichzelf en hun zetelaantallen, maar ook voor de evenwichtigheid van het onderwijs zelf zou het goed zijn als leraren wat gelijkmatiger over het politieke spectrum verdeeld zijn.”

Wel beste meneer Engelbart, wat let u om zich te laten omscholen tot leraar en met u de hele redactie van uw De dagelijkse Standaard. Sluit u aan bij die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik van u als ouder uw kinderen wat bij proberen te brengen. Immers de ‘linkse dominantie’ van het lerarencorps kan alleen worden doorbroken door een flinke instroom van ‘rechtse rakkers’ zoals u. En zolang dat niet gebeurt blijven, zoals u schrijft: “scholen toch een klein beetje de vooropleiding van de Jonge Socialisten en DWARS”  

Maar pas op meneer Engelbart. Zorg dan wel dat u beter ‘indoctrineert’ dan dat door ‘linkse gekkies’ overheerste lerarencorps. Die ‘vooropleiding voor Jonge socialisten en DWARS’ bakt er niet veel van. Dat lerarencorps zorgt er immers al decennia voor dat Nederland wordt gedomineerd door een rechtse meerderheid. Dat partijen zoals die van Wilders en Baudet het goed doen. Pas op want uw loopt het risico dat die jeugdigen die u dan gaat opleiden verworden tot ‘linkse gekkies’. 

Misschien kunt u zich beter stil en afzijdig houden en in uw vuistje lachen met die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik, de Nederlandse jeugd opleiden. Die zorgen immers voor een gestage aanwas van ‘rechtse rakkers.’

Bubbels en bellen blazen

“De geschiedenis van de mensheid is een bijzonder kronkelig pad. Soms lijkt het op een Echternach processie, soms op een sprintwedstrijd en dan weer een zeilregatta zonder wind. Soms zo spannend als het laatste kwartier van de wedstrijd tussen Ajax en Bayern München van 12 december 2018 en soms net zo saai als kijken naar het groeien van gras.”  Dit schreef in ik de Prikker Het leven wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard. Een Prikker die is gewijd aan de het gebruiken of beter gezegd, het misbruiken van de geschiedenis voor doelen in het heden. Het kan echter nog erger. Je kunt die ‘misbruikers’ van de geschiedenis veel verwijten, dat ze selectief winkelen, dat ze met hedendaagse ogen, normen en waarden kijken. Wat je ze niet kunt verwijten is dat ze het verleden niet bestuderen. Bij anderen heb ik het idee dat ze de geschiedenis niet kennen.

Bron: Pixabay

Bij De Correspondent interviewde Karel Smouter hoogleraar bestuurskunde en VVD’er Casper van den Berg. “Vanuit Leeuwarden onderzoekt hij het effect van globalisering op burgers en bestuurders.” Zo wordt Van den Berg geïntroduceerd. En wat constateert Van den Berg: “Hier is lang de vraag geweest wat de nieuwe maatschappelijke ordening zou worden na de verzuiling. In de jaren negentig dachten we dat er een soort Veronica-consensus van vrijheid, blijheid was ontstaan, met alle neuzen ongeveer dezelfde kant op. Dat bleek een schijnconsensus. Waar je woont bepaalt voor een belangrijk deel in wat voor bubbel je zit en hoe je tegen de wereld aankijkt.” Vroeger, in de tijden van de verzuiling: “was er altijd een directe relatie tussen die twee groepen. Ze vormden als het ware een eenheid en kwamen elkaar ook op veel meer plekken tegen. Je had in Den Haag mensen zitten die namens jou en jouw zuil spraken. En in Amsterdam de redactie van een krant die jouw zuil vertegenwoordigde.” Daarvan is nu geen sprake meer: “Ik onderscheid de anywheres, degenen voor wie globalisering vooral voordelen heeft, in deze grafiek van de somewheres, die minder goed uit de voeten kunnen met de globalisering. Vervolgens kijk ik ook wáár deze mensen wonen. Dan valt op dat de anywheres in de bruisregio’s (14 procent) verhoudingsgewijs maar een klein deel van Nederland beslaan. Dat zijn de journalisten, de politici, de wetenschappers, die vanuit Den Haag en Amsterdam de toon zetten. De groepen onder in de grafiek zijn de bewoners van de oude wijken (21 procent), van middelgrote gemeentes (17 procent) en plattelandsregio’s (12 procent), die veel verder van de “macht” af zitten. De politieke instabiliteit die je op veel plekken in de wereld ziet, komt volgens mij uit dit verschil voort.”  Nu doet de plek waar je woont ertoe want: “De politieke scheidslijnen lopen steeds vaker tussen regio’s die bruisen en regio’s die krimpen.”

Politieke scheidslijnen tussen gebieden waar het goed gaat en waar dat niet het geval is, is dat nieuw? Liepen er in de oudheid geen politieke scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar dat niet het geval was? Dat was de Egyptenaren, Babyloniërs of Atheners vreemd. Iedereen stond te juichen toen het de Romeinen zo goed ging dat ze zich spontaan bij hun ‘wereldrijk’ aansloten. Omgekeerd, die Farao, de koning van Babylonië, de vrije Atheners en de burgers van Rome keken niet neer op anderen. De rijkdom van Rome wekte geen afgunst of begerig verlangen. Dat speelde helemaal niet mee bij Alarik, de leider van de Visigoten, toen hij in 410 Rome binnenviel. Daarbij speelden politiek motieven als macht in het geheel geen rol. Dat had niets te maken met scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar niet. Ook de Opstand van de Verenigde Provinciën tegen de Spanjaard had niets te maken met scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar niet. Zelfs tussen die Provinciën, tussen de steden binnen een provincie en tussen steden en het ommeland speelde die scheidslijn geen enkele rol. Trouwens ook niet bij de Amerikaanse en Franse revolutie. Dat is echt iets van onze tijd. Gelooft u dat?

Zelfs in de korte glorietijd van de verzuiling liepen er ‘politieke scheidslijnen’ tussen bruisende regio’s en regio’s die niet zo goed mee konden komen. Korte glorietijd omdat de verzuiling slechts een kort intermezzo was in de geschiedenis. Een intermezzo waar we zo vanaf het einde van de negentiende eeuw in begonnen te rollen en dat een eeuw later alweer volledig was verdwenen. Vooral het einde van die hoogtijdagen, de jaren vijftig, kenmerkten zich door de wederopbouw en een flinke groei van de bevolking wat overal voor activiteiten zorgde. Ja, het einde van een oorlog is goed voor de economie. Wel waren er regio’s die harder bruisten dan andere. Ook kenmerkend voor deze glorietijd was dat alle politieke stromingen meewerkten aan de opbouw van een sociaal stelsel dat ervoor zorgde dat iedereen op een redelijk niveau kon leven. Dat echte armoede werd uitgebannen en dat de verschillen in inkomen en vermogen niet al te groot waren. Een periode waarin een samenleving meer was dan een verzameling individuen waaruit zij tegenwoordig lijkt te bestaan. 

Bron: Wikipedia

Inderdaad zaten er mensen in Den Haag die namens je zuil spraken. Alleen spraken mensen van verschillende zuilen niet veel met elkaar. Ze zaten, om het met een moderne uitdrukking te zeggen, in een eigen ‘bubbel’. Ja want ook ‘bubbels’ zijn niet nieuw. Voor een communist stond de waarheid in De Waarheid, voor een katholiek in de Volkskrant en zo kunnen we doorgaan. Ook voor de verzuiling zaten mensen in een ‘bubbel’ die bij hun denkwereld aansloot. Dat is allemaal niets nieuws immers de mens zoekt vooral naar bevestiging van zijn eigen gelijk en denkwereld. Dat geeft hem een zeker en veilig gevoel ook al kan dat ‘gelijk’ van de ene op de andere dag veranderen in ongelijk. Zo viel de Berlijnse muur bijna van de ene op de andere dag en met die muur ook het Oostblok en daarmee zag ‘het gelijk’ er ineens anders uit. 

Wat ook niets nieuws is, zijn wetenschappers die de wereld proberen te verklaren aan de hand van een model. Van den Bergs ‘anywhers en somewheres’ is ook zo’n model. En net zoals ieder model dat probeert het licht te laten schijnen op de werkelijkheid, is het een versimpeling ervan. Dat is niet erg, als dat er maar bij wordt verteld en er met twijfel over wordt gesproken. Van den Bergs model is wel een erg grote versimpeling. 14% van de Nederlanders zijn de ‘anywheres’ die voordeel hebben bij de globalisering en die wonen in Den Haag en Amsterdam en dat zijn: “de journalisten, de politici, de wetenschappers.” 14%, dat zijn bijna 2,4 miljoen mensen. Of eigenlijk nog groter want ook van de 21% in de oude wijken, woont er een flink deel in Amsterdam en Den Haag. Ik wist niet dat er zoveel mensen tussen de Amsterdamse grachtengordel en onder de Haagse kaasstolp pasten. 

Volgens Van den Berg is er: “weinig tot geen contact tussen de bubbel die het voor het zeggen heeft en de bubbel van de regio’s die er niet toe doen.” Ook dat is niets nieuws. Ten tijde van de Republiek was het niet zoveel anders. Amsterdam keek neer op de andere Hollandse en Zeeuwse steden. Die keken weer neer op de kleinere steden en dorpen en allemaal keken ze neer op de ‘Generaliteitslanden’. Zo ging het huidige Limburg er pas echt toe doen toen er steenkool werd gevonden en deed het er na de sluiting van de mijnen ineens veel minder toe. Nu zien we hetzelfde met Groningen gebeuren.

Met zijn ‘bubbel die het voor het zeggen heeft’ en de ‘bubbel van de regio’s die er niet toe doen’ creëert Van den Berg weer het onderscheid is tussen volk en elite. Het aambeeld waarop velen hameren en die velen situeren zich allemaal aan de kant van het volk. Dit terwijl hun posities in de samenleving alle kenmerken van elite hebben. Neem de in mijn woonplaats geboren Wilders, die claimt al jaren een positie buiten de elite terwijl hij zo ongeveer het langst zittende kamerlid is en zelfs een, zij het korte, periode mee aan de knoppen heeft gezeten. Sinds kort heeft hij concurrentie van Baudet, de ‘grootst intellectueel’ van Nederland. Enige verschil is dat Van den Berg de elite geografisch situeert in Den Haag en Amsterdam. Dit terwijl de eerdere ‘elite’ overal woonde. Een nieuwtje: winnaars en verliezers van de globalisering wonen overal. Ze wonen zelfs verspreider dan de leden van de zuilen uit eerste helft de vorige eeuw. 

“De politieke instabiliteit die je op veel plekken in de wereld ziet,” wordt volgens Van den Berg veroorzaakt door die ‘machtsbubbel’ en de regionale bubbels die er niet toe doen. Inderdaad speelt die ‘machtsbubbel’ daar een belangrijke rol in, alleen zou die machtsbubbel wel eens heel anders kunnen zijn samengesteld dan Van den Berg denkt. Als die bestaat uit de “journalisten, de politici, de wetenschappers” dan is die bubbel wel heel erg verdeeld over te nemen maatregelen. En als er al grote mate van overeenstemming is, zoals rond bijvoorbeeld klimaatproblematiek, dan leidt dat niet tot maatregelen die deze problemen aanpakken. Of neem de discussie rond de dividendbelasting. Grote overeenstemming onder journalisten, wetenschappers en zelfs politici dat deze belasting gehandhaafd moest worden, toch werd er besloten ze op te doeken. Pas toen duidelijk werd dat Unilever twee hoofdkantoren hield en dus niet één in Nederland, liet het kabinet de maatregel varen.

Bron: Flickr

Maken deze twee voorbeelden niet duidelijk dat de ‘machtsbubbel’ anders is samengesteld dan Van den Berg denkt? Maken ze niet duidelijk dat die ‘machtsbubbel’ maar een zeer beperkt aantal ‘bewoners’ kent. ‘Bewoners’ die vooral moeten worden gezocht bij de multinationals en superrijken van deze wereld? Komen we daarmee niet bij het eigenlijke probleem? Het probleem dat centraal staat in The Price of Inequality van Joseph Stiglitz, namelijk de 1% rijksten die bepalen wat er gebeurt omdat zij het geld en de macht hebben. Die 1% meest vermogenden hebben de mogelijkheid en gebruiken die ook om de zaken in hun voordeel te beïnvloeden. Dit doen zij door invloed te “kopen” bij politici. Zij zijn de financiers van de media, de belangrijke universiteiten en denktanks en via deze kanaal beïnvloeden zij de beeldvorming en de samenleving in een voor hun belangen gunstige richting. Als laatste kunnen zij met hun kapitaal ook hun ‘recht’ kopen ook als zij niet in hun recht staan. Met diepe zakken kun je iemand die er niet over beschikt immers ‘failliet’ procederen. Stiglitz spreekt over ‘one dolar, one vote’. De have’s, de 1% van Stiglitz, hebben de mogelijkheden en gebruiken die om de kansen in hun voordeel te buigen. Dit ten nadelen van de have nots die hun kansen op stijging zien vervliegen.

In vroeger eeuwen kenden we, zoals Hans Achterhuis en Nico Koning het in hun boek De Kunst van het Vreedzame vechten noemen, een verticale beschavingsordening (pagina 190): “… een ‘van boven’ opgelegde orde. Dat die ordeningen ‘van boven’, moet – althans voor de meest oorspronkelijke vormen -opgevat worden in de dubbele betekenis van het woord: ze ontwikkelen zich in vaste hiërarchieën en ze komen van God of de goden.” In hun boek onderzoeken zij de oorzaken van geweld en de manier waarop de mens geweld door de eeuwen heen heeft beteugeld. Zij zien gelijkheid als een van de belangrijkste oorzaken van geweld. De verticale ordening was eeuwen lang de manier om het onderling geweld in een clan, stam, dorp, stad of rijk te beteugelen, beteugelen door ongelijkheid aan te brengen. Het gezag kwam van boven en was uiteindelijk gesanctioneerd door een god of de goden. In sommige culturen werd aan de hoogste leider zelfs een goddelijke status toegekend. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Egyptische farao’s maar ook de Chinese en Japanse keizers. Dit zorgde voor stabiliteit en meestentijds voor interne vrede, meestentijds maar niet altijd. Rebellie tegen een heerser betekende vaak ook rebellie tegen de heersende godsdienst en dat zorgden voor een flinke drempel. Maar te brute uitoefening van gezag, het ontstaan van een concurrerende religie, ideologie of identiteit of langdurige onvrede met de manier waarop de macht wordt uitgeoefend waren en zijn de drie hoofdoorzaken waarom mensen in opstand komen. 

Kijken we naar onze huidige westerse samenleving dan zien we dat gelijkheid samen met vrijheid de basis vormt van die samenleving. Onze samenleving kent, in de woorden van Achterhuis en Koning een horizontale beschavingsorde. De eerste artikelen van onze grondwet handelen over gelijkheid en vrijheid. Als gelijkheid een van de belangrijkste oorzaken van geweld is, hoe komt het dan dat samenleving die is gebaseerd op gelijkheid, dan toch relatief vreedzaam is? Dit is, zoals zij het noemen, een gevolg van een proces van modernisering. Dit moderniseringsproces heeft ervoor gezorgd dat in de westerse wereld de verticale ordening min of meer is verdwenen en is vervangen door horizontale vormen van beschavingsordening. We hebben manieren gevonden om zonder de hiërarchie toch geweld te beteugelen. 

Eigen foto

In de ogen van de beide auteurs was modernisering in het westen mogelijk door de demontage van oude systemen en de toegenomen beschikbaarheid van alternatieven, alternatieven die met name gericht zijn op de beheersing van confrontaties. Zij zien zes alternatieven (pagina 254): “… de rechtsorde, de marktorde, de wetenschap, de sport, de overlegcultuur en de democratische procedures.” Dit zijn, volgens de auteurs, manieren om de gevaren van gelijkheid te beteugelen en beheersen. 

Maar wat zien we als we naar onze huidige samenleving kijken? Dan lijkt er op verschillende gebieden een vorm van verticale ordening te groeien, dit in een samenleving die een horizontale ordening kent. Kijken we naar de marktorde dan zien we dat hier onder invloed van het neoliberalisme een veel verticalere ordening lijkt te ontstaat. De groeiende tweedeling tussen tussen de 1%, zoals Stiglitz ze noemt en de overige 99% gaat die richting op. En voor wat betreft de Verenigde Staten toont Stiglitz in The Price of Inequality aan dat die 1% ook de rechtsorde, de (economische en sociale) wetenschap, en de democratische procedures naar hun hand aan het zetten zijn. 

Lijkt Achterhuis en Konings horizontale ordening in de westerse wereld niet onder de grote druk van vooral de 1% te worden omgevormd tot een nieuwe verticale ordening? Een stap in de richting van het anti-moderne? Omdat de markt en het denken hierover de cruciale rol heeft gespeeld begin ik een reeks artikelen over het denken over economie. Want zoals Stiglitz schrijft (pagina XIV): “More than anything else, a sense that economic en political systems were unfair is what motivates the protest around the world.” Een reeks die ik in T-shirts, belastingen en liefdadigheid al aankondigde en waarvoor dit artikel een tweede aanleiding vormt.

Inderdaad maakt het uit op welke plek je wordt geboren. Staat je wieg in Nederland, zelfs in een ‘regionale bubbel’ die niets te zeggen heeft, dan heb je het objectief gezien nog altijd veel beter dan het grootste deel van de wereldbevolking. Zo maakt het ook uit of je in een Wassenaarse villa of in een arbeidershuisje in de Schilderwijk. Dat verschil wordt echter niet veroorzaakt door de locatie maar door het verschil in vermogen. Waarbij de Schilderwijk in de Haagse ‘machtsbubbel’ en Wassenaar ruim tien kilometer verderop ligt. Ik denk niet dat de inwoners van de Schilderswijk de idee hebben dat zij de ‘macht’ hebben. Niet de geografische locatie maar vermogenspositie is leidend. Maar ook dit is niet nieuw want al in de jaren tachtig van de twintigste eeuw zong Harry Jekkers: “Maar wat is nou die vrijheid, zonder huis, zonder baan? Zoveel Turken in Kreuzberg, die amper kunnen bestaan. Goed je mag demonstreren, maar met je rug tegen de muur. En alleen als je geld hebt dan is de vrijheid niet duur.” En Jekkers was daarin niet de eerste en enige. Marx schreef er zijn Das Kapital over. 

Hiertegen helpt geen pleidooi zoals dat van Van den Berg voor: “een betere vertegenwoordiging van burgers uit héél Nederland in politiek Den Haag. Mijn eigen partij, de VVD, verplicht zichzelf om in de top 20 van de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer tenminste één kandidaat uit elke provincie te plaatsen.” Want zou alleen het feit dat een kandidaat die tot die 1% behoort of onder invloed van die 1% staat en die uit Venlo komt, mij als Venlonaar het gevoel geven dat ik meer te zeggen heb? Iemand wiens leef en denkwereld mijlen ver van de mijne staat? Laat ik het zo zeggen, het feit dat Wilders in mijn woonplaats Venlo is geboren en in dezelfde periode dezelfde middelbare school bezocht, maakt nog steeds niet dat ik het idee heb dat hij mij vertegenwoordigt. Het zorgt er niet voor dat ik het gevoel heb dat mijn afstand tot de macht kleiner is geworden. Er zijn anderen, vanuit geheel andere regio’s die mij dat gevoel veel meer geven. Anderen die meer aansluiten bij mijn leef en denkwereld.


T-shirts, belastingen en liefdadigheid

Taxes, taxes, taxes. The rest is bullshit.” Deze uitspraak van Rutger Bregman van De Correspondent galmt door de media. Bregman was te gast op het jaarlijkse feestje van hotemetoten in Davos, het World Economic Forum. In een artikel bij De Correspondent een toelichting van Bregman op zijn denken. Een manier van denken die aanhaakt bij het eerste van mijn drie recente artikelen met als titel Homo economicus en belastingen

In de Volkskrant een interview met Anand Giridharadas die eenzelfde ervaring als Bregman. Hij sprak op een soortgelijke bijeenkomst ‘ De Aspen-consensus’ over filantropie met als gedeelde opvatting: “de winnaars van onze tijd moeten worden uitgedaagd om meer goede dingen te doen.” Giridharadas voegde daaraan toe: “Maar vraag ze nooit en te nimmer om minder schade te berokkenen. Schade zoals belasting ontwijken, geld wegsluizen naar tropische eilanden, risico’s afwentelen op werknemers en speculeren in plaats van waarde creëren – allemaal foefjes waardoor de inkomens van de rijkste 1 procent Amerikanen sinds 1980 verdrievoudigd zijn, terwijl de 50 procent armste Amerikanen er amper een dollar op vooruit is gegaan, hield hij zijn publiek voor.”  Toen ik dit las, moest ik denken aan het boek Doing Good better van William Macaskill. Op de kaft van het boek wordt de auteur geïntroduceerd als “Co-founder of the Effective Altruism movement.” 

eigen foto

Een interessant boek dat ik in 2016 las en waar ik een recensie over schreeft. Omdat het onderwerp nu actueel is, nogmaals deze recensie. Als begin van een reeks over economisch denken en vervolg op de af genoemde drie artikelen Homo economicus en belastingen. 

Minder t-shirt voor meer geld

Goed doen is makkelijk. Er zijn zoveel goede doelen die vragen om je geld. Geef je €100 aan de Hartstichting of aan het Rode Kruis? Allebei de doelen zullen zeer blij zijn met je bijdrage. Maar welke organisatie komt het verst met je €100? Als de ene organisatie 40% van het geld gebruikt voor ‘bureaukosten’ waaronder het riante, meer dan Balkenende salaris van de directeur en de andere heeft 5% ‘bureaukosten’ met een vrijwilliger als directeur, dan zal bijna iedereen voor de tweede organisatie kiezen. Maar… Wat als de eerste organisatie een bewezen zeer effectief programma heeft en de tweede niet? Moet je je geld dan nog steeds aan die tweede organisatie geven?

In zijn boek Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference, geeft William Macaskill een leidraad voor een altruïstisch leven. Een leven waarbij je zoveel mogelijk probeert andere mensen te helpen. Zoveel mogelijk voor andere mensen te doen. Hij biedt een interessante manier om naar hulp te kijken. Een manier die hij aan de hand van voorbeelden toelicht. Centraal in het boek staan de vragen, hoe kan ik zoveel mogelijk effect bereiken voor het geld wat ik inzet? En hoe kan ik mijn leven en carrière zo inrichten dat die het meeste effect hebben?

Goed doen door te geven

In de eerste helft van het boek gaat hij in op de vraag hoe je het meeste effect voor je geld krijgt. Deze vraag valt uiteen in vijf deelvragen. Als eerste hoeveel mensen profiteren ervan en hoe groot is het profijt? Bij het beantwoorden ervan staat het begrip QALY centraal: Quality-Adjusted Life-Year. Mijn goede daad kan ervoor zorgen dat iemand langer leeft, maar het kan ook dat de kwaliteit van zijn leven verbetert. Deze maatstaf combineert beiden. Stel er is een persoon die, als we niets doen, 60 jaar leeft met een tevredenheid van 70%. En nu kan ik iets voor hem betekenen en dat kan op twee manieren. Als mijn actie ervoor zorgt dat iemand 10 jaar langer leeft, ook met 70% tevredenheid, dan voegt mijn daad 7 QALY’s toe (10 jaar x 70%). Als mijn actie ervoor zorgt dat de kwaliteit van leven van 70% naar 90% gaat in de 60 jaar dat hij leeft, dan voegt die daad 12 QALY’s toe (60 jaar x 20%). Ik zou dan voor het laatste moeten kiezen, omdat mijn daad dan het meeste resultaat oplevert.

De tweede deelvraag luidt: is dit het meest effectieve wat ik kan doen? Er zijn vele manieren om te helpen. Macaskill pleit ervoor om die manier te kiezen die het meeste QALY’s per geïnvesteerde euro oplevert. Als ik €10.000 te besteden heb en ik kan daarvoor 2.000 malarianetten distribueren die per 1.000 netten één persoon het leven redden en die persoon leeft gemiddeld 30 jaar langer met 80% tevredenheid, dan voegt die actie 2.000 : 1000 = 2 en vervolgens 2 x 30 x 80% = 48 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 48 = €208 per QALY. Als ik voor dat bedrag één AIDS patiënt van medicijnen kan voorzien waardoor de kwaliteit van dat leven gedurende de 40 jaar die hij nog leeft toeneemt met 25%, dan voegt die actie 40 x 25% = 10 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 10= €1.000 per QALY. Ik zou dus netten moeten kopen.

Als derde de vraag of het terrein of werkveld wordt verwaarloosd. Even doorbordurend op de netten. Stel dat er zoveel geld is voor netten, dat ieder bed in malariagebied kan worden ‘behangen’ met twee netten? We zagen dat de netten veel meer QALY per euro opleveren, maar als er voldoende geld is voor netten, wat voegt mijn bijdrage dan nog toe?

Als vierde de vraag wat er zou gebeuren als we niets doen op het gekozen terrein? Macaskill geeft hier het voorbeeld van een TV-programma waarbij jonge crimineeltjes een tour door een echte gevangenis krijgen. Een tour waarbij de grote criminelen hen toeschreeuwen wat ze allemaal met hen gaan doen als ze ook in het gevang komen. Dit met als doel de crimineeltjes op het rechte pad te brengen. Dit Amerikaanse programma heet Scared Straight en is in Nederland ook te zien via FOX te zien. Omdat er altijd wel een kind is dat afziet van verdere criminele activiteit en vertelt welke indruk het op hem heeft gemaakt, lijkt dit een zeer goede en succesvolle methode. Onderzoek toont echter aan dat het programma recidive niet voorkomt en alleen mooie tv oplevert. Sterker nog, de recidive kans wordt zelfs wat groter na zo’n gevangenisbezoek. Soms levert niets doen dezelfde resultaten op als wel iets doen en dan is niets doen te prefereren. Het is immers goedkoper.

Als laatste de vraag wat de kans op succes is en hoe goed zou dat succes is? Kans maal succes is effect en hoeveel effect krijg je per euro? Dat is de vraag die als laatste moet worden beantwoord. En met deze vraag beantwoord, moet je een keus kunnen maken voor de meest effectieve manier om goed te doen met je geld.

Bron: Wikimedia Commons

Een goede carrière

Dan de vraag hoe je je leven en carrière zo in kunt richten dat je maximaal goed doet? Wat word je? Dokter, wetenschapper, leerkracht in Afrika of toch politicus? Hoe kun je het meeste goed doen? Als arts in Afrika kun je natuurlijk veel levens redden en dat lijkt een goede keus. Maar is dat wel zo? Stel ik ga en daardoor kan een andere arts niet gaan? Voeg ik dan die waarde toe? Ja, als ik veel beter ben dan alle andere, maar wat als dat niet het geval is? Wat als die andere arts veel beter zou zijn? Vraag je af: hoe goed ben ik? Kan ik het verschil maken? Ook bij het kiezen van een filantropische carrière adviseert Macaskill je, dezelfde vragen te beantwoorden als bij het kiezen van een goed doel.

Maar er is meer. Als je net van school komt, zal je impact veel minder groot zijn dan later in je carrière. Macaskill adviseert jongeren om dát werk te kiezen dat hun vaardigheden en/of hun netwerk fors vergroot. Want dat netwerk en die vaardigheden komen later in je carrière goed van pas en vergroten je impact bij het goed doen. Ook als je die ervaring op doet op een terrein dat ver af staat van het goede doel dat je voor ogen hebt.

Het boek lezend, is het advies dat voor de meeste mensen het meest passend is: zoek werk waar je zoveel mogelijk verdient, omdat je dan zoveel mogelijke kunt geven aan dat effectieve en efficiënte doel. Kies alleen voor een ander pad als je exceptionele kwaliteiten bezit en je in de gelegenheid bent die op de juiste plek in te zetten.

Liefdadigheid met haken en ogen

Maximaal rendement uit je geld halen en in dit geval zo maximaal mogelijk goed doen voor je geld is een voorbeeld van utilitarisme. Utilitarisme, het maximeren van nut (welzijn) stelt, om Michail J. Sandel te citeren: “… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen van dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.“  (Michael J. Sandel, Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? pagina 42). Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. En als we dat voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. Een verdeling is, volgens het utilitarisme, rechtvaardig als die zorgt voor het grootste totale geluk.

Maar wat is geluk? Hoe meet je geluk, genot of pijn? Dit is het grote probleem van het utilitarisme. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Soms weet je van te voren wat de gevolgen ervan zijn, vaak ook niet. Ook het meten van pijn is problematisch. Hoeveel pijn iets veroorzaakt kan per persoon verschillen. Neem migraine. Als samenleving moeten we kiezen tussen een middel waarbij de patiënt minder aanvallen heeft maar wel zwaardere en langere en een ander middel waarbij die patiënt meer maar wel lichtere en kortere aanvallen krijgt. Welk middel wordt gekozen? Zou dat niet per patiënt verschillen?

Macaskill lost dit probleem op door te kiezen voor de QALY. Een oplossing die er op papier goed en gedegen uitziet. Kies zoveel mogelijk QALY’s per euro, zo luidt zijn advies. Maar is die QALY wel zo eenduidig? Voor jou als filantroop wellicht wel, je maximaliseert immers je QALY’s. Maar hoe zit het met de ontvanger van je hulp? Als jij als filantroop kiest voor ‘minder maar zwaardere aanvallen’ omdat de gemiddelde migrainepatiënt dat als het prettigst beoordeelt, wat doe je dan de patiënt aan die dit juist het meest ellendige vindt? Meest ellendig maar wel iets beter dan geen medicijnen. Hij heeft geen keus want die heb jij voor hem gemaakt. Hoe zou jij het vinden als een ander zo’n keuze voor jou maakt? Als je er geen weet van hebt dat er een andere mogelijkheid was, dan zul je blij zijn. Maar als je het wel weet, hoe zou je je dan voelen? QALY’s zijn gemiddelden en gemiddelden ontstaan juist door een samenspel van extremen.

Er is meer. Macaskill (pagina 46): “Suppose, hypothetically, we found that providing one guide dog (at the cost of $50,000) would give a 10% increase in reported well being for one persons life over nine years (the working life of the dog). That would be 0.9 WALY (Wellbeing-Adjusted Life-Year of een QALY maar dan eentje die welzijn meet/FK). And suppose that providing 5,000 books (at the cost of $50,000) provided a 0.001% increase in quality of life of 500 people for forty years. That would be 2 WALY’s. If we knew this, then we’d know that $50,000 on schoolbooks provided a greater benefit than spending ¢50,000 on one guide dog.” Rekenkundig is hier, afgezien van de vraag hoe je de percentages bepaalt, geen speld tussen te krijgen. Nu even naar het individu. De geleidehond zou tot een flinke verbetering van het leven van een persoon leiden. Het zou dat leven redelijk radicaal verbeteren. Zou hetzelfde opgaan voor een van die 500 mensen die tien boeken kreeg? Eenduizendste procent is niet veel. Het zou het leven van die persoon niet drastisch beïnvloeden en geldt hetzelfde niet ook voor de 499 andere personen? En denk nog eens terug aan de 60 jarige met 70% tevredenheid. De ene persoon zou kiezen voor 10  jaren erbij van 70%, een ander voor zestig jaar maar dan van 90%. Wat is hier de goede keuze?

Er is nog meer. En dat betreft het carrière-advies. Macaskill pleit vooral voor ‘earn to give’. Probeer zoveel mogelijk te verdienen, want dan kun je zoveel mogelijk geven op die effectieve en efficiënte manier (pagina 202): “Earning to give enables you to start having a significant positive impact via the most cost-effective organisations right from the beginning of your career.” Hij adviseert om een baan te kiezen waar je zoveel mogelijk verdient, bijvoorbeeld in de financiële sector of in de consultancy. Maar zit hier niet ook een andere kant aan? Welke schade richt je door het werk wat je doet aan? Stel je kunt het meeste geld verdienen bij een Private Equity fonds dat veel geld verdient in de wapenindustrie? Of bij een investeringsmaatschappij die vooral investeert in teerzand olie en andere milieuvervuilende activiteiten? Of je gaat als duur betaalde wetenschapper medicijnen ontwerpen die je werkgever, een grote farmaceut, vervolgens patenteert en duur verkoopt? Of bij een van de tech-bedrijven, bijvoorbeeld Facebook, zo’n bedrijf dat haar ‘klanten’ gebruikt om ze uit te melken? Zou dat geen schade opleveren die je eerst moet compenseren? Begint je liefdadigheidscampagne dan al niet met een schuld?

Bron: Flickr

Macaskills voorstel lijkt gebaseerd op de Giving Pledge van enkele miljardairs onder aanvoering van Bill Gates. Op pagina 206 verwijst hij hier ook naar. Deze miljardairs hebben beloofd om de helft van hun vermogen aan liefdadigheid te besteden en proberen andere rijken ook zover te krijgen. Maar moeten die niet ook eerst beginnen met compenseren? Want hoe komen die nieuwe miljardairs als Zuckerberg, Gates, wijlen Jobs en vele anderen aan hun geld? Dat komt van doodnormale mensen. Mensen, die in het geval van Facebook, hun ziel en zaligheid (informatie) gratis beschikbaar stellen. Een model dat onder andere ook Google hanteert. En waar de eenvoudige gebruiker alles gratis moet doen. Vragen bedrijven als Microsoft van Gates en Apple van Jobs, niet flink geld voor hun producten en buiten ze zo hun bijna monopolypositie maximaal uit? Goed werkende programma’s worden plotseling niet meer ondersteund, omdat er een ‘verbeterde’ nieuwe versie is. Een versie waarvoor weer flink betaald moet worden. Versies die er vervolgens voor zorgen dat het apparaat niet meer goed draait en dus ook vervangen moet worden.

Nog op een andere manier beginnen deze miljardairs, maar ook de gevers van Macaskill, met een achterstand. Want misbruiken zij de belastingen niet voor hun filantropische uitstraling? Misbruiken door hun vermogen aan ‘liefdadigheid’ te schenken door het in een eigen stichting of bedrijf te zetten, en zo te onttrekken aan belastingbetaling. En wie moet daardoor meer belasting betalen? Juist, de rest die mag meebetalen aan de goedgeefsheid van de filantropen.

Bijzonder cru wordt het als Macaskill spreekt over de Sweatshops. De fabrieken waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden veel uren werken voor weinig geld. Macaskill( pagina 160): “In developing countries, sweatshop jobs are good jobs. The alternative are typically worse, such as back-breaking, low paid labour, scavenging, or unemployment. The New York Times columnist Nicholas D. Kristof illustrated this well when he presented an interview with Pim Srey Rath, a Cambodian woman who scavenges plastic from dumps in order to sell it as recycling. ‘I’d love a job in a factory,’ she said. ‘At least that work is in the shade. Here is where it’s hot.” Inderdaad zijn er slechtere plekken om te werken, maar dat doet niets af aan de erbarmelijke omstandigheden in die sweatshops. Zeker niet als het in onze macht ligt om die te verbeteren. Want zou goede liefdadigheid niet kunnen beginnen bij wat minder t-shirt voor je geld? Zou dat geen betere vorm van liefdadigheid zijn dan deze mensen eerst ziek te laten worden bij het maken van onze t-shirts en ze vervolgens via liefdadigheid medicijnen te geven tegen die ziekte? Zou het niet beter zijn een eerlijke prijs voor het t-shirt te betalen, waardoor zij voldoende geld hebben om zelf hun leven vorm te geven?

Samenvattend

Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren konden hun geld wel eens meer dan waard zijn. Terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur konden zijn.

Waar hij echt uit de bocht vliegt, is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.

Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische QALY-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. Maar zou de beste keuze niet kunnen zijn, om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? Betekent dat voor ons als consument niet het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in de ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet kopen, ontwormingspillen of schoolboeken.


Terroristisch oogmerk?

Soms lees ik iets en dan denk ik: wat staat daar nu? Zoiets overkwam mij vandaag. Als jullie dit lezen is dat in ieder geval gisteren. Wat las ik? Bij TPO las ik een artikel over een man die in augustus vorig jaar in Naaldwijk politieagenten met een mes zou hebben belaagd. De man was, zo bleek, ontoerekeningsvatbaar en heeft meerdere psychische stoornissen. Tot zover is er niets bijzonders. Behalve dan voor de betreffen man. Maar dan: “Aanvankelijk werd gedacht dat Al S. mensen belaagde met een terroristisch oogmerk, onder meer omdat hij ‘Allahu akbar’ zou hebben geroepen.” 

bron: Pixabay

Dat was het moment dat ik dacht: wat staat daar nu? Mensen belagen met een terroristisch oogmerk? Van Dale omschrijft terrorisme als: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Terreur is, volgens dezelfde Van Dale “georganiseerd politiek geweld.” Door met een mes te zwaaien wordt de regering of de bevolking van een land onder druk gezet? En datzelfde zwaaien is georganiseerd politiek geweld? Hoe panisch ben je als je in dergelijke woorden spreekt over iemand die met een mes zwaait?

Maar wat belangrijker is, is dat de man met dat mes zwaaide met een terroristisch oogmerk. Was terrorisme zijn doel? Laten we er voor dit betoog eens van uitgaan dat de man niet verward was maar echt geloofde in de heilige oorlog van zijn geloof tegen anderen. Zou hij werkelijk met terrorisme en terreur als doel met dat mes zwaaien? Nu kun je van IS en vroeger ook van de ETA en de IRA veel zeggen, maar niet dat zij streden met terrorisme en terreur als doel.  Hun doel was wat anders. Hun doel lag op het politieke vlak. Na een aanslag volgt steevast een verklaring waarin de dader of de groep die hij vertegenwoordigd uitspreekt dat de aanslag is gepleegd in de strijd tegen de ongelovigen, de bezetters van het land of voor  het dichterbij brengen van ‘gods paradijs op aarde’ of de onafhankelijkheid van het eigen volk of land. Geen enkele strijder zal roepen: ik heb de daad gepleegd voor terreur of terrorisme. 

Terreur is een middel dat kan worden ingezet om iets te bereiken. Een middel dat haar, zoals ik in Terrorisme schreef, te danken heeft aan een korte periode tijdens de Franse revolutie. Een middel dat door zowel de overheid als allerlei strijdgroepen kan worden gebruikt. In de strijd tegen de ‘paniek en angst’ zou het geen kwaad kunnen om zorgvuldig na te denken voordat we woorden als terreur, terrorisme en terrorist gebruiken

Hedendaags imperialisme

“Ik kijk uit naar de excuus/flauwekulverhalen van de pc-crowd. Want ze zullen iets moeten verzinnen nu Turkije doet waar verstandige mensen als ik al jaren om roepen — de creatie van een veilige zone in Syrië, waar Syriërs veilig kunnen leven.”Met deze passage beëindigt Michael van der Galien bij De dagelijkse Standaard een artikel over de Turkse president Erdogan die met Amerika een veilige zone van dertig kilometer in Syrië overeen schiet te zijn gekomen. En omdat die afspraak er is kunnen alle Syriers weg uit Turkije en volgens Van der Galien ook uit Europa en Nederland. Ondanks dat ik niet tot die ‘pc-crowd’, behoor, zie ik wel wat haken en ogen.

Bron: Wikipedia

Als eerste kunnen de Verenigde Staten en Turkije wel iets afspreken met betrekking tot het grondgebied van Syrië? Zijn zij bevoegd om besluiten te nemen over het grondgebied van een ander land? Waarin verschilt het creëren en garanderen van een ‘veilige zone’ op het grondgebied van een ander land, van een bezetting? Met een beetje creativiteit kan Poetin de bezetting van de Krim dan ook wel verkopen als het ‘creëren van een veilige zone’. En wie belet Assad, als hij daartoe in staat zou zijn, om een veilige zone voor Koerden in Turkije te creëren. Of Mexico om een ‘veilige zone’ voor migranten in de Verenigde Staten te creëren? Zijn landsgrenzen en soevereiniteit alleen heilig als het in ons voordeel is? 

Vervolgens het gemak waarmee ervan wordt uitgegaan dat we dat gebied vervolgens vol kunnen plempen met vluchtelingen. Hoe zit het met de bewoners van die zone? In die dertig kilometer wonen vooral Koerden en laat dat, volgens Erdogan, nu net terroristen zijn die moeten worden bestreden. Hoe goed zou die Turkse ‘veiligheidsgarantie’ voor hen uitpakken? Nee we ‘garanderen’ dat de vluchtelingen niets overkomt. Als Koerd die in die zone woont, zou ik er niet gerust op zijn als Erdogan met zijn leger mijn veiligheid kwam garanderen. Sterker nog, menig Turk voelt zich niet veilig in het Turkije van Erdogan.

Moeten die bewoners van dat gebied het maar gewoon slikken dat anderen vinden dat er meer dan vier miljoen mensen in hun leefgebied worden gevestigd? Een gebied dat door het oorlogsgeweld danig is verwoest en waar zij moeten sappelen om rond te komen.

Is ook aan Assad gevraagd of hij die ‘zone’ zal respecteren? Hoe moet ik me het samenspel voorstellen tussen de Syrische politie, het Syrische leger en die ‘garanderende troepen’? Of mogen er geen Syrische troepen in dat gebied komen? Is dat dan niet niet gewoon sprake van annexatie? Van hedendaags imperialisme? 

Ik vraag me af of we blij moeten zijn met zo’n oplossing. Een oplossing die naar alle waarschijnlijkheid weer nieuwe ellende oproept.

Stilstand is voorachteruitgang

Vooruitgang. “Het steeds beter worden van de toestand,” volgens Van Dale. Eeuwenlang speelde vooruitgang geen rol in het leven van mensen. Sterker nog, men dacht dat de zaak er alleen maar slechter op werd.

Voor de Griekse filosoof Plato die leefde in de vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling was verandering slecht en rust goddelijk. Hij stond hierin niet alleen en borduurde voort op zijn vier eeuwen oudere voorganger Hesiodus. In zijn boek Werken en Dagen beschreef hij de geschiedenis van de mensheid in vijf geslachten. Als eerste het Gouden geslacht. Die leefden in luxe zonder al te veel te hoeven werken en waren geliefd bij de Olympische goden. Als laatste het IJzeren geslacht dat hard moest werken en verdriet kende. Ook de bijbel gaat uit van achteruitgang. Adam en Eva woonden immers in het paradijs alwaar het hen aan niets ontbrak. Dat viel allemaal weg na het eten van een appel. Vanaf dat moment moest de mens werken voor zijn levensonderhoud. Dan was je er als Boeddhist iets beter aan toe. Die gelooft in een oneindige keten van schepping en vernietiging waarbij alles zich naar verloop van tijd herhaalt. Een denken dat ook aan de film The Lion King ten grondslag ligt: ‘The cirkel of life’. Pas vanaf de zestiende eeuw, het begin van de moderne tijd, begonnen mensen te denken in termen van vooruitgang. Niet alle mensen, het denken in vooruitgang was typisch iets West Europees en met name voor de meer geletterden en die ook weer niet allemaal.

Stilstand was eeuwenlang vooruitgang. Tenminste als je het voorkomen van achteruitgang, vooruitgang noemt. Voor de conservatieve stromingen in de politiek geldt dat nog steeds. Baudet wil het liefst terug naar de negentiende eeuw, Wilders lijkt de jaren vijftig te idealiseren. Al weet ik niet of hun beeld van het leven in die tijd overeenkomt met het werkelijke leven in die tijd. Nadeel van vooruitgang is immers dat het heden steeds minder op het verleden lijkt.

In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid redeneert  de historicus Yuval Noah Harari ook op z’n Plato’s om het zo te zeggen. Hij beschrijft de uitvinding van de landbouw ook in termen van achteruitgang. Hij noemt het: “De grootste zwendel van de geschiedenis.” Een zwendel omdat de mens, volgens Harari, als landbouwer veel harder moest werken, voor een veel minder gevarieerd voedselpatroon en met grotere risico’s op hongersnood.

Voor mezelf sprekend, ik zou niet willen ruilen met die jager-verzamelaar. Je hele leven rondtrekken. Wonen in hutjes en grotten. Niets voor mij, ik hou niet van kamperen. Geef mij maar de geneugten van de vooruitgang. Een huis, gezondheidszorg, technisch hulpmiddelen, een auto waarmee ik grotere afstanden kan overbruggen, alle kennis over het ontstaan van het leven. We weten nu veel meer. Maar toch. Zou ik bepakt met al die kennis overleven in de prehistorie? Ik denk dat de overlevingskansen van de prehistorische jager-verzamelaar in het heden, groter zijn.