Experiment, doe je mee?

Salvator Mundi, een schilderij van Leonardo da Vinci. Niet zomaar een schilderij maar eentje waarvoor iemand € 450 miljoen heeft betaald. Het kost wat, maar dan heb je het ook en kun je het aan de muur hangen in je huis. Een belachelijke prijs maar als je zoveel geld hebt dat een half miljard niet mist, dan kun je het ervoor betalen. Je kunt dat geld natuurlijk ook besteden aan het bouwen van een ziekenhuis of er beurzen van geven aan kinderen waarvan de ouders niet de mogelijkheid hebben om hen te laten studeren. Een belachelijke prijs maar dan heb je wel wat. Het kan altijd gekker.

In een artikel in de Volkskrant las ik het volgende: “Onlangs werd een zeefdruk uit de serie Morons van graffitikunstenaar Banksy door het anonieme collectief BurntBanksy in brand gestoken. Dat werd gefilmd, op YouTube geplaatst. Vervolgens werd de unieke digitale versie van de zeefdruk (als NFT, non fungible-token waarvan de unieke identiteit en eigendom worden ­geverifieerd via een blockchain) geveild. Dat bracht meer dan het drievoudige op (394.000 dollar) van het bedrag waarvoor het was aangekocht.” Iemand koopt een setje enen en nullen voor drie-en-een-halve ton.

Het kan nog gekker: “Het eerste bericht op Twitter ooit heeft bij een digitale veiling 2,9 miljoen dollar (bijna 2,5 miljoen euro) opgeleverd. Een zakenman in Maleisië kocht de tweet van Twitter-oprichter Jack Dorsey.”  Dan koop je die tweet maar, zo lees ik, iedereen kan die kopiëren of downloaden. Je koopt iets voor een godsvermogen maar je hebt het niet alleen. Nu vraag ik me bij die tweet nog iets af. Die tweet luidde ‘just setting up my twttr’. Dorsey is de oprichter van Twitter en via Twitter kun je berichten delen met anderen. Met wie heeft Dorsey dan dat eerste bericht gedeeld? Of beter gezegd, wie las die Tweet ? Nog iets verder nagedacht, hoe weten we zeker dat dit de eerste tweet was? Misschien plaatste hij wel andere berichten die hij weer verwijderde. Dat even terzijde.

Het kan zijn dat het aan mijn leeftijd ligt dat ik het niet begrijp. Het kan ook zijn dat het aan ‘die anderen’ ligt. Of om Louis van Gaal te parafraseren: ‘zijn zij nou slim, of ik zo dom?’ Daarom een experiment. Ik weet niet hoe non fungible-tokens werken. Wel lees ik op Wikipedia dat ze: “meestal (draaien) op een proof-of-work blockchain, die minder energiezuinig is dan een proof-of-stake blockchain, wat heeft geresulteerd in enige kritiek op de koolstofvoetafdruk van NFT-transacties.” En als we iets moeten is het de koolstofvoetafdruk verkleinen. Dat wil ik niet, dus daar doe ik niet aan mee. Daarom op een andere manier. Wie wil deze prikker kopen? Breng een bod uit en als je bod het hoogste is, dan krijg je een uitgeprinte, gesigneerde en ingelijste versie van deze Prikker. Aangezien het een experiment is en ik er niets aan hoef te verdienen, maak ik het geld, na aftrek van de kosten voor de lijst en het verzenden over aan een goeddoel. Ik schenk het aan de HSCV Mustangs in Venlo zodat ze er materialen voor de jeugd voor kunnen kopen. Voor alle anderen blijft deze Prikker gewoon beschikbaar via mijn site.

De Euro(pese unie) en belastingen

“Geef de Zuid-Europese landen hun eigen monetaire instrumenten om hun zwakke economieën concurrerend te maken met behulp van een eigen munt. Zodat ze zelf hun economische problemen via koersaanpassingen van een eigen munteenheid kunnen oplossen. ” Aldus econoom en jurist Antonie Kerstholt bij Joop. Daarom moet Europa een belangrijk onderwerp in de formatie zijn, aldus Kerstholt. Met andere woorden: kieper Zuid-Europa uit de Euro. Volgens hem is dat de enige oplossing want: “Eenzelfde munteenheid in meerdere landen is feitelijk alleen geschikt voor economieën die min of meer gelijkwaardig aan elkaar zijn.” Dat hoor je vaker en het klinkt logisch. Een eigen munt en: “meer op maat gesneden financiële steun van andere meer welvarende EU-lidstaten.” Klopt het ook?

Currency signs | Currency signs | Nicolas Nova | Flickr
Bron: Flickr

Laten we eens wat verder kijken dan de Europese neus lang is. Neem China, een land waar de economie fors groeit. Dat land heeft de Renminbi als munt. Als we kijken naar het land dan zien we dat de verschillende delen van het land zich economisch zeer onderscheidend ontwikkelen. Als we kijken naar het Bruto Regionaal Product per hoofd van de bevolking van de verschillende regio’s dan bedroeg dat van de armste regio Gansu in 2018 minder dat een kwart van dat van Beijing, de rijkste regio. Het CBS omschrijft de Chinese situatie in het rapport waaruit deze cijfers komen als volgt: “Voor de vijf meest welvarende regio’s wordt het overgrote deel van het brp gerealiseerd buiten de primaire sector. In de minst welvarende regio’s daarentegen wordt een aanmerkelijk groter deel van het brp gerealiseerd door landbouw, bosbouw, veeteelt en visserij. De rijke kustregio’s van China zijn de meest gediversifieerde en innovatieve delen van het land. Ook zijn sommige rijk aan grondstoffen; Jiangsu heeft bijvoorbeeld grote voorraden steenkool, olie, gas, zout, zwavel, fosfor en marmer. Sinds de oprichting van de Volksrepubliek heeft veel chemische en zware industrie zich hier gevestigd. Belangrijke sectoren in Zhejiang zijn de elektromechanische, chemische, technische en textielindustrie. Zhejiang is bijvoorbeeld de thuisbasis van een aantal van China’s meest innovatieve internetbedrijven, met name de e-commerce gigant Alibaba. Beijing heeft een geavanceerde dienstensector en innovatieve technologie-industrie. In Fujian is naast de aanwezige industrie ook de landbouwsector van groot belang.” Dat kwart is groter dan het verschil tussen het euroland met het hoogste BBP (Luxemburg) en dat met het laagste Letland. Een omschrijving van de economie van de Eurolanden zal niet zoveel afwijken van die het CBS van China geeft. Met een verschil en dat is de rol die het toerisme in de Europese economie.

‘Maar dat is geen democratie maar een dictatuur van een partij die zich nergens aan hoeft te houden,’ kun je tegen werpen. Oké, dan een ander land: India met als munteenheid de Rupee. Vergelijken we daar het Bruto regionaal product van Goa, de economisch sterkste regio, met de zwakste, Bihar, dan is die van de laatste nog geen 10% van de eerste. En een beschrijving van de economische situatie van het land zal lijken op de Chinese. Toch kan het land vooruit met één munt.

Of neem de Verenigde Staten. Het land heeft één munt, de dollar. Het inkomen per hoofd van Puerto Rico is iets meer dan 16% van dat met het hoogste, het District of Columbia. En dan zien we er nog maar vanaf dat het inkomen per hoofd van Amerikaans Samoa maar 35% bedraagt van dat van Puerto Rico. Een omschrijving van de economie van de Verenigde Staten zou ook niet afwijken van die van China.

Allemaal landen met grote economische ongelijkheid tussen verschillende gebieden in het land en toch kunnen die landen prima functioneren met één gezamenlijke munt. Waarom zouden de eurolanden dat dan niet kunnen? Als er ook zonder euro, zoals Kerstholt schrijft: “meer op maat gesneden financiële steun van andere meer welvarende EU-lidstaten,” nodig is, waarom moeten die landen dan eerst uit de Euro? Waarom dan niet gekeken naar wat maakt dat het in China, India en de Verenigde Staten wel kan? Misschien biedt dat een oplossing die mee naar de formatietafel kan? Dat ‘wat’ is een centrale overheid die geld via de belastingen herverdeelt van rijke naar arme gebieden. En dan het liefst herverdelen door het te investeren in zaken die de economie in de zwakkere gebieden versterken.

Die centrale overheid is er al, de Europese Unie. Al hebben nog niet alle landen van die Unie de euro ingevoerd. Het gebied waarop de Unie belasting kan heffen, ligt ook voor de hand: op bedrijfswinsten, vennootschapsbelasting en dividend voor aandeelhouders. Precies die terreinen waarop de landen nu met elkaar concurreren waarvan het multinationale bedrijfsleven profiteert. Van de opbrengsten bekostigt de Unie vervolgens alle activiteiten waarvoor zij aan de lat staat en investeert zij waar dat nodig is in versterking van de economie. De contributie van landen aan de Unie kan dan vervallen net als de uitgaven van de landen op die terreinen. Op deze manier wordt er geld overgedragen van landen met een sterke economie naar landen met een zwakke zonder dat het ‘landen’ zijn die de pijn voelen. Precies zoals nu in Nederland via de belastingen geld van ‘Brainport Eindhoven’ wordt herverdeeld naar Oost-Groningen.

Dallas en de (vrouwelijke) lijsttrekkers

De verkiezingen zijn weer voorbij. Dat betekent dat er weer volop geëvalueerd en geanalyseerd wordt. Duiders proberen te verklaren waarom we stemden zoals we stemden en verliezende partijen proberen een verklaring te zoeken waarom ze verloren en vooral aan wie ze de schuld kunnen geven. De eerste ‘verantwoordelijke’ voor een nederlaag, CDA-voorzitter Ploum, heeft het bijltje er al bij neergelegd. Een bijzondere analyse van de verkiezingsstrijd is te lezen bij De Correspondent, Daar telden Loes Aaldering en Daphne van der Plas, om de titel te citeren: “Hoeveel media-aandacht lijsttrekkers kregen.” Een van de conclusies staat er meteen achteraan: “En de vrouwen kwamen er bekaaid vanaf.”  

Southfork | "Dallas" filmed here for many years when it was … | Flickr
Southfork, de ranch die een hoofdrol speelde in de tv-serie Dallas. Bron: Flick

Volgens de beide onderzoekers is er: “veel onderzoek gedaan naar de verschillen in mediaberichtgeving over mannelijke en vrouwelijke politici, en dat laat een consistent beeld zien. In een meta-analyse van dit onderzoeksveld zien wij dat vrouwelijke politici in landen met een proportioneel kiesstelsel, zoals Nederland, minder media-aandacht krijgen dan hun mannelijke collega’s. Dit patroon is ook dit jaar, waarin een historisch groot aantal partijen een vrouwelijke lijsttrekker heeft, niet verbroken.” Als dat zo is, dan is dat niet goed. Centraal in hun artikel staat een tabel waarin de verwachte media-aandacht is afgezet tegen de werkelijke aandacht. Kreeg een lijstrekker meer media-aandacht dan verwacht dan scoort deze een positief getal, is het minder, dan een negatief. En inderdaad, als je die tabel bekijkt, dan krijgen alle vrouwelijke lijstrekkers minder aandacht dan ‘verwacht’. Schande, vrouwen worden achtergesteld! Ze zeggen het niet maar in hun artikel sijpelt door dat dit schadelijk of zelfs schandelijk is.

Nu vraag ik me af of er ook andere mogelijkheden zijn voor de mindere media-aandacht voor de vrouwelijke lijsttrekkers. Daarom eerst even een schets van de tabel. In de tabel zie je dat Hoektsra, Klaver en  vooral Baudet veel meer aandacht kregen dan verwacht. Alle vrouwelijke lijsttrekkers en Azarkan kregen minder aandacht dan verwacht en voor Rutte, Wilders, Segers en Van der Staaij was de aandacht ongeveer gelijk aan de verwachting.

Als eerste die ‘verwachte aandacht’. Verwacht, op basis van het huidige aantal zetels en de stand van de peilingen zo wordt uit hun artikel duidelijk. Nu is een campagne juist bedoeld om meer aandacht naar je toe te trekken. Dus om een meer dan het ‘verwachte’ deel van de aandacht op jou te vestigen. En de meerdere aandacht voor jou, zal ten kosten gaan van anderen. Media hebben immers maar beperkte ruimte die ze kunnen besteden en ‘meer voor jou’ betekent dan bijna automatisch ‘minder voor mij’. De kolommen in de krant voor Baudet, kunnen niet meer worden gevuld met berichten over Ploumen. En de stoel voor Wopke bij Jinek, kan niet meer worden bezet door Marijnissen.

Laten we eens naar de positieve uitschieters qua media-aandacht kijken. Kunnen we die op een of andere manier verklaren? Als eerste Hoekstra en Klaver. De verkiezingscampagne kwam dit jaar relatief laat opgang en de eerste ‘bijzondere’ gebeurtenis was het debat bij Pauw tussen juist deze twee positieve uitschieters qua media-aandacht. Klaver bleek het CDA-programma beter te kennen dan de stuntelende Hoekstra. Een slechte beurt voor Hoekstra die in de media breed en lang werd uitgemeten. Bij ieder volgend optreden werd er extra naar Hoekstra gekeken: zou hij weer ‘onderuitgaan’ of zou hij zich ‘herstellen’. In het kielzog hiervan ging Klaver mee. Dit leidde voor Klaver echter niet tot betere cijfers in de peilingen omdat hij weinig bij het CDA kon winnen. Ook kon Klaver op ‘extra aandacht’ rekenen vanwege zijn winst de vorige keer toen hij als ‘new kid on the block’ won: ‘hij doet het niet zo goed, de glans lijkt eraf’.

De derde positieve media-uitschieter, Baudet. Iemand die ‘de media’ steeds als onbetrouwbaar wegzet, wat dan weer door diezelfde media wordt uitgemeten. Voor hem is alle media-aandacht, zowel positief als negatief, goed want er wordt over hem gepraat. Voor zijn potentiële kiezers maakt dat allemaal niets uit. Positieve berichten zijn meegenomen, negatieve zijn niet waar. Daarbij wist Baudet de media handig te bespelen door niet op te komen dagen en als hij er was door of weg te lopen of iets te zeggen wat vervolgens de media weer enkele dagen bezighield. Hij zorgde voor ‘nieuws’ en ‘nieuws’ is iets afwijkends. Wilders en Rutte deden wat ze al tien jaar doen. Hun ‘fittie’ uitvechten in een eindeloze herhaling van zetten zonder dat er iets nieuws of inhoudelijks wordt gebracht. Die ‘fittie’ zorgt altijd wel voor wat aandacht al wordt het steeds minder. Die ‘fittie’ is te vergelijken met de tv-serie Dallas van vroeger, hoe langer het duurt hoe minder het wordt maar toch blijf je kijken. Daar zou hun ‘gemiddelde score’ een gevolg van kunnen zijn.

Ook waren er nog enkele nieuwe partijen die om aandacht vochten en die ook kregen omdat ze enige kans maakten op een zetel. Van de rest van de lijsttrekkers en hun campagne kan ik me geen bijzondere, in de zin van afwijkend van wat we konden verwachten, actie herinneren. En aangezien alleen het afwijkende nieuwswaardig is, zou dit dan niet een deel of misschien wel de verklaring zijn voor de ‘mindere aandacht voor de vrouwelijke lijsttrekkers?

Vier Europese politieke geschiedenissen

Terugkijken met Francis Fukuyama’s boek De oorsprong van onze politiek als leidraad: “aan de hand van de drie ingrediënten (staat, rechtsorde en verantwoordelijke overheid) te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.” Zo eindigde ik de vorige Prikker. Waarom ontstond er in het ene land een goed functionerende staat die is onderworpen aan het recht en die verantwoording aflegt aan het volk en ook door dat volk kan worden weggestemd? Waarom in het andere land een onderdrukkende dictatoriale staat die zichzelf boven de wet plaatst? En waarom weer elders een slecht werkende corrupte maar wel democratisch gekozen en weg te stemmen overheid? Interessante vragen.

File:King William III of England, (1650-1702).jpg
Stadhouder Willem III en koning Willem van Engeland. Geschilderd door Godfrey Kneller in bezit van de
National Galleries of Scotland
Bron: WikimediaCommons

“In wat bekend is geraakt als de Whig-geschiedenis wordt de ontwikkeling van vrijheid, welvaart en representatief staatsbestuur beschouwd als een onontkoombare ontwikkeling van de menselijke instellingen, die begint met de Griekse democratie en het Romeinse recht, reeds vroeg in de Magna Carta vastgelegd, vervolgens wordt bedreigd door de vroege Stuarts, naar verdedigd en gerehabiliteerd tijdens de Engelse Burgeroorlog en de Glorieuze Revolutie. Die instellingen verspreiden zich vervolgens naar de rest van de wereld via de Engelse kolonisatie van Noord-Amerika.” Zo beschrijft Fukuyama het populaire: “vanuit het oogpunt van de winnaars, gebaseerd op de ervaringen van Engeland en haar koloniale nazaat de Verenigde Staten,[1]succesverhaal van de democratie van een sterke democratische rechtstaat met een effectieve overheid in Engeland en de Verenigde Staten. Nu kennen die twee landen qua politieke ontwikkeling grote verschillen. Daar kom ik later nog op terug Het beeld dat ermee wordt geschetst is er een van onvermijdelijkheid: het moest zo wel lopen en dat culmineert uiteindelijk in het grandioze heden. Over die ‘vermeende onvermijdelijkheid’ schreef ik al eerder[2], dat ga ik hier niet overdoen.

Dat er andere mogelijke uitkomsten waren, laat ook Fukuyama zien: “zeven jaar na de Magna Carta werd de Hongaarse Koning Andreas door zijn baronnen gedwongen om de Gouden Bul te ondertekenen, een document dat wel de Oost-Europese Magna Carta is genoemd. De Gouden Bul beschermde de baronnen tegen bepaalde willekeurige acties van de koning en verleende hun het recht om zich te verzetten als de koning zich niet aan zijn belofte hield.” Dezelfde zaken die ook de Magna Carta regelde die ‘onvermijdelijk’ leidde tot het Engeland en de Verenigde Staten van nu.. “In plaats van een politiek systeem te ontwikkelen waarin een sterke uitvoerende macht een tegenwicht vond in de dominerende wetgevende macht, voorkwam de grondwet die de Hongaarse adel afdwong de opkomst van een sterke centrale uitvoerende macht, zelfs zodanig dat het land zich niet tegen buitenlandse vijanden kon verdedigen.[3] Een overeenkomstig beginpunt dat tot twee heel verschillende resultaten leidde laat zien dat er van ‘onvermijdelijkheid’ geen sprake was. Al zullen er ook mensen zijn die de ontstane verschillen verklaren uit de ‘aard van het volk’. Daarbij vergeten ze vervolgens dat die verschillende aard in het verleden tot eenzelfde situatie leidde namelijk twee ‘grondwetten’ die hetzelfde regelden.

Volgens Fukuyama was de uitkomst afhankelijk van het spel tussen de verschillende machten in een gebied. Hij onderscheidt vijf groepen: als eerste de staat (in het begin gevormd door de koning), als tweede de hoge adel, vervolgens de lage adel en als laatste de handelslui in de steden. De laatste groep, waartoe het gros van de mensen behoorde, de boeren, kon geen ‘macht’ ontwikkelen omdat vandaag eten en zo overleven tot de dag van morgen alle aandacht vroeg. Tot welke uitkomst het leidde hing af van de macht die de verschillende standen konden ontwikkelen. Sterke hoge adel gecombineerd met een zwakke koning en handelslui leverde een ander resultaat op dan in een gebied waar de verhoudingen anders lagen.

Fukuyama onderscheidt in hoofdlijnen vier richtingen waarin Europese landen zich vanaf de dertiende eeuw ontwikkelden. Richtingen die mede bepalend zijn voor de huidige politieke situatie in de betreffende landen. Als eerste landen die de zwak absolutistische richting insloegen:  “De Spaanse en Franse monarchieën in de zestiende en zeventiende eeuw waren destijds toonbeelden van de nieuwe absolutistische staat, en in bepaalde opzichten waren ze meer gecentraliseerd en dictatoriaal dan, bijvoorbeeld, hun Nederlandse en Engelse pendant. Aan de andere kant was geen van beide in staat om de machtige elites in hun respectievelijke samenlevingen volledig te domineren, en legden zij de zwaardere last van de belastingen op de schouders van diegenen die zich daar het minste tegen konden verzetten.[4] Zwak absolutisme omdat een stevige centrale vorst en sterke hoge adel die elkaar in evenwicht hielden, de poet verdeelden op kosten van de lage adel, de traditionele derde stand, de kooplui en de boerenbevolking. Zo werd de lage adel langzaam gemarginaliseerd. De koning verkocht belangrijke posities en rechten (zoals het recht op het innen van belastingen) aan hoge edelen. Zo kon hij op korte termijn extra inkomsten verwerven op een manier die de inkomsten op lange termijn maar vooral de kwaliteit van het bestuur niet ten goede kwamen. Maar ook zwak absolutisme vanwege een door het katholicisme afgedwongen rechtsorde waaraan ook de koning en de hoge adel was gebonden. Er moest eerst iets gebeuren voordat in deze landen iets ontstond wat op een moderne staat leek. Dat iets was in Frankrijk de Revolutie van 1789. Pas toen ontwikkelde zich in Frankrijk een moderne staat. In Spanje duurde het nog langer, en ontstond er pas iets wat op een moderne staat na de winst van Franco in de Burgeroorlog en eigenlijk pas na de dood van Franco in 1975.

De tweede richting is het succesvol absolutisme in Rusland. “De Russische monarchie slaagde erin zowel de hoge als de lage adel in te lijven en er een dienende adel van te maken, die volledig afhankelijk was van de staat. Dat konden ze deels doen door een gemeenschappelijk belang dat de drie partijen hadden om de boeren aan het land te binden en hun meedogenloos de hoogste belastingen op te leggen. Tot een laat moment bleef de overheid patrimoniaal wat de Russische vorst er echter niet van weerhield om de adel in veel grotere mate te terroriseren en te controleren dan de Franse en Spaanse koning.[5]De andere twee elementen, de rechtsorde en de ‘verantwoordelijke overheid’ speelden in Rusland geen rol. Daar waar er in Frankrijk na de Revolutie van 1789 een moderne staat ontstond, gebeurde dat in Rusland na de Russische Revolutie niet, de autocratie van de tsaar werd vervangen door die van Stalin en later die van de Communistische Partij. Nu kent het land het: “corrupte en warrige electorale autoritarisme[6]onder Poetin. Als we Fukuyama’s definitie van moderne staat hanteren: “een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond,[7] dan kun je je afvragen of het huidige Rusland hieraan voldoet. Het land lijkt meer op een patrimoniale staat.

De derde richting die Fukuyama onderscheidt is de mislukte oligarchie van Hongarije en Polen. “In beide landen wist de aristocratie de koninklijke macht al vroeg grondwettelijke beperkingen op te leggen, waarna de koning zwak bleef en niet in staat was om een moderne staat tot stand te brengen. De zwakke monarchie kon de belangen van boeren niet beschermen tegen de adel, die hen meedogenloos uitbuitte. Ook kon zij niet aan voldoende middelen komen om een staatsapparaat te bouwen dat  sterk genoeg was om agressie van buitenaf te weerstaan. Geen van deze staten slaagde erin een moderne niet-patrimoniaal bestuur tot stand te brengen.[8]”  De hoge adel greep dus de macht en benutte die ten eigen voordeel zonder ook maar aan iemand verantwoording af te leggen maar diende wel rekening te houden met de door de kerk afgedwongen rechtsorde. Alleen bleek dat voordeel op termijn om te slaan in een nadeel. Polen werd in de achttiende eeuw in drie delingen opgedeeld onder de buurlanden Rusland en Pruissen. Met Hongarije gebeurde al eerder iets soortgelijks. Als we kijken naar hedendaags Polen en Hongarije dan zien we recente maar moderne staten waarbij de huidige heersers knibbelen aan die moderniteit en de macht van de staat en die in patrimoniale richting duwen en vooral handelen in eigen belang en een ‘adel van bedrijfsoligarchen’. Knibbelen door de rechtsorde naar hun hand te zetten en verantwoording met een korreltje zout te nemen door tegenspraak te bemoeilijken. Precies zoals de vroeger hoge adel.

De laatste richting noemt Fukuyama verantwoordelijk bestuur. “Sommige Europese staten konden zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur ontwikkelen, terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[9]  Dit gebeurde op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen die tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Tot zover de vier richtingen die de politieke orde in Europa nam. In een volgend deel ga ik, weer aan de hand van Fukuyama in op de uitdagingen voor de Europese Unie die door deze verschillende geschiedenissen worden veroorzaakt.


[1] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I, pagina 374

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2018/12/23/het-leven-wordt-vooruit-geleefd-en-achteruit-verklaard/

[3] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I,  Pagina 375

[4] Idem, pagina 383

[5] Idem, pagina 383

[6] Idem, Pagina 456

[7] [Idem, pagina 144

[8] Idem, pagina 383

[9] Idem, pagina 383 – 384

Sterke overheid

“En dit monster moet ‘sterker’?” Die vraag stelt Kustaw Bessems zich in de Volkskrant. In die column onderzoekt hij het: “populair beeld: de overheid heeft burgers in de steek gelaten, dat komt doordat de publieke sector is uitgeknepen en dus moet de overheid een grotere rol krijgen.” Een beeld dat zelfs opstijgt uit het verkiezingsprogramma van de VVD. Een partij die tot voor kort pleitte voor minder overheid, behalve dan als ze een (vooral blauw) uniform dragen. Een sterkere overheid terwijl die overheid: “zich juist verschrikkelijk met burgers bemoei(t) en hen soms vermalen, zoals in het toeslagenschandaal.”  Nee, niet sterker, aldus Bessems: “Eerst maar eens glasheldere, directe verantwoordelijkheden bepalen en democratische controle herstellen. Geen schimmige semi-overheid meer: je bent ergens wel van of je bent er niet van. Als die basis een beetje op orde is, kunnen we verder praten. Intussen zullen we nog alles op alles moeten zetten om ons die sterke overheid van het lijf te houden.”

En dat brengt mij weer bij De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het vorige deel kondigde ik aan te beginnen met het beschrijven van de ‘gerechten’ die je van de ingrediënten staat, rechtsorde en ‘verantwoordelijke overheid’ kunt bereiden. In zijn column stelt Bessems in feite de vraag of meer ‘staat’ nu het juiste ingrediënt is om aan het recept toe te voegen. Hij pleit voor meer ‘verantwoordelijke overheid’. En wellicht zou ook een pleidooi voor meer ‘rechtsorde’ een antwoord kunnen bieden. Laten we deze ingrediënten eens behandelen met de huidige situatie in Nederland in het achterhoofd.

Als eerste de optie waarvoor we volgens Bessems moeten uitkijken, meer staat vertaald als een sterkere overheid. Bessems heeft een punt als ‘sterker’ wordt vertaald in ‘bemoeizucht’ dan is dit geen aanlokkelijk perspectief. Als we naar de recente geschiedenis kijken dan zijn er signalen van toenemende bemoeizucht. Met een beroep op ‘veiligheid’ en in de ‘strijd tegen terrorisme’ wordt een vergaande inbreuk op onze privacy door de ‘Sleepwet’ gesanctioneerd. En ‘om erger te voorkomen’ zoals bijvoorbeeld bij de Jeugdwet probeert de overheid achter de voordeur te komen. En ook de door Bessems aangehaalde ‘toeslagenaffaire’ waarbij het ‘voorkomen van fraude’ voor grote ellende zorgde. Wat alle drie deze voorbeelden gemeen hebben is dat ze met goede bedoelingen zijn ingevoerd: het land veilig maken, kinderen snel helpen als dat nodig is en werk en kind combineren. Nu is de weg naar de hel, volgens het spreekwoord, geplaveid met goede bedoelingen en deze voorbeelden liggen in dat plaveisel. Zou het kunnen dat die ‘bemoeizucht’ voortkomt uit wantrouwen? Een overheid die haar burgers niet vertrouwt en, om het cru te formuleren, achter ieder boom een ‘terrorist’, achter iedere voordeur een jeugddrama en in iedere burger een fraudeur ziet?

Meer ‘staat’ en dus een sterke overheid kun je op verschillende manieren invullen. ‘Sterk’ ingevuld als bemoeizucht is een manier waarop vooral autoritaire heersers hun ‘staat’ vormgeven. Neem het Rusland onder Poetin of het Turkije onder Erdogan als voorbeeld. Landen die de staatmacht gebruiken om de inwoners te controleren. Een democratische samenleving met een ‘verantwoordelijke overheid’[1] kan (en moet in mijn ogen) andere keuzes maken. Want zou de kracht van de staat in een land met een ‘verantwoordelijke overheid’ niet juist toenemen als zij voorwaarden schept vanuit vertrouwen in en op haar inwoners? Het bijzondere aan vertrouwen is immers dat je het pas krijgt als je het geeft. Maar ook sterk in te vullen als ‘schild voor de zwakkeren’. Door: “in de huidige mobile kapitalistische ondernemerseconomie (…)de staatsmacht (te) gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen.” In plaats van te: “kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.[2]  

Een sterke staat? Ja, graag maar dan wel ook meteen de ‘verantwoordelijke overheid’ en de rechtsorde versterken want een sterke overheid zonder ‘verantwoordelijke overheid’ en sterke rechtsorde is vragen om problemen zoals Bessems betoogt. Maar dan wel in formele wet- en regelgeving vastgelegde verantwoordelijkheid die het de ‘geregeerden’ mogelijk maakt om de leiding van die sterke overheid te vervangen als die er een potje van maakt. Of zoals Bessems schrijft: “ je bent ergens wel van of je bent er niet van.”  Dat ‘wegsturen’ kun je op verschillende manieren vormgeven. In Nederland doen we dat nu via de Tweede Kamer. Als de regering het vertrouwen van de Kamer verspeeld, dan wordt ze naar huis gestuurd. Als inwoner hebben we er geen directe invloed op. Dat kan ook anders. In andere landen, bijvoorbeeld Frankrijk en Verenigde Staten kiezen ze de president die vervolgens een regering samenstelt. Die president kan, behalve als hij de wetten overtreedt, alleen door de kiezer naar huis worden gestuurd.

In theorie kent Nederland de scheiding der machten zoals Montesquieu die in zijn beroemde werk De l’esprit des lois omschrijft. De regering regeert, het parlement maakt wetten en de rechter spreekt recht. De praktijk ziet er echter wat anders uit. Inderdaad regeert de regering, maar dat doet zij samen met de meerderheid van het parlement. De regering steunt immers op een meerderheid in de Tweede Kamer en liefst ook in de Eerste want anders komen er problemen. De Tweede en Eerste Kamer stellen de wetten vast. Alleen wordt het gros van de voorstellen voor wetten ingediend door de regering. Als laatste, en daarmee komen we op het terrein van de rechtsorde, werden de mogelijkheden van de rechterlijke macht de afgelopen jaren beperkt. Aan de ene kant beperkt door striktere wetgeving die geen maatwerk meer mogelijk maakt zoals ook in de toeslagenaffaire het geval was. Aan de andere kant door bezuinigingen op die rechterlijke macht. Bezuinigingen die ertoe leiden dat het heel lang duurt voordat een zaak voor de rechter komt, dat zaken verjaren maar ook dat veel wordt afgedaan zonder tussenkomst van de rechter via een ‘bestuurlijke strafbeschikking’. Maar als belangrijkste mag de rechter niet toetsen aan onze Grondwet.

Zou de overheid niet sterker worden als die drie machten beter worden gescheiden? Gescheiden door bijvoorbeeld de uitvoerende macht, de regering, eens per vier jaar te kiezen via premiersverkiezingen. Te kiezen op basis van een programma en de mensen met wie de plannen uitgevoerd gaan worden. De kiezers hebben directe invloed op de begroting: de kandidaat premier presenteert de plannen met het financiële kader erbij. Daarin zit dus ook hoeveel belastinggeld er naar wat gaat. En door de regering, in tegenstelling tot nu, geen medewetgever meer te maken, maar te laten opereren binnen de kaders van de wetten. Een regering die geen verantwoording schuldig is aan het parlement maar aan de kiezer. Daarbij kun je in de wet het aantal termijnen voor een premier limiteren.

De machten scheiden en versterken door de wetgevende macht via loting samen te stellen. Bijvoorbeeld 301 Kamerleden met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren en dat werk is het evalueren van bestaande en het maken van nieuwe wetten. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. De huidige adviestak van de Raad van Staten, het CPB het SCP het PBL enz. maken onderdeel uit van dit ambtelijk apparaat.

En als laatste door de rechterlijke macht op verzoek van burgers het beleid van de regering te laten toetsen aan de wet en de grondwet. Rechters die voor het leven (dat kan ook de pensioengerechtigde leeftijd zijn) te laten benoemen door de gelote volksvertegenwoordiging. Voor het leven omdat dit voorkomt dat ze zich zorgen moeten maken over ‘hun volgende baan’. Want onzekerheid over je bestaanszekerheid maakt dat je anders handelt. De financiering van de volksvertegenwoordiging en de rechterlijke macht, maken geen onderdeel uit van de begroting. Die worden bij wet geregeld door de Volksvertegenwoordiging.

Zou dat geen recept kunnen zijn met de drie ingrediënten van Fukuyama? Een recept voor de toekomst geworteld in het Nederlandse verleden. In een volgend deel pak ik Fukuyama’s betoog weer op door terug te kijken en aan de hand van de drie ingrediënten te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/11/verantwoordelijke-overheid/

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

Mark Rutte de pyromane brandweerman

Als trainer van het pupillen-honkbalteam van de Mustangs in Venlo probeer ik ‘mijn spelers’ vooruit te laten denken. Want, zoals een van de andere trainers het zegt: honkbal is een denksport. Als speler in het veld moet je voordat de slagman slaat al bepalen wat je met de bal gaat doen als die bij jou komt. Doe je dat pas als je de bal krijgt, dan is de kans op een verkeerde keuze maar vooral op het maken van geen keuze, groot en dat betekent dat je punten tegen krijgt. Vooruitdenken om mogelijke problemen te voorkomen. Ik moest hieraan denken toen ik in de Volkskrant het lijsttrekkers-interview met VVD-lijsttrekker en premier Rutte las.

600+ Free Forest Fire & Fire Images - Pixabay
Bron: Pixabay

“Dat is echt gelul,” zo antwoordde de premier op de opmerking van de interviewers dat de VVD tijdens een crisis die velen de baan kost de WW versobert. “De WW blijft bij ons gewoon twee jaar. Die gaat in het eerste deel omhoog naar 82,5 procent, dan naar 75 procent en in de staart naar 65 procent. Dat is 5 procentpunt lager dan die 70 procent van nu. Niet dramatisch,” zo vervolgt hij. Of een dergelijk verlies aan inkomen dramatisch is, dat kan per persoon verschillen. Van 70% naar 65% lijkt niet veel, het is veel meer als je het vergelijkt met je eerdere 100%, dan is het namelijk een derde minder. Bovendien, hoe hoog je WW is, wordt niet alleen door dat percentage bepaald. De WW van iemand bedraagt namelijk dat percentage met een maximum van het wettelijk maximumdagloon en dat bedraagt € 222,78. En of het dramatisch is, wordt natuurlijk ook bepaald door je vaste lasten. Dit even terzijde want daar gaat het mij nu niet om. Al zegt het wel iets over de manier waarop premier Rutte naar de wereld kijkt.

Het gaat mij om het antwoord op de vraag: “Uitkeringsgerechtigden zijn bij de VVD het slechtst af qua koopkracht. De bijstand wordt losgekoppeld van het minimumloon.” Op die vraag antwoordt Rutte: “Ho! Niet de AOW en niet de WIA. Ouderen en mensen die arbeidsongeschikt zijn, komen niet meer aan de slag, die laten we volledig meestijgen. Bij mensen met werkloosheidsvoorzieningen is het doel dat ze weer aan de slag komen. Dan is het niet onredelijk te zeggen: dan groeien jullie niet mee met al de welvaartsontwikkeling. Daardoor kunnen we meer geld uittrekken voor armoedebestrijding.” Rutte houdt er een bijzondere redenering op na.

De bijstand wordt niet geïndexeerd omdat het doel is dat deze mensen weer aan het werk gaan. Nu is de bijstandsuitkering bedoeld om mensen te kunnen laten overleven als ze zelf geen inkomen verwerven. En de ervaring leert dat bijstand en armoede correleren en wellicht is er zelfs een causaal verband. Zo’n 35% van de bijstandsontvangers vallen onder de armoedegrens en voor het andere deel is de bijstand geen vetpot. En wat belangrijker is. Van alle kinderen met ouders in de bijstand leeft meer dan de helft in armoede[1]. Niet indexeren maakt helpt die 35% in ieder geval niet en het vergroot de kans dat die 35% hoger wordt. In de redenering van Rutte zal dit ervoor zorgen dat de bijstandsgerechtigde sneller aan het werk komt. Bij die redenering kun je vraagtekens zetten. En wat doet Rutte met de ‘financiële winst’ van het uitknijpen van de armen? Die wordt gebruikt om …. armoede te bestrijden. Hij creëert problemen om ze vervolgens op te kunnen lossen. Rutte als de pyromane brandweerman.


[1] https://digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2019/werkende-en-niet-werkende-armen/

Verantwoordelijke overheid

Na de rol van de rechtsorde[1] rest er nog een onderwerp dat voor het verklaren van de politieke orde van belang is. Dat is, zoals Francis Fukuyama betoogt in zijn boek De oorsprong van onze politiek het noemt, de ‘verantwoordelijke overheid’. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[2] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch.

File:God roept Kaïn ter verantwoording nadat hij Abel heeft gedood,  RP-P-1878-A-851.jpg - Wikimedia Commons
God roept Kaïn ter verantwoording na de moord op Abel. Van Louis De Deyster. Bron Rijksmuseum via WikimediaCommons

Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en geregeld, in ieder geval een keer per vier jaar en volgende week weer, voor het gehele volk. Ook in de landen om ons heen kennen een soortgelijke manieren van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd.

Fukuyama onderscheidt twee soorten verantwoording morele en formele. “Formele verantwoording is procedureel: de overheid gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan bepaalde mechanismen die haar macht om te doen wat zij wil beperken. Uiteindelijk stellen deze procedures (die doorgaans nauwkeurig in een grondwet worden omschreven) de burgers van een samenleving in staat om de hele overheid te vervangen in geval van ambtsmisdrijf, incompetentie of machtsmisbruik.” In onze democratische samenleving ‘vervangen’ we via verkiezingen. Het kan ook anders: “In Engeland werd al vroeg verantwoordelijk bestuur geëist uit naam van het recht, omdat de burgers vonden dat de koning zich daaraan moest onderwerpen.” De koning moest zich onderwerpen aan: “een traditioneel rechtscorpus dat werd beschouwd als de belichaming van de consensus van de gemeenschap.” Iets soortgelijks speelde ook in de Lage Landen ten tijden van de Tachtigjarige Oorlog. De ‘consensus van de gemeenschap’ zijnde die in de Staten Generaal vertegenwoordigde edelen, vonden dat de landsheer, de koning van Spanje, zijn ambt misbruikte. Via het Plakkaat van Verlatinghe werd Phillips II afgezet. In de loop van de tijd werd in West Europa en de Verenigde Staten de groep die behoorde tot dit ‘traditionele rechtscorpus’ steeds groter en uiteindelijk is hieruit onze democratie ontstaan met een door het gehele volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Bij morele verantwoording daarentegen, ligt het initiatief bij degene die van zichzelf vindt dat er verantwoording moet worden afgelegd. Het initiatief ligt bij de heerser zelf. Fukuyama geeft een sprekend vergelijkend voorbeeld: “morele verantwoordelijkheid heeft een reële betekenis in de manier waarop autoritaire samenlevingen bestuurd worden, zoals blijkt uit de tegenstelling tussen het hasjemitische Jordanië en het ba’athistische Irak onder Saddam Hoessein. Geen van beide landen was een democratie, maar Irak was een wrede indringende dictatuur die voornamelijk de belangen van het kleine kliekje vrienden en familieleden van Saddam diende. De Jordaanse koningen daarentegen hoeven zich niet formeel te verantwoorden tegenover hun volk behalve door middel van een parlement met zeer beperkte bevoegdheden; niettemin hebben zij goed geluisterd naar de eisen van diverse groepen in de Jordaanse samenleving. [3]

De staat in zijn verschillende vormen[4], de rechtsorde[5] en de ‘verantwoordelijke overheid’, drie ingrediënten voor een politieke orde. Iedere kok weet dat je met dezelfde ingrediënten heel verschillende gerechten kunt maken. Dat geldt ook voor de drie ingrediënten voor een politieke orde. Welke ‘gerechten’ daar kom ik in een volgend deel in deze serie op terug.


[1] Zie hiervoor https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/ en  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

[3] Idem, pagina 369-370

[4] Zie de delen:  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/ , https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/ en

https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[5] Zie voetnoot1

Zakelijke dictatuur

“Met ingang van volgende week graag. Een apolitiek orgaan. Zonder oogmerk om verkiezingen te willen winnen. Ik wil namelijk mijn land terug. Ik wil liever niet in deze draconische versie van de maatschappij wonen waarin het landsbestuur zich heeft afgewend.” Daarvoor pleit Hans van Tellingen bij Opiniez. Hij weet ook al hoe, namelijk via een zakenkabinet van:  “kundige mensen uit het bedrijfsleven. Die ons dan gezwind ‘terug naar normaal’ loodsen.” Volgens Van tellingen is dit nodig omdat: “ons volledige landsbestuur (…) geradicaliseerd (lijkt). Dit vanwege de invoering van disproportionele coronamaatregelen.” Waarbij er: “nog nauwelijks sprake (is) van oppositie. Een om drie redenen bijzonder betoog.

Stad Teken Beelden - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als eerste omdat Van Tellingen al weet wat het zakenkabinet zal gaan doen. Het: “volledige MKB (Midden- en Kleinbedrijf) van de ondergang (redden). Zoals de middenstand, de horeca-ondernemers, de culturele ondernemers, de kermisbedrijven, de reisbranche, de evenementbedrijven, et cetera. Alles wat dicht was moet weer open. Maar ook grote winkelketens als Blokker, Action en HEMA verdienen het om weer goede omzet te kunnen draaien.”  Vervolgens moet de jeugd worden gered: “Het credo ’de jeugd heeft de toekomst’ is door het beleid van het afgelopen jaar vakkundig om zeep geholpen.” De lockdown moet worden beëindigd en: “natuurlijk moet de avondklok worden opgeheven. Net als de spoedwet. Ook zal de onafhankelijke rechtspraak weer in ere hersteld dienen te worden. Want bij het hoger beroep over de avondklok is er geen goede belangenafweging geweest, mijns inziens. Last but not least zal het demonstratierecht als grondrecht dienen terug te keren.” Nu wijkt dat niet zoveel af van wat iedereen wil. Alleen weet Van Tellingen dat dit met ingang van mei al kan. Dan kan er: “ook écht campagne gevoerd (…) worden. Omdat dan het ‘normaal’ is teruggevonden.” Het zakenkabinet moet doen wat Van Tellingen wil, maar wat als dat tot een andere conclusie komt?

En dat brengt mij bij het tweede bijzondere in Van Tellingens betoog. Hij presenteert zijn opvattingen als zakelijke en apolitiek. Door de woorden die hij gebruikt, geeft hij zijn opvattingen een neutrale status, een truc die vaker wordt gebruikt. Je noemt je eigen opvattingen ‘realistisch’ en zo zijn die van anderen meteen irreëel of nog erger idealistisch. Of zoals de VVD-verkiezingsposters in 2017 waarin de partij zichzelf wegzet als normaal, waarmee wordt gesuggereerd dat de anderen niet normaal zijn. Een woord dat Van Tellingen zelf ook gebruikt, hij wil ‘terug naar normaal’. Ik weet niet wat zijn ‘normaal’ is, maar als het afgelopen jaar mij iets heeft geleerd dan is het dat er het nodige anders moet. Moeten we werkelijk terug naar  ‘lean and mean’ zorg? Naar het vijf dagen in de week naar kantoor tuffen? Het voor € 25 naar Barcelona vliegen? Bovendien blijken er jongeren te zijn die het afgelopen jaar juist opbloeiden, willen we die weer terug duwen in ‘voorcoronese’ ellende?

En daarmee kom ik bij de derde bijzonderheid. Van Tellingen doet het voorkomen alsof je een land apolitiek kunt besturen. Dat lijkt mij per definitie onmogelijk want is het besturen van een land niet per definitie politiek? Politiek is: “alles wat te maken heeft met het besturen van een land, provincie, gemeente enz.: de binnenlandse politiek,” aldus de Van Dale en vervolgt met de: “manier waarop je je doel probeert te bereiken, beleid, gedragslijn.” Als we ergens voor op onze hoede moeten zijn dan is het voor dergelijke betogen. Want als je ze gaat uitvoeren dan eindigt het meestal in een dictatuur. Er is immers altijd wel een nieuw probleem dat je beter ‘zakelijk’ kunt aanpakken.

Us and the king

‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.[1] Met die woorden sloot ik het vierde deel van de serie over het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. Op het antwoord op deze vraag moeten jullie toch nog even wachten want dat ‘volgende deel’ is niet dit deel. In dit deel bekijk ik aan de hand van Fukuyama, de ontwikkeling van de rechtsorde in andere delen van de wereld.

Religie Het Hindoeïsme God - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

In West Europa speelde de rechtsorde een belangrijke rol in het breken van de patrimoniale samenleving en het ontstaan van veel meer op het individu gebaseerde samenleving. Ook in andere delen van de wereld ontstond iets van een rechtsorde. Bijvoorbeeld ook in India en ook hier speelde de godsdienst een belangrijke rol. Alleen op een heel andere manier dan in Europa, anders op twee manieren. Als eerste deelt het Hindoeïsme, in tegenstelling tot het christendom, de samenleving op in vier starre sociale klassen met bovenaan de brahmanen, de priesters, vervolgens de ksatriya’s, de krijgers, vervolgens de vaisya’s, de kooplieden en als laatste de sudra’s, de rest. Starre klassen omdat je de klassenstatus erfde van je ouders en huwelijken alleen binnen de klassen plaatsvonden. Binnen deze vier klassen waren rijke en arme leden van de klasse. Heersers altijd afkomstig uit de krijgersklasse, moesten zich voor hun legitimiteit wenden tot de brahmanen. Resultaat hiervan: “Het recht was derhalve dieper in de religie geworteld dan in de politiek; de vroegste rechtstraktaten, de Dharmasastra’s waren geen edicten van keizers zoals in China, maar documenten die door religieuze autoriteiten waren geschreven.” Als tweede was : “De klasse der brahmanen (…) niet georganiseerd in één hiërarchie die koningen en keizers orders kon geven. … De klasse der brahmanen vormden meer een netwerk waarvan de leden horizontaal met elkaar communiceerden via ontelbare dorpjes en steden waar ze woonden.” Bovendien was de klasse der brahmanen weer onderverdeeld in verschillende groepen die allemaal een eigen specialisme hadden: “Een brahmaan die toezag op de installatie van de koning was misschien niet bereid tot omgang met een brahmaan die toezag op uitvaartrituelen.” Ze hadden: “op lokaal niveau een enorme invloed, waar er bij elke sociale gebeurtenis behoefte was aan hun diensten.” Dit maakte hen zeer onafhankelijk: “Maar ze waren ook niet in staat tot collectief optreden.[2]

Een derde gebied met een sterke rechtsorde in de zin zoals in het vorige deel besproken, is de wereld van de islam. De islamitische wereld vertoont, zo betoogt Fukuyama, op dit gebied veel overeenkomsten met de christelijke wereld. “In beide tradities is het recht geworteld in de religie; er is slechts één God met een universele jurisdictie, die de bron is van alle waarheid en rechtvaardigheid.” Net als de christelijke wereld is de islamitische sterkt ingesteld op het schrift: “waarbij fundamentele sociale regels al heel vroeg gecodificeerd zijn.[3]

Toch ontwikkelde de islamitische wereld zich op een heel andere manier. De eerste kaliefen verenigden de geestelijke (het kalifaat) en wereldlijke macht (emiraat) in hun persoon. Dit in navolging van Mohammed de stichter van de godsdienst. De reden hiervoor was dat de grens van het wereldlijke en geestelijke rijk samenvielen: alle islamieten woonden in hetzelfde rijk met dezelfde vorst. Maar net als dat voor alle rijken uit de geschiedenis gold, viel ook dit rijk uit elkaar. Er ontstonden meerdere islamitische rijken en dat betekende dat er meer ‘emiraten’ waren: de wereldlijke en geestelijke macht splitsten zich. En net als het emiraat zich splitste, splitste ook het kalifaat zich. En zo kent de islam, net als het hindoeïsme geen hiërarchie en kwam het dus nooit tot een strijd tussen ‘the pope and the king’ om de titel van het vorige deel te parafraseren.

Op dit gebied is China een uitzondering. China kende religies maar er was nooit een religie die machtiger was dan de keizer. Het kende ook en geen rechtsorde. Want kenmerk van een rechtsorde is dat de regering zich aan die orde moet houden. De Chinese keizer bezat de absolute macht. De keizer verenigde, om de drie moderne begrippen te gebruiken, de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht in zich. Maar om die macht te behouden was hij in constant gevecht met patrimoniale krachten. China kende geen rechtsorde en dat is iets wat nu nog steeds doorwerkt. China kent wel wetten en zelfs een grondwet maar die gelden niet voor alles en iedereen. Ze gelden namelijk niet voor de Chinese communistische partij. Die staat boven de wet. Zowel het Indisch subcontinent als in de islamitische wereld kennen, in tegenstelling tot de westers christelijke wereld nog steeds een sterk patrimoniale invloed. En, en dat is er een spiegel van, een veel minder individualistische samenleving. Dus daar geen balanceer act tussen ‘the king, the pope and I’ maar een gevecht tussen ‘us and the king’.

Terug naar de vraag uit het vorige deel waarmee ik begon. Ook in het volgende deel nog geen antwoord op die vraag want naast de moderne staat en de rechtsorde is er nog een derde onderwerp dat van belang is, namelijk ‘de verantwoordelijke overheid’ zoals Fukuyama het noemt.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/05/the-king-the-pope-and-i/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 320-321

[3] Idem, pagina 322-323

The king, the pope and I

In het vorige deel van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik, stond het ontstaan van de moderne staat centraal[1]. Kenmerk van de moderne staat is dat ze haar ‘ambtenarencorps’ selecteert op basis van verdienste en niet op ‘familierelaties’ zoals in een patrimoniale. We zagen dat de moderne staat, zo betoogt Fukuyama, in China ontstond tijdens de Qin-dynastie in de derde eeuw voor onze jaartelling. Het duurde echter nog zo’n zeventienhonderd jaar voordat zich in West Europa iets ontwikkelde wat je een moderne staat kon noemen. Dat wil niet zeggen dat er op politiek gebied niets gebeurde. West Europa volgde een andere weg.

A school history of Germany: from the earliest period to t… | Flickr
Bron: Flickr

Fukuyama: “De Europese politieke ontwikkeling was in zoverre uitzonderlijk dat Europese samenlevingen zich al vroeg afwendden van tribale organisatievormen, en dat deden ze zonder de hulp van een politieke macht van bovenaf.”  In West Europa werd het tribalisme op een andere manier aangepakt: “De staatsvorming was niet zozeer gebaseerd op het vermogen van vroegere stichters van staten om militaire macht in te zetten, als wel op hun vermogen om recht te spreken.” Staatsvorming via een rechtsorde.

Bij een rechtsorde denken we nu al vrij snel aan onze wetboeken die de omgang tussen ons mensen onderling, tussen mensen en bedrijven en tussen mensen, bedrijven en de staat regelen. Dat moderne beeld moeten we vergeten: “Neem er nota van dat de vroege Europese staten wel het recht toepasten maar niet noodzakelijkerwijs de wet.”  Want: “het onderscheid tussen recht en wetgeving is fundamenteel om de betekenis van de rechtsorde zelf te begrijpen. … het recht is een geheel van abstracte rechtsregels dat een gemeenschap bijeenhoudt.” En dat recht, zo geloofde men: “werd bepaald door een gezag hoger dan dat van enige menselijke wetgever, ofwel door een goddelijke autoriteit, door oeroude gewoonte of door de natuur.” Dit in tegenstelling tot de wetgeving die overeenkomt met: “wat nu het positief of objectief recht wordt genoemd, en (…) een (is) functie van de politieke macht, dat wil zeggen van het uiteindelijk op coërcitieve macht gebaseerde vermogen van een koning, baron, president, wetgevende macht of krijgsheer om nieuwe regels te maken en te handhaven.[2]

Gewoonten, de natuur of een goddelijke autoriteit. Nu hebben ‘goddelijke autoriteiten’ of beter gezegd de vertegenwoordigers ervan, de neiging om de natuur maar ook gewoonten aan de autoriteit van hun godheid te verbinden. Zo was de katholieke kerk een meester in het incorporeren van ‘heidense’ feesten en gebruiken door er een ‘passende heilige’ aan te verbinden en er zo een katholiek feest van te maken. Diezelfde katholieke goddelijke autoriteit, speelde, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol in de afbraak van tribale verbanden en: “dit gebeurde heel kort nadat de Germaanse stammen die het Romeinse Rijk onder de voet liepen zich voor het eerst tot het christendom bekeerden.” En de katholieke kerk speelde daarin de belangrijkste rol[3].  Hoe ze dat deed? Door: “krachtig stelling (te nemen) tegen vier praktijken: huwelijken tussen naaste verwanten, huwelijken met weduwen van dode verwanten (…), het adopteren van kinderen, en echtscheiding.” Hierdoor werd het voor verwantschapsgroepen lastig om: “onroerend goed in handen van de groep (te) kunnen houden (en) het van de ene op de andere generatie,” door te geven. Waarom de kerk dat deed? “De reden dat de Kerk dit standpunt innam had (…) veel meer te maken met de materiele belangen van de Kerk dan met theologie.[4] Die materiele belangen behelsden het in bezit krijgen van zoveel mogelijk onroerend goed en dat ging zo makkelijker.

Die bijzondere ontwikkeling, want dit gebeurde alleen in West Europa, leidde tot een veel sterkere en definitievere afkeer van het tribalisme. Dit vooral omdat deze ontwikkeling aan de basis stond van een andere Westerse en vooral West Europese ‘afwijking’, namelijk het individualisme. Fukuyama: “De Europese samenleving was met andere woorden al heel vroeg individualistisch, in die zin dat individuen en niet hun families of verwantschapsgroepen belangrijke beslissingen konden nemen over huwelijk, bezit en andere persoonlijke kwesties. Individualisme in de familie is het fundament van alle individualismen. Het individualisme berustte niet op de opkomst van een staat die de wettelijke rechten van individuen afkondigde en het gewicht van zijn coërcitieve macht gebruikte om de hand te houden aan die rechten. Het is eerder zo dat staten werden gevormd boven op samenlevingen waarin individuen reeds tamelijk vrij waren van sociale verplichtingen ten aanzien van verwanten. In Europa ging de sociale ontwikkeling vooraf aan de politieke ontwikkeling.”

Naast het ‘breken van het tribale’ heeft de katholieke kerk de ontwikkeling van de politiek in West Europa nog op een andere manier beïnvloed. De paus had een eigen staat, die nu is verschrompeld tot Vaticaanstad, en speelde op die manier ook een deuntje mee in het wereldlijke. De vorsten bemoeiden zich met de benoeming van geestelijken op hun grondgebied en probeerden zo het ‘geestelijke gezag’ te beïnvloeden. Dit draaide in de tweede helft van de elfde eeuw uit op een groot conflict tussen de paus en de keizer over de benoeming van geestelijken. Het conflict begon in 1046 met de kroning van Hendrik III tot keizer van het Heilig Roomse Rijk. Om die kroning in goede banen te leiden zette Hendrik drie rivaliserende pausen af en benoemde er eentje naar zijn gading. Daarna benoemde hij er nog vier.

Dit zeer tegen het zere been van een stroming binnen de kerk onder leiding van Hildebrand van Sovana. Toen deze Hildebrand in 1073 tot paus werd gekroond en als Gregorius VII: “maakte hij van het celibaat van priesters een officiële kerkelijke doctrine en dwong hij priesters om te kiezen tussen hun verplichtingen ten aanzien van de Kerk en hun verplichtingen ten aanzien van hun familie,” en die familie was in het overgrote deel van de gevallen verbonden met deze of gene vorst. De zogenaamde investituurstrijd brak hiermee uit. Veel priesters en hun familie verzetten zich hier tegen, celibaat en trouw aan de kerk betekende immers dat de familie onroerend goed en macht verloor. De kaarten waren niet in het voordeel van Gregorius en daarom lanceerde hij een frontale aanval: “In een pauselijk manifest uit 1075 ontnam hij de koning het recht om bisschoppen af te zetten en leken aan te stellen” in een geestelijk ambt. De opvolger van Hendrik III, Hendrik IV nam dit hoog op een riep de paus op om af te treden waarop Gregorius zijn grootste kanon in stelling bracht: hij deed Hendrik IV in de ban. Daardoor kreeg Hendrik problemen in zijn rijk omdat veel prinsen en bisschoppen nu achter Gregorius gingen staan en dwongen Hendrik om te buigen en de ‘gang naar Canossa’ te maken. Daarmee was de strijd echter nog niet teneinde, Hendrik bleef erbij dat hij het recht had om bisschoppen te benoemen. Hij bezette Rome, zette Gregorius af en benoemde een tegenpaus Clemens III. Het getouwtrek sleepte zich nog voort totdat het: “in 1122 definitief werd geregeld met het Concordaat van Worms waarin de keizer het recht van aanstelling grotendeels opgaf, terwijl de Kerk het gezag van de keizer in alle wereldlijke zaken erkende. [5]

Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat een heerser in westelijk Europa, met twee zaken rekening diende te houden. Aan de ene kant met de ‘wil of wet van god’ en aan de andere kant met die individuen en de ermee verbonden rechten. De eerste, die ‘wil of wet van god’ kende in de paus een centrale vertegenwoordiger en in de clerus een eigen ‘machstkanaal’ in het ondermaanse. Dit in tegenstelling tot de Chinese keizer wiens wil wet was en die geen rekening hoefde te houden met een god en diens vertegenwoordigende ‘religieuze autoriteit’ die er ook niet was. ‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 285-286

[3] Idem, pagina 269

[4] Idem, pagina 276

[5] Idem, pagina 307-308