De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
Vooruit dan maar. Nog een derde prikker over cijfers, feiten en wetenschap. Bij Wynia’s Week adviseert wetenschapsjournalist Arnout Jaspers om: “onder strikte voorwaarden, ook (te) selecteren op uiterlijk bij zulke controles.”Zulke controles zijn politiecontroles. Wat die strikte voorwaarden zijn, maakt hij niet duidelijk. Een bijzonder betoog waarbij de vraag is wat de oorzaak en wat het gevolg is.
In het artikel een grafiek van het CBS waaruit blijkt dat, zelfs gecorrigeerd voor allerlei zaken die Japsers dubieus vindt, zoals sociaaleconomische, woonomgeving factoren, twee keer zoveel jongeren van Marokkaanse afkomst minimaal één veroordeling hebben. Die hogere cijfers zijn pijnlijk, zo betoogt hij, maar dan vooral voor: “criminologen en opiniemakers die deze oververtegenwoordiging zonder onderbouwing van data weg willen schrijven op racisme, dat wil zeggen discriminatie, stigmatisering en etnisch profileren door de rechterlijke macht.” Maar zo vervolgt hij: “Maar waarom zouden politie en rechters specifiek racistisch zijn tegen Marokkanen, en niet tegen Turken of Antillianen?” En nogwat verder schrijft hij: ‘Maar waarom zou ‘armoede’ hier de verklarende factor zijn, en niet etniciteit?” Rijen cijfers en daar verbanden tussen zien, causaliteit. Dat is geen wetenschap zoals ik in Dweilen met de kraan open al betoogde. Wetenschap vraagt om een verklarende theorie: wat is er dan dat zou maken dat Marokkanen crimineler zijn?
Jaspers adviseert om op basis van de cijferreeksen selectief te controleren. Een eufemisme voor etnisch profileren. Jaspers: “Stel, uit onderzoek is gebleken dat een kwart van de drugsrunners in een BMW rijdt, en veel minder vaak in andere automerken. Mag de politie dan bij een grote verkeerscontrole selectief BMW’s naar de fuik dirigeren, ondanks dat verreweg de meeste BMW-rijders geen drugsrunner zijn? Uiteraard mag dat, want het maakt de controles effectiever.” Dat lijkt logisch. Als je de BMW’s controleert is de kans groter dat je een drugsrunner pakt. Omdat een auto, geen persoonskenmerk is, is hier niet zoveel op tegen. Je discrimineert maar je doet dit niet op basis van persoonskenmerken.
Hij gaat nog verder en komt dan met het advies waarmee deze prikker begon. ‘Controleren op uiterlijk’ betekent dat je je op een bepaalde groep richt. Gevolg hiervan is je ook meer mensen uit die groep gaat vinden die iets verkeerds hebben gedaan. Ook al is het een verkeersovertreding. Want dat is waar de meeste 18-25 jarigen van worden verdacht. Dat en vernieling en het verstoren van de openbare orde. Je richt je op die groep en gaat ook zoeken waar die groep zich ophoudt. Maar … . Omdat de “politie altijd moet woekeren met tijd en middelen,” zoals Jaspers terecht zegt, betekent dit automatisch dat je niet zoekt onder andere groepen. Omdat je je richt op het pleintje in de sterk verstedelijkte wijk met veel sociale huurwoningen waar de hangjongeren van Marokkaanse afkomst rondhangen en niet op het veldje aan de rand van een dorp waar jeugdigen van Nederlandse afkomst hun kattenkwaad uithalen, komt die laatste groep weg met zaken waar de eerste voor wordt gestraft.
Dat ‘woekeren met tijd en middelen’ betekent ook dat de politieagenten daar worden ingezet waar meer ellende wordt verwacht en dat is vooral sterk verstedelijkt gebied. En laat “Jongvolwassenen met een tweede generatie Surinaamse of Marokkaanse migratieachtergrond (….) relatief het vaakst op(groeien) in zeer sterk stedelijk gebied (bijna 60 procent). Van de tweede generatie Turken is dit bijna de helft,” aldus het CBS-rapport waar ook Jaspers zich op beroept. Precies die gebieden waar de kans om een politieagent tegen het lijf te lopen, het grootst is.
Of dat de belangrijkste reden is, weet ik niet. Maar als je kijkt naar de verdeling van de menskracht en middelen op basis van het Besluit verdeling sterkte en middelen politiedan heb je in het werkgebied van het korps Amsterdam het dubbel aantal agenten per inwoner dan in het werkgebied van het korps Limburg. Het korps Amsterdam krijgt 11,6% van de middelen en menskracht en bedient zo’n 1.16 miljoen Nederlanders. Het korps Limburg, dat net iets minder, namelijk 1.13 miljoen mensen bedient, krijgt 6.11% van de middelen en menskracht toebedeeld. Het korps Limburg moet met die minder middelen wel een veel groter gebied bedienen. Dus de kans om een agent tegen het lijf te lopen is een heel stuk kleiner dan in de politieregio Amsterdam.
Het lijkt er daarmee op dat wat Jaspers suggereert al praktijk is. Zou die praktijk niet een belangrijke verklaring zijn voor de gevonden criminaliteitscijfers en de verschillen ertussen? Zou de reden dat ‘Marokkanen vaker een misdrijf hebben gepleegd, het gevolg, niet worden veroorzaakt juist door de ‘selectieve controle’ die Jaspers bepleit?
“Wat betreft asielmigratie: bij de vaak gehoorde opmerking dat asiel slechts 10 tot 12 procent van de totale immigratie betreft, geeft Van de Beek een bijsluiter. Van de arbeidsmigranten is na tien jaar nog maar 21 procent in Nederland, van de studiemigranten 18 procent. Bij asielmigranten is dit 55 procent, bij gezinsmigranten 59 procent. Met andere woorden: ‘De bijdrage van asiel aan de bevolkingsgroei is veel groter dan op het eerste gezicht lijkt.’ En dat is van belang om te weten, ‘want geen andere vorm van immigratie belast de samenleving en verzorgingsstaat zozeer als asiel’.” zo lees ik in een interview met de Volkskrant Jan van de Beek in de Volkskrant. Ik dacht: ‘Je hebt leugens, verdomde leugens en statistieken.’ En toen ik er wat verder indook dacht ik aan appels en peren waarmee knollen voor citroenen worden verkocht.
Van wie deze uitspraak over statistiek is, is onbekend. De Amerikaanse auteur Mark Twain schreef hem toe aan de Britse premier Benjamin Disraeli, maar, als je Wikipedia mag geloven, dan is de uitdrukking: “in geen enkel werk van Disraeli te vinden en de vroegste bekende verschijningen waren jaren na zijn dood. Er zijn verschillende andere mensen genoemd als bedenkers van het citaat, en het wordt vaak toegeschreven aan Twain zelf.” Ik moest denken aan deze uitspraak bij het lezen van het interview. Een interview over zijn nieuwe boek Migratiemagneet Nederland. Mythen. Feiten. Oplossingen. Even vooraf. Ik heb het boek nog niet gelezen en baseer me alleen op zijn uitspraken de Volkskrant en gedaan bij Bar Laat van 22 oktober 2024.
“Als je onderzoek doet, moet je proberen niet links en niet rechts te zijn maar zo zuiver mogelijk je onderzoek te doen en in de spiegel te kijken wat zijn mijn vooroordelen? Waar zou je kunnen struikelen?” Aldus van de Beek bij Bar Laat. Hij wil ‘niet politiseren’. Nu is dat al een eerste spiegel waarin hij zichzelf wat vertekend waarneemt. De uitspraak over het belasten van de samenleving en de verzorgingsstaat door asielzoekers, is een politieke uitspraak. ‘Belasten’ is een waardeoordeel en waardeoordelen zijn politiserend. “We zitten op een omslagmoment. Het moet mogelijk zijn om een coalitie te smeden van flink wat EU-landen die af willen van het asielrecht in zijn huidige vorm,” in de Volkskrant, is politiseren. ‘Af willen’ van rechten is politiseren. “Je kunt wel zeggen: er wordt te weinig gebouwd, maar er is niet tegenop te bouwen. De kosten voor zorg lopen op, de onderwijskwaliteit daalt. Dat mag je best een crisis noemen.” Iets een crisis noemen is politiseren. Sterker nog, door te zeggen dat je niet wilt politiseren, politiseer je. Je politiseert omdat je als ‘neutraal en feitelijk’ bestempeld en daarmee iedereen die het anders ziet labelt als ‘bevooroordeeld en niet feitelijk’. Op dit punt is Van de Beek al ‘gestruikeld’ om zijn eigen woorden te gebruiken.
Hij noemt iedereen die naar een ander land gaat, migrant. En zo heb je dan arbeidsmigranten, studiemigranten en asielmigranten. Het verbaast me daarom dat hij de ‘vakantiemigranten’ niet heeft meegenomen. Die groepen gaat hij vervolgens met elkaar vergelijken op ‘bijdragen aan de samenleving’ en daarop scoren de asielmigranten het slechtst. Ja, dank je de koekoek. Natuurlijk doen asielzoekers het slechter op de arbeidsmarkt dan mensen die hier naar toe worden gehaald door een werkgever en maken ze meer aanspraak op sociale voorzieningen dan mensen die hier komen studeren. Als je naar hier wordt gehaald om te werken heb je werk en als je naar hier komt om te studeren dan heb je geld om te overleven. Als vluchteling heb je dat niet. Dan begin je echt bij nul en omdat het gemiddeld bijna twee jaar duurt voordat je als statushouder ergens woont en dan pas mag beginnen met je inburgering, begin je eigenlijk diep in de min. En dus is het niet vreemd dat een veel groter deel van hen een beroep doet on sociale voorzieningen.
Natuurlijk is het percentage van de groep die asiel heeft verkregen dat na tien jaar nog hier woont, groter dan dat van degenen die hier komen voor arbeid of studie. Een studie duurt ongeveer vier jaar. Degenen die blijven hebben hier werk, een partner en waarschijnlijk allebei gevonden. Iets soortgelijks gaat ook op voor mensen die hier voor werk naartoe komen. De tijden dat je na veertig jaar trouwe dienst bij een werkgever met pensioen gaat, zijn allang voorbij. Na een jaar of vier ben je weer toe aan ‘een nieuwe uitdaging’ en die kan overal liggen. Iemand die asiel zoekt, komt hier omdat de persoon een veilig heenkomen zoekt, omdat het land van herkomst door oorlog of de politieke situatie voor de persoon te gevaarlijk is. In de landen waar het gros van de huidige vluchtelingen vandaan komen, landen als Afghanistan, Syrië en Eritrea, is nog steeds in oorlog of is de politieke situatie van dien aard dat velen hun leven er niet zeker zijn.
“‘Dan is er de factor culturele afstand tot het herkomstland. Als die te groot is, is dat nadelig voor integratie. Dat pakt slecht uit voor participatie op de arbeidsmarkt en leidt tot oververtegenwoordiging in criminaliteit. Wat helpt, zijn gemengde relaties.” En “ juist asielmigranten uit andere delen van Afrika en het Midden-Oosten, veelal moslims, hebben weerstand tegen gemengde relaties. Daar hapert de integratiemotor.” Aldus Van de Beek in de Volkskrant. Om te integreren moet de club waarin je verwacht wordt te integreren wel open staan voor je integratie. Het narratief waarvan Van de Beek hier de milde variant geeft, ze zijn ‘te verschillend’, en dat ook in steeds extremere mate door partijen als de BBB en de PVV wordt gehanteerd, draagt niet bij aan het ‘open staan’ en het zal de belangstelling voor een gemengd huwelijk onder de kant van de geboortige Nederlanders, niet echt doen toenemen. Dat narratief is een self-fulfilling prophecy.
Wat al deze groepen met elkaar gemeen hebben, is dat het mensen zijn die naar een ander land trekken. De reden voor vertrek naar dat andere land is echter zeer verschillend. Door ze op één hoop te gooien en te spreken over arbeidsmigratie, studiemigratie, asielmigratie worden onvergelijkbare groepen op één hoop gegooid en daarvan wordt de kwetsbaarste groep, de asielzoekers, het slachtoffer. Het wegpoetsen van deze verschillen is politiseren. Daar een bruinkleurig cultureel sausje over gieten is politiseren. Van de Beek vergelijkt appels met peren, verkoopt knollen voor citroenen en onderbouwt dit met statistiek.
“Ze zegge det de helluf van de wereld van ôs is. Ik weit ’t neet percies maar as det klop is ’t neet mis. Dan staeke we 50 cent van iddere gölde in de tes. En nog ein kwartje van de res.” Het openingsrefrein van het feestnummer Gekke minsevan de Venlose band Neet oet Lottum . In de rest van Nederland is de band vooral bekend door het nummer Hald mich ens vas. Die ‘ôs’, ‘ons’ in het Nederlands, zijn gekke mensen. De tekstschrijver Frans Pollux zou wel eens gelijk kunnen hebben. Dat is wat ik dacht na het lezen van het boek The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous van Joseph Henrich. Het laatste boek dat ik in 2023 las, maar wel het boek dat de meeste indruk op me heeft gemaakt. Weird: “raar, gek, eng,” volgens de Vandale. Henrich geeft er een heel andere betekenis aan. WEIRD is voor hem een acroniem van Western, Educated, Industrialized, Rich and Democratic.[1]” Wij, wat we nu de westerse wereld noemen, zijn WEIRD en wijken af van de rest van de wereld en van samenlevingen uit het verleden.
Voor een beschrijving van het niet WEIRDe deel van de huidige en vroegere wereld even terug in de tijd. Een van de mooiste scenes in de film Gladiator is in mijn ogen als de gladiator Juba, gespeeld door Djimon Gaston Hounsou, de poppetjes die de voorouders en kinderen van Maximus, de oud-generaal en nu gladiator gespeeld door Russell Crowe, in het zand begraaft. Juba spreekt dan de woorden: “I will see you again… but not yet. Not yet.” Die scene herbergt twee manieren om naar het leven op aarde te kijken.
“I will see you again,” duidt op het geloof dat er na het leven op Aarde nog iets is. Een leven na de dood. Dit denken is al oud en heeft vooral als doel om je tijdens het leven op Aarde te disciplineren. Dat disciplineren tijdens het leven kan alleen als het niet zeker bent van dat leven na de dood. Of, en dat is de variant die het meeste voorkomt, dat plek is voor degenen die goed hebben geleefd en zich dus aan de morele regels hebben gehouden en een plek voor hen die dat niet hebben gedaan. Voor christenen de hemel of de hel en voor het katholieke deel van hen zat daartussen nog het vagevuur. Daar kwam je terecht als je niet goed genoeg had geleefd maar ook niet slecht genoeg. Daar doolde je rond totdat je voldoende was gestraft voor je zonden. In de Griekse mythologie, die ook aan de basis van het Romeinse lag waarin Maximus geloofde, was Elysium het gedeelte van de Hades, de onderwereld, waar de goeden naar toegingen en Tartaros was het deel waar je naartoe ging als je uitzonderlijk slecht had geleefd. Zat je ertussen dan ging je naar Asphodel een min of meer ‘kraak nog smaak’ gebied waar je dan bleef ronddolen.
De begraven poppetjes duiden op een andere manier van naar het leven kijken. Dat is denken dat je als mens deel uitmaakt van een groter geheel en wel op twee manieren. De eerste is de doorlopende keten van verre voorouders, via je grootouder, ouders en jezelf door naar je kinderen, kleinkinderen en verder tot je verre nakomelingen. Daar staan de poppetjes voor. Je staat in een familie en tribale lijn waarin je je plek hebt. Je staat onder je ouders en grootouders maar ook ooms, tantes en oudooms en oudtantes, daar heb je naar te luisteren, daar heb je respect voor en wat zij zeggen stel je niet ter discussie. De tweede manier van ‘je plek hebben’ hangt af die je familie inneemt in de tribale structuur. Behoor je tot de familielijn van de stamleider of priester, dan sta je in hoger aanzien en wordt er eerder naar je geluisterd dan naar een familie van een eenvoudige landbouwer. De plek van je familie is ook jouw plek en toekomst. Is je vader boer, dan word jij ook boer. Is je vader krijger, dan word jij het ook. Je hoeft niet na te denken en leert alles van je ouders. Pas als die dood zijn en jij aan de top van de familielijn staat (en niet een van je broers) dan kun je wat richting bepalen en proberen iets te veranderen. Alleen is dat laatste lastig omdat veranderen betekent afwijken van het oude en de tradities en die zijn heilig. De stam en familie bepalen alles.
Stam en familie stonden centraal. Henrich omschrijft deze samenleving als volgt. “Mensen leefden in een netwerk van verwantenorganisaties binnen stamgroepen of netwerken. Uitgebreide familiehuizen maakten deel uit van grote verwantschapsgroepen (clans, stamhuizen etc.) Erfenis en verblijf na het huwelijk waren patrilineaire; mensen leefden vaak in uitgebreide patrilineaire huizen en vrouwen gingen bij de verwanten van hun man wonen. Veel verwantschapseenheden bezaten of controleerden gezamenlijk grondgebied. Zelfs als er sprake was van individueel eigendom, behielden verwanten vaak het erfrecht, zodat land niet verkocht of anderszins overgedragen kon worden zonder toestemming van verwanten. Grotere verwantschapsorganisaties bepaalden zowel de wettelijke als de sociale identiteit van individuen. Geschillen binnen verwantengroepen werden volgens gewoonte intern beslecht. Gezamenlijke verantwoordelijkheid betekende dat intentionaliteit maar een kleine rol speelde bij het toekennen van straf of het opleggen van boetes voor geschillen tussen verwanten. Verwantschapsorgnisaties boden leden bescherming, verzekering en zekerheid. Deze organisaties zorgden voor zieke, gewonde en arme leden, en voor ouderen. Gearrangeerde huwelijken met familieleden waren gewoonte, net als huwelijkse betalingen zoals bruidsschat of bruidsprijs (…) Polygone huwelijken waren gebruikelijk voor mannen met een hoge status. In veel gemeenschappen konden mannen slechts met één “primaire” vrouw trouwen, meestal iemand van ongeveer gelijke sociale status, maar ze konden dan secundaire vrouwen toevoegen, meestal van een lagere sociale status.[2]”
Menigeen zal nu denken: zie je wel het patriarchaat. Door mannen verzonnen om vrouwen eronder te houden. En inderdaad is dit het patriarchaat ten top. Alleen behoorde een flink deel van de mannen tot de grote verliezers. Dat bepalen met wie er getrouwd kon worden, betekende voor een flink deel van de mannen dat er niet getrouwd werd omdat er niemand was om mee te trouwen. Voor vrouwen betekende het dat ze derde, vierde of tiende vrouw van een man konden worden. Voor laag geplaatste families was het weggeven van een dochter als zoveelste vrouw een manier om zich omhoog te werken in de hiërarchie. Voor de top waren huwelijken een manier om macht, aanzien en vooral bezit in de familie te houden. En nee, dit systeem is niet bedacht door mannen. Het is een moderne voortzetting van op overleving en dan vooral de doorgifte van dna gebaseerde strategie van het leven. Een strategie die de mannelijke leden van een diersoort ertoe aanzet om zoveel mogelijk vrouwen te verzamelen want dat maakt de kans het grootst om nakomelingen te krijgen. Ook voor vrouwelijke leden van de soort was het aantrekkelijk om zich rond een sterke man te voegen. Dat vergrootte voor de vrouw de kans om nakomelingen groot te krijgen.
Onze huidige westerse samenleving ziet er heel anders uit. Wij zijn individualistisch en gericht op zelfverbetering en zelfwaardering. Privé- bezit is alles bepalend. Wat onze ouders doen is niet bepalend voor wat wij gaan doen. We kunnen onze ambities najagen en doen dat ook. Dat wat we willen zijn en najagen wordt vervolgens de kern van onze identiteit en omdat je er positief op wilt staan wordt er hard gewerkt. Dat wakkert innovatie aan. We zoeken mensen op waarvan we denken dat ze ons verder brengen. We vinden rechtvaardigheid belangrijk en daarbij is de vraag naar de intentie van iemands handelen van belang. Wij praten over schuld en niet over schaamte. Je schaamt je als je iets doet wat de groep waartoe je behoort in diskrediet brengt. Dat is waarschijnlijk ook waarom de discussie over excuses voor slavernij vooral in westerse samenlevingen wordt gevoerd. We denken analytisch en niet holistisch .Traditie en ouderdom zijn voor ons geen redenen om iets te doen of iets van iemand aan te nemen. Regels en wetten bepalen ons handelen en die worden zo objectief mogelijk toegepast en gehandhaafd. Om slechts enkele van de afwijkende kenmerken van de WEIRD samenleving te noemen[3].
Die WEIRD-heid ligt aan de basis van het succes van de Westerse samenleving, zo betoogt Henrich. Aan die WEIRD-heid hebben we het economisch succes en onze democratie te danken. Het gebrek aan die “WEIRD-heid is ook een van de oorzaken waarom economische succes op andere plekken ontbreekt. Het is ook een van de oorzaken waarom de democratie op veel plekken niet echt aanslaat. Henrich geeft Afghanistan als voorbeeld en citeert uit een ander boek een gesprek met een kiezer. Die kiezer geeft aan te hebben gestemd op de kandidaat van keuze: “Besluiten voor hem? Meneer! Wat bedoelt u? Zijn familie woont hier al sinds de dagen van Dost Mohammed Khan en langer … Wist u dat mijn zusters man een neef heeft die getrouwd is met Sayyaf’s schoonzus. Hij is een van de onzen.[4]” Democratie in een tribale samenleving is de macht geven aan de grootste stam. Om die te bepalen is het niet nodig om verkiezingen te houden. Maar door die wel te houden krijgt de machtigste stam de staatsmacht en daarmee ook de macht over andere stammen. Ze zal die macht vervolgens gebruiken om zich die staat toe te eigenen.
De oorzaak van onze ‘gekheid’ ligt, zo betoogt Henrich in de christelijke stroming die in West-Europa uiteindelijk dominant werd. En daarvoor moeten we een heel eind terug in de tijd. Dat die stroming waaruit de huidige katholieke kerk en de vele protestantse stroming uit zijn voortgekomen dominant werd, stond tevoren niet vast want : “Aan het begin van het eerste millennium van de jaartelling was het Romeinse Rijk een borrelende ketel van religieuze concurrentie van de oude Romeinse staatsgodsdienst, het jodendom, het Zoroastrisme, het Mithraïsme, een potpourri van christelijke geloven en een veelheid aan lokale religies omvatte.[5]” Die WEIRD-heid werd, zo betoogt Henrich veroorzaakt door de regels rond het huwelijks- en familierecht van de winnende stroming. Hij noemt dit het Huwelijks- en Gezins Programma van de kerk.
Hoe zag dit Programma eruit? Het: “verbood huwelijken met bloedverwanten. Deze verboden werden geleidelijk uitgebreid naar verre verwanten, tot neven en nichten.” Het: “verbood het huwelijk met aangetrouwde verwanten (…) Als je echtgenoot stierf, kon je niet met zijn broer, je zwager, trouwen. In de ogen van de kerk werd de broer van je man je echte broer (incest).”Hetverbood: “huwelijken met niet-christenen tenzijze bekeerd waren.” Het: “creëerde geestelijke verwantschap, via de instelling van peetouders.” Het: “de adoptie van kinderen ontmoedigd . Moeders moesten voor hun eigen kinderen zorgen: als ze dat niet konden, zouden de kerk of peetouders voor hen zorgen.” Volgens het Programma was: “publieke instemming met het huwelijk door beide partners nodig.” Het: “moedigde nieuw getrouwden aan een eigen huishouden te beginnen.” Het programma: “moedigde het privé bezit van eigendom (land) en erfenis door een persoonlijk testament aan.[6]” Deze maatregelen werden niet allemaal ineens ingevoerd en het mag dan met de ogen van nu niet erg spectaculair lijken. Toch maakte dit, zo betoogt Henrich, geleidelijk een einde aan de oude stam en familiebanden en stond daarmee aan de basis van die WEIRDe samenleving.
De reden waarom de kerk voor deze lijn koos is waarschijnlijk niet omdat ze de individuele vrijheid van de mens zo belangrijk vond. De belangrijkste ‘nevenschade’ van deze keuze is dat mensen steeds meer zelf gingen nadenken. Hiermee zetten de kerk uiteindelijk de bijl aan de wortel van haar eigen bestaan want mensen gingen ook nadenken over hun geloof, hun relatie met god en de rol van de kerk. Was er wel een kerk en priester nodig voor die relatie met god? Nee, dachten zelfs priesters als Luther en timmerde zijn 95 stellingen op de deur van de Wittenbergse kerk en hij waas niet de enige noch de eerste. De volgende interessante vraag die werd gesteld was of god wel nodig was en bestond? Nietsche beantwoordde die vraag uiteindelijk door god dood te verklaren.
Had de kerk dit in het eerste deel van het eerste millennium geweten, dan had ze wellicht een andere route gekozen. Maar zoals wel vaker hebben acties die op positief lijken onvoorziene negatieve gevolgen. Het positieve dat de kerk zag, was dat deze keuze leidde tot een toename van middelen (grond en geld) en dus macht voor de kerk. Een van de bijzonderheden van het christelijk geloof in die tijd was, en daarmee komen we bij de weg naar de hemel, dat je die weg kon kopen. Kopen door al je bezittingen aan ‘de armen’ te geven. En de kerk was de vertegenwoordiger van ‘de armen’. Alleen is het lastig om iets te geven als het eigendom is van je gehele familie. Een individuele lijn sterft nogal eens uit, de kans dat dit met zo’n familielijn gebeurt is veel kleiner en wordt zelfs nihil als je, zoals bij de Romeinen gewoon, makkelijk een kind als je eigen kon adopteren. De maatregelen van het Huwelijks- en Gezins Programma waren erop gericht om meer middelen en macht te verwerven door juist de basis onder de tribale en familiestructuur te breken. En succesvol was het: “Tegen 900CE bezat de kerk ongeveer een derde van het cultuurland in West-Europa, inclusief Duitsland (35 procent) en Frankrijk (44 procent). Tijdens de portestantse reformatie in de 16e eeuw bezat de kerk de helft van Duitsland en tussen een kwart en een derde van Engeland.[7]”
Tot zover Henrichs betoog. Rest de vraag: hoe sterk is zijn betoog? Henrich onderbouwt het betoog met cijfers, statistieken sociale onderzoeken van vroeger en nu. Onderzoeken in westerse samenlevingen maar ook onder nu nog tribale samenlevingen en zelfs onder jager- verzamelaars. Onderzoeken die laten zien waarom ‘wij’ WEIRD zijn en welke ‘proto WEIRDheid’ onze voorvaderen vertoonden. Onderzoeken die laten zien dat WEIRD mensen vaker de beloning kunnen uitstellen door bijvoorbeeld te kiezen voor € 140 over een jaar in plaats van € 100 nu. Maar ook onderzoek naar de loopsnelheid van mensen. WEIRD loopt sneller. Tijd is immers geld. Voor de liefhebbers, een Amsterdammer (hoog op de WEIRD schaal) loop gemiddeld 3,5 mijl per uur. Een inwoner uit Rio de Janeiro een mijl minder per uur[8]. Die cijfers laten correlatie zien, geen causaal verband. Ze verklaren niet eenduidig dat het Huwelijks- en Gezins Programma dat de kerk in de eerste eeuwen van het eerste millennium inzette de oorzaak is van ‘onze’ WEIRD-heid. De veelheid aan cijfers maar vooral de vergelijking met samenlevingen die niet bloot zijn gesteld aan dat Plan, maken zijn betoog sterk. En zelfs als vervolgonderzoek op een andere oorzaak dan het Programma wijst, dan nog is het een verhelderend boek. Verhelderend omdat het laat zien dat niet alle mensen ‘WEIRDos’ zijn zoals ‘wij’ en dus op een andere manier naar het leven kijken.
Om het einde van Gekke Minse van Neet oet Lottum aan te halen: “Want weej zien gek, want weej zien gek, hartstikke gek. Gek, gek, gek, gek gek, gek.” En daarmee sluit ik 2023 af. Ik wens jullie een fijne jaarwisseling en alle goeds.
[1] Joseph Henrich, The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous, pagina xiii
‘Je moet ijsjes verbieden want dan daalt het aantal verdrinkingsdoden’. Dat was de makkelijke maar foute conclusie in een voorbeeld dat Ionica Smeets gaf in een klein college dat ze gaf tijdens het Venlose Zomerparkfeest van 2017. Lang geleden, maar het is me altijd bij gebleven. Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van Johannes Visser bij De Correspondent over het grote aantal cijfers dat een Nederlandse scholier per jaar krijgt, dat zijn er gemiddeld 102.
Visser heeft een boek geschreven over de ‘cijfercultuur’ in het Nederlandse onderwijs en dat promoot hij in dit artikel. “Visser: “Het boek verschijnt in een tijd dat het welzijn van jongeren onder druk staat. 45 procent van de jongeren ervaart ‘nogal veel’ druk en stress door school, bleek in 2021 uit het onderzoek van het Nederlandse Health Behavior in School-aged Children (HBSC). 36,7 procent van de 16-jarigen rapporteert een laag emotioneel welbevinden. En slechts zo’n 30 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs zegt de controle te hebben over zijn of haar leven.” Geen cijfers om vrolijk over te worden en dat ligt aan …. de cijfercultuur, suggereert Visser.
Daarvoor haalt hij verschillende deskundigen aan “Leerlingen ervaren een enorme toetsdruk. Altijd moeten presteren, zo’n 102 keer per jaar dus. Dat is voor leerlingen 102 keer hard leren voor een toets, daarna de toets maken, vervolgens de stof vergeten en direct bezig zijn met de volgende toets op de planning. Kortom: zweten, weten, vergeten. Door deze toetscultuur wordt het onderwijs een marathon van allemaal korte sprints,” aldus Rafke Hagenaars van het Landelijk Aktie Komitee Scholieren die Visser in zijn artikel aanhaalt. Bijzonder dat die organisatie in haar naam nog steeds fonetische spelling gebruikt die in de jaren zeventig populair was in bepaalde kringen. Dit even terzijde. “School hoort de plek te zijn waar de leerling léért om te leren; waar hij of zij inspirerende nieuwe kennis en vaardigheden opdoet en waar de nieuwsgierigheid wordt onderhouden: “Wow, wat is dat; hoe werkt het en hoe heet het?” Het enorme aantal toetsen dat leerlingen jaarlijks voor de kiezen krijgen, gaat ten koste van het leren. En niet alleen het cognitief presteren heeft hieronder te lijden, maar ook de persoonlijke groei, het welbevinden en de ontplooiing,” zo betoogt emeritus hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles. En vervolgens hoogleraar Onderwijswetenschappen Rob Martens: “In ons streven onderwijs zo goed mogelijk te maken, hebben we een systeem ingevoerd dat eigenlijk uit de bedrijfskunde stamt. Meten en nog meer meten is het mantra, en de vraag is wat je verliest als je leerlingen steeds meer op die manier gaat zien.”
Nu is dat grote aantal cijfers niet iets van nu. Anekdotisch bewijs maar toch. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw volgde ik Atheneumonderwijs aan het Venlose Sint Thomascollege. We hadden drie proefwerkweken per jaar. Met in de eerste jaren tien zaakvakken zijn dat al 30 toetsen. Die proefwerkweken waren niet de enige momenten dat de leraar een proefwerk gaf. Gemiddeld gaf een leraar nog 2 proefwerken tussen die proefwerkweken. Deze tussentijdse proefwerken telden minder zwaar mee dan die in de proefwerkweek. Dat zijn nog 60 proefwerken extra en daarmee komen we op 75. Dan werden er ook nog overhoringen gegeven, soms aangekondigd, soms ook niet. Tussen ieder proefwerk zat wel een overhoring. Dus nog eens 90 erbij die weer minder zwaar telden dan de tussentijdse proefwerken. Dan kom je op ongeveer 180 toetsen. Veel momenten om iets aan je punt voor een vak te doen. Vanaf het vierde jaar werd het aantal vakken minder en dus ook het totaal aantal toetsen.
Het eten van ijsjes leidt niet tot meer verdrinkingsdoden. Dat zou je echter wel kunnen concluderen als je de grafiek van de ijsconsumptie per jaar naast de grafiek van het aantal verdrinkingsdoden legt. Dan zie je dat beide grafieken op dezelfde momenten in de tijd pieken. De makkelijke conclusie is dan dat minder ijsjes tot minder verdrinkingsdoden leiden: dus ijsjes verbieden. Helaas zal dat niet helpen om het aantal verdrinkingsdoden te verminderen. De beide grafieken correleren maar er is geen causale relatie tussen ijsjes en verdrinken. Zo’n relatie is er wel tussen de temperatuur en de ijsconsumptie en ook tussen de temperatuur en het aantal verdrinkingsdoden: hoe warmer, hoe meer ijsjes er worden gegeten en hoe meer mensen er verdrinken.
Daar waar er in Smeets ijsjes-voorbeeld correlatie is, ontbreekt die bij Visser. Hij presenteert een ‘welzijnscijfers’ uit 2021 en het gemiddelde aantal toetsen uit het schooljaar 2022-2023. Correlatie kan pas worden waargenomen als het reeksen cijfers betreft. Meerjarige cijfers over welzijn afgezet tegen het gemiddelde aantal toetsen. Die ontbreken. Of 102 ‘veel’ is en meer dan vroeger is niet te zeggen. Hetzelfde geldt voor de ‘welzijnscijfers’. Die ‘druk en stress’ op school kan een gevolg zijn van toetsen. Het kan ook andere oorzaken hebben. Oorzaken zoals (de angst om) buiten de groep (te) vallen.
Correlatie kan niet worden aangetoond en een causaal verband, wat het artikel suggereert, wordt niet gegeven. Meten mag dan, volgens het gezegde weten zijn zonder verdere onderbouwing is ‘meten’ het enige dat Visser doet.
Ik schrok me een hoedje bij het lezen van de volgende kop boven een artikel bij De Dagelijkse Standaard: “700% oversterfte onder kinderen.” Als er veel meer kinderen van 0–14 jaar sterven dan normaal, dan zou dat de media toch wel hebben gehaald? Hoe kon ik dat gemist hebben? Na het lezen van het tweede deel van de kop, gingen alle alarmbellen rinkelen, maar wel om een andere reden: “FVD en AfD eisen antwoorden van Europese Commissie.”
FvD-Europarlementariër Marcel de Graaf in het artikel: “Een stijging van 700% is schokkend. Dit moet tot de bodem uitgezocht worden. We hebben het hier over onze kinderen.” Ik lees dat De Graaf is geïnteresseerd: “in het antwoord op de vraag of het mogelijk verband houdt met het Covid-19 vaccin. Daarom wil hij ook weten of en zo ja hoe hier onderzoek naar wordt gedaan. Natuurlijk eist hij volledige transparantie over deze overlijdens.” Immers: “Een nieuwe Covid-19 prikronde gaat weer van start,” gaat hij verder, “deze keer met een vaccin dat niet getest is op mensen. Welke risico’s lopen de mensen? Welk risico lopen onze kinderen?” Zolang daar geen duidelijkheid over is heeft hij “een dringend advies: Laat je niet prikken.”
Daarom maar een begin gemaakt met dat uitzoekwerk. Dus naar het CBS, dat houdt de sterfte en oversterfte in Nederland bij. Daar trof ik de bovenstaande grafiek aan. Er blijken in week 35 iets meer dan verwacht 0-65 jarigen te zijn gestorven (410) dan verwacht (374). Maar dit alles nog binnen de statistische marge waarin 95% van de waarnemingen worden verwacht, tussen de 328 en 419. Week 35 wijkt hiermee niet noemenswaardig af van andere weken sinds 2020. Het lijkt mij heel sterk dat hier een oversterfte van 700% onder de 0-14 jarigen onderdeel van uitmaakt.
Maar Europa is groter dan Nederland, dus toch nog maar verder gezocht. Het artikel bevat een link naar de site The Exposé en daar schrok ik nog meer omdat daar wordt gesproken van een toename van 700% tot 1.600%, zestien keer zoveel kinderen gestorven dan verwacht. In dat artikel tabellen die laten zien dat er in heel Europa tussen de 545 en 841 meer kinderen in die leeftijdsgroep zijn gestorven dan verwacht. Welk van de twee cijfers juist is, hangt af van de basis en die blijkt te zijn verhoogd. Bij een stijging van 700% en uitgaande van die 841 meer gestorven kinderen zou dit betekenen dat er naar verwachting tot week 35 in heel Europa zo’n 120 kinderen zouden sterven. Dat lijkt mij heel weinig. Zeker omdat er in Nederland zo rond de geboorte al ruim 1.200 kinderen per jaar sterven, dat zijn er 100 per maand.
Het artikel bij The Exposé baseert zich op cijfers vanEuromomo. Dit is: “a European mortality monitoring activity, aiming to detect and measure excess deaths related to seasonal influenza, pandemics and other public health threats.” Dat is dan de bron om dit tot op de bodem uit te zoeken. Op de site vinden we de onderstaande grafiek. Een grafiek voor de 0-14 jarigen die min of meer hetzelfde laat zien dan de CBS -grafiek voor de 0-65 jarigen, namelijk scores wat aan de hoge kant binnen de te verwachten bandbreedte. Die grafiek biedt ons nog een tweede mogelijkheid en dat is het berekenen van het percentage oversterfte. Gemiddeld (de basislijn) sterven er in Europa zo’n 328 kinderen van 0-14 jaar per week. In de 36 weken die er nu in zijn opgenomen zouden dat 36 maal 328 is 11.808 sterftes in deze leeftijdscategorie zijn. Een oversterfte van 841 kinderen betekent dan 7% en een oversterfte van 545 betekent 4,6% en geen 700% en zeker geen 1.600%
Voor degenen die vinden dat dit nog steeds een stijging is die noopt tot nader uitzoekwerk. Hieronder de cumulatieve oversterfte tot in enige week over de jaren 2017 tot en met 2022. Cumulatief ligt 2022 sinds zo ongeveer het begin van de zomer aan kop maar dat wil niet zeggen dat dit aan het einde van het jaar nog steeds zo is. Dan blijkt dat er ook in 2019 meer kinderen stierven en toen werd de stormvlag niet gehesen. Van vaccins tegen Covid-19 was toen nog geen sprake. Maar wacht eens, wat is de overeenkomst tussen 2019 en 2022? 2019 was voor Europa het warmste jaar ooit gemeten. Dit jaar is nog niet op z’n eind maar wat we wel al weten is dat de zomer zeer vroeg begon. In Spanje en Frankrijk werden al zeer vroeg temperatuurrecords gemeten en steeg het kwik geregeld tot boven de 40° Celsius.
Volgens mij ben ik daarmee wel op de bodem van het uitzoekwerk. Over bodem gesproken. Wat kunnen we zeggen van Europarlementariërs als De Graaf en media als De Dagelijkse Standaard en The Exposé? Hoe beoordelen we het overdrijven van sterftecijfers met een factor 100, of in percentages uitgedrukt met 10.000%? Zijn zij niet door de bodem gezakt?
“There are three kinds of lies: lies, damned lies and statistics,” een uitspraak van, ja van wie? Daarover wordt van mening verschild. Was het de Amerikaanse schrijver Mark Twain, de Engelse politicus en twee keer premier Benjamin Disraeli, de first baron of Penwith lord Leonard Henry Courtney, of toch nog iemand anders? Hieraan moest ik denken bij het lezen van een artikel van Ferdinand Meeus bij Opiniez.
Toch klopt er iets niet aan de uitspraak. Die suggereert namelijk dat statistiek te overtreffende trap van liegen is en dat klopt niet. Het zijn niet de statistieken die ‘liegen’ maar de mensen die ze gebruiken en er een interpretatie bij geven. Een voorbeeld dat ik al eerder gaf, is het bekende ‘ijsjes’ voorbeeld van Ionica Smeets. Smeets vertelde dit enkele jaren geleden op het Venlose Zomerparkfeest. Je hebt een lijst met ‘verdrinkingsdoden’ in een jaar en een lijst met de ijsjesverkoop in datzelfde jaar. Wat blijkt, als er veel ijsjes worden verkocht, verdrinken er meer mensen. Een simpele oplossing: verbied de verkoop van ijsjes dan verdrinken niet zoveel mensen. Een oplossing waarbij correlatie wordt verwisseld met causaliteit. Zo wordt in de ‘klimaatdiscussie’ door tegenstanders van maatregelen om de CO2 uitstoot te beperken vaak aangedragen dat het Nederlandse aandeel, 163,23 miljoen ton in het niet valt bij het Chinese, 10.037,64 miljoen ton (cijfers 2016). Iets wat klopt als je het totaal bekijkt en ook logisch is. ‘Wij’ zijn immers maar met 17,6 miljoen en zij met ruim 1,4 miljard, dat is bijna 80 keer zoveel. Bekijk je het per hoofd van de bevolking, dan stoot de gemiddelde Nederlander 9.620 kg uit en de gemiddelde Chinees 7.180 kg. Dus ja, aan de ene kant is in China meer winst te behalen, maar aan de andere kant is bij de gemiddelde Nederlander meer winst te behalen dan bij de gemiddelde Chinees. Vergeleken met de gemiddelde Congolees is bij de gemiddelde Nederlander en trouwens ook de gemiddelde Chinees nog veel meer te halen. Die stoot slechts 30 kg uit.
Dit even terzijde. Terug naar Meeus en zijn artikel. De titel van het artikel trok mijn aandacht: “Er ligt meer ijs op de Noordpool dan tien jaar geleden” en dan vooral de ondertitel: “Metingen geven ander beeld dan modellen klimaatalarmisten.” In het artikel trekt hij van leer tegen die ‘alarmisten’ en geeft aan dat: “Wetenschappers met een kritische, meer neutrale blik worden weggezet als ‘klimaatontkenners’ en (ze) krijgen geen forum.” In die discussie wil ik me niet mengen. “Gelukkig”, zo lijkt hij te verzuchten, “bestaat echte wetenschap nog steeds voor het grootste deel uit feitelijke metingen om de voorspellingen uit theorieën te testen.” En die metingen laten dus iets anders zien en als bewijs voegt hij de grafiek hieronder toe en wat blijkt: “er was inderdaad met beginpunt 1980, een jaarlijks dalende trend in zee-ijs tot ongeveer tien jaar geleden. Maar die dalende trend is nu duidelijk gestopt. Oordeel zelf. De zwarte lijn toont de grootte van het ijsoppervlak in 2022, en die laat voor heel het jaar meer ijs zien dan de voorgaande tien jaar (geel-oranje lijn).” En inderdaad de zwarte lijn zit boven de geel-oranje lijn en dus heeft Meeus gelijk?
Dat is toch even iets te snel geredeneerd. Meeus heeft de grafiek van de site van het Noors Metereologisch instituut dat sinds 1980 de dikte van het zee-ijs meet. De site van de Noren laat een veel genuanceerder beeld zien. Die bevat ook een grafiek met als titel Arctic Sea Ice Extent in August (zie hieronder). De grafiek laat zien er in augustus het ene jaar wel eens meer zee-ijs is dan in het andere en inderdaad is er dit jaar meer zee-ijs dan er sinds 2016 is geweest. De grafiek laat echter ook zien dat de trend sinds het begin van de metingen dalend is. Begin jaren tachtig was er in augustus zo’n 8,5 miljoen vierkante kilometer zee-ijs in het Arctisch gebied. In 2022 was dat net geen 6,5 miljoen vierkante kilometer. Een flinke afname en ja, het is meer dan de 5,5 miljoen vierkante kilometer in 2021 wat weer minder was dan in 2020. Voor 2021 had Meeus moeten concluderen dat er minder zee-ijs was dan de tien jaar ervoor. In 2021 was de hoeveelheid zee-ijs het kleinste sinds de start van de meting op één jaar na, 2012. In 32 van de jaren dat er werd gemeten, was er meer zee-ijs in augustus dan in 2022, in slechts 10 jaar minder en die tien jaar liggen allemaal in de periode sinds 2007.
De site bevat ook een tabel (zie hieronder) met de omvang van het zee-ijs per maand sinds 1979. Hoe meer zee-ijs, hoe donkerder blauw het vakje, hoe minder hoe donkerder rood. Bijna alle donkerblauwe vakjes hebben betrekking op de eerste jaren van de metingen. Bijna alle donkerrode op de laatste jaren van de meting.
Nee, Meeus liegt niet. Hij heeft de cijfers aan zijn zijde. Meeus roept de zomer uit op basis van een mogelijke zwaluw. Dezelfde cijfers laten echter ook een heel ander beeld zien. Een beeld dat tot een heel andere conclusie leidt. Een conclusie dat Meeus de laatste zwaluw zag die het einde van de zomer aankondigde.
Bij De Dagelijkse Standaard bericht Michael van der Galien over een botsing tussen FvD-leider Baudet en Nilüfer Gundogan van Volt. “Met name Sorospoppetje Nilüfer Gundogan (Volt) had zichzelf niet in de hand. Ze liep woedend naar de interruptiemicrofoon en ging vervolgens los.” Dit terwijl Baudet, zo schrijft Van der Galien: “alleen de feiten (deelt)”. En: “Uit de feiten blijkt dat er in twee coronaseizoenen net zoveel mensen zijn omgekomen als in twee recente griepseizoenen. Dat Gundogan daar een probleem mee heeft doet daar niets aan af. Cijfers zijn cijfers… zijn cijfers. Punt.” Dat zijn de ‘keiharde statistieken’ op het ontkennen waarvan Baudet minister De Jonge aansprak, zo schrijft Van der Galien. Hoe ‘hard’ is die statistiek?
Tot nu toe zijn er 19.414 (stand 1 december 2021) mensen gestorven aan Covid-19, zo blijkt uit het coronadashboard. Volgens de data van het Centraal Bureau voor Statistiek overlijden er in een gemiddeld griepseizoen zo’n ruim 6.400 mensen direct of indirect aan influenza. Soms zijn het er minder en soms meer. Als we met dat gemiddelde rekenen dan sterven er ongeveer 50% meer mensen aan Covid-19 dan er in een gemiddeld jaar aan influenza sterven. Voor de afgelopen twee winters klopt het niet omdat de sterfte door influenza toen veel lager was dan gemiddeld. In de winters 2016-2018 klopt het wel ongeveer. In die twee winters stierven zo’n 17.000 mensen aan infuenza en dat ligt iets lager dan de sterfte aan Covid-19 tot nu toe. En tot nu toe is een periode van een jaar en tien maanden. De feiten laten daarmee iets anders zien dan de ‘keiharde statistiek’, die Baudet aandraagt en die Van der Galien na toetert.
Er zit echter een verhaal achter die ‘cijfers, cijfers … cijfers‘ De boodschap die Baudet en in navolging Van der Galien willen uitdragen, is het verhaal dat Covid-19 niets meer is dan een eenvoudige griep en dat daarmee alle maatregelen die worden genomen om de verspreiding van Covid-19 te voorkomen, overbodig zijn. Nu zijn er wel maatregelen genomen: van afstand houden, handen wassen en thuiswerken tot een al dan niet ‘intelligente’ lockdown en veel er tussenin en uiteindelijk vaccinatie. Maatregelen die het aantal besmettingen en daarmee ook het aantal sterftegevallen omlaag brengen. Wat zou er zijn gebeurd als er geen maatregelen waren genomen en we Covid-19 hadden behandeld als zo’n gewone griep?
Dat zullen we nooit precies weten. Maar dat wil niet zeggen dat we er ons niet een beeld van kunnen proberen te vormen. Laten we, om ons daar een beeld van te vormen, eens vergelijken met een land waarvan de president vond dat er geen extra maatregelen nodig waren: Brazilië. In dat land stierven tot nu toe ruim 614.754[1] mensen aan Covid-19. In 2018 stierven in dat land 92.498 mensen aan influenza en longontsteking. Het griepvirus was in dat jaar als we naar Nederlandse cijfers kijken, mild. In Nederland stierven er 4.706 tegen de gemiddelde 6.400. Als we uitgaan van een even mild seizoen in Brazilië dan ligt de gemiddelde sterfte per jaar aan influenza in Brazilië op ruim 125.000 mensen (6.400 gedeeld door 4.706 vermenigvuldigd met 92.498). Dus terwijl er in Brazilië in twee jaar zo’n 250.000 mensen sterven aan influenza, stierven er in een periode van nog geen twee jaar meer dan 600.000 aan Covid-19, dat is tweeëneenhalf keer meer. Stel dat Nederland de door Baudet en Van der Galien voorgestane Braziliaanse aanpak had gekozen? Dan zouden er tot nu toe al zo’n 32.000 mensen aan Covid-19 zijn gestorven.
Die ‘keiharde statistiek’ waaruit moet blijken dat Covid-19 een gewone griep is, wijst een heel andere kant op. Aan Covid-19 sterven meer dan twee keer zoveel mensen dan er aan influenza sterven. Of er: “geen bodem van ethiek bij de FVD,” is, zoals Gundogan gezegd heeft, daarover doe ik geen uitspraak want dat weet ik niet. De kennisbodem van statistiek lijkt binnen de partij heel laag te liggen.
“Vraag aan de klas was wat de optelsom is van alle getallen van 1 tot en met 100. Terwijl zijn medeleerlingen braaf 1 + 2 + 3 + enzovoorts begonnen uit te rekenen, schreef hij in één keer het antwoord op zijn leitje: 5.050.” Die hij, was de wiskundige Carl Friedrich Gauss zo lees ik in de Volkskrant in een recensie van een boek van Marcus du Sautoy met als titel Thinking Better. Gauss bedacht een snellere manier: “De optelsom van 1 tot en met 100 is namelijk ook te schrijven als de optelsom van 1 + 100, plus 2 + 99, plus 3 plus 98 enzovoorts tot en met 50 + 51. Maar dat is steeds 101 en vijftigmaal 101 is 5.050. Klaar.” Een andere manier is om 1 bij 99 op te tellen, 2 bij 98 en als je dat doet heb je vijftig honderdtallen en hou je 50 over. Dus vijftig maal honderd plus vijftig is 5.050. Ik begin hierover omdat je met cijfers kunt stoeien. Vooral met statistiek. Daarvan gaf Robèr Willemsen, voorzitter van Koninklijke Horeca Nederland, een fraai voorbeeld.
Willemsen haalt aan: “uit RIVM rapportages blijkt wekelijks dat er nauwelijks besmettingen te herleiden zijn naar horeca, op dit moment nog geen drie procent.” De horeca doet het goed, zo betoogt hij en daarom is het niet terecht om de horeca extra beperkende maatregelen op te leggen. Dat klinkt logisch. Als er in de horeca slechts weinig mensen besmet raken waarom dan extra maartregelen? Dan kun je je beter richten op plekken waar meer mensen besmet raken. Welke plekken zouden dat dan zijn? Als we kijken naar de cijfers dan blijkt de school een grotere besmettingsbron, vijf procent van de besmettingen is daarnaar te herleiden. Of het werk waarnaar negen procent van de besmettingen is te herleiden. Maar bezoek, ruim zeventien procent, en vooral thuis met bijna 56 procent zijn de plekken waar de meeste mensen besmet raken. ‘Allemaal het huis uit en de kroeg in’, zou je dan kunnen roepen. Alleen vrees ik dat die maatregel niet zal helpen.
En daarmee kom ik bij het zo logisch klinkende betoog van Willemsen. Want is dat wel zo logisch? Laten we even rekenen en daarbij de piek besmetting nemen van meer dan 16.000 besmettingen op één dag. Dat betekent dat grofweg één op de duizend mensen besmet raakten. Op 100.000 mensen zijn dat er 100. Daarvan zijn er 3 besmet in de kroeg en 58 thuis als we met de cijfers van hierboven rekenen. Dat het gros van de mensen thuis besmet raakt, is niet verwonderlijk. We kunnen ervan uitgaan dat, op de daklozen na, iedereen een flink deel van de dag thuis doorbrengt. Hoeveel tijd, weet ik niet maar berekend over een gemiddelde groep Nederlanders zou het best wel eens 16 uur per dag kunnen zijn. De kans om thuis besmet te raken is dan 56 gedeeld door 100.000 maal 100 procent is dan 0,056 procent. En dat voor die 16 uur per dag die we er doorbrengen. Voor die 100.000 mensen zijn dat 11.200.000 uren die thuis worden doorgebracht. Per thuis doorgebracht uur is de kans op besmetting dan 0,0005 procent.
Dat die 100.000 mensen in die week allemaal een horecagelegenheid hebben bezocht, lijkt mij sterk. Laten we voor het gemak eens rekenen dat 5% van die 100.000 de horeca bezoekt. Dat zijn 5.000 mensen en daarvan raken er 3 besmet, dat is 3 gedeeld door 5.000 vermenigvuldigd met 100% is 0,06%. Een ongeveer even grote kans. Maar hoe zit dat als we rekening houden met de factor tijd die we er doorbrengen Stel de gemiddelde horecabezoeker brengt er 6 uur per week door. Dat zijn 30.000 uur in een week voor die 5.000 horecabezoekers. Per in de kroeg doorgebracht uur is de kans op besmetting dan 0,01%. Een 20 keer zo grote kans op besmetting dan bij een thuis doorgebracht uur.
Nu zijn de thuis, en in de kroeg doorgebrachte uren een aanname, net zoals het aantal mensen per 100.000 dat de kroeg bezoekt. Die cijfers kunnen anders liggen. Om de precieze cijfers gaat het mij hier niet. Het gaat mij erom dat je cijfers op verschillende manieren kunt bezien.
Er is echter nog meer. De meeste mensen raken thuis besmet. Logisch omdat we allemaal tijd thuis doorbrengen en zelfs het grootste deel van onze tijd thuis doorbrengen. Maar hoe kun je thuis besmet raken? Dat kan alleen als iemand het virus ergens anders opdoet en vervolgens het huis binnenbrengt. Als je bezoek ontvangt of bij iemand op bezoek gaat. Als je het via je werk, op school of in de kroeg opdoet.
Bij Joop zag ik een link naar een satirische bijdrage van Marcel van Roosmalen aan het radioprogramma De Nieuws BV. Van Roosmalen staat bekend om zijn zwartgallige humor waarbij hij iets tot in het extreme uitvergroot. In dit geval is Diederik Gommers onderwerp van spot. Gommers is volgens Van Roosmalen overal te zien en te horen en heeft overal een ‘genuanceerde mening’ over en schets altijd het zwartste scenario waarmee hij ieder feestje vergalt. ‘Kan Diederik Gommers niet uit?’ Zo vraagt Van Roosmalen zich af, Nu gaat het mij niet om Van Roosmalens satire. Het gaat mij om een reactie eronder.
“Diederik Gommers, Marion Koopmans, Ab Osterhaus, Ernst Kuipers enz. hebben juist het ontzettend grote gevaar van Covid-19 zeer duidelijk doorgegeven aan alle 17.5 miljoen Nederlanders, namelijk met hun vaak briljante mediaoptredens, tijdens de laatste maanden. Ze hebben juist goede antwoorden gegeven in vergelijking met *het is maar een griepje* gekkies zoals Willem Engel, Wybren van Haga, Thierry Baudet enz.. Mag ik ze allemaal bedanken?” Aldus een bijdrage van iemand die zich GabrielMokummer noemt. Tot zover niets bijzonders. Het wordt bijzonder als ene ‘Joost mag ’t weten’ reageert: “Die wappies baseren zich ook op (veelal dezelfde) bronnen maar trekken andere conclusies. De TV experts hebben het regelmatig mis terwijl de wappies achteraf vaak gelijk krijgen. TV kijkend Nederland heeft het geheugen van een goudvis en neemt alle leugens en inconsistenties voor lief. Veranderde inzichten…”
Het zal best zijn dat ‘die wappies’ andere conclusies trekken uit dezelfde bronnen en dat de experts het ook wel eens mis hebben. Iets dergelijks hoor en lees je vaker met de suggestie om de opvattingen en ideeën van ‘die wappies’ serieus te nemen en het beleid erop aan te passen. Dat wetenschappers en deskundigen het soms mis hebben is inherent aan de wetenschap. Dat ‘wappies’ en leken het achteraf soms goed hebben, is ook niet vreemd. Een wiskundige zal 99 van de 100 wiskundesommen goed maken. Een leek in de wiskunde zal er ook af en toe een goed maken. Ik zou daaruit niet concluderen dat de wetenschappers ook maar wat aan modderen. Zeker als je je realiseert dat het aantal leken het aantal deskundigen verre overtreft, dan is de kans groot dat er ergens een ‘wappie’ of leek iets beweert wat later waar blijkt te zijn. Probleem is alleen dat je bij een pandemie niet de tijd hebt om te af te wachten wie het ‘achteraf’ juist heeft. Om het wiskunde voorbeeld weer aan te halen. Die ene wiskundige maakt 99 sommen goed. 10.000 leken maken samen ook 99 opgaven goed. Als je beleid moet maken, is het lastig uit te gaan van die 10.000 leken, want welke leek maakt welke opgave goed en hoe groot is de kans dat die leek de volgende opgave ook goed maakt? Dan zou ik liever uitgaan van die wiskundige want dan is de kans vele malen groter dat de volgende som ook juist wordt beantwoord.
Dit is precies de reden waarom ‘wisdom of the crowd’ geen goede basis is om beleid op te baseren. Ook niet als degenen waarvoor het beleid is bedoeld hoog opgeleid zijn. Want inderdaad weet de ‘crowd’ waarschijnlijk alles. Bij dat alles zit echter ook veel ballast en verkeerde zaken en er is geen garantie dat de oplossing die uit de ‘Crowd’ komt werkelijk ‘wisdom’ is. De kans op een oplossing die van ‘wisdom’ getuigt, is veel groter als je de deskundigen op het gebied erbij betrekt.
“There are three kinds of lies: lies, damned lies and statisics.” Een uitspraak die wordt toegedicht aan de Britse premier Benjamin Disraeli en Mark Twain maar wie de uitspraak precies muntte, is niet bekend. Wat ermee wordt bedoeld wel, namelijk dat je met statistieken alles kunt onderbouwen. Hieraan moest ik denken toen ik een schrijfsel van Forum voor Democratieleider Thierry Baudet en zijn extreemrechtse hand Freek Jansen bij De Dagelijkse Standaard las. Of om het nog wat beeldender uit te drukken ik moest denken aan een uitspraak over statistiek van de Britse staatsman Winston Churchill: “I only believe in statistics that I doctered myself.”
Volgens Baudet en Jansen moeten we: “stoppen ons te laten leiden door onterechte angst voor corona, het is tijd om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten.”Nu meen ik me van het begin van de ‘coronaperiode’ te herinneren dat er één Kamerlid was dat vond dat er veel te slap werd ingegrepen. Het moest allemaal veel sneller en harder omdat er groot gevaar aankwam. Voortschrijdend inzicht heeft Baudet echter doen inzien dat er eigenlijk niets aan de hand is: “Regering en mainstream media zaaien paniek zonder gegronde reden. Hoewel de door hen gehanteerde cijfers strikt genomen kloppen worden ze niet in perspectief geplaatst, waardoor ze een misleidend beeld schetsen. Hun angstberichten zijn dus puur fake news.” Dat ‘perspectief’ brengen Baudet en Jansen vervolgens maar aan. Ja, er sterven meer mensen, maar: “Het totale – absolute – aantal mensen dat in Nederland overlijdt neemt al jaren toe.” Dit komt omdat de bevolking groeit en we ouder worden. Als je daarmee rekent, dan stierven er het afgelopen jaar wel meer mensen: “Maar relatief gezien – als percentage van de bevolking, gecorrigeerd voor vergrijzing – niet.” Bovendien was de jaarlijkse griep in 2019 heel mild, waardoor er: “bijna 14.000 mensen niet (stierven) aan de griep die in andere, ‘normale’ griepjaren wél aan de griep zouden zijn gestorven.” Als je daar, zo betogen de auteurs, rekening mee houdt, dan was er dit jaar niet echt sprake van oversterfte. Daaruit concluderen ze dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken.
Of het rekenwerk van Baudet en zijn extreemrechtse hand kant of wal raakt, laat ik aan anderen. Maar zelfs als het klopt betekent dat dan automatisch dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken en het tijd is: “om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten,” zoals de beide heren betogen? Want wat ik zie en hoor is dat ziekenhuizen en vooral de IC-afdelingen vol lopen met patiënten die toch echt ziek zijn en zorg nodig hebben. Ik zie dat reguliere planbare zorg wordt uitgesteld, dat artsen en verpleegkundigen hun benen onder de kont uitrennen om iedereen zorg te verlenen en soms omvallen met een burn-out of nog erger een post traumatische stress-stoornis. Ik zie dat enkele verpleeghuizen al hulp van het leger hebben gekregen omdat ze anders hun zorg niet meer kunnen verlenen. Wat ik ook zie is dat het virus zich makkelijk kan verspreiden als we met grote groepen bij elkaar komen en dat het zich juist minder verspreid als we dat niet doen.
Nu kun je van alles vinden van de maatregelen, de manier en het tijdstip waarop ze zijn genomen. Dat het allemaal eerder en strenger moest, zoals Baudet begin 2020 betoogde, of dat er helemaal geen maatregelen nodig zijn zoals hij nu doet. Ook kun je goochelen met cijfers en daar een waarheid aan ophangen. Alleen als die waarheid losstaat van de feiten in de vorige alinea, welk vertrouwen moeten we daar dan in hebben. Baudet zal, zoals de eerdere uitspraak van Churchill, alle vertrouwen hebben in ‘statistics that he doctered himself’. Op mij komt hij toch veeleer over als de hoofdpersoon uit een andere uitspraak van Churchill over statistiek: “Statistics are like a drunk with a lamppost: used more for support than illumination.”
Rest mij om jullie, mijn lezers het allerbeste toe te wensen in 2021. Voor mij bestaat een belangrijk deel van die goede wensen eruit om mensen als Baudet te ontmaskeren voor dat wat ze zijn, een “drunk with a lamppost’.