Roos en de Filistijnen

“Ik heb een uitgesproken hekel aan domme mensen met een uitgesproken domme mening.” De eerste zin uit de wekelijkse column van Jan Roos bij De Dagelijkse Standaard. In die column geeft Roos zijn visie op het Israëlisch Palestijns conflict. Domme mensen met domme meningen, wat dom is hangt vaak af van de opvattingen van degene die oordeelt. Laten we eens, zonder etiketten te plakken naar Roos’ betoog kijken. Volgens Roos zijn er: “maar twee redenen om antipathie te hebben ten aanzien van de enige democratie in het Midden-Oosten. Eén: omdat je denkt dat er ooit een Palestina heeft bestaan en de Joden dat land hebben ingepikt. Of twee: omdat je gewoon een hekel aan Joden hebt.” Vervolgens gaat Roos in op de beide redenen waarbij de eerste een bijzondere redenering oplevert.

Illustratie: wikipedia.org

Ergens schrijft hij: “Laten we beginnen met het Palestijnse volk. Dat bestaat namelijk niet en heeft in de huidige vorm nooit bestaan. Ook het land Palestina is pas veel later verzonnen. De streek Palestina, vernoemd naar de inwoners van toentertijd, de Filistijnen, bestond echter wel al. Deze Filistijnen zijn overigens in het niets verdwenen na de verovering van het gebied door de Babyloniërs. Oftewel: de huidige Palestijnen zijn helemaal niet de oorspronkelijke bewoners van het gebied Palestina.” Het Palestijnse volk bestaat niet? 

Inderdaad heeft het land ‘Palestina’ in het verleden nooit bestaan en is het een recente uitvinding. Geldt dat trouwens niet voor de meeste landen? Kosovo bestaat nog maar kort, net als Oekraïne, Azerbeidzjan en Kazachstan. Het land Israel bestaat ook pas sinds 1948. Trouwens ook Nederland is van vrij recente datum en ‘bestaat’ pas sinds 1814 en in de huidige omvang sinds 1839 toen België en Luxemburg ‘apart’ gingen. Het hele begrip ‘land’ zoals wij het kennen, is van recente datum.

Gelukkig realiseert Roos zich dat de streek Palestina, genoemd naar de Filistijnen, wel al zeer lang bestaat. Zouden inwoners van een streek geen ‘volk’ kunnen zijn? De wereld wemelt van de ‘volkeren’ die geen land hebben. Neem bijvoorbeeld de Xhosa en de De Hausa, die bestaan echt, ‘Hausanië of Xhosaland niet. Het land Friesland heeft ook nooit bestaan, bestaat er dan volgens Roos ook geen Fries volk?

Volgens Roos zijn de Filistijnen ‘in het niets verdwenen’ en zijn zij die zich Palestijn noemen dus ook niet de oorspronkelijke bewoners van dat gebied. Zouden de Filistijnen werkelijk van de aardbodem zijn verdwenen? Ik weet niet of Roos ooit  een Arabier Palestina heeft horen uitspreken, dan hoor je toch echt iets wat op ‘Filistijn’ lijkt.

Of Roos ‘een dom iemand is met een domme mening’ laat ik graag aan anderen. Op zijn argumentatie valt in dit geval het een en ander af te dingen.

Zaanstad, de Rotterdamwet en Genooi

Ik moest denken aan de Venlose wijk Genooi. In mijn jeugd een beruchte wijk met als bijzondere attractie dames achter ramen met rode verlichting. Die ‘beruchtheid’ maakte dat de gemeente Venlo deze wijk ging verbeteren. Als je nu door de wijk loopt dan moet je erkennen dat dit is gelukt. Veel huizen zijn gesloopt en vervangen door moderne nieuwe huizen. Markante oude zoals het Agnes Huijn Carré is in oude glorie hersteld, maar wel met slechts de helft van het oorspronkelijke aantal woningen. Het gemiddelde inkomen is flink gestegen en ‘berucht’ is de wijk niet meer, het is nu eerder een rustige ‘slaapwijk’.

Agnes Huijn Carre

Ik moest hieraan denken toen ik in de Volkskrant het streven van Jeroen Olthof van Zaanstad las: “Als je ziet dat nu 33 procent van de kinderen in deze wijken in armoede opgroeit, dan is de kans groot dat zij zelf ook in armoede zullen leven. Wij willen dat deze kinderen een mooie toekomst tegemoet gaan.” De gemeente Zaanstad wil dat bereiken door de “Rotterdamwet’ in te zetten. Hoe dat werkt: “Werklozen en uitkeringsgerechtigden maken op basis van de wet geen aanspraak op een vrijgekomen huurwoning in de wijken. Ook mensen met een strafblad of een aantekening van de politie kunnen worden geweigerd. Daar staat tegenover dat bepaalde maatschappelijke beroepsgroepen, zoals agenten en verpleegkundigen, juist voorrang krijgen op een woning.” Zouden die kinderen door het beleid van wethouder Olthof een mooie toekomst tegemoet gaan?

Met deze maatregel zal het ongetwijfeld lukken om het percentage kinderen die in die wijk in armoede opgroeien, naar beneden te brengen. De agenten, verpleegkundigen en andere beroepsgroepen die voorrang krijgen, zullen ervoor zorgen dat het gemiddelde inkomen in de wijk stijgt. Als zij kinderen krijgen, dan zullen deze kinderen niet in armoede opgroeien, die kinderen zullen ‘een mooie toekomst tegemoet gaan. Dat resulteert een een daling van het percentage kinderen in die wijk dat in armoede opgroeit. Hoera! Het beleid is succesvol want de doelstelling wordt gehaald.

Zou het aantal kinderen dat in armoede opgroeit door deze maatregel kleiner worden? De kinderen die al in de wijk wonen en in armoede opgroeien, zullen niet profiteren van de toename van het gemiddelde inkomen in die wijk. Hun armoede zal daar niet door worden aangepakt. De kinderen van de mensen die geen aanspraak kunnen maken op een woning in die wijk zullen elders moeten huren. Hun ‘armoedesituatie’ zal niet veranderen behalve als de huur daar wat hoger is.

Terug naar Venlo. De mensen (met kinderen in armoede) waarvoor geen plek meer was in Genooi, verhuisden naar Venlo-Zuid en Vastenavondkamp. Wijken die, zeker Vastenavondkamp, net zo berucht zijn als het vroegere Genooi. Een ander huis in een andere wijk maar nog steeds in armoede.

Vechten tegen windmolens

Ook voor de verkiezingen in de gemeente Venlo is een stemwijzer beschikbaar. Een van de vragen, meteen de eerste, luidt: “Windturbines in de gemeente toestaan,” en dan mag je een balkje verschuiven op een schaal tussen ‘helemaal eens’ en ‘helemaal oneens’. Wat je ook kunt doen, is de standpunten van de deelnemende partijen over dit onderwerp bekijken. Ik dacht, laat ik dat eens doen bij dit onderwerp. Sommige partijen zijn voor, anderen tegen en weer anderen zijn voor met daarbij een maar zoals: er is eigenlijk geen plek. De meest bijzondere ‘maar’ is van de lokale partij EENLokaal. Het standpunt van deze partij luidt: “Wel toestaan maar op minimaal 3 kilometer van woningen.” 

body-of-water-3162375_960_720Foto: pixabay.com

Nu ben ik mij aan het voorbereiden op de wandeltocht van de Venloop. Een prachtig evenement dat op zondag 25 maart wordt afgesloten met een halve marathon en waar op zaterdag wordt gewandeld. Omdat ik van de natuur hou, leiden die voorbereidingen mij door het prachtige buitengebied van Venlo. Een makkie om er te komen want vanaf mijn huis ben ik makkelijk binnen een half uur de stad uit. Ik ben echter nog geen plek tegen gekomen die aan de eisen van EEnLokaal voldoet. Hoe leeg het ook lijkt, altijd zijn er wel een paar huizen in de buurt.

Om mijn wandelervaringen te toetsen even wat rekenwerk. Van de wiskundelessen op de middelbare school, inmiddels alweer zo’n 35 jaar geleden, weet ik dat de oppervlakte van een cirkel het kwadraat van de straal maal pi is. Dat betekent in het geval van de windturbine dat er in Venlo een plek moet worden gevonden waar het dichtstbijzijnde huis minimaal drie kilometer van is verwijderd. Er moet in de bijna 129 vierkante kilometer die Venlo groot is, waarop trouwens ruim 100.000 mensen wonen en dat is  ruim achthonderd per vierkante kilometer, een cirkelvormig gebied te vinden zijn van 28,26 vierkante kilometer dat onbewoond is. Hoe groot is de kans dat die plek er is en dat er dus een windturbine geplaatst kan worden? Nog sterker, als dit een landelijke norm zou zijn, hoeveel van die plekken zouden er in heel Nederland te vinden zijn waar een windturbine geplaatst kan worden?

Beste EENLokaal, draait u mensen geen rad voor ogen? Waarom zegt u niet meteen dat u geen windturbines wilt? Is dat niet wat eerlijker dan mooie sier maken met een JA en dan een voorwaarde te stellen waaraan niet voldaan kan worden?

Van de muis en de olifant

“De situatie in Afrin is vreselijk, maar een veroordeling zal niets oplossen. Het klinkt misschien prachtig maar de moraal werkt hier contraproductief. Wij zijn een muis die praat tegen een olifant. Erdogan veroordelen zou geen effect hebben. Militair maken Erdogan en Rusland daar de dienst uit.” En uitspraak van Arend Jan Boekestijn in de Volkskrant. Boekestijn geeft de Minister van Buitenlandse Zaken Zijlstra gelijk dat hij Turkije niet scherp veroordeelt. Immers: “Er zit achter dat iedereen met Erdogan in gesprek wil blijven in de hoop hem te bewegen om niet nog meer gebied te bestoken. Het helpt dan niet als je hem eerst veroordeelt. Dat is een diplomatieke wet. Als de VS en de EU vanuit een moreel standpunt zeggen: wij veroordelen dit, dan heb je geen enkele invloed meer op Erdogan.”

mouse-1974360_960_720

Foto: pixabay.com

Een muis die een olifant aanspreekt, ja waarom zou die olifant luisteren? Eén tikje met zijn slurf en de muis ligt een paar honderd meter verderop. Eén poot van de olifant op de muis en de muis is een dooie muis. Waarom zou de olifant in een gesprek de muis wel serieus nemen als het weet dat de muis toch niet van zich afbijt als de olifant zich misdraagt? Waarom zou het Turkije van Erdogan zonder een veroordeling wel naar ons luisteren en verdere gebieden meer binnenvallen?

Boekestijn iets verderop in het artikel: “Ik heb het gevoel dat Erdogan weer een betere relatie met Nederland wil. Turkije heeft namelijk belangrijke economische handelsbetrekkingen met Nederland, er wonen veel Turken in ons land en bovendien heeft Erdogan bondgenoten nodig. Zijn buitenlandse politiek in het Midden-Oosten is namelijk vastgelopen nu Assad aan de winnende hand is.” De olifant die de muis nodig heeft? Als die olifant bondgenoten nodig heeft, zou hij zich dan niet anders, meer ‘muiselijk’ moeten gaan gedragen? Als dat zo is, zou de muis dan geen ‘eisen’ kunnen stellen, harde voorwaarden waaraan de olifant moet voldoen voordat hij van de diensten en de steun van de muis gebruik kan maken? Het citaat lezen kun je je zelfs afvragen of de muis aan het groeien is en de olifant aan het krimpen?

Wat fundamenteler. Zou de muis niet duidelijk moeten aangeven dat een bondgenootschap met de olifant er niet inzit zolang die olifant zijn ‘eigen kinderen’ terroriseert en opsluit omdat ze vragen stellen en zijn handelen ter discussie stellen?

Economische schade door discriminatie?

Arbeidsmarktdiscriminatie stond de afgelopen week weer hoog op de ‘media-agenda’. De oorzaak: een reportage van het tv-programma Radar waaruit bleek dat bijna de helft van de arbeidsbemiddelaars meewerken aan discriminatie op afkomst. In zijn Het spel en de knikkers in de Volkskrant, gaat Frank Kalshoven in op de economische kant van de zaak: “Als we weten wat discriminatie kost en hoe die kosten veroorzaakt worden, kunnen we scherper nadenken over manieren om die kosten terug te dringen. Het lijkt niet zo gek om te denken dat die kosten gauw in de miljarden lopen. Denk even mee.” Van die oproep van Klashoven maak ik graag gebruik.

coins-1726618_960_720

Illustratie: pixabay.com

Een woord vooraf, ik verafschuw discriminatie. Toch zou de uitkomst van die kostenberekening wel eens heel anders uit kunnen vallen dan Kalshoven denkt. Kalshoven onderscheidt drie groepen gediscrimineerden: mensen die door discriminatie geen werk vinden, mensen die hierdoor werk onder hun opleidingsniveau vinden en mensen die worden gediscrimineerd op hun werk. Deze mensen leiden ‘schade’. Eerste probleem bij het berekenen van de schade is dat het lastig is om aan te tonen dat de situatie van een individu het gevolg is van discriminatie. De schade bestaat uit: inkomensschade, ‘uitkeringsschade’ en psychische schade. En dan de berekening: “Laat honderdduizend mensen geen werk vinden door discriminatie. Stel dat ze zonder discriminatie een modaal salaris bij elkaar zouden werken à 37 duizend euro per jaar. Vermenigvuldig: 3,7 miljard euro per jaar. De orde van grootte van de discriminatiekosten is miljarden per jaar (en tientallen miljarden op langere termijn).”

Vergeet Kalshoven niet iets, en dan bedoel ik niet de psychische en uitkeringskosten? De baan die iemand niet krijgt, of een baan op lager niveau omdat hij wordt gediscrimineerd, gaat naar iemand anders. Die krijgt die € 37.000 per jaar en had die anders niet gekregen. Dan was die persoon werkloos geweest of had wellicht onder zijn niveau gewerkt. Van bijvoorbeeld twintig sollicitanten kan er maar één de functie krijgen en als ze allemaal even geschikt zijn, maakt het dan voor de economie iets uit wie de baan krijgt? Voor A en B maakt het wat uit wie de baan en dus die € 37.000 krijgt, voor de economie telt alleen het getal. Ook voor de ‘uitkeringsschade’ maakt het niets uit, A of B krijgt een uitkering dus de kosten zijn gelijk.

Resteert de psychische schade. Alleen kent ook die psychische schade een keerzijde, psychische problemen betekent namelijk ook werk voor psychologen en therapeuten. Discriminatie is, zoals gezegd, afschuwelijk en moet worden bestreden. Zullen we ons voor de bestrijding ervan toch maar bij de ethische en juridische argumenten houden?

Beste Tahir Ramdjan,

Met veel interesse heb ik uw brief in de Volkskrant gelezen. Uw oproep om: “elkaars opiniestukken lezen, ons verdiepen in elkaar, oprechte interesse en empathie tonen naar elkaar,” onderschrijf ik van harte. Als ik u goed begrijp, dan verschilt ons doel niet. Ik streef naar een wereld waarin iedereen gelijkwaardig is en ook op een gelijkwaardige manier wordt behandeld en gelijke kansen heeft. Volgens mij is dat ook uw doel.

beach-14119_640

Foto: Pixabay

Zoals u aangeeft heeft een: “beschaafde dialoog (…) nog nooit slachtoffers, ordeverstoring en leed veroorzaakt.” Die dialoog wil ik met u aangaan. In uw brief signaleert u twee fouten. Over die eerste van die twee fouten wil ik het met u hebben. Zoals u schrijft is voor de wet iedereen gelijk, de wet maakt geen onderscheid. Terecht constateert u dat we er daarmee niet zijn. Dat komt, volgens u, door het: “institutioneel racisme: een onbewust racisme dat zich heeft vastgeroest in ons doen en laten, van zowel witte als donkere mensen.” Door hier de term ‘racisme’ aan te koppelen, geeft u het een zware lading. Een lading die mensen als een oordeel of beter nog een veroordeling kunnen opvatten. Een lading waarvan je je kunt afvragen of die wel terecht is. Bent u bereid om hier op een andere manier, met een ander frame dan het frame van het ‘institutioneel racisme’ naar te kijken? Mag ik een ander ‘frame’ met u delen?

Gelijkwaardig worden behandeld en gelijke kansen krijgen is lastig te realiseren. Volgens mij is het zeer menselijk om mensen die op een punt anders zijn, anders te behandelen en te benaderen. Dat is niet iets van een specifieke kleur mensen, het is iets van alle mensen. Ik ben de eerste om toe gegeven dat die menselijke eigenschap tot maatschappelijk ongewenste resultaten leidt. Als we ons hier allemaal van bewust zijn, dan kunnen we dat ‘menselijke gedrag’ veranderen, ter discussie stellen en zo maatschappelijk wenselijkere resultaten bereiken.

Een frame waarin we hetzelfde constateren, maar er geen oordeel of veroordeling op plakken. Zou zo’n frame tot een constructiever gesprek en tot betere resultaten kunnen leiden? Belangrijker nog, zou zo’n frame een bredere gemeenschappelijke basis bieden om die maatschappelijk ongewenste resultaten aan te pakken? Zou zo’n frame de tweede, door u geconstateerde, fout kunnen voorkomen? De fout dat: “de donkere mens (…) deze machtsstructuren eerder door (heeft), omdat die daar dagelijks feller mee geconfronteerd wordt, en beschuldigt vervolgens de witte mens van racistisch, fout handelen. Maar laatstgenoemde heeft zichzelf nooit als racist gezien. Zijn intuïtieve reactie: terugvechten.”

Creperen op de wachtlijst?

Volgende week stemt de Eerste Kamer over het Donorwetsvoorstel ingediend door D66-kamerlid Pia Dijkstra en deze week spreken de leden van de Eerste Kamer erover. In het Commentaar geeft Volkskrant-redacteur Hans Wansink zijn mening. Het wetsvoorstel behelst dat iedereen automatisch orgaandonor is tenzij de persoon expliciet aangeeft dit niet te willen zijn. Tot nu toe ben je geen donor tenzij je expliciet aangeeft het wel te willen zijn. Met de huidige methode is er een tekort aan donoren en “Daardoor lijden veel patiënten onnodig en sterven mensen die gered kunnen worden.” Dus ontkomen we volgens Wansink niet: “aan de vraag of wij zieke medemensen willen laten creperen op de wachtlijst.” Wansink antwoord is NEE en: “Dan biedt de wet-Dijkstra uitkomst. Die garandeert voldoende donoren.”

donor

Illustratie: Flickr

Nu is dat laatste twijfelachtig. “Het aanbod van organen voor transplantatie zal nooit voldoen om àlle mensen op de wachtlijsten te helpen.” Een uitspraak van de Belgische transplantatie-expert Luc Colenbie op de Belgische site HLN. Het aantal donoren is dan wel hoger, toch sterven er ook in België nog steeds mensen op de wachtlijst. Dus de ‘Wet Dijkstra’ zal het probleem van ‘creperen’ op de wachtlijst niet oplossen.

Is het beeld dat ‘Wansink schetst dat we’ die mensen laten ‘creperen op de wachtlijst’ eigenlijk wel een goed beeld? Ja, er is een wachtlijst voor donororganen. Ja, er gaan mensen dood die wachten op een donororgaan en die mensen lijden. Dat maakt nog niet dat ‘we’ hen ‘laten’ creperen’. Deze mensen hebben een niet of zeer slecht functionerend orgaan en dat kan verholpen worden als er een geschikt donororgaan beschikbaar is. ALS dat orgaan beschikbaar is. Moet er om dat orgaan beschikbaar te krijgen niet iemand sterven? Worden de mensen in de tijd dat ze op die wachtlijst staan niet optimaal verzorgd?

Als we de Belgische cijfers mogen geloven, dan overlijden er ook met de ‘Wet Dijkstra’ nog steeds mensen op de wachtlijst. Als Wansink dat onacceptabel vindt, wat stelt hij dan voor vervolgmaatregelen voor? Sterven op een wachtlijst is triest en zwaar voor de nabestaanden, het is echter onoverkomelijk. Of wil Wansink overgaan tot het doden van geschikte donoren om organen te oogsten zodat de mensen op de wachtlijst niet ‘creperen’?

De daad bij het woord?

“Hij verzet zich tegen de EU-bemoeienis en zegt dat Hongarije geen islamitisch maar op christelijke waarden gedreven land is en dat dat zo moet blijven. Die houding en politiek voor het behoud van de eigen cultuur verdient alle steun en is een voorbeeld voor alle Europese leiders.” Woorden van PVV-leider Geert Wilders gericht aan de Hongaarse premier Orbán, te lezen bij Elsevier. Een Nederlander die een buitenlandse leider bewondert en ten voorbeeld stelt aan de Nederlandse politici en leiders. Het komt vaker voor, toch is er iets dat mij verwondert.  Budapest

Illustratie: Pixabay

Als je je als Nederlander met Turkse, Marokkaanse of andere niet-Nederlandse voorouders, positief uitlaat over de heerser van het land van je voorouders, dan loop je een groot risico om het ‘verzoek’ te krijgen om maar in dat land van je voorouders te gaan wonen. Dat hoort niet, je moet ‘loyaal’ zijn aan Nederland. Dit verwijt komt met name uit een specifieke hoek van het politieke spectrum en in die hoek bevindt zich ook de PVV van Geert Wilders.

Zou PVV-leider Wilders nu de daad bij het woord voegen? Zou hij ervoor kiezen om te ‘verkassen’ naar het Hongarije van Orbán, toevallig ook het moederland van zijn vrouw?

Hoe zou het gesteld zijn met de loyaliteit aan Nederland van PVV-leider Wilders? Belachelijk natuurlijk om deze vragen te stellen. Waarom worden ze dan wel gesteld aan Nederlanders met niet-Nederlandse voorouders? Gelden daar misschien andere ‘normen en waarden’ voor?

Borden en het bos

De overheid en begrijpelijk communiceren, dat is een lastige combinatie. Mensen vragen duidelijkheid en die wringt vaak met juridische vereisten of ‘slagen om de arm’ die een bestuurder wil houden. Bezuinigen wordt  ‘besparen’, sparen heeft immer een positieve betekenis, je legt een appeltje voor de dorst opzij. Weer een ander maakt er ‘ombuigen’ van, een andere richting nemen, ook dat klinkt positief. Tijdens een wandeling door mijn woonplaats Venlo werd mij duidelijk dat overheidscommunicatie ook op een andere manier lastig kan zijn.

Door de borden het bos niet meer zien

Hoe dat mij duidelijk werd? Bekijk de bijgevoegde foto. Op één punt zeven borden die mij iets duidelijk proberen te maken. Laat ik met de borden aan de rechterkant beginnen. Een goede lezer begint bovenaan de bladzijde: “Parkeervakmarkering ontbreekt.” Nu ken ik de situatie in die straat vrij goed en als je goed kijkt, dan zie de parkeervakmarkering.

Op het bord eronder lezen we: “Uitbreiding zone betaald parkeren ingangsdatum 01-01-2018.” Zou het taalkundig gezien niet logischer zijn om beide borden om te wisselen? Dat even terzijde. Zoals gezegd ken ik de situatie vrij goed en de straat waarvoor het bord staat valt al bijna twintig jaar in de betaald-parkeren-zone, dus hoezo uitbreiding? Deze twee borden geven misleidende informatie.

Dan de bordenreeks links, weer van boven naar beneden. Als eerste het bord met de hand en de munt, we gaan dus een betaald-parkeren-zone in. Oké dat begrijp ik. Dan het tweede, we gaan een betaald-parkeren-zone in. Oké, maar dat wisten we toch al, want dat vertelde het bovenste bord ons. Het derde bord. We verlaten een zogenaamde ‘blauwe zone’, een gebied waar je een parkeerschijf voor je voorruit moet leggen en je maximaal twee uur mag parkeren. Mooi dat we dat weten, maar is het niet logisch dat die zone eindigt als we een betaald-parkeren-zone ingaan? Iets wat de bovenste twee borden ons al lieten weten. De ene zone eindigt immers waar de andere begint.

Nu wordt het pas echt interessant, de laatste twee borden. Het vierde bord van boven verbiedt ons om van deze zijde deze straat in te rijden. Het vijfde, onderste, bord: fietsers mogen wel van deze kant de straat in. Als fietser heb je niets met die borden over de parkeersituatie. Als automobilist mag ik van deze zijde de straat niet in rijden, wat moet ik dan met die andere borden? Die borden geven informatie waar ik niets aan heb. Zeven borden waarvan vijf voor Piet Snot. Een gevalletje van door de ‘borden’ het bos niet meer zien?

Roze olifant

‘Als ik zeg dat jullie niet moeten denken aan een roze olifant, waar denken jullie dan aan?’ Aan deze uitspraak dacht ik bij het lezen van een artikel van Emma Lesuis bij De Correspondent. Lesuis beëindigt haar artikel verzuchtend met de woorden: “Hoe vaak zal ik nog racistische opmerkingen krijgen? Hoe vaak en hoe lang zal ik nog die goedbedoelde diversiteitsstempel opgeplakt krijgen? Ik vroeg het me af.”

Elefante_rosado

Illustratie: Wikimedia Commons

Lesuis beschrijft het ongemak dat zij voelt als ze weer op haar ‘kleur’ wordt aangesproken. Een gevoel dat ze had toen ze tijdens een stage als voorbeeld werd aangehaald dat het goed ging met de diversiteit. Over toen ze werd gevraagd om te schrijven over Afro-Amerikaanse opera. Lesuis ging in op het verzoek  en vroeg zich af: “Toch apart, dacht ik, een schrijver te vragen die amper iets van opera weet.” Toen ze ernaar vroeg kreeg ze als antwoord: “We zijn bezig met diversiteit.”

Dat er mensen zijn die het moeilijker hebben in de Nederlandse maatschappij dan anderen, dat is een feit. Dat mensen van kleur en islamitische religie het extra lastig hebben, is ook een feit. Dat daar iets aan moet gebeuren, staat voor mij in ieder geval buiten kijf. In vroeger jaren werden daar ‘positieve discriminatie’ programma’s voor ontwikkeld. Tegenwoordig noemen we dat ‘diversiteitsprogramma’s’. Lesuis over dergelijke programma’s: “Het is bovendien door dit soort situaties, dit soort mensen en dit soort stempels dat ik soms niet weet waarom ik ergens überhaupt mag zijn.” 

Zou het kunnen dat dit een gevolg is van juist het zo de nadruk leggen op ‘diversiteit’? Zou het kunnen dat juist die nadruk op ‘diversiteit’ ertoe leidt dat ongeveer iedereen zich ongemakkelijk gaat voelen? Zou dat ongemakkelijke gevoel ertoe kunnen leiden dat mensen zich ‘ongelukkig’ uitdrukken? Zou dat ongemakkelijke gevoel Lesuis hebben belemmerd in het stellen van de vraag waarom men haar vroeg om ergens over te schrijven waar ze totaal geen verstand van had? Dat ze daar toch echt een musicoloog of operadeskundige voor moeten vragen?

Als een bedrijf of instelling zegt dat het diverser wil worden en daarom meer mensen van X wil binnenhalen, staat dan niet automatisch dat X-zijn van die mens in de belangstelling? Als datzelfde bedrijf diverser wil worden, maar er niets van zegt en die mens van X wordt aangenomen, zou het kunnen dat zijn X-zijn dan minder de nadruk krijgt? Dat de nadruk dan veel meer komt te liggen op het mens-zijn en de kwaliteiten die die mens inbrengt?

Is ‘diversiteitsbeleid’ niet een roze olifant?