Een beetje integer bestaat niet

Het was me het weekje wel. En nee, dan bedoel ik niet de twee wedstrijden die het Nederlands elftal speelde en won in de achtste en kwartfinale van het Europees kampioenschap. Ook niet de erbij horende nationale discussie over wie er in de spits moet staan. Nee, ik bedoel het nieuwe kabinet dat knetterend van start ging. Knetterend van de onderlinge wrevel die de vier partijen die de coalitie vormen probeerden te maskeren door de oppositie verwijten te maken op de persoon te spelen en een ‘heksenjacht’ te beginnen.

Nu weet Wilders het een en ander van heksenjachten. De afgelopen jaren voerde hij er onder andere een tegen Sigrid Kaag. Een heksenjacht nu tegen de ministers Faber en Klever. Dit omdat ze een motie van wantrouwen aan hun broek kregen vanwege in het verleden gedane uitspraken over omvolking en hun bevestigende ontkenning van deze uitspraken tijdens hun kennismakingsgesprek met de Tweede Kamer. Het is ‘vals’ om hen uitspraken die ze in een vorige ‘functie’ hebben gedaan, na te dragen in hun nieuwe functie. Beoordeel ze op hun daden, zo betoogde Wilders. Wilders krijgt hierin bijval van Trouw. “De linkse partijen willen niet eerst het beleid van het kabinet-Schoof afwachten, maar trekken op voorhand al hun conclusie.” Aldus het Commentaar van Trouw. Volgens de krant is het indienen van een motie van wantrouwen tegen een bewindspersoon die nog niet echt is begonnen: “een wat armetierige strategie.” Een strategie die:  Afbreuk (doet) aan dit zware middel, en de effectiviteit van de motie van wantrouwen.”

Nu zijn dit niet de eerste ministers die bij de start een motie van wantrouwen aan hun broek (of rok) kregen. In 2007 trof dit lot twee staatssecretarissen van de PvdA. Ahmed Aboutaleb en Nebahat Albayrak. De indiener van de moties was …. Geert Wilders. (N)normaliter (wordt) een motie van afkeuring (…) ingediend als je iets verkeerd hebt gedaan,”  aldus Aboutaleb toen hij ervan hoorde. Zoals Trouw schrijft was: “Een motie van wantrouwen )(…) jarenlang de beproefde methode van PVV-leider Geert Wilders tegen eerdere kabinetten.”  En de motie, zo vervolgt de krant: “werd daarom in zijn handen een bot instrument.”

De overeenkomst tussen het handelen van de ‘linkse partijen’ en Wilders in het verleden is dat ze zich bedienen van een motie van wantrouwen in een bewindspersoon die nog niet is begonnen. Waar de motie van de ‘linkse partijen’ verschilt van het handelen van Wilders in 2007 is de reden voor het indienen van de moties van wantrouwen. De ‘linkse partijen’ baseren hun gebrek aan vertrouwen op de woorden en daden van de twee betrokken ministers. De woorden die ze in het verleden spraken over omvolking en de ontkennende bevestiging waarmee ze tijdens hun hoorzitting met de Tweede Kamer om de hete brij heen draaiden. Een manier van handelen die iets zegt over hun oprechtheid, karakter en integriteit. In 2007 werden de twee staatssecretarissen getrakteerd op een door Wilders ingediende motie van wantrouwen omdat ze een dubbele nationaliteit hadden. Nu konden beiden weinig doen aan die dubbele nationaliteit. Je hebt je ouders immers niet voor het uitkiezen. Een motie niet tegen hun woorden en daden en dus tegen hun handelen, karakter en integriteit, maar tegen iets waar ze niets aan konden doen.

Trouw concludeert: “Als de linkse oppositie er zo van overtuigd is dat de PVV-bewindslieden onverbeterlijk zijn, en vanuit een diepe overtuiging handelen, dan dient zich op korte termijn vast een nieuwe mogelijkheid aan waaruit dat blijkt.” Of dat gebeurt of niet zal de toekomst uitwijzen. De vraag is echter of je dat risico en alle gevolgen die eruit voortvloeien, wilt lopen? Op basis van hun uitspraken kun je twijfelen aan de integriteit van Klever en Faber. En zoals wijlen oud-minister Ien Dales ooit zei ‘Een beetje integer, dat bestaat niet.’

Slavernijrekening vereffenen

Maar wat is ‘het juiste doen’? En wanneer is de ‘rekening vereffend’? Die vragen stelde ik onder een artikel van Phaedra Haringsma bij De Correspondent. Een artikel met als titelExcuses voor het slavernijverleden? Herstel is niet alleen het juiste zeggen, maar ook het juiste doen.”  Haringsma eindigt haar artikel met de woorden: “Ruttes handgebaar – eerherstel zonder een concreet plan voor écht herstel – is alsof je als eregast wordt uitgenodigd op een feestje van iemand aan wie je een tijd geleden zo veel geld hebt geleend dat je zelf niet meer kunt rondkomen. Attent, zeker. Maar vereffen eerst maar eens de rekening – dan kunnen we daarna misschien allemaal een feestje vieren.” Op mijn vraag kwam het volgende antwoord: “Ik weet niet of de rekening ooit vereffend kan worden, en of het zinnig is dat te gaan ‘proberen’.”

Voor mij en volgens mij zijn betogen om rekeningen van het verleden te vereffenen niet behulpzaam en zelfs contraproductief. Pogingen om de ‘rekening ervan te vereffenen’ van in het verleden aangedaan onrecht, leiden meestal alleen maar tot ontevredenheid of nog erger. Dat zien we nu bijvoorbeeld in Oekraïne en Gaza. Als een rekening niet te vereffenen is, wordt dan de ene groep niet moreel gegijzeld door de andere en kun je je dan niet afvragen of er niet sprake is van een bijzondere vorm van slavernij?

Sporen nalaten is het enige wat het verleden doet. Die sporen kun je niet uitwissen of herstellen. Het oversteken van de Rubicon door Julius Ceasar was en is met geen mogelijkheid meer te herstellen. Columbus voer na zijn ‘ontdekking’ terug naar Spanje maar zijn heenreis werd daarmee niet teniet gedaan. Little Boy, de naam van de atoombom die op Hiroshima werd gegooid, kan nooit meer ont-ontploffen en terug de bommenwerper Enola Gay invliegen. Met de gevolgen ervan moeten we leven. Excuses en schadevergoedingen maken deze daden niet ongedaan. Om een zeer recent voorbeeld te geven. De ‘streep’ die verschillende ministers onder hun verleden poogden te zetten, maken de gedane uitspraken en acties niet ongedaan. De streep maakt geen einde aan de gezaaide angst, gecreëerde onrust en het ontwikkelde wantrouwen.

“Voor mij ligt deze column in het verlengde van de audioreportage die vandaag is uitgekomen: Ga mee naar de binnenlanden van Suriname, waar een koloniale tragedie nog altijd haar sporen nalaat.” Zo vervolgde Haringsma haar antwoord op mijn vragen. En daarmee kom ik bij het ‘juiste’ doen. Maar wat is het juiste? Voor het juiste zoek ik graag aansluiting bij de filosoof John Rawls. In zijn boek Een theorie van rechtvaardigheid formuleert hij twee beginselen van rechtvaardigheid: “Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.[1] Mijn definitie van het ‘juiste’ komt overeen met het deel dat stelt dat sociaal economisch beleid zo geordend moet worden dat het meest ten goede komt aan de minst bevoordeelden. Daarbij doet het er niet toe hoe die situatie is ontstaan. Iemand in ellende in het binnenland van Suriname help je omdat het een mens is, niet om iets wat ooit een iemand zijn voorvaderen heeft aangedaan.

Bij dat juiste doen is bestuderen van het verleden van belang. Niet om ‘schuldigen’ aan te wijzen waarbij je een rekening kunt indienen. Wel omdat het verleden ons kan leren welk menselijk denken en handelen tot ongelijkwaardigheid leidt. Het kan ons helpen gedrag dat tot vormen van uitbuiting leidt te herkennen, te adresseren en er iets aan doen. Iets aan te doen voor mensen die er nu slachtoffer van zijn of dreigen te worden.

Het einde van de slavernij herdenken is goed. En na goed de komma waar voormalig premier Rutte oversprak na de komma vervolg de zin dan met: ‘om hedendaagse vormen van uitbuiting en slavernij te bestrijden. Niets meer en niets minder. Die herdenking koppelen aan ‘een echt plan voor herstel’ of ‘vereffening van een niet te vereffenen rekening’ zorgen alleen maar voor onnodige tweespalt.  


[1] John Rawls, Een theorie van rechtvaardigheid, pagina 321

If you have eliminated the impossible

In Limburg is: “Een taskforce met specialisten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Jeugdautoriteit en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd,” aan de slag om te: “onderzoeken wat er beter kan.” Zo las ik in een artikel in Dagblad de Limburger. Bij het lezen van het artikel moest ik denken aan Spock uit Star Trek.

Probleem is, zo begrijp ik, dat grote instellingen met miljoenenverliezen kampen en: “de geografische ligging”  van Limburg. Het probleem zit,zo lees ik, in: “de zware specialistische zorg. Denk aan jeugdigen met psychische problemen, een verstandelijke beperking of verslavingsproblematiek.” Het gaat dan over: “een relatief kleine groep kinderen die dergelijke specialistische zorg behoeft, wat bedrijfsvoering ingewikkelder maakt. De doelgroep heeft vaak acute zorg nodig, het liefst zo dicht mogelijk bij huis, maar in de praktijk blijkt dat lastig te organiseren. Er is namelijk weinig capaciteit en de uitwijkmogelijkheden zijn beperkt.” Volgens de Venlose wethouder Frans Schatorjé: “zit de kwetsbaarheid van de zorgaanbieders duidelijk in dat segment.”  Die problemen moeten worden opgelost via samenwerking: “een netwerk waar ook Brabantse en Gelderse zorgaanbieders deel van uitmaken. Die kan fungeren als achtervang. Als er geen capaciteit of uitwijkmogelijkheid is in Heerlen of Venlo, zou Eindhoven, Nijmegen of Arnhem soelaas kunnen bieden.” Even tussendoor. Zou het samenvoegen van twee of drie keer schaarste (‘weinig  capaciteit en uitwijkmogelijkheden) tot overvloed leiden. Of iets minder optimistisch, tot minder schaarste? Samenwerken op Limburgse schaal want: “Ga je dat als onafhankelijke regio’s doen, dan heb je te weinig massa om goede regelingen te treffen of zaken uit te wisselen als er problemen zijn in de sector.”

Dat heb ik al eens eerder gelezen en gehoord dacht ik. Nee, wist ik want in 2021 schreef ik er al eens een prikker over met als titel Jeugdzorg, wijn, zakken en druiven. Die sloot ik af met de woorden: “En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’ Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten. Zou die ‘oude wijn’ die in de jaren zeventig al wrang smaakte, beter gaan smaken door hem eens per tien, vijftien jaar in ‘nieuwe zakken’ te gieten? Als we werkelijke betere ‘jeugdzorgwijn’ willen, zouden we dan niet beter druiven kunnen gaan plukken om nieuwe wijn te maken?”  In die prikker een korte geschiedenis van de jeugdzorg in de afgelopen vijftig jaar. Een overzicht dat laat zien dat steeds hetzelfde wordt geconstateerd maar niet wordt opgelost. En als ik dit artikel lees, dan gaat die taskforce het ook niet oplossen, denk ik.

Waarom denk ik dat? Ik denk dat vanwege de woorden die er worden gebruikt. Woorden als ‘zorgaanbieders’ en ‘segment’. Maar ook vanwege bijvoorbeeld de redenering dat het probleem bij de zware jeugdhulp ligt. Woorden en redeneringen die het denken vertegenwoordigen dat debet is aan de situatie waarin we ons nu bevinden. Het neoliberale marktdenken.

De afgelopen decennia heeft de marktwerking een belangrijke rol gekregen in de zorg: ‘Laat het aan de markt over, die zorgt voor efficiënte, goedkope oplossingen’. Een aanname waarbij de nodige vraagtekens zijn te zetten. Zo laat de Amerikaanse econoom Robert J. Gordon (lees zijn boek The Rise and Fall of American Growth) zien dat die marktwerking in de Verenigde Staten tot de duurste zorg van de wereld heeft geleid. De VS geven per hoofd van de bevolking het meeste geld uit aan gezondheidszorg terwijl een groot deel van die bevolking verstoken blijft van de meest elementaire vormen van zorg. Maar ook tot grote verspilling zoals twee volledig uitgeruste ziekenhuizen bijna naast elkaar die allebei half leeg staan. Kijken we naar Nederland dan hebben wij bijna de duurste zorg per hoofd van de bevolking in Europa.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de New Public Management stroming dominant. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties.  Of zoals nu ‘segmenten’. Producten die vervolgens in de markt worden gezet.

Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken, staat dan het product centraal en niet de mens. Dan krijg je een zee van aanbieders die allemaal met zo min mogelijk inspanning maximaal rendement willen halen. Die kiezen voor de makkelijke problematiek en werken van negen tot vijf. Dan ga je geen nachtdiensten draaien in een instelling voor jeugdigen met zware problemen, maar word je zelfstandige kindercoach. Dan word je na een langjarige investering van de maatschappij in jou als arts, plastisch chirurg en ga je billen liften en borsten vergroten.

De gebruikte woorden en redeneringen laten mij vrezen dat er binnen de logica van het marktframe van neoliberale New Public Managent naar rationele oplossingen wordt gezocht. Maar wat sls we constateren dat die logica tot maatschappelijk gezien irrationele en inferieure resultaten leidt? Als er dus sprake is van, wat  John Cassidy in  boek Wat als de markt faalt?, rationele irrationaliteit noemt. Een situatie waarin rationeel handelen van alle partijen leidt tot een maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur resultaat. Moeten we dan niet op zoek naar rationele oplossingen binnen een andere dan de neoliberale logica? Dus zoeken naar een beter passende logica.

Voor velen is het lastig om de neoliberale logica te verlaten. Sterker nog, ze herkennen het niet als neoliberaal, voor hen is het dé logica. Voor degenen die het lastig vinden om de neoliberale logica te verlaten, een uitspraak van een drieëntwintigste-eeuwse kenner van de logica pur sang Spock uit Star Trek: “If you have eliminated the impossible, whatever remains, however improbable, must be the truth.”

Bijzondere bitterballen?

“Ik weerspreek dat ik daarmee bewust zou hebben gelogen om de boel te ondermijnen. Ik vind het nogal wat om iemand maandenlang te beschuldigen van doelbewuste leugens.[1] Deze woorden sprak VVD-fractievoorzitter en partijleider Dilan Yesilgöz tijdens het Kamerdebat met als titel Een achtergehouden nota door de IND over gestapelde nareizen van vluchtelingen. Zou het aan de bitterballen liggen? Die vraag schoot me te binnen toen ik dat las.

Bron: Flickr

Yesilgöz had, zoals ze tijdens het debat zei, getallen verwisseld. Ze had het aantal nareizigers, vorig jaar zo’n 10.000, verwisseld met de cijfers van nareis- op nareis, dat zijn eer jaarlijks tussen de 70 en 100. Natuurlijk kan het dat je getallen door elkaar haalt. Dat je de nareiscijfers, vorig jaar zo’n 10.000 verwart met de nareis- op nareis cijfers, jaarlijks tussen de 70 en 100 eens een keer per vergissing door elkaar haalt. Het wordt anders als je die cijfers meer dan een half jaar door elkaar haalt terwijl je van alle kanten hoort dat je de verkeerde cijfers gebruikt. Dat kun je moeilijk een vergissing noemen. Zeker niet voor een politicus die als minister heel dicht bij het vuur zit. Die ‘vergissing’ meer dan een half jaar lang, en dan ook nog een halfjaar van een verkiezingsstrijd, is of bijzonder dom of een bewuste keuze omdat je een bepaald frame wilt neerzetten. Het is vervolgens, om Yesilgöz te citeren, ‘nogal wat’ om degenen die je leugen aanspreekt te verwijten dat ze je in een verkeerd daglicht proberen te zetten. Dat is allemaal zeer bijzonder en het is nog bijzonderder dat velen het voor zoete koek slikken. Maar daar gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de bijzondere combinatie van de woorden ‘doelbewust’ en ‘leugen’ die Yesilgöz gebruikt. ‘Doelbewuste leugen’ is een pleonasme, een: “uitdrukking waarin eenzelfde begrip dubbel is uitgedrukt. Een leugen is een: “onware mededeling met het doel om te misleiden” en dus per definitiedoelbewust. ‘Doelbewuste leugen’ suggereert dat er ook andere soorten leugens zijn, bijvoorbeeld een ‘onbewuste leugen’. Haar ‘leugen’ was dan van dat soort, een onbewuste leugen, een ‘onbewuste onware mededeling met het doel om te misleiden’. Nu is mijn voorstellingsvermogen best groot, maar daar kan ik me niets bij voorstellen. Een onbewuste leugen een contradictio in terminis, een combinatie van woorden die elkaar tegenspreken.

Ik moest aan bitterballen denken omdat die altijd worden gegeten tijdens partijbijeenkomsten van de VVD en Yesilgöz is niet de eerste VVD-er die zich bij het verdedigen van een scheve schaats van deze manier van opereren bedient. Haar voorganger, Mark Rutte, verdedigde zich als hij werd betrapt op een scheve schaats met de woorden dat hij er geen ‘actieve herinnering’ aan had. Ook ‘actieve herinneringen’ is een pleonasme. Immers een herinnering is: “dat wat je je herinnert,” en herinneren is: “in het geheugen terugroepen.” Herinneren is een actieve daad, herinneringen zijn daarmee altijd actief. Het gebruik van ‘actieve herinnering’ suggereert dat er ook zoiets is als een passieve herinnering. De combinatie ‘passieve herinnering’ is, net als onbewuste leugen’ een contradictio in terminis. Zou er iets in die bitterballen zitten?

De taal-spielerei Rutte en Yesilgöz lijkt onschuldig maar dat is het niet. Het normaliseert zaken die verwerpelijk zijn, namelijk liegen. Toeval of niet, de week waarin Yesilgöz de ‘onbewuste leugen’ uitvond en daarmee liegen normaliseerde, waren we getuigen van een volgende stap in het normaliseren van het verwerpelijke. Volgens haar lopen er in die ‘nareis op nareis’ affaire zaken door elkaar. In de Kamer moest zij zich als minister verdedigen maar ze was ten tijde van die uitspraak niet alleen minister maar ook partijleider en lijsttrekker. Daarmee suggererend dat liegen in de ene hoedanigheid anders is dan in de andere. Beste mevrouw Yesilgöz, in de hoedanigheden is liegen verkeerd. Alleen de gevolgen verschillen per hoedanigheid.

Hetzelfde ‘hoedanighedenargument’ gebruikten de PPV kandidaat-ministers en -staatsecretarissen om hun verwerpelijke uitspraken weg te moffelen: ‘dat was in een andere rol waarin het wel oké was om die uitspraken te doen. Als minister zal ik ze niet doen maar ik trek niets uit het verleden terug’. De nationaalsocialistische oorsprong van ‘omvolking’  verdwijnt niet omdat ‘De ouders van je moeder’ in de Tweede Wereldoorlog onderduikers hielpen. De kandidaatsbewindspersonen blijven echter dezelfde personen die verwerpelijke uitspraken hebben gedaan. “Er zijn echt maar twee smaken, hè? Destijds waren ze waarachtig en oprecht; en dan zijn ze nu leugenachtig. Of: de stoere taal van eerder was leugenachtig (alleen bedoeld om er politiek voordeel mee te halen) en de vrome beloften van nu zijn waarachtig. Welk geval het ook is, beide PVV-bewindspersonen zijn leugenachtig.” Bij deze conclusie die Frank Kalshoven in de Volkskrant trekt, sluit ik me van harte aan.


[1] Een achtergehouden nota door de IND over gestapelde nareizen van vluchtelingen, Ongeveer 2 uur en 36 minuten ver in het debat.

De kip met de gouden, rotte eieren

“Wilders moet van de PVV nu een volwaardige politieke partij maken met een eigen verhaal.” De titel van een artikel van Bart Jan Spruyt bij Wynia’s Week. Een partij met een consistente visie, een organisatie met leden en vergaderingen en een wetenschappelijk instituut. Een bijzonder betoog.

Wilders zou dit, volgens Spruyt, om twee redenen moeten doen: “In de eerste plaats omdat, als het goed is, de partij er niet voor hem is maar hij voor de partij. Wilders is inmiddels een zestiger en kan dus nog één of twee rondes mee. Dat vraagt van hem om niet alleen zijn opvolging te regelen maar ook een stabiele partij na te laten die na zijn vertrek verder kan.” En als tweede; “omdat iedere politieke partij weliswaar populistisch begint maar daarna iets van een ideologische bedding moet vinden. Iedere nieuwe partij moet een kloof blootleggen, aantonen waarom een bepaald deel van de bevolking niet in het parlement wordt gerepresenteerd en daarmee uitleggen waarom zij als nieuwe partij nodig is.” De PVV is een eenmanspartij en dat heeft één duidelijke reden. Wilders is er niet voor die partij maar die partij is er voor Wilders.

Het vehikel PVV is er voor Wilders en voor Wilders alleen. Een partij met leden en vergaderingen daar gaat Wilders nooit aan beginnen. Dat laat Tom-Jan Meeus duidelijk zien in Duidelijkheid. Wilders: “vreest zijn eigen wantrouwen” aldus Meeus naar aanleiding van een mogelijke opstand tegen hem in 2013 waarover de NRC berichtte. Meeus citeert vervolgens uit Wilders’ correspondentie: “De inhoud van het artikel overleven we wel hoor. Het ergste is dat die journalist niet alles verzonnen heeft en met mensen heeft gesproken. Dat vind ik het ergste althans. Niet weten wie je wel en niet kan vertrouwen. Ik haat mensen die paranoïde zijn -zoals veel Arabieren die het combineren met conspiracy theorieën- en wil het zelf niet worden.[1]

Ideologische inbedding komt er ook niet. Dat betekent dat je visie en ideeën moet hebben en die moet vertalen in ambitieuze maar wel haalbare voorstellen voor beleid. Ideologische inbedding betekent dat er een einde komt aan het succesmodel van Wilders. Dat model is op basis van opiniepeilingen feitenvrij iets roepen wat stemmen oplevert. Ideologische inbedding betekent dat je de democratie omarmt. En de democratie omarmen is, zo laat Tim Fransen goed zien in zijn boek In onze tijd. Leven in het calamiteitperk¸ veelmeer dan verkiezingen. Een democratie: “vraagt om inspanningen van haar burgers. Dat is haar zwakke plek,” zo betoogt Fransen terecht en vervolgt: “Slechts wanneer die inspanning aanwezig is , wordt democratie een kracht. Ons netjes aan de wet houden is niet genoeg. Een samenleving die voornamelijk bestaat uit burgers die zich bekommeren om hun, cryptowallet, nooit een krant open slaan, genoegen nemen met desinformatie die de sociale media voorschotelt, en die zich meer betrokken voelen bij de series die ze kijken dan bij de maatschappij waarin ze leven, is weinig weerbaar.[2]Hieraan werken betekent het einde van het Wilders’ verdien model.

Hieraan werken betekent dat Wilders tegen zijn kiezers moet zeggen dat ze zelf deel van het probleem en de oplossing zijn. Want “In een gezonde democratie zou de burgersamenleving- de civil society – het hart moeten zijn. Het publieke domein is dat wat ons als privé persoon verbindt aan het politieke… . De burgersamenleving is met andere woorden nodig om te voorkomen dat ‘de politiek’ verwordt tot een vreemde macht die tegenover ons komt te staan,[3] aldus Franssen.  Dat: “Als we het over politiek hebben,” er meer bedoeld wordt dan: “‘de overheid’ of ‘de politici in Den Haag’[4]Dat als we het overpolitiek hebben: “we accepteren dat we met z’n allen eindverantwoordelijk zijn -hét cruciale uitgangspunt van democratisch zelfbestuur.[5] In zo’n samenleving heeft men geen behoefte aan een Wilders. Aan een ‘sterke leider’ die ‘zegt wat hij doet en doet wat hij zegt’ om een voorloper van Wilders aan te halen.

Dan moet Wilders gaan uitleggen dat vrijheid iets anders is dan ‘op vakantie naar waar je wil’, kiezen en zestig uit soorten boter. Iets anders dan doen wat je wilt. Dan moet hij uitleggen dat vrijheid verantwoordelijkheid betekent. Verantwoordelijkheid voor jezelf maar vooral ook voor anderen op deze wereld. Dat we samen verantwoordelijk zijn vooronze samenleving. Dat we, zoals Franssen schrijft, ons moeten: “realiseren dat we in hetzelfde schuitje zitten. (Of voor wie meer pessimistisch is aangelegd: hetzelfde zinkende schip.)” en niet, omdat: “In onze samenleving (…) de nadruk op individuele vrijheid goeddeels te (lijkt) zijn omgeslagen in maatschappelijke onverschilligheid. … in ons eigen bootje.[6] Dan zou Wilders de kip die zijn gouden, en voor de samenleving als geheel rotte eieren legt, slachten.


[1] Tom-Jan-Meeus, Duidelijkheid, pagina 12

[2] Tim Fransen, In onze tijd. Leven in het calamiteitperk, pagina187

[3] Idem pagina 222

[4] Idem, pagina 220

[5] Idem, pagina 225

[6] Idem, pagina 185

Vergeef hen, ze weten niet wat ze wensen

Een derde van de jongeren in Nederland en Europa vindt een dictator geen probleem. Jongeren vinden democratie niet belangrijk en autoritaire bestuursmodellen aantrekkelijk omdat die, in tegenstelling tot een democratie, snel resultaten bereiken. Zo bleek uit een reportage van de NOS. “Moeten leiders wel gekozen worden?” een vraag die in de reportage wordt gesteld: “het liefst wel gekozen. Maar stel het gaat helemaal mis dan is dat wel een optie,” aldus een jongere in de reportage. Ik ben in het geheel niet  bijbels maar Lucas 23:34 schoot mij te binnen: “Vader, vergeef het hun. Want ze weten niet wat ze doen.” Nou ja, de uitspraak schoot mij te binnen, dat het uit het boek Lucas kwam, moest ik opzoeken. Die uitspraak maar dan iets aangepast: ‘Vergeef hen, want ze weten niet wat ze wensen.’

Twee dictators. Bron: courses.lumenlearning.com

“Ik zou deze jongeren willen adviseren: ga eens een jaartje wonen in Noord-Korea, Rusland of China, maar wel op de manier zoals je dat nu gewend bent,” adviseert Teun van de Wardt de jongeren in een ingezonden brief in de Volkskrant. Dat zou helpen maar wellicht is een reis naar Noord-Korea niet nodig. Ja, een dictator kan snel handelen, want hij hoeft nergens rekening mee te houden. De wil van de dictator is immers wet. Dat schiet dus lekker op. Bijzonder prettig voor mensen die willen wat de dictator wil. Als die geen migranten wil, dan worden de grenzen gesloten en komt er geen migrant binnen. Als die dictator wil dat er alleen maar elektrische auto’s rijden, dan gebeurt dat. Een dictator is mooi als die wil wat jij wilt. Als al die jongeren die een dictatuur geen probleem vinden eens het volgende gedachte-experiment zouden doen: stel je voor dat een persoon als dictator die precies het tegenovergestelde zou doen van wat jij wil dat er gebeurt?

In de reportage is een stuk van een toespraak van FvD-leider Baudet te zien. Baudet: “De minst vrije staatsvorm is een democratie. Want je maakt toch niet uit. De ene vent wil een paar jaar macht. Dan de andere. Je manipuleert die verkiezingen. Geen enkel probleem. Dan heb je controle. Over democratieën kun je controle uitoefenen.”  Baudet hoeven we niet te vergeven want hij weet beter. Hij weet dat hij met de woorden die hij spreekt een dictatuur beschrijft. Vervang in zijn uitspraak democratie door dictatuur en je hebt een perfecte beschrijving van de manier waarop Poetin al vijfentwintig jaar aan de macht is. Bijzonder dat een leider van een partij die zich Forum voor Democratie noemt, pleit  tegen de democratie. Daarmee hebben we in Nederland naast de eenmansPartij Voor de Vrijheid die vooral pleit voor vrijheidsbeperking, een partij met democratie in haar naam die pleit voor dictatuur en zich dus beter Forum voor Dictatuur kunnen noemen.

In een democratie kun je wel macht willen, maar of, en zo ja hoeveel macht je krijgt, hangt toch echt af van hoeveel mensen er op je stemmen. En in de Nederlandse democratie vervolgens ook nog hoeveel mensen er op andere partijen stemden. Net als Wilders wilde Timmermans macht. Door de verkiezingen kreeg Wilders meer macht dan Timmermans. Maar als partijen zich anders hadden opgesteld, dan had dat wel eens omgekeerd kunnen zijn. In een democratie kun je regeringen die, om de jongere uit de reportage aan te halen, leiders die het ‘helemaal mis laten gaan’, wegstemmen. Een dictator die er een zooitje van maakt, is veel lastiger weg te krijgen. Die stopt je, al dan niet via een (schijn)proces in een gevangenis of kamp. Of erger, laat je executeren.

Het eeuwige nu

Kernenergie: niet nodig , niet slim en niet te betalen, zo luidt de titel van een artikel van Jesse Frederik bij De Correspondent. In het artikel legt hij uit waarom hij vindt dat het bouwen van vier nieuwe kerncentrales geen goede keuze is. De titel van het artikel bevat heel in het kort zijn argumenten. Het gaat mij nu niet om al dan niet kerncentrales te bouwen en de argumenten van Frederik ertegen. Het gaat mij om een reactie die hij gaf op een bijdrage van een lezer die zich zorgen maakte over het kernafval omdat het zo’n 20.000 jaar duurt voordat het spul weer een beetje veilig is. Frederik: “ik maak me daar om eerlijk te zijn wat minder zorgen over. In Finland gaan ze het kernafval heel diep onder de grond stoppen in stabiele aardlagen, daar zie ik eigenlijk niet zo’n probleem mee, anders dan dat het – wederom – gruwelijk duur is.” Daar zie ik dan weer wel een probleem.

Het probleem dat ik zie heeft te maken met wat ik het eeuwige nu, noem. Wij leven nu, in het heden. Dat heden is voor ons: “belangrijker en bijzonderder dan alles wat in het verdere verleden was en ook belangrijker dan alles wat in de verre toekomst zal zijn,” zo schreef ik enkele jaren geleden in een prikker. En vervolgde met: “Een mens die leefde in 1438 vond waarschijnlijk ook dat het toenmalige heden de meest belangrijke en bijzondere periode was. Een mens die in 2238 leeft, zal dat waarschijnlijk ook vinden van de jaren dertig van de 23ste eeuw. Ook zij vinden de periode waarin zij leven de belangrijkste periode uit de geschiedenis van de mensheid. Een tijd die ze, zoals velen nu doen, omschrijven als de meest dynamische waarin de ontwikkelingen elkaar in een razend tempo opvolgen.”

Het nu bepaalt voor een belangrijk deel hoe wij naar het verleden en de toekomst kijken. Neem Rutger Bregman. Die stelde een jaar of twee geleden in een artikel in hetzelfde medium de vraag: “hoe is het mogelijk dat zo lang, zo weinig mensen in opstand kwamen tegen de slavernij?” Met onze ogen inderdaad bijzonder dat er zo weinig mensen protesteerden tegen slavernij en de trans-Atlantische slavenhandel. Als je die vraag twee eeuwen geleden stelde, dan had 90% van de mensen je aangekeken alsof ze water zagen branden. Het gros van de mensen leefde toen in omstandigheden die niet zoveel van slavernij verschilde en was ongeletterd.

Frederiks uitspraak verplaatst het eeuwige nu naar de toekomst. We stoppen het kernafval onder de grond, zetten er waarschuwingsborden bij en zorgen voor goede overheidscontrole. 20.000 jaar, dat zijn 800 generaties. Dat zijn de kinderen van de kinderen van …. en dat 800 keer. Dat is heel ver weg in de tijd. Net zo ver als de tijd van de ouders van onze ouders … en dat 800 keer. Die voorouders leefden nog in de tot nu toe laatste ijstijd, het Weichselien genoemd. Die voorouders leefden als jager-verzamelaars. Aan die ijstijd kwam zo’n 12.000 jaar geleden na 115.000 jaar een einde. Na het einde van die ijstijd gingen onze voorouders langzaam over op de landbouw, de zogenaamde neolithische of eerste agrarische revolutie. De Van Dale definieert revolutie als een: “plotselinge verandering in de bestaande toestand; algehele ommekeer,” en geeft erachter als voorbeeld de industriële revolutie en de wetenschappelijke revolutie. Die laatste duurde twee eeuwen, de 17e en 18e, de eerste voltrok zich binnen een eeuw. Allebei al niet erg plotseling maar vergeleken bij de neolithische was dat toch erg ‘plotseling’ die duurde een paar duizend jaar.

Betrouwbare regeringen waar je als burger op kunt vertrouwen en die je zelf kunt kiezen, zijn van nog recentere datum. In 1922 konden in Nederland voor het eest mannen en vrouwen gaan stemmen. Als ze tenminste 25 jaar of ouder waren. En als we terugkijken dan zien we dat rijken opkomen, floreren en weer vergaan. De Romeinen deden dat in bijna duizend jaar, het Britse rijk ‘where the sun never set’ in minder dan tweehonderd jaar en is, om The Pogues en hun lied Navigator  aan te halen: “now deep in darkness but the railway is there yet.” Betrouwbare democratische gekozen regeringen zijn geen gegeven. Het zijn eerder uitzonderingen op de regel.

Hoe onze voorouders 20.000 jaar geleden over het leven dachten, daarvan weten we bijna niets. We hebben wat voorwerpen gevonden en enkele wandschilderingen en op basis daarvan en van bestudering van mensen die nog als jager-verzamelaar leven, proberen we ons een beeld te vormen van het leven toen. Zo’n 5.000 jaar geleden begonnen mensen in wat we nu Egypte noemen, piramides te bouwen. Ze staan er nog steeds maar hoe ze precies werden gebouwd, weten we niet meer. Neem  Stonehenge. Hoe het is gebouwd weten we niet en we weten zelfs niet met welk doel. Van de hiërogliefen in de piramides weten we inmiddels wat ze betekenen. Dat geldt ook voor het spijkerschrift, Orakelbotschrift en het Lineair B. Het Lineair A, het Rongorono en het Espanca is nog steeds een groot raadsel.

“Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (e)nda thu uuat unbidan uue nu,” schreef een West-Vlaamse kopiist aan het einde van de elfde eeuw. Een van de oudst gevonden teksten in het Oudnederlands: “’Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op?” Had u dit, zonder deze vertaling erbij, erin gelezen? Het einde van de elfde eeuw is nu bijna 1.000 jaar en dus 40 generaties geleden. Zouden onze nazaten 40 generaties verder nog kunnen lezen wat wij nu schrijven? Zouden ze onze pictogrammen zoals dat voor radioactief afval begrijpen? Of zouden zij, net zoals wij doen bij een opgraving uit de Middeleeuwen, nieuwsgierig ieder stukje materiaal voorzichtig afborstelen en in een museum leggen. Of wellicht wordt ons afval door hen verwerkt in iets. Of ze weet hebben van het gevaar dat ze lopen?

‘Maar er is toch veel meer informatie. Al die boeken en al die informatie op het internet. Daarvan zal toch wel iets blijven?’ Een goede vraag. Inderdaad zal daarvan wel iets blijven, maar weten we dan hoe we het moeten interpreteren? Een harde schijf kan veel informatie bevatten, maar je moet wel iets hebben om die informatie eraf te halen. Wellicht vinden onze verre nazaten allebei, maar weten ze dan dat het ene gebruikt moet worden om de informatie van het ander te halen? De ‘cloud’ bevat nog veel meer informatie van een harde schijf, maar juist die ‘cloud’ kun je niet vinden. Die is virtueel. Nee dan geef ik het boek nog de meeste kans om door onze nazaten begrepen te worden. Maar zelfs als onze verre nazate als door een wonder onze ‘cloud’ af weten te tappen, dan nog is de vraag wat ze met al die informatie kunnen. Wij hebben al moeite om digitale feiten van fictie te scheiden. Laat staan over duizend jaar. Over duizend jaar als kernenergie wellicht een technologie is die al achthonderd jaar niet meer wordt gebruikt. Dan is het zelfs lastig om een bouwplan van zo’n centrale te begrijpen.

Die stabiele onderaardse lagen zijn wellicht veilig. Maar of het afval er de komende 20.000 jaar veilig ligt?

Schoof ziet het verkeerd

Eén en één is twee. Dat weet iedereen. Maar wat als een kwart van de mensen beweert dat het drie is? Keuren we dat antwoord dan goed? Natuurlijk niet. De corrector zet een dikke rode streep door het antwoord. Het zou wat zijn als ook drie werd goed gerekend omdat een kwart van de mensen dat antwoord gaf. Dit goed rekenen kan leiden tot grote ongelukken. Tot constructiefouten in gebouwen waardoor ze instorten. Tot een lege tank benzine terwijl je nog een derde van afstand moet afleggen. Hier moest ik aan denken toen ik hoorde dat Dick Schoof, de beoogd premier van dit land, in een interview met de Groene Amsterdammer het volgende heeft gezegd:“ En het is natuurlijk niet zo dat als een kwart van de mensen op de PVV stemt, dat dan ineens een kwart het verkeerd heeft gezien.”

Driekwart heeft anders gestemd. Die driekwart stemde in meer of mindere mate op allemaal verschillende partijen van Groen Links/PvdA tot Jesus Leeft en van DENK tot SGP. Heeft die driekwart het dan ‘verkeerd’ gezien? Of slechts een deel van hen? Als maar 10% op de PVV had gestemd was het dan wel ‘verkeerd’? Wie heeft het dan verkeerd gezien? Of beter gezegd, wie bepaalt wat ‘verkeerd’ is en wat niet en dus goed is gezien?

Je kunt vinden dat er teveel migranten naar ons land komen en dat daar wat aan gedaan moet worden. Dat het ‘verkeerd’ is dat er zoveel mensen ons land binnenkomen. Om minder migratie te bereiken mag je op een partij stemmen die de grenzen voor migranten wil sluiten. Dat mag en is niet ‘verkeerd’. Een ander mag dat niet vinden en dat is ook niet ‘verkeerd.’ Verschillende opvattingen hierover zijn niet ‘verkeerd’, die zijn eigen aan een samenleving en zeker aan een democratische samenleving. We mogen van mening verschillen. Wie het ‘verkeerd’ heeft gezien is een morele vraag. Op dergelijke vragen zijn verschillende antwoorden mogelijk.

In tegenstelling tot Schoof ben ik van mening dat die kwart die op de PVV stemde het moreel gezien wel verkeerd heeft gezien. Om welke redenen ze ook op de eenmanspartij van Wilders hebben gestemd, doet er daarbij niet toe. Wat ertoe doet is dat Wilders zaagt aan de wortels van onze democratische rechtsstaat. Dat er een ‘basislijn van grondrechten’ moest worden afgesproken zegt al voldoende. Die basislijn ligt namelijk vast in de eerste artikelen van onze grondwet: gelijke behandeling, niet discrimineren, vrije meningsuiting, de vrijheid van levensovertuiging (inclusief godsdienst). Een partij die hieraan morrelt, is verkeerd. Mensen die op zo’n partij stemmen zien het verkeerd. Welke grieven je ook hebt, waar je ook ontevreden over bent en hoe slecht je je ook behandeld voelt dat is allemaal geen reden om te stemmen op een partij die aan de grondrechten morrelt.

Zoals ik al eerder schreef: “Een zichzelf respecterende democratische politieke partij gaat niet in gesprek over een “gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat”. Een zichzelf respecterende politieke partij die handhaaft die basislijn en doet voorstellen om die basis daar waar nodig geacht te verhogen.” Helaas zijn er drie partijen die dat wel hebben gedaan. Vindt de overgrote meerderheid van de achterbannen van deze partijen dat ‘niet verkeerd’ en lijkt een meerderheid van de Nederlandse bevolking, als ik de opiniepeilingen mag geloven het ‘niet verkeerd’ te vinden. En nu is er dus een beoogd premier, Dick Schoof, die dit ook ‘niet verkeerd’ vindt. Het lijkt erop dat er is gebeurd waar John Stuart Mill in zijn boek Over Vrijheid voor waarschuwde, en dat is dat: “de opvattingen van de massa … de heersende macht zijn geworden.”   Volgens Mill moeten: “Juist in deze omstandigheden  (…) Uitzonderlijke personen niet afgeschrikt maar aangemoedigd worden om anders te handelen dan de massa.” Helaas is dat maar zeer beperkt het geval en maakt de: ”tirannie van de publieke opinie van excentriciteit een verwijt.” Spreek je de massa met argumenten tegen dan wordt er op je persoon gespeeld en ben je ‘zuur’. “Dat nu maar zo weinig mensen excentriek durven zijn, tekent het grootste gevaar voor onze tijd,[1] schreef Mill in 1859 over zijn tijd en dat lijkt nu ook weer voor onze tijd te gelden.

Ik zie het anders. De PVV-stemmers zien het verkeerd, de VVD, NSC en BBB zien het verkeerd, de hen steunende achterbannen zien het verkeerd en Dick Schoof ziet het ook verkeerd. De weg die de VVD, BBB en NSC zijn ingeslagen is moreel gezien de verkeerde: je onderhandelt niet met een partij die grondrechten wil schenden. Wat er vervolgens ook uit die onderhandelingen voortkomt, doet er niet toe. Het is gebouwd op een verkeerde basis.


[1] John Stuart Mill, Over vrijheid Uitgeverij Boom 2009, pagina 115-116

Vrijheid van meningsuiting en de VVD

(C)onstaterende dat er een verontrustende stijging van antisemitische incidenten in Nederland plaatsvindt; overwegende dat de context van de uitdrukking «from the river to the sea» rechtstreeks uit het handvest van Hamas komt en een oproep tot geweld tegen alle Joden wereldwijd inhoudt; verzoekt de regering om de uitdrukking «from the river to the sea» als een oproep tot geweld te beschouwen.” Zo luidt een motie die de Kamer heeft aangenomen. De motie werd ingediend door kamerlid Boon (PVV) en ondersteund door zijn eigen partij en de partijen BBB, ChristenUnie, SGP en VVD.  Een zeer bijzondere en ook schadelijke motie.

Eretz Israël. Bron: Wikipedia

Als het in het handvest van Hamas staat, dan moet het wel fout zijn. Laten we eens kijken wat er in dat Handvest (versie 2017) staat. Punt 2 luidt: “Palestina, dat zich uitstrekt van de rivier de Jordaan in het oosten tot de Middellandse Zee in het westen en van Ras Al-Naqurah (grens met Libanon) in het noorden tot Umm Al-Rashrash (Eilat) in het zuiden, is een integrale territoriale eenheid. Het is het land en de thuisbasis van het Palestijnse volk. De verdrijving en verbanning van het Palestijnse volk uit hun land en de vestiging van de zionistische entiteit daarin doen het recht van het Palestijnse volk op hun hele land niet teniet en verankeren daarin geen enkel recht voor de zich toe-eigenende zionistische entiteit.” Met zionistische identiteit wordt de staat Israël bedoeld. Die passage wordt gevolgd door punt 3: “Palestina is een Arabisch Islamitisch land. Het is een gezegend heilig land dat een speciale plaats inneemt in het hart van elke Arabier en elke moslim.” Hier beschrijft Hamas wat zij onder Palestina verstaan en betitelen het land als Arabisch, Islamitisch. En iets verder in het Handvest, punt 20,  lezen we: “Hamas gelooft dat geen enkel deel van het land Palestina in gevaar mag worden gebracht of zal worden opgegeven, ongeacht de oorzaken, de omstandigheden en de druk en ongeacht hoe lang de bezetting duurt. Hamas verwerpt elk alternatief voor de volledige bevrijding van Palestina, van de rivier tot de zee.” De leus staat er niet letterlijk in maar is een ‘vertaling’ van dit punt. Voor Hamas is Palestina bezet en verklaart, punt 25, dat: “Het verzet tegen de bezetting met alle middelen en methoden is een legitiem recht dat wordt gegarandeerd door goddelijke wetten en door internationale normen en wetten. De kern hiervan ligt (in) gewapend verzet, dat wordt beschouwd als de strategische keuze om de principes en de rechten van het Palestijnse volk te beschermen.”

Hamas betoogt dat de Palestijnen een volk zijn en geeft aan welk gebied het volk als haar thuisland ziet en constateert dat een deel van dat gebied is bezet. Hamas beroep zich hierbij op VN-resolutie 1514 met als titel Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volkeren van de 14 december 1960. Die resolutie stelt dat: “De onderwerping van volkeren aan buitenlandse onderwerping, overheersing en uitbuiting (…) een ontkenning (vormt) van fundamentele mensenrechten,” en: “in strijd (is) met het Handvest van de Verenigde Naties en (…) de bevordering van wereldvrede en samenwerking in de weg(staat).” En vervolgt met: “Alle volkeren hebben het recht op zelfbeschikking; op grond van dat recht bepalen zij in vrijheid hun politieke status en streven zij in vrijheid hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na.” Dat het een legitiem recht is van een volk om zich ook met geweld tegen een bezetter te verzetten, zal door weinigen worden bestreden.

Terreur is een middel dat binnen die regels past, terreur als (Van Dale)‘georganiseerd politiek geweld’. Terreur is een methode om de strijd aan te gaan. Een methode die niet zoveel verschilt van guerrilla, een gewapend conflict waarbij ongeregelde strijders een reguliere krijgsmacht trachten te ontregelen en uit te putten. Waarbij ze vanwege het verschil in vuurkracht een rechtstreekse confrontatie zoveel mogelijk vermijden. Dat verzet en dus die terreur, moet wel plaatshebben binnen de regels van het oorlogsrecht.  Die regels werden op 7 oktober 2023 geschonden aldus de aanklager van het Internationaal strafhof.

Of betogen Boon en zijn collega’s die deze motie aannamen dat het Palestijnse volk, net zoals Poetin over de Oekraïners beweert, niet bestaat? Dat het Palestijnse volk een ‘verzinsel’ is? Volgens de Van Dale is een volk een: “historisch gegroeide gemeenschap van erfelijk verwante mensen met min of meer gelijke taal en gewoonten.”  Een volk is vooral een volk als het zelf vindt dat het een volk is. Die VN resolutie geldt voor volkeren en als de Palestijnen geen volk zijn, dan is die op hen niet van toepassing. Als ze geen volk zijn wat zijn het dan? Het zijn in ieder geval mensen die als tweede- of nog minderrangs worden behandeld door een overheid. De Van Dale geeft nog een tweede betekenis van volk die hierop duidt: “de gezamenlijke bewoners van een staat”.  Ook in dat geval kunnen ze in verzet komen tegen de machthebbers, al dan niet gewapend en daartoe oproepen. “Het is aan ieder bekend dat een vorst, als dienaar van God, geacht wordt zijn onderdanen te beschermen tegen alle onrecht, overlast en geweld, zoals een herder zijn schapen beschermt. De onderdanen zijn niet door God geschapen om de vorst in alles wat hij beveelt onderdanig te zijn en hem als slaven te dienen. De vorst regeert bij de gratie van zijn onderdanen en moet met recht en reden over hen regeren, hen beschermen en liefhebben zoals een vader zijn kinderen liefheeft en zoals een herder met hart en ziel zijn schapen beschermt. Als een vorst zijn plichten niet nakomt, maar, in plaats van zijn onderdanen te beschermen, hen probeert te onderdrukken als slaven, dan is hij geen vorst, maar een tiran. In dat geval mogen zijn onderdanen, na beraadslaging in de Staten-Generaal, hem afzweren en een andere leider kiezen. Dit recht hebben zij te meer als ze hun vorst niet met vreedzame middelen van zijn tirannieke neigingen hebben kunnen genezen. In dat geval hebben ze geen andere middelen om hun natuurlijke vrijheid, waarvoor men zich met hart en ziel dient in te zetten, veilig te stellen. Daarvan zijn diverse voorbeelden bekend uit andere landen en andere tijden.” Aldus het Plakkaat van Verlatinghe waarmee Spaanse koning werd afgezet. De geschiedenis kent meer van dit soort ‘plakkaten’. De opstellers beriepen zich op het natuurlijke recht van onderdanen om zich tegen tirannie te verzetten. Als onze voorvaderen zich het recht toe-eigenden om zich tegen tirannie te verzetten, mogen andere inwoners van een staat dat dan niet ook doen?

Met de aangenomen motie betoogt de Kamer dat een bezet volk niet mag oproepen tot geweld tegen een bezetter. Nu kun je je afvragen of Hamas namens het Palestijnse volk spreekt maar dat is iets wat je je van iedere bevrijdingsbeweging en zelfs van iedere politieke partij, ook in Nederland, kunt afvragen. Hamas is trouwens niet de ‘uitvinder’ van de leus. De PLO maakte er al gebruik van bij haar ontstaan in de jaren zestig van de vorige eeuw. De leus is een spiegel van de zionistische concept Eretz Israel waar de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring mee begint. Eretz Israel is het concept dat God aan Abraham, de aartsvader van de joden, het land Kanaän heeft toegezegd. Trouwens die Israëlische onafhankelijkheidsverklaring en de handelswijze van de successievelijke Israëlische regeringen vertonen overeenkomsten met de beginselverklaring en de handelswijze van Hamas. Daar waar Hamas de Arabische gemeenschap om steun vraagt, wordt in de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring de steun gevraagd van de joodse diaspora. Steun bij: “de taken van immigratie en opbouw en hen bij te staan in de grote strijd voor de verwezenlijking van de eeuwenoude droom – de verlossing van Israël.”

Twee verklaringen, de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring en het Handvest van Hamas die inhoudelijk overeenkomen. Twee verklaringen van twee volken die op basis van natuurlijke en historische rechten aanspraak maken op eenzelfde gebied. De een ziet het als een joodse staat, de andere als een islamitisch Palestijnse. Van die natuurlijke en historische rechten kun je van alles vinden maar dat verandert niets aan het feit dat beide groepen zich erop beroepen en dat ze beiden aanspraak maken op hetzelfde stuk land.

Er is meer. Dat meer betreft Nederland. “Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.” Het eerste lid van artikel 7 van de Nederlandse Grondwet. Dat wordt gevolgd door een tweede lid dat aangeeft dat dit ook voor radio- en televisie-uitzendingen geldt en door een derde lid dat het veralgemeniseert: “Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Dit artikel regelt onze vrijheid van meningsuiting. Als de strekking van deze motie door de regering wordt overgenomen en de leus strafbaar wordt gesteld, dan wordt de vrijheid van meningsuiting in Nederland beperkt. Dan bepaalt de wetgever wat iemand met woorden bedoeld. Dan wordt één interpretatie van een uitspraak tot ‘wet’ verheven. Dan gaat de toevallige politieke waan van de dag het woordenboek bepalen Dat is een weg die we niet op moeten willen gaan. Dat is een weg die de vrijheid van meningsuiting beperkt.

Het meest wrange hierbij is dat de motie werd gesteund door twee partijen die vrijheid in hun naam dragen. De ene partij, de PVV, gebruikt vrijheid als een schaamlap. Ze gebruikt vrijheid maar wil vooral verbieden en beperken wat haar niet bevalt. De andere, is de van oorsprong liberale partij de VVD. Een partij die zichzelf liberaal noemt, wat betekent dat zij: “een samenleving met zo veel mogelijk vrijheid voor mensen willen.” Een partij met vrijheid als eerste van haar vijf kernwaardes. Een partij waarvoor vrijheid betekent dat: “Ieder mens (…) recht (heeft) op een zo groot mogelijke vrijheid. Dat betekent dat je je leven mag leiden zoals je dat zelf wilt. Vrijheid is onmisbaar om jezelf te ontwikkelen en het beste uit jezelf te halen. De persoonlijke vrijheid wordt daarom alleen begrensd als je de vrijheid van een ander schaadt. Daarnaast moeten we rekening houden met toekomstige generaties.” En die dat toelicht met drie voorbeelden waarvan het eerste hier relevant is: “Je mening kunnen geven zonder gearresteerd te worden.” Met het aannemen van deze motie heeft de partij haar ‘liberale veren’ afgeschud en is ze verworden tot een bekrompen conservatieve partij.

Don Quichot

Als ik Wilders mag geloven dan ‘gaat de zon weer schijnen’ in Nederland. Dit vertelde hij tijdens de presentatie van het hoofdlijnenakkoord HOOP, LEF EN TROTS . Ja, de titel is net als bijna alles wat Wilders twittert, of heet dat tegenwoordig xt, geschreven in kapitalen. Hij lijkt zich niet te realiseren dat als je overal de nadruk oplegt, en dat doe je door woorden met kapitalen te schrijven, je niets benadrukt. Nu heeft het de afgelopen jaren niet ontbroken aan zonneschijn, maar echt zonlicht zal Wilders niet hebben bedoeld. Hij zal hebben bedoeld dat we na eerst tien jaar Paars en de, om Fortuyn aan te halen, puinhopen die dat meebracht, vervolgens acht jaar een bak ellende met Balkenende, gevolg door veertien jaar rommel van Rutte er eindelijk een goed plan voor het land ligt. Ik moest denken aan Don Quichot bij de presentatie van het akkoord en de woorden die de vier leiders van de partijen erover spraken.

Don Quixote and Sancho Pansa, door Jacques Lagniet. Bron: wikigallery.org

Don Quichot, de hoofdpersoon uit de roman van Miguel de Cervantes geschreven in het begin van de zeventiende eeuw. Don Quichot is eigenlijk geen Don (hoge adel) maar een hidalgo, iemand van de laagste adel. Hij heet ook geen Quichot maar Alonso Quijano en is zijn verstand kwijt geraakt en beeldt zich in een dolende ridder te zijn: Don Quichot. Een dolende ridder die op zijn strijdpaard Rocinant door Spanje dwaalt en strijd tegen allerlei vormen van onrechtvaardigheid en onrecht. Hierdoor hoopt hij in de gunst te komen bij zijn geliefde de prinses Dulcinea  Nu is dat strijdpaard een afgesleten boerenknol en Dulcinea een eenvoudige boerendochter. Ook bestrijdt hij geen onrecht maar vecht hij tegen windmolens die hij aanziet voor reuzen en tegen kuddes schapen die hij voor legers houdt. Tijdens zijn tocht wordt hij begeleid door Sancho Panza, zijn buurman en dienaar, een eenvoudige boer. Sancho is niet dom en weet dat zijn meester meer dan een steekje los heeft zitten maar vergezelt hem toch omdat hij hoopt dat de grote beloning die hem in het vooruitzicht is gesteld, werkelijkheid wordt.

Ik moest aan Don Quichot denken omdat het een allegorie en een parodie is. Een allegorie is een, zoals de Van Dale het omschrijft: “symbolische voorstelling, samenhangende reeks beelden uit één gebied die dient om een samenhangende reeks gedachten op een ander gebied uit te drukken.” Een parodie is, volgens dezelfde Van Dale een: “grappige nabootsing om iets bespottelijk te maken.”  Cervantes gebruikt de hoofse ridderroman juist om het ridderlijke leven te bekritiseren en te bespotten. De vier partijen gebruiken de ‘samenhangende reeks beelden’ van een coalitieakkoord en drukken er iets heel anders mee uit. Ze bespotten de werkelijkheid ermee. In tegenstelling tot de Don Quichot van Cervantes kent dit verhaal twee dolende ridders.

Als eerste vecht ridder Wilders tegen een ‘leger van vijandige asielzoekers’. Cijfers aandragen dat Nederland een beneden gemiddeld land is in Europa voor wat betreft de opvang van asielzoekers, worden genegeerd. In dit gevecht worden de beginselen van de rechtsstaat geweld aangedaan met plannen om de bewijslast om te draaien waardoor de asielzoeker moet aantonen recht te hebben op asiel en de staat niet hoeft aan te tonen dat iemand geen recht heeft op asiel. Een gevaarlijke omkering. Ons rechtsstelsel piept en kraakt immers ook en door het omkeren van de bewijslast kan die worden vlotgetrokken. Het zou heel wat tijd en geld hebben gescheeld als Ridouan T. zijn onschuld had moeten aantonen en niet het Openbaar Ministerie zijn schuld. Bij dat aantonen van zijn recht hoeft de asielzoeker niet te rekenen op rechtsbijstand, want die wordt zoveel mogelijk beperkt en je kunt nog maar één keer naar de rechter, hoger beroep is niet mogelijk. Ook wordt de termijn waarbinnen je beroep kunt aantekenen verkort. Daar komt nog bij dat het begrip veilig land wordt verruimd en zelfs zo dat ook delen van landen veilig kunnen worden verklaard. De partijen begeven zich op een hellend vlak om een niet bestaand ‘leger van vijandige asielzoekers’ te bestrijden[1]. Hiermee is niet gezegd dat er geen problemen zijn in de asielketen. Die zijn er zeker. Alleen liggen ze veeleer bij de door- en uitstroom. Door dertig jaar jojobeleid is er een chronisch tekort aan beslisambtenaren bij de IND waardoor mensen veel langer dan nodig in de opvang zitten. Ook is er door meer dan tien jaar geen volkshuisvestingsbeleid te voeren een gebrek aan woonruimte waardoor statushouders in de opvang moeten blijven omdat er nog geen woonruimte is.

Als tweede  ridder, Donña Van der Plas. “De Nederlandse natuur en ons, door boeren gecreëerde en onderhouden cultuurlandschap is prachtig ,” aldus Van der Plas. Menig planten en dierensoort te land, te lucht en te water denkt daar anders over en ook menig mens kan de  pracht van de eindeloze velden met monotoon Engels raaigras en mais niet waarderen en maakt zich zorgen over de verslechterende natuur en de afnemende waterkwaliteit. Volgens jonkvrouwe moeten we vooral op de landbouwers vertrouwen: “Boeren en tuinders (…) al eeuwen met de bodem, dieren, omgeving en natuur” werken. Iets wat niet kan worden ontkend. Dat wil echter niet zeggen dat de boeren ook weten wat het beste is voor bodem, dier, omgeving en natuur. Zo wil Van der Plas het areaal door nutriënten verontreinigde gebieden terugbrengen. Dat klinkt positief. Hoe de partijen dat willen doen is niet door minder nutriënten aan de bodem toe te voegen maar door: “In plaats van de aanwijzing van heel Nederland als kwetsbaar gebied (komen tot) een aanwijzing per gebied.”  Want: “Dit is belangrijk omdat de norm van 170 kilogram stikstof per hectare uit dierlijke mest alleen geldt in kwetsbare gebieden.” En als je een gebied als niet kwetsbaar aanmerkt dan: “resulteert (dit) in meer plaatsingsruimte voor mest.” Het werken met de omgeving en de natuur door de boeren betekent voor Van der Plas de bodem volgooien met mest. Ook op het land van akkerbouwers want de samenwerking tussen de akkerbouw en veeteelt moet worden gestimuleerd door, zo valt te lezen: “het uitrijden van mest op bouwland met een staand gewas zoals wintertarwe in het voorjaar (toe te staan) zonder inwerkplicht (dat de mest niet gelijk in de grond gewerkt hoeft te worden). Grasland heeft deze inwerkplicht niet.”  Maar waar het eigenlijk om draait: “gelijk beleid zou ook meer mesttoepassingsruimte betekenen.”   Mest heeft de problemen met de natuur en waterkwaliteit veroorzaakt en mest is ook de oplossing voor de jonkvrouwe Van der Plas.[2]

Sancho Panza Omtzigt staat erbij, kijkt ernaar en denkt het zijne van die vreemde ideeën. Hij spreekt de ridders echter niet aan op hun dwaze gedrag. Hem is een ‘goed bestuur’ beloofd een kijkt verlekkerd uit naar die beloning. Dat ‘fatsoenlijk bestuur’ bestaat onder ander uit een soort districtenstelsel, een grondwettelijk hof  en nog wat meer van dat lekkers[3]. Als kenner van de Nederlandse grondwet en het staatsbestel zal hij toch weten dat die beloning zeer onzeker is. Die vraagt om wijziging van de Grondwet. Wellicht lukt hem dat in eerste lezing in de Tweede Kamer. Daarna is echter de Eerste Kamer aan zet. Daar hebben de regeringspartijen 30 zetels en als ze de SGP en Baudet zo ver krijgen, komen ze tot 34. Maar mochten ze dat toch halen, dan moet het voorstel na verkiezingen nogmaals, en nu met tweederde meerderheid door de Tweede Kamer worden vastgesteld. Dat gaat niet lukken. Zeker niet omdat er maar één partij is die hierop zit te wachten en die partij zou na die verkiezingen wel eens buiten de boot kunnen vallen. Dat de plannen van ridder Wilders en jonkvrouwe Van der Plas knellen met fatsoenlijk bestuur waar hij zo’n belang aan hecht, ziet hij, met het oog op dat voorgespiegelde lekkers,  door de vingers

Blijft over de laatste speler in de klucht: Yeşilgöz. Zij vervult met verve de rol van Rocinant. Als ze in de spiegel kijkt ziet ze een prachtige rijzige strijdros die staat voor degelijke overheidsfinanciën en een goed vestigingsklimaat voor bedrijven. Onder het mom van ‘solide overheidsfinanciën accepteert ze dat er wordt gerekend met een fors verlaagde Nederlandse bijdrage aan de Europese Unie zonder dat daar ook maar enig zicht op is. Iets soortgelijks gaat ook op voor de ingeboekte revenuen van de verminderde instroom van asielzoekers waar ridder Wilders op rekent. Ze verheugt zich op de ‘koop’ van vier kerncentrales voor maar 10 miljard in totaal. Dit terwijl de Britten er nu eentje bouwen bij Hinkley Point waarvan de verwachte kosten volgens de bouwer tussen de 31 en 35 miljard Britse ponden bedragen en volgens de BBC zouden de kosten zelfs op kunnen lopen naar 46 miljard pond (bijna € 54 miljard). De prachtige strijdros Rocinant Yeşilgöz blijkt een oude bijna kreupele boerenknol.


[1] HOOP,LEF en TROTS, pagina 3 – 6

[2] Idem, pagina 9 – 12

[3] Idem pagina 176-18