De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
Deze week bleek dat we in Nederland de klimaatdoelen in de Urgenda-zaak niet gaan halen. In die zaak sprak de rechter uit dat de uitstoot van broeikasgassen in 2020 minstens 25% lager moet zijn dan in 1990. Bij Opiniez hekelt Freek van Beetz de rechterlijke bemoeienis met het klimaat. De Fransman Pierre Rosanvallon ziet dat anders. Die ziet, in zijn boek Democratic Legitimacy. Impartiality, Reflexivity, Proximity de rechtspraak als één van de manieren voor mensen om deel te nemen aan de besluitvorming in een samenleving. Of de rechter zich hier al dan niet mee moet bemoeien, daar gaat het mij niet om.
Van Beetz haalt aan dat China in 2017 liefst 119 megaton aan koolstofdioxide uitstoot. “Die 9 (Nederlandse) megaton (Nederlandse) vallen immers in het niet bij de 119 megaton die China in 2017 extra de atmosfeer inblies en toch zou het Nederlandse kabinet extra maatregelen moeten treffen. Extra maatregelen die de burger nog zwaarder dan voorzien zullen belasten en die uiteindelijk – zie alleen al die extra emissie in China – geen zoden aan de dijk zullen zetten.” Een prachtig voorbeeld van het ‘virus van klimaatgekte’ aldus Van Beetz.
Of die kilotonnen van Van Beetz kloppen weet ik niet. Een zoektocht op het Internet levert veel verschillende cijfers. Dat is nu even niet van belang. Voor nu gaat het mij om de redenering van Van Beetz: China stoot veel meer uit dus wat wij doen zet geen zoden aan de dijk. Inderdaad valt die 9 megaton in het niet bij 119 megaton. Dat is ongeveer eendertiende ervan. Een peuleschil dus.
Of een prachtig voorbeeld van appels met peren vergelijken? Appels met peren omdat er iets meer Chinezen zijn dan Nederlanders. De Nederlandse bevolking ter vergelijking is 1,22 procent van de Chinese bevolking. Als we dat een beetje doorrekenen en bekijken hoeveel kilo koolstofdioxide er per Nederlander de lucht in wordt geblazen, dan zijn dat er bijna 530. Per gemiddelde Chinees zijn dat er bijna 86. Dat is slechts eenzesde van wat er per gemiddelde Nederlander in de lucht wordt geslingerd.
Op basis van deze cijfers, kan de Chinees zeggen dat er sprake is van het ‘virus van klimaatgekte’. Want waarom zou de Chinees maatregelen nemen als maatregelen genomen door de gemiddelde Nederlander veel effectiever zijn. Als die teruggaat naar het niveau van de gemiddelde Chinees, dan zou de wereld al flink geholpen zijn. Zeker als de gemiddelde Chinees zijn uitstoot vergelijkt met de echte ‘smeerkezen’, de gemiddelde Amerikaan of bewoner van de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Qatar of Curaçao.
Ja, ons koninkrijksdeel Curaçao. Daar staat immers de Isla raffinaderij en er wonen maar weinig mensen. Zo’n raffinaderij is ook een van de redenen dat de inwoners van de Golfstaten zo’n smeerkezen zijn. Of produceren die fabrieken ook voor de gemiddelde Nederlander en Chinees? Dan kan die Golfstater het probleem ook weer van zich afschuiven. Is afschuiven niet het echte ‘virus van klimaatgekte’?
Met een artikel waarin Johannes Vervloed pleit voor lagere belastingen als aanleiding, schreef ik twee artikelen met als titel de Homo economicus en belastingen. Het laatste artikel eindigde ik met de aankondiging dat in een volgende deel ik op zoek zou gaan naar alternatieven voor de markt.
De economie staat centraal in onze huidige samenleving. Naar mijn mening te centraal. Natuurlijk is de economie belangrijk voor de samenleving maar ze zou meer moeten zijn dan alleen de economie waartoe ze tegenwoordig beperkt lijkt te zijn. Onze samenleving is doordrenkt van de neoliberale kijk op de economie. Dat is niet altijd zo geweest en is ook niet hetzelfde in ieder land of samenleving.
Onze verre voorvaderen, de jagers en verzamelaars wisten niets van een vrije markt. Ze leefden in kleine zelfvoorzienende groepen. Groepen die de buit samen verdeelden en soms, als ze een andere groep tegenkwamen, misschien iets ruilde. Toen onze voorouders zich bedreven in de landbouw, bleven ze met name voor eigen gebruik produceren en ruilden ze spullen met anderen. In hun leven speelde de markt hooguit een heel kleine bescheiden rol.
In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi een onderzoek onder traditionele samenlevingen. Uit dit onderzoek blijkt dat voor het overleven van een samenleving het onderhouden van sociale banden cruciaal is. “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the individual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best .” Volgens Polanyi (pagina 48-49) zijn de wederkerigheid en herverdeling cruciaal voor het voortbestaan van een traditionele samenleving en zijn deze principes niet primair verbonden met de economie. Deze zorgen voor tevredenheid in het dorp of binnen de stam. Wederkerigheid werkt in traditionele samenlevingen volgens Polanyi vooral: “… in regards to the sexsual organisation of society, that is family and kinship”. Herverdeling: “… is maily effective in respect to all those who are under a common chief and is, therefore, of a territorial character.” Wederkerigheid, herverdeling zijn volgens Polanyi, en daarin volg ik hem, nodig om een goed functionerende samenleving te hebben en de markt is niet bij voorbaat het meest passende instrument om hierin te voorzien. Pas via de ruil was de gemeenschap of stam verbonden met andere gemeenschappen. Dit is de manier waarop wij mensen eeuwenlang succesvol hebben ge- en overleefd. Niet door ons eigenbelang na te jagen en er het maximale voor onszelf uit te halen, maar door te geven en daardoor ook te krijgen van elkaar. Dit zowel binnen het huishouden, als binnen de stam, dorp of gemeenschap. Met het groter worden van de sociale verbanden en het toenemen van contacten tussen de sociale verbanden, is ruil steeds belangrijker geworden. En bij ruil neemt de markt een steeds belangrijkere rol in.
Pas aan het einde van de Achttiende eeuw kreeg de markt een steeds grotere rol. Pas toen de gemene gronden, de gronden voor gemeenschappelijk gebruik. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruikmaken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.
Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren. De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele Enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten deze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.
Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang, zoals de populaire theorie van Gareth Hardin. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. De kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven (pagina 37): “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.
Achterhuis en Koning borduren in hun boek De kunst van het vreedzaam vechten voort op het werk van Polyani. In hoofdstuk zestien van dit boek, getiteld De vrede van de markt beschrijven zij zes vormen van toe-eigening, zoals zij het noemen. Zes manier waarop iemand iets kan verwerven en dat zijn (pagina 406-412):
1. De individuele productie. Dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt. Aangezien de mens van nature een ‘groepsdier’ is, is deze vorm van verwerven niet zo belangrijk als we zouden denken.
2. Toedeling. Met het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakte een aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. Dat is toedeling geworden een vorm waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.
4. Schenking. Met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. De relatie wordt verzwaard.
5. Handel. Kenmerk van ruil is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie. Handel vindt plaats op de markt.
6. Roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen.
Een bijzondere manier van verwerven. Robin Hood die steelt van de rijken en geeft aan de armen. Bron: Geograph
De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van toe-eigening. Dit heeft gevolgen voor alle vormen van toe-eigening (Achterhuis en Koning pagina 414-415): “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen,” en dat verandert de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.” Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften, bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden.
Zes manieren om iets te verwerven waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele ontplooiing is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. In de kleine groepen waarin onze verre voorouders leefden, was er een direct band tussen de gever en ontvanger. De leider van groep deelde toe. Schenker en ontvanger kenden elkaar en het geschenk had als doel om een band te creëren. Een dergelijke persoonlijke band is in onze huidige samenleving niet meer mogelijk. De zeventienmiljoen Nederlanders kennen elkaar niet persoonlijk en de rol van het stamhoofd is door de overheid overgenomen. Belasting kun je zien als een manier om enkele van die oudere vormen van verwerving, denk aan schenking en toedeling, vorm te geven.
Achterhuis en Koning zien de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Op de markt wordt meer geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt. De andere sferen hebben ook wat van de markt overgenomen. De andere sferen zijn, in hun woorden, horizontaler geworden (meer gelijkheid en vrijheid). In mijn ogen is er meer dat de andere sferen en dan vooral de schenking en toedeling (of in de termen van Polanyi de wederkerigheid en herverdeling) van de markt hebben overgenomen. Als we ons sociaal stelsel zien als een vorm van wederkerigheid en herverdeling dan zien we dat hiervoor steeds vaker een tegenprestatie wordt gevraagd, voor wat hoort wat en dat is een kenmerk van ruil en dus de markt.
De markt vormt volgens Achterhuis en Koning (pagina 413): “… de laatste dam tegen roof, het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld.” De vormen van verwerving vermengen zich en in de eerste vier heeft marktdenken een belangrijke plek verworven. Als we kijken naar de manier waarop een groot deel van de machtige bedrijven opereren, wordt handel, de markt, dan niet steeds meer overgenomen door roof? Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. Dit zijn geen activiteiten uit alleen het verleden. Behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen tot roof? Of zoals de auteur het beschrijven: “In moderne samenlevingen zijn verfijndere vormen van roof ontwikkeld, die dan worden toegepast in relatie tot mensen die er niet toe doen, mensen die als dom, lui of kortzichtig worden beschouwd door de ‘slimmeriken die hen oplichten.” Hoewel Achterhuis en Koning hier niet over reppen, kan ook milieuvervuiling van welke soort worden gezien als een vorm van roof. Hiermee wordt immers iets afgenomen van onze kinderen en kleinkinderen. Wat te denken van allerlei constructies om geen belastingen te geven te betalen? Is dat niet ook verwerven ten kosten van anderen?
In deel 1 van Homo economicus en belastingen besprak ik het pleidooi van Johannes Vervloed op de site Opiniez om de belastingen te verlagen. In dit deel ga ik verder in op het neoliberale denken waarop deze theorie is gestoeld. In dit deel staat de homo economicus centraal.
De homo economicus
Een belastingtheorie die alleen wordt gebruikt om belastingverlagingen te bepleiten roept de vraag op of die theorie niet een doelredenering is. Een bedacht argument met een wetenschappelijk sausje om je doel, het verlagen van de belastingen, aantrekkelijker te maken. En, een stapje verder. Een doelredenering om te werken aan je ideale samenleving van vrije individuen die zelf op de vrije markt bepalen wat ze willen. Een samenleving met een zeer beperkte overheid. Een soort van pseudo-wetenschap. Laten we de denkwereld achter deze theorie eens nader beschouwen. Daarbij is er geen betere plek dan de belangrijkste veronderstelling in dat denken, en iets waarvan ik heb beloofd erop terug te komen, de mens als homo economicus.
Eigen foto
Een model of theorie is een schematische weergave van de werkelijkheid, een nabootsing op kleine schaal. Modellen zijn volgens Tomás Sedláček in zijn boek De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, en ik onderschrijf dit van harte (pagina 213): “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.” Een weergave of nabootsing die niet overeenkomt met de werkelijkheid.
Zonder een model kunnen wij als mens de werkelijkheid niet bevatten. De wereld is te complex om te bevatten zonder hulpschema’s dat geldt voor de natuur en de natuurkunde, dat geldt voor onze leefomgeving en dat geldt ook voor onze samenleving en de economie als onderdeel hiervan. Nu zijn er twee manieren om modellen te hanteren, manieren die weer samenhangen met de manier waarop de ontwerper in het leven staat. Een empirist kijkt naar wat hij ziet en probeert de werkelijkheid vanuit de waarneming te beschrijven en maakt zo zijn model. Een rationalist ontwerpt een model en probeert de werkelijkheid daarin te stoppen. Deze manier van kijken maakt nogal een verschil in de sociale wetenschappen, zo beweert Sedláček. En economie is een sociale wetenschap (pagina 344): “Maar de economie in de praktijk wordt wel beïnvloed door de economische wetenschap. De economische theorie beïnvloedt bijvoorbeeld zowel de verwachtingen als het gedrag van mensen. Ook daarom is het relevant welke economische theorie wij kiezen.” De manier waarop wij naar de werkelijkheid kijken en het model of de theorie die wij hierbij gebruiken, beïnvloeden de werkelijkheid. Hierin verschillen sociale wetenschappen van de natuurwetenschappen. Ongeacht welke theorie of model we bedenken, de appel valt naar beneden en niet naar boven. De gekozen theorie heeft hierop geen invloed. In de interactie tussen mensen, heeft een theorie of een model wel invloed op de werkelijkheid.
Modellen doen er in de sociale wetenschappen dus toe. De homo-economicus is een model waarop het neoliberale denken zich baseert. Het neoliberalisme ziet de mens is een homo economicus die via rationele keuzes zijn eigen belang najaagt. Dit doet die mens via de vrije markt waar hij handelt met ander mensen die ook rationeel hun eigen belang najagen. En als we dat maar vrij laten dan wordt in alle wensen voorzien, krijgt ieder zijn deel en hebben we de perfecte samenleving. Dit moet zonder overheidsbemoeienis.
Kijken we naar de gangbare neoliberale economische modellen dan zien we het rationele terug in de taal waarin deze modellen zijn geschreven, die taal is de wiskunde en die taal besteedt geen aandacht aan psychologische en sociale aspecten. De opmars van de wiskunde in de economie begon met de Engelse klassieke econoom Alfred Marshall. Marshall was de meest invloedrijke econoom aan het einde van de negentiende eeuw. Voor Marshall was economie, in tegenstelling tot de neoliberalen, veel meer dan wiskunde. Voor Marshall was economie een klein maar wel belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen. Van een klein maar belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen, heeft de economische wetenschap zich onder de neoliberale vlag ontwikkeld tot dé sociale wetenschap.
Door gebruik van wiskunde hebben de economische wetenschappen zich een aura aangemeten van een exacte, betrouwbare wetenschap en is wiskunde de dominante taal. Zo moeten verkiezingsprogramma’s door het Centraal Plan Bureau, de grote economische rekenmeesters van ons land, worden doorgerekend zodat we precies weten hoeveel tiende van procent groei een programma extra oplevert of kost en daar gaat de discussie in de campagne vervolgens over. Iets als een ‘Centraal Filosofen Bureau’ om verkiezingsprogramma’s en andere plannen op hun consistentie in denkwijze en maatschappelijke gevolgen te doordenken bestaat niet. Dat geeft aan hoe belangrijk cijfers en wiskunde in de economische wetenschappen en de samenleving gevonden worden.
Wiskunde is een taal die heel goed past bij het neoliberale denkmodel. Een model dat uitgaat van mensen die rationeel handelend, hun eigen belang najagen, de mens als homo economicus. Dus voorspelbaar menselijk handelen op basis van argumenten omdat rationeel betekent dat mensen in gelijke omstandigheden dezelfde keuze zullen maken. Een mensbeeld dat het emotionele buiten beschouwing laat. Een dergelijke denkwijze past heel goed bij de wiskundige logica waar 1 plus 1 ook altijd 2 is. Wiskunde is rationeel en heeft een belangrijke eigenschap: het bestaat alleen in het denken van de mens. Sedláček vergelijkt de economische wetenschap met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt (pagina 346):“De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” De economische wetenschappen handelen anders. Daar”…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.” De wiskundige economische modellen kunnen het bestaan van de homo economicus niet aantonen, die veronderstelling kan niet worden weggenomen en daarmee staat het gehele model op drijfzand en is het maar zeer de vraag of wiskunde de juiste taal is voor een model.
Neoliberalen zijn, net als Marxisten, rationalisten. Zij proberen de werkelijkheid door die mal te persen en dat persen beïnvloedt datgene wat door de mal wordt geperst. ‘Voor een hamer ziet alles er als snel als een spijker uit’ is een bekende uitspraak. Als beleidsmakers en economen de mens steevast als een egoïstische homo-economicus benaderen en al het handelen van mensen door dat frame gaan beoordelen, dan zullen die mensen uiteindelijk ook dat gedrag gaan vertonen. En na meer dan 30 jaar als homo economicus te zijn behandeld, die alleen zijn eigen belang najaagt, zijn mensen ook veel meer op hun eigen welbevinden gefocust. Dit heeft mede geleid tot onze huidige situatie. Als we dit, zoals ik het graag zie, anders willen dan biedt dit ook mogelijkheden om te veranderen. Benader mensen anders en ze zullen zich anders gaan gedragen. Dat geeft hoop maar vergt wel een lange adem.
Terug naar Vervloed en vooral naar de theorie van aanbodeconoom Laffer. Die theorie gaat uit van de mens als homo economicus. Die theorie gaat ervan uit dat hogere belastingen de prikkel om te gaan werken verminderen. Hoe verklaar je met een dergelijke theorie dat mensen vrijwilligerswerk doen of mantelzorg verlenen aan een naaste? Ze krijgen er geen geld voor en toch verrichten ze die inspanning en volgens de theorie van de homo economicus zouden ze dan eigenlijk ook niets doen. Er is immers geen geldelijke prikkel. En waarom werkten Amerikanen en Nederlanders die in de tweede helft van de vorige eeuw meer dan 70% belasting moesten betalen, stug door? Volgens de theorie van Laffer zouden ze dan juist, minder moeten gaan werken.
In het volgende deel van Homo economicus en belastingen kijk ik naar alternatieven voor de markt.
‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’, het overbekende motto van de Nederlandse Belastingdienst. Zou het toeval zijn dat de dienst dit motto in 1994 introduceerde? Nee, toeval was het niet. Het was immers precies de periode dat er werd begonnen met de digitalisering van de belastingaangifte. Aangifte doen werd een stuk makkelijker omdat je je niet door die hele stapel papier hoefde te werken. Nee, geef antwoord op de vraag en je gaat automatisch naar de volgende relevante vraag. Alle irrelevante vragen die op de papieren versie tussen deze twee vragen stonden, hoefde je niet meer te lezen. Dat verklaart het tweede deel van het motto. Hoe zit het met het eerste deel?
Allegorie op de invoering van de tiende penning; de Nederlandse maagd geknield voor Alva temidden van verscheurde privileges. Bron: Picryl
Ik moest hieraan denken toen ik op de site Opiniez het pleidooi van Johannes Vervloed voor het overnemen van het economisch beleid van president Trump las. “Aan de vooravond van de verkiezing van Trump kampte de VS met een situatie, die vergelijkbaar is met Nederland nu. Een scheve verdeling van de welvaart, een groot en steeds groter wordend verschil tussen rijk en arm, een tweedeling van de samenleving. De VS kent na twee jaar Trumponomics weer een sterke economische groei, honderduizenden nieuwe banen zijn gecreëerd en vele laagbetaalde werknemers komen uit de armoedeval.” Hoe heeft Trump dat volgens Vervloed gedaan? “Door de belastingverlagingen van Trump zijn de kosten voor de werkgever gedaald en is de koopkracht van de werknemer toegenomen. Dit dubbele effect zwengelt de Amerikaanse economie aan en haalt de laagbetaalde werknemer uit de armoedeval.”
Als we de geschiedenis erop naslaan, dan zien we dat ‘belastingen’ vaak een rol speelden in conflicten tussen soeverein en onderdanen. Neem de ‘Tiende penning van Alva’, de poging van Phillips II om de belastinginning te centraliseren. Een poging om een zestiende-eeuwse belastingdienst op te zetten. Die ‘tiende penning’ was eigenlijk een verzameling van verschillende belastingen bestaande uit 10% belasting op roerende goederen (een soort BTW) 5% omzetbelasting bij de verkoop van onroerend goed (een voorloper van de huidige overdrachtsbelasting) en 1% belasting op onroerend goed (een voorloper van de huidige onroerende zaakbelasting). Dit leidde tot groot protest, die belasting was te hoog, maar vooral stak het de Provinciën van de Lage Landen dat het geld werd gebruikt om hen te ‘onderdrukken’. Die ‘tiende penning’ was een van de belangrijke oorzaken voor de opstand van die Provinciën. Een opstand waaruit uiteindelijk de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën groeide. Zo kun je zeggen dat hoge belastingen tot opstanden leiden. Bijzonder is dan wel dat de ‘opstandelingen’ zelf ook belastingen hieven om de strijd mee te betalen. In het geval van Willem van Oranje een belasting van 15% op roerende goederen, een hoger percentage dan Phillips II wilde heffen.
Belastingen speelden ook een belangrijke rol in het ontstaan van de Verenigde Staten. Het Engelse moederland probeerde de handel van de kolonie te reguleren. Dat hield vooral in dat er werd gezocht naar mogelijkheden om de revenuen ervan zoveel mogelijk in Engeland terecht te laten komen. Barbara Tuchman beschrijft dit beeldig in haar boek De mars der dwaasheid. Bestuurlijk onvermogen van Troje tot Vietnam. Dat reguleren gebeurde vooral door het invoeren van allerlei belastingen. De dertien Koloniën verzetten zich hiertegen met als leus: ‘No taxation without representation.’ De huidige Tea Party in de VS dankt haar naam nog een een reactie op een van die belastingen, namelijk de belasting op thee. Met deze Tea Act wilden de Engelsen de smokkel van thee tegengaan en gelijkertijd een monopolie op de theehandel vestigen voor de Engelse East India Company. De kolonisten waren dol op thee. De wet leidde tot een reactie vanuit een deel van de kolonisten die zich de Sons of Liberty noemden. Op 16 december 1772 gingen zij aan boord van de eerste schepen met thee die aangemeerd lagen in de haven van Boston. De actie kreeg daarom de naam de Boston Tea Party.
Een schilderij van de Boston Tea Party waarop te zien is dat de thee in het water wordt gegooid. Bron: Wikimedia Commons
Twee voorbeelden van belastingen die een rol speelden in opstanden. Wat hierbij opvalt is dat de hoogte van de belasting een ondergeschikte rol lijkt te spelen en het meer lijkt de gaan om wat er met de geïnde belasting gebeurt en vooral wie daarover beschikt. De opstandige Provinciën van de Lage Landen betaalden immers grif de hogere belasting van Willem van Oranje omdat die hun belangen beter vertegenwoordigden. De opstandige koloniën waren ook niet tegen het betalen van belastingen. Zij wilden alleen mee bepalen waaraan die werd besteed. Twee voorbeelden die laten zien dat belasting betalen wel leuker kan worden gemaakt. Leuker als je mee mag besluiten wat er met het belastinggeld gebeurd.
Als we naar het recente verleden kijken, dan valt op dat de belastingtarieven flink zijn gedaald. Neem de VS, in 1943 betaalde de Amerikaan over iedere dollar die hij boven de $ 200.000 verdiende 94% belasting. Dit waren natuurlijk buitengewone omstandigheden. Echter, tot de verkiezing van Reagan als president lag dit percentage steevast boven de 70%. Reagan verlaagde het naar 50% en nu ligt het op 40,8%. In Nederland zien we iets soortgelijks. Van het hoogtepunt van 72% is het vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw gedaald naar 51,95% nu. In die periode van daling, komt de Belastingdienst met het motto ‘leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.’ Precies de periode dat de neoliberale boodschap de boventoon is gaan voeren. Een boodschap die er in het kort op neer komt dat de vrije markt heilig is en dat de overheid zich daar niet mee moet bemoeien. Want dat bemoeien hindert vrije mensen en bedrijven in hun doen en laten. Daarom moet de overheid zo klein mogelijk zijn. Een neoliberale boodschap die belastingen hooguit als een noodzakelijk kwaad ziet, als iets niet leuks. De Amerikaanse president Trump denkt er ook zo over. Hij heeft de belastingen verder verlaagd en Vervloed wil dat Nederland dat ook gaat doen.
Als het je opvatting is dat de overheid in de weg loopt en dat die zo klein mogelijk moet zijn, dan kan ik me voorstellen dat je voor belastingverlaging pleit. Van minder geld kun je immers minder overheid overeind houden. Toch ontkom je er dan niet aan om te bepalen wat die minimale omvang moet zijn. En bij die minimale omvang hoort een bepaald bedrag. Vervloed ziet dat anders en volgt hierbij de theorie van aanbodeconoom Arthur Laffer. Die theorie gaat niet uit van wat nodig is om die minimale overheid te kunnen betalen, maar dat we moeten bepalen wat de ‘optimale belastingdruk is. Vervloed: “Bij 100% belastingdruk is de motivatie om te werken nul.” Dan werkt niemand en zijn er geen belastinginkomsten volgens deze theorie. De mens is immers een homo-economicus. Hier kom ik later nog op terug. Ook bij een belastingpercentage van 0% zijn er geen belastinginkomsten. Tussen de 0 en de 100, zit er ergens een percentage waarbij de belastingopbrengst maximaal is en mensen nog steeds maximaal willen werken.
Volgens Vervloed is dat bij het huidige belastingpercentage niet het geval. De belastingen moeten dus omlaag. Dat betekent wel dat bij gelijkblijvende overheidsuitgaven, de staatsschuld toeneemt. Geen probleem, de tijd lost dat op volgens Vervloed: “In eerste instantie derft de overheid belastinginkomsten. De belastingverlaging kost geld en doet de staatsschuld toenemen. Door de met de belastingverlaging gecreëerde economische groei krijgt de overheid binnen enkele jaren meer belastinginkomsten en kan de staatsschuld daarmee weer worden afgebouwd.”
Laten we de redenering achter die theorie eens volgen. Het begint met het verlagen van de belastingen zonder dat er een verlaging van de overheidsuitgaven tegenover staat. Dat zorgt ervoor dat de belastingbetaler meer geld over heeft. Dat geld wordt vervolgens besteed aan spullen of vakanties. Omdat er meer spullen en diensten worden verkocht, groeit het nationaal inkomen. Aan de andere kant, moet de overheid lenen om het gat dat hierdoor in haar financieel huishouden ontstaat te dichten. Laten we aannemen dat het gat 1.000 is. De overheid moet dan 1.000 lenen om dat gat te dichten. Alleen ‘geld lenen kost geld’ ook voor de overheid. De kosten van de lening (de rente) moeten ook worden betaald. Stel die kosten bedragen 25. Dat betekent dat de overheid 1.025 moet lenen om dat gat te vullen. Als we uitgaan van een gemiddelde belastingdruk in de VS in 2017 van 27,1%, dan moet het nationaal inkomen met bijna 3.800 groeien wil de overheid het gat kunnen dichten. Nu in echt geld: iedere euro of dollar belastingverlichting moet leiden tot 3,7 euro of dollar aan economische groei. Die euro of dollar moet zich dus bijna verviervoudigen.
Alleen heb je als overheid geen garantie dat de belastingbetaler dat geld ook werkelijk uitgeeft. Als het op de bank wordt gezet, er wordt een lening bij de bank van afbetaald of er worden aandelen gekocht, dan heeft het helemaal geen effect. Trouwens, als je ervan op vakantie gaat, dan heeft het alleen effect als die vakantie in eigen land is. Ga je naar een buitenland, dan lekt dat voordeel weg naar je vakantieland. In een open handelseconomie als de Nederlandse is de kans dat een deel weglekt redelijk groot.
Een prachtige theorie en een mooi betoog. Alleen is dit al ruim drie decennia staand beleid. Ja, het leverde nieuwe banen op, maar dan wel banen met een minder salaris dan de banen die er verdwenen. Dit beleid heeft er in de Verenigde Staten voor gezorgd, dat Jo Sixpack nu minder te besteden heeft dan zijn grootvader begin jaren zeventig. Om een beetje te kunnen leven heeft Jo nu samen met zijn vrouw meerdere baantjes nodig terwijl zijn grootvader genoeg verdiende om met één baan zijn gezin te verzorgen. Ook heeft dat beleid ervoor gezorgd dat de Amerikaanse staatsschuld alleen maar is opgelopen. Dat de ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving flink is toegenomen. Dat de top 1% van de Amerikanen hun vermogen zag groeien. En zoals we zagen, heeft Nederland dit beleid ook in meer of mindere mate overgenomen en ook hier zien we dat Jan Modaal tegenwoordig minder luxe van zijn modale inkomen kan leven dan vroeger. Vroeger kon een postbode van zijn salaris een gezin onderhouden, tegenwoordig kan hij zichzelf niet eens onderhouden. We zien we de ongelijkheid toenemen en loopt ook de staatsschuld steeds verder op. Bijzonder aan deze theorie is trouwens dat ze nooit wordt gebruikt om belastingverhoging mee te onderbouwen.
In de volgende Prikker ga ik verder en komt de homo economicus om de hoek kijken.
“Power to the people!” De laatste zin van een artikel van Maurits Kreijveld op de site Oneworld. Het is trouwens ook de kop erboven. Kreijveld breekt een lans voor de introductie van blockchain op de energiemarkt. Nu brak ik in mijn vorige Prikker een lans voor investeringen in nieuwe technologieën, zoals de battolyser. Dus eens even zijn redenering volgen.
Kreijveld: “Blockchain maakt de energiemarkt transparant en toegankelijk voor kleinere spelers. Door de gedeelde boekhouding wordt het netwerk intelligenter. Hierdoor kunnen alle componenten in het energienetwerk beter op elkaar inspelen: wanneer energie schaars wordt, of juist overvloedig. De apparatuur aan het netwerk zou voortdurend met elkaar kunnen onderhandelen over levering op basis van een variabele prijs die voortdurend wordt vastgesteld op basis van vraag en aanbod.” Hij vervolgt: “Wil je de vele partijen die nu investeren allemaal een eerlijke vergoeding kunnen geven voor hun investering, dan heb je een enorme boekhouding nodig, waarin alles wordt bijgehouden: de geleverde als verbruikte stroom, hoe groen deze is, de batterijen en netwerken waar deze (tijdelijk) is opgeslagen en hoe zij is getransporteerd. Blockchain kan deze boekhouding verzorgen.” En concludeert: “Een systeem zoals de blockchain kan de essentiële katalysator zijn voor de energietransitie door ervoor te zorgen dat niet alleen enkele grote (steeds groter wordende) energieproducenten, maar ook heel veel kleinere producenten, zoals jij en ik, mee kunnen doen.” Interessant, maar … .
Zit ik te wachten op een enorme boekhouding van welke energie in welke batterij zit en door wie die is geproduceerd? Zit ik te wachten op een: “wasmachine die pas gaat wassen bij een bepaalde lage energieprijs?” En op die apparaten die met elkaar gaan onderhandelen? Wat als mijn koelkast te duur inkoopt? Of de prijs waarbij mijn wasmachine gaat draaien nog vier weken op zich laat wachten? Zit ik te wachten op een boekhoudsysteem waar ik geen touw aan vast kan knopen en dat ik niet kan controleren?
Zit de werkelijke kracht van zonnecellen en windmolens niet juist in de mogelijkheid om los te komen van het net en dus de markt? Los als individu of als groep. In de mogelijkheid om mijn eigen energie op te slaan in batterijen of waterstofgas en dit te gebruiken als ik het zelf nodig heb? Zit de kracht in afhankelijkheid of onafhankelijkheid?
“Misschien was ik naïef, zegt behangfabrikant Coen Klawer. Maar zo kun je dus de boot in gaan als accountants je via een zonnig eiland een fiscale structuur aansmeren.” De opening van een uitgebreid artikel in de Volkskrant met schimmige belastingconstructies als onderwerp. Centraal in het artikel staat de strijd van ‘behangman’ Coen Klawer tegen accountantskantoor Baker Tilly Berk. De accountants hadden voor Klawer een ‘prachtige constructie’ bedacht om minder belasting te betalen. Een constructie via Cyprus en de Maagdeneilanden. Alles ging goed totdat de Belastingdienst erin dook. Toen trokken de accountants hun handen er vanaf en stond Klawer vol in de wind. Hij werd onderwerp van een strafrechtelijk onderzoek.
In het artikel positioneert Klawer zich als slachtoffer van de accountants. Klawer wordt strafrechtelijk vervolgd en de accountants worden ‘vrijgesproken’. Aangezien de andere partijen niet willen reageren is het lastig om te bepalen wat er werkelijk is gebeurd.
Het artikel geeft een inkijkje in de wereld van deze schimmige constructies en de rol die accountants hierin spelen. Tenminste, als het allemaal klopt en trouwens ook als het niet allemaal klopt. Een voorbeeld: de ‘Letter of wishes’. “Het idee erachter is dat Klawer formeel niets te maken mag hebben met de trustmaatschappij op Cyprus waar uiteindelijk zijn geld belandt. Tegelijkertijd is het natuurlijk wel de bedoeling dat die trust het geld weer aan hem uitkeert. En daarvoor is die letter of wishes. Klawer doet daarin een suggestie aan de trust: mochten jullie geld willen uitkeren, dan is het misschien een idee om dat aan mij te doen.” Een ‘verlanglijstje’ geschreven door ouders om voor de kinderen te verbergen dat zij ‘Sinterklaas’ zijn. Toen het fout ging beweerde de accountants dat Klawer dat ‘zelf had verzonnen’.
In het artikel zegt Klawer dat hij zich altijd had voorgenomen om verre te blijven van de fiscus en van advocaten: “Want van de fiscus kun je niet winnen en advocaten kosten handenvol geld.” Die uitspraak roept bij mij een belangrijke vraag op die niet wordt gesteld. Waarom begin je aan ingewikkelde constructies om zo min mogelijk belasting te betalen, als je verre wilt blijven van de fiscus? Vestig je dan niet juist de aandacht op je?
Op het gemengd bedrijf van mijn vader liepen kippen. Tenminste toen ik een jaar of vijf was. De eieren werden verkocht voor ongeveer fl 0,12. Voor de jeugd van tegenwoordig, dat is ongeveer € 0,05. Dit is ruim 45 jaar geleden. Mijn vader stopte met eieren. Dit was te weinig om er iets aan te verdienen. Tegenwoordig krijgt de kippenboer, als hij geluk heeft, nog steeds die vijf cent. In de winkel liggen ze voor het drie tot zesvoudige. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant een artikel over Afrikaanse koffieboeren las. Die zitten een een crisis, ze krijgen te weinig voor hun koffiebonen. De koffieboer krijgt maar 10% van de winkelprijs van koffie. Iets minder dan de kippenboer.
Wat voor het ei geldt, gaat voor bijna alle agrarische producten op. De prijs ervan is de afgelopen veertig jaar amper gestegen. De gemiddelde Nederlander besteedt nu iets meer dan tien cent van iedere Euro aan voedsel. Begin jaren zeventig was dat bijna 25 cent. Ter vergelijking. Mijn eerste pilsje in de kroeg kostte mij fl 1,00,= oftewel € 0,45. Als ik er nu eentje bestel, moet ik al snel € 2,50 aftikken.
De oplossing voor de koffieboer: “Het is echt aan de grote retailers om met elkaar een minimumprijs af te spreken. Er hoeft maar één grote speler op te staan om de echte verandering in gang te zetten,” aldus hoogleraar Ruben in het artikel. Een goed idee, een minimumprijs zodat de koffieboer er nog iets aan overhoudt? De kippenboer zou dat ook wel willen. Net als trouwens de varkenshouder, de tomatenteler en zijn collega’s die paprika’s en komkommers telen. Ook zij gaan geregeld gebukt onder prijzen waarmee zij niet uit de kosten komen.
Even terug naar mijn vader. Van de Boerenleenbank kreeg hij te horen dat hij moest groeien en zij konden hem wel een lening verschaffen. Vele boeren en tuinders kregen dit verhaal te horen en gingen erin mee, groeiden groter. Zou de bankier dan niet ook de koffieboer verleiden met zo’n verhaal? Ze liepen ook naar de Nederlandse veehouders toen er een minimumprijs voor melk was. Lopen we dan niet immers het risico dat de minimumprijs tot een forse overproductie gaat leiden? Die leidt immers niet tot een prijsdaling, maar tot inkomensstijging. Zou die overproductie vervolgens leiden tot de roep om de productie te beperken? Tot ‘koffiequota’ die vervolgens weer verhandeld worden net zoals de vroegere melkquota?
Mijn vader deed trouwens het tegenovergestelde. In plaats van lenen om te groeien, betaalde hij zijn lening in een keer af. Dit tot grote verontwaardiging van de plaatselijk bankdirecteur. Mijn vader richtte zich op zijn zestien melkkoeien, teelde per jaar een hectare graan en evenveel suikerbieten. Hij bleef klein en verdiende door zijn lage kosten, hard werken en wat ‘kinderarbeid’ van zijn kinderen, een fatsoenlijke boterham.
“Er ismeer mestproductie dan het land aankan. Ik ben niet politiek verantwoordelijk, maar gedacht vanuit het strafrecht is de enige manier om mestfraude werkelijk tegen te gaan een verminderde productie van mest. De veestapel zal kleiner moeten worden.” Een uitspraak van Rob de Rijck, de landelijk coördinerend milieuofficier van justitie, zo las ik bij NOS.nl.
Nu zou je ervoor kunnen kiezen om de inzet van politie en justitie te vergroten zodat de pakkans groter wordt. Ook zou je de straffen kunnen verhogen. Je kunt zelfs die twee maatregelen combineren. Dat zijn oplossingen die voor de hand liggen. De Rijk denkt anders en pleit voor minder vee. Minder vee betekent minder mest en dus minder kans op, of noodzaak tot fraude. Een bijzondere en creatieve oplossing. Laten we die oplossingsrichting eens wat breder bekijken.
Belastingfraude wordt vooral door mensen gepleegd. Net zoals trouwens drugscriminaliteit, mensenhandel, afpersing en eigenlijk alle criminele handelingen. Zelfs de mestfraude is een gevolg van menselijk handelen. De koeien frauderen niet met hun vlaai. Die laten ze gewoon vallen en doen er geregeld nog een flinke plas bij. Koeien kunnen veel, ze kunnen gras verwerken tot melk en die vlaai. Samenwerken met transporteurs en verwerkers kunnen ze niet. Dat komt niet bij hen op. Dat komt op in hoofden van mensen.
Minder mensen, betekent minder hoofden die frauduleuze en criminele activiteiten kunnen verzinnen. Minder hoofden betekent trouwens ook minder magen en minder magen betekent minder vraag naar melk, kaas en vlees. Minder vraag naar melk, kaas en vlees betekent minder behoefte aan koeien. Minder behoefte aan koeien, betekent minder mest. Minder mest betekent minder kans op en noodzaak tot fraude.
Precies dat wat er ook wordt bereikt met minder koeien. Alleen biedt een krimp van de ‘mensenstapel’ nog meer voordelen boven minder koeien. Niet alleen de mestfraude neemt af, ook de belastingfraude, drugscriminaliteit, mensenhandel en afpersing.
Deze week was het het ‘finest hour’ van minster Koolmees van Sociale Zaken. Wellicht is dat geheel aan jullie voorbij gegaan, maar hij gepresenteerd zijn ‘ Wet arbeidsmarkt in balans’. Een wet is het nog niet, maar als het aan Koolmees ligt, wordt het dat wel. Volgens Peter de Waard is de wet bedoeld om: “de uitwassen van Asschers ‘Wet werk en zekerheid’ (te) repareren. In werkelijkheid is het een pakket maatregelen dat andere maatregelen weer ongedaan moet maken.” Doel van de wet is, net als bij Asschers ‘Wet werk en zekerheid’: “om vast werk minder vast, en flexibel werk minder flexibel te maken.” Iedereen lijkt tegen de wet en daaruit constateert de minister dat het een goede wet is. Immers: “Als iedereen tegen is, moet het wel goed in balans zijn.”Dat is ook een manier om ernaar te kijken. Zou een andere insteek tot andere oplossingen kunnen leiden?
Laat ik eens een poging wagen. Net als Asscher en trouwens bijna iedereen, redeneert Koolmees vanuit werk. Flexibel werk leidt tot onzekerheid en daaruit concludeert Koolmees dat werk ‘zekerder’ moet worden. Alleen als het te ‘zeker’ wordt piepen de werkgevers. Die kunnen dan niet meer af van werknemers. Een onmogelijke puzzel om op te lossen. Arme Koolmees of toch niet: “Niemand hoeft Koolmees te benijden. Hervorming van de arbeidsmarkt is een onmogelijk dossier. Wie slim is, slaat geen mijlpalen, maar zorgt ervoor zijn vingers niet te branden,” zo schrijft De Waard.
Wat als we een stapje verder denken. Flexibel werk leidt tot onzekerheid, dat klopt. Maar wat als dat geen onzekerheid over werk is maar over inkomen? Onzekerheid over de mogelijkheid om de rekeningen nog wel te kunnen betalen en je kinderen te eten te geven? Onzekerheid omdat de ww is uitgekleed en de bijstand geen pretje is.Zou het bieden van fatsoenlijke zekerheid, zonder al die bureaucratische fratsen en het leveren van een ‘tegenprestatie’, een oplossing kunnen bieden voor de ‘onmogelijke’ opgaven van Koolmees?
Zou zekerheid van bestaan de onzekerheid van het hebben van betaald werk draaglijk maken? Een uitkering voor iedereen met de ‘Wet fijn dat je er bent’ als basis?
In de Volkskrant een artikel waarin wordt uitgelegd dat de klimaatkwestie in één enkele belasting kan worden geregeld. Die belasting moeten we zien als een soort BTW op broeikasgas, aldus het artikel. Die belasting wordt de Vergoeding Externe Kosten, afgekort VEK, genoemd. Stoot je veel CO2 uit, dan betaal je veel VEK en wordt je product duurder. Een goed idee om schade te verhalen. “Klimaatbedervers krijgen het daardoor flink zwaarder op de markt. Gaat het niet hard genoeg? Dan omhoog die belasting” De ondernemer moet opgeven hoeveel CO2 hij uitstoot en betaalt daarover VEK. Die VEK kan hij weer doorberekenen in de prijs van zijn product en zo is het uiteindelijk de consument die het merkt in de gestegen kosten van het product. Een goed idee omdat zo milieubesparende productie loont, die levert een lagere prijs op.
Tocht wringt er iets. Niet met het voorstel, maar met een voorbeeld bij het artikel. In een schema wordt een pond tomaten als voorbeeld genomen en wordt duidelijk gemaakt waarover VEK wordt geheven. Dat zijn nogal wat zaken in de keten van struik naar supermarkt. VEK over de elektriciteit, het gas, de folie (plastic)die wordt gebruikt, de kunstmest, de substraatbodem, het plastic voor de verpakking, het transport en zo zijn er vast nog wat zaken vergeten. Al die VEK-kosten worden doorberekend in de prijs van het pond tomaten dat u en ik in de winkel kopen. Dat is tenminste de theorie en zo zal het best werken bij een auto, een boek en vele andere producten. Daar berekent de producent al zijn kosten door, zet er een marge op voor zichzelf en dat levert dan een prijs op het etiket.
De tomatenteler zou willen dat dit ook voor hem zou gelden, dat zou zijn leven een stuk minder stressvol maken. Helaas gaat dat niet op voor tomaten en vele andere landbouwproducten. Daar wordt de prijs van het product bepaald in het spel tussen vraag en aanbod. Een spel waar veel aanbieders staan tegenover enkele vragers, de supermarktketen. Die laatsten staan het sterkst in dit spel. Dat spel levert een prijs op en daarvan worden alle kosten betaald Hierbij krijgt de transporteur altijd betaald en neemt ook de tussenhandel zijn deel. Zo blijft er iets over voor de tomatenteler en die mag vervolgens hopen dat de prijs die hij krijgt, voldoende is om al zijn kosten, dus ook de VEK van te betalen.
Trouwens. Zou die tomatenteler de CO2 die zijn planten verbruiken af kunnen trekken van de CO2 die hij gebruikt? Misschien krijgt hij dan wel VEK uitbetaald.