Appels, knollen en statistiek

“Wat betreft asielmigratie: bij de vaak gehoorde opmerking dat asiel slechts 10 tot 12 procent van de totale immigratie betreft, geeft Van de Beek een bijsluiter. Van de arbeidsmigranten is na tien jaar nog maar 21 procent in Nederland, van de studiemigranten 18 procent. Bij asielmigranten is dit 55 procent, bij gezinsmigranten 59 procent. Met andere woorden: ‘De bijdrage van asiel aan de bevolkingsgroei is veel groter dan op het eerste gezicht lijkt.’ En dat is van belang om te weten, ‘want geen andere vorm van immigratie belast de samenleving en verzorgingsstaat zozeer als asiel’.” zo lees ik in een interview met de Volkskrant Jan van de Beek in de Volkskrant.  Ik dacht: ‘Je hebt leugens, verdomde leugens en statistieken.’ En toen ik er wat verder indook dacht ik aan appels en peren waarmee knollen voor citroenen worden verkocht.

Van wie deze uitspraak over statistiek is, is onbekend. De Amerikaanse auteur Mark Twain schreef hem toe aan de Britse premier Benjamin Disraeli, maar, als je Wikipedia mag geloven, dan is de uitdrukking: “in geen enkel werk van Disraeli te vinden en de vroegste bekende verschijningen waren jaren na zijn dood. Er zijn verschillende andere mensen genoemd als bedenkers van het citaat, en het wordt vaak toegeschreven aan Twain zelf.” Ik moest denken aan deze uitspraak bij het lezen van het interview. Een interview over zijn nieuwe boek Migratiemagneet Nederland. Mythen. Feiten. Oplossingen. Even vooraf. Ik heb het boek nog niet gelezen en baseer me alleen op zijn uitspraken de Volkskrant en gedaan bij Bar Laat van 22 oktober 2024.

“Als je onderzoek doet, moet je proberen niet links en niet rechts te zijn maar zo zuiver mogelijk je onderzoek te doen en in de spiegel te kijken wat zijn mijn vooroordelen? Waar zou je kunnen struikelen?”  Aldus van de Beek bij Bar Laat. Hij wil ‘niet politiseren’. Nu is dat al een eerste spiegel waarin hij zichzelf wat vertekend waarneemt. De uitspraak over het belasten van de samenleving en de verzorgingsstaat door asielzoekers, is een politieke uitspraak. ‘Belasten’ is een waardeoordeel en waardeoordelen zijn politiserend. “We zitten op een omslagmoment. Het moet mogelijk zijn om een coalitie te smeden van flink wat EU-landen die af willen van het asielrecht in zijn huidige vorm,” in de Volkskrant, is politiseren. ‘Af willen’ van rechten is politiseren. “Je kunt wel zeggen: er wordt te weinig gebouwd, maar er is niet tegenop te bouwen. De kosten voor zorg lopen op, de onderwijskwaliteit daalt. Dat mag je best een crisis noemen.” Iets een crisis noemen is politiseren. Sterker nog, door te zeggen dat je niet wilt politiseren, politiseer je. Je politiseert omdat je als ‘neutraal en feitelijk’ bestempeld en daarmee iedereen die het anders ziet labelt als ‘bevooroordeeld en niet feitelijk’. Op dit punt is Van de Beek al ‘gestruikeld’ om zijn eigen woorden te gebruiken.

Hij noemt iedereen die naar een ander land gaat, migrant. En zo heb je dan arbeidsmigranten, studiemigranten en asielmigranten. Het verbaast me daarom dat hij de ‘vakantiemigranten’ niet heeft meegenomen. Die groepen gaat hij vervolgens met elkaar vergelijken op ‘bijdragen aan de samenleving’ en daarop scoren de asielmigranten het slechtst.  Ja, dank je de koekoek. Natuurlijk doen asielzoekers het slechter op de arbeidsmarkt dan mensen die hier naar toe worden gehaald door een werkgever en maken ze meer aanspraak op sociale voorzieningen dan mensen die hier komen studeren. Als je naar hier wordt gehaald om te werken heb je werk en als je naar hier komt om te studeren dan heb je geld om te overleven. Als vluchteling heb je dat niet. Dan begin je echt bij nul en omdat het gemiddeld bijna twee jaar duurt voordat je als statushouder ergens woont en dan pas mag beginnen met je inburgering, begin je eigenlijk diep in de min. En dus is het niet vreemd dat een veel groter deel van hen een beroep doet on sociale voorzieningen.

Natuurlijk is het percentage van de groep die asiel heeft verkregen dat na tien jaar nog hier woont, groter dan dat van degenen die hier komen voor arbeid of studie. Een studie duurt ongeveer vier jaar. Degenen die blijven hebben hier werk, een partner en waarschijnlijk allebei gevonden. Iets soortgelijks gaat ook op voor mensen die hier voor werk naartoe komen. De tijden dat je na veertig jaar trouwe dienst bij een werkgever met pensioen gaat, zijn allang voorbij. Na een jaar of vier ben je weer toe aan ‘een nieuwe uitdaging’ en die kan overal liggen. Iemand die asiel zoekt, komt hier omdat de persoon een veilig heenkomen zoekt, omdat het land van herkomst door oorlog of de politieke situatie voor de persoon te gevaarlijk is. In de landen waar het gros van de huidige vluchtelingen vandaan komen, landen als Afghanistan, Syrië en Eritrea, is nog steeds in oorlog of is de politieke situatie van dien aard dat velen hun leven er niet zeker zijn.

“‘Dan is er de factor culturele afstand tot het herkomstland. Als die te groot is, is dat nadelig voor integratie. Dat pakt slecht uit voor participatie op de arbeidsmarkt en leidt tot oververtegenwoordiging in criminaliteit. Wat helpt, zijn gemengde relaties.” En “ juist asielmigranten uit andere delen van Afrika en het Midden-Oosten, veelal moslims, hebben weerstand tegen gemengde relaties. Daar hapert de integratiemotor.” Aldus Van de Beek in de Volkskrant. Om te integreren moet de club waarin je verwacht wordt te integreren wel open staan voor je integratie. Het narratief waarvan Van de Beek hier de milde variant geeft, ze zijn ‘te verschillend’, en dat ook in steeds extremere mate door partijen als de BBB en de PVV wordt gehanteerd, draagt niet bij  aan het ‘open staan’ en het zal de belangstelling voor een gemengd huwelijk onder de kant van de geboortige Nederlanders, niet echt doen toenemen. Dat narratief is een self-fulfilling prophecy. 

Wat al deze groepen met elkaar gemeen hebben, is dat het mensen zijn die naar een ander land trekken. De reden voor vertrek naar dat andere land is echter zeer verschillend. Door ze op één hoop te gooien en te spreken over arbeidsmigratie, studiemigratie, asielmigratie worden onvergelijkbare groepen op één hoop gegooid en daarvan wordt de kwetsbaarste groep, de asielzoekers, het slachtoffer. Het wegpoetsen van deze verschillen is politiseren. Daar een bruinkleurig cultureel sausje over gieten is politiseren. Van de Beek vergelijkt appels met peren, verkoopt knollen voor citroenen en onderbouwt dit met statistiek.

Invictus

Bij het lezen van een artikel van Margriet Oostveen in gesprek met Hein de Haas in de Volkskrant, moest ik denken aan de film Invictus . In haar artikel met als titel: Waar immigranten méér gelijke rechten krijgen, blijkt de angst voor asielzoekers en migratie een stuk lager bespreekt Oostveen zeven inzichten voor asiel- en migratiebeleid. Inzichten gebaseerd op onderzoek. Als eerste dat er geen crisis is maar aan managementprobleem. Een probleem dat ik in Pleisters plakken op een botbreuk ook aankaartte. Als tweede dat asiel niet de opgave is maar: “duidelijke keuzen maken in de arbeidsmigranten die je wilt toelaten en die dan een fatsoenlijk loon bieden.” En nog vijf andere inzichten. Inzichten waar leiders bij het bepalen van keuzes zich door zouden moeten laten leiden. Alleen is dat niet het geval.

Bij het lezen moest ik, zoals gezegd, denken aan de film Invictus. Een film over een bijzondere gebeurtenis in de Zuid-Afrikaanse geschiedenis geproduceerd door Clint Eastwood. De film handelt over de Zuid-Afrikaanse rugbyers in de aanloop naar het wereldkampioenschap van 1995 in eigen land en de rol die president Nelson Mandela daarin speelde. Voor degenen die het niet weten, de Springboks, zoals het team wordt genoemd, mochten na de afschaffing van de Apartheid voor het eerst meedoen en in de aanloop naar het toernooi presteerde het team slecht. Toch won het team de wereldtitel. In de finale versloegen ze de onverslaanbaar geachte All Blacks van Nieuw-Zeeland. Dit zorgde ervoor dat een van de meest markante rugbyers ooit, de Nieuw-Zeelander Jona Lomu, geen wereldkampioen werd. Lomu was de eerste letterlijk grote wingers. Wingers waren tot zijn komst kleine, redelijk lichte en vooral snelle spelers die opereren op de flanken van het veld. Lomu viel op. Hij was de eerste winger van meer dan twee meter, woog zo’n 120 kilogram en was desondanks razend snel. Na hem volgenden er meer. Zoek op zijn naam en je vindt voldoende filmpjes van de reus Lomu die dwars door zijn kleinere tegenstanders heen loopt. Maar ik dwaal af.

Iedere gelegenheid om de in in 2015 op veel te jonge leeftijd overleden Jonah Lomu te herdenken, moet worden aangegrepen. Daarom deze foto. Bron: ilmortodelmese.comi

Terug naar de rol van Mandela. Rugby was de sport van vooral de blanke Zuid-Afrikanen. Mandela was net president en voorzag dat het wereldkampioenschap rugby en de rol van de Springboks wel eens een belangrijke rol konden spelen in het verenigen van het sterk verdeelde land. Daarom zoekt hij contact met de aanvoerder van de Springboks, François Pienaar en via Pienaar met de rest van het vooral blanke team. Hij zorgt ervoor dat het team op toer gaat door het land en daarbij vooral de zwarte townships aandoet om daar de kinderen en volwassenen enthousiast te maken voor het rugby.

De film bevat een mooi staaltje van echt leiderschap. Leiderschap door dat te doen wat nodig is en niet wat populair is. In de film is te zien dat het Mandela ter oren kwam dat de leiders van de sportraad de kleur van het shirt en vooral de springbok als symbool van het team wilden veranderen. Die kleur en de springbok erop waren tijdens de Apartheid uitgegroeid tot belangrijke symbolen van de blanke Zuid-Afrikanen. Mandela aarzelde niet en ging naar de zaal waar de bonden vergaderden. Die hadden net unaniem en met groot applaus besloten om de kleur te veranderen en de springbok te verwijderen en meldden dit met trots aan Mandela. Mandela stond op zei dat hij er niet over ging maar gaf vervolgens aan dat de bonden zojuist een grote fout hadden gemaakt en legde uit waarom. Hij legde hen uit dat het een slecht idee was om de symbolen van trots van een deel van het land bij het grofvuil te zetten omdat daarmee die groep verder van het land zou vervreemden. Dat dit precies is wat tijdens de Apartheid ook gebeurde. Dit terwijl dat deel van het land juist nodig was. Of het werkelijk zo is gegaan, weet ik niet. De film is immers een geromantiseerde weergave van de werkelijkheid en hoe de verhouding tussen ‘werkelijkheid’ en ‘roman’ in deze scene was, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat het in de film een sterk staaltje van leiderschap was. Een pas verkozen zwarte president die voor een volledig zwart gekleurde zaal een lans brak voor wat door de zwarte bevolking en ook door hem als symbolen van blanke dominantie werden gezien. Een lans brak voor de juiste keuze boven de populaire.

Een president die deed wat nodig was, niet dat wat populair was. “We have adopted these young men as our boys, as our own children, as our own stars. The country is fully behind them. I have never been so proud of our boys as I am now and I hope that that pride we all share,” zei hij toen hij een trainingskamp van het team bezocht. Of het op dat moment zo was, is niet te achterhalen. Op 24 juni 1995 was het wel werkelijkheid nadat het land in met 62.000 mensen volgepakt Ellispark de finale had gewonnen. Woorden die werden bevestigd door aanvoerder Pienaar die aangaf dat het zich niet alleen gesteund voelde door de 62.000 mensen in het stadion maar voor alle 43 miljoen inwoners van het land. Die ook allemaal in feesten uitbarstten. Vorig jaar werden de Springboks voor de vierde keer wereldkampioen door weer van Nieuw-Zeeland te winnen. Dit keer met bont gekleurd gezelschap dat trots het groene shirt met springbok erop droeg en met Siya Kolisi als eerste zwarte  aanvoerder. Symbolen kunnen van betekenis veranderen als mensen dat kunnen.

In Nederland ontbreken leiders die voor hun aanhangers gaan staat en hen vertellen dat wat ze willen en voor hen goed voelt, niet het juiste is om te doen. Het asiel- en migratiedossier waar beleid wordt gemaakt op wat een deel van de bevolking ‘beleeft’ is daar het meest pregnante voorbeeld van maar er zijn er veel meer. Neem 130 kilometer per uur willen rijden. Wellicht ook leuk voor de ‘beleving’ van een groep mensen maar een maatregel die geen probleem oplost maar er enkele bij creëert. Maar voor wat betreft de mestproblematiek en waterkwaliteit ontbreekt het de verantwoordelijke bestuurders en politici aan leiderschap en regeert de angst voor ‘het volk’ en dit geval ‘de boer’. Feiten en wetenschap doen er niet toe, belevingen, al dan niet aangepraat, vormen de basis voor beleid.

De film Invictus, Latijns voor onoverwonnen, is genoemd naar een gedicht met dezelfde naam van de Britse dichter William Ernest Henley. Een gedicht dat Mandela, zo vertelde hij in de film aan  Pienaar, overeind hield gedurende de jaren dat hij zat opgesloten op Robbeneiland. Een gedicht over volharding en wilskracht in tijden van tegenspoed. Een gedicht dat kracht kan bieden in bange tijden. Een gedicht waaruit iedereen ook politici die zich afvragen in welke situatie ze beland zijn, kracht kunnen putten om uit die situatie te komen. Leiderschap is de beleving serieus nemen maar handelen op basis van feiten en wetenschap. Dat en niet het omgekeerde. Dus het gedicht kan niet genoeg worden gelezen:

“Out of the night that covers me, black as the pit from pole to pole,

I thank whatever gods may be for my unconquerable soul.

In the fell clutch of circumstance I have not winced nor cried aloud,

Under the bludgeonings of chance my head is bloody, but unbowed.

Beyond this place of wrath and tears looms but the Horror of the shade,

And yet the menace of the years finds and shall find me unafraid.

It matters not how strait the gate, how charged with punishments the scroll,

I am the master of my fate, I am the captain of my soul.” 

Dubbele moraal

We gaan even wat jaren terug in de tijd. Om precies te zijn naar de Somalische hoofdstad Mogadishu in oktober 1993. Amerikaanse soldaten wilden twee naaste handlangers van Mohamed Farrah Aidid, de leider van een opstandelingengroep gevangennemen. Gevangennemen voor het aanvallen en doden van soldaten van de Verenigde Naties. Die poging liep gierend uit de hand en leidt tot veel slachtoffers. Black Hawk Down is de enigszins geromantiseerde verfilming van deze gebeurtenis. De Amerikaanse verliezen en vooral het in de straten tonen van gedode Amerikaanse soldaten, leidde tot grote verontwaardiging. Ik moest hieraan denken bij het zien van de berichtgeving over de dood van Hamasleider Sinwar.

Bron: Wikipedia

Dat de dood van een vijand tot vreugde leidt in het kamp van de tegenstander, daar kan ik me nog wel iets bij voorstellen. Dus ook bij de blijdschap van de aanhangers van Aidid met de dood van de Amerikaanse soldaten. De verontwaardiging over het tonen van de lichamen van die soldaten als een soort trofee, die kon ik ook heel goed begrijpen. Zoiets doe je niet. Een dode vijand is, net als een gevangen soldaat, een mens die je met respect behandelt.

Ik moest hieraan denken omdat je met een beetje zoeken, een heel klein beetje want je kunt ze al op de site van de NOS vinden, vind je beelden van de laatste seconden van Sinwar en foto’s van zijn ontzielde lichaam. Sinwar zal gruwelijke zaken hebben gedaan. Zaken waarvoor hij straf verdient. Filmpjes van zijn dood en foto’s van zijn lichaam als een soort trofee tonen aan de wereld is een teken van gebrek aan beschaving. Je verontwaardiging uitspreken over het ene, het als een trofee tonen van gedode Amerikaanse soldaten of het voor de camera onthoofden van mensen zoals ISIS geregeld deed en dan vol trots beelden van een dode vijand tonen lijkt mij te getuigen van een dubbele moraal.

Die dubbele moraal gaat nog verder. Volgens de Amerikaanse president Biden laat dit zien: “dat geen enkele terrorist ter wereld kan ontsnappen aan gerechtigheid,”  en was het: “een goede dag voor Israël, de Verenigde Staten en de wereld.” Nu is het niet aan mij om namens welk land dan ook een dag te recenseren. Wat wel aan mij is, is mijn verbazing uit te spreken over deze uitspraak. Sterker nog, om uit te spreken dat dit een hele slechte dag is, omdat er van gerechtigheid geen sprake is. Van gerechtigheid is sprake als iemand die van gruwelijke misdaden wordt verdacht, voor de rechter wordt gebracht en vervolgens een eerlijk proces krijgt. Dat is gerechtigheid. Het doden van Sinwar, net als van vele andere kopstukken van Hamas en Hezbollah is geen gerechtigheid, het is wraak. Het is oog om oog. Het enige waar dit toe leidt, en daarmee zijn we al een heel eind op weg, is dat iedereen blind wordt. Blind van woede.

Dergelijke uitspraken doen afbreuk aan een rechtstaat waarvan de leiders ze uitspreken. Belangrijker, ze doen afbreuk aan het imago van de rechtstaat in het algemeen. Die lijkt er immers alleen te zijn als het ‘ons’ uitkomt.

Rousseau: Fransoos of Zwitser?

Iedereen lijkt vooral iets te willen worden, maar niemand nog iets te willen zijn,”  aldus de titel van een interessante column van Mark van Ostaijen in de Volkskrant. Aanleiding voor de column waren proeflessen die Van Ostaijen gaf in het kader van een open dag.   Ostaijen beschrijft zijn belevenissen. Bij een terloopse zin tussen haakjes in de column bleef ik hangen: “u weet wel, die Geneefse burger en dus Zwitser die recentelijk in deze krant feitenvrij werd opgevoerd als ‘die ouwe Fransoos’.” De ‘ouwe Fransoos die volgens Van Ostaijen een Zwitser was, waar het over ging, was Jean Jacques Rousseau.

Een interessant omdat er een goede schets wordt gegeven van onze huidige maatschappij: “als iedereen constant in beweging en onderweg is, en niemand ergens meer aan wil komen, creëert dat een volatiele cultuur van rusteloosheid. Het creëert een samenleving waarin overgave, berusting en acceptatie lastig gedijen. Niet voor niets lopen jaar in jaar uit de cijfers van overmatige stress, burn-out en depressie op. Er zijn te veel mensen die heel druk zijn met druk zijn.” Van Ostaijen kwam tot deze column omdat bezoekers van de open dag hem, nadat hij iets had verteld over bestuurkunde, sociologie en politieke filosofie vroegen: “’wat kan ik ermee worden.”  Een interessante filosofische discussie maar wellicht voor een andere keer. Nu terug naar die ‘ouwe Fransoos’ of Zwitser.

Een impressie van AAn de stadsmuur in Venlo. Bron: schermfoto van de site: https://aandestadsmuur.nl/

Want was Rousseau nu een Fransoos of een Zwitser? Hij sprak Frans, dus een Fransoos? Nee, dat gaat te snel want er wordt ook Frans gesproken in gebieden die niet bij Frankrijk horen. In België bijvoorbeeld en ook in Zwitserland. Rousseau werd geboren in Genève en dat ligt in Zwitserland, dus een Zwitser? Ook dat gaat te snel. Rousseau kwam in 1712 ter wereld en stierf in 1778 in Ermenonville terwijl Genève pas vanaf 1815 onderdeel uitmaakt van wat Zwitserland is geworden. Tijdens het Congres van Wenen van 1815 voegden de overwinnaars van Napoleon de stad samen met de Franse gebieden van het hertogdom Savoie samen tot het kanton Genève en deelden het toe aan de Zwitserse statenbond. Ten tijden van Rousseau was het een zichzelf besturende stad, stadstaat zoals er vroeger wel meer waren. Dus het Rousseau Zwitser noemen is net zo feitenvrij als hem Fransoos noemen. Het is net zo feitenvrij als het bestempelen van de filosoof Immanuel Kant tot Rus. Kant heeft zijn hele leven gewoond in Königsberg. Een stad in Oost-Pruissen die sinds 1870 deel uitmaakte van het Duitse rijk en die sinds 1945 Kaliningrad heet en in Rusland ligt. Van Ostaijen volgend, is Kant geboren in 1724, een Rus. We kunnen Rousseau en Kant niet meer vragen hoe zij zich, om dat moderne woord te gebruiken, identificeren.

Met dat moderne woord identiteit, komen we wel bij de oorzaak van die twee feitenvrije opvoeringen van Rousseau. Een onderdeel van iemands moderne identiteit is de nationaliteit van de persoon. En met nationaliteit komen we bij de nationalistische valkuil waar Van Ostaijen in valt. In tegenstelling van wat tegenwoordig wordt gedacht, zijn landen en natiestaten van zeer recente datum. Je Fransoos, Zwitser, Duitser of Nederlander noemen, voelen en daar trots op zijn, is iets wat de laatste 150 jaar is gegroeid. In zijn boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek vertelt Francis Fukuyama aan de hand van de persoon Hans, het ontstaan van nationalisme. “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.[1]  Hans was boer in het begin van de negentiende eeuw en sprak de taal ‘van hier’.

In de negentiende eeuw maakte de Europese samenleving ingrijpende wijzigingen door. Fukuyama: Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.[2]”  In het midden van de negentiende eeuw komt Hans in het Ruhrgebied in deze nieuwe wereld terecht en komt daar  mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[3] uiteindelijk krijgt Hans een antwoord op de vraag wie hij is: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[4]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. 

Het bijzondere aan nationalisme is dat het zichzelf bevestigd. Bij dat zichzelf bevestigen wordt het verleden herschreven, en het heden aangepast aan het gewenste ideaalbeeld zodat er in de toekomst geen twijfel meer is over het bestaan van de natie. Die is er immers altijd geweest. Het verleden wordt herschreven door bijzondere gebeurtenissen, personen, volkeren en culturele uitingen worden met de eigen natie te verbinden. De Bataven als proto-Nederlanders. Het Romeinse Rijk als voorloper van en voorbeeld voor Italië. De slag op het Merelveld voor de Serviërs. De verovering van de Zilvervloot door Piet Heijn. Is Caesar een van de grootste Italianen en keizer Frederik I van het Heilige Roomse Rijk, beter bekend als Barbarossa een van de grote Duitse helden en in die hoedanigheid naamgever van de grootste veldslag ooit geleverd. De aanval van nazi-Duitsland op de Sovjet Unie. Wordt Rembrandt een ‘Hollandse meester’, Rousseau een Fransoos en Kant een Duitser. Alles wordt gedaan om de grootsheid en de eeuwigheid van de natie aan te tonen. De natie, het nationalisme, wordt de mal waarmee naar verleden, heden en toekomst wordt gekeken. Voorbeelden van de cultuur worden ‘heilig’ verklaard en moeten worden behouden. Gebouwen, alleen of in een groep worden monument en beschermd stadsgezicht en bij herstel of renovatie worden in het verleden verdwenen zaken weer toegevoegd waardoor dit typische voorbeeld van de eigen cultuur typischer wordt dan het ooit is geweest. Zo is tussen de Venlose binnenstad en de Maas een prachtige nieuwe wijk gebouwd: Aan de stadsmuur. Huizen vormgegeven pakhuizen die de stad authentieker maken dan ze ooit is geweest. Dit om ervoor te zorgen dat onze nazaten zich nooit hoeven af te vragen wie zij zijn. De grootsheid van het verleden komt ook terug in bijvoorbeeld standbeelden. Standbeelden waarover jaren later weer gesteggeld kan worden omdat ze ineens minder stroken met dat waar ‘we’ trots op moeten zijn. En standbeelden kun je naar gelieven vervangen door schrijvers, componisten, beelden kunstenaars, architecten en hun werken. De natie is en wordt zo vanzelfsprekend dat een wereld zonder niet is voor te stellen.

Maar, we dienen: “de natie, de natiestaat en het nationalisme niet als vanzelfsprekend (…) te beschouwen,” zo schrijft Eric Storm in zijn boek Nationalisme. Een wereldgeschiedenis. Niet vanzelfsprekend want:  “termen als ‘het volk’ of ‘de natie’ zijn – behalve misschien in bepaalde juridische contexten – al even grove versimpelingen, los van het veelvoorkomende maar incorrecte gebruik van ‘natie’ als synoniem voor staat of land. Door de inwoners van een land te omschrijven als ‘het volk’, ‘de Fransen’ of ‘de Mexicanen, impliceren we dat ze een homogene gemeenschap vormen, met één cultuur en één taal. Daarmee wissen we echter de complexe lappendeken van inheemse bevolkingen, etnische minderheden, immigrantengroepen en nakomelingen uit ‘gemengde huwelijken’ , terwijl we er vaak onterecht van uit lijken te gaan dat er fundamentele verschillen zijn met naburige gebieden over de grens.[5] Er is binnen een natie net zoveel verdeeldheid als tussen naties. Alleen blijft die verborgen als we niet voorbij de versimpeling kijken

Zeg tegen Hans dat hij een trotste Duitser is met een ‘groots verleden’ die houdt van Bier und Bratwurst en hij wordt een trotste Duitser en gaat die Bratwurst liefst met Sauerkraut met trots eten en ontleend grootheid en trots aan mensen met eenzelfde paspoort die iets groots doen. Premier Schoof die Sifan Hassan aanhaalt. En wat waren ‘we’ deze week graag trotst geweest op ‘onze jongens’ van het Nederlands elftal. Helaas bakten ‘ze’ er niets van. Gelukkig is ‘hun’ falen ‘ons’ dan weer niet aan te rekenen is. En kon Hans stoltz zijn op die Mannschaft want zo zou hij kunnen zeggen: ‘dat hebben ‘wij’ toch maar mooi geschafft’. Maar als Hans om zich heen had gekeken in de Alianz Arena in München, dan had hij onder die ‘eenheid uitstralende shirtjes van de Mannschaft die de mensen aan hadden, de lappendeken gezien waarover Storm spreekt. En als hij in het vak met die mensen in oranje had gekeken, dan zag hij onder dat oranje naast een lappendeken waarschijnlijk ook een hele groep mensen waarin hij zich zou herkennen.


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 89.

[2] Idem, pagina 57

[3] Idem, pagina 89

[4] Idem , pagina 92

[5] Eric Storm, Nationalisme. Een wereldgeschiedenis,  pagina 520

Wat de BBB niet wil dat ons geschiedt

“Tijd voor actie op het migratiedossier.” Zo las ik in een bericht van de BBB. Met de  daadkracht uit mijn vorige prikker nog in het achterhoofd, las ik verder. Volgens de BBB moeten de: “Asielprocedures en opvang buiten de EU,” plaatsvinden,  moeten we: “Inzetten op migratiedeals, versterking van EU-buitengrenzen” en als laatst: “Frontex met meer personeel en meer bevoegdheden,” versterken.  Bij de tekst een filmpje met een betoog van de leider van de BBB in het Europees parlement Sander Smit. Een bijzonder betoog.

Screenshot site BBB.

Een bijzonder betoog en daarom hier de integrale tekst: “We hebben geen grip op de huidige migratiestroom. In 2023 werden meer dan 1 miljoen asielaanvragen in de Europese Unie ingediend. Open grenzen, zachte procedures en falend terugkeerbeleid hebben gemaakt dat Europa te aantrekkelijk is geworden. Daardoor hebben zovelen die gevaarlijke oversteek gemaakt en zijn velen omgekomen. De chaos aan onze binnengrenzen in de Schengenzone is het directe gevolg van lekke Europese buitengrenzen. Frontex moet versterken, niet alleen in het uitbreiden van manschappen maar vooral in bevoegdheden. Frontex moet een coördinerende rol gaan spelen in de uitzetting en terugkeer, in externe grensbarrières maar dat alleen zal de migratiecrisis niet oplossen. BBB pleit voor verder aanscherping van het asielbeleid. Verplaats de asielprocedure en opvang naar veilige derde landen buiten de Europese Unie. Alleen zo verminderen we de instroom en slachtoffers van de gevaarlijke overtocht naar Europa. Voorzitter, streng bewaakte buitengrenzen, duidelijkheid en migratiedeals die redden levens. Geen woorden maar meer en snellere actie.”

Als eerste open grenzen. Zou het werkelijk zo zijn dat ‘velen’ een fortuin betalen aan een louche persoon die je op een gammel bootje de zee op stuurt omdat de Europese grenzen zo open zijn? Als die grenzen werkelijk ‘open’ waren dan zou je toch beter gewoon via Turkije naar Griekenland of Bulgarije kunnen gaan? Of dan kocht je toch gewoon een vliegticket van bijvoorbeeld Addis Abeba in Ethiopië naar Amsterdam. Dan ben je minder dan € 1.000 kwijt en is de kans zeer groot dat je na een paar uur vliegen, waarbij je in een stoel zit en wat te eten en te drinken kunt nemen, aankomt.   

Beste meneer Smit en beste BBB-ers die dit bericht van een duimpje naar boven voorzien, dat die veilige en goedkope manier niet wordt benut, komt omdat die er niet is. Dat komt omdat de EU de buitengrenzen hermetisch afsluit. Afschermt met hekken en scherpe beveiliging tussen Turkije en de twee EU buurlanden. En entree via luchthavens door de controle ‘uit te besteden’ aan de luchtvaartmaatschappijen. Die zijn namelijk verplicht om iedere passagier die het land van aankomst niet in mag, terug te vervoeren. Om te voorkomen dat ze die kosten moeten maken, laten ze alleen mensen met een ‘entreekaartje’ voor het land van aankomst toe. Zo’n kaartje heeft een asielzoeker niet. En omdat de asielzoekers daarom, zelfs als de persoon een geldig ticket voor het vliegtuig heeft, niet het vliegtuig in komt, kan hij ook geen asiel aanvragen. Dan blijft zo’n duurbetaald gammel bootje met risico op de dood over. Zo ‘open’ zijn de Europese grenzen niet.

Dan de chaos aan de binnengrenzen. Die chaos is een resultaat van keuzes die lidstaten van de EU maken. Lidstaten die willen voorkomen dat asielzoekers naar hun land komen. Door de Duitse controles weten we nu weer dat controles leiden tot files en langere reistijden. Hoelang? Dat hangt af van je kenteken en persoonskenmerken. Ook dat is een gevolg van die gesloten buitengrenzen. Bij open Europese grenzen zou het Dublinprotocol goed werken. Dan zouden asielzoekers een vliegticket boeken naar het land waar ze naar toe willen vluchten. Maar omdat dit niet kan, resten alleen die ‘bootjes’ en tja, die komen aan in drie Europese landen en volgens het Dublinprotocol zouden die dan alle asielzoekers moeten opvangen. Omdat het deze landen boven het hoofd groeit en omdat de asielzoekers ook en vooral naar andere landen willen, trekken ze verder. En om dat te voorkomen ontstaat die ‘chaos aan de binnengrens.’

Migratiedeals redden levens. Dat is nogal een bewering. Turkije duwt vluchtelingen uit Syrië steeds meer terug naar Syrië. De Syrische vluchtelingen in Libanon moeten nu vluchten voor Israëlische bommen. Tunesië duwt vluchtelingen de woestijn in en laat ze daar aan hun lot over

En daarmee kom ik bij het ‘Verplaatsen van de asielprocedure en opvang naar veilige derde landen buiten de Europese Unie’ en de ‘migratiedeals. Procedures en opvang buiten de EU? Beste meneer Smit en BBB-ers, hoe stellen jullie je dat voor? Waar moet een toekomstige minder dappere Navalny zich dan melden? Opvang buiten de EU? Zijn jullie bereid in Nederland opvangcentra voor bijvoorbeeld de Britten of Russen toe te laten compleet met Britse en Russische ambtenaren voor de af te nemen procedures? Dit met het risico dat de afgewezen asielzoekers hier blijven rondhangen en voor overlast zorgen. Dat is namelijk wat jullie van andere landen vragen. Zijn jullie bereid om een migratiedeal met andere landen te sluiten om voor hen de asielzoekers op te vangen? Zijn de landen Turkije, Tunesië en Libanon waarmee al zo’n deal is gesloten zo veilig dat u er zelf wilt gaan wonen?

Nu is het antwoord op deze laatste vraag anders voor iemand met een Nederlands paspoort dan voor iemand zonder paspoort uit Afghanistan. Maar volgens jullie kernwaarden, kan het antwoord op al die vragen alleen maar JA zijn. Neem jullie kernwaarde Gulden Regel, omschreven als: “Behandel de ander zoals je zelf behandeld wilt worden. Wat u niet wil wat u geschiedt, doe dat een ander niet. Wees betrouwbaar, eerlijk, oprecht en respectvol. Iedereen is gelijk. Transparant, helder en open.”  Of gelden die kernwaarden alleen voor Tukkers en Achterhoekers? Want het lijkt erop dat deze kernwaarde wat is verbasterd naar: wat wij niet willen dat ons geschied, dat exporteren we naar anderen!

Daadkrachtige illusionisten

Daadkracht, naast asielcrisis is dit het woord dat het kabinet Schoof en de partijen die dat kabinet vormen, het meest gebruiken. Daarbij wordt daadkracht vaak gekoppeld aan dat andere woord, aan asielcrisis. Men wil uitstralen dat er ‘gas op de lolly’ moet, dus  ‘geen woorden maar daden’, actie, doen, doen, doen! Dat klinkt positief.

Daadkracht: ‘werkkracht, energie” volgens de Van Dale. Een wel heel korte omschrijving. Gelukkig geeft de site cvster, bedoeld om mensen te helpen met het schrijven van hun curriculum vitae 15 voorbeelden waaruit blijkt dat je daadkrachtig bent. Zaken als: “Je houdt van aanpakken en hebt een duidelijke visie, je gaat doelgericht te werk en weet hoe je een taak zo snel en goed mogelijk kan uitvoeren, je hebt een hekel aan treuzelen. Zo zul je zelf niet snel een taak tot de volgende dag laten liggen. Maar ook bij anderen kun je traagheid niet goed uitstaan,” en zo nog 12 andere voorbeelden. De site geeft ook wat valkuilen: “Je neemt altijd het voortouw en laat daardoor soms te weinig ruimte voor anderen, je wilt snel resultaat en schuwt niet om dat te laten blijken,  je kunt wat drammerig overkomen en pusht anderen soms te veel.” Als je naar de woorden van het huidige kabinet kijkt, dan lijken die bij de voorbeelden te passen. Je hoeft het er niet mee eens te zijn, maar het heeft een visie. Het gaat doelgericht te werk.  Het dramt en pusht elkaar en anderen. Dus daadkrachtig en daadkracht is wat we nodig hebben om de vraagstukken aan te pakken.

Belangrijker dan hard werken, is werken aan de goede dingen. Hard trekken aan de verkeerde kant van een touw is wellicht daadkracht maar niet erg effectief. Waar ga je mee aan de slag en wat laat je nog even liggen? Bij het plannen van mijn werk gebruik ik de volgende vraag: ‘moet ik dit nu doen?’  Die ene vraag kun je op verschillende manieren  lezen, afhankelijk van waar je de klemtoon legt. Als eerste de vraag moet ik dit nu DOEN waarbij de klemtoon ligt op het in hoofdletters getypte woord. In dit geval dus DOEN. Moet er überhaupt iets gedaan worden of is het een probleem wat zich vanzelf oplost of wellicht geen probleem is. Dan de vraag MOET ik dit nu doen? Is er een noodzaak om ermee aan de slag te gaan of is die er niet, is het ‘nice to do’. Dan de vraag moet IK dit nu doen. Ben ik de persoon die hiermee aan de slag moet of is iemand anders meer geschikt? Dan de vraag moet ik DIT nu doen. De vraag naar de manier waarop je iets oppakt. Moet het op de manier zoals ik het wil of is er ook een andere wellicht betere manier. Als laatste de vraag moet ik dit NU doen?  Moet het echt nu of kan het ook nog later.

Minister Madlener gaat vol energie aan de slag met het daar waar het kan mogelijk maken van 130 kilometer per uur rijden. Dit blijkt wellicht op vier kleine stukjes snelweg te kunnen. Alleen kun je je afvragen welk maatschappelijk probleem hiermee wordt opgelost? Want als de overheid ergens voor is, dan is het voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Een relevante vraag omdat de verlaging van de maximum snelheid in 2020 werd ingevoerd als bijdrage aan het oplossen van het stikstofprobleem. Bovendien zorgt een lagere snelheid voor minder ongelukken, levert het voor de autorijder lagere kosten op en minder files. Ook was en is 130 rijden vaak niet mogelijk vanwege de drukte op de weg. Is hier sprake van een maatschappelijk probleem of is dit symboolpolitiek en dus ‘nice’ voor een enkeling? Ook relevant is de vraag of dit werkelijk het eerste is waar een minister met als taken de weginfrastructuur, water, scheepvaart, luchtvaart en Rijkswaterstaat zich mee bezig moet houden. En in het verlengde van de minister het ambtelijk apparaat.

Dan de asielnoodwet. Laten we die ook eens langs die vragen leggen. Ja er moet iets gedaan worden want er gaat iets niet goed in de asielketen en wat er niet goed gaat lost zich niet vanzelf op. Daarover schreef ik al eerder een prikker. En ja, minister Faber is de persoon die hiermee aan de slag moet en liefst nu. Maar is DIT, een asielnoodwet, de beste manier om er iets aan te doen? Alhoewel de beeldvorming anders doet vermoeden is, zoals ik in die eerdere prikker al aangaf, is de instroom van mensen die asiel aan komen vragen niet het grote probleem. Als we de periode sinds 2014 bekijken dan was er in die hele periode één jaar (2015) dat er meer dan vijftigduizend asielaanvragen en nareisaanvraag samen werden ingediend. Let wel ingediende aanvragen. Het aantal dat asiel kreeg, was lager. Een asielnoodwet lost het tekort aan woningen niet op. Dat tekort is er de oorzaak van dat kinderen langer dan ze wensen bij hun ouders blijven wonen maar ook dat statushouders niet uit de asielopvang kunnen stromen. En om het andere probleem, te weinig ‘besliscapaciteit’ bij de IND waardoor procedures standaard veel te lang duren op te lossen, is de wet niet nodig. Dat kan makkelijk zonder een asielnoodwet’.  Een verkeerde oplossing voor een imaginair probleem terwijl het echte probleem blijft bestaan.

Daadkrachtig werken aan iets wat geen probleem is of op een manier die niets bijdraagt aan een snelle oplossing van een probleem, is verspilde daadkracht. Het is verspilde energie die ook besteed had kunnen worden aan echte maatschappelijke problemen en uitdagingen. Het kabinet is een illusionist die de daadkracht rich top problemen die er niet zijn. Dan zou het wel eens een goed idee zijn om een idee van minister Faber wat aan te passen en bordjes te plaatsen rond de Haagse kaasstolp met daarop de tekst: ‘hier wordt aan uw illusie gewerkt’

Bezint eer ge begint!

In een artikel bij Wynia’s Week gaat Feike Reitsma te raden bij de Duitse filosoof en socioloog Max Weber. De titel van het artikel geeft de portee van zijn betoog: Max Weber zag in dat in een noodsituatie het parlement gepasseerd mag worden. De achtergrond van het artikel zijn de plannen van de huidige Nederlandse regering, of in ieder geval de partijen die deze regering vormen, om af te wijken van de Vreemdelingenwet door een asielnoodwet in te voeren. Een bijzonder betoog.

Even Reitsma’s betoog. “Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 18 en 19 september komt de asielnoodwet ter sprake. Van Vroonhoven, plaatsvervangend fractievoorzitter van NSC, verdedigt een plan dat het mogelijk maakt om een deel van de Vreemdelingenwet tijdelijk buiten werking te stellen.”  En dat zorgt ervoor dat: “In de huidige situatie, zoals geschetst in de persconferentie van koning Willem-Alexander en het antwoord van Marjolein Faber op een Kamervraag (…) duidelijk (wordt) dat ambtenaren onder druk staan om zich aan te passen aan politieke veranderingen. Volgens Weber moeten ambtenaren loyaal zijn aan de politiek, ongeacht hun persoonlijke opvattingen.” Het lijkt hier alsof Reitsma betoogt dat ambtenaren moeten doen wat is besloten. Zoals ik in mijn vorige prikker al liet zien, is dat de basis maar ligt het toch iets genuanceerder en het gevolg van die nuancering vatte ik samen in de titel van die prikker: Befehl ist niet altijd Befehl.” Het beeld dat Reitsma schetst is dat ambtenaren zich verzetten. Zoals ik in die Prikker betoogde doen die ambtenaren slechts hun werk. Dat werk is het schetsen van de (on)mogelijkheden van het idee voor een asielnoodwet.

Volgens Weber, zo betoogt hij en daar heeft hij een punt, moeten: “Politici (…)een zekere ethische verantwoordelijkheid hebben, vooral als het gaat om geweld en macht. Politici dienen te balanceren tussen ‘de ethiek van overtuiging’ en ‘de ethiek van verantwoordelijkheid’. De ethiek van overtuiging is gericht op principes en idealen, terwijl de ethiek van verantwoordelijkheid zich richt op de gevolgen van politieke acties.” Dan maakt hij de stap naar het heden: “De politieke discussie over de inzet van noodwetgeving in het kader van de asielcrisis benadrukt de spanningen tussen juridische verplichtingen en de noodzaak van politiek leiderschap. Terwijl ambtenaren wijzen op de juridische onmogelijkheid van de inzet van noodwetgeving, stelt het kabinet dat zich wel degelijk een asielcrisis voordoet. Weber wijst op de noodzaak voor politici om controversiële besluiten te nemen, zelfs als dit juridisch ingewikkeld kan zijn.” En ook dat klopt. Het is, alles afwegende, aan de politiek om in deze te besluiten, om verantwoordelijkheid te nemen.

Iets verder in zijn betoog: “Weber stelde dat politiek leiderschap, vooral in tijden van crisis, moet worden geleid door de noodzaak om maatschappelijke stabiliteit en rechtvaardigheid te waarborgen.” En vervolgt dan met een bijzondere passage: “In 1918 was Weber betrokken bij de totstandkoming van de grondwet van de Weimar-republiek. Artikel 48 bood de mogelijkheid voor de president om in dringende gevallen noodmaatregelen te nemen zonder voorafgaande goedkeuring van de Reichstag.” En hier wordt het bijzonder.

Ja, Weber speelde een rol in de Duitse politiek na de Eerste Wereldoorlog. Hij was echter niet de grote man achter de grondwet van de Weimarrepubliek. Dat was de rechtsgeleerde Hugo Preuss. En die grondwet was, zo betoogt Patrick Dassen in zijn De Weimarrepubliek: éen compromis tussen progressief liberaal-democratisch denken en een meer traditionele en conservatieve politieke cultuur waarin gevestigde belangen werden beschermd.[1]Weber zien als degeestelijk vader van die Grondwet gaat enkele stappen te ver. Het toeschrijven van het ‘noodrecht artikel’ zien als onderdeel van Webers denken, gaat nog veel verder. Dassen: “De rijkspresident kreeg in de grondwet grote bevoegdheden, niet voor niets werd hij wel de ‘Ersatzkaiser genoemd: hij was staatshoofd, hoofd van het leger, hij benoemde de leden van de regeringen hij kon, net als vroeger de keizer, de Rijksdag ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven.” De bijnaam van de rijkspresident laat zien welke zijde van het compromis hier aan het woord is: de traditioneel conservatieve zijde. Weber behoorde niet tot die zijde. Hij behoorde, net als trouwens Preuss, tot de liberale Duitse Democratische Partij

Dassen gaat verder: “Het meest controversiële punt van de macht van de rijkspresident was ongetwijfeld artikel 48: in tijden ‘dat de openbare veiligheid en orde in gevaar’ waren, kon hij buiten het parlement om noodverordeningen uitvaardigen en desgewenst het leger inzetten om de orde te handhaven; bepaalde grondrechten, zoals vrijheid van meningsuiting en vereniging, kon hij tijdelijk buiten werking stellen.” Grote probleem van dit artikel was: “dat er geen ingebouwde garanties waren tegen misbruikvan artikel 48. Immers, als de Rijksdag een presidentieel decreet verwierp, kon de president volgens artikel 25 de Rijksdag alsnog ontbinden. Bovendien bleef onduidelijk wat er precies verstaan moest worden onder een ‘uitzonderingstoestand’.[2]

Met die laatste zin zijn we bij de cruciale vraag aangekomen. De cruciale vraag die in de Weimarrepubliek niet vooraf werd beantwoord. In Nederland bepaalt artikel 103 van de Grondwet: “in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd.” De wet die dit regelt is de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Die wet, of beter gezegd, de toelichting erop, geeft antwoord: “ingeval buitengewone omstandigheden zulks noodzakelijk maken ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid, bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President, de beperkte of de algemene noodtoestand worden afgekondigd. Met de term «buitengewone omstandigheden» wordt aangegeven dat, voordat een noodtoestand kan worden afgekondigd zich feitelijke gebeurtenissen moeten voordoen die tot toepassing van noodwettelijke bevoegdheden nopen omdat de normale wettelijke bevoegdheden te kort schieten.” Van een buitengewone omstandigheid is sprake als de normale wettelijke bevoegdheden tekort schieten. Een antwoord, maar geen echt duidelijk antwoord.

Schieten de normale wettelijke bevoegdheden rond asiel tekort? Dat is de vraag die moet worden beantwoord. De ambtenaren gaven in hun notitie aan dat dit niet het geval is. Als het kabinet het anders ziet dan staat het hen vrij de minister-president een beroep te laten doen op de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en vervolgens een asielnoodwet aan de Kamer voor te leggen. De vier partijen moeten zich hierbij wel realiseren dat toekomstige kabinetten ook op andere terreinen de ‘noodtoestand’ kunnen uitroepen. Bijvoorbeeld een ‘klimaatnoodtoestand’ of een ‘mestnoodtoestand’. Voor een van de vier partijen, de BBB, zou  een ‘mestnoodtoestand’ een middel kunnen zijn om meer mest uit te kunnen rijden. Maar de ‘mestnoodtoestand’ zou ook gebruikt kunnen worden om de veestapel te halveren.

De vraag is of we deze kant op willen met onze democratie? Bij het nadenken is de Weimarrepubliek een te bestuderen waardig voorbeeld. De diverse Rijkspresidenten zagen namelijk zeer vaak ‘noodsituaties’: “Artikel 48 zou in de Weimarrepubliek in totaal 254 keer gebruikt worden: door Ebert (1919-1925) niet minder dan 136 keer, gedurende de stabiele fase 1925-1929 slechts 9 keer, maar in de periode 1930-1932, toen de Weimarrepubliek steeds meer autoritair werd geregeerd weer veel meer en per jaar snel oplopend naar 109 keer in totaal in deze drie jaren.[3]  Per jaar gemiddeld 18 noodtoestanden. Dit lijkt mij een hellend vlak waar we niet op moeten willen. Bezint eer ge begint!


[1] Patrick Dassen, De Weimarrepubliek 1818-1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie, pagina 87

[2] Idem. Pagina 88

[3] Idem, pagina 89

Befehl ist niet altijd Befehl

“Als de wethouder wil dat we de bomen op de kop planten, dan adviseren we dat.”  Aan die uitspraak van een collega-ambtenaar moest ik denken bij het lezen van de ingezonden brief van Peter Simon in de Volkskrant. Simon: “Zou Thomas Hogeling dit een goed idee vinden? Of vindt hij het alleen een goed idee als de ambtenaren linkser zijn dan de ministers?” Het idee waar Simon het over heeft zijn ambtenaren die niet uitvoeren wat er is besloten. Volgens Simon is het niet de bedoeling dat: “de ambtenaren (dan wel) kijken (…) of ze deze besluiten wel of niet uitvoeren.” Dat is inderdaad niet de bedoeling. Dus moeten die ambtenaren dan alles maar gewoon uitvoeren?

Cylons uit de tvserie Battlestar Galactica uit 1978-1979. Bron: Flickr

Even terug naar de uitspraak van de collega waaraan ik moest denken. Op dat moment werkte ik voor een kleine gemeente die ging fuseren met twee andere gemeenten. Onderdeel van het fusietraject was ook dat we nadachten over het adviseren van het college. Hoe doe je dat? Hoe geef je zo’n proces vorm? Daarover ontstond een gesprek en discussie tussen mij en die collega’-ambtenaar van een van de gemeenten waarmee werd gefuseerd. De gemeenten bleken daar namelijk een andere kijk op te hebben. Centraal daarbij stond de vraag: aan wie adviseer je als ambtenaar? In die andere gemeente adviseerde de ambtenaar de wethouder, in onze gemeente adviseerden we het college van burgemeester en wethouders. Dat lijkt een futiliteit maar is het niet. Adviseer je de bestuurder, dan bepaalt de bestuurder wat er ter besluitvorming aan het college wordt voorgelegd. Als die wil dat ‘de bomen op de kop worden geplant’ dan is dat wat je als ambtenaar in het voorstel aan het college schrijft. Daarbij kun je de kanttekening plaatsen dat ze dan wellicht niet gaan groeien. Adviseer je het college, dan beslis je dat als ambtenaar op basis van je professionaliteit. Onderdeel van die professionaliteit is dat je het voorstel bespreekt met de verantwoordelijke wethouder en diens opvatting verwerkt in het voorstel. Dus in het voorstel aangeeft dat de wethouder ‘de bomen op de kop wil planten’, waarom en dan geef je daarbij aan waarom het volgens jou geen goed idee is.

Mijn grote bezwaar tegen de eerste werkwijze was en is nog steeds dat je dan als ambtenaar een advies voorlegt waar je niet achter staat maar waar wel je naam op staat en aan verbonden is. Jij bent het die voorstelt om ‘de bomen op de kop te planten’ terwijl je weet dat ze niet gaan groeien. Want, zoals Hogeling in zijn column terecht schrijft: “dat politici democratisch gekozen zijn, wil niet meteen zeggen dat ze weten hoe ze het algemeen belang moeten dienen.” Uiteindelijk beslist in beide gevallen het college hoe de bomen worden geplant. Maar Simon terecht schrijft: “Wij burgers kiezen de Tweede kamer, de Kamerleden stellen een regering aan, de regering neemt besluiten.”  

Laten we de bomen vervangen door asielzoekers. We zien een bestuursorgaan, de regering, die van de vier partijen die haar vormen, de opdracht heeft gekregen om de ‘asielcrisis’ uit te roepen en daarmee een deel van de Vreemdelingenwet buiten spel te zetten. Die opdracht staat in het Hoofdlijnenakkoord: “Ten eerste wordt de uitzonderingsbepaling van de Vreemdelingenwet 2000 (op grond van de artikelen 110 en 111) zo spoedig mogelijk geactiveerd. In de daartoe benodigde algemene maatregel van bestuur, dragend gemotiveerd, worden die bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 buiten werking gesteld die in de weg staan om de acute noodsituatie, voor de asielinstroom in het algemeen en de asielopvang in Ter Apel en de overige asielcentra in het bijzonder, direct aan te pakken, dan wel die bepalingen te vervangen met het oog op het bereiken van dit doel.”

Nu zijn de partijen die dit hebben opgeschreven, niet het bevoegde bestuursorgaan. Sterker, ze zijn in het geheel geen bestuursorgaan. Ze willen iets en dat moet de regering gaan uitvoeren. Of in dit geval de minister-president want op basis van artikel 110 eerste lid van de Vreemdelingenwet: “ ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, artikel 111,” in werking stellen. En dat artikel regelt dat: “Bij algemene maatregel van bestuur (…) regels voor het geval van buitengewone omstandigheden (kunnen) worden gesteld, die afwijken van de hoofdstukken 1 tot en met 7,” van de wet. En dat zijn de inhoudelijke hoofdstukken van de wet. Tegelijk met dat besluit moet er een wetsvoorstel naar de Kamer worden gestuurd over het voortduren van de afwijking van de wet. Dat voorstel dient door de regering te worden ingediend. Een beroep doen op buitengewone omstandigheden betekent het uitroepen van de algemene of gedeeltelijke noodtoestand. Daarvan kan alleen sprake zijn : “ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid,”  aldus artikel 1 eerste lid van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Het is gebruik dat besluiten gemotiveerd en dus met argumenten gebaseerd op feiten worden genomen. Dit om te voorkomen dat ‘bomen op de kop’ worden geplant’. Gebeurt dat niet dan worden ze door de rechter terecht nietig verklaard. Dit is het motiveringsbeginsel en dat is vastgelegd in Afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij dat motiveren ontstaan problemen. De ambtelijke organisatie wees op die problemen getuige de bij de Algemene Beschouwingen openbaar geworden ambtelijke notitie. Er moet worden gemotiveerd waarom de komst van asielzoekers de ‘inwendige veiligheid’ van Nederland aantast. En niet alleen dat, de aantasting moet dan ook alleen aan de instroom van asielzoekers te wijten zijn. Tot zover doen de ambtenaren hun werk. Als dit: zoals Hogeling schrijft: “In kringen die dit kabinet een warm hart toe dragen, is (tot)nogal wat chagrijn om kritische ambtenaren,” leidt en dat: “Ze (niet) moeten (…) dwarsliggen, maar gewoon uitvoeren wat ze wordt opgedragen.” Dan moeten ‘die kringen’ toch echt bij zichzelf te raden gaan. Die ambtenaren doen namelijk wat ze is opgedragen. Dat werk is namelijk de (on)mogelijkheden van ideeën en voorstellen aangeven en niet klakkeloos opschrijven wat een bestuurder hen opdraagt. Als de ambtenaren negatief adviseren over dit plan uit het Hoofdlijnenakkoord dan nog staat het de regering en de minister-president vrij om anders te besluiten. Dan moet de regering expliciet aangeven waarom zij van dat advies afwijken en die afwijking motiveren (artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht).

Dan naar de uitvoering. Besluiten moeten door de ambtenaren worden uitgevoerd. Want het zou wat zijn als: “de minister besluit tot het ­gedwongen uitkopen van boeren,” en: “De ambtenaren … doen (…)het gewoon niet.”   Moeten besluiten altijd door ambtenaren worden uitgevoerd? Ambtenaren moeten uitvoeren: Befehl ist Befehl. Moeten ambtenaren doen wat ze is opgedragen? Is Befehl altijd Befehl?

Jein, of beter gezegd ja en nee. Als het college, op advies van of tegen het advies in, heeft besloten de ‘bomen op de kop te planten’, dan worden ze op de kop geplant. Dan wordt dat dwaze besluit door de ambtenaren uitgevoerd. Als de minister besluit om boeren uit te kopen, dan moeten ambtenaren dat uitvoeren. Tenminste, als de minister bevoegd is dat besluit te nemen. Is de minister dat niet, dan hoeft het besluit niet te worden uitgevoerd. Want er is dan geen sprake van een besluit. Als een bevoegd bestuursorgaan een besluit neemt, dan voeren ambtenaren dat in de regel uit. Wellicht is er een ambtenaar die dit weigert te doen vanwege gewetensbezwaren. Voorbeeld hiervan waren ambtenaren van burgerlijke stand die weigerden een homohuwelijk te sluiten. De werkgever dient zorgvuldig om te gaan met die bezwaren en moet een afweging maken of de betreffende ambtenaar zonder teveel bezwaren kan vrijstellen van dit werk. Dat wordt lastig als het de kern van het werk van de ambtenaar is. In dat geval moet de ambtenaar zijn bezwaar inslikken of kiezen voor ontslag.

Het wordt nog anders als het bestuursorgaan een besluit neemt dat indruist tegen wet- en regelgeving. Een besluit om bijvoorbeeld alle mannen uit de asielopvang te zetten omdat er plaatsgebrek is en er alleen plaats is voor vrouwen en kinderen onder de 18 mag een ambtenaar weigeren uit te voeren. In zo’n geval is er sprake van discriminatie op oneigenlijke gronden. Een bestuursorgaan kan en mag niet van ambtenaren vragen om tegen de wet te handelen. Ook al is het besluit hiertoe volgens de juiste procedure, door het juiste bestuursorgaan genomen en gemotiveerd. Een ambtenaar die tegen de wet handelt en zich daarbij beroept op een bestuurlijke opdracht, kan persoonlijk worden vervolgd. Befehl ist Befehl.

Sterker nog, een ambtenaar zou zo’n opdracht moeten weigeren. Een ambtenaar zweert of beloofd immers: “de Koning en de Grondwet trouw te zijn en Nederland als goed ambtenaar te dienen,” zo is te lezen in de ambtseed. En dat betekent onder andere je gedragen: “volgens onze wetten, het recht en de gedragsregels die verder voor mij gelden.” Als het bestuursorgaan een loopje met de Grondwet en de wetgeving neemt, dan moet een ambtenaar weigeren uitvoering aan te geven de betreffende besluiten. Befehl ist dus niet altijd Befehl.

De bok van Van Bokhoven

‘De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’ een spreekwoord dat betekent dat iemand een ander iets verwijt waaraan de verwijter zichzelf ook schuldig maakt.. Daar moest ik aan denken bij een artikel van Ines van Bokhoven bij Opiniez. Daaraan en aan de splinter die je in het oog van de ander ziet terwijl je de balk in je eigen ogen niet opmerkt.

Bron: Wikipedia

Van Bokhoven gebruikt een tweet van een uitspraak van terrorisme-expert Beatrice de Graaf om haar punt te maken. In een reeks twitterberichten schreef Van der Graaf het volgende: “maandag heb ik blijkbaar bij @JinekLive geheel radicaalrechts in Nederland diep gekwetst. Ze voelen zich massaal geraakt over een item over de dreiging van extreemrechts in Duitsland, waar AfD geradicaliseerd is (volgens veiligheidsdiensten daar), en mee doet met neonazi’s.” In een tweede bericht gaat Van der Graaf verder: “Alle bekende en onbekende trollen, guurrrechtse “journalisten”, @DDStandaard, @wierduk, @NiniForNews hebben onthuld waarmee ze zich identificeren: met de extreem rechtse Duitse onderbuik.”

Van Bokhoven vindt het gebruik van radicaal rechts onnodig generaliserend en het wordt vooral gebruikt om: “zich achter te verschuilen.” Ook het gebruik van de woorden diep gekwetst bevallen haar niet: “Nou denk ik dat dat wel meevalt, maar stel dat het wel zo was: waarom daar dan zo laatdunkend over doen? Waarom daar de spot mee drijven? … Waarom zo stampen op de emoties van mensen waar je een samenleving mee deelt? Welk nut dient dat, naast jezelf het gevoel geven dat je zo ont-zet-tend veel beter bent – een volslagen misplaatst gevoel, want onderbouw het maar eens overtuigend na dat soort woorden.”   Van Bokhoven gaat verder: “De Graafs onderbuik: die van haar is prima, haar scheldpartijen en generalisaties en verwijten zijn de redelijkheid en rationaliteit zelve, en de rest van ons is een soort primaat als wij eens eerlijk zeggen, net als zij, op wie we zo kwaad zijn en waarom.”

Hiermee wordt, zo betoogt Van Bokhoven, onnodige verdeeldheid gezaaid in de samenleving. Daarom stelt ze de vraag: “wat verwachten ze toch? Wat denken ze dat er gebeurt als ze elke dag duidelijk maken zich niet verbonden te voelen met een steeds groter deel van de samenleving waar ook zij deel van uitmaken, net als wij? Waar hopen ze op? Dat we weggaan? Want we zijn hier, we delen die samenleving nu eenmaal met de De Graafjes van deze wereld, hoe onvoorstelbaar ze dat ook vinden – en we gaan nergens heen. We blijven gewoon hier en erger nog: we hebben exact dezelfde rechten en maken er gebruik van.”

Van Bokhoven heeft een punt. Het uitschelden van mensen is niet bevorderlijk voor het gesprek en dus ook niet voor het samen met elkaar leven van mensen die verschillend over zaken denken. Als ik jullie uitscheld dan zal dat jullie bereidheid om verder te lezen niet ten goede komen en is de kans dat mijn boodschap jullie bereikt klein.

Van Bokhoven heeft dus een punt. Alleen helpt ze dat punt vervolgens vakkundig om zeep door precies dat te doen waar ze De Graaf terecht van beschuldigd: “Willen mensen als Beatrice nog wel deel zijn van onze samenleving? Want terwijl zij het recht claimen onze wereld te mogen duiden, deze wereld als eigendom te behandelen, wordt de groep die zich van deze deugpronkers afkeert met de dag groter. Deze deugers moeten uitkijken: straks staan ze zelf buitenspel en het is nog maar de vraag of wij een samenleving willen delen met mensen die niet verder komen dan hun eigen bevooroordeelde, misplaatst verheven onderbuik waarmee ze deze samenleving zo ongelofelijk veel schade toebrachten en zo ontzettend veel kloven groeven.”

Nu, aan het einde van deze Prikker viel me, na de pot en de ketel en de splinter en de balk nog een spreekwoord in: heeft van Bokhoven met dit artikel niet een bok geschoten?

Cliteurs kletskoek

“Vervolgen is een politieke daad en voor de vervolging van het Kamerlid is uiteindelijk de minister van justitie verantwoordelijk. Dat maakt het al vreemd: de regering moet worden gecontroleerd door de Tweede Kamer (art. 42, lid 2 Gw). Wanneer de leden van de regering dan de bewoordingen die Kamerleden gebruiken bij de rechter kunnen laten beoordelen, ontstaat een onwenselijke situatie: een democratisch gelegitimeerd Kamerlid wordt belemmerd in zijn werk. Belemmerd door de instantie die hij moet controleren (de regering). Bovendien wordt de rechter gedwongen in een rol die de rechter niet past. De rechter moet zich gaan mengen in de politiek.” Aldus Paul Cliteur in een artikel bij De Dagelijkse Standaard. Dat is nogal een beschuldiging. Wat is er aan de hand? Waar gaat het fout?

De Sustainable Development Goals . Bron: devpolicy.org

Even voor de context. Cliteur doet deze uitspraak omdat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten FvD-Kamerlid Pepijn van Houwelingen te vervolgen voor smaad en laster. De voormalige ministers Kuipers en Van Gennip hadden aangifte gedaan omdat Van Houwelingen in gemanipuleerde beelden beide ministers nazivlaggen liet hijsen. Volgens Cliteur is het: “zeer kinderachtig dat de ministers Kuipers en Van Gennip hebben lopen jeremiëren over de behandeling die hen (…) ten deel (is) gevallen door het Kamerlid. Waarom? Omdat zij zelf het initiatief hebben genomen tot het hijsen van een vlag met daarop de zogenaamde SDG doelen (Sustainable Development Goals) van de Verenigde Naties. Dit hoort een minister natuurlijk helemaal niet te doen. Voor het ministerie een vlag gaan hijsen met omstreden politieke doelstellingen en daarvan een filmpje laten maken om dat op social media te openbaren, is een ontduiking van het proces van politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer, zoals de Grondwet dat in art. 42, lid 2 voorschrijft. Verantwoording geschiedt tegenover de Tweede Kamer. Bijvoorbeeld in een debat.”

Nu even de feiten. Met het hijsen van die vlag vroegen de ministers aandacht voor Sustainable Development Goals, zoals Cliteur constateert. Omstreden zijn die doelen niet. Ze worden onderschreven door 193 landen van de Verenigde Naties. Nederland is een van die 193 landen die met deze, volgens Cliteur, omstreden doelen heeft ingestemd. Het proces van ‘politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer wordt hiermee in het geheel niet ontdoken. Als Van Houwelingen daarover met de minister in debat wil of er vragen over wil stellen, dan staat niets hem in de weg dat te doen. Sterker nog. Ieder jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang met betrekking tot de doelen. Dat deze ministers “kennelijk  …  te zwak, te hooghartig, te weinig ingevoerd in de materie (zijn) om zich in een kamerdebat staande te kunnen houden.”  En daarom kiezen voor: “de gemakkelijke weg: een filmpje,” zoals Cliteur beweert, raakt kant nog wal.

Het staat iedere Nederlander, ook een minister, vrij om aangifte te doen tegen iemand als die zich, in de ogen van de aangever schuldig maakt aan smaad en laster. Het staat je vrij, je hoeft het niet te doen. Als er aangifte is gedaan dan moet het OM de aangifte onderzoeken en als dat onderzoek oplevert dat er een mogelijk strafbaar feit is gepleegd, dan moet het OM tot vervolging overgaan. En ja, de minister van Justitie is politiek verantwoordelijk voor politie en justitie en dus ook voor het OM. Dat het OM overgaat tot vervolging gebeurt daarmee onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Dat is het enige politieke aan het besluit en dat is voor de zaak tegen Van Houwelingen niet anders dan bij een vervolging van de eerste de beste crimineel of voetbal hooligan. Dat wordt anders als de minister van Justitie zich hier actief mee bemoeit.

Dat een minister aangifte doet tegen Van Houwelingen, wil niet zeggen dat de regering een Kamerlid belemmert te werken en dus belemmert om de regering te controleren. Sterker. Het gemaakte filmpje heeft niets te maken met het werk van een Kamerlid. Van Houwelingen had zijn werk gedaan als hij Kamervragen had gesteld of een debat had aangevraagd. Dat is zijn werk. Bij het stellen van die vragen en in dat debat had hij, als hij daar werkelijk de behoefte toe voelde, straffeloos zijn nazi-vergelijking kunnen maken. In de Kamer is hij onschendbaar voor rechtsvervolging. In de Kamer wel. In een filmpje dat vervolgens op het web wordt geplaatst niet. Dan heeft hij even veel rechten en plichten als een gewone burger.

De rechter hoeft zich niet in ‘te mengen in de politiek’. Hij hoeft zich niet uit te spreken over het al dan niet omstreden zijn van de Sustainable Development Goals en of die, zoals Cliteur beweert: “alleen te verwerkelijken zijn in een totalitaire (communistische of nazistische) samenleving.” De rechter moet een uitspraak doen in de voorliggende zaak en daarmee antwoord geven op de vraag of Van Houwelingen zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en laster. Smaad en laster aan het adres van de twee aangevers.

“Nu kan het zijn dat de ministers Kuipers en Van Gennip niet Hannah Arendt’s The Origins of Totalitarianism (1951) onder hun hoofdkussen hebben liggen. Zij zullen ook niet bekend zijn met Friedrich Hayek’s The Road to Serfdom (1944). Naar alle waarschijnlijkheid ontgaat hun de intelligentie achter Van Houwelingen’s vergelijking helemaal. En wat doe je dan? Dan doe je wat alle domme mensen doen, dan ben je beledigd.” Nu heb ik beide boeken gelezen en ook mij ontgaat de ‘intelligentie’ die er kennelijk in Van Houwelingens actie zit. Wellicht ben ik dan ook wel dom. Als ‘dom’ mens moet me dan wel van het hart dat een jurist, zeker iemand die hoogleraar encyclopedie van het recht is geweest, zo’n rammelend betoog houdt. Zo’n kletskoek.